Auteursarchief: admin

Volkskunst uit Groninger particulier bezit, Papyria 9

Tot onze aanwinsten op de veiling van de Westerborkcollectie in 1988 behoorde de catalogus van de tentoonstelling “Volkskunst uit Groninger particulier bezit” die in 1968 in de provincie Groningen is gehouden. Die expositie is te zien geweest in Museum het Hogeland (Warffum, 6 t/m 22 april), De Noordelijke Kunsthof (Appingedam, 3 t/m 30 mei) en het Geert Teis Centrum (Stadskanaal, 1 t/m 17 juni). Opmerkelijk is dat in de verzameling krantenknipsels die Wiecher Lever heeft aangelegd (los of in plakboeken opgenomen) niets over de tentoonstelling bewaard is, terwijl hij toch zeker in deze presentatie geïnteresseerd moet zijn geweest. Die catalogus was natuurlijk niet voor niets in zijn bezit.

De expositie kende een comité van voorbereiding, bestaan uit drs. M. van der Akker (lid van het tentoonstellingscomité en tevens een van de bruikleengevers) en Tiemen Helperi Kimm, directie-secretaris van Niemeyer, conservator van het Niemeyer Tabaks Museum en later ook directeur van het Noordelijk Scheepvaartmuseum). Deze Helperi Kimm nam ook de “Inieiding tot de volkskunst” voor zijn rekening. Hij sloot zijn inleiding af met: “In de musea en zelfs in het Nederlands Openluchtmuseum wordt de volkskunst (met uitzondering van de landelijke bouwkunst) tamelijk stiefmoederlijk behandeld. Volkskunsttentoonstellingen worden zelden gehouden. Onze tentoonstelling geeft in wezen ook geen representatief beeld. Toch valt er veel te genieten en te ontdekken“.

En genoten kon er worden van Textiel, Knipwerk in papier, Miniatuur in hout, Schilderijen, aquarellen en tekeningen, Diversen papier, Houtwerk, Koek- en suikerplanken, Breischeden, Klein houtwerk, Botervormen en stempels, Import houtwerk, Leerwerk, Been en hoorn, Penningen, IJzer, Glas, Steengoed, Loodglazuuraardewerk en Ongeglazuurd.

De afdeling knipwerk in papier loopt van catalogusnummer 31 t/m 53 en is verdeeld in: Friesland (nrs.31 t/m 36), Groningen (nrs.37 t/m 50), Drenthe (nr.51), Zeeland (nr.52) en Overig Nederland (nr.53).

Interessante bijdragen uit Friesland zijn twaalf 18de eeuwse knipseltjes met bijbelse voorstellingen (nr.31), een knipwerk met opschrift S.B.Wellinga en D.E.van Dijk uit 1823 met voorstellingen betrekking hebbend op de smederij en veel decoratief werk (nr. 32). Bij dit gedeelte van de tentoonstelling verder dubbelgebouwen knipsels gemaakt door Hiske van der Tuin-Flint uit het einde van de 19de eeuw (nrs.35 en 36).

Het Groningse deel van de expositie was het meest omvangrijk. Daarbij twee knipsels, gemaakt, omstreeks 1800, voor het echtpaar Frans Britz en Beertje Lucas, gehuwd op 1 december 1805 uit de collectie van Museum Het Hoogeland (nr.39). Dit museum stelde verder beschikbaar een knipsel met het gereedmaken van paarden voor de keuring (van de hand van Roemelé, zie daarvoor het opstel over deze knipper in dit nummer)(nr.40) en een knipwerk, dubbelgevouwen geknipt, deels gekleurd met de bijbelse voorstellingen Koning Salomo’s oordeel, de Verloren Zoon en de Verspieders van Kanaän omstreeks 1830 (nr.45), Ook was er een kerkboek, met daarin vier knip- en prikwerk uit het bezit van Eitje Gerrits Arends (Ezinge 1818-Obergum 1844).

De enige knipsels die afgebeeld in de catalogus voorkomen waren 19de eeuwse werkjes (6 x 11cm en 6,5 x 11cm) met de initialen TMK en MMK voorstellende Adam en Eva onder de boom en de Verdrijving uit het Paradijs (nr.49). Veel van het tentoongestelde Groningse knipwerk kwam uit de collectie van drs. M. van den Akker uit Wetsinge (gem. Winsum), die zoals we al schreven ook lid van het tentoonstellingscomité was.

Drenthe was op de expositie slechts vertegenwoordigd met een bijdrage: een klokkenkleedje uit tekenpapier gemaakt door mevr. Homan-Meulenkamp uit Vries gemaakt in 1962 op 90 jarige leeftijd (nr.51).

Uit Zeeland kwam een knipsel van Jantje de Prentenknipper uit de collectie Van den Akker (nr.52). Uit “Overig Nederland” stelde Museum Het Hoogeland een knipwerk, opgewerkt in reliëf beschikbaar dat in de 18de eeuw gemaakt zou zijn door Van Winter (nr.53).

Behalve particulieren leverde een culturele instelling als Museum Het Hoogeland dus ook een bijdrage aan deze reizende expositie. Het is daarom opmerkelijk dat er geen werk uit Levers collectie in Westerbork was opgenomen. Daarin bevond zich veel Gronings werk. Bewaarde publiciteit of recensies ontbreken in het Lever-archief, terwijl uit het bezit van de catalogus blijkt dat Lever zeker belangstelling voor de tentoonstelling moet hebben gehad. Misschien heeft hij die zelfs wel bezocht en toen de catalogus aangeschaft. Naar de reden moeten we raden, verstoring van de door hem gewenste zondagsrust, zoals bij de expositie in het Centraal Museum in 1946, kon niet de reden zijn om medewerking te weigeren want de tentoonstelling was op elk van de drie locaties op zondag gesloten.

