Auteursarchief: admin

Schimmenspeler Frans ter Gast, Nieuwsbrief 1999-3

De belangrijkste gegevens over Ter Gast zijn te vinden in de boeken van Rico Bulthuis (“De geschiedenis van het schimmenspel in Nederland”, 1970), Hetty Paërl (“Schimmenspel en het spelen met schaduwen”, 1979) en Hans Bollebakker, e.a. (“Theater uit handen”, 1992). Paërl bespreekt in haar boek het werk van Ko Doncker, Pieter van Gelder en Willem Roelofs, daarna volgt: “. . .Er waren nog veel meer bekende Nederlandse artiesten die schimmen speelden, maar de allergrootste was wel Frans ter Gast.

Hij hoort tot diegenen in Europa die de meeste beweegbare schimfiguren gemaakt hebben -hij vervaardigde er duizenden. Hij voelde zich, naar eigen zeggen, meer aangetrokken tot het maken dan tot het vertonen. De meeste van zijn figuren bestaan uit vele beweegbare delen, geraffineerd van constructie, vol scharnieren en touwtjes. Voor sommige spelen, bij voorbeeld voor “Erik” van Godfried Bomans vervaardigde hij schimfiguren met grote uitgesneden partijen, waarin hij dun gekleurd papier plakte. Net als Van Gelder maakte hij projectieschimmen. De figuren kwamen in raampjes die geschoven konden worden in gleuven op ongeveer 40cm afstand van de lamp in het projectietoestel (…). Het gezelschap van Ter Gast heette “De Haagse schimmenspelers”.

Er stonden wel veertig stukken op het repertoire, onder andere “Rijden door alle tijden”, “Baron van Münchhausen” en natuurlijk ook “Mijnheer Prikkebeen” (.. .).

Frans ter Gast: Prikkebeen

Ter Gast heeft zich ervoor beijverd de schimtraditie in Nederland voort te zetten, met name inspireerde hij jonge spelers…”. Het genoemde spel “Erik” was op dezelfde manier uit gevoerd als “Janus en Joris in Liliput” uit onze verzameling. Niet bekend is wanneer het precies is gemaakt, het komt niet voor in de reeks schimmenspelen van Ter Gast, die Bulthuis in zijn uitgave opsomt. Ons schimmenspel bevindt zich compleet in een houten kist met schuifdeksel en het bestaat uit 91 scènes met beweegbare zwarte figuren, waarin kleurige partijen uit papier zijn aangebracht. Tekst (2x) en bladmuziek zijn ook aanwezig, evenals een kleine koker waarmee de schimmen kunnen worden geprojecteerd. Ter Gast maakte ook op zich zelf staande snijdsels, wij hebben in de collectie een goed opgezet pinguïnknipsel, dat enige jaren geleden werd gekocht, overigens zonder te vermoeden dat het hier ging om werk van Nederlands bekendste schimmenschuiver.

Boekjes die met schimmen van hem zijn geïllustreerd (“Sage en Feit uit Oorlogstijd”, 1946 en “Appeltjes van Oranje”, 1948) behoren eveneens tot onze verzameling. Frans ter Gast kunnen we in zekere zin zelf aan het woord laten door te citeren uit het artikel “Schoonheid in Schimmen”, dat op 10 november 1950 in de “Panorama” verscheen. “.. .Toen ik nog jong was, vertelt Frans ter Gast, maakte ik toevallig kennis met een clubje, dat zich met het snijden en knippen van schimmen bezighield. Ik heb er toen ook enige gemaakt. En wat later heb ik er nog een paar gemaakt met de kinderen. Die vonden het in het begin erg leuk, maar na de tweede of derde was hun aardigheid er af en zeiden ze: “Nu kunt u het verder wel alleen, vader”. Ik had toen juist de smaak te pakken en zo ben ik doorgegaan, nu al dertig jaar”. (. ..) “. . .Ach, er zijn er, die ze snijden, en er zijn er, die ze knippen. Ik geef de voorkeur aan snijden, je krijgt dan markanter vormen. Maar dat is maar een persoonlijke opvatting en lang niet iedereen is het er mee eens. De Javanen snijden hun wajangpoppen en die hebben in deze kunst heel wat ondervinding. Ze gebruiken voor hun poppen zeer fijne beiteltjes, maar om met dat gereedschap om te kunnen gaan, moet je een Javaan zijn. Ik heb geen Javaanse vingers en daarom behelp ik me maar met gewone, fijne houtsnijmesjes. (…).“…Vroeger sneed ik mijn silhouetten op de ware grootte, dat wil zeggen, de grootte, waarop ze worden vertoond, vertelt Ter Gast. Nu maak ik die kleine dingetjes, die u hier ziet en die, vijf, zes maal vergroot, worden geprojecteerd. Dat is een enorm voordeel, want het maken van zo’n grote schim kost dagen en soms wel weken! Je hebt dan namelijk heel andere , veel moeilijker te bewerken materialen nodig. Nu win ik veel tijd en daardoor kan ik mijn spelen langer en vooral completer maken…“.(…) “…Kijk, vervolgt onze gastheer, als je hier aan trekt, beweegt dit, en als je daar aan trekt, verschuift dat en springt dit hier naar voren. Wij kijken en knikken, in techniek zijn wij nooit erg sterk geweest. Maar de schoonheid van de schimmen zelf kunnen wij ten volle waarderen, er gaat iets fascinerends uit van die zwarte figuurtjes en wij voelen bewondering voor onze gastheer, die dat allemaal heeft gewrocht uit gewoon papier!…’.

Frans ter Gast: De rovers uit “De moord van Raamsdonk”

Joanna Koerten in Schoonhoven, Nieuwsbrief 1999-3

Koerten in Schoonhoven, het is eindelijk zover! Op 3 juni j.l. kon op een veiling van Bubb Kuyper in Haarlem het knipsel “De Romeinse Vrijheid” van de befaamde Amsterdamse knipster Joanna Koerten (1650-1715) worden aangekocht en in de collectie worden opgenomen. Vorig jaar werd het tienjarig bestaan van de stichting W.Tj. Lever gevierd met de tentoonstelling “Gekocht & Gekregen”, een presentatie van tien jaargangen van de nieuwsbrief en de jubileumaankoop van knipsels van Selma Berkelaar. Deze nieuwe aanwinst zien wij als een echte bekroning van tien jaar aankoop- en museumbeleid, waar direct van de verwerving van de omvangrijke Levercollectie in 1988 een begin is gemaakt. Na dat jaar werd aanvankelijk de aandacht vooral gericht op het opsporen van antieke stukken (gemaakt voor 1900) voor de verzameling, om zo binnen enige jaren weer te komen tot een volwaardige museale knipkunstverzameling, die in een eigen onderkomen zou kunnen worden geëxposeerd. Diverse prachtige 18de en 19de eeuwse stukken konden in tien jaar tijd aan de collectie worden toegevoegd, en behalve aankopen was er gelukkig ook sprake van vele schenkingen. Later kwam ook het actief verzamelen van 20ste eeuws werk en hedendaagse knipkunst meer in beeld, wat leidde tot goede verwervingsresultaten.

Er ontbrak in onze verzameling echter nog steeds 17de eeuws knipwerk en dat is, voor een museum als het onze wil zijn, in feite onmisbaar. In die situatie is nu dus gelukkig verandering gekomen. We hebben in de collectie een 17de eeuws werk kunnen opnemen en nog wel een knipsel van Koerten, beter kan het eigenlijk niet. In het navolgende artikel kunt u lezen hoe belangrijk dit merkwaardige kunstwerk in Joanna’s tijd al was.

Een knipsel van Koerten voor de musemcollectie

afb. 1

Het knipsel “De Romeinse Vrijheid, geflankeerd door portretmedaillons van de eerste twaalf keizers” (afb. 1) is door Joanna Koerten-Blok (1650-1715) (afb. 2) gemaakt in 1697. Het is een kunstwerk waarvan zeer veel bekend is. In beide versies van de lofdichten op haar werk (uit 1735 en 1736) staan gedichten die gaan over dit knipwerk.

afb. 4

Bovendien wordt het stuk in de “Voorreede” van de uitgave uit 1735 (“Het Stamboek op de Papiere Snykunst van mejuffrouw Joanna Koerten (…)”) (afb. 4) genoemd als zo ongeveer het belangrijkste werk van haar hand: “.. .Wat de Werken van deeze Kunstenares betreft, die zyn, om dus te spreeken, ontelbaar, doch die geene welke de Kunstenaars voor de fraayste achten, zyn voornamentlyk deeze: De twaalf Roomsche Keizeren, overkunstig naa hunne penningen gesneeden, waar op de puikdichter A. Bogaert een kort doch treffelyk vaars gemaakt heeft…”. Hierna pas volgt een opsomming van “voortreffelyk gesneeden” portretten van Cosimo III, keizer Leopold, Peter de Grote en andere werken. Het knipsel wordt eveneens vermeld in de veilingcatalogi van het werk van Koerten uit ca.1750 (afb. 5) en 1766.

afb. 5

Verder is het, en dat is heel bijzonder, afgebeeld -op de voorgrond aan de voeten van de zittende Minerva links- op het titelblad, dat tekenaar Jan Goeree (1670-1731) in 1708 voor het titelblad van het toen in vorming zijnde Stamboek van Joanna Koerten maakte. (afb. 6)

afb. 6, Jan Goeree

Deze tekening, het knipsel “De Romeinse Vrijheid” en vele andere zaken zullen uitvoerig worden besproken in het speciale Koerten-nummer van de nieuwsbrief, dat wij in december 2000, ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van het Nederlands Museum van Knipkunst willen uitgeven. Zeker is, in ieder geval, dat we met de aankoop van dit knipwerk van Koerten een van de belangrijkste werken uit het oeuvre van deze Amsterdamse “Schaarminerve” hebben kunnen verwerven.

