Auteursarchief: admin

Maria, Adriaan en Joanna, Papyria 5

J. D. C van Dokkum beschrijft in zijn baanbrekende artikel over Joanna Koerten [1] haar echtgenoot Adriaan Blok als” kunstbeminnaar”. Hij ontleende die wetenschap volgens een voetnoot op pagina 348 aan Rademakers Hollands Arcadia. Die prachtuitgave verscheen in 1730. De volledige titel maakt duidelijk waarom het gaat: “HOLLANDS ARCADIA, Of de vermaarde Rivier DEN AMSTEL; vertónende Alle deszelfs LUZTPLAATZEN, HERENHUIZEN en DORPEN; Zig uitstrekkende van AMSTERDAM af door OUDEKERK (enz.). Vertoond in honderd Afbeeldingen, naar ‘t leven getekend en in ‘t ligt gebragt DOOR ABRAHAM RADEMAKER. Met een Poëtise Beschryving verzierd. Tot Amsterdam, by LEONARDUS SCHENK, Op de Vygendam 1730”.

Het gedicht waarin alle buitenplaatsen buiten de stad Amsterdam in deze uitgaven worden beschreven is van de hand van G. Tysens. Direct na twee gravures van Rademaker van de (buiten) Amstel (nr. 1) en de binnen Amstel (nr. 2) volgt als nummer 3 de afbeelding van de “Hofstede van MEJUFFROUW DE WEDUWE van den HEER ADRIAAN BLOCK”.

Tysens beschrijft deze plaats als volgt:
De hoek van d’Amstel geeft ons ‘t eerste Tuingezigt, /het lugtig zomerhuis, agtkantig opgerigt, /Verheft zyn hóge kruin uit ‘t zagtjes vloeijend water, / Geen langs zyn boorden ruisd met lieffelyk gescháter,/ Daar het een uitzigt op de gróte Koopstad heeft, Of weer aan d’ and’ren kant langs ‘t flak des Amstels zweefd. /De Kunstbeminnaar Blok vond hier zyn welbehágen,/Als hy in eenzaamheid, by zoele zomerdagen,/ Zig aan de stad onttrok, om hier de zoete rust/ Te vinden, als de dauw de frisse bloemen kust./ Maar ach, hy zal geen vreugd meer op deez’ plaats bekomen,/ Die Kunstbeminnaar is ons door de dood ontnómen, /Zyn bráve Weduwe vind nu nog haar vermaak/In ‘t buitenléven, daar geen nyd, geen list, geen wraak/Als in de stad geregeerd, om eendragt te verstóren./ Maar zal myn Zangeres den Naam van Blok doen hóren,/ en melden Coerten niet? zyn voorgaande Egtgenoot./ Neen, gróte Vrouw! al zyt gy door de strenge dood/Ons overlang ontrukt, uw naam zal eeuwig léven,/Om aan uw Kunstschaar haar verdienden lof te géven:/ Die Kunstschaar, die zo vaak de lauwren heeft behaald,/ En over de Etsnaald en ‘t Penzeel gezegepraald, /‘t Zy in Afbeeldingen naar ‘t léven af te málen,/ Dat daar geen schilderij in schoonheid by kan hálen;/ of ‘t keurig Bloemgewas te snyden uit ‘t papier,/ Of ‘t lugtig Landgezigt, met bómen los van zwier,/ En in een schónen standaan de ogen te vertónen,/ Nu ga ik verder voort, ‘k heb hier myn pligt voldaan,/ Daar lokt de BEREBYT myn blyde Zangnimf aan,“ [2]

Zoals hieruit blijkt was Aemstelhoek in 1730 nog in bezit van Maria van Arckel, de weduwe van de in 1726 overleden Adriaan Blok [3].
Van Dokkums artikel in de laatste in een korte serie sinds 1910 die kan worden gezien als een eerste inzet voor een serieuze bestudering van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst. Het begint in 1910 met een kort stukje van Boele van Hensbroek, gevolgd door artikelen van Van Son en Blees, afgesloten met het stuk van Van Dokkum in 1915 [4]. Belangrijk is niet alleen dat Van Dokkum zoveel mogelijk gegevens over Koerten en vooral haar werk bij elkaar heeft weten te brengen, ook plaatst hij haar werk, in navolging van Van Son, in breder verband door eveneens aandacht te besteden aan andere papierkunstenaars, zoals Elisabeth Rijberg, Gillis van Vliet, Otto van Voorst en anderen. Ook roept hij op tot verder onderzoek:
En hier mede besluit ik deze bijdrage tot kennis van een artistiek genre, dat lang verwaarloosd is en dat niettemin opmerking verdient. Ik hoop van harte, dat de directies onze Rijkskunstkabinetten er aanleiding in mogen vinden, om veel te verzamelen, dat vergeten en verslingerd is. Mij is het een raadsel, waarom deze echte vaderlandsche geestesuiting, die in onze gouden eeuw een enthousiaste schaar van aanhangers vond, onze aandacht niet waard zou zijn. Dit is dunkt me een misvatting, die zoo snel mogelijk herziening behoeft “.

Van museumzijde wordt deze toegeworpen handschoen pas jaren later opgenomen door Catharina van de Graft die in Historia drie artikelen publiceert en de tentoonstelling “Papieren Knipwerk” in het Centraal Museum in Utrecht samenstelt. Daarvoor verschijnt nog een bijdrage van belang: het lemma van Wijnman over Joanna Koerten in het Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek [6]. Wijnman heeft vrijwel alle beschikbare literatuur en levensbeschrijvingen over en van de Amsterdamse knipster geraadpleegd (al vermeldt hij Hollands Arcadia niet) en komt ook met vermeldingen uit de DTB en Oud Notarieel Archief van het Amsterdamse Gemeentearchief.

Abraham Rademaker

Uit Wijnmans bijdrage blijkt dat Joanna Koerten op 17 november 1750 is geboren als dochter van Jan Courten de Jonge, die een lakenwinkel had op de Nieuwendijk, en IJttie Cardinael, die in 1647 waren getrouwd. Al een jaar na Joanna’s geboorte overlijdt haar vader; haar moeder hertrouwt in 1659 met Zacharias Rosijn, een lakenhandelaar in de Warmoesstraat. In 1669 wordt Joanna gedoopt en lidmaat van de doopsgezinde gemeente ‘t Lam. Bij die gemeente is de arts Galenesz Abrahams, die de eerste doopsgezinde predikantenopleiding volgde. Pas op 41-jarige leeftijd, in oktober 1691, trouwt Joanna met de 38-jarige Adriaan Blok, zoon van Jan Block en Aeltgen Outgers, uit een -volgens Wijnman- gezeten doopsgezind geslacht. Deze Adriaan heeft op de Nieuwendijk een lakenwinkel “In ‘t Blok” (in 1935 nummer 137). Joanna gaat daar bij Adriaan wonen en dat is zo gebleven tot Joanna’s overlijden in 1715. Adriaan Blok hertrouwt twee jaar later met Maria van Arckel, met wie hij zich op huize Aemstelhoek aan de Amstel vestigt. Blok overlijdt in 1726, zijn weduwe blijft nog enige jaren op de buitenplaats wonen, maar keert uiteindelijk naar de stad – bij het bezoek van Pieter de la Rue in 1735 woont zijn in de Utrechtsestraat- terug.

Abraham Rademaker

Van Joanna Koerten zijn diverse gegraveerde portretafbeeldingen bewaard gebleven, bovendien komt zij voor op verschillende tekeningen die tot haar Stamboek hebben behoord. Voor Adriaan en Maria gaat dat helaas niet op. Tot nu toe is geen portret van beiden bekend, en dat mag vooral in het geval van Adriaan, een kunstliefhebber bij uitstek die vele portretten van allerlei personen in opdracht liet maken, bijzonder merkwaardig heten. Wij zouden graag het voorkomen van deze intrigerende man, die zo’n enorme bijdrage heeft geleverd aan de faam van zijn vrouw, leren kennen.

