Auteursarchief: admin

De vier seizoenen Dini Langkamp‑Prins, Knip-Pers 2006-2

Het knipwerk ‘De vier seizoenen’ van Dini Langkamp‑Prins, waarvan de voorplaat een onderdeel is, is nog niet eerder in de Knip‑Pers afgedrukt. Onderstaande teksten zijn citaten uit ‘Zo kenden wij Dini Langkamp‑Prins 1935‑1987’, geschreven door To van Waning‑Mijnlieff – Uitgave NVvP 1989.

‘Dini Langkamp‑Prins had haar hart aan de knipkunst verpand en zij heeft deze liefde aan anderen weten over te dragen. Zij had een eigen stijI en heeft meegeholpen om de papierknipkunst in Nederland op een hoger plan te brengen.’

Hoe kwam zij tot het knippen?

To van Waning: “Haar ouders hadden in Zwolle een manufacturenwinkel, waar zij later als 17‑jarig meisje mee moest helpen. Daar kreeg zij het ‘Handwerkbuch für Mädchen’ van Ruth Zechlin in handen. In dit boek was ook een hoofdstuk aan papierknippen gewijd, onder de titel: ‘Het uitknippen van silhouetten’ (hieronder wordt niet alleen het knippen van portretjes verstaan).”
“En zo is het gekomen”, zeggen wij dan wel eens, want Dini ging het proberen en is nooit meer opgehouden. Dini’s zegswijze was: ‘Mensen doe wat. Bekijk alles eens van de zonnige kant, versier het leven een beetje en ervaar de verrassing van het resultaat als je zelf iets probeert te knippen.’

Het knipwerk ‘De vier seizoenen’ bestaat uit vier bomen, geknipt uit zwart papier, elk ca. 37 x 25 cm. De bomen vormen samen met de grond eronder één geheel. De gekleurde toevoegingen, zowel op de bloemen in de kroon, de bloemen onder de boom als op de grond, zijn geplakt op de geknipte ondergrond en bestaan uit drie, steeds kleiner geknipte onderdelen.

BOOM 1:
De rand van de kroon is versierd met oranje, oker en groene bloemen. De takken zijn nog kaal.

Dini Langkamp-Prins, boom 1, de vier seizoenen

BOOM 2:
Vol in het geknipte blad is deze boom, met bloemen in licht olijfgroen, olijfgroen en rozerood.

Dini Langkamp-Prins, boom 2, de vier seizoenen

BOOM 3:
Buitenrand en hart van de kroon zijn beplakt met papier in de kleuren: paars, donkerrood en olijfgroen.

Dini Langkamp-Prins, boom 3, de vier seizoenen

BOOM 4:
Tussen de brede rand en het hart van kale, winterse takken is een kroon van turkoois en blauwe ijsbloemen geplakt op de zwarte ondergrond.

Dini Langkamp-Prins, boom 4, de vier seizoenen

Met dank aan Theo Langkamp, die het originele knipwerk ter beschikking van de redactie stelde en toestemming gaf tot plaatsing.

Samenstelling Maruscha Gaasenbeek

Series nu en toen, Knip-Pers 2006-2

Maruscha Gaasenbeek introduceerde in de Knip‑Pers van december 2005 de ATC, Artist Trading Card, een idee opgepikt van een Zwitserse kunstenaar. Zij raadde aan om series over een onderwerp te maken en de kaartjes te nummeren. In de volgende Knip‑Pers gaf Marijke Kupers er een variant op: kerkramen. Het ATC‑virus heeft veel van de leden van de vereniging besmet en de verschijnselen waren duidelijk zichtbaar op de contactdag in Nijkerk. De uitwisseling was zeer geanimeerd en intensief.

Dat dit idee niet nieuw is, leerde ons de volgende belevenis. Onlangs liet iemand ons een vijftal uitgesneden prentjes zien, die we meteen herkenden. Ze waren gemaakt door de Groninger knipper Dato Scholtens in de 18de eeuw. De folkloriste Line Huizenga had dergelijke prentjes omstreeks 1950 ook gezien en zij zocht uit wie de maker was.i We zagen op het formaat van een kleine speelkaart een GRAAF en GRAVINNE. Achter GRAAF staat 26 en achter GRAVINNE staat 25

8 x 6,5 cm

8 x 6,5 cm

Die prentjes pasten helemaal bij wat we kenden uit het speurwerk van Line Huizenga: JAGER 22 en JAGERSVROUW 21, BOER 6 en BOERINNE 5, LEVEN 2 en DOOD 1

 

Wat die beroepen en de cijfers daarachter betekenen, was volkomen onduidelijk. Toen bleek hoe belangrijk het is om te rade te gaan bij een deskundige: Simon Honig van het Openluchtmuseum Arnhem wist het meteen: dat zijn ‘floskaartjes’. Met behulp van een paar boeken werd het duidelijk en we willen deze ontdekking graag delen.ii Met name het gloednieuwe boek van het Nijmeegse echtpaar Buijnsters over Papertoys gaf veel informatie.iii

Dato heeft zijn snijwerkjes gebaseerd op een centsprent en wel die waarop de Dodendans stond afgebeeld. Centsprenten of volksprenten waren bedrukte vellen van niet al te best papier, met daarop een reeks plaatjes en eronder een vaak rijmende tekst. Soms waren ze (slordig) ingekleurd. Ze werden verkocht in (boek)winkels of door venters op straat en langs de weg. Schoolmeesters deelden ook centsprenten uit aan leerlingen die goed hun best hadden gedaan. De plaatjes gingen onder andere over spreekwoorden, figuren uit de bijbel, vreemde volken of dieren, moralistische lessen en personen uit de geschiedenis. De plaatjes met een beeldverhaal lijken wel op een moderne strip. Kinderen konden ze uitknippen en zo hun kennis verrijken. In de 15de tot de 19de eeuw werden in ons land ook volksprenten met de Dodendans gedrukt. In de middeleeuwen was de dodendans een belangrijk gegeven.

Of je nu eenvoudig of deftig was, uiteindelijk staat een ieder de dood te wachten. De oudste Nederlandse afbeelding staat in een getijdenboek uit 1509: de dood leidt allerlei verschillende personen uit de samenleving ten dans: paus, keizer, monnik, burger, speelman, landman, bedelaar. De prentjes met 36 genummerde beroepen van keizer tot dienstmeid eindigen met het leven (nr. 2, een kind dat bellen blaast, wat duidt op de vergankelijkheid) en de dood (nr. 1).

afb. 5 gedrukt bij Nic. Muys Schiedam, plm 1750

Je kon ze los snijden en eventueel op stevig karton plakken. Er werd een soort kaartspel mee gespeeld. Het is aannemelijk dat het spel uit Duitsland naar onze streken is gekomen. Er komt namelijk naast een bisschop (nr. 32) een bisschopsvrouw (nr. 31) in voor en in het Lutherse Duitsland kon de bisschop getrouwd zijn. Voor katholieken was de laatste een abdis.

Op een van deze centsprenten staat het volgende rijmpje:

Deez’ prente strekke U, lieve jeugd!
Tot tijdverdrijf, vermaak en vreugd.
En leere U, hoe, van keizer af,
Elks deel op ‘t laatste is het graf.

De kaartjes werden ‘floskaartjes’ genoemd, vanwege de flossige rafelranden door het slechte papier. Ze hadden een heleboel andere namen, o.a. ‘pentertjes’, waarschijnlijk omdat penteren of afdingen bij de spelregels hoorde. Hoe het verder in zijn werk ging, is door niemand achterhaald, maar de Dood en het Leven zullen wel troefkaarten zijn geweest; vermoedelijk is het verwant aan het Tarok‑spel (tegenwoordig Tarot). In ieder geval was het in de tijd van Dato Scholtens erg populair.
Hij heeft dus al die figuren met nummer en al uitgesneden, maar daarmee verloren ze natuurlijk hun nut als kaartspel. Waarschijnlijk vond hij het gewoon leuk om zo’n serie prentjes te maken, maar of hij het bij die ene serie heeft gelaten, weten we pas als er ‘dubbelen’ opduiken. Al met al kennen we nu dus acht van de serie van 36 gesneden floskaartjes, die kennelijk verspreid zijn over verschillende Groningse families.

Behalve de floskaartjes sneed hij ook populaire bijbelse voorstellingen: Adam en Eva, David en de Reuse, Absalom, Salomons Gerigte,

wereldlijke gezellige prentjes (Een pyp tabak op myn gemak)

en de wapens van stad Groningen en de Ommelanden.

Met kerfjes van zijn mes heeft Dato stofuitdrukking en versiering aangebracht. In de familie Scholtens worden er enkele bewaard in een mooi boek, met het opschrift: ‘Printboekje van G. Scholtens om gesnedene Printjes van zijn geëerde Dato Scholtens in te bewaren. Anno Groningen 1772’. Deze G. zal een zoon of kleinzoon van Dato zijn geweest.

Wat weten wij verder van Dato Scholtens? Dato is een weinig voorkomende Groningse naam en in de doop- en trouwboeken van de stad is hij makkelijk te vinden. Hij leefde van 1703‑1779 in Groningen en trouwde er in 1729 met Geuicghjen Harms. Zijn beroep was diaconiedienaar.