Door Henk van Ark

Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1999-3

Portretten uit wit papier, Nieuwsbrief 1999-3

Op de juni-veiling van veilinghuis Bubb Kuyper in Haarlem zijn, naast “De Romeinse Vrijheid” ook nog enige andere knipsels geveild.

afb. 1, Justus van Maurik

afb. 2, Pieter Reynders

Er was het merkwaardige portret van mevrouw Satijn door Justus van Maurik (afb. 1) het “Offer van Abraham” van Pieter Reynders (afb. 2) een mooi snijwerk, toegeschreven aan Van Voorst (afb. 3) en verschillende kleinere werken.

afb. 3, toegeschreven aan F.H. van Voorst

Het portret van mevrouw Satijn, geboren Lavina van Mollem (1705-1743), een knipsel dat overigens op de veiling werd teruggetrokken, brengt ons op het onderwerp portretten uit wit papier. Van van Maurik is nog een vergelijkbaar knipsel bekend, het portret van David van Mollem (afb. 4) vervaardigd in 1755, negen jaar na diens dood, waarschijnlijk naar een geschilderd of getekend voorbeeld.

afb. 4, Justus van Maurik

Behalve de profielportretten uit zwart papier zijn er in de knipkunst ook diverse portretten uit wit papier gemaakt. Veelal diende een geschilderde, getekende of gedrukte afbeelding dan als voorbeeld voor het knipwerk. Joanna Koerten was zeer bekend om het maken van dit soort portretten. We kennen nu nog van haar hand de portretten van Peter de Grote, Willem III (afb. 5), Frederik III, Galenus Abrahamsz in verschillende verzamelingen, verder worden vermeld de portretten van Cosimo III, keizer Leopold en de gebroeders De Wit.

afb. 5, Joanna Koerten

De gravure-achtige stijl van haar knipwerk sloot direct aan bij de voorbeelden die zij moet hebben gebruikt. Eind 17de eeuw maakte in Rotterdam, volgens stadsbeschrijver Gerard van Spaan, Elisabeth Rijberg zelfs “portraitten in ‘t plat en verheve”. Er is sprake van een portret van Willem III en Maria Stuart, dat zeer fijnzinnig moet zijn uitgevoerd. Een tijdgenoot van beide knippende dames was Roelof van Duiden, een kok of pasteibakker uit Harlingen. Zacharias von Uffenbach beschrijft in zijn “Merkwürdige Reisen (…)“ hoe hij in 1710 in een koffiehuis in Franeker een knipsel van zijn hand heeft gezien, voorstellend het portret ten voeten uit van Johan Willem Friso van Nassau-Dietz (1687-1711). Vermoedelijk gemaakt uit wit papier, naar gedrukt voorbeeld (nieuwsbrief 1995-2). Over Van Duiden is verder niets bekend, wel kennen we inmiddels een vermelding van een ander, door hem gemaakt knipsel, namelijk een 17de eeuws oorlogsschip, op zee met volle zeilen.

afb. 6, toegeschreven (2021) aan Justus van Maurik

Interessant is ook het dubbelportret van Willem IV en Prinses Anna van een anonieme kunstenaar uit de collectie van Museum Sypestein (afb. 6). Meer lijnachtig zijn uitgevoerd de personen die zijn afgebeeld in snijsels van H. van Battum (afb. 7) aan het einde van de 18de eeuw.

afb. 7, H. van Battum

Niet zozeer portretten, maar verbeeldingen van verschillende zintuigen, zoals hier “het gezicht”. Platte knipwerken of snijwerk, maar bij Rijberg wordt ook een andere manier van portretteren gemeld, het werken “in ‘t verheve”. Ook van een andere Rotterdamse papierkunstenaar is geschreven dat hij portretten als “halfverheeven beeldwerk” maakte. Dat was Jan Kopper, die vooral bekend is door zijn maritieme voorstellingen. In de beschrijving van zijn “konstcabinet van papiere snykonst” zijn onder andere vermeld de portretten van ds.Hofstede (“…Dit Pourtrait, met al deszelfs om- en bywerk, geheel van wit papier gesneede geplaatst tusschen twee glaazen in eene vergulde lyst. .“) en “Het Pourtrait van Z.D. Hoogheid W.C.H.Friso, Gl. Ged.”. Of deze portretten ook echt in basreliëf waren uitgevoerd is niet duidelijk, maar de typering van het portret van Hofstede duidt daar niet op.
Wel echte reliëfwerkjes maakte Gerrit Konsé (1751-1826). Konsé, stempelsnijder van zijn vak, maakte uit wit papier gedreven silhouetten van ds. Kersten uit ds. De Leeuw in 1804 (afb. 8).

afb. 8, Gerrit Konsé

Van dezelfde maker worden al in de “Rotterdamsche Courant” van 28 februari 1798 vermeld de portretten van Willem V en zijn vrouw. Die zijn “konstig in Papier uitgewerkt” en “de extra gelykenis en het hoog uitdryven van Papier bewonderd yder”. In fraai vergulde lijst kostten deze portretten respectievelijk 1 gulden en zestien stuivers en 2 gulden. (zie nieuwsbrief 1992-5)

afb. 9, anoniem

Portretten uit wit papier komen we ook tegen bij de witte schimmen of schaduwbeelden. Meestal geen “knipkunst”, maar educatief kindervermaak uit de tweede helft van de 19de eeuw (afb. 9). Een groot aantal voorbeelden daarvan kunt u zien op de schimmenexpositie die dit najaar in het museum wordt gehouden.

door Henk van Ark

Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1999-3

Literatuurlijst Wiecher Tj. Lever

literatuurlijst Joanna Koerten

Jan Goeree en Joanna Koerten, Papyria 10

Tot het Stamboek van Joanna Koerten behoorde een blad met een gedicht van Johannes Vollenhove en een tekening van Jan Goeree. Dit blad is bekend geworden omdat Catharina van de Graft de tekening heeft gebruikt als illustratie bij haar artikel “Papieren knip-en snijkunst, vroeger en nu” in het tijdschrift Historia (jrg.13, nr. 7). Zij gaf deze tekening het onderschrift “Het kabinet van een knipprentenverzamelaar” mee, maar Robert-Jan te Rijdt heeft in 1997 duidelijk gemaakt dat deze tekening, die gevat is in een vignet en als onderschrift heeft “Uit kleine arbeid, grote roem”, weergeeft hoe geleerden opgezette insecten bestuderen, de kleinste en meest wonderlijke creaties van de Schepper [1]. Volgens Te Rijdt is dat geen directe verwijzing naar de knipsels van Koerten, maar indirect is dat natuurlijk wel zo. Die kleine insecten zijn namelijk heel goed vergelijkbaar met het ragfijne werk van Koerten waarmee zij ook grote roem wist te verwerven en daarmee ook de Schepper eerde. Dat geleerde heren in antieke gewaden die wonderlijke diertjes (en in wezen dus ook het werk van Koerten) nauwkeurig en bewonderend bestudeerden, was precies wat Koerten en haar man wilden. Het was de religieuze en wetenschappelijke wereld waarin zij graag verkeerden.

Jan Goeree (1670-1731) was een tekenaar en graveur die vrijwel uitsluitend voor uitgevers van boeken en prenten werkte. Als ontspanning maakte hij gedichten in een vaak uitgelaten-luimige stijl en in puntdichten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij zijn portret (door Valkenburg en J. Houbraken) voorzag van een eigen onderschrift. Dit luidt:

Wie vragen mogt naar JAN na dat hij was verdweenen,
En in een Geest herschept die spieren heeft noch beenen,
Dus was hij van postuur, van oogen, neus en mond
Gelooft dit schilderij, ‘t is of hij voor uw stond”.
[2]

De aanleiding voor zijn tekeningen was bijna altijd een prent en het is daarom opmerkelijk dat zijn meest ambitieuze en historisch interessante tekening ontworpen werd als titelblad, waarvan vast stond dat dit nooit als gravure zou worden uitgebracht.

Daarom maakte hij gebruik van een meer uitgewerkte, op uiterlijke effecten gerichte techniek die bestond uit een schilderachtig samenspel van bruine en grijze wassingen van inkt tussen de partijen op voor- en achtergrond. Van Eijnden en Van der Willigen schrijven hierover: “Goeree was rijk in vinding, verstandig in het ordonneren en schikken der deelen van Zijne onderwerpen, en kende de uitwerking van het licht en bruin zeer wel, waardoor zijne voorstellingen behagen en krachtig uitkomen: maar de omtrekken zijner beelden zijn veeltijds onnauwkeurig van teekening en koel van uitdrukking, de plooien der kleeding gemanierd en onachtzaam behandeld; doch Zijne uitvoering met het graveerijzer en de etsnaald is vrij en meesterachtig”.

De tekening was al wel bekend, maar kwam pas goed in de aandacht door de vondst van een beschrijving, gemaakt door David van Hoogstraten, waarschijnlijk kort na het overlijden van Koerten. Deze beschrijving wordt door Te Rijdt als volgt weergegeven:

