Auteursarchief: admin

Versnel-Stolp, Antje

Anny Versnel Assendelft 25 april 1932 – 9 september 2018 Enkhuizen

Anny was al lang voor de oprichting van de Vereniging aan het knippen en ze gaf er cursussen in. Ze was actief in de knipkring Enkhuizen. Voor velen maakte ze een gelegenheidsknipwerk. De randmotieven waren haar sterke punt.

Literatuur

Voorink-Overweg, Thekla Marie

Thekla Voorink, Winterswijk 19 augustus 1920 – 2 maart 2003 Winterswijk

Als kunstzinnig meisje begon Thekla Overweg aan de kunstacademie, maar het werd oorlog en de opleiding kon ze niet afmaken. Wel trouwde ze in die tijd. Ze werd actief in allerlei maatschappelijke projecten. Bij de oprichting van de Vereniging sloot ze zich meteen aan; het knippen hoefde ze niet te leren. Vanuit Winterswijk sloot ze zich aan bij de knipkring Arnhem en liet zich inspireren door wat anderen maakten. Haar werk was meestal uit zwart papier, soms, gekleurd, maar niet symmetrisch. Ze heeft vaak haar werk tentoon kunnen stellen.

Thekla is de dochter van Johan Frederik Overweg en Therèse Hendrika Elisabeth ter Weeme. Ze heeft twee oudere boers, waarvan de oudste slechts 23 jaar wordt. Ze trouwt in 1942 met tandarts Coendert Jan Voorink.

Literatuur

 

 

Ko Doncker in Groningen in 1917, Papyria 8


Beeldend kunstenaar, vormgever en schimmenschuiver Ger Boonstra (1943-2012) verraste ons in 1995 met een mooie schenking: zijn reconstructie van het schimmenspel “Rookt nooit te vroeg” [1]. Deze reconstructie. van een spel, dat werd ontworpen door Ko Doncker (1874- 1917), kenden we al uit het boek van Hetty Paërl [2] en we waren dus verheugd dat we dit spel in onze collectie konden opnemen en in het museum in Schoonhoven konden tonen. Maar er was meer. In het silhouetten- en schimmennummer van onze Nieuwsbrief, kort ervoor uitgekomen, besteedden we aandacht aan een serie van acht kaarten die we kort daarvoor hadden kunnen verwerven [3]. Deze kaarten behoorden tot een serie die werd uitgegeven door de firma Salm uit Haarlem bij kistjes sigaren. Ko Doncker, de bedenker van het schimmenspel, was indertijd in Haarlem en omgeving een bekende figuur.

 

 

 

Hij was een van de eerste striptekenaars van ons land, introduceerde hier de limerick, bedacht bijzondere reclamecampagnes (zoals Piet Pelle en zijn Gazelle) en stond aan de basis van het moderne Nederlandse schimmenspel. Kees de Raadt stelde in 1994 een mooi overzicht van zijn leven en werk op papier en in het Historisch Museum Zuid-Kennemerland was van 23 september 1994 t/m 11januari 1995 een kleine tentoonstelling over zijn veelzijdige werk te bekijken. Het was de eerste wisselexpositie van dit, toen nieuwe, museum.

 

  

De Raadt is er in geslaagd Donckers schimmenactiviteiten uitvoerig te belichten (afb 3-5). Hij beschrijft hoe Ko Doncker en zijn vriend Herman Kruyder ter viering van het negentigjarige bestaan van kunstenaarsvereniging “Kunst zij ons doel” een schimmenspel over de schilderkunst hebben vervaardigd. Dat werd voor het eerst opgevoerd in de Waag op 22 december 1911 en wegens succes later in besloten kring voor een groot publiek opgevoerd. Om dat te realiseren werd om gemeentelijke belastingen te ontwijken de Haarlemse vereniging “Het Schimmenspel” opgericht. Om een avondvullend programma te krijgen breidde Doncker het schimmenspel uit met de geschiedenis van Lohengrin en later een toegift over de toen spelende “Halsenkwestie”.
De Raadt stelt dat door het schimmenspel een nieuwe fase in het leven van Ko Doncker begon. Door het schimmenschuiven (een woord dat hij bedacht) werd hij ook buiten Haarlem bekend. In het begin op bruiloften en partijen, maar al snel kon een groter publiek worden bereikt. Voor de “Nederlandsche Amateur Fotografische Vereniging” voerde hij op een feestavond, georganiseerd voor de 27ste jaarlijkse vergadering van de “Photography Convention of the United Kingdom” in Nederland het schimmenspel “Photography throughout the ages” een “Bursleque Fantastic Shadow Show in ten tableaux” op. Bij het 25-jarig jubileum van de NAFV in oktober 1912 werd dit spel wegens doorslaand succes door Doncker nogmaals opgevoerd. Het ging hier nog steeds om besloten voorstellingen, maar tijdens het badseizoen 1912 vond zijn eerste openbare optreden (met het spel over de schilderkunst) plaats in de kleine zaal van hotel “Groot Badhuis” in Zandvoort. Doncker bedacht na de geschiedenis van de schilderkunst en de fotografie een schimmenspel over de liefde dat in november 1912, na een voorbereiding van slechts twee maanden, in de foyer van “Schouwburg De Kroon” in Haarlem in première ging. Er volgden daarna succesvolle voorstellingen in Amsterdam en Rotterdam.

Donckers schimmen waren op “ware” grootte uit bruin karton gesneden, door middel van steun- en klemlatten gaf hij deze kartonnen poppen extra stevigheid. Voor het vervoer had hij grote platte transportkisten ontworpen, want het ging hier om contactschimmen die direct langs het scherm werden geschoven, dit in tegenstelling tot projectieschimmen die veel kleiner van formaat zijn. De samenstelling van de groep waarmee Doncker zijn spelen opvoerde veranderde mde loop der tijd. In het beginwaren het zijn kunstbroeders Kruyder, Boot, Bronner, Kamp en Miolée. Beeldend kunstenaar Herman Kruyder (1881-1935)[5] was in de beginfase van het schimmenspel in Haarlem sterk betrokken bij het werk van Ko Doncker. Hij was mede-oprichter van de vereniging “Het Schimmenspel” en maakte waarschijnlijk het grootste deel van de gesneden schimmen voor het spel “de schilderkunst”. Maar Kruyder richtte zich daarna vooral op zijn carrière als schilder en docent en hield zijn eerste tentoonstellingen, van schimmenspelen kwam niets meer en Doncker ging -met assistenten voor de opvoeringen- alleen verder. Zijn populariteit met het schimmenspel nam sterk toe en Ko werd uitgenodigd tot het geven van uitvoeringen ver buiten Haarlem. Zo leverde hij een bijdrage aan de scheepvaartexpositie ‘ENTOS” en “De vrouw 1813-1913”, beide in 1913 [6]. In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit en ten gevolge van de mobilisatie waren in en rond Haarlem vele militairen geleverd. Om deze soldaten te vermaken zorgde een speciale commissie voor feestavonden, waarop Ko Doncker en andere artiesten optraden.

Voor Doncker en zijn schimmenspelen werd 1915 een bijzonder jaar. Koos Speenhoff vierde zijn koperen artiestenjubileum en Ko vertelde met schimmen in de Grote Schouwburg in Rotterdam in fijne silhouetten van Speenhoff’s werk. Na Rotterdam liet Speenhoff zich in diverse andere steden huldigen, waaronder Haarlem. Ook hier trad Doncker weer op en na deze jubileumtournee trad Ko regelmatig op met Speenhoff waarbij hij onder de titel “Het lied in schaduwen” met zijn schimmen de liedjes van de troubadour verbeeldde. In 1915 volgde nog een tweede tournee. In de “Panorama” van 30 augustus werd een wervend artikel over Doncker’s schimmenspelen geplaatst en met de uitgever van dit blad (Sijthoff in Leiden) had Ko een overeenkomst gesloten om met zijn schimmenspel “De liefde door alle tijden” door het land te reizen. In het najaar bezocht hij Leiden, Dordrecht, Haarlem, Utrecht en andere plaatsen. Door deze tournees nam de bekendheid van Ko toe onder andere door amusement als cabaret en intieme kunstavonden. En hij werkte samen met bekende artiesten als Speenhoff en Jean-Louis Pisuisse. Doncker werd gezien als iemand die met zijn werk de traditie van het cabaret-artistique “Le Chat Noir” uit Parijs, mede verantwoordelijk voor de opleving van het artistieke schimmenspel aan het einde van de 19de eeuw, voortzette. De Raadt merkt op dat Ko mogelijk werd geïnspireerd door wajangpoppen in eigen bezit die hem op het idee kunnen hebben gebracht voor de feestavond van “Kunst zij ons doel “in 1911 iets aardigs te bedenken, dat tevens niet zo duur was.

 

Voor zijn tijd als schimmenspeler was Ko Doncker onder andere reclametekenaar en ontwerper van reclame-strips. In 1917 kreeg hij de kans reclame en schimmenspel te koppelen. Hij kreeg een interessante opdracht van Salm’s Sigarenfabriek in Haarlem [6]. De firma Salm was begin 1917 ruilplaatjes bij haar producten gaan verpakken. In overleg met Doncker werd een schimmenspel ontworpen dat op plaatjes werd afgedrukt.