   

Toen we ‘googleden’ met zijn naam vonden we nog een interessante aanvulling: hij blijkt op zijn 60ste ook nog een boek geschreven te hebben: “Nieuws uitgevonden Klinken of Figuiren om ‘er na te Breiden, Stikken of Borduiren’” (1764). In het voorwoord vertelt hij dat hij al vanaf zijn tiende schreef en tekende voor zijn plezier, of om wat bij te verdienen. Met dit boek dat hij opdroeg aan de kinderen van zijn zoon, wilde hij hen aanmoedigen om ijverig te zijn en geen tijd te verknoeien. Het boek bevat 50 patronen, onder anderen “Patroenen op Kousen en Hanschen” en wordt bewaard in het Groninger Museum.

Tot slot een vraagje aan u en aan de Groningers in ‘t bijzonder; wat zijn ‘klinken’ en ‘handschen’ in het verband van handwerken?

Joke en Jan Peter Verhave

Voetnoten
i Joke Verhave & To van Waning, Line Huizenga en Hil Bottema. Uitg. NVP 1986
ii Maurits de Meyer, De Volks- en Kinderprent in de Nederlanden van de 15de tot de 20ste eeuw. Standaard Antwerpen Amsterdam, 1962
iii P.J. Buijnsters & L. Buijnsters-Smets, Papertoys. Speelprenten en papieren speelgoed in Nederland (1640‑1920). Waanders Zwolle,

Het echtpaar Buijnsters is onlangs onderscheiden voor hun vele studies over kinderboeken en kinderspeelgoed in de cultuurgeschiedenis van ons land.

Romantiek, Knip-Pers 2006-1

In 2005 was er in Museum De Kunsthal te Rotterdam een tentoonstelling met tekeningen en schilderijen uit de tijd van de Romantiek. Met die term wordt de periode aangegeven die een reactie was op de strenge Verlichting en de tijd van de Rede die alles kan verklaren, eind 18de eeuw: ‘Weg met orde en wetmatigheid, ruim baan voor het individuele gevoel, de fantasie en de emotie’. Het was de tijd van ‘hemelhoog juichend en dodelijk bedroefd’.

Men wilde het moment vastleggen en er kwam belangstelling voor de natuur in zijn grootheid en wildheid. Er kwam ook interesse voor het nationale verleden en men kreeg behoefte aan helden. In de tentoonstelling was enige aandacht besteed aan het knusse, huiselijke gezinsleven, waarin men zich onder andere met het maken van silhouetten en knipsels vermaakte. Maar voorbeelden uit Nederland werden er niet gegeven.

afb. 2, Hond bij maanlicht, Runge, 12 x 7 cm

Alleen de romantische schilder Philip Otto Runge uit Duitsland werd genoemd, omdat die zich omstreeks 1800 ook veel met ‘Scherenschnitte’ heeft ingelaten (deze neerbuigende tekst werd in de tentoonstelling gebruikt).

 

 

Reden om aan de Nederlandse knipperij in de Romantiek hier aandacht te besteden.

Nu was de Romantiek in ons land niet zo uitgesproken, maar er zijn toch wel voorbeelden te noemen. Al voor de Franse tijd knipte Cornelis van Lennep met papier en schaar achter zijn rug, sprekend gelijkende silhouetten.

afb. 3, Geuns, silhouetten Betje Wolff en Aagje Deken, 6 x 12 cm

En de schrijfsters Betje Wolff en Aagje Deken lieten hun personages silhouetten en scheepjes knippen. Als meisje had Betje ook al aardigheid in het knippen gehad en in de Noord‑Hollandse Beemster, waar ze later woonde, was het maken van knipsels in het begin van de negentiende eeuw een veel beoefende bezigheid.

afb. 1, anoniem, hartvormig knipsel met herderin, 17,5 x 16 cm

Hartenknipsels waren populair, maar we moeten niet denken dat het in de Romantiek alleen maar ging om de romantische liefde! Het papierknippen werd onder andere gebruikt om onze vaderlandse en kerkgeschiedenis aan de kinderen bij te brengen. Men maakte gebruik van voorgedrukte ‘negatieven’, die uitgeknipt moesten worden en via een kaars geprojecteerd. Zo verschenen daar in de knusse beslotenheid van het familieleven de portretten van vaderlandse helden en reformatoren op de muur. Men noemde het ‘coptografische voorstellingen’. Na de Franse tijd kwamen de Oranjes weer aan het bewind en de eerste koning Willem I, die zich op het slagveld van Waterloo had onderscheiden, werd natuurlijk de held.

De schrijver Jacob van Lennep beschreef in zijn roman ‘De lotgevallen van Klaasje Zevenster’ hoe Klaasje met grote vlugheid een paar bloemtakken van gekleurd papier knipte en Hildebrand vond in zijn beroemd geworden ‘Camera Obscura’ het ‘nuffige knipsels maken’ maar niets voor een Hollandse jongen. Laurillard dichtte over een aantal mensen, die reisden in een diligence: ‘…naast den rentenier een nufje, als een uitgeknipte prent’. Dat schrijvers het papierknippen noemden in hun werk, geeft wel aan hoe algemeen het in ons land beoefend werd.

Ook het eenvoudige buitenleven was populair in de Romantiek en zo maakte de jongeheer Hendrik Melchior Vockestaert omstreeks 1810 allerlei tafereeltjes met boeren, schippers en jagers

afb. 4, Vockestaert,, 1812, 10 x 15 cm

Van de Groningse knipkunstenaar Röemelé is een mooi landelijk tafereel bewaard

afb. 5, Rëomelé, landelijk tafereel, 1830, 22 x 33 cm

met een vissende familie en paarden in de wei (1830). Ook Pieter Reynders leefde zich uit in grote aantallen taferelen met het plattelandsleven als onderwerp.

Schroeder van der Kolk knipte een hele serie voor mensen in zijn omgeving en beeldde daarin hun beroep uit, zoals ‘de Koffywinkel, Mr. Timmerman, Smit en Slotemaker’ (omstreeks 1825). Een ander pas ontdekt voorbeeld van hem is een ‘buitenlevendje’ voor J. Krijgsman. En ons lid H. v.d. Bosch kocht op een rommelmarkt een dergelijk tafereeltje van dezelfde knipper (zie Knip‑Pers dec. 2005, blz. 38).

afb. 6, Jan de Prentenknipper, Treurlied, 10 x 7 cm

Gevoel voor dramatiek hoorde ook bij de Romantiek. Mooie voorbeelden daarvan vinden we in de treurende figuren rond een graf. Jan de Prentenknipper maakte een ‘Treurlied’ als een bijbelleggertje

 

 

 

 

 

 

en een onbekende knipte een tafereel voor een weduwnaar Frederik Godschalk uit Hengelo

afb. 7, anoniem, Memento mori, 24,5 x 37,5 cm

ter herinnering aan zijn echtgenote Catharina Luijerink (1842). We zien een meisje met een zakdoek en een jongen (de kinderen van het echtpaar?) treurend rond het monument (‘gedenk te sterven’). Daaromheen de dood met zijn zeis en een engeltje dat aan ’t bellenblazen is (symbolen voor de vergankelijkheid van het leven).

Al met al heeft de Europese Romantiek in het nuchtere Nederland geen diepe sporen nagelaten. En de knippers in die tijd waren al helemaal niet erg uitbundig in het weergeven van hun emoties. Hoewel, een huwelijksknipsel, gemaakt door de Waterlandse J.K. Sanders is wel erg overdadig aan versierde letters

afb. 8, J.K. Sanders, huwelijksknipsel, 1865, 40 x 37 cm

Toch emoties? Nee, want een van zijn andere weelderige knipsels draagt de tekst ‘Matigheid is de beste voorraadkamer van de Hemel’. Typisch is dan weer de hoorn van overvloed onder de tekst en zo bewegen we ons met Hollandse poldergeest tussen de uitersten in.

Joke en Jan Peter Verhave

Vreugde der Volkskunst, Knip-Pers 2006-4

‘Vreugde der volkskunst’, schreef Hil Bottema in 1958, nu dus bijna 50 jaar geleden, in het blad ‘Neerlands Volksleven’. Zij werd in een voorwoord aangekondigd als: ‘De zo ter zake kundige Mejuffrouw Hil Bottema, wetenschappelijk ambtenares aan het Nederlands Openluchtmuseum (NOM) te Arnhem’.

Wat is volkskunst? Is het kinderlijke kunst? Nee, want ook de traditie moet eraan toegevoegd worden, vond Bottema. Het gebied waar papierknipkunst onder valt, beschreef zij als volgt: ‘Vrije volkskunst, geheel zonder beïnvloeding door werk van beroepskunstenaars. Meestal kerkelijke kunst. In sommige gewesten veel, in andere in het geheel niet voorkomend’.

Als voorbeeld van deze volkskunst noemt Hil: ‘Hendrik van der Wal, Hindrik de Printsjeknipper’, toen wonend in Oudega bij Drachten.
Dat kwam zo: Hendrik had in de dertiger jaren een keer in een Wagenings café geknipt en liet zijn werk gewoon achter. De ober nam het mee naar huis en heeft de knipseltjes doorgespeeld aan het Openluchtmuseum in Arnhem. Na de oorlog werden in diverse plaatsen reisverenigingen opgericht; zo bezocht een reisgezelschap uit Oudega per bus het Openluchtmuseum in Arnhem. Men herkende tussen de verschillende knipprenten het werk van Hendrik uit hun dorp. Velen hadden wel iets van hem in een bijbel of psalmboek liggen.

afb. 1, Hendrik van der Wal, eekhoorns, 14 x 18 cm

Toen hadden de knipseltjes voor Hil een maker; zij ging bij Hendrik van der Wal op bezoek en beschreef dit als volgt:
“Daar, buiten het dorp, waar iedereen ‘Hindrik Printsjeknipper’ kent, woont Hendrik van der Wal, een huisvader, boerenarbeider met enig eigen land. Hij heeft grote bekendheid gekregen door zijn papierknipwerk, een oude volkskunst, die hier in ’t Noorden gebloeid heeft. Of zijn knipsels nu trappelende Friese paarden uitbeelden, of koeien, herten, eekhoorntjes, zelfs konijnen, de dieren erop zijn altijd duidelijk te herkennen en kloek geknipt. Hij houdt veel van beesten. “Elk dier”, zo vertelt hij, “dat ik zie, dat kan ik knippen ook”. En dat doet hij met een verbazingwekkend grote schaar, die zijn zware werkhanden heel vaardig door het rondwarrelend papier heen sturen. Niet nodig om eerst te schetsen, zijn geestesoog ‘ziet’ de vorm van het dier toch wel op het witte papier.

afb. 2, Hendrik van der Wal, konijnen, 12 x 18,5 cm

Als men hem zo bij het werken gadeslaat, met zijn felblauwe boerenkiel aan, gemakkelijk gezeten in een wilgentenen armstoel, zijn gezicht in gespannen aandacht, het lichte krulhaar verward om het hoofd, dan herkent men in deze papierknipper de ware volkskunstenaar, de kunstenaar‑in‑’t‑algemeen. In de huiskamer, witgekalkte muren, zwartgeteerde plint, vuurrode geraniums in de vensterbanken, in dat gezellige vertrekje hangt één van Hendriks knipprenten: wilde eenden in een hartvorm. ‘Wat is dat? Voor een bruiloft?’ “Nee”, de knipper schudt zijn hoofd, “de afgelopen winter was zo streng, toen voerden we de eenden, die waren anders doodgegaan. Je moet een hart voor die beesten hebben. Daarvoor was dat hart”. Zo iemand is nu deze volkskunstenaar.”

Hil nodigde hem uit en in 1947 heeft hij gedemonstreerd in Arnhem. Hij kreeg zelfs een aanbod om als werknemer van het Nederlands Openluchtmuseum dagelijks te demonstreren voor de bezoekers. Maar hij bedankte voor de eer. Haar ideeën over volkskunst waren niet aan hem besteed.

Later kwam er ook nog het aanbod van de Amsterdamse Bijenkorf, maar weer bleef hij liever thuis. De enige keer dat hij tegen betaling een opdracht heeft gemaakt, was voor het bokbier van Heineken: een steigerende bok. Hij kreeg er 25 gulden voor. We hebben navraag gedaan bij de firma Heineken en prompt stuurde men een paar plaatjes met etiketten van flesjes bokbier uit de jaren zestig. Alleen maar koppen van bokken. Wij denken dat die van Hendrik er niet bij is.

Hendrik vertelde graag sterke verhalen onder het knippen en schepte ook wel eens op. Zo vertelde hij aan Magda Helms, die in 1990 ook bij hem op bezoek is geweest, dat hij tot in Amerika beroemd was en dat er in de stad Holland (in de staat Michigan) werk van hem was tentoongesteld.

Nu studeert Jan Peter een paar maanden aan Hope College, in Holland Michigan, de plaats waar naar in de 19de eeuw veel Nederlanders geëmigreerd zijn. Er is daar een museum met allerlei voorwerpen uit Nederland. Jan Peter ging op onderzoek naar knipwerk in het museum daar en inderdaad kwamen er uit het depot twee knipsels van Lever en vier van Hendrik van der Wal: koeien, eekhoorns, konijntjes en duiven onder bogen van takken (zie afbeeldingen). Ze waren in 1947 geschonken door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ter gelegenheid van het 100‑jarig bestaan van Holland en (samen met een heleboel andere Nederlandse kunstnijverheid) uit dankbaarheid voor de bevrijding en de Marshallhulp.

Maar Hendrik beroemd in Michigan? Nee, zijn naam staat niet eens op de knipsels en de archivaris wist van niets. Men was wel blij met het verhaal over Hendrik (en dat over Lever). Hendrik knipte al vanaf zijn zesde jaar en de plaatselijke dominee had zijn ouders ervan proberen te overtuigen hun kunstzinnige zoon naar een kunstacademie te sturen. Maar dat zat er niet in. Het landbouwbedrijf had zijn liefde, en met grond en dieren is hij altijd bezig gebleven. Met die liefde knipte hij zijn dieren, waarbij hij de schaar uit moeders naaimand gebruikte.

Zijn zoon Freerk vertelt (in het Fries): ‘De mensen stonden er versteld van wat hij kon. Er zijn hier niet veel lui die kunnen knippen. Ja, als ze ’t eerst tekenen, dan wel. Maar zo uit de hand, dat is apart’.

Hendrik vertelde altijd als hij knipte, tijdens het knippen van duifjes kon hij de vreselijkste oorlogsverhalen vertellen. Tegen het eind van de oorlog werd hij te werk gesteld in Drenthe, waar hij tankgrachten moest graven. Hij ging aan de haal. Onderweg naar huis vroeg hij om onderdak en als dank liet hij wat knipsels achter. Veel later vroeg een vrouw aan Freerk wie de knipper kan zijn geweest, die in de oorlogsjaren een nacht onderdak had genoten in haar ouderlijk huis en uit dank een paar duifjes uit een stukje papier knipte, die sindsdien in de huisbijbel bewaard werden. ‘No, as it om doukes giet, dan wiet ik it wol’ zei Freerk. Duifjes waren heits handelsmerk. Hij knipte er duizenden.

afb. 3, Hendrik van der Wal, duiven, 13,5 x 18,5 cm

Indertijd had Hil Bottema een aantal van de achtergelaten knipsels op blauw geverfd aquarelpapier geplakt en zij zijn dit jaar te zien geweest in het entreegebouw van het Nederlands Openluchtmuseum.

In 1980 kreeg Hendrik een ongeluk, daarna heeft hij niet meer geknipt. Op 25 november 1992 is Hendrik van der Wal, 80 jaar oud, overleden.

afb. 4, Hendrik van der Wal, herten, 18 x 28 cm

lntussen heeft Freerk de schaar overgenomen en hij werkt in vrijwel dezelfde stijI als zijn vader, al vanaf dat hij een jongetje was. Net als zijn heit, heeft hij grove handen gekregen door het grondwerk, maar toch komen de ‘printsjes’ achter elkaar tussen zijn vingers uit ritselen. Ook hij wordt in zijn woonplaats Frieschepalen de ‘Printsjeknipper’ genoemd en het gezellige kletsen heeft hij van geen vreemde.

Het zit er in: ‘Kinst it of kinst it net’. Knippers die niet van nature knippers zijn, beginnen met een zwaan en het wordt een meerkoet. Freerk heeft zich ook gespecialiseerd in het knippen van levensbomen die families tot onderwerp hebben. Hij tuigt de bomen op met symbolen zoals dierenfiguren. De vertakkingen bevatten silhouetten van de familieleden. Toen Freerk nog werkte, ging de schaar altijd mee. Hij knipte eens tijdens de pauze het silhouet van zijn collega’s. Voor de baas knipte hij om te plagen het hoofd van een ezel. Nu wordt hij veel gevraagd om te demonstreren voor vrouwenverenigingen en allerhande andere gezelschappen. Het lidmaatschap van onze vereniging heeft hij opgezegd omdat er te veel vrouwen lid zijn.
Beste Freerk, de vereniging heeft juist mannen als jij nodig!!
Dank je wel voor de informatie en de leuke gesprekken.

Joke en Jan Peter Verhave

Bronnen:

Hil Bottema, Najaarsbloei van de Nederlandse Volkskunst, Neerlands Volksleven, 1958
Magda Helms, Knip‑Pers maart 1992

Diverse krantenartikelen:
De Waarheid 1‑11‑1962
Leeuwarder Courant 20‑8‑1983
Drachtster Courant 18‑11‑1992
Dorpskrant voor Oudega 2001
Telefonisch interview met Freerk van der Wal, oktober 2006

afb. 6, Hendrik van der Wal, eekhoorns in hart – Nederlands Openluchtmuseum, Arnhem

Wies Palma: Zij kan het knippen niet laten, Knip-Pers 2006-4

Friesland, eind oktober, een zonnige dag, een rustige laan in Drachten, een gezellige kamer, een kopje thee met een lekkere koek en mijn allervriendelijkste gastvrouw is Wies Palma.

Wies Palma is een vertrouwde naam voor velen, ze is immers al vanaf 1983 lid van onze vereniging en heel vaak aanwezig op de Contactdagen. De eerste keer dat ik het museum in Westerbork bezocht (in 1993 om de expositie ‘Feest- en Jubileumknipwerk’ te bekijken ter gelegenheid van het feit dat onze vereniging 10 jaar bestond), zag ik van haar een heel mooi, speels knipsel: een slapend kindje in een bedje, eromheen een cirkel van schaapjes, en dan ook nog een schaap eronder! lk vond het zo leuk en fantasievol geknipt dat de naam Wies Palma in mijn geheugen gegrift is gebleven.

afb. 1, Wies Palma, Sleep kindje sleep, A4‑formaat

afb. 2, Wies Palma, grijstinten, 5 x 21,5 cm

In de loop der tijden was er meer knipwerk van haar te zien in de Knip‑Pers en tijdens verschillende tentoonstellingen, onder andere in ’t Spant in 2002 en daardoor was ik benieuwd geworden naar haar verdere werk en ook natuurlijk naar haar verhaal daarbij. Op tafel lag al een hele stapel uitnodigende mappen met knipwerk klaar om bekeken te worden en bovenop lag een aandoenlijk vierkant knipwerkje: het eerste knipsel dat ze maakte toen ze vijf en een half jaar was! Wat enig dat dat altijd bewaard is gebleven.

Als kind woonde Wies in een klein Fries dorpje. Er was daar geen kleuterschool, maar ze kon zich thuis prima vermaken, want zoals ze zelf zegt: “Ik was altijd al een friemelaar”. Na haar HBS‑opleiding overwoog ze zelfs nog kort om een handenarbeidopleiding te gaan volgen, maar het werd uiteindelijk de Academie voor Lichamelijke Opvoeding in Groningen. Aansluitend gaf ze 6 jaar met heel veel plezier gymnastiekles op verschillende huishoudscholen.

Daarna trouwde ze, ging met haar man in het nog kleine Drachten wonen en kreeg 2 zonen. Wies was en is een actief type en na haar huwelijk bleef ze werkzaam als gymlerares en deed bovendien allerlei vrijwilligers- en bestuurswerk. Ook bleef ze ‘friemelen’: ze hield zich bezig met diverse soorten handenarbeid, onder andere Hindelooper schilderen, het maken van corn-dollies en batikken.

 

 

Begin jaren ’80 volgde een vriendin van Wies een papierknipcursus en zij was daardoor zo enthousiast geraakt dat ze zelf ook cursussen ging geven; Wies ging in het voorjaar van 1982 bij haar vriendin leren papierknippen. Direct vanaf de eerste les vond Wies het een schitterende techniek en ze stortte zich vol overgave in het knippen van allerlei onderwerpen, maar vooral in het begin waren knipsels met folkloremotieven bij haar favoriet. Het maken van deze volkskunstknipsels heeft ze als heel leerzaam ervaren, omdat je binnen de folkloregrenzen toch veel vrijheid hebt, waardoor je èn veel knipervaring opdoet èn intussen gevoel voor verhoudingen krijgt.

 

Na de cursus van 6 kniplessen werd door Wies heel voortvarend de knipkring Drachten opgericht. Van de 7 knipsters van het begin zijn er nog 5 over en zij vormen een hechte groep. Zo’n 5 à 6 keer per jaar komen ze bij elkaar en in de loop der jaren is er bovendien een leuk uitwisselingscontact ontstaan met de knipkring Westerbork.

afb. 3, Wies Palma, 9 x 13 cm

afb. 4, Wies Palma, 6 x 21 cm

In haar lange kniploopbaan heeft ze zelf ook les gegeven, gedemonstreerd en workshops verzorgd. Verder heeft ze deelgenomen aan diverse exposities, individueel of met haar knipkring. Heel veel gelegenheidsknipsels heeft ze in opdracht gemaakt, maar dat ervoer ze op den duur toch als te moeizaam en te belastend (“Heb je het hele ontwerp klaar, ben je soms al begonnen met knippen, wordt er gevraagd: ‘kunt u er ook nog even een poes bij doen?’”).

Bij het bekijken van Wies’ mappen met knipwerk blijkt dat haar voorkeur duidelijk naar zwart‑witte knipsels uitgaat. Zelf zegt ze daarover: “lk ben nu eenmaal erg rechtlijnig, typisch een zwart‑wit figuur!” Ze knipt heel netjes en haar grote kracht schuilt in het feit dat ze kans ziet om een knipidee helemaal uit te diepen. Daar gaat ze heel ver in. Ik zag bladzijden vol met prachtig werk langskomen van o.a. het ‘spelen met vouwen’ (naar de ideekaarten van Frouke Goudman‑Cupido), het ‘knippen in grijstinten’ (naar aanleiding van artikelen van dezelfde Frouke Goudman in de Knip‑Pers), (afb. 2 en 4) het ‘streepjes knippen’ (na de cursus voor gevorderden in Orvelte); alles is even precies en met veel liefde en fantasie geknipt.

afb. 5, Wies Palma, 20,5 cm in diameter

Cirkels zijn bij haar ook favoriet om uit te werken, omdat ze dat zo’n heerlijk ontspannende vorm vindt. Talloze cirkelvariaties kon ik bewonderen, o.a. ook mandala’s.

In de techniek ‘verscholen knippen’ knipte ze overigens voor haar jaargenoten van de Academie voor Lichamelijke Opvoeding in Groningen een logo en dat wordt tot op de dag van vandaag nog steeds gebruikt bij de aankondiging van de tweejaarlijkse reünie.

afb. 6, Wies Palma, 9,5 x 9,5 cm

Wie herinnert zich niet op de Contactdag in 1993 in Ede het Delftsblauw knipwerk van Wies, een techniek door haar zelf bedacht en daar gedemonstreerd? Heel erg origineel en een geweldig leuke inspiratiebron voor heel veel knippers en knipsters.

afb. 7, Wies Palma, 4 x 10 cm

Na problemen met haar gezondheid een jaar of vier geleden, heeft ze het een tijd rustiger aan moeten doen en was de knipinspiratie niet altijd aanwezig, maar zo langzamerhand heeft Wies haar draai (en haar schaar) gelukkig weer gevonden. Niet alleen het knippen houdt haar trouwens op een plezierige wijze bezig, ook het werken met de computer heeft haar grote interesse en wel op een dusdanige manier dat ze net haar tweede computer in gebruik heeft genomen. Niet alleen op knipgebied, maar ook op computergebied blijft Wies bij de tijd!

In 2007 kan Wies Palma haar jubileum ‘25 jaar knipster’ vieren, maar het knippen verveelt haar zeker nog niet. Zoals ze zelf zegt: “Na bijna 25 jaar is er bij mij nog steeds de verwondering dat je uit een stukje papier zulke prachtige dingen kunt knippen. Knippen is nieuwe dingen zoeken, grenzen verleggen, het blijft spannend!”.

Gelukkig voor haar en voor ons kan Wies het knippen nog steeds niet laten!

Ieke Boosman

afb. 8, Wies Palma, Uitverkoop, A4‑formaat

Een oud knipsel, Knip-Pers 2005-3

Een oud knipsel,of hoe een droomwens in vervulling ging

Vorige zomer ging ik op een maandagmiddag naar Haarlem om te winkelen. Op de Grote Markt staan dan veel kramen met stoffen, fournituren en kleding. Het is er heel gezellig. Toevallig kwam ik ook op de Botermarkt, achter V&D; daar was een kleine curiosa- en antiekmarkt, er waren ook een paar boekenstalletjes. In een van de kramen lag, tussen oude potjes, vaasjes en wat kralen, een oud, kapot knipsel in een kapot lijstje. lk nam het meteen heel voorzichtig in mijn handen en vroeg wat het kostte. De verkoopster zei, dat het voor een liefhebber was die het uit elkaar kon peuteren. Het hoefde niet veel op te brengen. Ze vertelde, dat ze het al eerder meegenomen had naar de markt, maar dat tot nog toe niemand er belangstelling voor getoond had. lk vertelde over mijn belangstelling voor knipsels, de knipvereniging en mijn contacten met mensen die mij wel konden helpen. Die mevrouw vroeg, hoe oud ik het knipsel schatte. Dat durfde ik haast niet te zeggen, dan zou de prijs vast omhoog gaan. “Ik denk, dat het misschien uit het einde van de achttiende eeuw is, maar ik ben geen expert, dus het kan ook jonger zijn.” Gelukkig mocht ik het voor een euro kopen, maar dan moest ik het wel restaureren. Daar hoefde ik niet over na te denken! lk had het gevoel, dat het knipsel er speciaal voor mij lag en heb nooit durven dromen, dat ik ooit nog eens zo’n oud knipsel zou hebben!

afb. 2, Knipsel in oude toestand

afb. 3, Knipsel na eigen herstel, 20 x 10 cm

De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag
De opdracht om het knipsel te restaureren, moest natuurlijk wel uitgevoerd worden en dat deed ik graag! Het was een erg leuke uitdaging. Allereerst ben ik er mee naar de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag gegaan. Daar is een papierexpert die ervaring heeft met het dateren van papier en soms kan uitzoeken waar het vandaan komt. Zo kwam ik terecht bij de heer Henk Porck. Hij werkt als conservator en onderzoeker op de K.B. Hij wilde graag helpen maar hij zei wel, dat zijn onderzoekingen niet altijd de gewenste informatie kunnen opleveren.

Hij ontving mij op de papierafdeling, in de studiezaal van de papiercollectie, een werkruimte met grote tafels in het midden. Aan de wanden planken met oude boeken over papier, en grote kasten met laden, vol met allerlei soorten papier. Deze vellen worden gebruikt als hulp bij het dateren van het papier en om de herkomst te bepalen. Op een van de tafels lagen een paar Knip-Persen.

Henk Porck vertelde, dat hij in 1996 op onze contactdag is geweest in Den Haag. Hij kent onze Knipvereniging dus. Hij vertelde, dat het dateren van papier een moeilijke klus is met veel valkuilen. Het oudste papier werd met de hand geschept en is gemaakt van witte lompen. Aan het eind van de achttiende, begin negentiende eeuw kwam er gebrek aan witte lompen en vanaf die tijd werden er ook gekleurde lompen gebruikt. Die werden eerst gewassen, ontkleurd en gebleekt. Maar af en toe zitten er toch nog gekleurde vezeltjes in het papier. Dit kan een aanwijzing zijn dat het papier na ca. 1800 geschept is. Met het blote oog zijn deze vezeltjes bijna niet te zien, maar leg je het papier onder een stereomicroscoop, dan ontdek je er soms een paar.
Bij het papierscheppen wordt een zeef gebruikt om de pulp uit het water te scheppen. De horizontale koperdraden van de zeef liggen dicht tegen elkaar aan om de pulp op te scheppen; het water zakt door de spleetjes naar beneden. Zo blijft er een vel papier over. De lijnen van het raster van de zeef zijn later nog zichtbaar. Dit heet de “vergeure” (spreek uit: verzjure). Soms is dat heel moeilijk te zien, maar met een lamp achter het papier is dit raster in doorlicht toch nog te ontdekken. De dikkere verticale lijnen in het raster zijn afkomstig van de zogenaamde kettingdraden, die liggen een paar centimeter uit elkaar. Zij geven de zeef stevigheid. (Denk aan een weefgetouw.) Onder deze dikke kettingdraden zijn voor extra stevigheid ook nog dunne latjes bevestigd. Ze zijn iets dikker dan de kettingdraden; er blijft hierdoor wat meer pulp liggen en het papier wordt op die plaats een heel klein beetje dikker. Als het papier opgedroogd is, lijkt het of er schaduwranden over liggen. Ook dit is een aanwijzing dat het om origineel met de hand geschept papier gaat, dat vóór 1800 gemaakt is.

Ook een lichte ronde vlek in het papier is een aanwijzing, dat het geschept is. Als na het scheppen de rand van de zeef afgehaald wordt, valt er soms een druppel water op het nieuwe, nog zeer kwetsbare geschepte papier. Dit geeft een dun plekje in het papier. Soms werd er op de zeef een bepaald motief van dun koperdraad bevestigd. Hierdoor ontstaat er een watermerk in het papier. Als er in een vel papier zo’n watermerk zit, kan dit ook een aanwijzing zijn om de leeftijd te bepalen. Van veel papiermakers en papiermolens is namelijk het watermerk bekend. Deze gegevens liggen ook opgeslagen in de Koninklijke Bibliotheek.

Toen het papier machinaal vervaardigd werd, wilde men toch ook papier maken dat er uit zag als geschept papier. Om dit effect te bereiken, liet men een rol met een zeefstructuur, eventueel met een watermerk, over het nog natte papier lopen. Men noemt dit machinaal-gevergeerd papier. Later in de negentiende eeuw werd er ook nog geschept papier gemaakt, maar dan is als grondstof voor de vezels steeds vaker hout, in plaats van lompen, gebruikt.

Vanaf het eind van de dertiger jaren van de twintigste eeuw worden er optische witmakers gebruikt om mooi wit papier te verkrijgen. Houd je dit papier onder een ultraviolette lamp, dan licht het papier lichtblauw op. Met ouder papier is dit niet het geval. Toch is het soms moeilijk om ondanks al deze aanwijzingen de leeftijd van het papier vast te stellen. Dan moet een lichtmicroscoop uitkomst bieden. Er worden van het papier heel voorzichtig een paar vezeltjes afgeschraapt. Hiervan wordt een vezelpreparaat gemaakt. Met behulp van het doorvallende licht is te zien, wat voor vezel het is, een lompenvezel of een houtvezel. Ook dit zegt natuurlijk heel veel over de leeftijd. Deze vezelanalyse is alleen verantwoord als er genoeg materiaal is om te gebruiken en het origineel niet verstoord wordt.

Maar nu terug naar het oude knipsel. Henk Porck noemde het knipsel een bijzondere vondst; het is origineel en het heeft een authentieke uitstraling. Het is zeker geen moderne vervalsing.

  1. Omdat het om een fijn knipsel gaat, is er geen duidelijk herkenbaar watermerk te ontdekken.
  2. Onder de stereomicroscoop zijn enkele gekleurde vezeltjes te zien die in het papier zitten; er liggen andere witte vezeltjes overheen.
  3. Met behulp van strijklicht is de vergeure te zien.
  4. Met behulp van ultraviolet licht is te zien, dat er geen optische witmakers in het papier aanwezig zijn.

Restauratieatelier De Riemkap in Heemstede
De volgende stap was bij een papierrestaurateur advies in te winnen. Daarvoor ben ik naar Restauratieatelier De Riemkap in Heemstede gegaan. Men heeft hier vaker knipsels gerestaureerd. De heer Frits Hazenberg zei dat er veel zwakke punten in het knipsel zitten, maar dat het zeker niet ‘total loss’ is! Het is de vraag, hoe lang het knipsel al in deze slechte staat is. Voor een eventuele restauratie is de kwaliteit van het papier erg belangrijk, hoe diep de vouwen zijn en hoe lang het papier deze toestand uithoudt en dus niet breekt. Het beste is het om het knipsel helemaal te restaureren, de takken van de bomen weer goed te leggen en de zwakke en kapotte plaatsen te versterken met heel dunne reepjes papier. Daarna moet het knipsel met een heel klein beetje lijm opgeplakt worden en met een passe-partout in een lijstje gedaan worden. Het is beter voor het papier om het niet direct tegen een glasplaat aan te leggen.

Frits Hazenberg zei dat de waarde van het knipsel moeilijk te bepalen is. Wanneer het gerestaureerd wordt, is het waarschijnlijk een museumstuk. Zo niet, dan is het een archiefstuk met informatiewaarde. De totale restauratie van het knipsel zal niet goedkoop zijn.

Het gemeentemuseum in Den Haag
Op het knipsel zijn een deftige dame en een heer te zien en een jongen die met een zwierige buiging zijn hoed afneemt. Een tuinman is bezig een boom te snoeien. Onder de microscoop is te zien, dat de lijnen van de japon ingekerfd zijn. lk heb deze figuren onder het kopieerapparaat twee keer vergroot en opnieuw uitgeknipt van wit papier (afb. 5), zodat de contouren heel goed te zien zijn, evenals die van de getrimde hond (afb. 4).

afb. 5

afb. 4 en 5, Fragmenten vergroot en opnieuw uitgeknipt door Jeannet Pasterkamp‑Boerkoel

afb. 6

Mevrouw Hohe, Conservator Mode van het gemeentemuseum in Den Haag, heeft deze silhouetten bekeken. Zij kwam tot de volgende conclusies:

  • De datering van het modesilhouet is ca 1790‑1795;
  • De dame en de heer kan men ‘redelijk modieus’ gekleed noemen (dus ook ‘redelijk welgesteld’);
  • De heer draagt een modieuze frac (rok) die op de Engelse mode is geïnspireerd en waarschijnlijk gemaakt is van zijde of wol;
  • De kleding van de dame is mogelijk van katoen geweest of anders van zijde;
  • De werkman is niet modieus gekleed, hij komt uit een lager milieu;
  • De getrimde hond is niet verbonden met het modesilhouet;

Tussen Kunst en Kitsch
Uiteraard ben ik er mee naar ‘Tussen Kunst en Kitsch’ geweest. Er is een nieuwe papierexpert, de heer Bas Hesselink. De takken en blaadjes van de twee linker bomen had ik al onder een microscoop voorzichtig met twee spelden wat recht gelegd, zodat het knipsel er al veel mooier uit zag. Toch was de taxatie enigszins teleurstellend. Voor mijzelf was dat niet belangrijk, ik ben erg blij met het knipsel. Maar om heel veel geld uit te geven voor de restauratie van iets dat niet veel geld waard is, daar moest ik nog eens goed over nadenken.

Restauratie
Eerst dacht ik het knipsel maar te laten zoals het was, het zag er al heel goed uit en het rechter boompje was best spectaculair zoals het in elkaar gefrommeld was, met allerlei pluisjes er tussen. Maar op een vroege zonnige ochtend heb ik het knipsel toch weer onder de microscoop gelegd. Alleen maar even de stam recht gevouwen (afb. 1), hoe zou het er dan uit zien?

afb. 1, het verfrommelde rechter boompje

Daar zat een pluisje, dat kon er ook wel uit. Nog een takje rechtgebogen. Nog een blaadje omgedraaid. Twee pluisjes er uit… Toen moest ik stoppen, mijn handen begonnen te trillen. Snel een plaatje glas overgelegd, want als je even blies, was er een blaadje verdwenen. De volgende dag kon ik weer verder gaan.

Zo werkend, kwam het knipsel er steeds mooier uit te zien. Een paar takjes lagen los. Die heb ik zo goed mogelijk tegen de stam aangelegd. Alles in een lijstje en het vooral niet meer openmaken om eventjes nog wat te verbeteren. Voorlopig is het goed zo!

Toen waren er nog een paar losse blaadjes over, te klein om in het knipsel te leggen. Misschien zou Henk Porck er nog een vezelanalyse mee kunnen doen? Voordat ze verdwenen zouden zijn, heb ik ze gauw in een diaraampje tussen glas gestopt. 

De vezelanalyse
En inderdaad, met die piepkleine stukjes papier kon Henk Porck nog aan het werk. Hij maakte een preparaat en bekeek het onder de lichtmicroscoop. Hieruit bleek dat de grondstof voor de vezels van het papier voor 100 % uit lompen bestaat. Zijn conclusie is: Al de bovengenoemde gegevens over het papier tonen aan dat het zeker niet onwaarschijnlijk is dat het papier van het knipsel dateert uit het einde van de achttiende of het begin van de negentiende eeuw.

De knipper
Natuurlijk heb ik op de laatste contactdag aan Joke en Jan Peter Verhave een afbeelding laten zien. Er is verder helemaal niets over bekend. Misschien zouden zij kunnen vertellen wie het knipsel gemaakt heeft. “Het zal heel moeilijk zijn om dat uit te zoeken”, zeiden ze. Dan moet er net een (bijna) identiek knipsel zijn waarvan de maker bekend is. En die kans achtten zij niet erg groot. Maar mocht ooit bekend worden wie het knipsel gemaakt heeft, dan laat ik het u weten.

door Jeannet Pasterkamp‑Boerkoel

Dank
Voor de hulp bij de onderzoekingen wil ik graag Henk Porck en de Koninklijke Bibliotheek bedanken. Hun hulp is belangrijk geweest bij mijn speurtocht naar de achtergronden van het knipsel.

Maria Stevens-Pfabe, Knip-Pers 2005-3

Op een zonnige middag fiets ik naar Dieren-Zuid, waar papierknipster Maria sinds 1999 woont. Vorig jaar heeft Hanny Brinkhorst haar ontmoet op de eiertentoonstelling in Velp. Daarna is ze enkele keren bij ons op de knipkring gekomen; we waren erg onder de indruk van haar knipwerk. In november hebben we bij Maria les gehad in het knippen van 5-, 6- en 8‑puntige sterren. Dit was een openbaring voor ons. Het werd een gezellige en inspirerende middag. Met dit in gedachten kom ik bij Maria aan. Ze heeft foto’s en knipsels opgezocht en uitgestald op tafel. lk kom ogen tekort voor al dat moois, dat er ligt Bij een kopje thee komt haar verhaal.

Maria is in 1922 geboren in Dresden. Haar jeugd heeft zij doorgebracht in Bitterfeld. Op school werd ze gestimuleerd door een lerares in het knippen en tekenen. Het postpapier en kalenders van Plieschke (afb. 1) intrigeerden haar. Ze knipte in die tijd niet veel; alleen voor gelegenheden.

afb. 1 – Plieschke

Aanvankelijk wilde ze naar de kunstacademie, maar op aanraden van haar ouders heeft ze een beroep gekozen. Na het Lyceum is Maria medisch assistente geworden. In de oorlog, tijdens het bloedprikken sloeg de vonk over. Ze werd verliefd op een Groninger die daar te werk was gesteld. In 1944 verloofden ze zich. Voor haar verloofde heeft ze toen een knipsel gemaakt (afb. 2).

afb. 2, Maria Stevens-Pfabe, knipsel voor haar verloofde,18 x 14 cm

In 1945 zijn ze getrouwd en het paar vestigde zich in Ost Friesland, omdat Maria als Duitse niet meteen in Nederland mocht wonen. Haar man werkte als tolk bij de Engelsen. In 1947 is het gezin naar Groningen verhuisd. Na enkele omzwervingen zijn ze beland in Nieuwegein, waar Maria zich bezig heeft gehouden met haar gezin (3 kinderen).

Voor het knippen was weinig tijd. Het beperkte zich tot het maken van knipsels op kaarten. Haar dochter woonde in Delft en vroeg haar mee te doen aan een kunstmarkt. Dit was het begin van ontmoetingen met mensen die ook knipten. Zo kwam ze in contact met mevrouw Van Dorp uit Amersfoort en met haar heeft ze veel geknipt.

In die tijd is Maria op les geweest bij mevr. Kerp. (Met de medecursisten onderhoudt ze nog steeds warme contacten). Hier maakte ze kennis met het vouwknipsel. Dat gaf haar weer veel nieuwe inspiratie (afb. 4).

afb. 4 , Maria Stevens-Pfabe, Familieboom

Met mevr. Kerp en medecursisten hielden ze een tentoonstelling in een bank in Bussum. Er volgden vele exposities. Van de kniptentoonstelling in ’t Spant in Bussum ‘Knipkunst 1982’ is een boekje verschenen: Het begon zo… Portrettenalbum door Elly Stroucken-de Jager (1982).

Vanaf de oprichting van de knipvereniging in 1983 is Maria lid. Via mevrouw van Dorp ging ze les geven. Ze gaf lezingen en zat op diverse markten. Nu nog gaat ze naar kerstmarkten en eiermarkten in Nederland en Duitsland. Na het overlijden van haar man gaat de dochter mee. In Zons (Düsseldorf) komt ze al 15 jaar op de markt in het museum. Maria heeft knipwerk geëxposeerd in Vreden, Duisburg, Heidelberg en Bern.

afb. 5, Maria Stevens-Pfabe, paaseieren

Nog elke dag knipt Maria, het ontspant haar enorm. Veel onderwerpen zijn in de loop der jaren aan bod gekomen. Van bomen, vlindermeisjes (afb. 3) …

afb. 3, Maria Stevens-Pfabe, 3x Vlindermeisjes

…en huizen tot heel veel kerstknipsels (afb. 7).

afb. 7, Maria Stevens-Pfabe, Kerststal

Maria is in de loop van de tijd steeds fijner gaan knippen. Ze plakt het knipwerk op kaarten en houten dozen (afb. 6).

afb. 6, Maria Stevens-Pfabe,,knipwerk op houten (spanen) doos

Het ziet er prachtig uit. Maria gebruikt naast zwart papier ook blauw, bruin en andere kleuren papier. Voor het opplakken heeft ze een prima methode ontwikkeld. Ze legt het knipsel op de doos, verzwaart de ene helft, waardoor het niet kan verschuiven, smeert de ondergrond in met behangersplaksel, dept het teveel aan lijm af en behandelt daarna de andere kant. Het zit heel glad. Zonodig wordt het afgelakt.

De middag vliegt om. Er komen steeds meer herinneringen boven: aan de contactdagen, de markt in Hoorn en de ontmoetingen met de vele knippers.

“Door het knippen heb ik veel goede vrienden gekregen en is mijn leven verrijkt”, aldus Maria.

Na een fijne middag neem ik afscheid met de belofte dat we volgend jaar eieren komen maken. Maria blijft gewoon doorgaan met knippen. Hopelijk kunnen wij er nog lang van genieten!

Baukje Koerts

Joke Verhave, bioloog gebiologeerd door de knipkunst, Knip-Pers 2005-3

De naam Verhave is bij alle leden van de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst bekend, want Joke en haar man Jan Peter publiceren namelijk al vanaf de oprichting van onze Vereniging in 1983 in iedere Knip‑Pers (op één na) zeer interessante en wetenschappelijk onderbouwde artikelen over alle facetten van het papierknippen. En ze doen niet alleen dat; in 1983 werd door hen het standaardwerk ‘Schaar‑Kunst’ gepubliceerd. Het prachtig uitgevoerde boek ‘Jan de Prentenknipper’, uitgegeven in 1993, is eveneens van hun hand. Kortom: beiden beijveren zich al vele jaren om de papierknipkunst bekendheid te geven en de ontwikkeling van deze kunst in Nederland in kaart te brengen.

Oplettende lezers onder u zullen trouwens weten dat in de Knip‑Pers van maart 1998 al een artikel geschreven is door Hanke Helms over het echtpaar Joke en Jan Peter Verhave. Maar zonder Jan Peter te kort te willen doen, willen wij deze keer de schijnwerpers eens alleen op Joke richten: zij speelt immers een zeer prominente rol in het knipgebeuren, maakt zelf mooi knipwerk en door haar toedoen is het immers allemaal begonnen!

Even een korte terugblik: In 1971 bezocht Joke met logeetjes het Openlucht Museum in Arnhem en zij troffen daar mevrouw Jannie de Jong‑Brouwer (1924‑2002) oftewel Jantje III, die een demonstratie papierknippen gaf. Het was slecht weer, de logeetjes moesten bezig gehouden worden, dus eenmaal thuis zocht Joke papier en schaartjes bij elkaar en er werd van alles en nog wat geknipt. Dat was het begin van een passie die tot op de dag van vandaag voortduurt.

Gedurende een tijdelijk verblijf in Amerika waar Jan Peter voor zijn werk een jaar moest zijn, hield Joke zich intensief met het onderwerp knippen bezig: ze maakte zelf knipsels, gaf demonstraties, begon zelfs een winkeltje op knipgebied en ging driftig op zoek naar (oud) knipwerk. Eenmaal terug in Nederland, zo rond 1978, toog ze weer naar het Openlucht Museum in Arnhem en met haar tomeloze energie stortte ze zich daar op de aanwezige knipkunstcollectie. De afspraak was dat Joke enerzijds zich voor haar eigen genoegen in de museumcollectie mocht oriënteren en onderzoek mocht doen, en anderzijds het resultaat van haar bevindingen aan het museum ter beschikking zou stellen.

In dat kader schreef zij haar eerste artikel, en wel over Evert Root Sr. (1896‑1978), een knipper die jarenlang een winkeltje in Amsterdam had. Toen Joke over hem hoorde en hem op wilde gaan zoeken, bleek hij spijtig genoeg kort daarvoor te zijn overleden.

Joke heeft wel contact gehad met twee van de drie Nederlandse coryfeeën van na de oorlog, die elk op hun eigen gebied een autoriteit waren: dhr. Wiecher Tjeert Lever (1917‑1981) met zijn museum dat eerst in Roden en later in Westerbork was gevestigd, en dan was er natuurlijk mevr. I.G. Kerp‑Schlesinger van wie in 1970 het informatieve boekje ‘Leer knippende zien’ verscheen. Hil Bottema (1913‑1968), die zich als medewerkster van het Openlucht Museum in Arnhem toelegde op de documentatie van Nederlands knipwerk, was al overleden toen Joke startte (HiIs opvolgsters Jantje III en To van Waning heeft Joke wel leren kennen). De onderlinge verstandhouding tussen de heer Lever en de dames Kerp en Bottema was van dien aard dat zij hun krachten niet hebben kunnen bundelen.

In 1978 kocht Joke in een opwelling de eerste drie antieke knipsels in een antiekzaak, en deze vormden het begin van een schitterende collectie

afb. 1, anoniem, Engeltje, 7 x 9 cm

In 1981 overleed onverwachts Wiecher Tjeert Lever. Zijn zeer omvangrijke collectie werd geveild bij Christies in Amsterdam en ook daar waren Joke en Jan Peter bij. Er kon gelukkig veel origineel snijd- en knipwerk voor Nederland behouden blijven: er werden o.a. aankopen gedaan door het Westfries Museum in Hoorn, het Openlucht Museum in Arnhem, door Tobia Lever (een van de dochters van W.Tj. Lever) en er kwamen ook enkele knipsels in het bezit van Joke en Jan Peter Verhave.

Zo groeide hun verzameling. Gelukkig is het huis van de Verhaves behoorlijk ruim en overal waar maar muren zijn, hangt knipwerk, zelfs tot in het toilet! En verder zijn er gelukkig altijd nog laden en mappen waar veel in opgeborgen kan worden. Het gaat het echtpaar Verhave speciaal om Nederlands antiek snijd- en knipwerk, en dan het liefst met de naam van de maker of de maakster. Omdat die naam natuurlijk lang niet altijd bekend is, is er al heel wat speurwerk door beiden verricht en dat heeft in de loop der tijden tot bijzondere resultaten geleid. Door hun boeken en de publicaties in de Knip‑Pers werd er steeds ruime bekendheid gegeven aan hun onderzoekingen en resultaten.

Joke is bioloog, dus het moet haar aanspreken dat ik vind dat zij duidelijke kenmerken bezit van een getalenteerde duizendpoot: zij heeft vier dochters opgevoed, altijd een verantwoordelijke baan gehad, een druk huishouden, een grote tuin die bijgehouden moet worden.

afb. 2, Joke Verhave, Pake en Beppe 50 jaar getrouwd, 40 x 30 cm

En dan op knipgebied: zij maakt zelf heel mooi knipwerk met een eigen stijl, heeft haar knipkring in Nijmegen opgericht, verzamelt, geeft lezingen, verricht restauraties en heeft steeds kans gezien om naast haar werk samen met haar man allerlei artikelen te schrijven, kortom: haar inzet en enthousiasme is ongeëvenaard!

afb. 3, anoniem, St. Franciscus, 9 x 12 cm

Joke kan heel boeiend vertellen en tijdens mijn bezoek heb ik weer het nodige geleerd. Zo wees zij me bijvoorbeeld op de schijnsymmetrie van sommige religieuze snijdsels; op het eerste gezicht lijkt het of de rechter- en linkerkant identiek zijn. Ook hoorde ik dat er van perkament veel fijner werk gemaakt kon worden dan van papier. Het perkament werd daartoe eerst nat gemaakt en gespannen op een lindehouten plankje en vervolgens gesneden.

Verschillende knipsels heeft Joke moeten restaureren, daar is ze uiterst handig in geworden. Hoewel geen van de 4 dochters hun moeder heeft opgevolgd op het knipperspad, volgt wel een ervan momenteel de restaurateursopleiding en het is natuurlijk heel plezierig en praktisch om nog een expert in de familie te hebben.

Joke en Jan Peter stopten deze zomer beiden met werken en er breken nu gouden tijden aan: er is meer tijd voor alles wat hen zo bezig houdt. Het is de bedoeling dat de collectie knipsels uitgebreid gecatalogiseerd wordt; alle gegevens worden in de computer gestopt. Bovendien zal er een nieuw boek gaan verschijnen ter vervanging van het oude ‘Schaarkunst’ uit 1983.

De liefde van Joke en Jan Peter voor de edele papierknipkunst kent geen grenzen en dankzij veel speurwerk, doorzettingsvermogen en hun niet aflatend enthousiasme hebben zij in de loop der tijd een prachtige collectie antiek Nederlands snij- en knipwerk bij elkaar kunnen brengen. Maar er is nog meer in hun huis te bewonderen. Ook een collectie oude scharen en schaartjes is de moeite waard om te bekijken. Er zijn bijzondere exemplaren bij, maar het leukste schaartje is een exemplaar met 2 fraai gevormde beentjes

afb. 4, Benenschaartje, 9 cm hoog

Het bijbehorende moralistische gedichtje luidt:
Meisjes,
Gedraag je als een schaar
Houd de oogjes open
En de beentjes bij elkaar!

En met deze wijze woorden in het hoofd stapte ik weer in de trein naar huis. Het was een geweldig leuke dag in Malden en ik heb genoten van het horen van alle boeiende verhalen en van het bekijken van zoveel schitterend snij- en knipwerk. Mochten er knippers of knipsters onder de lezers zijn die de collectie ook graag eens willen bewonderen, neem dan gerust contact met Jan Peter op, de gastvrijheid in Malden is groots!

Ieke Boosman

Geveild en in veiligheid, Knip-Pers 2005-3

Al jaren zijn wij in ’t bezit van een ‘albumpje’ met werk van een onbekende knipper. Het is een eenvoudig ingenaaid schriftje met een papieren omslag. Het oorspronkelijk blauwe papier is paars verschoten. Tussen de bladzijden liggen losse knipsels uit wit geschept papier met watermerk. Allerlei onderwerpen zijn geknipt of uitgesneden: het boerenleven, appels plukken, een herder met geiten

afb. 1, anoniem, 11 x 7,5 cm

houthakkers, een processie, paarden en andere dieren. Vrijwel op elk knipsel komen bomen voor met verschillende typen van blad. Die bomen vormen het herkenningspunt. Ze zijn zo fijn uitgewerkt, dat ze de aandacht van de menselijke of dierlijke bedrijvigheid afleiden

afb. 2, anoniem, zoek de kikker en de eekhoorn, 14,5 x 6,5 cm

Zoveel geduld zullen knippers van tegenwoordig haast niet meer willen opbrengen. Intrigerend is, dat er twee bladen uit het schriftje zijn uitgesneden. Het zou goed kunnen dat hij twee knipsels heeft weggegeven. Mensen die er vriendenboekjes op na hielden, deden dat wel vaker: het uitwisselen van knip-, dicht- of tekenwerk. Dat is eigenlijk niet zoveel anders dan het ruilen van knipwerk op onze knipdagen!

Verder heeft de knipper zich ook gewaagd aan het afbeelden van vreemde dieren, zoals een struisvogel, een neushoorn en een kameel. We vroegen ons af of hij (of zij) rond 1780 zulke dieren wel eens in het echt had gezien. Het antwoord kwam onlangs: in een catalogus van een veilinghuis van boeken en prenten vonden we een afbeelding van twee kleine knipsels op blauw papier. Zonder twijfel waren ze van dezelfde knipper als die van ons schriftje. De bomen met hun blaadjes waren onze gids. Zo’n herkenning is voor ons een van de leuke gebeurtenissen bij het bestuderen van de knipgeschiedenis, maar natuurlijk wilden we graag meer weten: wie was het, in welke plaats en tijd?

We zijn naar de kijkdag geweest en vonden ze, los liggend in een echt album dat in leer gebonden was, met blauw papier en goud op snee. De bladen van de binnenkaft waren van kleurrijk gemarmerd papier en we meenden dat het boekje misschien minder oud kon zijn dan de knipsels, maar in de catalogus stond dat het album ‘contemporary’ was, dus uit dezelfde tijd als de knipsels  (eind 18de begin 19de eeuw).

We besloten er een bod op te doen, en inderdaad, het lukte. Toen konden we het boekje en zijn inhoud op ons gemak bekijken. Weer dezelfde bomen, de geiten en paarden, zelfs een eenhoorn (een mythologisch paard met een rechte hoorn op zijn kop; die heeft hij in ieder geval nooit in ’t echt kunnen zien!). Grappig zijn een jongen die met een molentje loopt

afb. 3, wat zou daar achter zitten?, 16 x 10,5 cm

en een varken, waaraan hij nog werkte. Het lijkt alsof hij zijn schaartje of pennenmes heeft neergelegd, om het morgen weer op te pakken

afb. 4, anoniem, varken, 8,5 x 7 cm

Maar er liggen ook andere knipsels in het album. Er zijn diverse voorbeelden van gedrukte en uitgeknipte, 18de‑eeuwse prentjes van bloemen en dieren. Zulke prenten met verzamelingen van bloemen of dieren (ook exotische dieren en andere onderwerpen) werden in de 18de eeuw uitgegeven, juist om ze uit te knippen en in poëziealbums te plakken. Wellicht heeft onze knipper zo zijn knipervaring opgebouwd en geleerd om de vormen van dieren zelf te tekenen en te knippen.

Maar er zijn ook eenvoudige probeersels zoals een beginner of een kind die zou maken.

afb. 5, anoniem, 12,5 x 8 cm

 

 

 

 

Mogelijk zijn het zijn eerste probeersels, maar het kan ook zijn dat een latere bezitter (kleinkinderen?) zijn voorbeeld hebben proberen te volgen. Daar kom je natuurlijk niet achter, maar er zijn wel andere aanwijzingen om het werk en het boekje te dateren. Zo is een van de knipsels gemaakt uit bedrukt papier van een inboedelbeschrijving: onder nr. 459 staat een ‘Fournuis’ en nr. 460 is een Doofpot

afb. 6, anoniem, 11,5 x 8,5 cm

De ouderwetse schrijfwijze was in gebruik tot in de Franse tijd en de Bataafse Republiek (omstreeks 1800; fourneau = oven).

Bleef over onze gedachte dat het albumpje zelf wat jonger was. Daarvoor moesten we te rade gaan bij de geschiedenis van het gemarmerde papier in Nederland. Blijkbaar hadden we het mis: marmeren is in ons land al toegepast in de 17de eeuw, dus het album en de knipsels zullen inderdaad ‘contemporary’ zijn, en wel eind 18de eeuw, zoals we ook uit de aankleding van de figuurtjes al wel konden opmaken. Schriftje en albumpje liggen nu weer veilig bij elkaar, maar al met al weten we nog niets over de knipper zelf…

Joke en Jan Peter Verhave

Literatuur:

JF Heijbroeck & IC Greven, Sierpapier, marmer-, brocaat- en sitspapier in Nederland. Uitg. De Buitenkant Amsterdam, 1994.

Verslag lezing over Arie Tergant, Knip-Pers 2005-2

Verslag van de lezing over de Noord‑Hollandse papierknipper Arie Tergant (1773-1852), gehouden op zaterdag 9 april 2009 in het Horizon College te Heerhugowaard door dhr. C. de Jong, conservator van het Westfries museum te Hoorn.

afb. 1 afb. 1, Arie Tergant, knipsel van wit op blauw papier. 1847, 32 x 39,5 cm (lijst 40 x 48 cm). Tekst: ‘Geduld Overwint Alles’, ‘Gelukkig Hij Die Zich In Ramp Of Tegenspoed Altijd Geduldig Zegt Gods Doen is Wijs en Goed’, ‘Zelden Tijd Zonder Strij’, ‘God is Liefde’

De heer De Jong gaf een verklaring voor het feit dat er in West‑Friesland in de tijd waarin Arie Tergant leefde, een uitgesproken kniptraditie kon ontstaan: In het midden van de 19de eeuw ontstond er in ons land een enorme economische crisis. Het was overal armoe troef, behalve bij de boeren, want juist toen bleef door verbeteringen in de veehouderij de prijs van de kaas hoog, zodat er welvaart onder de boerenbevolking ontstond.

Deze welvaart wilde men natuurlijk graag tonen en van de gemaakte winst kocht men goud en sieraden. De mannen hadden gouden horloges en speciaal gemaakte messen en de vrouwen droegen sieraden, gouden kappen, een beugeltas en een chatelaine (een korte hangketting waaraan een horloge kon worden gehangen en een kokertje met naaigerei en/of schrijfgerei, dus ook een schaartje).

In deze tijd werkte de boerenvrouw 16 uur per dag op het bedrijf. De man zorgde voor het vee, en de vrouw deed de rest. Maar door de stijgende welvaart van de boerenstand kon de boerin zich dienstmeiden veroorloven die veel werk uit handen namen en op deze manier kreeg zij vrije tijd. In West‑Friesland is een bekend spreekwoord ‘Een vrouwenhand en een paardentand staan nooit stil’, dus ging men de vrije tijd invullen met bijvoorbeeld papierknippen.

De kunst van het papierknippen was in de 17de en 18de eeuw tot ons gekomen door de zogenaamde stadse juffers, en al snel knipte men als tijdverdrijf in alle lagen van de bevolking, want papier en schaar zijn altijd wel in huis voorhanden.

In het midden van de 19de eeuw werd het een gewoonte om bij bijzondere gelegenheden een knipsel cadeau te doen. Wanneer men zelf niet zo handig was met schaar en papier, dan kon men een zogenaamde broodknipper opdracht geven om een fraai knipwerk te maken. Arie Tergant nu was zo’n broodknipper.

Arie stamde uit de onderste laag van de bevolking. Hij werd in Alkmaar geboren als vijfde kind van het echtpaar Cornelis Dirkz. Tergant en Jannetje Booi. Aries vader verdiende 3 gulden per week maar toen hij in 1776 overleed, kwam de familie in behoeftige omstandigheden. De weduwe zag zich genoodzaakt steun te vragen bij de Diaconie van de Gereformeerde Gemeente en de kinderen moesten gaan werken. De Diaconie zag daar nauwlettend op toe en rond 1785 waren inderdaad alle kinderen aan het werk. Arie was toen 12 jaar oud. Bij het volwassen worden van de kinderen viel het gezin uiteen. De economische toestand in de jaren 1792‑1812 was in Alkmaar zo slecht, dat het niet alleen de laagst betaalden waren die niet genoeg verdienden om in hun dagelijks brood te voorzien. Dit was waarschijnlijk de reden van het vertrek van de familie uit Alkmaar.

afb. 2, Arie Tergant, Zwart papier op creme ondergrond. 1841. Kerkboekprentje, ca. 12 x 8 cm

Arie woonde en werkte vanaf 1805 in Winkel (nu Gemeente Niedorp) als beeldsnijder en deed daar samen met o.a. Jacob. Bobeldijk belijdenis in de Nederlands Hervormde kerk te Winkel. Voor deze Jacob maakte Arie in 1811 een van zijn eerst bekende knipwerken. In datzelfde jaar kreeg het gemeentebestuur van Winkel de opdracht een lijst samen te stellen van alle mannelijke inwoners die tussen de 25 en 45 jaar oud waren.

Uit deze lijst zouden dan mannen worden aangewezen die moesten helpen bij het aanleggen van de verdedigingswerken in Den Helder. Arie staat ook op deze lijst: ca. 38 jaar oud, timmerman en scheef van leden. Maar waarschijnlijk viel het met Aries handicap wel mee, want hij was behalve timmerman ook beeldsnijder, behanger, klusjesman, leidekker, beeldhouwer en wagenmakersknecht. En hij maakte bovendien papierknipsels.

 

Arie Tergant knipte geboorte-, naam-, huwelijks- en spreukenknipsels, maar ook kleine kerkboekprentjes. Al deze knipsels van groot tot klein maken ondanks de veelheid van de bewerkte motieven een evenwichtige indruk. Er is bijna altijd een rechthoek met in het midden een ovaal. Het knipwerk is symmetrisch en de teksten knipte hij nadat hij het papier weer had opengevouwen. Verder zijn heel herkenbaar de zwevende engeltjes met bazuin op spreukband, de duifachtige vogels met fladderende vleugels steevast omkijkend. De door hem gemaakte knipwerken hebben alle hetzelfde formaat. Ze zijn uit wit papier geknipt en geplakt op een zwart sitspapieren fond.

Ondanks het feit dat zijn in de beginjaren ontwikkelde stijl nauwelijks veranderde in zijn latere knipwerken, is het opvallend dat hij later zijn knipsels niet meer uit één stuk knipte. Het medaillon in het midden en het randschrift zijn nu los van elkaar, zo ook de teksten in de spreukbanden. Dit is waarschijnlijk bedacht om sneller te kunnen werken en om zijn klanten een grotere en aantrekkelijker keus te bieden. Hij is tenslotte een broodknipper!

Knipsels en zeker spreukenknipsels, die Arie Tergant in groten getale heeft gemaakt, waren geliefd bij onze voorouders. Die spreuken bedacht hij overigens niet zelf. Ook rebussen waren zeer in trek. Van Arie is maar één rebus bekend: ‘Vat Den Tyd En Leer Den Wereld Kenne’.

afb. 3, Arie Tergant, Rebus, met tekst: ‘Vat Den Tyd En Leer Den Wereld Kenne’, afm. onbekend

Hij kan er niet echt van leven en besluit in 1840 om meer naamsbekendheid te krijgen en stuurt twee knipwerken naar het Kabinet van de Koning. Hij ontvangt hiervoor 25 gulden en de dringende boodschap zo iets nóóit meer te doen! Zijn financiële situatie verbeterde niet echt.

Arie Tergant maakte in zijn laatste levensjaar een hartknipsel met dezelfde tekst als die van zijn eerste spreukenknipsel: ‘Gedenk te sterven’.

Hij overleed in 1852.

afb 4, Arie Tergant, Uit Achting en Vriendschap

door Marijke Barten