“Hoofdfiguur van de voorstelling is Minerva als beschermer van de Kunsten, toepasselijk vergezeld door een papierknippende putto. Ze wordt geflankeerd door reliëfs met afbeeldingen van de riviergoden van IJ en Amstel, en heeft zojuist de tekst geschreven van het titelblad van het bezoekersboek “dat melt den aert der dingen/Van allerlei soort gebooren in verstand/Van edle Geesten en verheven Kunstenaeren“. De drie Kunstvormen waarin in zulks gebeurde, zijn de andere hoofdfiguren op de tekening: Apollo als god van de Dichtkunst, de personificatie van de Schrijfkunst- het Stamboek bevatte van meet af aan blijkbaar vele calligrafieën!- en Pictura als godin van de Teken- en Schilderkunst. Met haar penseel wijst ze laatste op een tondo met een afbeelding van Fenix die uit zijn as verrijst ten teken dat een kunstenaar door zijn werken eeuwig zal voortleven. Links daarvan een afbeelding van Pygmalion geplaatst als zinnebeeld van kunst die zo levensecht kan zijn dat men er door begoocheld wordt. Rechts is een zinnebeeld van Kunst die de Natuur vervolmaakt, geïllustreerd door Minerva die met de schaar een in een haag geschoren vaas bijknipt. Door de lucht wordt een portret van Joanna Koerten gesleept, voorafgegaan door de Faam die de lof over de schaarkunstenares voortbazuint. Centraal in de voorstelling hangt het object waarom alles hier draait, de schaar, omlijst door het zinnebeeld van de eeuwige roem, een slang die in zijn start bijt en omwonden is door lauwertakken. De Schrijfkunst wijst op het bijschrift, ongetwijfeld een puntdicht van Goeree zelf “Wat denkt u kunstenaars/Valt deeze kunst niet schaars“. Op de voorgrond zijn enkele van Johanna ‘s knipsels afgebeeld: het wapenschild van haar zo geliefde Amsterdam dat “haar wieg en graf” was, daarboven een ovaal portret van koning-stadhouder Willem III; rechts in de hoek-onder de afbeelding van de riviergod van de Amstel- een portret van Frederik III van Brandenburg, geheel vooraan een half zichtbaar allegorisch knipsel dat niet thuis te brengen is, en een rol met, volgens David van Hoogstratens gedicht knipsels die in de voorstelling geen plaats meer konden krijgen. De ingelijste afbeelding van het scheeprijk IJ uiterst rechts is geen knipsel maar kan geïdentificeerd worden als het ingelijste kabinetschilderij door Abraham Storck dat in Koertens nalatenschap voorkomt, of als de weerga ervan door Adam Silo. Aan de voeten van Minerva ligt zeer herkenbaar een knipsel dat recent is opgedoken en daarom moet worden toegevoegd aan de relatief korte lijst van bewaard gebleven werken door Joanna Koerten. Het is de in de lofdichten meermaals bezongen afbeelding van de Romeinse Vrjheid zittende op een troon en omgeven door de portretten van de eerste twaalf keizers. In de (later aangeplakte) onderrand zijn twee verzen van Abraham Bogaert gesneden, één op de voorstelling en één op de kunstenares. Als een der weinige knipsels van Koerten is dit stuk gesigneerd en gedateerd “Joanna Koerten/Blok/Amsterd. 1697”. De keuze voor deze voortelling moet voortkomen uit de opmerkelijke fascinatie voor de Romeinse oudheid waarvan omstreeks 1680-1725 het Amsterdamse culturele milieu zo vaak getuigde, waar waarover we thans nog heel weinig weten. In Goeree ‘s tekening blijkt deze fascinatie ook uit de aanwezigheid van portretmedaillons van Julius Ceasar en keizer Augustus links en rechts bovenaan in de verder geheel op Amsterdam toegesneden voorstelling. Op de achtergrond links is een hofgezicht te zien dat in dezelfde geest aangeeft hoezeer verbeeldingen van grootse klassicistische praalgebouwen de Amsterdamse kunstenaars in die tijd voor ogen zweefden. Rechts op de achtergrond ten slotte ziet men een scene die aangeeft waarvoor het bezoekers boek eigenlijk bedoeld was: een exotisch geklede heer betreedt met zijn gevolg een zaal, geleid door de Nieuwsgierigheid die herkenbaar is aan de oren op haar kleed omdat zij opvangt wat door anderen verteld is. Over de identiteit van de vorst die Koertens papieren schaarjuwelen komt bewonderen, doet het gedicht geen uitspraak. Het ligt uiteraard voor de hand om aan de boomlange tsaar Peter de Grote te denken. Hij verbleef immers in 1697 ruim acht maanden incognito in Amsterdam en bezocht in de vermomming van een Rus van lagere adel diverse kunst- en rariteitencollecties, waaronder die van Joanna Koerten“.

Net als de illustratie bij het gedicht van Vollenhove heeft Goeree tekeningen gemaakt als illustratie bij zinspreuken met betrekking tot Joanna Koerten. Zoals twee illustraties bij inscripties van twee Hoornse bezoekers.

In zijn artikel bespreekt Te Rijdt verder kort nog enige tekeningen van Goeree die te duiden zijn als losgesneden Stamboek-illustraties, de inscripties, gedichten of andere teksten zijn verwijderd.

 

Het zijn emblematische voorstellingen die geen enkele verwijzing bevatten naar de schaarkunst, maar wel handelen over kunst, de bewondering die zij oogst en de arbeid die zij kostte. Kortom een perfecte verwijzing, net als “kleine arbeid, grote roem” bij het gedicht van Vollenhove, naar het werk van Koerten en de waardering en bewondering daarvoor.

Door Henk van Ark

Noten

  1. Robert-Jan te Rijdt, ”Jan Goeree, het stamboek van Joanna Koerten en de datering ervan: Delineavit et Sculpit, nr.17 (1997), p. 54.
  2. van Eijnden/A. R. van der Willigen, Geschiedenis der Vaderlandsche Schilderkunst (…), Haarlem 18 16-1840, deel 1 p.2 44-247.
  3. Te Rijdt, c., p. 49-51.

Afbeeldingen:
Papyria
dbnl.org

De Buitenplaats de Aemstelhoek, Papyria 10

De edele knipkunst of “conste der schaer” die nog veel meer beoefend is. Niemand knapper daarin dan Johanna Koerten, die op haar buitentje Amstelhoek tegenover de Utrechtschepoort beroemde kunststukken maakte en Vorsten met de schaar portretteerde”. [1]

Dit door Ter Gouw bedoelde “buitentje” van Koerten is afgebeeld en besproken in het prachtwerk “HOLLANDS ARCADIA. Of de vermaarde Rivier DEN AMSTEL” van Abraham Rademaker uit 1730 [2].

Het kwam in de 17de en 18de eeuw veel voor dat bemiddelde inwoners van Amsterdam een buitenplaats aankochten of lieten bouwen om vooral de zomertijd zich te kunnen onttrekken aan de drukte en de stank van de stad. Zo ontstonden buitenplaatsen in de Beemster, het duinengebied, langs de Vecht en de Amstel. In 1719 verscheen de uitgave “De zegenpralende Vecht”, een verzameling van 98 gravures door Daniel Stoopendael van meer dan 44 buitenplaatsen, huizen en hofsteden aan de Vecht. Het is een trots vertoon van luxe en bezit van rijke burgers aan het grote publiek. Doopsgezinden namen onder de eigenaars van deze gebouwen een prominente plaats in. Te Nieuwersluis lag een rij aaneengesloten buitenplaatsen waarvan de eigenaars allen doopsgezinden waren, waardoor deze streek ook wel de “Menniste Hemel” werd genoemd. Een hofstede met land bij Loenen aan de Vecht werd in 1670 gekocht door Agnes (Agnetha) Block (1629-1704), die wij kennen uit de geschiedenis van de Nederlandse knipkunst. Block trouwde in 1649 met de doopsgezinde zijdekoopman Hans de Wolff. Deze was een neef van Vondel, Agnes raakte met deze schrijver innig bevriend. Na Wolffs dood hertrouwde zij met de eveneens doopsgezinde zijdehandelaar Sybrand de Flines.

Buitenplaats de Vijverhof

Op het aangekochte terrein liet Block de fraaie buitenplaats de Vijverhof aanleggen, met hoofd- en bijgebouwen, een orangerie en boomgaarden, vijvers en weelderige sier- en moestuinen. Agnes wijdde zich vooral aan de botanie, zij huurde een twintigtal kunstenaars in om haar omvangrijke collectie zelfgekweekte bloemen en planten te vereeuwigen. Ze verwierf faam door als eerste in de Republiek een ananas te kweken. Deze activiteiten zorgden voor haar bijnaam Flora Batava (Bloemengodin van Holland). Maar Agnes hield zich ook bezig met papierknippen. In diverse gedichten is dit vermeld, al is tot nu toe geen bewaard gebleven werk van haar hand bekend. Ter gelegenheid van haar tweede huwelijk schreef Joost van den Vondel over haar botanie, maar ook over haar knipwerk:

d’Een schept zomwyl lust op ‘t lant,
daer zy bloemen zaeit en plant,
Of de bloemgodin helpt vieren,
En het loofwerk op papieren,
Uitgesneden met de schaer,

Offert op het huisaltaer:
d’Ander heeft Natuur getroffen,
als hy net in zyde stoffen,
Loof en schoone bloemen weeft,
Schooner dan de lente ons geeft”.

Vergelijkbaar met “De zegenpralende Vecht” is het al genoemde “HOLLANDS ARCADIA”, een boek dat in honderd afbeeldingen van “alle deszelfs LUSTPLAATSEN, HERENHIJIZEN en DORPEN toont, zig uitstrekkende van AMSTERDAM af door OUDERKERK, ABCOUDE, BAEMBRUG tot LOENDERSLOOT.”

De eerste door Ramaker gemaakte gravure is op het titelblad van het boek te vinden. De beschrijving van G. Tysens vermeldt daarover ondermeer:

ô Magtig Amsterdam! ‘tgeen zo wyd langs den zoom
Van ‘t Y legt uitgestrekt, en spiegeld in den stroom
Uw spitse Torens, en roemwaardigepraalgebouwen,
Het lust my eens u van d’Amstelkant te aanschouwen,
En op uw trotse sluis uit ‘t water opgehaald,
waar in de kunst en vlyt met vollen luister praald
Die haren grondslag vestte op vyfendartig bógen
De schoonheid van uw stad en grootheid te beogen
“.

Hierna volgt een loflied op de stad met al zijn gebouwen, kerken en poorten om vervolgens over te gaan naar de beschrijving van de lusthuizen enzovoort aan de Amsteloevers (Amsteldijk en Weesperzijde).

De hoek van d’Amstel geeft ons ‘t eerste Tuingezicht,
Het lugtig zomerhuis, agtkantig opgerigt,
Verheft zyn hoge kruin uit ‘t zagtjes vloeijend water
‘t Geen langs zyn boorden ruisd met lieffelyk geschater,
Daar het een uitzigt op de gróte Koopstad heeft,
Of weer aan d’and’ren kant langs ‘t slak des Amstels zweefd”.
De Kunstbeminnaar Blok hier zyn welbehagen,
als hy in eenzaamheid by zoele zomerdagen,
zig aan de stad onttrok om hier de zoete rust Te vinden,
als de dauw de frisse bloemen kust.
Maar ach, hy zal geen vreugd meêr op deez ‘plaats bekomen,
Die Kunstbeminnaar is ons door de dood ontnómen;
Zyn brave Weduwe vind nu nog haar vermaak In ‘t buiten leven,
daar gèen nyd geen list geen wraak
”.