Door Henk van Ark

Grient-Wilken, Johanna Bernarda (Narda) van der

Narda Wilken, Winkel 5 april 1929 – 22 september 2021 Graauw

Narda was heel kunstzinnig: ze tekende, schilderde en maakte modeontwerpen. Op latere leeftijd zette ze zich nog aan het beeldhouwen. Haar knipsels zijn ragfijn uitgewerkt. Ze werd in 1988 bestuurslid van de Stichting W.Tj. Lever, die in Schoonhoven een knipkunstmuseum begon. Maar knippen raakte meer en meer op de achtergrond, “dat geeft te veel rommel” (in 2016, interview).

Collectie Museum van Papierknipkunst, Westerbork

Line Huizenga en knipsels in Groningerland, Papyria 9

In het Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven was van 1 juni tm 13 juli 1997 de tentoonstelling “Knipsels uit Groningerland” te bekijken. Deze expositie werd georganiseerd naar aanleiding van de tentoonstelling “Groninger Keur” in het Goud-, Zilver- en Klokkenmuseum en maakte onderdeel uit van de manifestatie “Een Zomerse Honderddaagse”. In ons museum werden toen diverse exposities en verschillende presentaties gehouden en er was sprake van allerlei activiteiten [1]. “Knipsels uit Groningerland” was een verwijzing naar een artikel van Line Huizenga-Onnekes (“Knipsels in Groningerland”) dat in 1950 werd gepubliceerd in het tijdschrift Oud Nederland; we toonden op deze expositie Groningse knipsels uit eigen verzameling. Enige jaren later besteedden we ruime aandacht aan Huizenga-Onnekes in verband met het uitkomen van de door Atty Broer voor het museum geschreven brochure over ds. Jan de Bleyker (2001)[2]. Huizenga schreef in 1953 in het tijdschrift “De Speelwagen” al over deze 18de eeuwse predikant en papierknipper. En in onze monografie over Wiecher Lever (2010) kwam deze Groningse folkloriste natuurlijk aan bod vanwege haar vele contacten met Lever en hun jarenlange samenwerking, eind jaren veertig, begin jaren vijftig [3].

Wat dat laatste betreft, beiden hadden grote belangstelling voor volkskunst en bewaarde knipsels in Groningen en elders. Toch is Huizenga in Groningen vooral bekend als onderzoekster en publiciste van Groningse volksverhalen.

Eilina (Line) Johanna Huizenga-Onnekes (Vierhuizen 1883-Groningen 1956) was de dochter van Klaas Onnekes en Dievertje Brongers. Vader was hervormd predikant in Vierhuizen-Zoutkamp, daarom werd Line altijd “Dominees Lientje” genoemd. In 1909 trouwde zij met de landbouwer Jan Hendrik Huizenga uit Ten Boer. De “weem” (pastorie) en boerderij “t Lutje Waskhoes” onder Ten Boer hebben, zo schrijft Tjaard de Haan in een in memoriam [4], de sfeer van haar leven en denken bepaald: “…In dankbare herinnering zal zij blijven door het feit dat zij als een der allerbesten hier te lande de boer opgegaan is ter verzameling van het levende volksverhaal. Modern in haar werkwijze is haar aandacht voor de vertellers, onder wie dragers van het mondeling overgeleverde sprookje voorkomen zoals men ze tegenwoordig na toch maar weinig decenniën nergens meer op het Groninger platteland zal aantreffen. De jongeren benijden en bewonderen haar om het kostelijk volksgevoel dat zij in duizend bezoeken door het hele gewest heeft weten te vergaren… “. De Haan is wel zo eerlijk later in zijn stuk te vermelden dat natuurlijk niet iedere onderzoeker (waaronder hij zelf) zich altijd kon vinden in haar werkwijze en met name de interpretatie van de vele verzamelde gegevens.

Huizenga-Onnekes eerste publicatie in boekvorm waren de sprookjes van “Trijntje Soldaats”, alias huisnaaister Trijntje Wijbrands, tussen 1800 en 1804 aan haar betovergrootvader en diens broer verteld en door de laatste (Gerrit Azn. Arends) op papier gesteld. Het werd een mooie bibliofiele uitgave, mede door de prenten en initialen van Johan Dijkstra, een bekende Ploegschilder en latere kunstcriticus. Het boek werd in een oplage van 600 exemplaren in 1928 uitgegeven door uitgeverij P. Noordhoff te Groningen met zetwerk en layout van Hendrik Werkman, eveneens lid van de Ploeg. Het boekje telde 17 Groningse volksvertellingen.

  

 

Voor Trijntje Soldaats is de laatste jaren meer belangstelling ontstaan. Op 24 mei 2014 was in haar geboortedorp Ezinge zelfs een dorpsfeest met diverse activiteiten ter gelegenheid van haar 200ste sterfdag. Maar een verwijzing naar Huizenga-Onnekes ontbrak echter op die dag. Ook de bijdrage van Museum Wierdenland stelde teleur, men toonde slechts alleen een exemplaar van het boek op de museumbalie Meer recht werd de initiatiefheemster van de bijzondere uitgave gedaan in de publicatie “Trijntje Soldaats en de Torenstraat” (Bedum 2001),waarin ook de inhoud van de sprookjes wordt weergegeven. Huizenga-Onnekes ging na de uitgave van “Trijntje Soldaats” door met het verzamelen van volksverhalen wat leidde tot “Het boek van Minne Koning” in 1930. Verzorgd door dezelfde Ploegleden (Dijkstra en Werkman) en uitgeverij (Noordhoff). Dit boek heeft 23 verhalen. Beide uitgaven werden goed ontvangen en beschouwd als het beste typografische werk van Werkman, maar waren commercieel geen succes[5].