 

 

Natuurlijk was het de bedoeling de verkoop van sigaren te bevorderen, kinderen zouden met hun verzamelwoede hun vaders moeten stimuleren sigaren van Salm te kopen. Maar, het was een “paedagogisch schimmenspel”, wat inhield dat de kinderen hierdoor werden gewaarschuwd tegen de gevaren van het roken, althans op jeugdige leeftijd. Hij noemde dit spel “Rookt nooit te vroeg!”. In ieder kistje van 100 sigaren bevonden zich twee plaatjes, in een kistje van 50 één prentje. Er waren 29 prentjes. De nummers 1 t/m 27 waren afbeeldingen met figuren, nummer 28 was het scherm en nummer 29 een handleiding in versvorm. Ruilen was mogelijk, men kon dubbele exemplaren naar Salm toesturen en ontving dan ontbrekende exemplaren retour. De hoofdpersoon van het spel was Jantje van der Plas die zoveel rookte dat hij op school versuft de lessen volgde en als domkop door het leven ging. Op de kaarten zorgde Ko voor pakkende onderschriften. Voor de kleinsten was er een album om ze in te plakken, het was zo een paedagogisch prentenboek. Schimmenspel “Rookt nooit te vroeg!” was een succes. Daarom liet de sigarenfabrikant de figuren vergroten tot poppen van ruim 60 centimeter hoog. Deze poppen, voorzien van een slangetje, konden “echt” roken, een effect dat destijds ook in de “Chat Noir” werd toegepast.

Het plan was met dit schimmenspel in het land op te treden, de opbrengst zou ten goede komen aan een goed doel. Maar helaas is het spel, door de onverwachte dood van Ko Doncker in april 1917, waarschijnlijk slechts eenmaal opgevoerd. Dat was in maart in 1917 in Groningen. En inderdaad vonden we in het Nieuwsblad van het Noorden aankondigingen, in de vorm van advertenties, van dit optreden en een zeer korte recensie. De eerste advertentie vonden we in de krant van 21 maart. Onder het Salm logo (SchimmenlPel/igaren, met als achtergrond een sigaarrokende figuur) is de tekst:
“Hij zeide zonder complimenten/Ik rook alleen voor mijn eigen centen “. Daaronder: “Twee Schimmenspel-Voorstellingen/te GRONINGEN//In de Bovenzaal van “De Harmonie/Aanvang 2 en 31/2 uur.//Entree f0,50 plus 5pct.sted.bel. p.p.

  1. (op verzoek) Rookt nooit te vroeg.
  2. Vischpartij naar de Lauwers.
  3. Rijtoer van H.M. de Koningin en H.K.H. Prinses Juliana.

Wat het “Nieuwsblad van het Noorden“ zegt: “Het schimmenspel met versjes is van opvoedende kracht, en als zoodanig te waarderen “. “De kinderen hebben veel schik gehad in de vertooning en zongen de verschillende liedjes uit volle borst mede“.
Kaarten dagelijks verkrijgbaar b.o. Sigarenmagazijnen en op het Administratiekantoor der Harmonie
“.
Eronder worden vijftien sigarenwinkels opgesomd waar de kaarten verkrijgbaar waren. De vertoning (tweemaal dus) vond op zaterdag plaats, in de krant van maandag (26 maart 1917) is een korte recensie opgenomen:
“Zaterdagmiddag werden in de bovenzaal der “Harmonie” de avonturen van een jongetje dat te vroeg rookte, de vischpartij op de Lauwers en een rijtoer van H.M. de Koningin met Salm ‘s Schimmenspel vertoond. Met belangstelling werd een en ander door de jeugdige bezoekers, die klein in aantal waren, gevolgd. Was de entrée f 0,50 voor zulk een voorstelling ook niet wat te hoog?”

Zijn onverwachte dood (in bronnen is er sprake van een hartaanval, maar ook van een verwaarloosde nierziekte) maakte een eind aan de werkzaamheden van deze talentvolle schimmenschuiver. Otto van Tussenbroek, die op dit gebied goed was ingevoerd, vermeldde al in 1925 [7] over hem: “Hij was…een groot kind. Aldus was het alsof hij met zijn kartonnen poppen “speelde” en daarin zijn grootste geluk en ontspanning vond. De meest bekende stukken die hij gemaakt heeft en in Haarlem en later ook in andere steden van ons land vertoonde zijn wel “De liefde door alle tijden “; “De geschiedenis der schilderkunst” en “De geschiedenis der kritiek”. Hij haalde alles erbij, gansch de wereldhistorie van af den eersten tot de laatsten mensch op aarde, Samson en Dalila, Jozef en Potifar, de Koningin van Saba en Koning Salomo; het beleg van Troje en den Sabijnschen maagdenroof, ja wat al niet en het was altijd weer in woord en beeld den passende muziek, een volkomen, vlot loopend en vloeiend geheel. Dat was de groote deugd! Het was alles zoo ongeposeerd en zoo echt en terwijl Doncker dan met zijn geestigen zeggingstrant de door hem gemaakte gedichten voordroeg en tegelijkertijd de voorstelling leidde, waren twee van zijn helpers bezig met de schimmen, welke zij langs het fel verlichte witte doek voortbewogen, terwijl de anderen musiceerden. Het orkest bestond in Doncker ‘s “bloeitijd” uit piano, guitaar, viool, fluit, trom en bekkens. Alles paste als een bus/(…)
Na hem zijn vele anderen gekomen, geen heeft hem overtroffen! Dat ligt in de hoofdzaak hierin dat Doncker zelf den tekst verzorgde en aldus ontstond er een onverbrekelijk verband tusschen het te vertoonen stuk en het gedicht en de te snijden schimmen.”

Door Henk van Ark

Noten
afkortingen
– Nieuwsbrief Nieuwsbrief Stichting W. Tj.Lever en het Nederlands Museum van Knipkunst.
– De Raadt, Kees de Raadt, Ko Doncker 1874-1917. Tekenaar-schrijver-schimmenschuiver, (Haarlemse Verkenningen no.12), Haarlem 1994.

  1. Henk van Ark, “Nieuwe aanwinsten”, Nieuwsbrief8, nr. 2 (juni 1995), [p. 5-6]
  2. Hetty Paërl, Schimmenspel en het spelen met schaduwen, Amsterdam 1979, p. 72.
  3. Henk van Ark, “Een schimmenspel van Ko Doncker”, Nieuwsbrief8, nummer 1 (maart 1995), [p. 17-21]
  4. De Raadt, p. 59-69.
  5. Ton Geerts, Gedroomd papier. Tekeningen en prenten 1850-1935, Enschede 2010; Carel Blotkamp, Herman Kruyder. In en buiten het Paradijs, Enschede 2007, p. 18.
  6. De Raadt, p.75-76.
  7. Otto van Tussenbroek, De toegepaste kunsten in Nederland, Rotterdam 1925 (2e druk Schiedam 1979), p. 26-28.

Firet-Hageraats, Ans

Ans Firet-Hageraats, 1922 – 2008 Oosterbeek

Ans was een alom gewaardeerd knipster in de kringen van Oosterbeek-Heteren en Ede-Bennekom. Ze woonde in door haar man Joop zelf gebouwde Boshuis in Oosterbeek.Ze is van 1983 tot en met 1985 secretaris van het eerste bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst (opgericht in 1983).

Ans Firet voor Ed ten Berge

Velsen, Jo van

Jo van Velsen, 1914 – 2007

Jo leerde het knippen uit het boekje Leer knippende zien van Irma Kerp (1970). Twee jaar later knipte ze onderstaand boeket. Als een van de volgers van Kerp exposeerde ze op de tentoonstelling in ’t Spant te Bussum, 1982 en werd een enthousiast lid van de Vereniging. Ze demonstreerde veel, en opvallend, ze knipte met haar linkerhand! Haar werk is vaak gevat in ronde of rechthoekige figuren, met bloemen (kleedjes, hartenbrieven). Bloemen verbeeldde ze later veel gedetailleerder. Met kerst knipte ze sterren. Voorbeeldfiguren inspireerden haar (sint Franciscus, Sint Hubertus); niet voor niets koos ze die, want ze was een actief natuurgenieter en wandelaar. Na haar pensionering als voorlichtster voor huishoud- en gezinszaken, later ook in radioprogramma’s, werd schilderen haar zoveelste liefhebberij. Verwondering was haar trefwoord.

Literatuur

 

Met de eerste compagnie op mobilisatie: Schimmen van Acket, Papyria 8

Ter gelegenheid van Monumentendag 2008 heeft de gemeente Den Helder een informatief boekje met als titel Het Leven in en om de Stelling van Den Helder uitgegeven [1]. De keuze voor zo’n uitgave wordt als volgt verantwoord: “Den Helder heeft een rijke militaire geschiedenis. De oude rijkswerf, de forten, de bunkers, de liniedijk en de grachten getuigen daarvan. Omdat ze zo bijzonder zijn, hebben ze monumentale waarde. Wat we ons vaak niet realiseren is dat deze verdedigingswerken onderdak en bescherming hebben geboden aan duizenden militairen. Wat voor sporen hebben die bewoners nagelaten. Aan de hand van beschrijvingen, herinneringen, brieven, dagboeken, foto ‘s en illustraties probeert dit boekje het leven in en om de Stelling van Den Helder in beeld te brengen, daarmee inhakend op het thema van Open Monumentendag 2008: Sporen. Zo kunnen we door de ogen van gewone mensen zoals jij en ik terugkijken in de geschiedenis“.

Een creatieve invulling van het Open Monumentendag thema en het moet gezegd dat het de redactie is gelukt prachtige persoonlijke verhalen op te tekenen en leesbaar te maken met korte teksten en goede illustraties. Voor ons was interessant het verhaal over het jaar 1915: ‘Reserveluitenant mr. J.B.Bomans (29) en de stenensjouwers’. Een verhaal over de mobilisatietijd die liefst vier jaar duurde: “Voor de militairen in Den Helder was dat een eindeloze tijd van wachten, wachten en een schimmenspel dat in 1915 ter gelegenheid van de Sinterklaasviering werd opgevoerd. In deze tekst op rijm wordt de draak gestoken met allerlei activiteiten die in silhouetten op een wit laken werden uitgebeeld.” Na deze introductie volgt een deel van de tekst van het schimmenspel, dat wij hierna in de oorspronkelijke vormgeving laten volgen.

“Die Bomans in dit schimmenspel is de vader van de schrijver Godfried Bomans. Mr. J. B. Bomans, advocaat in Haarlem en vader van vijf kinderen diende tijdens de mobilisatie als reserveluitenant bij de kustbewaking in Huisduinen ‘zandgraverijen en kipkarren ‘ zoals hij het zelf noemde”.