Het “lugtig zomerhuis” waar het hier om gaat is de buitenplaats Aemstelhoek van Adriaan Blok en Joanna Koerten. Het was de eerste van een grote reeks buitenplaatsen aan de Amstelzijde van de rivier De Amstel.

Het is meer een buitenplaatsje dat de vorm heeft van een behoorlijke, achtkantige tuinkoepel. Met aan beide zijden een schuttingachtige opbouw waarin aan de Amstelzijde een dienstvertrek lijkt te zijn opgenomen. Hoe groot het gehele buiten is geweest is niet helemaal duidelijk. Op een latere kaart is te zien dat voor andere bouwwerken op het perceel maar weinig ruimte was. Het was een bescheiden lusthuis aan de rivier.

Vanaf de rivierkant kijken we waarschijnlijk in de richting van het Saagmolenpad met in het verschiet twee molens. We zien Aemstelhoek afgebeeld in de rechterhoek van de gravure op het titelblad en groter als afzonderlijke gravure van een lusthuis aan de Amstel met als tekst: “Maison de Campagne DE MADlle LA VEUVE/de feu Mr ADRIEN BLOCK//Hofstede van MEJUFFROUW DE WEDUWE/van den HEER ADRIAAN BLOCK”. De afbeelding is genummerd 3, maar in feite is het de vierde afbeelding in het boek, na het gezicht op de stad (titelblad) en gezichten op de Buiten-Amstel (nrs. 1 en 2).

Aemstelhoek was dus gelegen direct aan de rand van de toenmalige stad, ter hoogte van nu de Govert Flinckstraat. In de buurt van de Hoge Sluis, de Utrechtsepoort en maar liefst drie herbergen.

Een erg rustige locatie zal het dus niet geweest zijn, vooral ook omdat de Amsteldijk de drukste toegangsweg tot de stad was, en een prettige omgeving voor wandelaars. Dat wandelen was in de 17de en 18de eeuw een veel beoefend tijdverdrijf en de Amsteloevers waren geliefd. Men kon er terecht in talloze uitspanningen, zoals de Ijsbreker, de Beerebijt en de Pauwentuin. De IJsbreker was de eerste bebouwing buiten de stad aan de Weesperzijde, Beerebijt en Pauwentuin volgden aan de Amstelzijde op de Aemstelhoek.

Door Henk van Ark

Noten

  1. ter Gouw, De Volksvermaken, Amsterdam z.j. (repr.) p. 686-687.
  2. Henk van Ark, “Maria, Adriaan en Joanna”, Welkom in Papyria, nr.5, Rasquert 2013, p. 9-13.
  3. Henk van Ark, “Doopsgezinden en knipkunst”, Welkom in Papyria, nr. 2 , Rasquert 2011, p. 33.

Afbeeldingen:
noord-hollandsarchief.nl
Allard Pierson Museum
Stadsarchief Amsterdam

Wat de la Rue in Amsterdam zag, Papyria 10

In de Lofdichten uitgave van 1736 is een gedicht opgenomen dat niet voorkomt in de roofdruk van 1735. Het gaat om:

“OP ’t GEZICHT
Der weergadelooze Papiere Snykunste, en heerlyke Cieraadjen des Stam-
boeks van de alom beroemde Juffer
JOANNA KOERTEN,
In haar leven Huisvrouwe van wylen de Heere/ADRIAAN BLOK
Is Godlyk iets uit niet te maaken:
Daar naast volgt uit geringe stoff
te vormen zulke schoone zaaken,
Die waardig zyn den hoogsten lof
Otfangen zoo door mond als pennen
Van hen, die edle Kunst erkennen.
Met regt dies pronkt dit Stamboek van
Deez’ Kunstenaaresse, zonder gade,
Met al wat treflyk heeren kan,
Met blyk van Vorstelyke Genade,
Met Puikschrift keur van Beeld en Bloem,
En veeler braafste Digteren roem.
”Gezigt dier onderscheiden dingen,
Zoo fraai, zoo ryklykgeschakeerd my wel ruime stof tot zingen;
Maar KOERTENS Schaar word best vereerd
Door Vollenhove, Brandt en Moonen.
Myn rym zwigt voor hun’ heldetoonen“.

Het gedicht is ondertekend met: “Pr. DE LA RUE
In Amsteldam, den 19den van
Oogstmaand des Jaars 1735”
.

Dit gedicht werd geschreven door Pieter de la Ruë (1695-1770) daags nadat hij een bezoek hand gebracht aan Maria van Arckel, de weduwe en tweede echtgenoot van Adriaan Blok. Deze De la Rue was een doctor in de rechten, advocaat te Middelburg en aldaar schepen, raad, thesaurier en voorzitter van het college van kleine zaken. Na een inzinking in 1720 was hij vanaf 1725 tekenmeester van Zeeland. In 1759 ontslagen uit zijn functie vanwege zijn sinds 1741 teruggekeerde ziekte. In 1802 liet Daniel Rademachter een portret van zijn oom door Georges Kockers graveren. De la Rue had een rijke bibliotheek met vele kostbare en zeldzame werken en schreef over vele zaken, gebundeld tot een “Mengeling van aanteekeningen”. [1]

collectie Rijksmuseum

Belangrijker dan het gedicht uit 1735 is de beschrijving van wat deze Zeeuw bij Maria, toen woonachtig in de Utrechtsestraat in Amsterdam, had gezien. Het is een interessante notitie over Koerten’s knipwerken het zogenoemde Stamboek. De la Rue’s beschrijving, die opgenomen is in zijn “Mengeling van aantekeningen over zaaken en gevallen van verscheiden aardt” werd in 1880 voor het eerst gepubliceerd door Nagtglas [2] en veel later door Post in een breder kader geplaatst [3]. Bijna 1400 aantekeningen, geschreven tussen ca.1720 en 1742, staan in vijf banden bijeen, handelend over zaken als recepten en stadsnieuwtjes, persoonlijke zielenroerselen, opvattingen over dans en toneel, bibliografische checklisten, enzovoort [4]. Toen De la Rue het Stamboek inzag was het nog niet ingebonden. De erfgename wilde dat wel laten doen. Volgens De la Rue zou het wel drie grote folianten gaan omvatten [5].
De la Rue noteerde over zijn bezoek aan Van Arckel [6]:
“Ruim zozeer bezienswaardig, is de alomvermaarde Papiere Snykunst, endaaruit ontsprooten heerlijk Stamboek der beroemde juffrouwe Johcinna Koerten, eerste huisvrouwe van Adriaan Blok by wiens laatste huisvrouw, en (1735) woonagtig in d’utrechtsche straat dat beide nog te zien is. de snykonst hangt in eene Kamer byeen, en bestaat in plat en opwerk. Het opwerk hebbe ik veel fraaier te Rotterdam gezien, dog het platwerk is zeer fraai niet alleen, maar zoo het waarlyk met eene schaare gesneeden is, verwonderlyk kunstig. Het vertoont zig als net geschaduwd printwerk en bestaat de schaduw alleen in zeer fijne sneedjes of knipjes, zooals men mids die stukken tusschen twee spiegelglazen hangen, tegen het doorspeelend ligt, zien kan. De voornaamste dier nog overig zynde kunststukken zyn (hangende als schilderytjes van verscheidene grootte in zwarte lystten) Twee zeer uitvoerige landgezichten Het Ygezicht naar eene Schildery van Stork een keurlyk Bloemstuk met eene afhangenden spinnekop. Voorts de Portraiten van.

Czaar Peter            Balth. Bekker in zyne studeerkamer, zeer uitvoerig.
Koning Willem III
Prof Francius          Galenus Abrahamsen met een Grieksch testament
en
De Raadspens. J. de Witt, dog dit is wat geschonden

Haar zoogenaamd Stamboek zal, als ‘t met alle zyne fraayigheden saamgebonden is (zooals ‘t voorneemen van A. Blok was, en nu nog van zyne weduwe schynt te weezen) naar gissing uitmaaken drie groote folianten. Het bestaat uit [1] origineele handschrjften van hooge personalien keizeren, koningen, prinsen, graaven edelen enz

2 uit gedigten van meer en min beroemde digteren met eigene hand geschreeven. 3 uit zeer heerlyke zinnebeelden, portraiten en bloemstukken zoo getekend als in water- en olyvervye geschilderd door de voornaamste kunstenaars en kunstenaaressen. 4 en eindelyk uit d’allerkeurlykste staaltjes van schryfkunste door Gadelle, Krama, enz. s ‘anderendaags zond ik aan de Bezitster ook eenen geschreeven Rym, slaande op al dat fraai. ‘t staat onder myne gedigten“.

Om diverse redenen zijn deze aantekeningen van De la Rue interessant. Allereerst meldt hij de de papiere snykunst van Koerten (nog steeds) alom vermaard is en dat rechtvaardigt een bezoek aan de weduwe Blok in 1735, dus twintig jaar na het overlijden van Koerten. Mogelijk was dat ook de aanleiding om de Lofdichtenuitgave van 1735 uit te brengen, gekoppeld aan een hoeveelheid, door Moffit Peacock veronderstelde, Amsterdampromotie [7]. Bovendien was De la Rue bekend met papierknipkunst. Het papieren opwerk had hij in nota bene Rotterdam beter gezien. Het kon dan zijn gegaan om werk van Gillis van Vliet en nog meer waarschijnlijk papierkunst van Elisabeth Rijberg. Die was met meer ruimtelijk werk, ook gezien haar geknipte papieren bollen, tot veel in staat geweest. Het knipwerk van Koerten hing op een kamer bij elkaar, een mooi knipkunstkabinet, ongetwijfeld met oog op bezoek ingericht. De la Rue kon het platwerk zeer waarderen, hij beschrijft het als “geschaduwd printwerk” dat tussen twee glazen spiegelglazen is geplaatst waardoor het door het doorspelende licht bekeken kan worden. Het was één van de effecten die Koerten toepaste om met haar knipwerk indruk te maken [8]. De la Rue noemt als werken van Koerten het Gezicht op het IJ, naar een schilderij van Stork en een bloemstuk en de portretten van Peter de Grote, Koning-stadhouder Willem III, Professor Francius, Balthasar Bekker en Jan de Witt. Een beperkte keuze uit wat er te zien moet zijn geweest. Interessant is zijn opmerking over de enigszins geschonden staat van het de Witt portret. Het zogenaamde Stamboek bestond volgens hem uit vier onderdelen: 1) handschriften (handtekeningen) van belangrijke personen, 2) gedichten, 3) tekeningen en schilderijen en 4) schrijfkunst.