   

 

Het onderzoekswerk van Line werd in context geplaatst door Daniël Broersma in zijn proefschrift “Het wonderland achter de horizon. Groninger regionaal besef in nationaal verbands 1903-1963” (Assen 2005). In 2003 verscheen van de hand van de kunstenaars Coos Dieters en Carola Rombouts en nieuwe, eigentijdse versie van de boeken van Trijntje Soldaats en Minne Koning. De oplage was 100 exemplaren per boek. Als twee delen werden ze samengevoegd in een cassette.

Andere, door haar Huizenga samengestelde, werken zijn: “Groninger Volksverhalen” (1930) en “Het Menschelijk Leven in Groninger Land” (1939). Na de oorlog ging Line door met het verzamelen van volksverhalen, maar ze publiceerde ook verschillende artikelen over het onderwerp papierknipkunst [6]. Zo verschenen er in 1947 twee stukjes in het Groninger Dagblad (15 en 22 maart) en een artikel in Hobby (juni). Gevolgd door “Knipsels in Groningerland” in Oud Nederland en in 1953 een artikel over Jan de Bleyker in De Speelwagen. Ook kwam zij in contact met knipper Wiecher Lever die zich vanaf 1946 mocht verheugen in een steeds groeiende belangstelling voor zijn werk. Ook hij had grote belangstelling voor knipkunstenaars en heden en verleden. Lange tijd werkten zij min of meer samen met het doel een boek over knipkunst te schrijven, dat als titel “Knipkunst Oud en Nieuw”, waarvoor Lever nog in 1950 een knipsel voorde omslag maakte, zou krijgen. Maar deze samenwerking leidde uiteindelijk niet tot het gewenste resultaat. Uit de bewaarde correspondentie tussen beiden blijkt dat ze een verschillende opvatting over de inhoud van het boek hadden. Lever zag in die uitgave verder ook als een mogelijkheid zijn opvattingen over volkskunst en papierknippen als volkskunst te promoten. En hij had uitgesproken, niet al te positieve, opvattingen over het werk van diverse papierknippers/-sters en sommige museummedewerkers, Hil Bottema van het Nederlands Openluchtmuseum voorop. En juist met haar had Huizenga-Onnekes een goede relatie. Ook lukte het niet de uitgave gefinancierd te krijgen. Lever kwam in 1952 met een eigen, kleine uitgave onder de titel “Op nieuwe wijs, naar oude trant”, die hij later omvormde tot een losbladige lesmap (“Spelend Leren”). Een het boekje van zijn hand, waarvan het manuscript (1954) grotendeels is bewaard kwam echter niet uit. Dat geldt ook voor het boek van Huizenga dat inmiddels de titel “Juweeltjes van Knipkunst” had meegekregen. Het manuscript daarvan bleef echter wel bewaard en leverde voor nieuwe onderzoekers veel informatie op, hoewel te betreuren blijft dat het nooit, al is het maar in bescheiden vorm, is uitgegeven. Tjaard de Haan schrijft in zijn in memoriam niet voor niets: “Laat men zorgvuldig behoeden wat er in haar nalatenschap aanwezig is aan ongepubliceerd materiaal. Het komt mij voor, dat haar schoonste grafmonument zou zijn een verstandige keuze-in-boekvorm uit datgene wat in haar vier bundelingen niet is opgenomen “.

Het artikel “Over knipsels en schaduwbeelden” van het Groninger Dagblad is opgenomen in het plakboek dat Wiecher Lever bijhield in de periode 1946-1956. Later dat jaar (1947) verscheen het ook in Hobby [7]. Huizenga schrijft erin over de geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland en noemt dan kunstenaars als Anna Maria van Schurman, Johanna Koerten, Neeltje Prijs, Elisabeth Rijberg, Gilles van Vliet, Willem Eigeman en Jan de Marker (is Jan Visscher van Urk). In haar eigen bezit zijn knipsels van Trijntje Hiddes Werda (die zij toeschrijft aan Helena Leen) en Wilhelm Müller. In verband met het werk van deze Duitse kunstenaar vermeldt zij ook werk van R. W. Huss uit de 17de eeuw en knipwerk van Hans Christiaan Andersen. Als eigentijdse knipkunstenaars noemt ze Gretha Zijl (een mooie dans om de Oranjeboom is op de voorpagina van het tijdschrift afgebeeld), Wiecher Lever, Geert Boswijck en Levers “leerlinge” Antje Pronk. Dit artikel in Hobby wordt gevolgd door stukjes die Lever schrijft over “Knipsels en hun vervaardiging” en “Knippen als volkskunst”. Hij gaat dan in op de praktische gang zaken bij het papierknippen.