Voor het schimmenspel wordt in het boekje verwezen naar de uitgave Met de Eerste Compagnie op Mobilisatie: schimmenspel van C.J.M. Acket, woorden van J.B.S. Ook is een afbeelding uit het schimmenspel opgenomen met als bijschrift: “Stenen sjouwen bij zee. Een beeld uit het schimmenspel dat militairen ter van de Sinterklaasviering 1915 op het Galgenveld opvoeren (illustratie C.J.M. Acket) “.

  

Dit vrij zeldzame boekje was ons niet onbekend. Een exemplaar ervan is door de aankoop in 1988 is onze collectie/bibliotheek terechtgekomen en we schreven er al over in het speciale silhouetten- en schimmennummer van onze Nieuwsbrief (1995) [2]. Toen was er nog maar weinig over deze uitgave bekend, verder onderzoek heeft inmiddels veel meer naar voren gebracht. Met de Eerste Compagnie op Mobilisatie blijkt de eerste versie van deze soldatenklucht. Het is volgens de omslag een “Herinnering aan het St. Nicolaasfeest 1915 op het Galgenveld bij Huisduinen”. Deze uitgave lijkt dus inderdaad te zijn uitgebracht als een herinnering aan een feestelijk gebeuren, bedoeld voor de deelnemers en eventuele aanhang. Mogelijk in eigen beheer. Boven de titel staat: “Het Schimmenspel” van Acket, eronder “woorden van J.B.S.”. Maar er bestaat ook een tweede versie van dit boekje. We zien die afgebeeld op de website CUBRA (Cultureel Brabant). Niet alleen de omslag, maar ook de gehele inhoud met tekst en afbeeldingen. De uitgave heeft een andere titel gekregen: Mobilisatie-Herinneringen van een Landweerman in 1916 uitgegeven door H.J.W. Becht in Amsterdam. Een commerciële uitgave bleek dus mogelijk, de mobilisatieherinneringen van een toch beperkte groep werden kennelijk interessant genoeg geacht voor een grotere groep lezers.

CUBRA vermeldt op de website: “Op deze pagina presenteert CUBR de volledige reproductie van een curieus werkje uit 1916. Hoewel Nederland in de Eerste Wereldoorlog neutraal bleef werden de landsgrenzen bewaakt door gemobiliseerde soldaten, ook wel bekend als ‘landweermannen’. Ook in Brabant werden veel soldaten gelegerd, en van hun dagelijks leven doet een zekere J.B.S. in het onderstaande boekje verslag. C.J.M. Acket maakte er silhouetten bij. Over beide auteurs is ons verder niets bekend”. Via de CUBRA site komen we ook op een artikel van Pierre van Beek uit 1969, die aandacht besteedt aan het boekje uit 1916. Voorafgaande aan zijn beschrijving met Brabantse aantekeningen geeft zijn inleiding goed de sfeer weer die in de mobilisatietijd, vooral in het begin van de oorlog, in het leger en het land heerste: “Ze leven nog, de generaties, die het allemaal zelf hebben meegemaakt. We bedoelen niet die van de tweede maar van de eerste wereldoorlog. Direct was Nederland niet in die oorlog betrokken; maar de daaruit voortvloeiende algemene mobilisatie van de jaren 1914-1918 bracht in de eerste dagen toch wel zoveel beroering, dat ze bijna ook als een oorlogsverklaring ondergaan werd. niemand wist wat er allemaal boven het hoofd kon hangen. Spoedig na de afkondiging op die vrijdag van de 31e juli 1914 werden Tilburg en de grensdorpen door troepen overstroomd, en inkwartiering was al wat de klok sloeg Dingen, die daags van te voren nog voor onmogelijk gehouden zouden zijn, geschiedden nu, speciaal in de grensdorpen waar nauwelijks één gezin van inkwartiering werd verschoond. Zes tot tien soldaten op de open zolder van een arbeiderswoning behoorden niet tot de uitzonderingen. Ook scholen, magazijnen en boerenschuren werden inderhaast volgepropt met mannen en jongens uit streken, waarmee men nauwelijks ooit enig contact had onderhouden. Het gezapige leventje van voorheen, dat later het definitieve einde van “la belle époque” bleek te zijn, kreeg als het ware een draai om zijn oren, dat het een hele slag om maakte. Langzamerhand raakten onze mensen echter aan de nieuwe situatie gewend en achteraf beschouwd was het allemaal nogal meegevallen. We moesten aan dit alles denken toen wij deze dagen een klein, in 1916 uitgegeven boekje “Mobilisatieherinneringen van een Landweerman” in handen kregen. Het bevat berijmde belevenissen uit de eerste mobilisatiemaanden, die zich afspeelden in Tilburg en omgeving. De schrijver verbergt zich achter de initialen J.B.S. De schimmenplaatjes, kwistig door het boekje gestrooid, zijn van C.J.M. Acket. Het werkje werd kennelijk met veel plezier samengesteld. Tekst en plaatjes sprankelen van humor zodat men de indruk krijgt dat die mobilisatie niet al te tragisch werd opgenomen. Er was trouwens een echte Amsterdammer aan het woord. Juist de Amsterdammers bleken het in Brabant goed te kunnen vinden en de Brabanders met hen al evenzeer“.

Die laatste opmerking is echter niet juist. We weten nu dat achter de initialen J.B.S. de schrijver J.B. Schuil schuilgaat, een inwoner van Haarlem. Dat geldt ook voor Acket die zijn afscheid van vrouw en kind in de eerste schimmenillustratie van het boekje in Haarlem uitbeeldde. Een publicatie uit 1920 maakt duidelijk dat het hierbij ging om het Gemobiliseerd Landweerdistrict Haarlem [3]. Voor ons gaat het daarbij om een heel bekende en een nagenoeg onbekende.

 

Die bekende was legerofficier, schrijver en journalist Jouke Broer Schuil (1875-1960) [4]. Vanaf 1892 was Schuil officier in het leger en hij was werkzaam in Nederlands-Indië. In 1903 keerde hij terug naar Nederland en vestigde zich in 1908 in Haarlem. Schuil was dus beroepsmilitair, maar het toneel oefende op hem een grote aantrekkingskracht uit. Hij schreef enige toneelstukken die door verschillende gezelschappen werden opgevoerd. In 1910 nam zijn leven een andere wending. Hem werd gevraagd om toneelrecensent voor het Haarlems Dagblad te worden, een verzoek waarop hij maar wat graag inging. In hetzelfde jaar kwam zijn eerste jeugdboek uit:“Uit den kostschooltijd van Jan van Beek (met illustraties van Jan Sluyters). Schuil bekritiseerde jeugdboekenschrijvers als Chr. van Abcoude en Joh. Kievit om hun slechte taal, onmogelijke dialoog en burgerlijke geest. Daar tegenover stelde hij in de jaren erna in zijn ogen betere boeken zoals De Katjangs (1912), de A.F.C.-ers (1915) en de Artapapa’s (1920) tegenover. In januari 1914 kreeg hij eervol ontslag als kapitein bij het 3e Regiment Infanterie om kort daarna, ten gevolge van de mobilisatie, weer in het leger terug te keren. Nu bij de Eerste Compagnie, 21ste Bataljon Landweer Infanterie. In de verzameling van het Legermuseum bevindt zich een aan hem opgedragen foto album met 89 zwart-wit portretten met handgeschreven namenlijst van de manschappen van zijn eenheid. Dit album kan als een teken van de kameraadschappelijke sfeer in het heterogene gezelschap van de gemobiliseerden worden gezien, wat ook blijkt uit de geestige tekst van “Met de Eerste Compagnie op Mobilisatie”.[5]

Schuil beschrijft in 31 pagina’s “een serie van platen, die in de vorm van schimmen voor u zullen passeeren“. Het verhaal begint met het afscheid van schimmenmaker Acket van zijn vrouw, oudste zoon en vader en moeder in Haarlem. De Eerste Compagnie arriveert vervolgens te Hilversum. De staart van de groep wordt gevormd door oudere mannen van de lichting 1907. Het schimmenverhaal geeft daarna allerlei (komische) gebeurtenissen weer en haalt bij voorkeur opvallende companietypen naar voren. Na een week in Hilversum vertrekt de groep naar Brabant en komt terecht in de niet geheel frisse schuur van boer Klomp en zijn vrouw. “Zes dagen bij de boer, dat was zes dagen te veel,/Rrrrrt-toen was het weer: verandering van toneel!/Nu bij pastoor BEER in de Hasselt te gast”, Het onderkomen met een rood dak was daar “Erica” en er brak een tijd aan van “tirailleeren en marcheeren“. Er viel niet aan te ontkomen, de overste te paard zorgde daar wel voor. “Ja“, verzucht de schrijver, “In Tilburg heeft de Compie wat ‘n kilometers gevreten./’t Leek wel, of de menschen van loopkoorts waren bezeten.“. Ook sanitaire problemen blijven in het verhaal niet onvermeld en de verplaatsingen van de compagnie blijven doorgaan. Van Tilburg gaat men naar Hilvarenbeek, maar blijft daar slechts een week. Er wordt alarm geblazen en het legeronderdeel rukt op naar Reusel waar men Belgen moet interneren en oog in oog komt te staan met een Duitse patrouille. Reusel was er van een station afgelegen, zo’n 25 kilometer. Die afstand moest worden gelopen of er kon een Jan Plezier worden gehuurd. In het plaatsje Vessem had men uitstekende contacten met dikke Marie (‘Nergens in Brabant dronk men meer bier/Dan in dit Vessemsche kwartier”). Over Oisterwijk: “den naam slechts te noemen/Beteekent zoveel als het plaatsje te roemen“. In het “zaaltje van MEIJS” kon prima worden gemusiceerd. Daar kwamen ook Sint en Piet opdraven die buitengewoon veel weg hadden van de compagniefiguren DE KANTER en SCHALEKAMP. Vele andere voorvallen en verplaatsingen:

Toen gingen wij weer eens voor de variatie
Verhuizen, de zestiende keer in de mobilisatie
In Hooge Mierde bij den boer in ‘t stroo
Wij wisten al niet beter, of het hoorde zoo

passeren de revue. Uiteindelijk belandt de troep bij de stelling van Den Helder:

En nu, mijne heeren, het spel is bijna uit,
Wij gingen uit Brabant, en tot besluit
Stopten zij ons —al waren wij er niet op gesteld
In het badhotel op het Galgenveld.
Zoo ‘n tijdje in ‘n badplaats, ‘t is voor des variatie wel fijn
Alleen jammer, dat wij er de eenige badgasten zijn!