Door Henk van Ark

Noten

  1. J. D. C. van Dokkum, “Hanna de knipster en haar concurrenten. Een studie over oud hollandsche schaarkunst”, Het Huis Oud en Nieuw, jrg.13, p. 315-358.
  2. Het boek van Rademaker verscheen in 1968 als fotografische reprint. Van de beperkte oplage beschikken wij over nummer 449.
  3. Van Dokkum, p. 336-337.
  4. [Henk van Ark], Over de geschiedenis van de Nederlandse papierknip- en snijkunst. Publicaties-tentoonstellingen-onderzoek (1910-1988), [Notitie Atelier Tobia Lever, Rotterdam 1989], [p. 3]
  5. Van Dokkum, p. 358.
  6. H. F. Wijnman. “Koerten”, in: P.C. Molhuysen e.a. Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Leiden 1911-1937, X, p. 478-482. De bijdragen in andere kunstenaarsnaslagwerken, zoals Thieme-Becker en Von Wurzbach zijn daarbij nogal beperkt.

Herinneringen aan Lever, Papyria 4

In verband met voorbereidingen voor de tentoonstelling “W. Tj. Lever kunstenaar met papier en schaar”, die van 29 september t/m 25 november 1990 in het Veenkoloniaal Museum in Veendam [1] werd gehouden, zochten we contact met Jaap D. Homan die destijds verantwoordelijk was voor de veel gelezen rubriek “Noorder Rondblik” van het Nieuwsblad van het Noorden. Doel: publiciteit voor de tentoonstelling in Veendam en een oproep voor gegevens over Lever en zijn werk. Resultaat na het eerste artikel (6 december. 1989) (afb. 1):

een tiental reacties uit de provincies Groningen en Drenthe en een uitnodiging voor het populaire radioprogramma “Nait soeze’n” van Imca Marina op zondagmorgen. In een vervolgartikel (afb. 2) (2 mei 1990) kon Homan melding maken van een reactie die werk betrof van een onbekende knipper die wij, in navolging van Wiecher Lever, van de noodnaam “Wildervanker” hadden voorzien. De reacties uit het noorden vormden de aanzet voor het in de statuten van de stichting W. Tj. Lever vermelde doel te komen tot een studie over leven en werk van papierkunstenaar Lever. Dit leidde uiteindelijk tot het verschijnen van de monografie ‘Wiecher Tjeert Lever. Een kunstenaarsleven in knipsels” in 2008/2010. Een eerdere uitgave was in verband met de drukke werkzaamheden voor het Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven niet mogelijk.

Het voornemen het vierde nummer van “Welkom in Papyria” geheel te wijden aan Lever bracht ons op het idee nogmaals een oproep in de opvolger van het Nieuwsblad, het Dagblad van het Noorden te plaatsen. Dit was mogelijk in de rubriek “Ik zoek” van 14 november 2011 (afb. 3). Helaas werd de door ons ingezonden, al bewust kort gehouden tekst door de redactie van de krant nog verder ingekort en wat erger was voorzien van de vraag informatie over Lever, in plaats van de door ons gevraagde (persoonlijke) herinneringen. Daardoor zat er bij het tiental reacties dat we kregen nogal wat ruis in de vorm van krantenknipsels bijvoorbeeld over de veiling in 1988 en de sluiting van Levers museum. Toch waren er ook bruikbare verhalen.

Zo kwam dorpsgenote mevrouw Boekschoten persoonlijk bij ons langs om te laten weten dat Wiecher Lever op haar bruiloft in 1963 de portretten van het bruidspaar en het genodigde gezelschap had geknipt. Een mooie opdracht voor de beroepsknipper. Portretten kregen we toegestuurd van mevrouw Woudstra uit Appingedam (afb. 3,4). Zij schreef daarbij: “In die jaren hadden wij een bloemenzaak in Delfzijl en verkochten ook kunstnijverheid. Wij hebben diverse keren knipsels van de heer Lever gekocht en ook verkocht. Hierbij stuur ik U silhouetten die hij van ons heeft gemaakt. Ik heb ook nog een ingelijst boeketje van veldbloemen die is gedateerd 1964”.

afb. 3

afb. 4, W. Tj. Lever, de heer en mevrouw Woudstra

Dit briefje bracht een schrijven van Sake Siegersma [3] uit Heerenveen in herinnering die ons in augustus 2001 liet weten: “Nadat we (Sake en zijn vrouw Trijntje, red.) getrouwd waren hebben we naast onze par[t]timelessen nog een winkel gehad in kunstnijverheidsartikelen en mooie kledingstoffen. Door onze winkel zijn we in kontakt gekomen met de knipkunstenaar Lever die toen werkte in zijn atelier “de Meeuw” in Muntendam. Zijn knipsels kwam hij dan ook bij ons in Wolvega verkopen. Het zwart/wit werk sprak mij wel aan en dat was de aanleiding om ook met het knippen te beginnen“. Zowel de bloemenzaak in Delfzijl als de kunstnijverheids/stoffenwinkel in Wolvega zijn goede voorbeelden van verkooppunten van Levers knipwerk en kaarten in het hele land. Door deze aanpak versterkte de knipkunstenaar zijn omzet en vergrootte hij zijn bekendheid op een subtiele manier [4].

Terug naar de reacties van “Ik zoek”. Nogmaals een portret (afb. 5) kregen wij van de heer Ten Cate uit Zuidlaren.

afb. 5, W. Tj. Lever?, Solke ten Cate

Bij de afbeelding van het portret een interessant verhaal:. “De afgebeelde persoon is mijn opa Solke (Jac) ten Cate. Hij was vanaf 1925 kapper aan de Zuiderstraat in Sappemeer. Wieger Lever was via de vrouwelijke lijn (oa. Grietje de Vries) een achter?neef van mijn opa. Wieger en zijn ouders kwamen altijd voor het knippen van hun haren bij mijn opa in de kapsalon. Uit overlevering binnen onze familie is bekend dat Wieger als kind altijd al met de knipkunst bezig was, en ook als kind bij mijn grootouders over de vloer kwam. Ook is uit overlevering bekend dat dit portret het eerste portret is waarbij Wieger er in geslaagd is een bril dragend persoon af te beelden. Het is bewaard gebleven en onlangs teruggevonden. Er staat niets op het knipwerkje vermeld. Niets over de maker, de afgebeelde persoon of over de datum. Hoewel een exacte datum niet te geven is, vermoed ik wel dat de datum die mijn vader (1935) bij het werkje gaf de werkelijkheid dicht zal benaderen. De contouren van mijn opa lijken nog jeugdig te zijn. Mijn opa was rijzig, op jonge leeftijd kaal, en droeg zijn leven lang een montuurloze bril. Ik kan me voorstellen dat zijn contouren inspirerend geweest zijn om uit te beelden“.

Dat laatste kunnen we met de schrijver eens zijn, maar de genoemde datering van het portret is zeker niet juist. Toch hebben we nog eens gekeken naar de portretknipactiviteiten van Lever en zijn tot de conclusie gekomen dat hij toch echt pas met het knippen van profiels rond 1950 is begonnen. Ook tijdens zijn demonstraties in het Openluchtmuseum.(1946/47) was daarvan nog geen sprake en daar was toch de gelegenheid tot het verwerven van goede inkomsten. Wij denken dat het portret, mede door het gebruikte crème-kleurige papier is gemaakt in het begin van de jaren vijftig, waarbij het verhaal over de bril best waar zou kunnen zijn.