Het artikel in Oud Nederland moet gezien worden als vervolg op het stukje in Hobby. Huizenga-Onnekes beschrijft hierin de reacties die zij op het eerste artikel heeft ontvangen. Zo wees mw. Weevers-de Graaff haar op het bestaan van knipster “nicht Schippers”, of wel Barbara de Graaff (1804-1884), geboren te Sommelsdijk, Catharina van de Graft had haar attent gemaakt op twee van haar artikelen in Historia (in 1948 volgde nog een derde artikel). Huizenga somt op welke knippers Van de Graft daarin behandelt: Van Schurman, Johanna Koerten, Elisabeth Rijberg, Geert van Vliet (moet zijn Gillis van Vliet), Steven Blankaart, Agnes Block, J. Kopper, Willem Eigeman en Cornelis Bavelaar. Van de Graft noemde ook Maria Elisabeth van den Brink (1824-1904) en dat maakt het voor Huizenga mogelijk haar werk te vergelijken met dat van Afina Annette Riekels (1825-1894). Zo belandt ze bij het echte onderwerp van haar artikel, de “Knipsels in Groningerland”.
Riekels zou het knippen van haar grootvader Willem Georg Nuitz, een Duitse arts die zich in Groningen had gevestigd, hebben geleerd. Van hem was er tot dan toe geen werk bekend, maar Line acht het mogelijk dat een reliëfknipsel in privébezit (mensen en paarden aan weerszijden van een boom met op de achtergrond een standaardmolen) aan Nuitz kan worden toegeschreven. Wij weten nu dat dit stuk moet zijn gemaakt door Pieter Reijnders, van wie Huizenga in eigen bezit een knipwerk (sjees) had. Behalve het werk van Afina Riekels wordt uit eigen streek nog het werk van Eppo Brongers, onderwijzer te Thesinge (gem. Ten Boer) genoemd, namelijk een gedenkstuk ter herinnering aan de restauratie van de kerk van het dorp in 1786 en een geknipt en getekend, opengeslagen zangboek. Verder komt het werk van W. P. A. Roemelé (1791-1833), Huizenga schrijft over een huwelijksstuk (Busscher/Hopkes) uit 1806 aan de orde. Natuurlijk besteedt zij aandacht aan Geert Jager (1823-1916) een knippende arbeider uit Hellum in wiens werk Wiecher Lever sterk geïnteresseerd was. Zij noemt van hem enige knipsels en sluit af met het knipsel van de familie Gort dat in 1953 door Lever werd gekopieerd. Dit knipsel werd gemaakt door Theodoor Nieuwland, en niet door Gort, een Groningse schipper zelf zoals Lever veronderstelde.

Tijdens haar onderzoek naar het werk van Groningse en andere knippers ziet Line Huizenga een knipsel van ds. Jan de Bleyker bij de doopsgezinde predikant ds. Michiel Onnes in Veendam. Het is een prachtig huwelijksknipsel, gemaakt voor Pieter Koekebakker en Maartje Dirks Kok uit 1761. Van hem hoort ze dat De Bleyker knipwerk als dit maakte als bijverdienste, omdat zijn tractement als predikant/leraar niet toereikend was om in het onderhoud van zijn gezin te kunnen voorzien. Na de dood van ds. Onnes kocht de Amsterdamse antiquair Leo Bisterbosch dit kunstwerk. Over Jan de Bleyker schrijft Line enige jaren later (1953) een artikel in het tijdschrift De Speelwagen [8]. Bij de tekst zijn afgebeeld het portret van De Bleyker (geschilderd door Van Horstok) en twee knipsels, de huwelijksstukken Koekebakker/Kok en Berkhout/Verlaan.

Het knipkunstonderzoek van Line Huizenga-Onnekes vond plaats in een tijd van toegenomen belangstelling voor papierknipkunst. Niet alleen werd duidelijk dat het kunstige knippen nog steeds werd beoefend, ook werden nieuwe creatievelingen aangemoedigd hiermee aan het werk te gaan. Tentoonstellingen, beurzen, demonstraties en een behoorlijke publiciteit droegen daaraan bij, maar waarschijnlijk vooral toch de inspanningen van enige kunstzinnige voortrekkers zoals Hil Bottema (1913-1968), Irma Kerp (1900-1988) en niet te vergeten Wiecher Lever (1917-1981). Hun werk vond ook steun door de groeiende interesse voor de geschiedenis van de knipkunst, al is het te betreuren dat geplande publicaties als “Juweeltjes van knipkunst” (Huizenga), “Met het wonderschaartje” (Bottema) en “Volkskunst uit eigen land” (Lever) uiteindelijk niet werden uitgegeven, enige schrijvers van een in memoriam van Huizenga hebben aangedrongen op publicatie van door de Groningse folkloriste bijeengebrachte gegevens.

De Haan schrijft: “Mevrouw E. J. Huizenga-Onnekes ruste in vrede, na een leven van arbeid; na een leven ook van innerlijke strijd, waarbij zij echter met al haar nooit aflatende emotionaliteit telkens weer een goed houvast wist te vinden in de eeuwige grond aller dingen. Laat men zorgvuldig behoeden wat in haar nalatenschap aanwezig is aan ongepubliceerde materiaal. Het komt mij voor dat haar schoonste grafmonument zou zijn een verstandige keuze-in-boekvorm uit datgene wat in haar vier bundelingen niet is opgenomen “. Aan deze wens van De Haan is voldaan met een uitgave, samengesteld door Dr.J. A. Fijn van Draat, met de titel “Heksen- en Duivelsverhalen in Groningerland” in 1970 [9], maar met het onderwerp knipkunst, waarover dus een geheel manuscript is bewaard, is dit veel minder gebeurd. Het is ongeveer gebleven bij een lezing over Huizenga in 1986en de vermelding van gegevens in enige artikelen in publicaties en dat was het wel [10]. We wachten eigenlijk nog op een integrale uitgave van Huizenga’s boek over de geschiedenis van de Nederlandse knipkunst zodat een ieder kan beoordelen wat de cultuurhistorische waarde van haar werk op dit terrein nu echt is geweest. Voor haar bekendheid in Groningen en daarbuiten ook op dit gebied zou dat veel kunnen betekenen.

Door Henk van Ark

Noten

  1. Nieuwsbrief “Museumnieuws”, jrg.l0 (1997), nummer 2, (p.2-3].
  2. Nieuwsbrief “Huizenga-Onnekes over knipsels en Jan de Bleyker”, jrg.14 (2001), [p. 9-10], nr.3, [p. 8-10]
  3. Van Ark, p. 51-53.
  4. Tjaard de Haan, “Mevrouw E.J.Huizenga-Onnekes”, in: Driemaandeljkse Bladen (1955-1956), p. 99-103. Zie ook: A.J.Scholte, “In memoriam Eilina Johanna Huizenga-Onnekes”, Groningse Volksalmanak, 1957, p. 6-9 en A.J.Scholte, “Eilina Johanna Huizenga-Onnekes (Vierhuizen, 19 maart 1883-Ten Boer, 21 april 1956),  Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1957, p.72-75.
  5. Mieke van der Wal, Johan Dijkstra (1896-1978), Zwolle 1996, p.143-146
  6. Geknipt!, “Line Huizenga-Onnekes, folkloriste”, p. 62-63; Van Ark, “Knipkunst als volkskunst”, p. 51-55; Joke Verhave/To van Waning, Line Huizinga en Hil Bottema, z.p.1986.
  7. Van Ark, p. 10-11; E. J. Huizenga-Onnekes, “Over knipsels en schaduwbeelden”, Hobby, jrg.1. (1947), p. 166-170.
  8. J. Huizenga-Onnekes, “Jan de Bleyker (1707-1783)”, De Speelwagen, jrg. 8, nr.10 (1953), p. 294-298.
  9. A. Fijn van Draat, Heksen-en Duivelsverhalen in Groningerland, verzameld door Mevr. E. J. Huizenga-Onnekes, Winschoten [1970].
  10. Zie noot 6.

Literatuur
Geknipt!: Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt! Geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland, Zutphen 2008.
Nieuwsbrief: Nieuwsbrief van het Nederlands Museum van Knipkunst en de Stichting W. Tj.Lever (1988-2008). (Alle artikelen door Henk van Ark, tenzij anders vermeld).
Van Ark, Henk van Ark, Wiecher Tjeert Lever (1917-1981). Een kunstenaarsleven in knipsels, Rasquert, 2008/2010.

De bloemenwereld van Wiecher Lever, Papyria 9

“Een wereld van bloemen” was de titel van de expositie die in het najaar van 1986 in Atelier Tobia Lever werd gehouden. Tobia Lever liet daar nieuw werk zien, meestal kleurige geknipte bloemvormen en soms afdrukken daarvan, de zogenaamde vloeidrukken. De titel had ook kunnen worden gebruikt voor een tentoonstelling van werk van haar vader, Wiecher Lever. Alleen hij werkte, op een uitzondering na, steevast in zwart en wit en bereikte in dit knipwerk, bloemen dus, een niveau dat naar onze mening in Nederland nooit is geëvenaard.

Al in het eerste krantenartikel in het plakboek dat Wiecher Lever samenstelde (1946-1956) wordt zijn belangstelling voor de natuur vermeld: “Zijn streven is er op gericht de natuur zoveel mogelijk te benaderen, waarvoor hij voor zijn motieven de dieren en de bloemen bestudeert”.  In zijn artikel “Knippen als Volkskunst” een jaar later schrijft hij over zijn voorliefde voor kleine onderwerpen als stootwalletjes, kanaalomlijsting als lisdodden en riet, sierlijke lijnen van eenden, het scheren van zwaluwen over water en sierduiven. Zijn liefste werk is het knippen van bloemen: “Veldbloemen zijn daar veelal beter voor geschikt dan kweekbloemen, daar ze ranker van bouw zijn en sierlijker van lijn. Vaak- ik ben handelsreiziger, dus veel bij de weg- zet ik me terzijde van weg ofpad om bloemen na te schetsen: zodoende verzamel ik steeds meer voorbeelden. Thuis gekomen leg ik dan het getekende op tafel en knip dan uit de vrije hand, zonder op het papier iets aan te geven, de bloem van de schets na. Niet alle bloemen lenen zich even goed: het knippen van kamperfoelie (…), korenbloem, pinksterbloem en andere tere veldbloemen is een lust”.
In het artikel “Tjeerd, de knipkunstenaar” zien we dan ook Lever aan de kant van de weg gefotografeerd terwijl hij een schets van een bloem maakt. Op de foto ernaast zien we hem een landschapje uit wit papier knippen.

Die liefde voor de natuur, en dan vooral bloemen en dieren, blijkt ook uit Levers geschreven werk. Bewaard gebleven zijn 13 schriften met gedichten, waaronder de serie “Stille Uren, I-III (1940), onder het natuurlijk niet voor niets gekozen pseudoniem W. de Zwerver, een multomap met gedichten (1942-1943), een omslag met 37 losse gedichten (1943?) en twee dagboeken (5 maart 1936-16 januari 1938 en 17 maart 1938-26 januari 1939).

Interessant vooral is een index van 63 gedichten met daarachter een deel van die gedichten (pagina nummering (I-IX).

De eerste 9 gedichten zijn pure natuurgedichten waaronder “Mijn lievelingsbloem” (nr. 3), “Sneeuwklokje” (nr. 5), “Aan ‘t beekje” (nr. 6) en “Door de velden” (nr. 7). Aan zijn lievelingsbloem, de kamperfoelie wijdde hij het volgende gedicht:

“De plant klimt leunend licht
langs struik, slechts weinig hoog.
van menig acht ‘loos oog.
Waar zich het bos verdicht,
ook klemmend aan ‘t geboomt ‘,
in sprookjes schemerlicht
waar alles stilte droomt.
Waar voog ‘lenzang of slag
vermengd met ruischend hout,
die stemming heeft gebracht
die mij gebonden houdt.

Daar -roomig, zij-ig zacht,
vervioeiend roos albast,
zijn zij als maanlicht zacht
hun stille stand verrast.

Van fraai violen vorm,
in krans om stengeltop,
wijd, waaierwijd gespreid
hun blonde bloemenkop.

De milde matte kleur
der bleeke blanke blom,
vol specerijen geur,
zoo zacht, in ‘t groen rondom.

De harmonie die ligt
in plant in bloem, in sfeer
van zacht getemperd licht,
ontroert mij telkens weer “.

Die kamperfoelie duikt en vroege en latere Lever voorstellingen op. Als afzonderlijke plant, in een vaas met bloemen of als onderdeel van een meer uitgebreide compositie.

Lever vond de kamperfoelie niet alleen maar een prachtige plant, deze was ook uitstekend in zijn grotere knipwerken toe te passen. De slingerende ranken met bladeren waren niet alleen erg decoratief, ze leenden zich prima als verbindingslijnen voor een knipselcompositie. De grillige bloem was, ook indien sterk gestileerd, een opvallend en vaak sterk uitspringend versierend element. In wat mindere mate -de bloem was niet zo uitgesproken- gold dat ook voor een andere plant/bloem die hij in zijn knipwerk graag gebruikte: de siererwt of lathyrus. Getekende studies van deze planten komen vanzelfsprekend voor in schetsboekjes die bewaard zijn gebleven. De eerste voorstellingen daarin dateren van 1952, de laatste van 1969.

  

Het zijn notitieboekjes met harde kaft waar Lever veel waarde aan hechtte. In een van de eerste exemplaren heeft hij niet alleen in blokletters naam en adres vermeld (W.T. LEVER! ATELIERI”DE MEEUW”/MUNTENDAM, maar ook de oproep BIJ VERLIES TEGEN/BELONING AAN/BOVENSTAAND ADRES/ZENDEN.

Die notitieboekjes doornemend wordt het duidelijk dat Lever bij zijn reizen door het land altijd wel zo’n boekje bij zich had. Soms, zeker in het begin van de jaren vijftig, vermeldt hij naast de datum ook de plaats waar de schets is gemaakt.

Later meestal alleen de datum. Lever knipte altijd, hij bracht in praktijk wat hij iedereen altijd aanraadde: “knippen is je vingers trimmen”. Dus veel doen in plaats van mooie verhalen en voor hem als beroepsknipper was dat natuurlijk geen probleem. Wel was opvallend dat zo’n forse man met grote handen zulke fijne knipsels kon maken. Dat was natuurlijk aanleg -je hebt een fijn handschrift of niet-, maar de echte vaardigheid ontstond toch pas door het veelvuldig beoefenen van de knipkunst. En tenslotte creativiteit: het talent om te komen tot opmerkelijke composities die duidelijk een eigen karakter hebben. Liever een naiëve, onbeholpen, onbevooroordeelde knipper, dan een geschoolde plaatjesknipper. Navolgen van voorbeelden was in het begin wellicht onvermijdelijk, maar uiteindelijk was het toch de bedoeling dat een geheel eigen stijl of aanpak werd ontwikkeld. Dat was ook zijn kritiek op en ergernis over knippers die slechts voorbeelden navolgden, vaak van het ene naar het andere (volkskunst geïnspireerde) onderwerp switchten en geen eigen, originele inbreng vertoonden. En wat nog erger was, dan toch hoog op gaven van hun knipkunstresultaten.

De Lever manier van knippen, zijn beroepsmatige aanpak en de vooral de keuze van hem voor bepaalde onderwerpen hebben vanaf het begin van zijn professionele loopbaan kritiek gehad. Het verhaal was vaak, Lever was wel een goede knipper, maar… (bijvoorbeeld: hij was een echte verzamelaar, kon goed demonstreren of had toch maar een museum tot stand gebracht) Daarbij speelde ook een rol dat knippen in bepaalde kringen meer gezien werd als een kunstzinnige liefhebberij. Dat je daar je geld mee kon verdienen was feitelijk ongepast. Op een uitzondering na werd die opvatting vooral gedebiteerd door figuren die zelf al over een prima inkomen beschikten.
Voor Lever lag dat anders, hij had niet voor niets een handelsachtergrond. Zoon van een turfschipper, werkend in de brandstoffenhandel, als opleiding de handelsavondschool en een baan als reiziger/vertegenwoordiger; met die bagage durfde hij het toch aan in 1950 als professioneel knipper en de slag te gaan en zo een inkomen voor zichzelf en zijn gezin bij elkaar te harken. Hierop had hij zich overigens goed voorbereid door het geven van demonstraties in het Openluchtmuseum en op beurzen en tentoonstellingen en zich te bekwamen in het portretknippen. Toch bleef het een waagstuk dat pas naar jaren, vooral in de Westerbork periode zijn vruchten afwierp.

Met de hand geknipte bloemen, zoals bijvoorbeeld de boterbloem, waren ingelijst in zijn museum te koop. Van een mooie serie bloemen liet hij afzonderlijke kaarten (vaak wit op zwarte ondergrond) maken, ook stelde hij kaarten samen waarin de serie in zijn geheel te zien was.

Door Henk van Ark

 

 

 

Wieten-Gillot, Marie

Marie Wieten-Gillot, Delfzijl 25 april 1935 – 1 juni 1998 Texel

Marie gaf les in creativiteit en handenarbeid. Nel Wezel liet de vonk overslaan voor het knippen en Marie nam van haar Texelse kring de leiding over. Zij was voor velen de knipmoeder met haar rake gezegden en wijsheden. Haar gedichtjes en ideeën (bijvoorbeeld knipbare achternamen op Texel) waren inspirerend.

Literatuur

Marie Wieten geknipt door Sille van den Broek, 1995

Wesseldijk-Bedijs, Anna Helena (Enie)

Enie Wesseldijk, Den Haag 1921– 1995 Nijmegen

In 1978 kwam Enie bij Joke Verhave op kniples en werd lid van het eerste uur van de Vereniging voor Papierknipkunst. Ze werkte meest vrij en gebruikte graag gekleurd papier, waarmee ze een verhaal verbeeldde. Het vignet van de knipkring Nijmegen is door haar gemaakt. Ze schreef ook bijdragen voor de Knip-Pers, o.a. over geknipte en beschreven Goettelbriefe (hartenbrieven) in de Elzas. Als domineesvrouw wist ze heel gemakkelijk het ijs te breken op een knipperscontactdag: “Heeft u een lange reis moeten maken om hier te komen?”

Enie was getrouwd met ds. Willem P.J. Wesseldijk

Literatuur

Autogrammen van Enie Wesseldijk-Bedijs

In memoriam Anny Versnel, Knip-Pers 2018-4

Op 9 september 2018 is op 86-jarige leeftijd overleden Anny Versnel. Zij was lid van de Vereniging vanaf de oprichting en tevens lid van Knipkring Enkhuizen. Velen van U hebben haar gekend. Zij was vanaf het eerste begin lid van onze Vereniging waar zij haar steentje bijdroeg door middel van prachtig knipwerk en het promoten van de papierknipkunst. Anny bezocht de dagen in Orvelte en kwam, zo lang het voor haar mogelijk was, naar de Contactdagen en workshops. Heel veel mensen in Enkhuizen en omgeving hebben via haar kennis gemaakt met de papierknipkunst en bij haar een cursus gevolgd. Zelf heb ik Anny leren kennen in 1981. Ik hoorde van een moeder op de school van mijn kinderen dat er in Enkhuizen een cursus papierknippen werd gegeven en daarvan was zij een van de initiatiefneemsters.

Na de eerste cursus volgden er meer en hieruit is de knipkring Enkhuizen ontstaan. Eerst werd er ruim 25 jaar geknipt onder leiding van lesgeefster Nel Wezel en toen Nel met lesgeven stopte, zijn wij als kring met elkaar blijven knippen. Helaas wordt het groepje steeds kleiner. Wij zullen Anny erg missen als persoon, maar ook haar creativiteit. Zij wist altijd haar eigen draai aan een opdracht te geven. Bijvoorbeeld een bijzondere achtergrond van een kalenderplaat of ze maakte gebruik van aquarelverf. Ook heeft zij prachtige werken van bloemstukken gemaakt met behulp van tijdschriften want zoals zij zei: “materiaal om te knippen is er altijd en het hoeft haast niets te kosten.”

Heel veel mensen heeft zij blij gemaakt met een door haar gemaakt gelegenheidsknipsel, vaak voorzien van veel details en altijd van een bijzondere rand. Vooral die mooie randmotieven kenmerkten een knipsel van Anny.
Als wij deze winter weer de schaar ter hand nemen, blijft er een stoel leeg.
Anny, bedankt voor alles!

Door Marjan Draaisma

Bomen over Thekla Voorink-Overweg, Knip-Pers 2019-4

          

Een knipcursus had Thekla niet nodig, daar had oma voor gezorgd. Ze gebruikte meestal zwart papier, maar er zijn ook enige knipsels met gekleurd papier. Ze knipte niet symmetrisch, zie de knipsels uit 1977 en 1981 (red: zie Knip-pers 2019-3) voor een 25 jarige bruiloft en het museum, maar door de knipkring is ze dat toch gaan toepassen.

         

De Gelderse contactmiddagen leverden ook nieuwe ideeën, zoals de streepjescode les van Frouke Goudman. Met het knipsel van de theedoeken, waarvan de uiteinden los over de onderkant van het passe-partout hangen won ze een afwasmachine. Haar reactie was: “Ik doe dat liever met de hand”.

 

Dat Thekla goed kon organiseren kwam van pas voor de landelijke contactdag in Arnhem in 1988. Ze liet in Winterswijk servetjes drukken, waarvoor ze een knipsel van mij koos, die goed werden gekocht door de leden, mooi voor de verenigingskas. Ze kreeg het ook voor elkaar dat de knipkring in museum Freriks in Winterswijk een tentoonstelling mocht inrichten met Kerstknipsels. Ze deed natuurlijk ook mee aan tentoonstellingen van de regio Gelderland, zoals in Wolfheze en Ede en van onze knipkring in Arnhem en Westervoort.

 

Behalve met de schaar was ze ook bedreven met de penseel, daarmee kon ze zich uiten in kleur. Voor de jaarlijkse bazar van Terre des Hommes beschilderde ze vele lapjes met vruchten voor jampotdeksels en talloze ovenwanten met bloemen die grif werden verkocht. Om nog meer met kleur bezig te zijn besloot ze lessen porselein schilderen te volgen in Zeist, dat leverde prachtige schalen en tegeltableaus op. Door haar vergroeide handen werd het moeilijk een goede schaar te vinden, een penseel was beter te hanteren.

 

Voor haar 70ste verjaardag vroeg ze mij een knipsel voor haar te maken. Dat is eng voor iemand die zo creatief is. Ik heb vrienden in Winterswijk, daardoor kwam ik regelmatig bij Thekla en zaten we vaak in de tuin. Daarom maakte ik een impressie van haar tuin in een grote cirkel; ze was er heel blij mee. Ze overleed vrij plotseling op 2 maart 2003. Haar zoon organiseerde in 2008 in museum Freriks een tentoonstelling met Thekla’s werk.

Het museum maakte er een boekje voor: Onuitputtelijke creativieteit, Knip- en schilderkunst van Thekla Voorink-Overweg, april 2008, ISBN 1384-7449.

Door Suus Houtman-van der Meulen

  1. Sneeuwpoppen, 1994
  2. Theedoeken, 1992
  3. De ganzenveder
  4. Streepjescode, 15 x 15 cm kerstkaart voor 2000
  5. Rollende kerstman, kerstkaart voor 1990
  6. Streepjescode n.a.v. les van Frouke Goudman, 15 x 15 cm
  7. Voor familie Veenhuis 40 jaar getrouwd
  8. Het wapen van Ost Flielandt
  9. Meisje met poppenwagen, geknipt naar een Delftsblauwe tegel
  10. De vier jaargetijden, 1987 16 x 16 cm
  11. Strokrans

Bomen over Thekla Voorink-Overweg, Knip-Pers 2019-3

 

Wie is Thekla? Een beetje geschiedenis: Thekla Marie Voorink-Overweg is in 1920 geboren en getogen in Winterswijk, destijds een kleine plaats met een grote tricotfabriek waarvan haar vader directeur was. Ze groeide daar ook op. De familie woonde tegenover de fabriek in een huis met een grote tuin. Thekla logeerde regelmatig in Neede bij haar oma Thekla, die ook  een grote tuin had, waar Thekla graag in speelde. Maar eerst moest er gewerkt worden. Oma was onderwijzeres geweest en had alle handvaardigheidsaktes. Zij vond dat kleindochter Thekla moest leren tekenen, borduren en knippen. Dus eerst een opdracht maken en dan spelen. Thekla vond dat toen niet leuk maar had er later veel plezier van.

 

Omstreeks 1940 bezocht zij de Kunstacademie in Arnhem en ging ook in Arnhem wonen. Maar door de oorlog kon zij de opleiding niet afmaken en ze ging terug naar Winterswijk, waar zij haar hele leven bleef wonen. Thekla trouwde in 1942 en betrok een huis met een grote tuin met bomen, struiken, een vijver en zij zorgde ervoor dat er veel bloemen in allerlei kleuren kwamen. De natuur had haar belangstelling en gaf haar veel inspiratie voor haar creatieve werk.

 

Ze kreeg vier kinderen maar zag toch kans om er van alles bij te doen. Ze zat o.a. in het bestuur van het Rode Kruis en was medeoprichtster van de ambulance- en bloedtransfusiediensten en een afdeling van Terre des Hommes. Met veel plezier was ze jury van het bloemencorso. Dat wordt ieder jaar in augustus georganiseerd door de Vereeniging Volksfeest. Kinderen mogen ook meedoen met een met bloemen versierde fiets. In 1928 won Thekla daarmee een prijs en zij stimuleerde de jeugd later om daar ook aan mee te doen. Sinds haar overlijden in 2003 wordt er een Thekla Voorink-Overweg prijs uitgereikt voor de mooiste fiets. Thekla was koningsgezind en daarom werd een grote boom in de voortuin altijd vol gehangen met sinaasappels ter gelegenheid van het Volksfeest.

 

Thekla ontdekte toevallig dat er in 1983 in Arnhem een Papierknipvereniging werd opgericht, ze ging erheen en vroeg meteen of ze zich mocht aansluiten bij knipkring Arnhem. De meeste bijeenkomsten waren in en vlakbij Arnhem, maar eens per jaar gingen we naar Winterswijk, waar Thekla zorgde voor een feestelijke lunch en een leuk middagprogramma.
Tot zover deel 1 over Thekla.

 

Door Suus Houtman-van der Meulen

 

  1. Opdracht knipkring 1991, 20 x 14 cm
  2. Roodborstje op rododendron blad
  3. Ter gelegenheid van de tentoonstelling “De grijze kabouter” in museum Freriks in 1981
  4. Hart
  5. Voor het 25 jarig huwelijk van fam. Veenhuis, 1977
  6. Boerderij fam. Schopman in Corle
  7. Vis en slak
  8. Vogel
  9. Boze kleinzoon loopt weg,1985
  10. Don’t hurry, knipkring 1988, A4
  11. Voor Cees Rooseboom, knipkringlid
  12. 1998, op de uitnodigingskaart van haar expositie in Winterswijk 2008 museum Freriks

Verburg,  Anthonie Marinus

Anton Verburg,   Raamsdonk 1922 – 2014 Leiderdorp

Verburg verborg zich meestal achter zijn initialen A.M. , wat te maken had met zijn werk in de staalbouw. Anton (of Tonie voor intimi) is na zijn pensionering gaan papierknippen. Als autodidact  ontwikkelde hij een eigen stijl, heel gedetailleerd. Meest probeerde hij de natuur in al zijn onderdelen weer te geven, vooral bloemen, maar ook vlinders en vogels. Altijd gebruikte hij zwart/wit papier en paste beide zijden toe. Hij heeft in 2004 geëxposeerd in de bibliotheek van Lisse en een aantal van zijn knipsels zijn geschonken aan het Museum voor Knipkunst in Westerbork.

Collectie
  • Museum van Papierknipkunst
Literatuur