De dagelijkse werkzaamheden veranderden: “

Met het marcheeren is het nu gedaan,
Ze zeggen.’ “Daar heb je hier toch niets aan!“
Wij oefenen ons nu —ik zeg dat niet om te vitten
In het lijntrekken en in het zitten
Den heelen dag heb je hier als corvee
Steenen sjouwen bij de zee.

Het verhaal wordt besloten met een vooruitblik naar de terugkeer van de Landweer naar huis en gezin:

En hiermee, mijn heeren, is het spel bijna uit
Maar voor dat ik eindig, geef ik hier tot besluit
Een beeld nog der toekomst, van dien zaligen dag
Waarop de Landweer naar huis toe mag
Ziehier het gezin- vader, moeder en zoon
De voorste is Acket in eigen persoon
Hij was -is het noodig, dat ik ‘t hier nog vertel?
De teekenaar van dit schimmenspel.
Menschen, vrinden, ik wou niet veel,
Maar bij ‘t zien van dit tafereel
Denk ik: liever nog vandaag dan morgen
Was ACKET zoo zonder zorgen!
Och! ware eind’ljk toch de natie
Weer bevrijd van de mobilisatie.

Het schimmenspel is nu gedaan,
Maar voordat wij naar huis toe gaan,
Toon ik u hierbij nog het beeld
Van hem, die ‘t bataljon beveelt.
Hij is bij elken landweerman
Zoo populair, als het maar kan,
Hij kwam altijd, zoveel hij kon,
Op voor zijn een en twintigste Bataljon!
Daarom, mannen, roep ‘t mij na.
Voor de overste WAGTENDONK: “hiep… hiep … hoera!!“

  

Die T. L. van Wagtendonk was trouwens een interessante figuur. Hij is bekend als de uitvinder van de oudste Nederlandse vouwfiets (1899), die dienst ging doen in het leger. Bovendien kwam van hem in 1920 de publicatie Gemobiliseerd Landweerdistrict Haarlem (21 L.W.I.) aan de grenzen en te Huisduinen uit [6].

C.J.M. Acket (1882-1933) is in deze feitelijk de nagenoeg onbekende. Hij moet tekenaar/illustrator zijn geweest. We slaagden er tot nu toe slechts in een door hem gemaakte karikatuur uit De Fakkel (27 juni 1913) te achterhalen. Schuil noemt hem in Met de Eerste Compagnie op mobilisatie “de teekenaar van dit schimmenspel”, wat erop zou duiden dat het boekje geïllustreerd zou zijn met getekende illustraties. Maar de Helderse publicatie spreekt uitdrukkelijk van “Een schimmenspel dat in 1915 ter gelegenheid van het Sinterklaasfeest is opgevoerd. In deze tekst op rijm wordt de draak gestoken met allerlei activiteiten die in silhouetten op een wit laken werden uitgebeeld”. Een bron daarvoor wordt niet aangegeven, het moet een interpretatie zijn van de tekst op de omslag van het boekje. Wij waren in 1995 al minder uitgesproken en schreven: “De inhoud van het boekje moet de herinnering weergeven aan het St. Nicolaasfeest dat in 1915 op het Galgenveld bij Huisduinen is gevierd. Het is verleidelijk om te denken het schimmenspel bij die gelegenheid is opgevoerd en, na gebleken sukses, later is uitgegeven (…). Zeker is dit niet want de tekst begint met de mededeling van J.B.S.: “Ik heb de eer u voor te stellen, niet een pas benoemd officier, maar een serie platen, die in den vorm van schimmen voor u zullen passeeren“. Door de aanduiding “Het Schimmenspel” ligt het zeker voor de hand te denken aan een opgevoerd schimmenspel ter vermaak van de compagnie. Zeker als bedacht wordt dat Schuil en waarschijnlijk ook Acket afkomstig waren uit Haarlem waar het schimmenspel, vooral door de activiteiten van Doncker, Kruyder en hun kunstbroeders, populair was. Maar uit die schimmenwereld zijn Acket en ook Schuil ons niet bekend. Ook zal “Het Schimmenspel” op de omslag niet voor niets tussen aanhalingstekens staan, op de tweede versie is dit niet meer zo. Naar onze mening moet dus meer gedacht worden aan silhouetten dan aan op te voeren schimfiguren. Die silhouetten kunnen dan natuurlijk altijd geknipt of gesneden zijn. We kennen dit soort illustraties ook van de hand van Frans ter Gast of Hans Detlev Voss, die hun werk ook steeds voorzagen van hun monogram. Acket deed dat bij zijn afbeeldingen eveneens. Naar aanleiding van het voorafgaande, en de wat ronde vormen van de zwarte figuren, moet Met de Eerste Compagnie op Mobilisatie geillustreerd zijn met getekende silhouetten, die wat verwarrend als schimmen zijn aangeduid. Daardoor is in eerste instantie de suggestie van een opgevoerd schimmenspel gewekt, terwijl het in werkelijkheid een tekstuele en getekende/geknipte herinnering is aan de, soms hilarische, belevenissen van een compagnie landweer afgesloten met een feest bij Huisduinen.

Onderstaand alle afbeeldingen uit Met de Eerst Compagnie op mobilisatie

Door Henk van Ark

Noten

  1. Wout Smit (red.), Het leven in en om de Stelling van Den Helder, (Open Monumentendag 2008), Den Helder 2008.
  2. Henk van Ark, “Schimmen van Acket “, Nieuwsbrief Nederlands Museum van Knipkunst en de Stichting W. Tj. Lever, jrg. 8, nummer 1 (maart 1995), (p. 24-26)
  3. L. van Wagtendonk, Gemobiliseerd Landweerdistrict Haarlem (21 L. W.I.) aan de grenzen en te Huisduinen, s.l. 1920.
  4. historici.nl (Schuil, Jouke Broer(1875-1960).
  5. Collectie Legermuseum, objectnummer 00146465.
  6. rijwiel.net/vouwfietsen.. (De vouwfiets van luitenant van Wagtendonk)
  7. Dit wordt ook aangenomen door Moeyes (Paul Moeyes, Buiten Schot, Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog 1914-1918, Amsterdam 2001/2005/2014). Op pagina 481, noot 32 vermeldt hij : C.J.M. Acket (tekeningen) & J.B.Schuil (tekst). Mobilisatieherinneringen van een Landweerman. Schimmenspel, p.3. Verder tekstgedeelte uit het boekje op p.66.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

 

 

 

  

 

 

 

 

 

Van Dokkum over Joanna Koerten en andere knipkunstenaars, Papyria 8

In 1910 verscheen onder de titel “Schaarkunst door C .van Son” een groot, geïllustreerd artikel over aspecten van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst [1]’ Van Son had zijn verhaal geschreven naar aanleiding van het aantreffen van een album met sierlijke knipsels bij “een Hollandse familie”. Het ging daarbij om werk van de Leidse knipper Willem Eigeman. De schrijver is voor zijn artikel op zoek gegaan naar meer gegevens, maar: “Het gelukte mij niet een verhandeling over deze kunst in handen te krijgen“. Het doel van zijn opstel is: “Ik wil in dit opstel aantoonen, dat deze sierkunst in ons land veel en zelfstandige beoefening vond”. Van Son behandelt eerst Anna Maria van Schurman en vervolgens uitvoerig Joanna Koerten.

Hij citeert uit verschillende levensbeschrijvingen, zoals Conradi en Houbraken. Het lukte hem ook drie knipsels van Koerten te vinden. Het zijn papieren kunstwerken die in het bezit waren van E.W. de Flines. Nu behoren zij tot de familiestichting De Flines. Het zijn: de liereman en de portretten van Peter de Grote en Frederik III van Brandenburg.

Van Son merkt erover op: “misschien de eenige die nog bestaan“. Dat was gelukkig niet het geval, zoals later is gebleken. Hierna vermeldt hij de Lofdichtenuitgave van 1736, in bezit van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en neemt in zijn opstel diverse van de gedichten op. Dan komt het album met het knipwerk van Eigeman aan de beurt en wordt Jan Kopper genoemd in verband met een tentoonstelling in 1863. Het Nederlandse deel sluit Van Son met de mededeling dat C. van der Kellen, opzichter aan ‘s Rijksmunt te Utrecht ook een bewonderswaardige knipvaardigheid zou hebben gehad, leuk om te weten natuurlijk. Vervolgens gaat hij tamelijk uitvoerig in op Paul Konewka en zijn werk. In de afronding van zijn opstel duidt Van Son drie soorten van schaar- of knipkunst aan die hij in het stuk niet heeft besproken. Misschien zou dat kunnen -na genoeg sprekende voorbeelden te hebben verzameld- in een afzonderlijke publicatie. De drie soorten zijn: Schaduwbeelden, Verborgen Silhouetten en Reliëfknipsels of Bavelaars.

Het opstel van Van Son wordt in 1915 gevolgd door een artikel over Joanna Koerten en andere knipkunstenaars door J.D.C. van Dokkum [2]. Van Dokkum (1868-1938) was ambtenaar aan de Universiteitsbibliotheek van Utrecht en oprichter van de Muzikale Kring in de Domstad. Hij vermeldt de aanleiding voor zijn studie niet, maar dat wordt in de loop van het verhaal wel duidelijk. Van Dokkum bezit namelijk zelf een knipsel met pauwen waarvan hij vermoedt dat dit wel eens door Joanna Koerten gemaakt zou kunnen zijn.

 

Hij koppelt dit knipsel aan een tekening van Hondecoeter, die is opgedragen aan Koerten: “Op pagina 209 van het Stamboek komt een gedichtje voor met de titel: “Ter eere van Juffrou Johanna Koerten op Paauwen, door M Hondecoeter geteekent”. Blijkbaar maakte deze tekening deel uit van het nog nader te bespreken “Stamboek”. Bijna zeker is het dus, dat er tusschen Hondecoeter en de familie Blok connecties bestonden, en onwaarschijnlijk is het dus allerminst, dat de schaarkunstenares voor een harer knipwerken een schilderij van H of misschien wel de hier vermelde tekening met pauwen tot voorbeeld heeft genomen voor een knipwerk, en de mogelijkheid is dan niet uitgesloten, dat dit prachtige knipsel is, dat de schrijver dezes bezit, en waarvan blijkbaar de voorstelling aan een ontwerp van Hondecoeter ontleend is. De groote pauw op den voorgrond is zo fraai en gevoelig van teekening, en de behandeling van het geheele sujet geeft den indruk van zoo groot meesterschap, dat er werkelijk eenig recht schijnt te bestaan, om dit werkje aan Johanna Koerten toe te schrijven“. Honderd jaar geleden was deze veronderstelling nog goed te begrijpen. Nu kunnen we, op grond van stilistische vergelijking met inmiddels bekend geworden stukken van Koerten, veilig zeggen dat Van Dokkums knipsel vrijwel zeker niet door Joanna gemaakt is.

Maar niet alleen het knipsel in eigen bezit zal voor Van Dokkum reden geweest zijn zich te verdiepen in de geschiedenis van de knipkunst. Ook de knipsels die zijn broer G.W.P. van Dokkum bezat en die zijn afgebeeld in het artikel zullen daarbij zeker een rol hebben gespeeld.
Deze Van Dokkum (1870-1931) was een destijds bekende Utrechtse kunstschilder die lid is geweest van Arti (Amsterdam) en het Genootschap Kunstliefde (Utrecht). Op basis van de toen beschikbare literatuur (hij had bijvoorbeeld het geluk dat hij beide versies van Koertens lofdichten kon raadplegen) is zijn broer, J. van Dokkum erin geslaagd een goed beeld van Koerten en haar werk neer te zetten. Hij draagt biografische gegevens aan, bespreekt de bezoeken van Von Uffenbach en De Ja Rue en put uit de levensbeschrijving van Houbraken en de voorredes van de Lofdichten. Ook gaat hij in op haar bijzondere kniptechniek en het resultaat daarvan.

Hoewel hij maar drie [3] knipsels van Koerten (uit het bezit van De Flines) heeft kunnen bekijken kan hij, op grond van schriftelijke bronnen, toch een belangrijk deel van haar werk opsommen. Hij verdeelt haar werk in: landschap, mythologische voorstellingen, godsdienstige voorstellingen en portretten. Maar de schrijver/onderzoeker doet meer. Hij besteedt niet alleen hij ruime aandacht aan Koerten, ook andere kunstenaars passeren de revue. Te beginnen met Anna Maria van Schurman, gevolgd door Elisabeth Rijberg, Gilles van Vliet, Otto van Voorst, Jan Kopper, (H) van Winter, Willem Roelfs en Willem Eigeman.

Willem Eigeman

Van Dokkum rond zijn artikel af met een oproep: “En hiermede besluit ik deze bijdrage tot de kennis van een artistiek genre, dat lang verwaarloosd is en dat niettemin opmerking verdient. ik hoop van harte, dat de directies onze Rijkskunstkabinetten er aanleiding in mogen vinden, om veel te verzamelen, dat vergeten en verslingerd is. Mij is het een raadsel, waarom deze echte vaderlandsche geestesuiting, die in onze gouden eeuw een enthousiaste schaar van aanhangers vond, onze aandacht niet waard zou zijn. Dit dunkt me, is een misvatting, die zoo spoedig mogelijk herziening behoeft”.

Het duurde echter nog lang voordat aan Van Dokkums oproep recht werd gedaan. Het gebeurde eigenlijk pas met de tentoonstelling “Papieren Knipwerk” in het Centraal Museum in Utrecht in 1946 en de artikelenserie die Catharina van de Graft in het tijdschrift “Historia” (1946-1948) publiceerde. Dat initiatief werd uiteindelijk gevolgd door interessante tentoonstellingen, inspanningen van knipkunstbeoefenaars en -liefhebbers en een behoorlijke reeks van publicaties met als voorlopig hoogtepunt het overzichtswerk “Geknipt!”. Maar vanuit de museumwereld, die Van Dokkum dus al op het oog had, zou wel wat meer belangstelling voor het onderwerp mogen bestaan en verder is het aantal individuele onderzoekers, die een substantiële bijdrage zouden kunnen leveren aan de bestudering van aspecten van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst, maar zeer beperkt. Het zou al beter worden als in “gewone” historische publicaties papierknipkunst en de makers ervan niet helemaal worden vergeten of als curieus bij verschijnsel worden behandeld.

Dat doet echter niets af aan de waarde van het artikel van Van Dokkum die met zijn vroege bijdrage een onmisbare aanzet tot het Koertenonderzoek en de belangstelling voor de Nederlandse knipkunst, ook in de 18de en 19de eeuw, heeft gegeven.

Door Henk van Ark

Noten

  1. C.van Son, “Schaarkunst”, Elsevier ‘s Geïllustreerd Maandschrift, jrg. 20 (1910), p. 306-319; In de periode 1910-1914 verschenen ook nog: Boele van Hensbroek, “Iets over Oud Hollandsche Papierkunst, Kunstkroniek, 1910, p. 45-47; Henri van der Mandere., “De Nationale Huisvlijttentoonstelling (…)“, Op de Hoogte, 1910, p. 596-604 G.J.Blees Kzn, “Knipwerk”, De Vrouw en Haar Huis 9, (1914), p.2-l2; G.J.Blees Kzn, “Silhouetten of Schaduwbeelden”, De Vrouw en Haar Huis, 9 (1914), p.20-31.
  2. J.D.C. van Dokkum, “Hanna de Knipster en Haar Concurrenten”, Het Huis Oud en Nieuw, jrg.13 (1915) p.335-35.
  3. Hij zag ook 7 kleine “onbeduidende” knipseltjes die wellicht jeugdwerk van Koerten zouden kunnen zijn (Van Dokkum, op. cit.p.130). Michiel Plomp (“De portretten uit het Stamboek voor Joanna Koerten (1650-1715)”, Leids Kunsthistorisch Jaarboek, nr.8, 1989, noot 17) is geneigd enige van deze knipsels (in de collectie Van Regteren Altena) te zien als werk van Koerten. In latere publicaties wordt dit kleinere werk eigenlijk altijd zonder meer als knipwerk van Koerten beschouwd (meer hierover in het tweede Koerten nummer van “Welkom in Papyria”( nr. 10, 2015).

Jan de Prentenknipper en het Historisch Museum De Bevelanden, Spuije  2021-1

Tot 21 juni 2021 loopt in het Zeeuws Museum in Middelburg de expositie over Jan de Prentenknipper. Het Historisch Museum De Bevelanden, dat ook in het bezit is van de nodige knipsels van deze Jan, heeft er ter gelegenheid van deze expositie een paar in bruikleen gegeven, waaronder een harteprent.  Afgezien van deze harteprent heeft het HMDB nog 3 andere harteprenten in het depot. Daarover verderop meer.

H.E.L. = Hoop en Liefde

Eerst iets over Jan de Prentenknipper zelf. Hij leefde van 1798 tot 1870. Je kunt je afvragen hoe het komt dat er nu pas een expositie is, 150 jaar na zijn overlijden. Was zijn kunst niet kunstig genoeg misschien? Volkskunst bestond al en knipsels, zoals kleine portretjes van de familie, waren populair bij de elite, maar konden natuurlijk niet wedijveren met bijvoorbeeld de schilderkunst in die tijd. Ook de knipsels van Jantje niet, al sprong hij eruit met zijn verfijnde techniek en het gebruik van waterverf om zijn knipsels kleur te geven. Die verfijnde techniek bereikte hij overigens niet zozeer met de schaar als wel met mes en beiteltjes: hij stak als het ware papier weg.

Degene die een belangrijke rol heeft gespeeld bij de herontdekking van Jantje de Prentenknipper was Hil Bottema. Zij was hoofdassistent belast met de documentatie voor de volkskunst bij het Openluchtmuseum in Arnhem en werd gegrepen door de knipsel/snijkunst van Jantje. Zij heeft in 1964 al een oproep gedaan in de PZC of er mensen waren die nog verhalen wisten uit die tijd van Jantje en prenten hadden. Daar is een tentoonstelling in Wemeldinge in 1967 uit voortgekomen. De belangstelling voor Jantje de Prentenknipper kreeg hierdoor een impuls. Hil Bottema was wel zover gekomen dat ze in knipsels de hand van Jan kon herkennen, maar ze wilde ook graag meer over zijn leven te weten komen. Hij stond echter bekend onder zijn bijnaam, zijn eigenlijke naam was onbekend.

Pas veel later, in 1985 werd bij toeval de sleutel tot de oplossing van het raadsel gevonden door de heer A. Roose in Middelburg. Hij kreeg op een dag een stapel antieke krantjes in zijn bezit,  jaargangen van het “Volksblad”, een zaterdagkrantje, gepubliceerd door de Vereniging voor Volksbelangen te Goes. In het nummer  van 9 juli 1870 las hij dat Jan de Prentenknipper bij de burgerlijke stand  bekend stond als Jan Huijszoon. Een paar dagen eerder had zijn overlijdensbericht in de krant gestaan, nog net op tijd opgemerkt door de redacteur van het Volksblad.

Nu zijn naam bekend was, kon zijn geboortedatum achterhaald worden, 14 november 1798 in Colijnsplaat, en vandaar zijn levensgeschiedenis. Hij bezocht maar enkele jaren de lagere school omdat hij de gevaarlijke ziekte de pokken kreeg. Hij hield er een pokdalig gelaat aan over.  Terug naar school gaan was niet aan de orde, en hij ging in de leer bij een bakker. Het bakkersvak heeft hij 7 jaar uitgeoefend, totdat hij  in 1817 in dienst moest. Helaas raakte hij met wat kornuiten betrokken bij een diefstal. Door gunstige omstandigheden werd hij ‘slechts’ veroordeeld tot 2 jaar tuchtschool. Waarschijnlijk heeft hij daar geleerd, vanuit het snijden van plaatstaal, om mes en beiteltjes te gebruiken voor het uitsnijden van papier. In 1824 kwam hij vrij en ging naar Zeeuws-Vlaanderen waar hij zijn eerste knipsel maakte met een roerend gedicht voor een boer, die net zijn vrouw had verloren, waar hij onderdak had gekregen. [*1 pg 24]. In Zeeuws Vlaanderen kon hij werken bij de aanleg van het Kanaal van Gent naar Terneuzen via Sas van Gent. Daar ontmoette hij een aardig meisje. Zij werd zwanger en ze zouden trouwen. Maar zij bleek  Katholiek en hij Protestant en twee geloven op een kussen, daar slaapt immers de duivel tussen. Trouwen was uit den boze, maar toch bleef hij haar trouw. Een dochtertje werd geboren dat echter na 3 maanden stierf. Ze trotseerden de duivel opnieuw want een jaar later werd opnieuw een dochtertje geboren, Leentje. En ze bleven ‘leven met elkaar’ tot de dood hen scheidde. Na de werkzaamheden bij het doortrekken van het Kanaal vond hij werk aan de Lekdijk. Het dijkwerk gaf steeds werk voor een half jaar. In de wintermaanden trokken ze vaak terug naar Zeeland. Jan maakte in die tijd wel eens iets voor een boer bij wie ze onderdak kregen. In 1829 werd een zoontje geboren, in 1832 nog één, Anthony.  Het gezin verbleef toen op Overflakkee, waar Jan nog steeds dijkwerker was.

In 1834 blijkt hij vermeld te worden als ‘negociant’, marskramer. Men denkt dat hij een ongeluk heeft gehad aan de dijk en het werk niet meer aankon [*1 pg. 27]. Nu moest Jan nog meer knippen om aan geld te komen. Er werd dat jaar ook weer een meisje geboren, Tannetje. In 1836 wordt opnieuw een kind geboren, Willem Gerard, dat na  3 maanden overleed. Door de misère en ziekte was er nauwelijks een inkomen. Hij moest om ‘onderstand’ aankloppen bij het Burgerlijk Armbestuur van Goes. Een volgend dochtertje, Constantia wordt geboren. En nog een in 1840, een meisje Thona. Ze gaan terug naar Goes en ná de winter door naar Zeeuws Vlaanderen. Daar overlijdt zijn vrouw die hem acht kinderen had geschonken op 22 juni 1841, nog maar 36 jaar oud! [*1 pg. 29] Ondanks de zware tijd weet hij in die tijd hele mooie prenten te knippen en te snijden. In 1841 overlijden de meisjes Thona en Constantia. In Goes vindt hij de 51-jarige hervormde weduwe Adriana Glerum bereid om met hem het leven te delen. Ze trouwen maar na 3 maanden wordt deze  vrouw ernstig ziek. Inmiddels heerst ook de aardappelziekte. Ze moeten opnieuw een beroep doen op het armbestuur. Kortom, het is een kommervol bestaan. In 1848 overlijdt zijn enige zoon Jan du Pree (naam van de eerste moeder), in 1856 zijn vrouw. Opnieuw op zoek naar een levensgezellin valt zijn keus op een hervormde vrouw, een weduwe met 2 thuiswonende dochters. Ook dit gezin is niet bijzonder draagkrachtig. Alle winters moet om bijstand gevraagd worden. Na 1860 beperkt hij zijn tochten tot de omgeving van Goes.

In het Zeeuws Museum is een overzicht van zijn knipsels te zien. Helaas is het museum nu gesloten maar hopelijk heeft u nog de tijd om deze prenten te bekijken, variërend van de intocht van Engelsen op Walcheren – werkelijk buitengewoon knap uitgebeeld, bijbelvoorstellingen, hofstedes, kerkboekprentjes, boekenleggers, driemasters onder vol zeil, of half getuigd … én harteprenten, waarover nu meer.

Het HMDB heeft één harteprent in bruikleen gegeven aan het Zeeuw Museum, maar heeft er nog 3 in bezit. Helaas is die in het Zeeuws Museum niet van voldoende kwaliteit om opgenomen te worden in deze Spuije, de andere 3 laten we hier wel zien.

Een harteprent kan gezien worden als een gelukwens. De kern van de prent heeft de vorm van een hart, waar tekst in staat. Om het hart heen staan tekeningetjes, vaak Bijbelse symbooltjes  maar ook fantasie figuurtjes. De tekeningen links en rechts van het hart zijn symmetrisch en dat lukt het mooist door de prent dubbel te vouwen en dan de figuurtjes of symbolen uit te snijden. De harteprent die in het Zeeuws Museum is te zien is gemaakt voor het huwelijk van Pieter Franciscus de Laat (molenaarsknecht) en Margaretha Verbeem (dienstbode) op 2 augustus 1866, omgeven door Bijbelse voorstellingen. Het is een huwelijksgeschenk van Joseph de Laat voor zijn broer.

Tekst:
Goes Den 16 Augustus 1866 Huwelijk gedenkstuk
aan mijn broeder en zuster

Het was in het hof van Eeden. Als men wel de schrift beschouwd
Dat God Sprak met groote Reden, Adam ik schenk u eene Vrouw
hoe nouw is tog den trouw gebonden, gelijk men leest in Markus 10
tweede Vlees is een geworden, ag verlaat elkander niet
PREMO
In het Bloemenhof van u leven, Daagd een bouwe hemelsBoog
Gij hebt nu de hand gegeven, thart en hart so voor altoos
jonggehuwde smaak genoegen, Dat dees hard u Brafheid biet
Blijf bewaard van smart of Groeven, Altijd vrij van huisverdriet
Kiest geen weReld dan elkander, Weest elkander Raad en Daad
Stoord u Aan geen Raad van ander, zijn voor of tegen gaad
Mind elkander dient aan Jezsus, wees een hegt een waardig paar
u Geluk zal steeds vermeren, stapeld dan ook Jaaar op Jaar
Kiest de Liefde Seld tot , en den trouw tot boosman uit
Later vindt gij dan genegen, Al u Loon tot eene Spruid
Nu wensch ik tot besluit
Dat gij Man en Vrouw hierna
als Bruid en bruidegom
Bij Jesus op den troon
Mag roepen Welkom

Jesus is ons heil
Met Liefde gedaan
uwen Broeder die zig noemd
JosePh de Laat

Zoals te lezen valt wordt de aandacht gevestigd op huwelijkse trouw, elkander niet verlaten, elkaar raad en daad geven en zo zal het geluk steeds groter worden, gezegend met een ‘spruit’. De vrije tekst in de prent is gebaseerd op Markus 10:  (6) “Van het begin der schepping heeft Hij hen als man en vrouw gemaakt; daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten, en die twee zullen tot één vlees zijn. Hetgeen God samengevoegd heeft , scheide de mens niet”. En verderop: “wie zijn vrouw wegzendt en een andere trouwt, pleegt echtbreuk ten opzichte van haar; en indien zij haar man verlaat en een ander trouwt, pleegt zij echtbreuk.”
Je mag uit de tekst in deze harteprent concluderen dat Jan de Prentenknipper een gelovig man was. Hij zag de liefde tussen man en vrouw als een geschenk van God. Die gedachte bleef hij trouw óndanks zijn eigen moeizame leven, met acht kinderen uit het samenleven met zijn eerste vrouw, waarvan er al snel drie stierven; zijn tweede vrouw die al na drie maanden stierf, en de derde vrouw waarmee hij trouwde en die al twee kinderen had; en óndanks het voortdurende geworstel om voldoende geld  te verdienen. Zijn buitengewone talent om onderwerpen waar hij mee geconfronteerd werd, sprekend en heel gedetailleerd uit te knippen/snijden, en er ook nog kleur in te brengen, moet hem in zijn leven hebben geholpen. Bijzonder dat hij nog 72 jaar is geworden! Rond het hart heeft Jan de beeldtaal van die tijd getekend, bijvoorbeeld met twee duifjes die de liefde aangeven. In het woord tortelduiven zien we dat  nog terug. Een anker duidt op hoop. De hoorn overvloed, de hoorn des overvloeds; het Lam is een verwijzing naar Christus; de vrouw met de weegschaal is Vrouwe Justitia die wikt en weegt om een rechtvaardig vonnis te wijzen; de zandloper wijst op het verglijden van de tijd; ….. en zo zijn er meer.

De nu volgende harteprent komt uit het depot van het HMDB. Ook een huwelijksprent, “Huwlijks groeten aan mijn geachten vriend en vriendin ! W.Heuseveldt  en J.H Vliegenthart”, opgedragen door Elizabeth Dom.  (het huwelijk is op 14 mei 1879 te Zierikzee) (foto van prent met tekst erop) Een directe en sterke tekst waarbij het echtelijk beminnen centraal staat,  en het ‘Pluk de vruchten van uw min, jou in ’t kroost aan u gegeven …Dan wordt de beste wens bekroond , bij elke keer van ’t loot, omdat de liefde bij u woont…’ Mooi geschreven maar de man staat centraal! De vrouw heeft slechts een dienende rol… Daar wordt nu toch echt anders over gedacht.