Tot slot een eveneens opmerkelijk verhaal. De heer Kap uit Zuidlaren tekende dit verhaal, met als titel “De lange reis van een knipkunstwerk” (afb. 6) met typsteun van zijn zoon uit Veendam, voor ons op: “In de donkere dagen van de laatste oorlogsjaren was het voor mannen gevaarlijk om buiten te zijn. Alle jonge mannen en voormalige militairen waren nl opgeroepen zich te melden voor werk in Duitsland. Deed je dit niet, dan werd je opgepakt en naar een concentratiekamp gestuurd. Toch deden velen dit niet en gingen “onderduiken“. Dit gaat natuurlijk niet zo maar. Je moest wel een adres weten van mensen die betrouwbaar waren en die je in huis wilden opnemen. Er was dan vaak een bergplaats gemaakt in een verborgen kast of op een zolder, waar je je kon verstoppen als er een razzia was. Zo was er in Nieuw Buinen een onderduiker verstopt en deze onderduiker werd ziek. Nu was er een probleem, want hij kon natuurlijk niet openlijk naar de dokter gaan. Na links en rechts te informeren, bleek dat dokter Dijkhuis wel betrouwbaar was. Deze heeft de patiënt bezocht en behandeld. Nadat de onderduiker genezen was, heeft hij uit dankbaarheid voor dokter Dijkhuis een knipkunstwerk gemaakt. Een landschap met een brug, een schip, bomen vogels en een lantaarnpaal. Alles geplakt op zwart papier. Aangezien er toen weinig wit papier was, zijn de figuren uit vooroorlogse postzegels. Later in de oorlog raakte alles op en was er ook geen brandstof meer. Ook dokter Dijkhuis zat in de kou en kreeg in ruil voor een behandeling nog wat kolen van kolenhandel W. F. Boekhoud aan de Brugstraat. Als tegenprestatie heeft dokter Dijkhuis het knipselkunstwerk aan de heer W. gegeven.. De familie Boekhoud is in 1951 geëmigreerd naar Canada: met meubilair en inboedel op de boot. Toen ik jaren later in Canada bij de familie op bezoek was, stond ik het knipselwerkje dat bij hen op het dressoir stond, aandachtig te bekijken. Het is werkelijk een prachtig plaatje. Dat moet wel van Lever zijn ik schilderde toen nog en verzamelde postzegels, maar deze combinatie had ik nog nooit gezien. De familie heeft het toen aan mij gegeven. En zo is het knipselkunstwerk met het vliegtuig weer teruggekeerd naar Nederland. Ik ben er wel blij mee!”

afb. 6

Een prachtig verhaal dat ons echter wel voor raadsels stelt. Want dat Wiecher Lever in oorlogstijd ondergedoken zou zijn geweest is ons niet bekend. Verder kennen we geen ander werk, geknipt door Lever uit postzegels, bovendien is het werk uitgevoerd in een stijl die in het geheel niet lijkt op wat Lever in die tijd maakte. Uitgesloten is op voorhand niets, maar het lijkt ons toch niet zo waarschijnlijk dat Wiecher Lever de maker is geweest van dit knipwerkje. De vraag blijft dan: wie dan wel?

Door Henk van Ark

Noten

  1. Henk van Ark, Atelier-Stichting-Museum, 1986-2005, [ p. 17 met opgave aldaar van museumactiviteiten in Veendam].
  2. Inmiddels bekend als Jan Joseph Jöbsis (1803-1855) zie: Joke en Jan Peter Verhave,Geknipt! (..), Zutphen 2008, Lexicon, p. 182.
  3. Sake Siegersma exposeerde zijn werk in het museum in Schoonhoven van 6 november t/m 24 december 2001.
  4. Henk van Ark, Wiecher Tjeert Lever (1917-1981). Een kunstenaarsleven in knipsels, Rasquert 2008/2010, p. 64.

Op nieuwe wijs naar oude trant, Papyria 4

Vanaf december 1952 publiceert het tijdschrift Vrouwenpost [1] een door Wiecher Lever verzorgde knipcursus. De serie bestaat uit de onderwerpen Kerstranden (I), Poppetjes. knippen (II), Nogmaals poppetjes knippen (III), Paasmotieven (IV), Kastrandjes (V) en Taartranden (VI) (afb. 1-6). Het biedt Lever de gelegenheid eenvoudige knipkunstoefeningen te presenteren voor een relatief groot publiek. Dat is wat Lever graag wilde: mensen stimuleren met het kunstige papierknippen aan de slag te gaan aan de hand van eenvoudige, voor de beginner haalbare voorbeelden.

Al in juni 1947 maakt Line Huizenga-Onnekes in haar baanbrekende artikel over “Knipsels en Schaduwbeelden” daar een opmerking over: “Lever koestert altijd nog de illusie om een kleine handleiding te schrijven, want hij heeft een bepaalde methode om het anderen te leren” [2].

afb. 7

Een eerste aanzet van de knipper volgt al in het julinummer van Hobby. Lever schrijft daarin over “Knipsels en hun vervaardiging” (afb. 7). Daarna verschijnt nog “Knipprenten als Volkskunst” (augustus 1947) (afb. 8).

afb. 8

Maar het zijn korte stukken, van een echte handleiding papierknippen is nog geen sprake. Die verschijnt pas in 1952 [3] onder de titel “Op nieuwe wijs, naar oude trant”. Dat het nog zo lang heeft geduurd voordat die brochure uitkwam is wel te verklaren. In de eerste plaats was Lever druk met de voorbereiding van een professionele loopbaan als papierknipper. Hij gaf demonstraties, maakte knipwerk, verzamelde en leerde zich portretknippen. En hij had Huizenga in 1948 voorgesteld een uitgave (“werkje”) over knipkunst te maken waarbij zij het historisch gedeelte zou kunnen verzorgen en hij de techniek voor zijn rekening zou nemen [4]. Een eigen uitgave was op dat moment daarom niet aan de orde. Maar het werd Lever al spoedig duidelijk dat het moeilijk zou worden zo’n werkje te realiseren, hoewel in een artikel in Trouw (5 juni 1952) nog wordt opgetekend: “Wiecher Lever is thans bezig aan het samenstellen van een boek, in collaberatie met mevr. E. J. Huizenga-Onnekes”[5]. Hoewel de relatie tussen Lever en Huizenga goed blijft besluit Huizenga alleen met het boek, dat als titel “Juweeltjes van Knipkunst” krijgt en helaas nooit uit zou komen, verder te gaan en Lever publiceert zijn knipkunst handleiding en gaat verder zijn eigen weg. Toch is zijn brochure niet alleen bedoeld als poging tot stimuleren voor het (weer) beoefenen van de knipkunst, ook moet “Op nieuwe wijs, naar oude trant” een tegenwicht bieden tegen de door hem veronderstelde propaganda van de artistiek leidster van het Nederlands Openluchtmuseum, Hil Bottema [6], die in zijn ogen volstrekt foute opvattingen over knipkunst als volkskunst heeft.

In het Voorwoord van “Op nieuwe wijs, naar oude trant” schrijft Lever: “Een artikel in April 1946 in het Nieuwsblad van het Noorden over mijn werk, deed de belangstelling voor de oude knipkunst opnieuw herleven. Na in 1946 en ‘47 in het Nederlands Openlucht Museum gedemonstreerd te hebben werden lezingen, zowel in binnen- als buitenland gehouden, gelijk ik ook van diverse musea bestelling mocht ontvangen. De steeds weer gestelde vraag “Geeft u ook les”, deed mij besluiten een leerplan op te stellen. Nadat deze eerst hoofdstuksgewijze in het maandblad “Handig bekeken” [7] werd afgedrukt, wordt zij U thans met dezen aangeboden. Hopende dat ze een goed onthaal mag vinden”.

Zijn leerplan, dat dus al in delen was gepubliceerd, bestaat uit vijf hoofdstukken. Het begint met “Om kinderen bezig te houden en zelf routine te verwerven”, gevolgd door “Ontwikkel uw fantasie!”, “Hartvorm in de knipkunst”, “Vrije Vormgeving”en “De antieke rand”. Het omslag van Levers brochure toont een knipsel dat kenmerkend is voor het werk van de knipkunstenaar eind jaren veertig en de eerste helft van de jaren vijftig. Het is een vaas met kamperfoeliebloemen gevat in een medaillon met de tekst “Kennis zij macht, de liefde is kracht”. Dit geheel is omgeven door een rechthoek die met verschillende landschapselementen aan het medaillon is verbonden. Daar omheen weer een rechthoek die gevuld is met lathyrusbloemen. Dit knipsel is ook afgebeeld bij artikelen over de expositie “Vier eeuwen knipkunst” die in het begin van 1953 in de “skouromte” van de F.A.F. in Leeuwarden werd gehouden [8].