Een vergelijking met wat Zacharias von Uffenbach in 1711 bij Joanna Koerten aan de Nieuwendijk zag toont grote overeenkomsten, maar ook een duidelijk verschil. Hij zag bij haar 32 knipsels, waarbij veel nieuwe kunstwerken die hij bij zijn eerste bezoek aan de kunstenares in 1705 nog niet had kunnen bekijken. Koerten had dus flink doorgewerkt. Hij noemt portretten van Peter de Grote, Willem III, de Witt en Petrus Francius, geeft hoog op van de bloemenvaas en Koerten’s reliëfwerk (in vergelijking met wat hij te Rotterdam had gezien naar de tekening beter) en vermeldt het doorzichteffect, dat door deurtjes aan de achterzijde van het knipwerk open te zetten, kon worden bewerkstelligt. Opvallend is echter dat deze kunstkenner en boekenliefhebber het niet heeft over een handtekeningen (boek), tekeningen van kunstenaars en kalligrafleën. Over een eventueel bestaand Stamboek, of plannen daarvoor, rept hij niet.

Het gedicht van De la Rue kon nog net worden opgenomen in de Lofdichten uitgave van 1736. Waarschijnlijk heeft Maria van Arckel het initiatief tot deze publicatie genomen, mogelijk als reactie op de roofdruk van 1735. Knipsels en Stamboek bleven bij elkaar, op enig moment kwam dit geheel in bezit van de koopman Pieter Testas de Jonge. Wat er na 1737 precies gebeurd was niet bekend, Plomp heeft tevergeefs geprobeerd dit boven water te brengen [9]. Maar, we weten nu dat de gehele Koertencollectie door Van Arckel werd vermaakt aan Sara Outgers, de vrouw van Pieter Testas [10]. Een duidelijke opzet om de collectie in de familie te houden. Uiteindelijk schakelde Testas, niet voor niets koopman, makelaar Hendrik de Leth in om het geheel aan de man te brengen. Er verscheen een catalogus, in Nederlandse en Franse versie. De verkoop lukte kennelijk niet erg er is sprake van verschillende veilingen na 1750.[11] Het meest bekend is een veiling te Rotterdam waar een belangrijk deel van Koertens werk en Stamboek uit het bezit van Michael Oudaen werd geveild. Zo raakte het werk van Koerten uit elkaar en is er veel bewaard en veel verloren (bijvoorbeeld. de handtekeningen van bezoekers) gegaan.

Door Henk van Ark

Noten

  1. Rue, Pieter de la Rue, NNBW7 (1927), p. 1072-1073.
  2. Nagtglas, “Wat een Zeeuw anderhalve eeuw geleden in Amsterdam zag”, De Navorscher, 30 (1880), p. 433-438.
  3. S .D.Post, “De aantekeningen van Pieter de la Ruë. Een 18 eeuwse bron voor receptie-onderzoek op letterkundig gebied, De Nieuwe Taalgids 86 (1993), p. 405-420.
  4. Idem, p. 406.
  5. Idem, p. 4.
  6. Pieter de la Rue, Mengeling van aantekeningen over zaaken en gevallen van verscheiden aardt, UBA, signatuur Hs XIV H 1 tm 5, deel III, Derde Stuk, Tiende Hoofdstuk, nr. 8, p. 5-6.
  7. Zie het opstel “Dichters en lofdichten” in dit nummer.
  8. Zie het opstel “De special effects in het werk van Koerten” in dit nummer.
  9. Michiel Plomp, “De portretten uit het Stamboek van Joanna Koerten (…), Leids Kunsthistorisch Jaarboek, VIII (1989), p. 328.
  10. Joke en Jan Peter Verhave, Joanna Koerten en haar Schaar van bewonderaars, Amsterdam 2015, p. Ruud Lambour verstrekte de volgende gegevens: In haar testament (notaris Jan Barels, 6 maart 1731) had Maria van Arckel haar bestaande in het sneijwerk de teekeningen, en verdere konststukken door wijlen Juffr Johanna Coerten in papier gesneeden, met de naald geborduurt off geteekent” geprelegateerd aan Sara Outgers, de vrouw van Pieter Testas junior. Geprelegateerde goederen worden in boedelinventarissen niet exact stuk voor stuk beschreven, maar samenvattend gememoreerd. Zo ook in de sterfhuisinventaris van Maria van Arckel, zie notaris Mathijs Maten de Jonge, 22 oktober 1737, waarin onder het kopje “konst” het volgende staat: “all de papierkonst bestaande in het sneywerk, de teekeningen, en verdere konststukken, door Johanna Coerten in papier gesneeden, met de naald geborduurt off geteekent. Bestaande in vijffendertigh stuks borden off schildereyen in swarten lijsten met glas voort sny of teekenwerk. Nogh vier stuks snywerk in gecouleurde lystjes met vergulde randjes, mede met glas daarvoor dogh niet gesneeden door Johanna Coerten, maar van buyten aangekogt. Elff boeken off portefeuilles waarin diverse teekeningen, printen, schriften en andere konst. Nogh eenige losse konst en teekeningen.
    (schriftelijke mededeling  J .P. Verhave, 5 november 2014).
  11. Plomp, o. c., p. 328 en noot 20.

Dichters en lofdichten, Papyria 10

1. Twee versies
Kort voor de dood van Maria van Arckel in 1737, na Joanna Koerten de tweede echtgenote van Adriaan Blok, verschenen in 1735 en 1736 twee versies van lofdichten op het knipwerk van Koerten. De beschrijving ervan en de verklaring voor de twee uitgaven over hetzelfde onderwerp is te vinden bij Van Dokkum en Wijnman. De laatste vermeldt hierover in zijn lemma over Koerten in het Nieuw Nederlandsch Woordenboek [1]:

Na haar dood heeft haar echtgenoot (bedoeld is Adriaan Blok, HvA) de collectie intact gehouden. Daarenboven verzamelde deze de talrijke lofdichten op de kunst van zijn overleden echtgenoote (gecalligrafeerd door Jac. en Leonoor Gadelle, Elisabeth Crama e. a.) en voegde hieraan onder andere toe de portretten van vorstelijke bezoekers en van de dichters der lofzangen, die hij door goede artisten (Nic. Verkoije, Lud. Bakhuizen, M. Hondecoeter en anderen) liet teekenen. Een en ander vormde in zijn tijd zoo beroemde “Stamboek” van Joanna Koerten, bestaande uit eenige folianten. De lofdichten legde hij successieveljjk per perse; na zijn dood voegde zijn weduwe Maria van Arckel nog enkele vellen toe (het laatste gedicht is van Pieter de la Rue, wiens bezoek aan de collectie bij de weduwe Blok in 1735 in den Navorscher XXX (1880), 436 beschreven wordt en is gedateerd den 19den van Oogstmaand 1736), voorzag het van een voorwerk met korte biografie en zoo ontstond het werk Gedichten op de overheerlyke papiere snijkunst van wyle Mejuffrouwe Joanna Koerten, huisvrouwe van wylen den Heere Adriaan Blok; gedrukt na het origineel Stamboek. Benevens een korte schets van haar leven. 4o (Amsterdam 1736). Van Dokkum onderstelt, dat een tweede uitgave, getiteld Het Stamboek op de papieren snijkunst van Mejuffouw Johanna Koerten, huisvrouw van den Heer Adriaan Blok; bestaande in Latijnsche en Nederduitsche gedichten der voornaamste dichters. 8o (‘t Amsterdam voor rekening van de Compagnie 1735) een gestolen nadruk was der losse vellen van de eerst volgend jaar verschenen eerste uitgave. Beide bundels bevatten ongeveer dezelfde gedichten, maar een andere voorrede en een ander portret. Niet minder dan 117 min of meer bekende dichters en dichteressen hebben bijdragen geleverd voor beide bundels; onnoodig te zeggen is dat de poëtische waarde er van vrijwel miniem is”.
Wijnman noemt in zijn stuk vervolgens nog enige gedichten die niet in de gedrukte versies zijn opgenomen.

In het Koerten nummer van onze Nieuwsbrief stelden we al in 2000 de vraag wat de reden kon zijn dat zo kort na elkaar twee versies van lofdichten op het werk van Koerten verschenen zijn. Moffit Peacock meent dit ten dele te kunnen verklaren door de aanname dat de versie uit 1735 te maken zou kunnen hebben met de promotie van Amsterdam en de connectie Amsterdam-Koerten, die blijkt uit diverse kunstwerken en gedichten [2]. Deze opvatting zou gestaafd moeten worden, wil die definitief overtuigen, door andere voorbeelden van Amsterdampromotiepropaganda, want alleen het verschijnen van een enkele uitgave van Koertens lofdichten lijkt ons daarvoor niet voldoende. Wel kan het zijn dat het twintigste overlijdensjaar van Koerten bij deze uitgave een rol heeft gespeeld. Opgemerkt moet verder worden dat de titel van het boekje bedrieglijk is, wat wel past bij het beeld van snelle propaganda om de centen. Het gaat niet om het stamboek van Koerten, dat een veel grotere verzameling was, maar om een keuze uit de lofdichten op Koerten, niet minder maar ook niet meer.

Het jaar erna (1736) verschijnt de andere versie van de lofdichten met de juiste titel “Gedichten, enz.”. Mogelijk is dit een initiatief van Blok’s tweede vrouw, Maria van Arkel, die een jaar erna overleed en toch nog snel een eerbetoon aan Koerten wilde uitbrengen. ook is het ongetwijfeld een reactie op de roofdruk van 1735, want in de inleiding van de 1736 bundel wordt duidelijk gesteld dat het hier gaat om de “echte en rechte afdrukzels van de Origineele Versen (…)“ [3]. De voorrede van dit boek is veel omvangrijker en informatiever dan de uitgave van 1735 en -vanwege de volledigheid- zonder twijfel door een ingewijde opgesteld. Van Arkel werd in 1735 nog bezocht door Pieter de la Rue die in zijn beschrijving meldt wat de (= haar) plannen met Koertens Stamboek waren, namelijk het inbinden van het materiaal in enige grote folianten. Daar is het nooit van gekomen, zoals duidelijk wordt uit de Testas catalogus. Het verhaal van de roofdruk uit 1735 en de daarop volgende uitgave in 1736 is door alle schrijvers over Koerten overgenomen, ook door de Verhaves in hun artikel bij de tentoonstelling in Amsterdam [4]. Hun zienswijze is op zijn minst warrig noemen. Ze schrijven:

Intussen had Adriaan Blok omstreeks 1694 een map aangelegd waarin bezoekers hun handtekening of ontboezeming konden schrijven. Die map is verloren gegaan, maar in 1736 gaf Pieter Testas de Jonge de gedichten uit in een bundel: “Gedichten op de overheerljke Papiere Snykunst van wyle Mejuffrouwe Joanna Koerten. Daarin zijn ongeveer 120 gedichten en rijmen opgenomen. Van die gedichten bestaan twee uitgaven naar het originele Stamboek de een uit 1735 en de ander uit 1736. waarschijnlijk is de eerste een “roofdruk”. Enige pagina’s later wordt er nog een schepje bovenop gedaan: ”Pieter Testas de Jonge was kunsthandelaar en in 1736 liet hij twee uitgaven publiceren: Het Stamboek op de papiere snijkunst van Mejuffrouw Joanna Koerten en de al eerder genoemde Gedichten. Die publicaties naar de oorspronkelijke handschriften waren bedoeld ter bevordering van de voorgenomen veiling van het Stamboek en de verzameling knipwerk”. Het waarom van twee totaal verschillende uitgaven en het veronderstelde voornemen van een veiling (dan al) wordt op geen enkele manier verder toegelicht en door het ontbreken van verwijzingen in voetnoten is het onmogelijk te bepalen of het gaat om ontdekt schriftelijk bewijs of slechts de particuliere opvatting van de schrijvers.

  1. Over de dichters

De uitgaven van 1735 en 1736 bevatten voor een groot deel dezelfde gedichten, maar zijn toch heel verschillend. Zo hebben de bijdragen van vrouwen in de uitgave van 1736 (die wij als de originele beschouwen en steeds als uitgangspunt nemen) een prominente plaats in. Ze staan als eerste voorin en zijn na elkaar afgedrukt, merkwaardig dat, gezien de invalshoek van haar onderzoek en publicatie, Moffit Peacock dat niet is opgevallen, al noemt ze op zich de dichteressen wel. Het betreft gedichten van: Kataryne Lescaille, Gesine Brit, Annna Insma, Maria Sybilla Meriaan, Maria Garnier-Bourget, L. Smids (?), C. Bruin, geschreven door Elisabeth Crama, Alida Matthys en Geertruyd van Halmael.

Het meest in het oog springt het gedicht van Gesine Brit “Koridon”. Het is een herderszang op de Papiere Snykonst van Joanna Koerten, die opgenomen werd in de levensbeschrijvingen van kunstenaars van Arnold Houbraken en Jacob Campo Weyerman. Brit (1669?-1747) was befaamd om haar bijdragen (vaak anoniem) aan liedboeken, de doopsgezinden waartoe zij net als Koerten behoorde kenden een bloeiende zangcultuur met talrijke liedboeken. Veelvuldige oefening daarin kan een verklaring zijn voor Brits soepele wijze van dichten, terwijl ze ook met kennis van zaken gebeurtenissen en personen verwerkt uit de Bijbel, de klassieke oudheid en de eigen vaderlandse historie Ze vertaalt in 1696 het Latijnse gedicht van Martinus Crellius voor Koerten en maakte in 1699 haar eigen herderszang. In “Koridon” vergelijkt ze het effect van de lente op de natuur met de wijze waarop de Amsterdamse knipkunstenares levenloos wit papier tot leven wist te wekken en doet dat op zo’n wijze dat ook lezers een levensecht beeld van Koertens werk krijgen. Bovendien passeren alle bekende werken van Koerten de revue en zo wordt een mooi overzicht van haar belangrijkste werk gegeven [5].

Na de gedichten van vrouwen volgt een lange reeks bijdragen van dichters, waaronder als eerste gedichten van hoogleraren, predikanten, kerkleraren, doctoren en de secretaris van de stad.

Van Abraham Bogaert (1663-1727) [6] (afb. 7) zijn de meeste gedichten (7) opgenomen. Bogaert was apotheker en arts en maakte diverse reizen in dienst van de VOC naar Azië. Hij was ook schrijver een dichter, zijn bekendste boek is een publicatie over reizen in Azië, uitgekomen in 1717. Maar hij schreef ook het in 1697 “De Roomsche Monarchy”, een boek dat waarschijnlijk de aanleiding voor Koerten was haar meest bekende papieren kunstwerk “De Romeinse Vrijheid”, ook, wel “De Twaalf Keizers” genoemd, te maken. Versregels van Bogaert zijn onderaan in het knipsel te lezen, ragfijn door Koerten uitgesneden.

 

David van Hoogstraten (1658-1724) [7] was medicus van opleiding en korte tijd apotheker in Dordrecht. Hierna werd hij in 1694 conrector van de Latijnse school in. Amsterdam, een functie die hij tot 1722 bekleedde. Hij had veel belangstelling voor de Nederlandse taal en letterkunde en maakte in 1695 een in het Latijn geschreven vers voor Koerten, ongetwijfeld na een bezoek aan haar atelier. Ook schreef “Der Medicijnen Docter” in 1697 een in het Nederlands geschreven lofdicht en schreef diverse gedichten op geschreven en getekende lofuitingen op Koerten en haar werk. Joanna Koerten zal zeker verguld geweest zijn door zijn bijdragen, ze knipte in 1706 een portret van Van Hoogstraten nadat zij een prent van zijn portret in handen had gekregen. Dit portret was bedoeld voor haar kabinet en was een illustratie van haar vakmanschap en om te laten zien hoe de haar zo welgevallige geleerde dichter eruit zag.

Petrus Francius (1645-1704) [8] was hoogleraar in de welsprekendheid, de geschiedenis en het Grieks aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre en een Latijns redenaar en dichter. Francius (Pieter de Frans) schreef Latijnse gedichten voor diverse geknipte portetten die in Koertens kabinet een rij van bekende figuren gevormd moet hebben. Deze verzen zijn ook in de Lofdichten uitgaven te lezen. Het gaat om: Leopold III, Peter de Grote, Willem III, Lodewijk de Grote, Frederik III, Cosimo III. Joanna knipte ook zijn portret en daaraan zijn enige lofdichten (van Adriaan Relandus, Joannes Vollenhove en Siward Haverkamp), gewijd.

 

De keuze voor de gedichten en ook de dichters moet grotendeels zijn bepaald door Adriaan Blok. Van Dokkum schrijft daar al over in zijn artikel van 1916 [9]. Hij baseerde zich daarvoor op de voorrede van de uitgaven van 1736 (p. 5-7) waarin staat: “Gebruik dan deze bondel van Gedichten, gunstige Lezer, tot nut en vermaak; en wees verzekert, dat het de echte [!] en rechte afdruksels zyn van de Origineele Versen, door wylen den Heere Blok van tydt tot tyd verzamelt, en telkens ter drukperse gebragt, als hy zoo veel by een hadde dat het een vel konde beslaan, en uitmaaken, ‘t welk de reden was, dat de bladen onder aan op eene ongewoone wyze geteekent zyn en dus in ordre moeten gelegd worden als dit teken / zo ver ‘t zeifde loopt (…)“ [10]

Adriaan Blok koos niet alleen die gedichten uit, hij liet ook portretten tekenen van de schrijvers die zijn vrouw geroemd hadden en van de veelal hooggeplaatste personen die haar bezocht hadden. Bovendien liet hij allegorische tekeningen maken die vaak weer refereerden aan de geschreven loftuitingen. En vervolgens liet hij weer portretten maken van de tekenaars van deze zinnebeeldige tekeningen. Het geheel werd zo een heel kunstzinnig bouwwerk dat samen met de knipsels van Koerten tot Stamboek werd verheven.

Verdere bestudering van de gedichten en dichters kan ons nog meer inzicht geven in welk religieuze en kunstzinnige milieu Joanna en haar echtgenoot verkeerden. En dat kan weer een goede bijdrage zijn voor het in kaart brengen voor delen van de “culturele industrie van Amsterdam” in de 17de en vroege 18de eeuw.

Door Henk van Ark

Noten

  1. F.Wijnman, “Koerten”, NNBW, X, p. 478-482.
  2. Martha Moffit Peacock, “Paper as power. Carving a nich for the female artist in the work of Joanna Koerten”, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek, 62 (2012), LeidenlBoston 2013, p. 260.
  3. Lofdichtenuitgave 1736, Inleiding p. 5-6.
  4. Joke en Jan Peter Verhave, Joanna Koerten en haar Schaar van bewonderaars, Amsterdam 2015, p.19 en 31.
  5. Els Kloek, 1001 Vrouwen (…), Nijmegen 2013, nr. 410.
  6. Ruys, Abraham Bogaert, NNBW 3; P. W. Witsen Geysbeek, Biographisch, anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters, deel 1 (ABE-BYN (1821).
  7. Michiel Roscam Abbing, Joanna Koerten (1650-1715) en David van Hoogstraten (1658-1724). Een bijzondere relatie tussen twee bekende Amsterdammers, Amstelodamum, jrg. 94, nr.2 (2007), p. 14.
  8. W.Witsen Geysbeek, Biografisch, anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters, deel 2.
  9. D.C van Dokkum, Hanna de knipster en haar concurrenten (…), Het Huis Oud en Nieuw, jrg.13 (1916), p. 348.
  10. Zie noot 3.

Koerten en het onderwijs in de knipkunst, Papyria 10

In de schitterende collectie Van Eeghen, ondergebracht in het Gemeentearchief van Amsterdam, bevindt zich de tekening “Johanna Koerten op de kunsttroon” van de hand van Arnold Houbraken (1660-1719). In de catalogus van deze verzameling [1] werd deze tekening, een opzetvel met daarop een tondo met allegorische voorstelling geplakt, met daaronder een tekstveld in de vorm van een draperie, in 1989 als volgt beschreven:
Rechts zit Joanna Koerten op de “kunsttroon” met een schaartje in de ene en een palet met penselen in de andere hand. Tegenover haar twee vrouwen met kunstwerken van Koerten, een geborduurde of geknipte strook en een beeldje. Twee putti spelen met een troffel en een klosje (?). Op de grond ligt bij een tekening van een vestingwerk nog meer gereedschap van de kunstenares: een schaaf een houten hamer een beitel en een klauwhamer. Op de achtergrond boven de toppen van een paar bomen, schijnen de maan en enkele sterren.”
Het lofdicht in het tekstvel luidt:

JOANNA KOERTEN op de Kunsttroon
Dus prijkt JOANNA, mildt beschonken door Godts gunst
Met edle gaven en een ongemeene kunst
Zij giet in wasch, borduurt en toont voor ons gezicht
Gebootste beelden, daar Natuur in glans voor zwicht.
Haar kunstschaar voert haar naam met roem door Nederland
Dat als verbaast staat op het snijwerk van haar hant;
Waardoor zijn nu met recht den gloritroon bekleedt
Terwijl men voor haar kruin de schoonste Kunstkroon smeedt.
Arnold Houbraken“.

Moffit Peacock [2] schrijft over deze tekening: “The inscription claims that Koerten is worthy of being placed on the throne of art because of her amazing creations known throughout the Netherlands. Thus, she is depicted above the inscription with a baldachin overhead. She opens her famed scissors in her right hand and holds a palette with brusches in her left. She is posed in an authoritative position, instructing what appear two young pupils seated before her. One balances a sculpted figure with her hand while the other grasps a paper-cutting. Spread on the floor between them are two putti playing amongst other artistic tools such as the chisel hammer, plane and marble used in the art of sculpture, as well as more paper cuttings. It is an unambiguous claim for the fame of the artist and the status of her medium as an equal and high art form“.

Het verschil in beide beschrijvingen is duidelijk. De Amsterdamse catalogus houdt het algemeen en voorzichtig, Moffit Peacock tracht aan de hand van dit stuk vooral haar stelling dat Koerten met haar uitgekiende techniek en onderwerpkeuze zich op het podium van de hoger ingeschatte kunsten probeerde te veroveren te bewijzen. Daarvoor pakt zij in haar weergave de nodige vrijheid van interpreteren, die niet altijd overtuigend overkomt. Zo is het voorwerp in de hand van de vrouw links in de Amsterdamse visie een borduursel óf een papierknipwerk, bij Moffit is er alleen sprake van knipwerk. Dezelfde opvatting zien we ook bij de voorwerpen aan de voet van de troon. De Amsterdamse beschrijving vermeldt de “tekening van een vestingwerk”, bij Moffit is dit direct: “more papercuttings”. Belangrijk voor het onderwerp van dit opstel is dat Moffit de twee afgebeelde vrouwen, waarvoor diverse interpretaties mogelijk zijn, ziet als “two young pupils” . In haar ogen lijken (appear) het dus leerlingen van Koerten te zijn. En dat brengt ons bij de vraag of Koerten leerlingen heeft gehad en dus onderwijs in de knipkunst heeft gegeven.

Daarvoor is geen bewijs gevonden. We moeten het doen met enige opmerkingen in de korte levensschets in de Lofdichten uitgave van 1736. Daarin lezen we:
Maar de Konst, waar op haar Geest in ‘t byzonder gevallen was, en die ’t voornaam voorwerp deezer Gedichten is, bestond in het knippen met de Schaare, waar in zy in haaren tyde geen weerga had en mooglyk nooit zal krygen, hoe zeer sommigen zich daar toe bevlytigt, al hun vernuft in ‘t werk hebben gestelt; want in die tyd zag men verscheide Liefhebbers, door haar voorbeeld aangespoort, zich toeleggen om ‘t zelve niet slechts te volgen, nemaar, ware ‘t mooglyk voorby te streeven; doch de meesten hebben ‘t al in den aanvang laaten steeken uit aanmerking van ‘t ongelooflyk taay gedult, en den langen tydt, zie zy daar aan moesten besteden, behalven ‘t nadeel, ’t welk zy daar door aan hun gezicht toebragten, waarover onze Konstenaresse zich ook dikwils heeft beklaagt, doch ‘t geen tegen haare Liefde en Yver voor de Konst op verre na niet konde opwegen

En:
Dus bleef zy niet lang onbekent; maar haar naam en roem breidde zich haast wyd en zyd uit, en men zag van tyd tot tyd ontallyk veele Vorstelyke en aanzienlyke Personaadjen, allerlei Konstenaars en Liefhebbers van alle kanten, niet alleen van ons Nederland maar genoegzaam van alle gewesten te zamen vloeyen, om de zeekerheid van ‘t geen zy gehoort hadden door hun gezicht te vernemen, welke zy altyd met de hoogste achting en uiterste vriendelykheid ontfing en gulhartig alles liet zien, ja zelfs trof zy zomwylen iemand aan, waarin zy eenigen zucht tot de Konst bespeurde dien bood zy de behulpzame hand en zoo hy reeds eenige ondernemingen had gemaakt, zy spoorde hem verder aan“.

Koerten had dus geen geheimen rond haar papierkunst. Ze toonde haar werk en was bereid de oprechte liefhebber verder te helpen of advies te geven. Het vergde ook nogal wat inspanning, zeker op de manier waarop Koerten haar werk vervaardigde. Het kostte niet alleen veel tijd en geduld, ook was het slecht voor het gezichtsvermogen. Maar over leerlingen geen enkele vermelding.

Toch kan het zijn dat de Amsterdamse knipster betrokken is geweest bij onderwijs in het papierknippen. Dat heeft dan te maken met een cursusboekje dat in 1686 bij uitgever Jan ten Hoorn in Amsterdam verscheen onder de titel “Konstig en vermaakelijk tijd-verdrijf der Hollandsche Jufferen of onderricht der papieren snijkonst. Om in ‘t kort, uit wit papier alderly figuren op het kunstigste te kunnen snijden”.

Van Dokkum [3] suggereerde al, zonder het boekje overigens gezien te hebben, dat “Janneke Coerte” wel eens hij de samenstelling van dit werkje betrokken zou kunnen zijn geweest; hoewel zij zeker niet de enige was die de papieren snijkunst in die tijd op artistieke wijze beoefende. Wijnman [4] die Van Dokkum in dit verband aanhaalt, nam deze veronderstelling over, maar ook hij had de uitgave niet in handen gehad.

Het unieke boekje is echter al eens vermeld in een catalogus uit 1911, uitgegeven door Martinus Nijhoff van boeken die zijn verschenen over vrouwelijke handwerken in Noord-Nederland “van den vroegsten tijd tot op heden (1910)”. [5]

In 1930 verwierf het Rijksmuseum een exemplaar uit de verkoop van de bibliotheek van Dr.D. F. Scheurleer door Van Stockum. Voor Catharina van de Graft was het hierdoor mogelijk de uitgave te bestuderen en uitvoerig op de inhoud in te gaan in haar eerste Historia artikel over papierknipkunst. [6]

“Konstig en Vermaakeljk Tyd-Verdryf” is een bescheiden boekje met een rijke inhoud van veertig pagina’s, waarin een opdracht (van Anonymus aan Me Juffer Anonyma, p. 3-4), veertien hoofdstukken( p. 5-40) en twee ongepagineerde gedichten. Het wordt gezien als het eerste deel, Van de Graft [7] schrijft in haar artikel dat het tweede deel bestond uit 900 modellen om na te snijden, maar dat dat helaas niet bewaard is gebleven. Deze vermelding is vaak overgenomen maar lijkt niet juist. In het boekje worden twee hondertallen van voorbeelden (modellen) aangegeven. Het gaat om “Waapenen” (hoofdstuk 6) en “Blaaden, Bloemen, en Vruchten” (hoofdstuk 8). Op de laatste pagina van het boekje wordt duidelijk wat wel de bedoeling was: “Het eerste en tweede Honderttal van de Modellen, wordt by een boekje verkogt waarin 100. Modellen zijn, genommert als in dit werk gedaan is: soo dat men sonder de Model in deese Konst weynig sal konnen uytrechten. De andere volgende Honderttallen, sal men ook by 50 ofte 25 koopen konnen voor een reedeljke prijs“.
Maar het ging nog verder dan het verkopen van het lesboekje en de uit of na te knippen modellen: “Men sal ook konnen bekoomen gesneeden werken, als Bortjes of Schildereytjes van Boem-potten, Somertjes, Wintertjes, Jachten, altijdduurende Almenakken, en andere Bloem-potten, van Saaden, Schelpen, Blaaden en andere stoffe gemaakt, nooyt van andere sulx en van die stof voor een reedeljke prijs“.

Eigenlijk de aanzet tot een hele knipkunstindustrie, die toen niet van de grond is gekomen. Het enige wat ervan rest is het tekstboekje, waarmee men volgens de samensteller zonder voorbeelden maar weinig uit kon richten. Wellicht zijn de twee aangekondigde voorbeeldboekjes wel verschenen, maar verloren gegaan of verknipt, waarschijnlijk is dit echter niet.

De schrijver/samensteller (“Anonymus”) stelt in de opdracht dat het gaat om “een vermaakeljke tijdverkortinge, tot een verpoosing en ruste van dingen van meerdere gewichte “(1..). “Terwijl men hier mee sich ophoud soo word ondertusschen, ‘t vernuft als ontspannen, en de hersenen verfrist: om dingen van hooger en gewichtiger belang te betrachten“. Maar dat papierknippen vermag veel: “Het geen een Teykenaar in de Teykenkonst met een pen, penseel en verf doet; dat doen wy alleen met een Schaerje en Mesje sonder verf in sommige gaatse weeder de Teykenkonst te booven“. De schrijver geeft het doel van het instructieboekje duidelijk, aan:
Hier dan ben ik Mejuffer op uyt, om haar alsoo te vercieren en te volmaaken, en haar aan elckeen bevallig te doen zijn. Hier mag ik alle Liefhebbers belooven, indiense maar de moeyte gelieven te neemen, en de Konstreegelen en waarneemingen te achtervolgen, dat se daar in sullen soo volkomen worden, datse selfs daar in sullen verwondert zijn: en andere ook; sullen haar werk; ‘t geen met lust gesneeden is, booven alle Teykeningen achten: dewijl het meerder Konst sal geacht worden, uyt een onbequaame stoffe iets konstig te maaken, als of het uyt een bequaame stoffe waar. De duursamheyd des Papiers, mag men stellen met de Teykeningen en Schildereyen gelijk”.

Interessant zijn eveneens de twee gedichten aan het einde van het boekje: “Op deese Vermaarde en welbedachte SNY-KONST” en “noch; Op het aardig en seer vermaakeijk werk der WITTE-PAIPIERE-SNY-KONST”. Het eerste gedicht heeft een overwegend religieuze connotatie:
En al waarmee God ons komt verrjken,
Van deese die u deese Konst meedeelt
Gy soud dan sien hoe Hy daarin vereelt
Met reeden daar van ook wel mocht schrijven
Ik heb ‘t gezien, getuyge door ‘t gesicht,
Sijn aardigheyd die voor geen Beeldwerk swight
En hoe hy met Modellen komt gerieven,
Sijn Schaar sije Mes die snyd een Schildery
Als of gy saagt, van verr ‘en van naaby
d’Aanlokkend
Waar doorje, ‘t geen den Hemel, Aard’en See gaat toonen,
Seer licht kond maaken uit papier’ en dus Konst, in rechten aard herleeven.
Koop maar dit boek Boek en ook Model Papier,
Gy sult geleerd dan snyden tot een Mier
En in de Konst ten rechten zijn bedreeven.

Het tweede gedicht luidt:

Dat Neerlands Volk door Konst, door geeft en aardigheyd
and’re Volkren wordt geroemt en hoog verheeven,
Is niet alleen, om dat het daar in is bedreeven;
Maar die Konsten door Mond door Pen en Druk versprijd
De WITTE SNY-KONST aan Mejuffers toegedacht
Waar doorje ‘t geen den Hemel, Aard ‘en See gaat toonen,
Seer licht kond maaken uyt Papier, en uw dus kroonen;
Geljk een Schilder, door sijn Konst seer hoog geacht.
’t Verachterljk spreeken van d’Onweetenheyd en Nijd,
Laat weg nog middel vinden dees KONST te setten,
Al is ‘t haaters, en het vyands volk ten spijt.
Ik soek te leeren
“.

Van de Graft merkte in haar artikel al terecht op dat het boekje van grote waarde is omdat het ons het materiaal en de techniek leert kennen. Ook wordt duidelijk dat de uitgave alleen maar kon worden geschreven door iemand die al in 1686 de nodige ervaring met het papierknippen had. De vraag is dus: wie zou dat kunnen zijn?

De uitgever van “Konstig en Vermaakelijk Tyd-Verdrijf’ was Jan ten Hoorn (1639-1714). Hij had van 1671 tot 1714 een boekwinkel op het Oude Heerenlogement met het uithangbord “History-schryver”. Een uitgever die bereid was bijzondere boeken uit te geven. [8] Bovendien was in zijn winkel, zoals op pagina 40 van het boekje wordt aangegeven, materiaal en gereedschap voor het papierknippen te verkrijgen. Sterker nog, Ten Hoorn kon zelfs adviezen geven, hij kon: “een jeeder die begeert, van alles [sal] aanwijsinge doen; deeses konst aangaande”. De uitgave van het boekje is het product van een echte uitgeversstrategie. Er is sprake van een duidelijke doelgroep, bij de uitgever kan met de boekje kopen en gereedschap en materiaal voor het papierknippen en later zullen nog veel meer modellen te koop zijn (per 25 of 50). Alleen de belangstelling ervoor lijkt niet goed te zijn ingeschat. Dat er in de tweede helft sprake was van “a blosseming art form“, vooral in Amsterdam en Rotterdam -zoals Moffit Peacock meent, lijkt in dit verband een te gemakkelijke veronderstelling en wordt niet aangetoond door het slechts beperkte aantal van ons bekende papierknippers en knipsters. Belangrijk is ook dat, bij veelvuldige oefening en leren, succes wordt beloofd. Met het knippen kon je hetzelfde niveau als een gewaardeerde schilder bereiken, sterker nog “in sommige gaatse weeder de Teykenkonst te booven“.
Verder knipte een van zijn auteurs ook, dat was Steven Blankaert (1650-1702)[9]. De meeste medische en botanische uitgaven die Ten Hoorn uitgaf waren door hem geschreven. Van beiden is wel gesuggereerd dat ze het lesboekje samengesteld zouden kunnen hebben. Van de twee komt Ten Hoorn verreweg het meest in aanmerking, niet alleen omdat hij het boekje uitgaf en men materiaal bij hem kon kopen, maar ook omdat hij als “adviseur” de nodige kennis van en/of ervaring met de knipkunst moet hebben gehad.

Van Dokkum meende, als boven aangegeven, dat Joanna Koerten weleens betrokken zou kunnen zijn geweest. Dat was toen een heel begrijpelijke veronderstelling. Koerten begon haar productie van grotere en nu bekende werken, voor zover we dat nu weten, eigenlijk pas na haar huwelijk in 1691, het eerst bekende gedateerde stuk van haar hand is het portret van Galenus Abrahams uit 1692. Maar het niveau van knippen dat zij toen beheerste was natuurlijk niet zomaar ontstaan. Ook met veel talent en aanleg moet daaraan toch een periode van oefening aan vooraf zijn gegaan. In het boekje wordt op die oefening ook gewezen: “Alle die dan het snyden soeken te leeren uyt dit Boekje sonder Meester, groote lust, ‘t welk gemakkelijk kan geschieden; die moeten een groote lust en yver hebben, met een naarstigheyd sonder verdriet” Op een bepaald moment heeft Koerten ervoor gekozen zich volledig op de witte papierknipkunst toe te leggen. Houbraken verwoordt dat zo:
Deeze Juffrouw was van haar jeugt af aan zeer geneegen om konsten en wetenschappen te leeren, als blykt aan haar treffelyk borduuren, deftig kant- en akernaayen, heerlyk speldewerken, aardig wasgieten, mannelyk schryven, konstig muzyk zingen, fraay met een diamant op drinkglazen spreuken, vogels of bloemen te grieven, verwonderlyk fraay in ‘t vercieren van bloemen en cieraaden, voornamentlyk van zyde gevlogten en doorwerkt, en ‘t schilderen met waterwerven, waar van nog het een en ‘t ander by den Heer Blok te zien is. In dien zy zig geheel tot schilderen had overgegeven, zy zou ongetwyfeit ver in die Konst gevordert hebben. Buiten dit geleit door den rykdom van verstant zette zy zig tot het snyden van velerhande voorwerpen met de schaar van papier. En dat ls zoodaanig dat zy daar door een eeuwige naam gemaakt heeft”.

Moffit Peacock doet geen uitspraak over de betrokkenheid van Koerten bij “Konstig en Vermaakelijk Tyd-Verdryf “. Die is inderdaad ook niet aan te tonen. Sterker nog, Houbraken schrijft in dit verband over haar knipwerk: “al ‘t geene zy ook door haar eigen uitvinding, zonder van iemant geleert te hebben, heeft verkreegen “. Wel denkt zij dat met name het tweede gedicht in het boekje Koerten kan hebben aangezet binnen de kunstenwereld een positie vergelijkbaar met een schilder of beeldhouwer te verwerven, maar dan met gebruik van een eenvoudig materiaal: papier. Ze had ook kunnen wijzen op de opmerking in de inleiding van het boekje dat werken met een schaartje of mesje zonder verf soms de tekenkunst te boven kon gaan. Hoe Koerten dat probeerde wordt toegelicht in het opstel “de “special effects” in het werk van Joanna Koerten”.

Door Henk van Ark

Noten

  1. Bakker (e.a), De verzameling Van Eeghen. Amsterdamse tekeningen 1600-1950, Zwolle/Amsterdam 1989, cat.nr. 65, p. 119.
  2. Martha Moffit Peacock, “Paper as power. Carving a niche for the female artist in the work of Joanna Koerten”, Nederland Kunsthistorisch Jaarboek 62 (2012), Leiden 2013, p. 257.
  3. D. C. van Dokkum, “Hanna de knipster en haar concurrenten. Een studie over oud Hollandsche schaarkunst”, Het Huis Oud en Nieuw 13 (1915, p. 351)
  4. F. Wijnman, .“Koerten (Joanna of Johanna)”, Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, X p. 479.
  5. Die catalogus werd samengesteld door de tentoonstellingscommisie der Nationale Tentoonstelling van het Boek, juni-augustus 1910. (Berthi ‘s Weblog/Berthi.textilecollection.nl/2008/06/28).
  6. Catharmna van de Graft, “Papieren knipwerk”, Historia, 11, nr. 7 (juli 1946), p. 148-152.
  7. Idem, p. 148.
  8. A. E. Schepers, Jan Claeszoon te Hoorn (1 639-1 714), boekverkoper aan het einde van de Gouden Eeuw. (scriptie UvA 2006); Henrieke Korten, Boeckeniers zijn gaeuw in het schieten. Jan te Hoorns uitgave Amercaense zee-roovers. (scriptie UvA 2011)
  9. Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt! (…), Zutphen 2008, Lexicon, p. 173.