Tekst:
Huwelijks-groete opgedragen aan
mijn geachten vriend en vriendin
W. Heuseveldt J.H. Fliegenthart
Sints Eva in den appel beet
En Adam met zijn zorg en zweet
Het dagelijks brood moest winnen
Sints vond men in genot en geluk
In ’t echtelijk beminnen
Strengel dan haar fluwelen banden
Om de harten en de handen
Pluk de vruchten van uw min
Jou in ’t kroost aan u gegeven
Ens uw eerste jeugd herleven
In een dankbaar huisgezin
Dan wordt wat lot u ook verbiedt
Bij u levens druk gedruisch
De strelende tevredenheid
Een dochter van uw huis
Dan wordt de beste wensch bekroond
Bij elke keer van ’t loot
Omdat de liefde bij u woont
Waar liefde woont, woont God
Door haar die zich
noemt uw toe-
genegen vriendin
Elizabeth
Dom

De volgende knipprent is gemaakt ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum van Pieter van Paassen (ca. 1791-1870) als ‘Vader en Opziener’ van het Oude Manhuis, in opdracht van alle inwoners van het Oude Manhuis.

Tekst:
Als Vader en opziender, van het Huis van Weldadigheid
De zon klimt schoon uit Sieons stralen
Gij hebt nu rees zoo veel jaren
Al in dit huis rees stappen zag
Nu hebben de Heeren op u wegen
Gij met ons al in die tijd
de winter kouwd of Zomer regen
Wij meende tegenspoed of zegen
het hart bedroefd of is verblijd
wij wensche daar nog bij, ja veel gezonde dagen
wij wensch met mond en hart
voorspoedig na behagen
en eenmaal als is tijd, zal zijn ten trend gebragt
Hoop wij dat gij verblijd, de zaligheid verwagt
om God dan voor zijn troon
als is wen God ’t aanschouwen
en op een toon u Lofen een te u vangen
Se La
moegt dit jaar een daar ook wezen
da veel heil en zielsgenot
dan hoeft gij ook niet te vrezen
want u redder is u God
psalm 7                                         psalm 32
Verering dus gewijd aan Pieter van Paassen vader en opziender weldadigheidshuis
Met liefde
gedaan van
alle inwooners
van houde
manhuis
1810    5/4       1860

50 jaar trouwe inzet voor de oudjes ‘bij winterse kou of zomerse regen, bij tegenspoed of zegen, een bedroefd of blij hart…’  De stijl is keurig, al zouden we nu een andere woordkeus hebben en minder breedsprakig zijn.

Het Oude Manhuis is sinds 1969 geen Manhuis meer, maar de herinnering wordt levend gehouden door de beeldjes van een oude man en vrouw boven de poort. Daar tussen in de tekst:

Tot hulp en troost van man en vrouw
is opgherecht die nieu gebouw
in ruste ider hier syn tyt
En teyde van syn leve slyt

Tot slot is er nog de harteprent ter gelegenheid van de 56e verjaardag van Klasina Remeijn, 1857. In het hart staat een feestgedicht, eromheen feestelijke attributen en scenes.  De tekst is stevig van stijl, in coupletten opgebouwd, en metrisch klopt het ook.  We zijn duidelijk wat verder in de tijd dan bij de vorige knipselprenten.  De prent werd aangeboden door Janna van der Maas.

Tekst:
Zegenwensch
op de 56ste verjaardag van
Klazina Remeijn,
huivrouw van den Eerzamen Jan de Looff te Colijnsplaat

1
’t Heuglijk tijdstip van uw leven,
Dat u ’t eerste licht deed zien,
Heeft mijn zanglust aangedreven
om dit needrig vers te bien.
neem ’t gering voor liefs, uit gunst,
en verschoon de zwakke kunst

2
’t Wentlend rad der radde jaren
waarin zes paar spaken staan
die zich in vier velgen garen
Wentelde op uw levensbaan
zes en vijftig maal met vlijt
om, op ’t aspunt van de tijd.

3
Naar de regels der natuure,
wijst uw levensuurwerk wis
De volslagen middagure
Zoo het niet al later is
Ja, wij zien van uur tot uur,
’s Levens lang is kort van duur

4
wil de Heer den wensch volmaken
Die mijn ongeveinsd gemoed
Doet naar de vervulling haken;
Nimmer drukk’ u tegenspoed;
Vrede zij en blijv’ steeds in
Uw gezegend huisgezin!

5
Leef nog lang tot nut van velen.
Tot in grijzen ouderdom
’t Zalig uitzigt u kan streelen;
(Keerd’ uw lijf tot stof weerom,)
Uwe ziel behouden strand
Aan het hemelsch vaderland!
De Wet 10 geboden Zoek god
Colijnsplaat 6 december 1857
Dit wordt u toegewenscht
door
Janna van der Maas
Psalm zeven

Door Hester van Rees

Afbeeldingen:

  • foto huwelijksprent, “Huwlijks groeten aan mijn geachten vriend en vriendin ! W.Heuseveldt en J.H Vliegenthart”, opgedragen door Elizabeth Dom.  (het huwelijk is op 14 mei 1879 te Zierikzee)
  • knipprent, gemaakt ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum van Pieter van Paassen (ca. 1791-1870) als ‘Vader en Opziener’ van het Oude Manhuis
  • harteprent ter gelegenheid van de 56e verjaardag van Klasina Remeijn, 1857
    Foto’s Historisch Museum de Bevelanden, Goes

Bronnen:

1.  Jan de Prentenknipper, door Joke en Jan peter Verhave, uitgeverij De Koperen Tuin, Goes 1993
2.  Kort door de Bocht, door Frank de Klerk

Knipsels als illustratie: Mance Post, deel 2, Papyria 7

In het voorjaarsnummer 2012 van onze serie “Welkom in Papyria” bespraken we de boeken en andere, door Mance Post geïllustreerde, uitgaven in onze stichtingsbibliotheek. En we gingen kort in op ons bezoek aan haar woonhuis/atelier aan de Prinsengracht in Amsterdam ter voorbereiding van de presentatie “Knipwerk als illustratie” in de Centrale Bibliotheek van Rotterdam (1989).

Kort voor het uitkomen van dit nummer plaatsten we een oproep in het Dagblad van het Noorden voor het boekje “Het schoentje van Roosmarijn” (6-2-2012). Een boekje met versjes van Han G. Hoekstra en geknipte illustraties van Post uit 1955.

Voor Post was dit in feite haar eerste grote opdracht in de boekenwereld. Een eerste, telefonische reactie op de oproep leverde niets bruikbaars op, maar een wat late tweede reactie (nadat Welkom in Papyria 3 was verschenen) bracht een onverwacht resultaat. Een vrijwilligster van het Kinderboeken-museum in Winsum uit nota bene Rasquert kwam ons persoonlijk meedelen dat “haar” museum beschikte over een exemplaar van het door ons gezochte boekje. Een verrassing, want enige jaren daarvoor waren we al eens in dat museum geweest, maar toen bevond het zich nog niet in de verzameling (of wat waarschijnlijker is: het kon toen niet worden gevonden). Nu dus wel en dat hield in dat we voor de eerste keer konden kennisnemen van de aardige inhoud en de voor Post zo kenmerkende illustraties.

Het verhaal van het boekje, waarin de bekende naoorlogse Paroolhumor duidelijk aanwezig is gaat over het meisje Roosmarijn dat met nieuwe schoentjes aan boodschappen had moeten gaan doen. Helaas bleef ze met haar schoentje haken op de rijweg in de stad. En dat veroorzaakte natuurlijk grote opschudding en de gewenste hilariteit. De trams moesten stoppen.

Een brigadier duikt op:
“Een brigadier met zware snorren.
Hij snoof en sprak: “Wel alle torren,
wat moet dit met dit meisje hier?”
zo sprak die oude brigadier”.

Roosmarijntje trok veel bekijks:
“Want een meisje van een jaar of tien
die kun je alle dagen zien.
Maar zelden komt er een op de proppen,
dat zo maar trams kan laten stoppen”.

Trampassagiers kwaad:
“t is een schandaal”
riep ze, als ik mijn trein niet haal!”.
En:
“Wat bracht er, keurig op de rij,
nieuw leven in de brouwerij?”.

Een blaasorkest was juist aangekomen en uit de richting van het postkantoor verscheen het Politie-mannenkoor. De trams waren niet meer te tellen, het werd een eindeloze rij.

Een jochie,
“Jan Dekker, een der grootste blagen,
had de brandmelder stukgeslagen”,

waarop de brandweer uitrukte. Spuitgast Jacob van de Ommen wilde er eens flink op spuiten, maar dat was natuurlijk niet nodig, daarom:
“Een beetje kwaad en ontevreden,
klom hij toen maar weer naar beneden”.

De brigadier had intussen ijverig gewerkt en bij het hoofdbureau een timmerman besteld. Die timmerman ging direct aan de slag:
“Dat kan geen drie minuten duren.
Ik stond nog wel voor heter vuren”.

Maar het lukte natuurlijk niet Roosmarijntje los te krijgen. Tijd voor een nieuwe verrassing: “Nieuwsgierig wilde een vliegmachien
ook even Roosmarijntje zien;
maakte een rondje en keerde vlug,
en grommend naar Schiphol terug”.

Hierna volgt een oploop van belangstellenden:
“Van alle kanten kwam men aan.
En keek. En vroeg. En bleef wat staan”.

Daar waren de melkboer, de gasman, de smid, de dokter enzovoort. En:
“toen kwam helemaal onverwacht,
IETS dat wel NIEMAND had verwacht”,
“Wie kwamen klokslag halluf drie?
DE DIEREN VAN HET CIRCUS KNIE!”.

Van deze optocht liep Jeroen, de sterke Olifant voorop.
“En hij trompette met zijn slurf:
“Er is geen ding dat ik niet durf!”.

Daarop zei Tim, de olifantenknecht:
“(…) Weet je wat jij dan moet doen?
Dat meisje helpen met haar schoen!”.

De olifant ging aan de slag, maar na een halfuur snuiven, proesten en hijgen, lukte het hem niet het schoentje los te krijgen. Goede raad was duur:
“De hele stad was uit haar doen
al om die ene, malle schoen.
Men keek verdrietig, somber, kwaad.
Wat nu te doen? Wie wist er raad?

De ontknoping dient zich aan: daar kwam Koentje Kist uit de Lepelsteeg aangelopen. Hij overzag het grote gezelschap en zijn oog viel op Roosmarijn die nog steeds aan de weg geklonken stond. De kiene jongen kwam op een lumineus idee:
“En weet je wat toen Koentje deed?
Hij pakte gauw haar schoentje beet.
Het riempje los, toen riep hij luid:
”Toe Roosmarijn, je voet eruit!”.
“0 Koentjelief, zei Roosmarijn,
Wat is dat fijn, wat is dat fijn!
ik heb hier al vijf uur gewacht,
maar daar heeft niemand aan gedacht”
En alle mensen zagen toen
hoe (een voet met, een zonder schoen, en samen met die leuke jongen)
Rozemarijn is weggesprongen…”

Dat we nogmaals aandacht besteden aan Mance Post heeft te maken met haar overlijden in december 2013. In de necrologieën die toen verschenen en die wij hebben gelezen werd, zoals te verwachten was alle aandacht gericht op haar illustratiewerk voor de boeken van Guus Kuijer en later Toon Tellegen. En inderdaad wat Fiep Westendorp was voor Annie M. G., was Post voor deze veel bekroonde schrijvers. Pjotr van Lenteren schreef in de Volkskrant (3/12/2013):

“Haar voorliefde voor realistische tekeningen was misschien wel de belangrijkste reden dat ze wel werd gewaardeerd maar zelden bekroond en in recensies nogal eens met een enkel zinnetje afgedaan. De vooroorlogse Cornelis Jetses van Ot en Sien was haar grote voorbeeld. Dat illustratoren sinds de jaren zeventig autonome kunstenaars moesten zijn, vond ze een slechte ontwikkeling. Dan maar ouderwets. Toch was de inhoud van het werk waarmee ze samen met Guus Kuijer doorbrak, dat zeker niet. Ze tekende geen braverikken of helden, maar echte kinderen: hangers en huilers, eigenwijze snotneuzen en stoere schoppers. Leerlingen die de hele tijd achterstevoren op hun stoel zitten te wippen en rondlopen in een verkeerd geknoopte jas.“.

De grootste waardering heeft Mance Post naar onze mening gekregen door de kleurige linosnedes die zij ging maken toen het tekenen niet goed meer lukte. In de verhalen over Post misten we nagenoeg altijd (behalve in een stuk in de Groene Amsterdammer (12/12/2013)) de vermelding van haar geknipte illustraties. Vanaf 1955 ontwikkelde zij een geheel eigen stijl, waarbij zij handig gebruik maakte van zwart-wit contrast, steunkleur en rasterwerk. Daardoor kwamen haar illustraties vaak zeer goed over op het in die tijd meestal nog slechte papier. Alle door Van Lenteren in zijn stuk opgesomde kwaliteiten van haar werk zien we al in het knipwerk terug, vanaf het eerste begin, Dat maakt ook dat we nog steeds volop kunnen genieten van haar prachtige illustratiekunst.

Deze bijdrage is bedoeld om dat nog eens te onderstrepen.

Door Henk van Ark

Courantenadvertenties als bron voor onderzoek, Papyria 7

“Wanneer systematisch alle plaatselijke couranten uit het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw werden doorzocht, zouden zeker nog meer advertenties van tijdelijk in een stad verblijvende silhouettisten worden gevonden. Systematisch onderzoek heeft alleen nog te Groningen plaats gehad door mejuffrouw M. A. de Visser; ik hoop dat zij het resultaat nog eens volledig wil publiceren“.

Dit citaat is afkomstig uit de inleiding van de catalogus van de tentoonstelling “De silhouette in Nederland” die in 1963 en 1964 in Groningen, Rotterdam en Dordrecht te zien is geweest. Die expositie was een initiatief van Bram Westers, conservator van Museum Boymans van Beuningen, die eind 1963 net was aangetreden als directeur van het Groninger Museum van Stad en Lande. Hij wist Mr. A. Staring, die al eerder over silhouetkunst had gepubliceerd, bij de voorbereidingen van deze bijzondere tentoonstelling te betrekken [1].

Voor ons was de bovenstaande opmerking van Staring een stimulans om met het project “Silhouettisten te Rotterdam 1775-1850” aan de slag te gaan. Dit project hield eenvoudigweg in dat begin 1991 in het Rotterdamse Gemeentearchief verschillende jaargangen van de Rotterdamsche Courant werden doorgenomen, Een arbeidsintensieve en vooral door het aflezen van fotofiches ook een vermoeiende aangelegenheid. Om geconcentreerd te kunnen blijven kon per dag niet meer dan 4 à 5 uur worden gewerkt. Maar door de toename van activiteiten van de stichting W. Tj. Lever kon het project bij lange na niet worden afgerond. “Slechts” tien jaargangen van de Rotterdamsche Courant konden worden doorgelezen. Het ging daarbij om het jaar 1789 en de jaren 1791 t/m 1799.

Het silhouettisten project paste volledig in de onderzoekslijn die al door Atelier Tobia Lever (1986-1988) was uitgestippeld. Behalve het bevorderen van de belangstelling voor de algemene knipkunst (we exposeerden in het atelier niet alleen werk van Nederlands knippers, maar ook knipsels uit Polen, China, Mexico en Zwitserland) richtten we ons met name op de geschiedenis van de knipkunst in Rotterdam. Dat resulteerde reeds in 1987 in de uitgave van de brochure “Zeer uitstekende kurieuze stukken van papier”, aandacht voor knipper Wybrand Schaap in het vierde nummer van ons eigen bulletin (“Het Pijnackernieuws”), een brochure over Jan Kopper (1989) en twee vouwbladen onder de titel “Rotterdamse Papierknipkunst”, met mededelingen over Klaas Bakema, Jan Adelaar en Jan Kopper (1990). De Rotterdammers werden met het onderwerp knipkunst verder bekend gemaakt door cursussen papierknippen, schimmenmaken en demonstraties door Tobia Lever in het atelier en daarbuiten (bibliotheken en musea) en oproepen in lokale kranten en huis-aan-huisbladen. Zo werd informatie gevraagd over Theodorus van Eck, Klaas Bakema en Bram Bosch en werd regelmatig aandacht besteed aan de activiteiten van het Atelier en later de Stichting W. Tj. Lever. Ook bezochten we jaarlijks de Rotterdamse Dagen van de Stichting Ons Rotterdam en publiceerden in hun tijdschrift. De gerichtheid op Rotterdam verdween voor een groot deel door de vestiging van ons museum in Schoonhoven. Prioriteit voor dit museum waren het organiseren van goede tentoonstellingen, een grote verscheidenheid aan activiteiten als rondleidingen, workshops en demonstraties en het verder uitbouwen van de collectie tot een museale verzameling met een exemplarisch karakter. Voor wat uitgebreider onderzoek was, tot Atty Broer (vanaf 2001) met haar werk voor het museum begon, tijd, op enige korte stukjes, die in de Nieuwsbrief konden worden geplaatst, na. De brochures van Broer en Bax vormden de aanzet voor de uitgave van verschillende brochures en de serie “Welkom in Papyria” in 2010 en latere jaren.

Deze keuzen brachten inderdaad het gehoopte resultaat. In februari 1789 wordt in de Rotterdamse krant aangekondigd:

“J. HOFHOUT en ZOON, Boekverkoopers te Rotterdam, zullen eerdaags uitgeven “BERIGT van INTEKENING, op een BESCHRIJVING van het VORSTELYK KONSTKABINET der PAPIEREN SNYKONST, gewrogt en nagelaten door de Heere JAN KOPPER, voorzien met deszelfs volmaakt gelykend Pourtrait in Bywerk; welk Berigt alom zal te bekomen zyn“ [3].

In augustus van datzelfde jaar volgt dan de aankondiging van het verschijnen van de beschrijving van Koppers kabinet en zijn portret:

“BESCHRYVING van het VORSTELYK KONSTKABINET van PAPIEREN SNYKONST, gewrogt en nagelaten door den Heere JAN KOPFER, benevens deszelfs welgelykend POUTRAIT, word Heden uitgegeven te Rotterdam by J.HOFHOUT en ZOON en verder by de meeste Boekverkoopers in de Republyk. De Prys der Beschryving is 5 en 1 halve St. en van het Pourtrait 10 st.“

Advertenties van reizende silhouetten werden inderdaad ook gevonden: G. Schipper (29 juli 1794), C. Gebhard (22 juli 1797) en J. Kamlag (11 december 1798) en twee, zeer bijzondere kabinetten van papieren snijkunst (Voerman en Verhoeff). Op andere plaatsen hebben we daar al over geschreven [5].

Zo heeft de opmerking van Staring in de silhouettencatalogus van 1963/64 tot goede resultaten geleid, al zou verder onderzoek, liefst in andere plaatsen, niet overbodig zijn.

Door Henk van Ark

Noten

  1. Zie hier Henk van Ark, Silhouetten, Silhouettisten & Schimmen, Rasquert 2010.
  2. Alle activiteiten worden vermeld in: Henk van Ark, Atelier-Stichting-Museum (1986-2005), Rasquert 2010.
  3. Rotterdamsche Courant, 17 februari 1789.
  4. Rotterdamsche Courant, 22 augustus 1789.
  5. Henk van Ark, “Silhouettisten te Rotterdam aan het einde van de 18de eeuw”, Nieuwsbrief Stichting W. Tj. Lever/ Nederlands Museum van Knipkunst, 6, nr.4 (december 1993), [p. 5-6]; Henk van Ark, “Knipkunstkabinetten” in: Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt! (…), Zutphen 2008, p. 154-159.