Heel andere knipsels zijn afgebeeld op de envelop van de lesmap die Wiecher Lever in 1973 laat verschijnen. Het zijn afbeeldingen die volledig aansluiten bij de zogenaamde “nostalgische trend” waar Lever met groot succes op in wist te spelen [9]. De titel van het leerplan is nog steeds “Op nieuwe wijs, naar oude trant,” maar er is nu sprake van de ondertitel “Spelend knippen”. Aansluitend bij Levers opvatting dat je het knippen toch vooral moet leren door veel te oefenen, liefst op een spelende manier is het tekstblad zeer summier gehouden. De tekst sluit aan bij vier voorbeeldbladen die als onderwerp hebben: 1) Poppetjes knippen, 2) Kleedjes knippen, 3) Allerlei suggesties en 4) bloemen naar de natuur en silhouetten knippen. Deze lesmap was zeer gewild en kende uiteindelijk 13 drukken.

Door Henk van Ark

Noten
afkortingen
Van Ark, Henk van Ark, Wiecher Tjeert Lever (1917-1981). Een kunstenaarsleven in knipsels, Rasquert 2008/2010.

    1. “Vrouwenpost” is de voortzetting (1943) van “Christelijk Vrouwenleven” (1917),Het blad werd samengevoegd in 1958 met het eveneens christelijke tijdschrijft “Moeder” (met bijdragen van W. G. van de Hulst). In 1961 gaat het geheel op in het nieuwe damesblad “Prinses”.
    2. E. J. Huizenga-Onnekes, “Over knipsels en Schaduwbeelden”, Hobby, nr.9, p.170.
    3. In Van Ark is als onjuist jaar 1953 (p. 22 en p. 56) vermeld.
    4. Van Ark, p. 51.
    5. idem, p. 22.
    6. Citaat van Lever: “Mijn leerboekje is mede bedoeld om het werk van het Openluchtmuseum en haar propaganda die ook enigszins hol is, in bedwang te houden.” in: Van Ark, p. 55.
    7. “Handig bekeken” is een hobbyblad dat vanaf juli 1948 is verschenen.
    8. Van Ark, p. 22, 24 en 42.
    9. idem, p. 60.

 

 

Over Wiecher Tjeert Lever, Papyria 4

Op 8 september 2012 was het de 95ste geboortedag van Wiecher Lever. Met deze uitgave van ‘Welkom in Papyria” willen we daarbij stilstaan., zoals we dat in ons werk in het verleden vaak met een presentatie of bijzondere tentoonstelling deden.

Werk van Lever toonden we voor de eerste maal in Atelier Tobia Lever in augustus 1989 [1]. Het was een presentatie van knipsels en documentatie uit eigen bezit. Bedoeling was de pas opgerichte stichting W. Tj. Lever (21 april 1988) onder de aandacht te brengen en het startsein te geven voor het verzamelen van Levers werk en alles wat daarbij hoorde (afb 1).

afb. 1

Het verzamelen werd kort daarna al vrijwel overbodig aangezien op de veiling van Levers Westerborkcollectie (november 1988) onverwacht veel origineel werk van Nederlands bekendste knipkunstenaar kon worden aangekocht. Deze enorme aanwinst van totaal zo’n 1800 knipsels (groot en klein) maakte het ons mogelijk een aantrekkelijke wisseltentoonstelling op te zetten die in vier musea op diverse plaatsen in het land (Hoorn, Veendam, Krimpen a/d IJssel en Reeuwijk (afb. 2) te zien is geweest.

afb. 2

Iedere keer werd deze basistentoonstelling aan de omstandigheden en locale mogelijkheden aangepast. Zo was er in het Veenkoloniaal Museum ruimte voor het tonen van oude Groningse stukken en vormde in Museum Crimpenerhof het experimentele reliëf- en ruimtelijke werk van Tobia Lever onderdeel van de uitgebreide expositie. In de eerste twee musea was de titel van de expositie “Wiecher Tjeert Lever, kunstenaar met papier en schaar”, daarna werd gekozen voor de wat algemenere titel “Kunstig Knipwerk”.

afb. 3

Met de opening van een expositieruimte voor ons Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven (afb. 3) brak voor de stichting W. Tj. Lever een nieuwe periode aan. Het accent kwam te liggen op activiteiten in Schoonhoven met daarbij als tweede tentoonstelling in 1992 “Wiecher Tjeert Lever, papierknipper & verzamelaar”. Toch werd ook een nieuwe reizende tentoonstelling samengesteld met werk van Wiecher en Tobia Lever, weer met als titel “Kunstig Knipwerk”. Die tentoonstelling is in Sliedrecht en Ridderkerk in 1994 te zien geweest. Dezelfde opzet vormde ook de eerste wisseltentoonstelling (“Lever & Lever”) in het museumpand aan de Stadhuisstraat dat in maart 1995 werd geopend.

afb. 4

Ter gelegenheid van de 80ste geboortedag van Lever was in dit museum in 1997 de expositie “Uit de koffer van Wiecher Lever” (afb. 4) te bekijken, vijf jaar later gevolgd door “Levers Knipkunstwereld”. In het kader van die laatste Levertentoonstelling werd in de Openbare Bibliotheek een speciale Lever presentatie gehouden (afb. 5).

afb. 5

Na de sluiting van het Nederlands Museum van Knipkunst is een belangrijk deel van onze collectie ondergebracht in het Westfries Museum in Hoorn. Wij behielden de uitgebreide museum/stichtingsbibliotheek, belangrijk voor verder onderzoek en publicaties, het Leverarchief met veel documentatie, maar ook knipwerk en een interessante collectie geknipte profielportretten.

Mede daardoor was het mogelijk de reeks “Welkom in Papyria” in gang te zetten en het vierde nummer van deze serie, halfjaarlijkse brochures volledig te wijden aan Wiecher Tjeert Lever.

Door Henk van Ark

Noot

  1. Een volledig overzicht van alle tentoonstellingsactiviteiten vanaf 1986 is te vinden in: Henk van Ark, Atelier-Stichting-Museum (1986 t/m 2005), Rasquert 2010.

Lever,  Bruning en Zijl, Papyria 4

Van 4 maart t/m 6 april 1997 was in ons Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven de tentoonstelling “Nederland knipt weer!” te bekijken. De titel van deze presentatie was ontleend aan een artikel dat Wiecher Lever in 1951 schreef voor het blad “De Schilder”. Hierin besteedde hij aandacht aan knippers waarmee hij in de jaren daarvoor in contact was gekomen en van wie hij het werk om diverse redenen kon waarderen. In het artikel noemde hij Lily Eisendorn, Gretha Zijl, Antje Pronk, Gertrud Januszewski, Theun Broekstra, Toos Commerell en Marie-Thérèse Bruning [1]. De laatst genoemde stond op de tentoonstelling in Schoonhoven centraal, zij stelde voor de expositie ruim vijftig knipsels als bruikleen beschikbaar. Het contact met Bruning kwam tot stand dankzij Riet Driessen, die net als Marie-Thérèse betrokken was bij, knipkring “Kniprijk Nijmegen”, die ruim een jaar later ook in het museum exposeerde [2].

Het andere materiaal op de tentoonstelling “Nederland knipt weer!” kwam uit eigen museumbezit. Grotendeels was dit verworven op de veiling van Levers Westerbork museum in 1988. Het betrof knipsels en kranten -en tijdschriftartikelen [3]. Bovendien beschikten we in ons archief over enige brieven die duidelijk maakten hoe het contact tussen Lever en Bruning, al eind jaren veertig, tot stand was gekomen.

afb. 1

Eind maart 1947 stuurt mevrouw W. Bruning-Van Rekum uit Nijmegen een briefje aan Wiecher Lever als reactie op een mooi geïllustreerd artikel in het tijdschrift “Vizier” [4] (afb. 1). Zij schrijft: “Met bewondering zag ik uw knipsels in “Vizier “ Eenig mooi zijn ze! Waarom ik u hierover schrijf? om deze reden: die naar ik hoop, niet te vrijpostig is. Toevallig is sinds eenigen tijd mijn dochter, die goed teekent, ook deze eens gaan knippen. Dit schijnt zij tamelijk goed te kunnen. Eén ervan hierbij. Zij kan hier niet het noodige materiaal ervoor krijgen. Nu wil ik haar eens verrassen, en de benoodigde schaarjes bezorgen, waarom ik mij tot U wend. Zou U drie voor me willen kopen of laten verzenden? De “kunstmenschen” helpen mekaar allicht, als het kan, nietwaar? Concu[r]rentie dat is uitgesloten, ‘t is puur liefhebberij. Mochten wij u ergens van dienst kunnen zijn, dan gaarne! Of misschien een souveniertje van Nijmegen voor de kinderen? Hoewel onbekend, vriendelijk groetend[.] Hoogachtend [w.g.] Mevr.Bruning-v.R. “.

afb. 2

Wiecher Lever heeft per ommegaande gereageerd en hij stuurt in zijn antwoord een eigen knipwerkje mee. Mevrouw Bruning-van Rekum antwoordt reeds op 4 april en bij haar brief is ook een schrijven (gedateerd 3 april 1947) van de jonge knipster, die Marie-Thérèse blijkt te heten, bijgesloten (afb. 2). Zij schrijft Lever: “Bij Moeders brief wil ik u ook een velletje bijdoen. Allereerst dank ik u hartelijk voor het buitengewoon fijne knipseltje. Wat ik zou willen vragen is, het valt mij op, dat U uit wit knipt en op zwart plakt, is dit altijd z66 Uw manier van werken. ik had ‘t nog nooit eerder gezien, en zelf knip ik dan ook uit zwart. Het echte goede papier heb ik er niet voor, het schijnt zeer moeilijk te zijn, daar aan te komen, alsook aan de schaartjes. Ik gebruik een nagelschaartje, maar daar kan ik nooit dat héél fijne werk mee maken. Ik lijst Uw knipsel in, dan kan ik er altijd van genieten. Ik geloof dat moeder al schreef dat ik alle zelf ontwerp. De bijgaande plaatjes, zijn bedoeld als Doopplaatjes en tevens als Geboorteaankondiging

Lever zorgt ervoor dat haar knipwerk bij de redactie van het tijdschrift “Hobby” terecht komt. In het septembernummer van de eerste jaargang (nr.9, juni 1947) wordt melding gemaakt van een mooie “Engelenwacht” die door Lever ter inzage is ingezonden. De redactie waagt om inzending van knipwerk, de knipsels die worden afgebeeld zullen worden gehonoreerd met f5,-, wordt het knipsel afgebeeld op de frontpagina dan krijgt de maker zelfs f20,-. Men geeft de maat aan (niet groter dan 16 x 20 cm) en spreekt de voorkeur uit voor wit-zwart, want “dit komt de oude Nederlandse volkskunst in wezen het meest nabij

afb. 3, Greta Zijl

Het resultaat van deze oproep is te vinden in het oktobernummer van “Hobby” (jrg,2, nr.1). Een mooi knipsel van Gretha Zijl siert de frontpagina (afb. 3) en van Bruning wordt het knipsel “Zomersprookje” afgebeeld (afb. 4).

afb. 4, Marie-Thérèse Bruning

De redactie (nu alleen bestaande uit B. de Cock, J. A. Brongers is vanwege drukke werkzaamheden teruggetreden) meent echter te moeten opmerken: ‘Reeds eerder roemden we van Mej. Bruning een “engelenwacht”, welke ons door Lever werd toegezonden. (Een prettige geest heerst er onder deze knippers en knipsters). Haar “Zomersprookje” is prachtig. We blijven het jammer vinden, dat Mej. Bruning in zwart knipt. We zullen gelijk duidelijk trachten te maken, waarom. Alle afbeeldingen, welke tot nu toe verschenen, geven zwart-witte vlakken in cliché-druk, welke het essentieelschone van ‘t knipwerk niet tot zijn recht doet komen. Er zijn nl. drie dimensies, de papierdikte is een niet te verwaarlozen factor; die is het juist, welke aan de knipsels het eigene fragiel-stoffeljke geeft. Zodra een knipsel in extenso -in druk doen ze dat alle- de indruk geeft, dat de voorstelling evengoed met zwarte inkt op wit papier kon zijn gezet -of andersom- is er iets mis. Het gevaar bestaat, dat het werk het stempel gaat dragen van houtsnede- en daar doelden we op bij het werk van Mejuffrouw Bruning- of uitgeknipt tekenwerk. We zien wel degelijk de oorzaken. De heer Lever knipt vaardig uit de Vrije hand met een meesterlijke techniek al wat hem lust. Hij grijpt terug op oude voorbeelden en ook door zijn ontwikkelingsgang is hij feitelijk een voortzetter van oude knipkunst. De dames Zijl en Brunsting (!) zijn meer kinderen van, deze tijd, ze zijn zoekende naar nieuwe vormen voor nieuwe tijden, naar een nieuwe school; we geloven dat, zo ze op de ingeslagen weg voortgaan, ze zeer zeker een eigen vorm zullen vinden. Meer mogen we er thans niet van zeggen immers dan zouden we op de kwestie “volkskunst vroeger en nu” vooruit lopen”.

Van De Cocks opvattingen, die waarschijnlijk ook wel door Lever zullen zijn gedeeld, heeft Bruning zich niet of nauwelijks wat aangetrokken. Ze gebruikte voor haar knipwerk graag zwart (verduisterings)papier en knipte sprookjes geboorteaankondigingen en voorstellingen uit haar R.K.sfeer. Zij was maatschappelijk werkster en actief in de padvinderij, een onderwerp dat ook regelmatig in haar knipwerk voorkomt (afb. 5-15).

afb. 15, Marie-Thérèse Bruning

Gretha Zijl (1907-1977) [5], die dus de Hobby wedstrijd won en door Lever wordt genoemd in zijn artikel in “De Schilder”, wordt al vermeld in de artikelen “Over knipsels en Schaduwbeelden” van Line Huizenga-Onnekes [6]. Zij schrijft daarin: “Het wil mij voorkomen dat het knipwerk van Andersen, mej. Gretha Zijl, onderwijzeres te Appingedam, inspireerde. Ik ken haar van kindsbeen af. Ze was lang ziek en toen ze het bed moest houden verdreef ze de tijd met knippen. Ze had dit al eerder gedaan ten pleziere van de schoolkinderen, toen ze nog onderwijzeres te Borgsweer was. Ze knipte hele schilderijen, sprookjesgeschiedenissen. Haar werk is zeer artistiek; de dansende en spelende kinderen zijn een lust voor de ogen“. Huizenga duidt hier op het knipsel “Feestdans ter gelegenheid van een Oranjeprinses” dat bij haar artikelen is afgebeeld. Werk van Zijl was aanwezig op de tentoonstelling “Schaarkunst” in Franeker in 1950 [7].

Zijl is vooral bekend door het knipwerk dat werd gemaakt bij gedichten van Dam Jaarsma en boekjes met kinderversjes van Sjouk Koopmans [8]. Een mooie uitgave is ook “Hoes en Hof’ een gedichtenbundel van Jan Boer (Groningen 1951), een boekje dat zich in Levers verzameling bevond en ook aanwezig is in ons Leverarchief (afb. 16-19).

Brieven komen daar niet in voor maar wel verschillende krantenartikelen, waaronder stukken uit de Margriet (4 november 1950), Het Nieuwsblad van het Noorden (24 december 1951) en het Nieuwsblad van het Noorden (14 april 1966) (afb. 20-22).

afb. 20

Verder illustraties voor een kalender met de vier seizoenen (door Lever gedateerd 1951) [9] (afb. 23-26).

Een interessant artikel werd geschreven door W. J. Eelssema, die reeds in 1947 enige kritische opmerkingen bij het knipwerk van Lever maakte [10]. Hij schrijft over Gretha Zijl en haar werk in de Noord-Ooster van oktober 1961 [11]: “Zo in de loop der tijden is er veel veranderd. Het ging eveneens met de knipkunst. Andere tijden, andere zeden. De knipkunst geraakte in verval en momenteel moet men de beoefenaars zoeken. Eén ervan is Lever, die lange tijd in Muntendam wonend, nu in Roden een klein museum heeft gekregen en fungeert als één der bijzonderheden van het dorp. Een andere beoefenaarster is Gretha Zijl te Appingedam. Zij maakt en dat is verheugend, zeer goede knipprenten, die de toets der critiek volledig kunnen doorstaan. Wanneer men zou willen beweren, dat Greta Zijl een traditie voortzette, dan zou men zich aan overdrijven schuldig maken. Zij kwam tot het knippen van prenten, toen zij eens als lopende patiënte in een ziekenhuis een aantal kinderen wilde bezighouden. Het was in oorlogstijd en veel voor de kleintjes was er niet. Aanwed(=z)ig waren wel papier, een schaar en…fantasie. (afb. 29,30) (…)

afb. 29 Greta Zijl

De allereerste knipprenten, die als illustraties dienst deden, zag ik in de gedichtenbundel. “Hoes en Hof’ van Jan Boer. Eerlijk bekend voldeed dat werk me niet in alle opzichten. Jan Boer schreef me bij het zenden van het boek: “De illustraties zijn van mej. Gretha Zijl, onderwijzeres te Appingedam, die de oude knipkunst in ere houdt. Mijns inziens ademen deze reprodukties dezelfde geest als mijn gedichtjes”. Ik kon het er niet mee eens zijn, maar dat was schijnbaar een kwestie van opvatting. Juist omdat dit werk mij enigszins teleurstelde, ben ik blij ten huize van mej. Zijl werk te hebben gezien, dat prachtig was. Zij heeft namelijk verschillende sprookjes geïllustreerd en het frappeerde, dat zij dat zo raak en daarbij vaak zo kunstzinnig deed. Naast deze illustraties knipte zij portretten, die eveneens verrastten door de trefzekerheid, waarmee de schaar gehanteerd is. Het valt niet mee om een portret te geven dat alleen bestaat uit een stuk zwart papier. Men moet mensenkennis hebben om uit een gezicht dat te halen wat karakteristiek voor het “slachtoffer” is Gretha Zijl bezit deze gave en men kan alleen maar bewonderen, wat zij in haar silhouetten weet te bereiken. Persoonlijk prijs ik me gelukkig twee van Greta Zijl ’s werkstukken bij dit artikel te kunnen publiceren. Het ene is een dichterlijke, men mag eigenlijk wel zeggen sprookjesachtige verbeelding van een akelei en het tweede is een zelfportret van de knipster”.

afb. 30, Greta Zijl

Het knippen van portretten is een niet zo bekende vaardigheid van de Appingedamse knipster. Een krantenartikel uit 1966 [12] er nog het volgende over: “Ze laat afbeeldingen van zeer ingewikkelde knipfiguren zien. Uit een map komen portretten. “Dit was ook leuk. Portretten knippen. Heb ik in Lunteren gedaan, het herstellingsoord voor onderwijzers Soms heb je mensen, die na het zien van zo’n knipsel reageren met “D’r zit hail wat tied in”. maar ze bedoelen eigenlijk, dat je je tijd aardig verknoeid hebt”.

Door Henk van Ark

Afkortingen
A.L.: Archief Lever
– Geknipt!: Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt! Geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland, Zutphen 2008.

Noten

  1. Marie-Thérèse Bruning (1920-2001). Geknipt!, Lexicon, p.176.
  2. Tentoonstelling “Kniprijk Nijmegen“, Nederlands Museum van Knipkunst,Schoonhoven, 1 september t/m 1 november 1998.
  3. Catalogus “A collection of paper-cut-outs from the “Museum van Knipkunst,Westerbork (…), Christie Amsterdam, 1988, lot 195.
  4. A.L., dossier Bruning, brief 28 maart 1947.
  5. Geknipt!, Lexicon, p.202.
  6. E. J. Huizenga-Onnekes, “Over knipsels en schaduwbeelden”, Groninger Dagblad, 15 en 22 maart 1947; Hobby, jrg.1, nr.9 (juni 1947), p.166-170.
  7. Henk van Ark “Papierknipkunst in Franeker in 1950 (2)”, Nieuws brief Stichting Tj. Lever en het Nederlands Museum van Knipkunst, jrg.12, nr.2 (juni 1999), [p.8-10].
  8. B. van Weperen-de Vries, “Greta ZijI 1907-1977”, Knip-pers, jrg.2, nr.3 (maart 1985), p.6-7.
    A.L., dossier Zijl.
  9. Henk van Ark, Wiecher Tjeert Lever (1917-1981), een kunstenaarsleven in knipsels, Rasquert 2008-2010, p. 41. Het betreft een artikel in de Winschoter Courant van 25 juni 1947. Wiert Jacob Eelssema (1902-1970) is journalist, criticus, recensist, toneelschrijver en schrijver van boeken (bekendste werk : Late Oogst, 1944). Hij publiceert in meerdere kranten waaronder de Winschoter Courant, de Noord-Ooster en de Eemsbode.
  10. W.J.Eelssema, “Men knipte vroeger, men knipt nu/GRETAHA ZIJL als knipkunstenares”, De Noord-Ooster, 28 november 1961.
  11. “Gretha Zijl speelt met ‘n SCHAAR heel wat klaar”, Nieuwsblad van het Noorden (rubriek “Voor de Vrouw”), 14 april 1966.

Tovenaar met het schaartje, Papyria 4

Tovenaars bestaan niet? Pas op wat u zegt! Ze bestaan wel degelijk. Ik heb er een ontmoet. In levende lijve zat hij voor me. Nee, hij zwaaide niet met de toverstaf. Hij hanteerde een klein schaartje met fijne scherpe puntjes en daarmee knipte hij uit een gewoon blocnotevelletje de prachtigste dingen: bloemen, bomen, planten, vogels, alle soorten dieren, mensen, symbolische voorstellingen, ja, wat niet”.

Dit is het begin van het artikel dat door de journalist M. E. Schwitters uit Hilversum werd geschreven voor het kerstnummer van de “Wereldkroniek” van 1954 (afb. 1).

afb. 1

Hij moet overigens al eerder een stukje over Lever hebben geschreven en dat was uiteindelijk de aanleiding voor een groot, mooi geïllustreerd artikel in die “Wereldkroniek”. Het Wereldkroniek-artikel is door Wiecher Lever niet opgenomen in de plakboeken die hij samenstelde en waarop wij onze monografie baseerden, maar hij bewaarde wel twee losse exemplaren van het stuk, waarvan één foutief door hem is gedateerd (1955 i.p.v.1954). De inhoud van het artikel is niet opzienbarend, we treffen er de verhalen over Lever aan die ook in voorgaande artikelen werden geschreven, zoals zijn verleden op het turfschip en de vondst van een knipseltje in de Bijbel bij een tante -zijn eerste kennismaking met de knipkunst. Voorts zijn werk als vertegenwoordiger, zijn start als beroepsknipper en deelname aan diverse tentoonstellingen, het knippen van portretten, zijn collectie in opbouw met daarin vele door hem gemaakte kopieën. En, het knipwerk van zijn kinderen, Levers definitie van volkskunst en afkeur van na-apers en vervelende museummedewerkers, afgesloten met de vermelding van zijn voorkeur voor het knippen van veldbloemen en zijn bewondering voor de natuur van het Groningse platteland.

Origineel is Schwitters dus in zijn artikel niet, veel gedeelten zijn nagenoeg letterlijk overgenomen uit voorgaande stukken in kranten en tijdschriften. Niet dat Lever daar bezwaar tegen zal hebben gemaakt, hij stuurde Schwitters voorafgaande aan de publicatie in de “Wereldkroniek” de artikelen over hem in “Beatrijs”, “Het Kind” en het “Landbouwhuishouden” toe om het werk van de journalist te vergemakkelijken, een werkwijze die wij ook uit eigen ervaring kennen. Hij kon deze publiciteit -nu ook in een landelijke uitgave- zeer goed gebruiken en met de inmiddels dus bekende canon van aandachtspunten werd zijn knippers- en levensverhaal tenminste goed weergegeven. Belangrijk was verder dat het artikel uitstekend werd geïllustreerd met als blikvanger het knipsel “Overdenking bij de jaarwisseling” waarin de voornaamste gebeurtenissen uit het persoonlijke leven van de mens -zoals geboorte, schoolgaan, liefde, overlijden- zijn verwerkt. Andere illustraties zijn knipsels van Liesje Lever, een foto van Lever die burgemeester Boot van Hilversum portretteert, de geknipte “stamboom” van Levers vrouw, en het toen nog aan Anna Maria van Schurman toegeschreven wapenknipsel uit het Franeker Museum (toen Coopmanshus, nu Martena Museum) (afb. 2,3).

afb. 2

afb. 3

Echter uit het begin van het artikel blijkt een grote bewondering van de schrijver voor het knipwerk van Lever en ongetwijfeld ook voor diens verhalen. Dit wordt tevens duidelijk uit de brieven van Lever aan Schwitters waarvan negen exemplaren (7 brieven, 2 briefkaarten) bewaard zijn gebleven (afb. 4,5).

afb. 4

afb. 5

Ze dateren van 3 februari 1954 tot 23 mei 1955 [1]. Ze werden ons in kopie toegestuurd door Schwitters, die de expositieruimte van ons museum aan de Oude Haven is Schoonhoven had bezocht en daar met genoegen vertelde over zijn ervaringen met de Groningse knipkunstenaar. In verschillende opzichten is deze correspondentie interessant.

Allereerst wordt duidelijk dat Schwitters Lever het voorstel heeft gedaan samen “een boekwerk” over knipkunst te schrijven [2]. Lever gaat daarmee akkoord en zegt toe “komende dagen zal ik zo veel mogelijk materiaal bijeen zoeken“. Ook gaat hij in op zijn -inmiddels beëindigde- samenwerking met Line Huizenga-Onnekes: “Mevr. Huizenga-Onnekes is reeds een paar jaar bezig met een boek over de knipkunst samen te stellen waaraan ik om voor mij propagandistische reden veel heb meegewerkt. Dit wat nu overheidssubsidie is toegezegd wordt echter zo lijvig dat zij alleen door bibliotheken en leeszalen kan aangeschaft worden. Het zal mij niet verwonderen dat het een werkje van over de f 30,- wordt. Zelf heb ik mij reeds lang bezig gehouden met de gedachte van een beknopt werk. Niet met historische indeling, maar de indeling als volgt.
Knipkunst als ontspanning in de verfijnde salons.
Knipkunst als volkskunst[.]
Knipkunst in de hedendaagse tijd.
Reeds zocht ik van enkele knipsels de gegevens van vervaardiger en familieleden na. Zo kon ik twee jaar terug een ruim art voor de Nw. provinciaal Gron. Courant schrijven over Geert Jager de knipkunstenaar. Zo licht er bij “Gens Nostra” een art te wachten over een Groningse zeeliedenfamilie, dit laatste zal ik weer opvragen
.”

De eerst bewaarde brief na het verschijnen van het Wereldkroniek-artikel dateert van 1 maart 1955. Wiecher deelt zijn “Geachte vriend” mee: “Zo onder het werk door heb ik mijn gedachte gesteld op de afspraak een boek over knipkunst. Hoe dacht U als het een boek werd dat tegelijk instructief werkte voor leeraars handenarbeid enz. In dat geval zal de nadruk sterk moeten vallen op de knipkunst als volkskunst, wat vooral de gelegenheid geeft een levendig vlot werk te vervaardigen. Tegelijk historisch en instructief zal de lezerskring aanmerkelijk groter maken. Zakelijk gezien lijkt het mij het beste dat U als schrijver optreedt, en dan als aanvulling b. v. waarin verwerkt een tweetal leerboekjes van W. Tj. Lever. Als U als schrijver optreedt kunt u vrijer over mijn werk schrijven wat mij ten goede komt, en het boek op Uw naam zal U meer succes verschaffen “.

Lever stuurt Schwitters materiaal toe dat voor het boek te gebruiken zou zijn, zoals vier, niet ingelijste knipsels van Bram Bos[ch], foto’s van werk van H. D. Voss en Poolse meisjes en Gertrud Januszewski, wat Lever het beste van de hedendaagse knipkunst noemt, dat echter niet zonder voortekening gemaakt kan worden. Dat het uiteindelijk toch niet tot een publicatie is gekomen heeft waarschijnlijk als oorzaak dat Wiecher Lever, wegens tijdgebrek, niet voldoende materiaal bijeen kon brengen en Schwitters, als journalist, ongetwijfeld veel andere zaken aan het hoofd had. Bovendien lag een financiële klapper niet voor de hand, dus ander werk ging voor [3].

Hoe druk Lever het in die tijd had blijkt ook uit deze bewaarde correspondentie. Hij reist voortdurend door het land om lezingen en demonstraties (die hij steeds opsomt) te geven en boekingen voor optredens (bijvoorbeeld op scholen en bij verenigingen) te verwerven. “Zo onder het werk door”, zoals hij schreef, kon hij nog wel denken over een boek, zelf een dergelijke publicatie samenstellen lukte hem echt niet, vandaar zijn “genereuse” gebaar aan Schwitters om op te treden als schrijver. Dat die dan vrijer over zijn werk zou kunnen schrijven was mooi meegenomen. Lever kende zijn beperkingen, een echte schrijver was hij niet en tijd om zich hierin te ontwikkelen was er gewoon niet. Er moest geld worden verdiend en dat eiste alle aandacht op. Lever kwam aan schrijven nauwelijks toe, hij schrijft: “Geachte Vriend. Met deze zend ik U het familieknipsel [ dat Lever Schwitters als dank voor zijn inspanningen had beloofd, HvA. Met schrijven ben ik nog niet begonnen. Vorige week werd nog een brief uit Californië ontvangen, naar aanleiding van het art in “Wereldkroniek”. Het was naar aanleiding van het familieknipsel. De schrijver wist te herinneren, dat in zijn voorgeslacht de naam Margaretha Wildervank voorkwam, en vroeg naar mogelijke inlichtingen”.

afb. 6

Terugkijkend is het bewonderenswaardig hoeveel Wiecher Lever in die tijd heeft gewerkt en bijeengebracht. Dat blijkt ook uit het vele genealogische onderzoek dat hij heeft uitgevoerd (afb. 6-10). Het afgebeelde knipsel van de “Stamboom” van zijn vrouw in de “Wereldkroniek” is daarvan maar een bescheiden voorbeeld, er zijn veel aantekeningen van genealogisch onderzoek bewaard, niet alleen over familieleden, maar ook over diverse knipkunstenaars.

afb. 7

afb. 8

Een publicatie over knipkunst was belangrijk, maar de tovenaar van Muntendam had een andere droom: het vervolmaken van zijn knipwerk en de opbouw van een museale collectie vier eeuwen knipkunst. De jaren vijftig kon hij afsluiten met de opening van zijn Nederlands Museum van Knipkunst in Roden in 1960; een bekroning van zijn geweldige inzet op knipkunstgebied, met name na 1950.

afb. 9

afb. 10

Door Henk van Ark

Noten

  1. Archief Lever, dossier Schwitters.
  2. idem, brief 3 februari 1954.
  3. M. E. Schwitters (John Schwitters) werkte in diverse functies bij het Vrije Volk in Groningen, Amsterdam en Rotterdam. Hij doceerde in Groningen enige tijd journalistieke typografie aan het Instituut voor Perswetenschappen en vertrok in 1955 naar Hilversum waar hij de dagelijkse leiding van de VARA gids op zich nam.. In 1962 stapte hij over naar de persdienst van de NTS (later NOS).
    4. Archief Lever, dossier Schwitters, brief 23 mei 1955.

De schaarminerven en de schaarhercuul, Papyria 4

Twee hoofdpersonen uit de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst zijn voor onze stichting W. Tj. Lever van bijzonder belang geweest.

Allereerst natuurlijk Wiecher Lever. Met de oprichting van de stichting in 1988 probeerden we aandacht te vestigen op de dreigende verkoop van Levers Westerborkcollectie en we slaagden erin -toen het bijeenhouden van Levers levenswerk niet lukte- belangrijke delen van zijn verzameling op de veiling aan te kopen. Met die aangekochte basiscollectie probeerden we Levers werk voort te zetten middels tentoonstellingen in het land en later in het Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven.

Joanna Koerten was voor ons vooral belangrijk omdat zij de bekendste knipster uit voorgaande eeuwen is geweest en we op de veiling van Levers verzameling prenten en boeken konden aankopen die op Koerten en haar werk betrekking hadden. Terugkijkend kunnen we vele paralellen tussen beide papierkunstenaars opmerken. Ze waren allebei papierkunstenaar die eigen werk maakten in een bijzondere stijl en techniek. Ook maakten ze hun eigen werk voor het publiek toegankelijk, zij het op een totaal verschillende manier. Hun collecties bleven nog jaren bij elkaar (Koerten tot 1750 en Lever tot 1988) en beide kunstenaars waren actief betrokken bij het stimuleren van anderen om de knipkunst te beoefenen. Joanna Koerten werd in haar tijd aangeduid als de Schaar-Minerve van Amsterdam, Lever werd in 1950 een Schaar Hercuul (de Hercules van de knipkunst) genoemd [1][ (afb. 1).

afb. 1

Het artikel “Een vergeten volkskunst” in het Nieuwsblad van het Noorden (15 april 1946) is geschreven op verzoek van Wiecher Lever. Hij stelde de redactie de vraag: “Zou u niet eens eens iets willen schrijven over een oude volkskunst, die geheel verloren is gegaan, maar die in vroeger eeuwen in ons land veel veranderd, namelijk de knipkunst?

De redactie ging daar op in en aangezien men constateerde dat Lever over de bloei van de knipkunst in vroeger tijden weinig wist te vertellen wendde men zich tot de Openbare Leeszaal in Groningen en vond daar onder andere het artikel van Van Son uit 1910 waarin Koerten ruime aandacht krijgt [2[ (afb. 2).

afb. 2

Het artikel van Van Dokkum, waarin veel meer over de Amsterdamse knipster werd vermeld was toen kennelijk niet beschikbaar [3] (afb. 3).

afb. 3

Al snel waren er voor Lever mogelijkheden zijn kennis over Koerten te versterken. Hij nam ook in 1946 deel aan de knipkunstentoonstelling in het Centraal Museum in Utrecht en zal ongetwijfeld kennisgenomen hebben van de in het tijdschrift “Historia” gepubliceerde drie artikelen over knipkunst door C. Catharina van de Graft. Exemplaren van de betreffende. nummers bevonden zich in zijn verzameling en konden in 1988 door de stichting worden verworven. Verder had hij uitwisselingscontacten van informatie met Line Huizenga-Onnekes en was het voor hem mogelijk bij zijn demonstraties in het Openluchtmuseum in 1946 en 1947 de museumbibliotheek te raadplegen. Koerten komt in mooie artikelen over Lever eind jaren veertig/begin jaren vijftig natuurlijk voor, maar zelf hij schrijft pas over haar in het artikel in De Schilder van 21 juli 1951. Een halfjaar erna (29 januari 1952) publiceert voor de rubriek “Kunst en Kultuur” van de Gazet van Antwerpen het uitvoeriger artikel “Een Herlevende Volkunst/Tekenen met de Schaar” (afb. 4).

afb. 4

Daarin schrijft hij over Koerten: “Het werk van Vwerten [Koerten] is van geheel andere inslag. Bij het eerste zien van één harer werkstukken meent men eerder een ets voor zich te hebben dan een knipsel. Haar werkwijze was dan ook van geheel andere inslag. Het was veelal niet oorspronkelijk, maar een nauwkeurige weergave van een schilderij of prent, eerst getekend en later met schaar en pennenmes zodanig bewerkt dat bovengenoemde vorm verkregen werd. Technisch was het zeer knap. Toch zou onze tijd haar niet bewieroken gelijk het verleden. Zij toch was in haar tijd een ware beroemdheid. Menig buitenlands vorst, o.a. Czaar Peter en Maria van Engeland, bezochten haar en bewonderden het kabinet van Papiersnijkunst door Adriaan Blok, haar echtgenoot, aangelegd, die als een prins-gemaal in de grootheid van zijn vorstin deelde. Na haar dood bundelde hij de lofzangen, door meer dan honderd harer bewonderaars geschreven. Een paar fragmenten hieruit mogen aantonen hoe haar tijdgenoten haar eerden”:

Hierna laat Lever enige citaten uit lofdichten volgen en hij besluit dit gedeelte van het artikel: “In overeenstemming met bovengenoemde zangen waren de prijzen die ze maakte. Keurvorst Johan Willem van de Paltz moet haar voor drie harer knipsels duizend gulden geboden hebben. Keizerin Anna Maria Josepha van Neuberg betaalde vierduizend gulden voor een heerlijk stuks werk, bestaande uit bloemen, wapens, arendskronen in loofwerk, versierd met gevlochten zijde. Een prijs die veel hoger lag dan die der best betaalde schilderijen uit die tijd Nog tijdens het leven van Johanna Koerten werd te Amsterdam bij Johannes ten Hoorn, boekverkoper over ‘t Oude Heerenlogement, in 1686 uitgegeven het boekje getiteld:


Kunstig en vermaakelyk
Tyd-ve[r]dryf
der
Hollandsche Jufferen
Of onderricht der
Papiere sny-konst
een bewijs van de groeiende belangstelling voor deze vorm van ontspanning”:

Voor deze genoteerde citaten heeft Lever gebruik gemaakt van het artikel van Van Son dat hij dus al vanaf 1946 kende. Kort daarna moet de Groningse knipkunstenaar hebben beschikt over het artikel van Van Dokkum dat volledig, nagenoeg, uitgetypt hem zal zijn toegestuurd door de redactie van de Bode van de Heilige Familie. Het typoscript is namelijk vervaardigd op postpapier van deze Bode (afb. 5-6).

afb. 5

afb. 6

Voor dit katholieke orgaan maakte Lever een voorpagina-knipsel voor de uitgave van oktober 1951 [7].

afb. 7

Lever zal zich ongetwijfeld verder hebben bezig gehouden met Koerten, dat blijkt bijvoorbeeld uit notities (gelukkig in potlood) op een van de twee lege schutbladen van de Lofdichten uitgave van 1735 (afb. 8).

afb. 8

Diverse schrijvers met de pagina(’s) waarop hun gedicht(en) te vinden zijn heeft hij opgeschreven. Om welke reden is niet te achterhalen, van resultaten van eventueel uitgevoerd onderzoek is niets bekend. Wel verzamelde hij natuurlijk Koertiana voor zijn verzameling. De lofdichtenuitgave van 1735 is daar een van, verder had hij in zijn collectie ook de lofdichtenuitgave van 1736 (in beide publicaties is een gravureportret van J. Punt opgenomen (afb. 9) en twee prenten.

afb. 9

Dit waren de gravure van Jac.Houbraken die voorkomt in Arnold Houbrakens “groote Schouburgh”, waarbij het portret van Koerten is omgeven door de twaalf tekens van de dierenriem (afb. 10) en de zwartekunst prent van Petrus Schenk (afb. 11) die is gemaakt naar voorbeeld van een schilderij van D. van de Plas. Deze mezzotint speelde een rol bij de verhalen die Lever over de geschiedenis van de knipkunst in zijn museum vertelde, we zien de prent ingelijst, omgeven door knipwerk, al op foto’s van zijn kleine museum in Roden (afb. 12).

afb. 10, J.C. Weyerman, Wiki Commons

Prenten en lofdichtboeken konden door onze stichting worden aangekocht op de veiling van 1988. In ons museum in Schoonhoven kon Koertens portret door Schenk permanent worden geëxposeerd, samen met het portret van Jan Kopper, die echt als knipkunstenaar is afgebeeld, in één lijst.

afb. 11

Beide portretten speelden een belangrijke rol bij rondleidingen die we in het museum verzorgden. Toen beseften we nog niet dat de connectie Koerten-Kopper nog meer inhield dan wij al dachten. Dat werd pas echt duidelijk toen we een artikel schreven voor ‘Welkom in Papyria (3)”.

afb. 12

Door Henk van Ark

Noten

  1. “Schaarkunst. Vier eeuwen knip-virtuositeit in Franekers Coopmanshuis, Panorama, 8 september 1950, p.21.
  2. C. van Son, “Schaarkunst”, