Categoriearchief: publicatie

Drie dichtende heren: van Petersom, Smids en Bruin, KoertenKoerier 7

Drie dichters hebben bijdragen aan het Stamboek geleverd die fraai zijn uitgeschreven door drie vrouwen: Maria Garnier, Leonoor Gadelle en Elisabeth Crama. Voor alle drie geldt dat zij nog meer gedichten, opgedragen aan Koerten en haar werk, hebben gemaakt. Die zijn aan te treffen in beide Lofdichten uitgaven.
Het meest productief is wel Jan van Petersom geweest.

Jan van Petersom/Peterson
Over deze dichter is nauwelijks iets bekend. Van der Aa schrijft over hem: “Peterson (J. van) of zoo hij zich ook wel schrijft Van Petersom, die in het midden van de zeventiende eeuw leefde, schijnt een bijzonder vriend van Johanna Koerten of hare kunst geweest te zijn, wijl hij voor haar stamboek niet minder dan zes dichtstukjes vervaardigde waar onder een paar van langen adem. Het best beviel ons: “De pen van Juffrou Maria Garnier, geb. Bourget aan het schaartje van Juffrou Joanna Blok, geb. Koerten”. We  besteedden al aandacht aan dit gedicht, schoon geschreven door Maria Gamier in het artikel “Creatieve Vrouwen”.

Belangrijker dan dit gedicht is de poëtische verklaring die deze dichter maakte bij een tekening van Jan van Vianen (ca. 1660-na 1726) . Die “Verklaaring van J. van Vianens Zinnebeelt, ter eere van Juffrou Joanna Koerten” is te vinden in de lofdichtenversies van 1735 en 1736.
De tekening wordt uitstekend beschreven in de catalogus van de collectie Van Eeghen “Allegorische voorstelling met de Stedemaagd voor het Stadhuis, afkomstig uit het Stamboek samen gesteld ter ere van de knipselkunstenares Joanna Koerten (zie cat.nr.63). Centraal zit de Amsterdamse Stedemaagd met een koningsmantel over haar schouders, een keizerskroon met een schip op haar hoofd, een wereldbol onder haar linkervoet en vredeskransen om haar linkerarm. Een hoorn van overvloed ledigt zich in haar schoot. Haar rechterhand rust op een roedenbundel; in de linkerhand houdt zij de slangenstaf van Mercurius.
Schuin achter de Stedemaagd zit een leeuw die met een poot een slang vermorzelt en in de andere een slagzwaard houdt waarvoor veen paar monsters vluchten Rechts van haar blaast een triton op een klaroen en zit de stroomgod van het IJ. Achter de Stedemaagd rijst het Stadhuis op en in de verte varen schepen. Op de voorgrond staan twee putti met een portret op een doek, mogelijk Joanna Koerten en een schaar”. Terecht is dat deze beschrijving vermeldt dat het hier gaat om een mogelijke afbeelding van Koerten, wat begrijpelijk is want men moet wel veel fantasie hebben om hierin direct een portret van Koerten te zien.

Van der Aa schrijft dat Van Petersom een paar gedichten van lange adem schreef over Koerten en haar werk. Hij doelt dan op: Aan de Juffrou/Joanna Koerten,/Huisvrou van de Heere/Adriaan Blok,/Op haar papiere snykunst”. En mogelijk ook op de vertaling van Van Petersom van het Latijnse gedicht van de Utrechtse hoogleraar Adriaan Reland, die ook verantwoordelijk was voor het Latijnse gedicht bij het portret van Petrus Francius. Zijn vertaling heeft als titel: “Op de onvergelykelyke snykunst/Van Juffrou/Joanna Koerten,/Huisvrou van de Heere/Adraan Blok.

Andere bijdragen van Van Petersom aan de gedichtenverzameling van Koerten zijn:
“Eerzuil/voor Juffrou/Joanna Koerten” in: “Naamdichten, Letterverzettingen en eerzuilen op de papiere snykunst van Juffrou Joanna Koerten, huisvrou van den heere Adriaan Blok”. Allemaal interessante gedichten, jammer dat we nog niets meer weten over de maker.

Ludolph Smids
Over deze dichter is gelukkig meer bekend dan over Jan van Petersom. Smids (1649-1720). Hij studeerde geneeskunst in Leiden, was werkzaam in Groningen en later Amsterdam. Hij hield zich naast medische zaken bezig met geschiedenis, vaderlandse oudheidkunde, penningkunde en dichtkunst. Zelfs meer dan, zoals Van der Aa schrijft, met de medische praktijk en hij was zeer gezocht en bemind bij alle liefhebbers van wetenschappen. Van der Aa zuinigjes: Als dichter verhief hij zich niet boven het middelmatige. Hier en daar ontdekt men in zijne poezie vormen van dichterlijk vernuft”. In zijn “Toneelpoezy” zijn al zijn toneelwerken verenigd, in 1744 en 1756 gevolgd door “Overgebleeven Toneelpoezy”. Zijn kermis van Romeinse keizers moet groot geweest zijn, als penningkundige kon hij worden vergeleken met Joachim Oudaen. Hij publiceerde “De Romeinsche Keizers, in bijschriften vertoond “(1687) en “De Romeinsche Keizerinnen in bijschriften vertoond”(1688). Penningkundige uitgaven van zijn hand zijn: “Letterkundig ontwerp der aanmerkingen over de Roomsche gedenkpenningen”(1693), “Toneel van Staet der Roomsche Keizeren, neevens deeser groot Muntkabinet”(1694) en “Romanum Imperatorum Pinacotheca”(1696). In dat verband is zijn connectie met Koerten en haar belangstelling voor de Romeinse keizers, uiterst interessant. In de Lofdichtenversies vinden we het schoon geschreven door Leonoor Gadelle gedicht: “De pen van Leonoor Gadelle aan het schaartje van Juffrou Johanna Koerten, waaraan we al eerder aandacht besteedden. Verder zien we op één pagina twee andere gedichten;
“Op het papiere snywerk/van Juffrou/ Joanna Blok,/Geboorden/Koerten” en “Aan de/Lofverbreiders/Van haar kunst”, ondertekend door Ludolph Smids, der Medicynen Docter. Het portret van Smids dat tot het Stamboek behoorde werd door Nicolaas Verkolje getekend in opdracht van Adriaan Blok. In de Testascatalogus is dat te vinden in Konst-Boek, Letter A onder nummer 41: “Een dito (=borststuk), Ludolf Smit, door denzelven (=Verkolje) met dito (=een geschreeven Vaars daar onder)”.

        

Claes Bruin
Bruin maakte twee gedichten over de “uitsteekende schryfkunst” van Elisabeth Crama. De doopsgezinde Claes Bruin (1671-1732) was zijn hele leven woonachtig en werkzaam in Amsterdam. Van beroep was hij boekhouder. Hij behoorde tot de volgelingen van leraar Galenus Abrahamsz en de stichtelijke dichterskring van Jan Luyken. Hij is niet alleen bekend van zijn zedelijke mengeldichten, maar volgens Van der Aa waren zijn bijbelspelen zo onbespeelbaar dat ze nooit zijn opgevoerd. Dat gold niet voor acht treurspelen die zelfs redelijk populair moeten zijn geweest. Zijn eerste stukken waren “De grondlegging der Romeinsche vrijheid (nieuwe titel: Lucius Junius Brutus)” uit 1713 en “De dood van Johan en Gracius of de eenzijdige rechtspleging van Cosmus de Medicis” (1715). Van der Aa: “Al deze poezie van Bruin onderscheidt zich door vlotheid en zoetvloeiendheid, maar heeft weinig oorspronkelijks en gaat zelden diep“. Dat zou ook het geval zijn geweest bij zijn arcadische werken, waarvan van het oorspronkelijke herdersdicht zo goed als niets is overgebleven, maar die hoe langer hoe meer een geschiedkundige en oudheidkundige verhandeling zijn geworden. Al die arcadische kunst is te geleerd en daarnaast ook te stichtelijk om dichterlijk te zijn. Maar zij geeft het Nederland van de eerste helft van de achttiende eeuw zeer goed weer in zijn weelderige welvaart en zijn zelfgenoegzame tevredenheid.
Behalve de gedichten over de schrijfkunst van Crama is in de Lofdichtenversies nog een ander gedicht van Bruin opgenomen, gemaakt na het overlijden van Joanna Koerten:
“Ter Gedachtenisse/ Van Mejuffouw/Joanna Koerten,/Uitmuntende Sny-konstenaresse, Overleedene Huisdvrouwe van den Heere/Adriaan Blok”,

Het portret van Bruin is in de Testascatalogus vermeld als nummer 20 van Konst-Boek, Letter B: “Het Portrait van Claas Bruyn, door den zelven (=A. Boonen)“.

LITERATUUR
– “J. V. Petersom”, dbnl
– “Petersom (J. van)”, A.J. van der Aa, Nieuw biografisch, anthologisch en critisch woordenboek van Nederlandsche dichters ,dl.3 (1846), p.38.
– “Petersom (J. van)”, A.J.van der Aa, Nederlandsch Biografisch Woordenboek, dl.15, p.225.
– “Petersom, Jan van”, World Cat Indentities
– Ludolph Smids, dbnl
– P.G. Witsen Geybeek, Biografisch, anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters, dl.5 OGI-VER, 1824
– A.J. van der Aa, Biografisch Woordenboek der Nederlanden, dl. 17, tweede stuk, 1874.
– “Bruin (Claas)”, Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, dl.6 (1924), p.223-224.
– Lieke van Deinsen, Literaire Erflaters. Canonvorming in tijden van culturele crisis 1700- 1750, Hilversum 2017 (over het Panpoeticon Batavum)

Door henk van Ark, eerder gepubliceerd in KoertenKoerier 7, voorjaar 2019
Afbeeldingen Wikicommons en Rijskmuseum

Ander knipwerk van Joanna Koerten, KoertenKoerier 7

Tot nu toe is in de KoertenKoerier en andere publicaties vooral aandacht besteed aan de geknipte portretten van Koerten. Logisch, want van haar bekende werk zijn alleen enige portretten, wat klein knipwerk en een geknipte bloemenvaas bewaard gebleven. In de Testas catalogus zijn ruim dertig knipwerken van Koerten beschreven.

Knipwerk in de Testascatalogus

Het begint in de rubriek SNEYWERK met de beschrijving van de welbekende bloemenvaas:
N. 1: Verbeeldende een Tafel, waar op staat een Pot met diverse Bloemen, en daar om heen diverse Beesjes, als Vliegjes, Spinnetjes, Uil en andere Gediertens, alles met zyn schaduwe en harseringinge, konstig en fraay in wit Papier met de schaar uitgesneeden, is in een zwarte Lyst, tusschen twee Spiegel Glazen in, op een zwarte Gront.
N. 2: is Een dito Konst-stuk, verbeeldende een stervende een stervende Christus in den schoot der Engelen, en daar agter een Landschap met Beelden en Gebouwen, niet minder konstig Gesneeden als het voorgaande in dito Lyst en Spiegelglazen.
N 4: is Een aangenaam Landschap, waar in verbeeld wert een Vrouwtje zittende by een Boom, waar by zyn diverse Beesten, als Schaapen, Bokken, Kalkoenen, Zwaanen, Haanen en Hennen en ander Bywerk; zeer konstig gesneden, en de Teekening in de manier van A.Bloemaart.

N.3, 5 en 6 zijn portretten (Becker, Fredrik III en Cosimo III).

N.7: is Een Herder Stal, waar in verbeelt werd de Geboorte Christus, met de herders en andere Beelden, daar nevens een Landschap met Gebouwen &c. in dito en dito.
N. 8: Een Landschap, waarin verbeeld werden Schapen, Pauwen, Hoenders, en allerley Gevogelte en Boomen, waaronder leyt een Spiegelglas, in welk alles dubbelt gezien werd, dito.
N.9: Is een beschrijving van het knipsel van “De Twaalf Keizers”: Een Vrouwe Beeld, verbeeldende de Roomsche Vrijheid, zittende op een Throon, daar nevens de Portraiten van de twaalf Roomsche Keyzers, en daar onder een Vaars tot uitlegging der Roomsche Keeyzers, een dito op Johanna Coerten Blok, door A. Boogaart, in dito en dito.

Hierna volgt het portret van stadhouder-koning Willem III:
N. 10 “Het Portrait van Koning Wilhelm, een Borststuk met Septer en Kroon, daar onder de
Waapens, benevens een Latyns Vaars, door P. Francius, in dito en dito” en als N. 11 “Een gezigt uit het Y na de stad Amsterdam, met diverse Scheepen, de Teekening in de manier van L. Bakhuyzen, in dito en dito”.

Vervolgens enige portretten:
N.12 “Het Portrait van Petrus de eerste, een Borststuk, daar onder een Latyns Vaars door P. Francius, in dito, in dito”.
N. 13 “Het Portrait van Professor Petrus Francius, Borststuk, met een Rol Papier in de hand, daar onder deen Latryns Vaars door den Professor A. Reeland, in dito, en dito”.
N. 14 “Het Portrait van de Dr. Galenus Abrahams, Leeraar, Borststuk, met een Boek in de hand, en een Vaars daar onder, in dito, en dito”.
N. 15 “Het Portrait van Jan de Wit, Raad Pensionaris, met een Vaars daar onder, in dito, in dito”
Als N. 16 en N. 17 drie landschappen:
“Een landschapje met een Herder en eenige Beesjes, in dito”en “Een dito, zynde een weerga”. De kindermoord te Bethlehem is ook in een landschap opgenomen: N.18: “De Kinder Moort, in een Landschap met Gebouwen”.

Daarna volgen enige maritieme stukken:
N. 19 “Een Zee met een Oorlogsschip en zyn sloepen, en verdere Scheepen, verheeven, in dito”.
N.20 “Een dito woelende Zee, met een Jagt, Koopvaardy-Schip en andere Vaartuygen, mede verheeven”.
N.21 “Een dito Zee , met een Beurt-Schip, Jagt en andere Vaartuigen”.
N.22 “Een Kabinetje met Spiegels, waar in een Zeetje met een Jagt dat beweeglyk is”. N.23 “Een dito, waar in een Bergagtig Landschap met watervallen, Rytuigen, Beelden, en diverse Beesten”.
N.24 en N.25 zijn antieke voorstellingen:N.24 “Een Kabinet stukje in een Lyst, verbeeldende Apollo en Dafné, met een Cupido en een Rivier-God”. En N.25 “Een dito, verbeeldende Europa met de Stier, en een Cupido en meerder Beeltjes”.

Hierna enige kalligrafische snijwerkjes”
N. 26. “Een uitgesneeden Schrift, daar de Letters zwart verbeelt werden”.
N.27 “Een dito, zynde het geene dat uit het vorige gesneeden is, en de Letters wit op een zwarte Grond.
N.28 “Een dito uitgesneeden Schrift”.
N.29 “Een dito, uitgesneeden en het buytewerk daar om heen, van gevouwen en gerolt Papier”.

In de Testascatalogus worden als knipwerk dus vermeld portretten, maritieme voorstellingen, bijbelse en antieke onderwerpen, landschappen en letterknipsels.

Maritieme voorstellingen

Von Uffenbach schrijft in het verslag van zijn bezoek aan Koerten in 1711 dat hij bij de 32 knipsels die hij bij haar kon bekijken zich ook “Seestücke en Schiffe” bevonden. Zij waren “von erhabener Arbeit, wie so wir in Roterdam gesehen (…) Sie sind sonst besser nach der Zeichnung, als die Roterdamische gemacht”. Von Uffenbach verwijst hier naar Elisabeth Rijberg die ook maritieme voorstellingen heeft gemaakt. Hij bezocht haar eerder dan Koerten, door omstandigheden kwam het er op zijn derde reis in 1718 niet meer van.
Rijberg en haar stadgenoot Gillis van Vliet maakten knipsels in “plat en verheeve”. Over maritieme voorstellingen van Van Vliet schreef Von Uffenbach echter niet, want bij zijn bezoek aan Rotterdam in 1710 had hij slecht platwerk van Gillis van Vliet mogen bekijken bij Gerard Vogel, een familielid. Van Vliet was al enige jaren ervoor (1704) al overleden en Vogel beschikte dus slechts over minder werk van de papierknipper. We weten nu meer, er zijn inmiddels drie bijzondere werken van Van Vliet bekend, die duidelijk maken waarom zijn werk in de stadsbeschrijving van 1696 samen met dat van Rijberg uitdrukkelijk werd vermeld.

Uit deze vermeldingen wordt wel duidelijk dat maritieme voorstellingen in de knipkunst van die tijd geen onbekend verschijnsel waren. Belangstelling voor water en schepen zal Koerten ongetwijfeld hebben gehad. Het kon natuurlijk ook niet anders, wonend in de haven- en handelsstad aan het IJ. In haar bezit bevonden zich twee schilderij en van het scheeprijk IJ in de Testascatalogus omschreven als: “Een ‘t Y gesigt, verbeeldende een Admiraalschap, extra fraay geschildert door Storck“(Letter C) en “Een dito, zynde een Weerga, door A. Cito”(Letter D.). Een van deze schilderijen is afgebeeld rechts op de voorgrond van de tekening die Jan Goeree in 1708 maakte als titelblad van het handtekeningenboek van Koerten.

De Testascatalogus geeft diverse beschrijvingen van maritieme, door Koerten geknipte

voorstellingen:
– Nr. 11: Een gezicht uit het IJ naar de stad Amsterdam op de manier van L. Bakhuyzen.
– Nr.19: Een zee met oorlogsschip met sloepen en verdere schepen, “verheeven”.
– Nr. 20: Een woelende zee met een jacht en andere vaartuigen, “mede verheeven”.
– Nr.21: Een zee met een beurtschip, jacht en andere vaartuigen.
– Nr.22: Een kabinetje met spiegels waarin een zeetje met een jacht dat bewegelijk is.

Wat opvalt is dat bij twee knipsels expliciet wordt aangegeven dat ze in het “verheven” zijn gemaakt. Nog spectaculairder is een kabinetje met spiegels waarin een jacht op zee beweeglijk is gemaakt, een werkwijze die Koerten ook heeft toegepast bij nr. 23 van de catalogus. Dat is een bergachtig landschap met watervallen, rijtuigen en beelden. Kenmerkend voor de “special effects” waar Koerten kennelijk een liefhebster was en die door bezoekers en bewonderaars moet zijn gewaardeerd.

Landschappen

De lijst van papieren knipwerken telt vijf landschappen. Zo’n landschap was voor de fijnknipper die Koerten is geweest bij uitstek een mooi onderwerp omdat vooral bomen en struiken op een gedetailleerde manier konden worden uitgewerkt zonder altijd tot in detail vast te houden aan een eventuele voortekening. N2 toont een vrouw, zittend bij een boom, in een landschap waarin zich dieren, zoals schapen, bokken, kalkoenen en pluimvee bevinden. Vermeld wordt dat het zeer zorgvuldig is gesneden en dat de voorstelling gemaakt is in de trant van Bloemaart. Ook veel dieren in het knipsel N8: schapen, pauwen, hoenders, vogels en bomen. Door het aanbrengen van een spiegelglas aan de achterzijde (van het kabinetje) was alles dubbel te zien, een goed voorbeeld van het door Koerten (en waarschijnlijk ook haar bezoekers) geliefde illusionistische effect. Andere landschappen (N16 en N17) zijn voorstellingen met herders en enige beesten. Ook is er een kabinetje met spiegels (N23) met daarin een bergachtig landschap met watervallen, rijtuigen, beelden en diverse beesten. Dat moet in al zijn klein- en fijnheid een imponerende kunstwerkje zijn geweest.

Bijbelse voorstellingen

Tussen twee spiegelglazen en een zwarte lijst bevond zich de voorstelling van de stervende Christus (N2) in de schoot van engelen, gevat in een landschap met beelden en gebouwen. Ook in een goed gestoffeerd landschap (N7) was een herdersstal met de geboorte van Christus te zien. Daarmee te maken heeft een ander knipwerk: de kindermoord (N 18) in Bethlehem in een landschap met gebouwen.

Antieke onderwerpen

Er worden in de Testaslijst twee knipwerken met antieke onderwerpen genoemd. N24 is een kabinet met Apollo en Dafne en een riviergod en N25 verbeeldt Europa met de stier samen met een cupido en diverse beeldjes.

Kalligrafisch werk

Letterknipwerk zien we in N26, een uitgeschreven schrift met zwarte letters en het negatief ervan (N27) met witte letters. Verder nog een ander uitgeschreven schrift (N28) en een exemplaar met buitenwerk van gevouwen en gerold papier (N29) Ook is er het wapen van Adriaan Blok, niet duidelijk is uit de vermelding of het daarbij ook om knip- of snijwerk gaat.

In het STAMBOECK, dat bestaat uit een aantal kunstboeken en omslagen wordt in KonstBoek, Letter A genoemd: Een Stamboek waarin de letters uitgesneden zijn (N1), maar ook een door Gadelle geschreven Stamboek (N2). Het lijkt erop dat het hierbij gaat om omslagen die aanvankelijk moesten dienen voor het onderbrengen van een deel van de collectie. Later kwamen er kunstboeken, omslagen en tenslotte was het de bedoeling dat de gehele collectie in drie folianten zouden worden opgenomen. Die laatste vermelding komt van De la Rue in 1735, maar dit voornemen (van waarschijnlijk Maria van Arkel) is nooit uitgevoerd. Ook N8 is een Stamboek met witte uitgesneden letters op een zwarte ondergrond.

Klein knipwerk

Niet vermeld in de Testas cataloguslijst is klein knipwerk dat we van Koerten kennen. Zo is er een reeks van kleine knipsels die weleens als jeugdwerk wordt beschouwd. Daarbij de voorststelling van Priamus en Thysbe die met een datering van 1709 zeker niet als vroeg werk kan worden beschouwd. Ook zijn er drie knipseltjes bekend die zijn bewaard op albumbladen met kalligrafische teksten van Francois de Bruijnne en tenslotte is het blad dat Adriaan (gedicht) en Joanna (gedicht en twee knipsels) maakten voor een blad in het bezoekersboek van Nicolaas Chevalier.

Literatuur
– Henk van Ark, “De “special effects” in het werk van Joanna Koerten, Welkom in Papyria, 10, Zuidhorn 2015, p.17-23.
– Martha Moffit Peacock, “Paper as power. Carving a niche fort he female artist in the work of Joanna Koerten”, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek, Leiden/Boston, vol.62, 2013, p.238-265.
Catalogus van een overheerlyk Konstkabinetpapiere SNYKONST door wylen Mejuffrouw Johanna Koerten, Huisvrou van wylen den Heer Adriaan Blok, met de schaar in papier gesneeden: benevens de relative Stamboeken, waar in zyn extra fraaije teekeningen, portraiten, miniaturen en prenten, alle door voorname Meesters. Overheerlyke geschreven geschriften door de voornaamste Schryfmeesters, Handtekeningen van Keizers, Koningen, Prinsen en Vorsten, etc. Waar van geen weerga bekend is. (Testas Catalogus)

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de KoertenKoerier 7, voorjaar 2019

Geleerde heren, Abrahamsz, Bogaert en van Hoogstraten, KoertenKoerier 7

Petrus Francius, besproken in een van de voorgaande artikelen, was een geleerde die voor Joanna Koerten en haar man Adriaan zeer belangrijk is geweest. Maar hij was niet de enige, dat geldt bijvoorbeeld ook voor Galenus Abrahamsz, Adriaan Bogaert en David van Hoogstraten.
Koerten heeft van Francius een portret geknipt dat een gedicht van Adriaan Reeland meekreeg. Zij maakte ook een portret van David van Hoogstraten. Van beide portretten is de verblijfplaats nu niet meer bekend. Of zij van Abraham Bogaert ook een portret heeft geknipt is niet duidelijk. Uit vermeldingen blijkt dat niet, maar gezien hun relatie zou dit wel voor de hand liggen.
Wel bekend is het portret van Galenus Abrahamsz dat op de tentoonstelling in museum Willet-Holthuysen in 2015/16 te zien is geweest.

Galenus Abrahamsz (1622-1706)

Het geknipte portret van deze doopsgezinde voorganger is het vroegst bekend grote knipsel van Koerten, gedateerd 1692. Weliswaar zijn er enige kleinere knipsels bekend die aan Koerten worden toegeschreven, mogelijk zou het daarbij gaan om jeugdwerk. De afbeelding is een borstbeeld, naar links met op het hoofd een hoed met brede golvende rand. Abrahams heeft in de, wat ongelukkig uitgevallen, rechterhand een opengeslagen Grieks testament. Het borstbeeld is opgenomen in een ovaal met onderschrift: “Doctor Galenus Abahamsz, Leeraar“. Daaronder een twee-regelig vers met de tekst: “Zie hoe de Wysheyd speeld in het doorzigtig Weezen/der schrand’ren Arts, die Ziel en Lighaam kan geneezen”. Links onder het jaartal “1692“, rechts de signatuur “J. Koerte“.

Dit portret wordt in de Testascatalogus vermeld in de rubriek Sneywerk onder nummer 14:
Het Portrait van de Dr. Galenus Ambrahamsz, Leeraar, Borststuk, met een boek in de hand, en een vaars daar onder, in dito, en dito“. (= in zwarte lijst, tussen spiegelglazen). Nicolaas Verkolje maakte een tekening naar aanleiding van dit knipsel, te vinden in de catalogus onder nummer 31 van Konst-Boek, Letter A.: “Een dito (=een portret), Galenus Abrahams, met een Vrouwtje en meerder bywerk, door den zelven (= Verkolje)“. Die tekening wijkt dus af van de in knipwerk uitgevoerde afbeelding. Aan de tekening van Verkolje wijdt “A.J.“ (Anthony Jansen, 1625/26-1699?) een gedicht in de Lofdichtenuitgave van 1736:
Galenus Abrahamsz,/Leeraar der Mennoniten, met de Welsprekentheit/aan zyne zyde, overkunstig door/Nicolaas Verkolje getekent. De vrouwenfiguur die dus bij de beschrijving van het knipsel in de Testascatalogus is dus de figuur van de welsprekendheid.

De Lofdichtenuitgave heeft verder een poetische bijdrage van Abrahamsz. zelf. Die is opgedragen aan Joanna Blok “Ter opschrandering van haren geest, tot waardiger betrachting”.
Galenus Ambrahamsz. de Haan werd geboren in Zierikzee (1622) en overleed in Amsterdam (1706). Na de Latijnse school ging hij naar Leiden om medicijnen te studeren, een beroep dat hij vanaf 1646 in Amsterdam ging uitoefenen. In 1648 werd hij benoemd tot kerkleraar bij de doopsgezinde gemeente “Het Lam”(de huidige Singelkerk). Hij werd de centrale figuur in de zgn. Lammerenkrijgh, die leidde tot een afscheiding van de Zonnisten. Bij “Het Lam” voegden zich later de Waterlanders die bijeenkwamen in de Toren (Jan Rodenpoort toren). Vanaf 1680 kon Galenus predikanten gaan opleiden, een van zijn bekendste leerlingen was Adriaan Spinneker die wij kennen als maker van diverse gedichten die in de Lofdichtenversies zijn opgenomen.

Joanna Koerten

 

Abraham Bogaert (1663-1727)

Was evenals Abrahamsz medicus van professie. Hij werd opgeleid tot apotheker en chirurg en maakte in die hoedanigheid in dienst van de VOC verschillende reizen naar Azië. Ook was hij schrijver en dichter. Zijn bekendste werk is een boek over zijn reizen naar Azië (1717). Maar in verband met het werk van Koerten is belangrijk geweest bij zijn betrokkenheid bij de totstandkoming van Koertens bekendste knipsel van de Twaalf Keizers. Als penningkundige zal hij een belangrijke rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van dit knipsel. In 1695 maakte hij in dichtvorm een beschrijving van het kabinet van Romeinse munten van Simon Schijnvoet, twee jaar later komt het een jaar ervoor geschreven boek “De Roomsche Monarchy” uit, met gegraveerde portretten van Romeinse keizers naar voorbeeld van antieke munten. De tekst van het gedicht “Op de/ XII Keizers,/Overkunstig in papier gesneeden/Door Juffrou/Joanna Koerten,/Huisvrou van den Heere/Adriaan Blok.” Is door Koerten uitgesneeden en aangebracht in het knipwerk. Daaronder ook nog een tweeregelig gedicht door Bogaert. Het gedicht behoort tot de gedrukte lofdichten, samen met nog een gedicht over hetzelfde werk: “Op de/Roomsche/ Monarchy,/Overeenkomstig in papier gesneeden/Door Juffrou/Joanna Koerten.”. Bogaert schreef nog meer gedichten over Koerten en haar werk. Variërend van korte gedichtjes over tekeningen uit het Stamboek, vertalingen van Latijnse verzen van G. Kempher tot uitvoerige “Dichtloveren, Gestroit ter eere van Juffrou/Joaima Koertens/Papiere Snywerk.”. Indrukwekkend is zijn gedicht gemaakt na het overlijden van Koerten in 1715: “Ter Gedachtenisse/Van Mejuffrou/Joanna Koerten,/Huisvrou van den Heere/Adriaan Blok.”.
Kijken we naar de geknipte portretten van Galenus Abrahamsz en David van Hoogstraten dan is het opmerkelijk dat Joanna van Bogaert geen portret heeft gemaakt.
Wel komen in de Testascatalogus twee tekeningen van de hand van Verkolje tegen die portretten zijn van Bogaaert.
Onder nummer 36 van Konst-Boek, Letter A: “Een dito(=portret) Abraham Boogaert, met veel bywerk, door den zelven (=Verkolje), en een geschreeven Vaars daar onder”. Onder nummer 69 van Omslag, Letter C: “een dito (=portret), A.Boogaert, door den zelven (= Verkolje)”.

David van Hoogstraten (1658-1724)

Deze medicus was enige tijd als apotheker werkzaam in zijn geboorteplaats Dordrecht. In 1694 werd hij benoemd tot conrector van de Latijnse school in Amsterdam, een functie die hij tot 1722 uitoefende. Hij is vooral bekend als hoeder en taal en literatuur en was onder meer opsteller van een invloedrijke woordenlijst waarin hij als eerste het geslacht van zelfstandige naamwoorden wilde vastleggen. Ook is zijn naam verbonden aan het Groot algemeen historisch, geografisch, genealogisch en oordeelkundig woordenboek. Verder was hij ook dichter en biograaf. Al kort na zijn verhuizing naar Amsterdam maakte Van Hoogstraten in 1695 een lofdicht in Latijn, dat Koerten zeker in haar bezoekersboek zal hebben opgenomen. Het werd gepubliceerd in zijn bundeling van Latijnzse verzen. Ook schreef hij een Nederlands geschreven lofdicht dat te vinden is in zijn verzamelde Nederlandse gedichten. Dit gedicht is ook opgenomen in de Lofdichtenuitgave van 1735 en 1736. Roscam Abbing stelt in zijn artikel dat onder andere deze gedichten mede hebben bijgedragen aan de bekendheid van Koerten in en buiten Amsterdam en dat is zeker waar en ook precies de bedoeling van Joanna en haar man Adriaan. De bezoekers aan Koertens kabinet, die in het algemeen tot dezelfde culturele/religieuze kring behoorden, vereerden haar vaak met een bijdrage in de vorm van gedicht, tekening of schoonschrift. Bij enige ervan heeft Van Hoogstraten een gedicht gemaakt zoals bij “de schryfkunst van Matthys van der Hey” of tekeningen van Boitard en Tideman.

In 1706 schreef Van Hoogstraten in een brief aan predikant en dichter Johannes Brandt (1660/1708), dat ‘Juffrou. Joanna Koerten, huisvrou van Adriaen Blok, heeft sedert eenigen lijdt een luim gehadt van mijne Afbeeldinge met de schaer uit te drukken, gebruikende daertoe, naer mij bericht wordt, de print, die in het voorhuis hangt van U.Eerw. Daer op heeft de Heer Broekhuizen deze regels geschikt, die er gelijk onder zouden gesneden worden”. Hierna volgt een vierregelig gedicht in het Latijn. Koerten maakte het portret wellicht als dank voor zijn poëtische bijdragen en mogelijk uit bewondering voor zijn activiteiten. Zij gebruikte voor dit portret als voorbeeld een prent, mogelijk de gravure die is opgenomen in het daar daarvoor (1704) uitgekomen boek “Ezopische fabelen van Fedrus, gevryden slaef des keizers Augustus”. Het geknipte portret was dus een initiatief van Koerten zelf, Van Hoogstraten had daar niet om gevraagd.

In de genoemde brief verzoekt Van Hoogstraten Brandt om een vertaling te maken van het Latijnse gedicht dat Jan van Broekhuizen (1649-1707), een beroepssoldaat die behoorde tot de Amsterdamse kring van geletterden, bij Koertens knipsel had gemaakt. Die vertaling kon Koerten dan toevoegen aan het knipwerk, iets wat zij wel vaker deed (bv. bij het knipsel De Twaalf Keizers). Het geschreven gedicht van Van Broekhuizen kon dan bij de andere gedichten van Koertens verzameling worden gevoegd. Ook de Haagse predikant Johannes Vollenhoven (1631-1708) maakte een vertaling van Van Broekhuizens Latijnse gedicht. Deze gedichten verschenen op een pagina in de Lofdichten uit 1735 en 1736.

        

Arnold Houbraken, die Van Hoogstraten goed kende, noemt het geknipte portret van Van Hoogstraten in zijn Groote Schouburgh als goed voorbeeld van Koertens knipkunst. Hij citeert daarbij de dichtregels van Van Broekhuizen en geeft daarbij de vertaling van Vollenhoven.
De gedichten zijn door Jacob Gadelle gekalligrafeerd, maar pas in 1712. Gadelle maakte meerdere kalligrafieën voor Koertens collectie.
In de Testascatalogus komen drie getekende portretten van Van Hoogstraten voor. In Konst-Boek, letter A onder nummer 3: “Een dito, Do(=heer) Hoogstraten, staande in zyn studeer Kamer, en verder bywerk, door den zelven (=Verkolje)”; onder nummer 52: “Een dito, David Hoogstraten, door den zelven (=Houbraken)”. En onder nummer 3 van de Omslag, Letter C: “Het Portrait van Hoogstraten, met Root Aard, door Boonen (=Arnold Boonen)”.

Koerten werkte dus naar een portret dat Brandt in zijn voorhuis had hangen. In 1706 komen daarvoor drie portretten in aanmerking die Van Hoogstraten frontaal weergeven als geleerde of doctor, met toga en witte bef Het zijn de gravure van Pieter van Gunst (1659-1724) naar een geschilderd portret van Arnold Boonen (1669-1729). Dat portret was beschikbaar vanaf 1704 omdat het was afgebeeld in Van Hoogstratens “Ezopische fabelen van Fedrus”. Verder is er een gravure gemaakt door Pieter Schenck (1660-1713), voorzien van een twee-regelig gedicht in Latijn door Van Broekhuizen. Dat was gemaakt omstreeks 1698, naar een schilderij dat nu niet meer bekend is. En er is nog een ander portret, in kleiner formaat en ongedateerd dat ook is vervaardigd door Schenck.
Roscam Abbing ziet het tweede portret als mogelijk voorbeeld voor het knipsel. Eden vergelijking met het knipsel is helaas niet (meer) mogelijk omdat het niet meer aanwijsbaar is. Dat is opmerkelijk omdat in de collectie van de familie Van Hoogstraten zeer veel wel bewaard is gebleven. In de Testas catalogus wordt dit portret niet vermeld, het maakte dus toen geen deel meer uit van de Koerten collectie. Van Hoogstraten schreef in zijn brief aan Brandt dat hij het Latijnse gedicht wel zelf kon vertalen, maar dat het hem niet paste zich met zijn eigen lof te bemoeien. Een beetje valse bescheidenheid was dat wel want zo bevorderde hij indirect zijn eigen lof en die van Koerten. Daarmee bleef hij doorgaan, een voorzetting daarvan ziet Roscam Abbing in het gedicht “Op de Titeltekening” dat Van Hoogstraten in 1708 maakte bij een tekening die Jan Goeree (1670-1731). Dat Van Hoogstraten dit gedicht kort na het overlijden van Koerten in 1715 maakte is een veronderstelling die niet bewezen en ook erg onwaarschijnlijk is. Van Hoogstraten schreef ook een gedicht op haar overlijden in het Latijn, dat ook bekend is uit een vertaling van Joan de Haes (1685-1723). Daarmee besloot hij een belangrijke reeks van bijdragen over Joanna Koerten en haar werk.

Literatuur
– “Galenus Abrahamsz. De Haan (1622-1706)”, Gameo.
– “Galenus Abrahamsz. (de Haen)”, WikiBZ.
– Ruud Lambour, “De alchemistische wereld van Galenus Abrahamsz.(1622-1706)”, Doopsgezinde Bijdragen, nieuwe reeks, nr.31 (2005), p.93-168.
– “Galenus Abrahamsz. De Haan”, dbnl
– Ruud Lambour, “De iconografie van doctor Galenus Abrahamsz. (1622-1706)”, Doopsgezinde Bijdragen, nieuwe reeks, nr.31 (2005), p.169-182.
– Ruud Lambour, “Doopsgezinde gemeenten te Amsterdam in de zeventiende en achttiende eeuw”, Amstelodamum, 100-I [2013], p.24-38.
– “Bogaert (Abraham)”, Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, dl.3 (1914), p.131- 133.
– “Abraham Bogaert”, dbnl.
– M. Roscam Abbing, “Joanna Koerten (1650-1715) en David van Hoogstraten (1658-1724). Een bijzondere relatie tussen twee bekende Amsterdammers”, Maandblad Amstelodamum, 94(2007), 2,p.14-29.
– Guus van Hoogstraten en Michiel Roscam Abbing, Genealogie van de familie Van Hoogstraten, Nieuwegein 1997.

Door Henk van Ark, Dit artikel werd eerder gepubliceerd in de KoertenKoerier 7, voorjaar 2019.
Afbeeldingen Wikicommons en Rijksmuseum

Vorstelijke en aanzynlijke personaadjen, KoertenKoerier 6

Von Uffenbach maakt in zijn reisverslag van 1711 melding van een geknipt portret van professor Francius dat hij bij Koerten heeft kunnen bekijken.
Aan dit portret is een gedicht van Adrianus Relandus in Latijn gewijd, gevolgd door twee versies in het Nederlands van Joannes Vollenhove en Siward Haverkamp. Uit die gedichten is op te maken dat Joanna het knipsel gemaakt heeft na de dood van Francius in 1704.
In de Testas catalogus wordt dit portret in de rubriek “Sneywerk” onder nummer 13 beschreven als: “Het Portrait van Professor Petrus Francius, Borststuk, met een rol papier in de hand, daar onder een Latyns Vaars, door de Professor A. Reeland, in dito, en dito“(= in zwarte lijst en tussen spiegelglazen).

In de dezelfde catalogus worden twee getekende portretten van Francius vermeld, gemaakt door Nicolaas Verkolje onder nummer 34 van Konst-Boek, Letter A: “Het Portrait van Petrus Francius, en verder bywerk door den zelve (=Verkolje), en een Duyts en Latyns geschreeven Vaars“. En onder nummer 40: “Een dito Borst-stuk, zynde het Portrait van Francius, door den zelven, (=Verkoije) met een geschreeven Vaars daar onder”. Helaas weten we niet of het geknipte portret bewaard is gebleven, de eventuele verblijfplaats is in ieder geval onbekend.

Het Francius gedicht wordt in de Lofdichten uitgave van 1735 vooraf gegaan door gedichten op zeven geknipte portretten die alle voorzien zijn van een gedicht door Francius in Latijn, aangevuld met versies in het Nederlands van andere dichters. De geportretteerde figuren behoren tot de “veele Vorstelyke en aanzienlyke Personaadjen (…)“ zoals die genoemd worden door de onbekende opsteller van voorwoord van de Lofdichten versie uit 1736, Houbraken gebruikt hiervoor de benaming: “vele Potentaten, Vorsten en Groote Heeren“. Het eerste gedeelte van de uitgave van 1735 was inderdaad een ware “Carmina Latina/op de Papiere/Snykunst/van Juffrouw/Joanna Koerten/huisvrouw van den Heere/Adriaan Blok/met derzelver vertaalingen/in Nederduitschen vaarzen”.

   

Met Petrus Francius hadden Joanna en Adriaan een intellectueel zwaargewicht in hun netwerk. [i]
Francius werd in Amsterdam geboren op 19 augustus 1645 als zoon van Jacob de Frans. Hij genoot onderwijs op de Latijnse school aldaar en toonde al vroeg interesse voor Latijnse, Griekse en Nederduitse talen. Hij studeerde later aan de Leidse universiteit en legde zich toe op geschiedenis en andere wetenschappen. Bezocht Engeland, Frankrijk en Italië en promoveerde in het Franse Angers; In 1674 werd hij aangesteld als hoogleraar geschiedenis en welsprekendheid in Amsterdam.[ii] In 1686 werd hem ook het onderwijs in de Griekse taal opgedragen. In een rede uit 1686 over de voortreffelijkheid van het Grieks had Francius zich opgeworpen als voorvechter van het Latijn tegenover het Frans en nam het als zodanig op tegen de fransman Charles Perrault die in de beruchte “Querelle des Anciens et des Modernes” de modernen vertegenwoordigde. Al tijdens zijn studietijd was Francius met zijn eerste Latijnse gedichten gekomen. Een eerste bundel (“Poemata”) publiceerde hij in 1682. Ook is hij bekend van zijn gedichten over de overwinning op de Turken. Die hij in 1686 bundelde met de titel “Laurus Europea” (Europese Lauwerkrans). Zeer bekend waren zijn activiteiten als redenaar en leraar in welsprekendheid. Zijn verzamelde redevoeringen zijn in 1692 afgedrukt als “Orationes in unum collectae”. Van hem is een geschilderd portret door Ludolf Bakhuysen bekend, hij overleed in 1704.
Het portret van Petrus Francius wordt in de Testascatalogus, zoals boven is aangegeven, beschreven als een borststuk, waarbij hij een boekrol in de hand heeft. Het Latijnse vers daaronder is geschreven door de Utrechtse hoogleraar Adriaan Reeland. De nu bekende portretten van Francius, een schilderij van Bakhuysen en een prent van Schenk, komen niet overeen met deze beschrijving.
In de vertaling van de Latijnse bijdrage van Reeland dicht Joannes Vollenhove:

Bezwangert van haar ‘geest, Joanna Koerten toont
Hem, die nu ‘t allerschoonste Elysium bewoont
in kunstwerk van papier. Hoe kan men beter kennen,
Die naar onsterfelyke een plag in papier te rennen
”.

Leopold I (1640-1704)
Het eerste gedicht van de Carmina Latina gaat over Leopold I, Rooms-Duits keizer, koning van Hongarije, koning van Bohemen en Aartshertog van Oostenrijk. Zijn echtgenote was Eléonora van Palts-Neuburg (1655-1720) Koerten heeft van Leopold een portret geknipt dat volgens Houbraken in diens Kunstkammer in Wenen zou hangen. Voor Eleonora maakte zij een kunstwerk uit papier en textiel. Houbraken vond deze kunstwerken zo belangrijk dat hij daar in de “Groote Schouburgh” veel aandacht aan besteed. Uit de vertaling van A. Moonen van het Latijnse gedicht van Francius over dit portret wordt duidelijk hoe het eruit moet hebben gezien:

Dit’s Keizer Leopold:zyn slinker vuist bewaart/Den Wereldkloo4 dienhy bestiert, zyn rec het ‘t/zwaart”. Die beschrijving komt overeen met een gravure die we van Leopold kennen..

    

Peter de Grote (1672-1702)
Voor Koerten is, net als keizer Leopold en zijn vrouw, hij een belangrijke figuur geweest.[iii] Volgens het verslag van Von Uffenbach van de reis van 1718 bezocht Peter Koerten nadat zij van hem al een portret had gemaakt, naar getekend of gedrukt voorbeeld. Hij liet zijn handtekening achter maar kocht niets. Zijn bezoek is door Jan Goeree vastgelegd in gedetailleerde titeltekening voor het handtekeningen-boek dat de Koertens wilden gaan maken. In de Testascatalogus wordt het portret van de tsaar in de rubriek Sneywerk, onder nummer 12, beschreven als: “Het Portrait van Petrus de eerste, een Borststuk, daar onder een Latyns Vaars door P. Francius, in dito en dito“.
Jan Goeree maakte ook een getekend portret van Peter de Grote: “Het Portrait van Keyzer de eerste, met een Ornament, door J. Goeree en een ander”. Het geknipte portret bevindt zich in de collectie van de familiestichting De Flines.

   

Willem III (1650-1702)
In dezelfde verzameling is het geknipte portret van stadhouder-koning Willem III aanwezig.[iv]
Merkwaardig genoeg maakte Koerten niet alleen van hem een portret, maar ook van zijn tegenpolen de gebroeders de Witt. In de Testascatalogus is de beschrijving: “Het Portrait van Koning Willem, een Borststuk met Septer en Kroon in de handen, daar onder de Waapens, beneevens een Latyns Vaars, door P. Francius, in dito en dito“.

Voor het Stamboek maakte Verkolje een tekening: “De Faam, houdende het Portrait van koning William, in dito en dito.”
Koerten knipte niet alleen dit mooie portret van Willem III , maar zou ook voor zijn vrouw werk hebben gemaakt. Dat zou dan moeten zijn gegaan om een combinatie van papier en textiel, zoals zij ook maakte voor de echtgenote van keizer Leopold. Houbraken schrijft in zijn kunstenaarslexicon: “Ook voor Maria Koninginne van Engeland en andere Vorstinnen heeft zy zulke cieraaden gewrogt”.

   

  

Lodewijk XIV (1638-1715)
Lodewijk de Groote (Lodoïco Magno) is zeker door Koerten geknipt alleen komt zijn portret niet voor in de Opsomming in de rubriek “Sneywerken” van de Testas catalogus. Het portret is pas te vinden in het “vervolg van de “Catalogus van Overgeslagen Rariteiten” onder Snykonst:
Het Portrait van Lodewyk de XIV, door Johanna Koerten”
Verkoije maakte van de Franse vorst een getekend portret dat in Konst-Boek, Letter A. wordt beschreven als:
Een dito, met het Portrait van Lodewyk de veertiende, door denzelven (Verkoije), en dito geschreeven Vaars“. Uit de gedichten [8,9,10] is slechts af te lezen dat het bij dit portret ging om een kleine afbeelding die door een “Kolse Apel (Verkolje als Apelles)” kon worden vastgelegd.

  

Frederik III van Brandenburg (1657-1713)
Gelukkig een portret dat bewaard is gebleven en waarvan de verblijfplaats bekend is. Het bevindt zich in de collectie van de familiestichting De Flines en is in bruikleen bij het Kon. Oudheidkundig Genootschap. In de Testas catalogus wordt het geknipte portret vermeld als:
Het Portrait van den Koning van Pruyssen Frederik de derde, tot de voeten uit, zittende in een Kamer, en leunende aan een Tafel, waar op mede gesneeden is een Latyns Vaars, door P. Francius gemaakt, en verder Bywerk tot de Kamer behorende, in dito en dito” (in zwarte lijst, tussen twee spiegelglazen).

Nicolaas Verkoilje tekende het portret van Sophia Charlotte, de echtgenote. van Frederik:
Het Portrait van Sofia, Keurvorstin van Hanover, met veel Bywerk, door denzelven (=Verkolje)” onder nummer 17 van Konst-Boek, Letter A. Op deze tekening die zich bevindt in de Albertina in Wenen is op de achtergrond het geknipte portret van Fredrik III afgebeeld.

Frederik en zijn echtgenote zijn in 1702 in Amsterdam geweest nadat zij koning en koningin van Pruisen waren geworden. Al kort daarna, in 1705, overleed Sophia Charlotte. Moffit Peacock heeft erop gewezen dat in het door Koerten geknipte portret een mooie ruimtelijke illusie is gecreëerd mede veroorzaakt door de plaatsing van Frederik, zittend achter een tafel, in de ruimte. Die ruimtelijkheid wordt nog versterkt door de naar achter lopende tegels en de vertikale stroken op de achterwand. Het geïdealiseerde gezicht van de geportretteerde wordt omlijst door een fraaie haarpartij met ge.. . snijwerk en een mooi uitgewerkte kraag.

Cosimo III (1642-1723)
Kort voordat hij Groothertog van Toscane werd (in 1670) bezocht Cosimo III tweemaal de Republiek, 1667 en 1669. [v]Bogaard veronderstelt dat Koerten toen al het portret van Cosimo, waarvan de verblijfplaats nu onbekend is, toen al maakte. Joanna was toen bijna 20 jaar. Om meerdere redenen is dat niet waarschijnlijk. Als argument wordt aangevoerd dat de inleiding van de Lofdichtenuitgave van 1735 nadrukkelijk vermeldt: “Kosmus III is zoo voortreffelyk nae het leeven gesneeden, dat kenners betuigen, dat het kunstpenseel daar voor moet zuchten“. De aanduiding “nae het leeven” betekent echter lang niet altijd dat het gaat om een portret dat direct met de persoon poserend voor de kunstenaar is gemaakt. Het kan ook gaan om een goed gelijkend portret gemaakt naar een goed voorbeeld, bijvoorbeeld in de vorm en van een tekening of prent. Bovendien was Francius die het Latijnse onderschrift verzorgde pas vanaf de late jaren tachtig in Amsterdam aanwezig.

 

In de Testascatalogus is het portret te vinden als “Pallas, die het Portrait van Cosmus de 3de, Groot Hertog van Toscanen, daar neevens een Eerzuil met een Wapen, beneevens een Latyns Vaars door door P. Francius, en andere Ornamenten, in dito en dito“.
Nicolaas Verkolje maakte voor het Stamboek de tekening:
“Pallas houdende het Portrait van Cosmus de derde, door denzelven, met een geschreven Vaars daar ondder “(nr. 13 van Konst-Boek, Letter A.)
Groot Hertog van Toscanen, daar neevens een Eerzuil met een Wapen, beneevens een Latyns Vaars door door P. Francius, en andere Ornamenten, in dito en dito“.
Nicolaas Verkolje maakte voor het Stamboek de tekening:
Pallas houdende het Portrait van Cosmus de derde, door denzelven, met een geschreven Vaars daar onder “(nr. 13 van Konst-Boek, Letter A.)

Noten
[i] . Dirk van Miert, Illuster Onderwijs. Het Amsterdamse Atheneum in de Gouden Eeuw, 1632-1704, Amsterdam 2005, p. 163-169; A.J. van der Aa, Biografisch woordenboek der Nederlanden, dl.6 (1859).
[ii] Henk van Ark, “Gerard de Lairesse en Nicolaas Verkolje”, De KoertenKoerier, nr.4 (2018), [p.17]
[iii] Henk van Ark, “Czaar Peter op bezoek”, Welkom in Papyria, nr. 5 , Rasquert 2013, p. 27-37.
[iv] In dit verband met Koerten/Willem III is interessant: Henk van Ark, “Op bezoek bij Nicolaas Chevalier en daarna…”, De KoertenKoerier, nr.2 (2017), [p.3 e.v.].
[v] Lodewijk Wagenaar/Bertus Eringa, Een Toscaanse prins bezoekt Nederland, Amsterdam 2018; Conny Bogaard, De Schaar-Minerva Johanna Koerten (1650-1715) en de waardering voor de “papieren snykonst”, Utrecht 1989 (scriptie), p.46.

Door Henk van Ark, verscheen eerder in de KoertenKoerier 6, 2018
Foto’s Rijksmuseum en Wiki Commons

Von Uffenbach in Amsterdam: verslag van een reiziger, KoertenKoerier 6

Amsterdam, 16 juli 1718. Zacharias von Uffenbach heeft wederom het knipwerk van Joanna Koerten kunnen bekijken. We lezen dat in de prachtige uitgave “Een plezierreis in de zomer van 1718”. De familie Von Uffenbach in de Nederlanden geschreven door Johan ter Molen en uitgekomen in 2017. Von Uffenbach maakte de reis in een gezelschap waarvan wij de namen precies kennen door een vermelding in het gastenboek van Levinus Vincent. Het verslag van de reis in 1718 werd opgemaakt door een van de leden van het gezelschap, Johanna Adolph von Glauburg.

Von Uffenbach (1683-1743) bezocht Amsterdam al eerder en bracht daar een bezoek aan Joanna Koerten en Adriaan Blok. Allereerst in 1705, toen reisde hij met een klein gezelschap. Een verslag van die reis is niet bekend, mogelijk is dat nooit gemaakt of niet bewaard gebleven. In 1710/11 ondernam hij met zijn broer Christoffel een gedegen studiereis naar Noord-Duitsland, de Noordelijke Nederlanden en Engeland. Het verslag ervan, met als titel “Merkwurdige Reisen…”, verscheen in druk pas na zijn dood in 1734.

Voor de bestudering van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst zijn de aantekeningen van Zacharias op deze reis van enorm belang. Hij zag in een koffiehuis in Franeker een portretknipsel van Johan Willem Friso van Nassau gemaakt door Roelof van Duiden uit Harlingen Verder ontmoette hij opnieuw Elisabeth Rijberg in Rotterdam die vergeleken bij 1705 slechts twee nieuwe knipwerken kon tonen. Ook bezocht hij in de Maasstad Gerard Vogel een erfgenaam van de in 1704 overleden knipper Gillis van Vliet. Die kon hem echter alleen wat plat knipwerk laten zien, wat geen goede afspiegeling was van het werk dat Van Vliet ook maakte. In Delft ging van Uffenbach op bezoek bij de stotterende chirurgijn en papierknipper Johannes van den Boogert (1659-1731). Daarna reisde het gezelschap naar Den Haag en kon daar bij pastoor Allardus Titsingh (ca. 1667-1713) bijzonder fijn werk van zijn neef Johannes van Achelom bekijken. Tenslotte arriveren ze in Amsterdam om in huize “In ‘t Blok” op de Nieuwedijk om de wonderlijke papierkunst van Joanna Koerten te aanschouwen. Ze zagen daar maar liefst 32 knipsels waaronder portretten van Peter de Grote, Jan (en Johan) de Witt en Petrus Francius. Von Uffenbach beschrijft dat de knipsels tussen twee glazen platen zijn geklemd en voorzien van twee open te klappen deurtjes aan de achterzijde Zo’n inlijsting is inderdaad bekend uit het geknipte portret van stadhouder-koning Willem III. Ook zag hij werk “in ‘t verheve”, vaak voorstellend schepen. Vergelijkbaar werk hadden ze ook gezien bij Rijberg in Rotterdam. Eén van de mooiste stukken vond Zacharias een bloemenvaas met de tekst “Ut flos nostra”, een knipsel dat we nu nog uit een afbeelding kennen.

En dan 1718. Zacharias en zijn gezelschap, waaronder zijn vrouw en broer met echtgenote, bezoeken Adriaan Blok die nu aan de Heregracht 33 woont. Joanna is enige jaren ervoor overleden, Adriaan is hertrouwd met Maria van Arckel.

   

Het verslag van dit bezoek (vertaling door Ter Molen en de in druk overgezette Duitse tekst) bevat enige interessante nieuwe punten. Dat Koerten niet alleen historische onderwerpen knipte maar ook op deze wijze portretten maakte was natuurlijk bekend. Von Uffenbach noemt nu echter deels andere portretten: Willem III, Lodewijk IV, Peter de Grote en Th.(=Balthasar) Bekker. Ze zijn goed gelijkend voor bekenden. Nieuw is dat de Czaar bij zijn bezoek aan Amsterdam is komen kijken naar het portretknipsel dat Joanna van hem had gemaakt. Dat knippen heeft dus niet, zoals eerder is verondersteld, pas na zijn bezoek plaatsgevonden. Verder waren er mooie reliëfstukken zoals “ein Rotterdamer” (=Rijberg) ook maakte. Later op de reis wilde men in Rotterdam Rijberg bezoeken maar door het toen slechte weer kwam het daar niet van. Jammer natuurlijk want we hadden graag willen weten hoe het er toen met Elisabeth voorstond. Interessant is ook de opmerking dat volgens de erfgenamen van de kunstenares het knippen van portretten na haar dood tot een einde zou zijn gekomen. Koerten zou zo goed in het maken van portretten zijn geweest dat de ze deze kon maken van mensen die ze naast zich liet zitten. Die opmerking sluit aan bij verhalen dat Joanna portretten “nae ‘t leeven” gemaakt zou hebben. Of zij ook direct een portret uit papier kon knippen lijkt echter onwaarschijnlijk, mogelijk ging het daarbij om een aanzet. Veel waarschijnlijker is dat zij van nog levende personen een getekend portret maakte (ze was immers ook goed in schilderen en tekenen) of bij anderen werkte naar portretgravures.

Omdat het manuscript van de reis van 1718 nooit in druk is verschenen heeft het maar weinig aandacht gekregen. Ter Molen kreeg dat veertig jaar geleden al onder ogen, pas nu (2017) is zijn geweldige boek verschenen. Hierboven is al vermeld dat hij niet alleen zorgde voor een weergave in Duits van de oorspronkelijke tekst, aangevuld met zijn vertaling in hedendaags Nederlands. Een goede aanpak die de toegankelijkheid van het verslag van Von Uffenbach aanmerkelijk heeft bevorderd.

Noten

1 .Johan R. Ter Molen, Een plezierreis in de zomer van 1718. De familie Von Uffenbach in deNederlanden, Zwolle 2017.
2. Henk van Ark, “Von Uffenbach’s curiöse von Papier geschnittene Sachen”. Welkom in Papyria, nr. 2, Rasquert 2011, p.39-54.
3. De la Fontaine Verwey, Vier Eeuwen Herengracht, Amsterdam 1976, p.195, nr.33.

Creatieve vrouwen, KoertenKoerier 6

Diverse vrouwen hebben een mooie bijdrage aan het Stamboek van Joanna Koerten geleverd. Sommigen droegen een gedicht bij, anderen een kunstwerk van eigen hand. Zo bespraken we in de voorgaande Koeriers de bijdrage van Maria Sibylla Merian (gedicht + kunstwerken), het gedicht dat Anna Insma schreef en liet uitschrijven door Gadelle, de tekening van Antonina Houbraken over het knipsel “De twaalf keizers” en het dichtwerk van Gezine Brit. Maar er was meer.

De Lofdichtenuitgave van 1736 begint met een serie gedichten die betrekking hebben op vrouwen. Dit in tegenstelling tot de uitgave van 1735 waarin de eerste gedichten gaan over portretten van voorname heren met een onderschrift in Latijn van Petrus Francius.

We volgen hier de vrouwengedichten in volgorde van plaatsing (spelling volgens van de uitgave):

– Kataryne Lescailje
– Gesine Brit
– Anna Insma
– Maria Sibilla Merian
– Maria Garnier/J. van Petersom
– Leonoor Gadelle/L. Smids
– Elisabeth Crama/C. Bruin/Alida Matthys
– Geertruyd van Halmael

Kataryne van Lescailjie

Katarina Lescailje (1649-1711) was dichteres, vertaalster en boekverkoopster. (1) Zij was aan het einde van de 17de eeuw een van de bekendste dichteressen in het land. Toen Zacharias von Uffenbach in 1711 in Amsterdam was en een dichtende vrouw wilde ontmoeten werd hij naar haar verwezen. Nicolaas Verkolje maakte van haar, in opdracht van Adriaan Blok, een getekend portret waarop we Katharyne afgebeeld zien terwijl zij van Minerva de lauwerkrans en pauwenveer ontvangt. Lescailje is hier door Verkolje met -laten we zeggen- stevige gelaatstrekken weergegeven.

De tekening komt voor in de Testascatalogus onder nummer 39 van Konst-Boek, Letter A: “Een dito, Catharina Lescailje, met veel bywerk, door den zelven“.

Blok liet die tekening maken bij een gedicht dat Lescailje voor Koerten maakte. Hiermee wordt de Lofdichtenversie van 1736 geopend. Vooral het tweede deel van het gedicht (“Op De Papiere Snykunst/ Van Mejuffrouw/Joanna Koerten/Huisvrouwe van den Heere/Adriaan Blok”) is veelzeggend:

(…) “Hoe! Zou hier Cierce wel herleeven? of haar hant
Natuurlyk too ‘vren, door de kracht van ‘t kloek verstand,
Daar zy ‘t Papier, gemaakt om de edele bedryven
Der Grooten, Dapp ‘ren en Geleerde op te schryven,
Tot onuitwislyke eer of schande van hun faam,
Zoo toverachtig snyd tot lett ‘ren, ‘t zy ‘t hunn’ naam
of beeltnis kroon, met zulk een stant en braave zwieren,
Terwyl de Dichtkunst haar verdienden loftrompet,
De gryze Aaloutheit is verwondert en verzet;
Zelfs Dadalus, hoe ver in kunst vooruit gevloogen,
Zou hier verdoolen, en gelooven pas zyne oogen.
Zoo zwicht de Tekenpen als zy haar handling ziet;
Terwyl de Schilderkunst zoo bleek van verfverschiet
Als t’ onbevlekt papier, waar van zy vormt naar ’t leven
Ontel ‘bre Wond ‘ren, die zy yder weet te geeven
Zyn hoogten, diepzels, en gedaanten, naar eiks aart
En eigenschap, daar zy de Kunst met Oordeel paart.
Ja, was Natuur geen Vrouw, wat oog zou oit gelooven
Dit Vrouwenwerk te zyn, dat Mannen streeft te boven?

Koertens werk deed de tekenpen zwichten en liet de schilderkunst van verf verschieten. En dat alles met onbevlekt wit papier. Dat vrouwenwerk ging het streven van mannen te boven. Wat Koerten met haar werk wilde bereiken wordt hier in het kort geschetst. En in die tijd werd dat door velen opgemerkt, maar ook gewaardeerd.

Gesine Brit (2)

Anna Insma

Op de tentoonstelling “Gedoopt. Vijf eeuwen doopsgezinden in Nederland” die in 2011 in de expositieruimte van de Bijzondere Collecties Amsterdam werd gehouden, is een blad getoond dat heeft behoord tot het Stamboek van Joanna Koerten.


Het was een gedicht van Anna Insma, waarvan door schoonschrjjver Jacobus Gadelle, een klein kunstwerkje was gemaakt. Een deel ervan is afgebeeld op de cataloguskaart van Koerten van “Gedoopt”. Op de kaart vermeldt dat de geschreven tekst van het door Insma gemaakte gedicht op bepaalde punten afwijkt van het gedicht dat is afgedrukt in beide Lofdichtenversies. Het gedicht is in ieder geval een opmerkelijke poetische bijdrage aan Koerten’s Stamboek. Het luidt:

Over Anna Insma is zeer weinig bekend. (3) Ze was de dochter van Tiebe Jelles Insmae en Jeltien Auckos en was gehuwd, zoals ook onder aan het gedicht staat, met Ysbrandt Bruin. Drie kinderen uit dit huwelijk zijn bekend: George, Aima en Abraham Bruyn. Ze waren woonachtig in Amsterdam.

Maria Sibylla Merian (4)

Maria Garnier/J. van Petersom

Jan van Petersom (5) maakte diverse gedichten die zijn opgenomen in de Lofdichtenversie van 1736. Het gedicht aan het begin van de uitgave is in schoonschrift opgemaakt door Maria Garnier. (6) Het is dus een lofzang op het werk van Koerten in gedicht en geschrift. Daarom eindigt “De Pen van Jufrou/Maria Garnier, gebooren Bourget,/Aan het Schaartje van Juffrou/Joanna Blok, Gebooren/Koerten” met:

“U met zienelyke klanken
Te vertoonen, beide in dicht
En geschrift, haar dienst en plicht.”

Maria Garnier dichtte zelf ook een kort vers meer achterin de bundel afgedrukt- dat zij uitschreef:

“Pengeschenk/Aan Juffrou/Joanna Koerten.

Ik offer aan u, Vrou Koerten, pensieraaden,
Schoon ieder Letter, die, gy snydt, geen weerga heeft.
En dat uw Fenixschaar elk schrift te boven streeft.
Ei wilt uw Dienares haar pengift niet versmaaden “.

Maria Garnier

Van Petersom maakte meer gedichten over Joanna Koerten en haar werk, waaronder een verklaring in dichtvorm van een interessant “Zinnebeelt”. Later meer daarover.

Leonoor Gadella/ L. Smids

Dezelfde aanpak als het voorgaande werd door Gadelle en Smids gehanteerd. Ludolph Smids(7)(1649/1720 ) maakte een dichtwerkje dat door Leonoor (mogelijk de zuster van de bekende schoonschrijver Jacob Gadelle) werd uitgeschreven. Het leidde tot het volgende resultaat:

“De Pen van Leonoor Gadelle/Aan het Schaartje van Juffrou/Johanna Koerten”.

“Vrou Koertens schaartje, belg u niet.
Myn luister zal uw lof niet minderen,
Myn trekken noit uw knippen hinderen.
Alleen die ‘t uwe en ‘t myne ziet,
Zal zich verwondren van twee vrouwen
Zoo groote kunsten hier ’t aanschouwen
Door L.Smids “.

In zijn gedicht wordt dus de kunst van twee vrouwen (Gadelle en Koerten) bezongen. Ook voor Smids geldt dat hij meerdere gedichten voor het Stamboek schreef. Ook daarover later meer.

Elisabeth Crama/C. Bruin

Na dit korte gedicht volgt eveneens een korte bijdrage door Claas Bruin (1671-1732)(8) en Elisabeth Crama (1672-1721).(9) Eronder staat aangegeven C. Bruin gedicht. Elisabeth Crama geschreven. Het gedicht “Op De Zelve Juffrou” luidt:

“Sta vreemdeling; reist niet naar Romen of Florenssen
Om wonderen. hier ziet ge al wat uw oog kan wenschen.
Joannaas snyschaar, zacht geleit door ‘t wit papier,
Vertoont u beelden die met levendiger zwier,
Dan ‘t prachtig marmerwerk, de zinnen kunnen streelen.
Deez’ kunst verdooft en glans der keurigste penseelen.
Ja, zag Quellyn eens op, hy zou hier stom voor staan,
En denken; hoe! heeft dit een vrouwe hant gedaan? “.

Bruin maakte meer gedichten voor het Stamboek, waaronder twee gedichten over de “uitsteekende schryfkunst” van Elisabeth Crama. Daarover later meer.

Alida Matthys

Zij maakte het laatste, zeer korte gedicht op dezelfde pagina van het Lofdichtenboek:

“Zoo oit uit wangeloof ‘t Papier wiert aangebeeden,
Dan eischt zulx ‘t Wonderwerk door Koertens schaar gesneeden“
.

Verdere gegevens over Matthys ontbreken tot nu toe.

Geertruijt van Halmael

Van Halmael (1648-1729)(10) is vooral bekend als gelegenheidsdichteres. Van haar schaarse bekende werk is er slechts een gedateerd: 1798. Het is “Algemeene Vreugde“, een kort allegorisch spel ter gelegenheid van de 47ste van stadhouder-koning Willem III. Voor Koerten schreef voor haar het gedicht “Op De Noit Gehoorde Schaarkunst/ Van Juffrou/Joanna Koerten“. In de eerste twee verzen van het gedicht [6] pakt Van Halmael stevig vrouwelijk uit:

Toen Vrou Natuur kreeg lust en zin,
Om aan de vrouwelijke kunnen
Een goddelyke gaaf te gunnen,
Blies zy dien geest Joanna in,
Om gloriryk daar door te pryken,
En deë der mannen luister wyken

Dees Vrou trotseert de kunstenaars.
Dees Vrou vertoont haar groot vermoogen
Door wondren van haar hant voltoogen,
En beelden overschoon en schaars.
De weerelt hoort m ‘er van gewaagen,
Nu zulk een kunstzin op komt daagen“
.

Noten

1. Ellen Grabowsky, “Lescailje, Katharina”, Resourses Huygens Ing en 1001 vrouwen, nr.346. LvG (Lia van Gemert), Katharia Lescailje. Schrijfster annex uitgeefster (…) , in Riet Schenkeveld-van der Dussen, e.a. Met en zonder Lauwerkrans (…), p.396-402.
2. zie Henk van Ark, “Gezine Brit en haar Koridon”, De KoertenKoerier, nr.5 (Zuidhom, najaar 2018), [p. 3-17]
3. A.J. van der Aa, Nieuw Biografisch, anthologisch en critisch woordenboek van Nederlandsche dichters, dl.2 en Biografisch Woordenboek der Nederlanden, dl.9 (1860). Zie verder: Adj, “Geertruide van Halmaele”, in: Schenkeveld, o.c., p.449 (opsomming van de tot nu toe vergeten Insma, Alida Matthys en Maria Gamier).
4. zie; Henk van Ark, “Maria Sibylla Merian, in: De KoertenKoerier, nr.1 (Zuidhorn, najaar 2017), [p.3-9]
5. zie: Henk van Ark, “Drie Dichters (Van Petersom, Smids en Bruin)”, De KoertenKoerier, nr.7.
6. zie noot 3.
7. zie noot 5.
8. idem.
9. Ingrid Moerman, “Kalligrafie: echte nationale dilettantenkunst”, Nieuw Letterkundig Magazijn, jrg.16 (1998); Cl. Bruin, Zede-dichten, dl.2, p.363-367.
10. zie noot 3.
11. AdJ, “Geertruide van Halmale. Bewonderaarster van Willem III (…)“, Schenkeveld, o.c., p. 449-454.

Koerten in de groote schouburgh, KoertenKoerier 5

De herderszang Koridon van Gesine Brit was dus een belangrijk onderdeel van de levensbeschrijving van Joanna Koerten in de “Groote Schouburgh” [afb 1][i]van Arnold Houbraken. [2.3] Het lemma over haar werd opgenomen in het derde deel dat in 1721 verscheen. Koerten kreeg daarin opmerkelijk veel aandacht en bovendien als een van de weinige kunstenaars in dat deel een grote portretafbeelding van de hand van Jakob Houbraken. [4]

Houbraken begint zijn beschrijving met de vermelding van de geboortedatum en -plaats van de kunstenares en het noemen van haar echtgenoot. Vervolgens somt hij op op welke creatieve gebieden Joanna zeer begaafd was:
Deze Juffrouw was van haar jeugt af aan zeer geneegen om konsten en weetenschappen te leeren, als blykt aan haar treffelyk borduuren, deftig kant-en akernaayen, heerlyk speldewerken, aardig was gieten, mannelyk schryven, konstig muzyk zingen, fraay met een diamant op drinkglazen spreuken, vogels, of bloemen te grieven, verwonderlyk fraay in ‘t versieren van bloenen en cieraaden, voornamentlyk van zyde gevlogten en doorwerkt, en ‘t schilderen met waterwerven, waar van nog een en ‘t ander by den Heer Blok te zien is

Waarom hij Koerten in zijn overzichtswerk heeft opgenomen legt hij haarfijn uit: “Zo vind ik reden genoeg om onze Johanna Koerten onder de Konstenaars en Konstenaressen te gedenken; gelyk ik den braaven teekenaar Jan de Bisschop en anderen, die nooit penceel met verwen hebben gevoert, hebben gedaan. De Heer Burgemeester Joan Six loffelyke ged. heeft derhalven niet onaardig tot haren roem gezeit:

Vrouw Blok, cieraad en roem van ‘t Y,
Maakt zonder verf een schildery.
Gewis haar brave naam zal leven,
Zoo lang men eer aan kunst sal geven”. [5,6]

Om dat de voorgemelde in opzigt der teekenkonst maar met anderen van hun lyd zouden gelyk gedaan hebben, daar zy in haar doen nooit iemant heeft ontmoet, die haar gelyk is geweest, veel min haar in de snykunst overtroffen heeft. Waarom zy altijd het voorwerp van verwonderen is geweest voor alle Konstkenners; die voor hun oogen zagen dat zy door eigen vernuft, en onbedenkelyk gedult en yver, met de schaar heeft uitgewerkt, al ‘t geen een bedreeven hand door de teekenpen, in opzicht der menschenweezens, kan verrigten“.

afb 4

   

Behalve portretten maakte zij ook zeetjes, landschappen, beesten, vogels en bloemen en haar fijne werk maakte “zoo veel gerugt, dat alle vreemdelingen belust op ‘t zien van konstige werken, tot Amsterdam komende, haar snywerk met verwondering beschouden en prezen. Overzulks hebben vele Potentaten, Vorsten en groote Heeren, ja zelfde Czaar Peter Alexewits haar werk komen zien, en hunne handteekeningen tot haar eere in haar Stamboek gezet. De Keurvorst Joan Wilhelm in de Palts heeft haar zelf voor drie stukjes van ‘t snywerk duizent guldens gebooden: maar zy was niet geneegen dezelve te missen, om dat zy daar zoo veel werk aan had gedaan. Voor de Gemalinne van den Keizer heeft zy een heerlyk werk gemaakt, bestaande in Bloemen, Wapens, Arenden, Kroonen, in loofverk verciert, van gevlogten zyde in manier als campanen, waar voor meer als vier duizent guldens gegeven zyn. Ook voor Maria Koninginne van Engeland en andere Voorstinnen heeft zy zulke cieraaden gewrogt. Al ‘t geene zy ook door eigen uitvinding, zonder van iemant geleert te hebben, heeft verkreegen.
Het wezen des gemelden Keizers door haar schaare gesneeden is aan zyn Majesteit gezonden, en hangt nog te Weenen in zyn Konstkamer, waar onder dit vaers van de Professor Francius overkonstig geknipt staat. “Caesaris haecfacies Leopodi, enz. (…) docta manis
“.

In de vertaling van A. Moonen luidend:

“Dit is Keizer Leopold; zyn slinker vuist bewaart
Den Wereldkloot, dien hy bestiert, zyn techte ‘t zwaart.
Wyk Mentors koper, wyk al ‘t marmer der Lyzippen,
Apelles arbeit en Parrhasen braaf van zwier.
Een afgerechte hant en kunstschaarjix in ‘t knippen,
Werkt grooter wondren voor ‘t gezicht op dun papier”. [7]

Verder maakte “den vernuftigen Johan van Broekhuizen” in het Latijn een gedicht bij het portret (“ ‘t wezen“) van David van Hoogstraten. In de vertaling van J. Vollenhove:

JOANNA KOERTENS schaar laat naulyks leven deven
Hoogstratens beeld, die in gedichten, vry van sterven,
Volleert, door alle konst van zang en toon vermaart,
In Mnemosyns papier dus eeuwig blyft bewaart
“.

Houbraken somt daarna een reeks dichters op die in “Latynsche en Duitsche vaerzen” Koerten hebben geroemd, teveel om op te noemen. Maar zo stelt hij opvallend:

(…) Gesine Brit, maakte een wonder fraajjen Harderszang ter gedagtenis van deze papiere snykonst. Dit puikgedicht (om den Lezer met alle andere niet te vermoeyen) hebben wy alleen (zoo om dat het uit een Vrouwe pen gevloeit, en op een Vrouw toegepast is, als om dat het de voornaamste stukken van haar Konstwerk bevat) tot ons gebruik gekeurt. Dus laten we het hier volgen”. [8]

Hierna is Brits Koridon, [9-17] die liefst 8 1/2 pagina beslaat, afgedrukt. De kunstwerken van Koerten die in dit gedicht worden genoemd zijn:

– de twaalf keizers
– Frederik III van Brandenburg
– gebroeders Jan en Cornelis de Wit
– stadhouder koning Willem III
– keizer Leopold T
– tsaar Peter de Grote
– predikant Balthasar Bekker
– medicus Galenus Abrahamsz
– Cosimo III
Op de Roomsche Mogentheit (De twaalf keizers) na dus allermaal portretten uit wit papier.

Hierna vermeldt Houbraken dat Joanna op 28 december 2015 is overleden:

De Oly van haar levenslamp allengs door de vlam verteert, hield zy op (…) van langer te schynen. Haar lichaam werd in, maar haar roem, en beeltenis buiten het graf gesloten, daar Katharine Lescaije onder haar print dit byschrift op maakte:
Men eer dit Beeld, wiens geest en Schaar kan wond’ren teelen,
‘t Papier herscheppende in onschatbare kunsttaferelen
.”

Houbraken eindigt het lemma Koerten met de mededeling dat de echtgenoot van Koerten, Adriaan Blok, haar nagedachtenis in ere hield door namen en zinspreuken door “Waereldvorsten” op papier te stellen en de verzen van puikdichters bij een verzameling in het Stamboek op te nemen. Tegenover die gedichten werden dan weer portretten geplaatst. Ook liet hij kunstenaars tekeningen maken die zinspeelden op de genoemde zinspreuken. Hij genoot daarvan: “ ‘t geen hem in zyn ledige uuren tot verlustiging strekt, om haar kennisse van Godsdienst en het pleegen van deugden, daar zy boven al haar konsten in uitstak”.[17-18]

Een lijkdicht in Latijn van David van Hoogstraten (“IN EXCESSUM INDUSTRIAE OPTIMAE MATRONAE JOANNAEE CURTENAE”) volgt daarna met een vermelding daaronder van Koertens portret dat gemaakt is “na ‘t Schildery van D.V. PLAAS”, een gravure van Jakob Houbraken die als plaat N.29 is afgebeeld.[18-19]
Voor de beschouwers van deze prent sluit Houbraken zijn verhaal af met een eigen gedicht:
Graveerkonst maalde door het staal (…) Haar roem, de dood ten spyt, blyft leven”. [20]

    

De ruime aandacht voor Koerten in het kunstenaarslexicon van Arnold Houbraken heeft vaak verbazing gewekt. Was papier (knip)kunst wel serieus als kunstvorm te nemen en was Koerten wel zo’n belangrijk kunstenaar? Soms werd haar werk en nog meer de verering daarvan belachelijk gemaakt.
Een sterk voorbeeld daarvan geeft Plomp in zijn belangrijke publicatie over tekeningen in het Stamboek van Koerten.[ii] In 1986 is in Parijs de tentoonstelling “Les mots dans le dessin” gehouden. Daar was een zinnebeeldige tekening van Frans Mieris II te zien die gemaakt was naar aanleiding van de dood van Koerten in 1715. De spreuk op de sarcofaag in een halfronde nis (in vertaling: “hier ligt het wonder van de Amstel en van het hele universum”), het grote aantal allegorische figuren en de talloze symbolen die naar de onsterfelijke roem van Joanna Koerten verwijzen moet -zo stelt Plomp niet zonder humor- voor de auteur van de Parijse catalogustekst teveel van het goede zijn geweest. Hij zag in de tekening een satire en noemde het blad een “plaisanterie juvénile”. Behalve het satirisch karakter van de allegorie sprak hij ook van een “lachwekkende hoogdravendheid van de Latijnse inscriptie” op de kist. Merkwaardig genoeg beoordeelt Plomp deze gang van zaken als:

Op een zachtzinnige manier, maar niet minder brutaal, is zo ook de in het begin [van zijn artikel] genoemde tekening van Frans van Mieris II voor een modern publiek “makkelijker verkoopbaar” gemaakt. Nu is dat evenwel geheel te goeder trouw gebeurd. juist deze integriteit maakt het des te navranter; terwijl symbolen van tijd, dood en laster vertrapt worden blijkt Joanna Koerten, de “Schaar-Minerve “, twee eeuwen later in onze ogen niet veel meer dan een schertsfiguur te kunnen zijn.”

Ook bont maakt Hendrik J. Horn het in zijn kloeke boeken over de Groote Schouburgh.[iii] Hij zoekt de reden voor de grote belangstelling voor Koerten van Houbraken. Hij zoekt het in de hoge prijzen die haar werk zou hebben opgebracht en niet omdat haar knipkunst een kunstvorm was die critische waardering verdiende. Hij neemt de levensbeschrijving van Koerten (nogmaals) door en concludeert:
This extensive biography with laudatory poems,
looks like so much hollow praise for indiosycratic technique and dubious subject matter. With Koerten, it is at last truly evident that Houbraken did maintain a double standard for men and women. It is true that for him, nothing succeeds like succes. Had any painter been able to command stellar prices and handwritten commendations from princes for pictures of peat bogs or dung heaps, the Great Theatre would probably have welcomed him as well
“. Martha Moffit Peacock stelt daarop terecht dat dit alles te maken heeft met het gebruik van het materiaal papier.[iv] Koerten maakte haar kunstwerken immers, net als in schilder- en beeldhouwkunst, over onderwerpen als religie, historie, portret, landschap, stilleven en genre, daar kon het dus niet aan liggen.
Koerten maakte gebruik van een nieuw materiaal voor kunstwerken: spetterend wit papier en gebruikte daarbij -ook in vergelijking met ander knipwerk in die tijd- een bijzondere techniek en niet te vergeten visuele effecten. Dat dit indruk maakte, in ieder geval binnen een religieuze (vooral doopsgezinden) en cultureel beperkte kring, is daarom niet zo verwonderlijk. Dat we in deze tijd anders tegen knipwerk, en dus ook dat van Koerten, aankijken is duidelijk. Voor veel 20ste eeuwse beschouwers viel Koertens werk tegen, uit veel meer dan knipjes en sneetjes bestond haar werk in hun ogen niet. Daarbij moet wel worden aangetekend dat 2/3 deel van Koertens werk niet meer bekend is. Het ruimtelijk werk ontbreekt bijvoorbeeld geheel, op een bloemenvaas in laag-reliëf na. We kennen het wel uit vermeldingen, maar mogelijk is het niet bewaard gebleven. Nu zijn in meerderheid portretten bekend, die vaak in familieverband (zie de collectie De Flines) zijn doorgegeven. Dat bepaald werk, zoals het kunststuk voor de vrouw van Leopold I zelfs door knipkunstliefhebbers (zonder het overigens gezien te hebben) in deze tijd als “knutselwerk” wordt aangeduid[v] helpt dan natuurlijk ook niet om een historisch wat objectievere beoordeling van Koertens werk te bewerkstelligen. Dan zijn we weer terug bij van Son die zijn artikel “Schaarkunst” begint met de geschiedenis van het fröbelwerk.[vi]

Met name Martha Moffit Peacock heeft door opnieuw en goed kijken gewezen heeft op de bijzonderheid van Koertens werk en aanpak. Dat zij in haar artikel hier en daar doordraaft met de duiding van bepaalde zaken is voor verder onderzoek en discussie alleen maar goed. Koertens aanpak toont zich ook in een bijzondere strategie die zij en haar, nog steeds wat raadselachtige echtgenoot Adriaan Blok zouden hebben gevolgd om geaccepteerd te worden in de wereld van de kunst en cultuur en waar mogelijk zelfs de schilder- en beeldhouwkunst te overtreffen. Moffit Peacock maakt daar ook melding van maar feitelijk volgt zij (zonder in haar artikel overigens een bron te noemen) de in “Elck zijn waaerom”[vii] opgestelde veronderstelling:

Ook vrouwelijke aspirant-professionelen legden zich toe op nieuwe, creatieve technieken, vooral om practische redenen. De schilder- en graveerkunst waren geïnstitutionaliseerd en geregulariseerd, maar door het hanteren van nieuwe methodes en technieken kon een vrouw zich veilig buiten deze potentieel ongewenste regelgeving plaatsen. Dat was onder meer het geval bij juffrouw Rozee (1632-1682) die een techniek op punt stelde voor het schilderen met zijde. Houbraken gaf toe dat hij niet begreep hoe zij haar effecten bereikte; anderen spraken over “behekste” kunst. Haar werken zagen er net uit als schilderijen, en zij kon die, los van de bepalingen en beperkingen van het gildenregelement, aan het publiek aanbieden voor bedragen van soms wel 500 gulden. De knipkunst, hoewel verspreid in amateurskringen, viel evenmin onder het gereguleerde vakmanschap: de knipkunstenares Elisabeth Rijberg (werkzaam tussen 1699 en 1710) kon haar werken vrij op de markt brengen, en ook kreeg zij tot 600 gulden voor een enkele uitbeelding”.

Rybergs meest geduchte concurrent was Johanna Koerten, de “Schaar-Minerve “van Amsterdam. Houbraken vermeldt dat zij tijdens haar jeugd aan borduurwerk, kantwerk, kaligrafie, glas gravure, naaldwerk en aquarelkunst deed alvorens zich toe te leggen op haar lievelingstechniek: de schaarkunst. Koerten lijkt dus een typische amateur. Maar was ze dat werkelijk? Houbraken spreekt vervolgens vol bewondering over de enorme prijzen die haar werk haalde, waarbij de meest in het oog springende 4000 gulden is die de vrouw van de Duitse keizer Leopold I neertelde voor een geraffineerd heraldisch werk. Ze werkte tevens voor andere grote heren van haar tijd, waarschijnlijk tegen vergelijkbare tarieven. Aan de andere kant weigerde ze tweemaal haar afgewerkte stukken te verkopen aan een geïnteresseerde kunsthandelaar: bij haar dood bevonden zich talrijke werken in haar bezit.

Het geval Koerten is kenmerkend voor een strategie die, hoewel in minder uitgesproken mate, door veel creatieve vrouwen werd gehanteerd. Eerst werd een reputatie opgebouwd (in haar geval een niet onaanzienlijke) gebaseerd op amateurswerk dat werd geapprecieerd binnen een beperkt sociaal milieu; door deze reputatie werd in beperkte kring -aanvankelijk bepaald door geboorte en afkomst- uitgebreid tot de echt elitaire en zeer kunstminnende milieus. Het economische aspect van het artistieke bedrijf werd vermomd door de rituelen van het bezoek van hoogwaardigheidsbekleders, het uitwisselen van complimenten en kostbare geschenken het schrijven van overdadige en elegante lofgedichten. We bevinden ons, eens te meer, in een schemerzone tussen amateurisme en professionalisme- winstbejag komt voor, maar is eerder ingebouwd als een neveneffect van het aangeboren talent en de liefde voor de kunst “. (…) Vrouwen die in staat waren de kloof tussen het verheven (vrouwelijk) amateurisme en de practische (mannelijke) ondernemingszin te overbruggen waren in hun tijd vaak het vermaardst. (…)

Maar het ingewikkeldste manoeuvre in de evenwichtsoefening amateur/professioneel is toch wel op rekening te schrijven van Adriaan Block, de echtgenoot van Johanna Koerten. Ter nagedachtenis van zijn overleden echtgenote (of misschien, minder altruïstisch, munt uit haar faam te slaan verzamelde hij een aantal albums van haar werk. De hoofdmoot werd ingenomen door niet verkochte knipwerken die zijn voor zichzelf had gemaakt. Verder bevatten de albums autografen van mannelijke en vrouwelijke hoogwaardigheidsbekleders die haar waren komen op zoeken, en lofdichten die aan haar waren opgedragen. Vertrekken van deze originele teksten vol lof vroeg Block aan een aantal kunstenaars, onder wie verschillende getalenteerde vrouwen, gedichten en allegorische tekeningen ter ere van zijn vrouw te maken. Vervolgens werden getekende portretten in opdracht gegeven: van bekende bezoekers, van dichters van de allegorische tekenaars, en van zijn overleden vrouw. Slechts een portret bevatte twee personages: Koerten in het gezelschap van Anna Maria van Schurman, haar veel oudere echtgenote, die model stond voor haar eigen roem. Koereten die haar werken voor grote sommen had weten te verkopen, werd aldus na haar dood geheel opgenomen in de wereld van het dilettantisme in de meest zuivere zin. De albums, die daarbij een grote rol speelden, bevatten werken besteld bij professionelen en bijdragen van opdrachtgevers en amateurs. Zoals Koertens werken zelf waren de albums artefacten die zich situeerden op een kruispunt van sferen, die op elkaar inwerkten en samen bijdroegen tot de unieke faam van een vrouw“.

Bij deze veronderstelling zijn zeker de nodige kanttekeningen te plaatsen maar in grote lijnen is zo de faam van Koerten wat beter te begrijpen.
Er was in het geval van Koerten dus zeer sprake van een (geplande?) hype, die door haar echtgenoot na haar dood nog voortvarend werd voortgezet. Maar bij dat alles moeten wel bedacht worden dat er om die hype te veroorzaken er wel met iets bijzonders gekomen moest worden, namelijk een bijzonder materiaal en bijzondere technieken. Dat lukt Joanna met haar enorme vaardigheid en geduld en de steun van Adriaan en dat was iets dat door velen werd gezien en werd gewaardeerd. Voeg daarbij nog dat zij uit de zelfde religieuze kringen als Houbraken kwam en het voorbeeld was van een deugdzame vrouw[viii], iets wat Houbraken, zeer op prijs stelde, dan is goed te begrijpen dat hij Joanna Koerten zo’n prominente plaats in zijn kunstenaarslexicon toekende.

Noten
[i] A. Houbraken, De Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, Amsterdam, 1718-1721, dl.III, p.293-308.
[ii] Michiel Plomp, “De portretten uit het Stamboek voor Joanna Koerten (1650-17 15)”, Leids Kunsthistorisch Jaarboek, nr.8 (1990), p.323.
[iii] H.J. Horn, The golden age revisited. Arnold Houbraken’s great theatre of Netherlandish painters and paintresses, Doornspijk 2000, p.603-606.
[iv] Martha Moffit Peacock, “Paper as power. Carving a niche for the female artist in the work of Joanna Koerten”, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek, vol.62, 2012, Leiden/Boston 2013, p.238-265.
[v] Joke en Jan Peter Verhave, “Joanna Koerten en haar Schaar van bewonderaars. Ter gelegenheid van haar 300 sterfjaar”. Doopsgezinde Bijdragen, 42 (2015), p.163 (“een geknutselde versiering”).
[vi] C. van Son, “Schaarkunst”, Elsevier Geillustreerd Maandschrift jrg.20 (1910), p.206 e.v.
[vii] Elisabeth Honig, “Artistieke vrouwen in de Noordelijke Nederlanden in de vroegmoderne tijd”, in: Katlijne van der Stichelen en Mirjam Westen, Eick zijn waerom (…), Antwerpen/Arnhem 2000, p.48-49.
[viii] Erna E.Kok, “Netwerken in de Gouden Eeuw”, in: Netwerkende kunstenaars in de Gouden Eeuw (…), Hilversum 2016, p. 11-37.

Afbeeldingen 1,2,3 Rijksmuseum

   

Gezine Brit en haar koridon, de KoertenKoerier 5

Bij de lofdichten op Koerten en haar werk komen vier bijdragen voor van de dichteres Gesine Brit. Het zijn “Eenige kunsttrekken, toegepast op juffrou Joanna Koerten, door den vermaarden schryfmeester J.Gadelle” en twee vertalingen van Latijnse lofzangen door H.Verrijn en M.Crellius. Maar veruit haar belangrijkste gedicht is de herderszang “Koridon” dat bekend is geworden door de opname van het volledige gedicht in de kunstenaarslexica van Houbraken en Weyerman.(1) De herderszang was in die tijd een geliefde dichtvorm. In de lofdichten voor Koerten komen ook andere herderszangen voor geschreven door Hermanus van den Burg, Gerard Oudhof en Pieter Visscher.
In “Koridon”, geschreven in 1699, vergelijkt Brit het effect van de lente op de natuur met de wijze waarop Koerten levenloos papier tot leven wist te wekken, en doet dat op zo’n wijze dat ook de lezers een levensecht beeld van Koertens werk krijgen. De belangrijkste papierwerken van Koerten passeren in het gedicht de revue.

Gesine Brit (1669?-1747)(3) groeide op in Blokzijl. In 1682 verhuisde het gezin (met vader Marten Hendriks Brit en Baartje Roelofs) naar Amsterdam. Men werd daar op genomen in de doopsgezinde bij ‘t Lam en de Tooren. Gesine werd aan het einde van de 17de eeuw bekend door haar medewerking (als “geen ongeoefende liefhebberes van de dicht-konst”) aan de heruitgave van “Uyterste wille van een moeder aan haar toekomend kind” (1699) van Elisabeth Jocelin, versierd met emblemata van Jan Luyken. Haar faam in eigen kring zal zij waarschijnlijk hebben opgebouwd door (anonieme) medewerking aan doopsgezinde liedbundels Veelvuldige oefening daarin -zo stelt W.R.D. van Oostrum- kan een verklaring zijn voor Brits soepele manier van dichten, terwijl ze ook met kennis van zaken gebeurtenissen en personen verwerkt uit de Bijbel, de klassieke oudheid en de eigen vaderlandse historie.

Het meest bekend is Gesine echter geworden door haar gedichten voor Arnold Houbrakens emblematische bundel “Stichtelyke zinnebeelden”, uitgekomen in 1723.(4) Het gaat om tienregelige gedichten bij 57 prenten van Houbraken. Houbraken had Brit gevraagd het werk van de jonggestorven dichter Jakob Zeeus (1686-1718) over te nemen die dit helaas niet meer kon uitvoeren.

Zij had niet alleen snel gewerkt, maar had, zo schrijft Houbraken in zijn kort voor zijn dood geschreven voorbericht vier extra gedichten toegevoegd. Gesine werd niet alleen bewonderd door Arnold Houbraken. Ook Abraham Bogaert (1653?-1727) prees Brits “verheve zangen” en David van Hoogstraten (1658-1724) schreef een gedicht over haar dat mogelijk van toepassing is op haar geschilderde portret door de toen bekende portrettist Arnold Boonen (1669-1729):

Geen ijd’le zanggodin verwekt een heten gloed
In d’adren van Gezine, als zy voor leerzame oren
haar zang, daar engelen naar luisteren, laat horen;
Maar hem hemels Pinkstervuur beheerst haar kuis gemoed
En spreidt een helder licht en levendige stralen.
Dat weet geen schildergeest door zyn penseel te malen
“.

De inhoud van Brits dichtwerk is bijbels-zedelijk. Ze ging zowel om met Hermanus Schijn (1662-1727) van de rechtzinnige Amsterdamse doopgemeente De Zon, maar ook met Adriaan Spinneker die tot het vrijere ‘t Lam en de Tooren behoorde. Dat ze bij haar selectie van Koertens knipwerken ook dat van de moord op de gebroeders de Witt en van de beruchte “verlichte” dominee Bathasar Bekker en zijn strijd tegen bij geloof en hekserij uitkoos lijkt illustratief voor haar relatief onafhankelijke positie in religieuze kring. En voor Koerten moet daaraan worden toegevoegd, want zijn maakte niet alleen die papieren kunstwerken, maar haar werk was een interessante mix van allerlei religieuze en niet religieuze onderwerpen.

Noten

  1. Alle gedichten zijn opgenomen in de Lofdichtenversies van 1735 en 1736.
  2. M.A. Schenkeveld-van der Dussen, “Poezie als gebruiksartikel: gelegenheidsgedichten in de zeventiende eeuw”, p.75 e.v. (dbnl.org/tekst/sche3 8poezo 1); Vergilius, Bucolica Herderszangen (2003), “Tussen hoog en laag: twee eeuwen Nederlandse lyriek”, p.201 e.v.
  3. W.R.D. van Oostrum, Brit, Gesine (1669?-1747) in Vrouwenlexicon (resources. huygens.knaw.nl ) en Els Kloek (red.), 1001 Vrouwen (…), nr.410.
  4. Arnold Houbraken, Stichtelyke zinnebeelden. Gepast op deugden en ondeugden, in LVII tafereelen vertoont. Amsterdam 1723. (dbnl.org/tekst/hou005stick01). Zie ook: Riet Schenkeveld-van der Dussen (hoofred.), Met en zonder lauwerkrans. Schrijvende vrouwen uit de vroegmoderne tijd 1550-1850 (…), Amsterdam 1997, p.404-407.

    Afbeeldingen van Wiki Commons en Rijksstudio.
    Door Henk van Ark, dit artikel verscheen eerder in de Koertenkoerier, najaar 2018.
    Uitgave van Stichting W.Tj. Lever.

Joanna Koerten en Anna Maria van Schurman, de KoertenKoerier 5

Arnold Houbraken vermeldt in zijn “Groote Schouburgh” 24 kunstenaressen, van wie tien onder hun eigen naam in het register te vinden zijn. Daarbij zijn Joanna Koerten en Anna Maria van Schurman.[i]
Zijn zoon, Jacob Houbraken maakte in rood krijt een tekening van Joanna Koerten en Anna Maria van Schurman. [1] Die bevindt zich in een particuliere collectie. Het tweetal is afgebeeld met attributen die bij hen horen: een schaartje, schilderspalet, boeken en een papieren rol. Alles wijst op hun creatieve bezigheden en geleerde activiteiten. De tekening zal zeker hebben behoord tot het Stamboek van Koerten, maar wordt niet vermeld in de Testas catalogus. Dat is overigens met nog meer tekeningen het geval.[ii] Gesuggereerd is dat deze tekening een voorstudie zou zijn geweest voor een dubbelportret bedoeld voor Houbrakens Groote Schouburgh.[iii] Daar is het dan niet van gekomen want daarin wordt het portret van Anna Maria gecombineerd met de portretten van twee schilders.

Zij is op dit drieportret afgebeeld met de uil, symbool van geleerdheid en wijsheid, als attribuut. Zo werd zij vooral in haar tijd ook gezien, al maakt Houbraken zeker gewag van haar artistieke kwaliteiten, pas in de 19de eeuw werd de nadruk vooral ook gelegd op haar veelzijdigheid als beoefenares van de schone kunsten, de taalkunde, de dichtkunst en de wetenschappen. Haar creatieve talent blijkt uit de verschillende zelfportretten die zij in diverse technieken heeft uitgevoerd.

 

          

Koerten kreeg in de Groote Schouburgh van Houbraken echter, tot verbazing van velen, een zelfstandig portret met het nodige bijwerk.
Van Anna Maria zelf wordt wel in de Testas catalogus een tekening vermeld. Onder nummer 14 van Konst-Boek, Letter B is te lezen:

“Een Schotel met diverse Vrugten, met Oost-Indische Inkt uitvoerig getekent door Anna Maria Schurman“.

Verondersteld is dat deze tekening in het bezit zou zijn gekomen toen Van Schurman met de Labadisten, een religieuze stroming waarvan zij toen al deel uit maakte, rond 1670 in Amsterdam was. Koerten zou toen zelfs al een album amicorum hebben gehad waarvoor dit kunstwerk bedoeld was.[iv] Om meerdere redenen is dit erg onwaarschijnlijk, maar hier stuiten we op het probleem dat we zeer weinig tot niets weten over Koertens creatieve periode voor 1691. Het is slechts bekend dat zij op jeugdige leeftijd al diverse creatieve werkzaamheden verrichtte en zich bekwaamde in met name de schilderkunst en het papierknippen.
Er kunnen natuurlijk ook nog andere mogelijkheden zijn waardoor deze tekening in bezit van Koerten is gekomen en zo tot het Stamboek is gaan behoren. Allereerst is daar het contact met Maria Sibylla Merian die eveneens tot de Labadisten behoorde en ook enige tijd in Wieuwerd, waar Schurman uiteindelijk in 1678 is overleden, verbleef. Dat was overigens wel enige jaren nadat Schurman was overleden en Merian vertrok uit de Labadistenkolonie in 1695 naar Amsterdam. Via haar zou de tekening bij Koerten terecht kunnen zijn gekomen.[v] Een andere mogelijkheid is dat Adriaan Blok dit kunstwerk heeft aangekocht om de eenvoudige reden dat hij de vergelijking van zijn vrouw met de erkend geleerde Van Schurman zeer op prijs stelde.

Algemeen is gedacht dat de in de Testas catalogus vermelde tekening van het fruitstilleven dezelfde is als het stilleven van Anna Maria van Schurman in de collectie van de Fondation Custodia in Parijs. In techniek wijkt die wel af van de in de catalogus opgenomen beschrijving. Daarin wordt beschreven dat die is uitgevoerd in Oost-Indische inkt, terwijl het Parijse kunstwerkje is gemaakt in potlood. Opmerkelijk, omdat de Testas catalogus wat techniekbeschrijvingen betreft anders behoorlijk betrouwbaar is.

Gesteld dat het hierbij toch gaat om dezelfde tekening, dan is die in de loop der jaren goed te volgen. Van der Stighelen geeft in haar boek daarvan een heldere opsomming vanaf een veiling in 1765.[vi]

Een fruitstilleven komt niet veel voor in het nu nog bekende werk van Van Schurman. Uit vermeldingen is nog een tweede “fruitagie” bekend, maar we weten natuurlijk niet wat zoal in de loop der tijd verloren is gegaan. Dat dit de tekening is uit het Stamboek is in ieder geval onwaarschijnlijk. Dit stilleven, dat we alleen uit vermeldingen kennen, is afkomstig uit de in boedel van Dirck Alewijn (1571-1637) en wordt in de inventaris van 1637 beschreven als “Een fruijtagie getekent door Anna Maria Schuijrmans”. Later kwam zijn neef Frederick Alewijn (1603-1665) in bezit van dit kunstwerk, dat gemaakt was door zijn tante Anna Maria.[vii]

Noten
[i] Esther Tobe, “Parels en Penseelprinsessen, Kunstenaressen in drie lexica (1550-1800)”, in: Katlijne van der Stighelen/Mirjam Westen, Elk zijn waerom (…), p.60 en noot 7.
[ii] M. Plomp, “De portretten uit het Stamboek voor Joanna Koerten (1650-1715)”, Leids Kunsthistorisch Jaarboek, 8 (1990), noot 20.
[iii] C. Catharina van de Grafi, “Papieren knipwerk”, Historia, 2 (1946), p. 147-148.
[iv] Katlijne van der Stighelen, Anna Maria van Schurman (1607-1678)(…), Leuven 1987, p.226 en p.276 (11.5.16). Overgenomen door C. Boogaard, De Schaar-Minerva Johanna Koerten (1650-1715) en de waardering voor “de papieren snykonst“, Utrecht 1989 (scriptie), p.26.
[v] Henk van Ark, “Maria Sibylla Merian”, De KoertenKoerier, 1 (2017), [p.3-9].
[vi] Katlijne van der Stighelen (1987), o.c., p.276 (II.5.16).
[vii] Van der Stighelen (1987), o.c., p.278 (II.A.1), gebaseerd op: E.W. Moes, “De inventaris van den inboedel nagelaten door Dirck Alewijn”, Jaarboek Amstelodamum, 9 (1911) p. 42 en J.H. Scholten, “Dertig jaar Zes-onderzoek in Nederland”, Jaarboek Amstelodamum, 41(1947), p. 105.

Afbeeldingen van Wiki Commons en Rijksstudio.
Door Henk van Ark, dit artikel verscheen eerder in de Koertenkoerier, najaar 2018.
Uitgave van Stichting W.Tj. Lever.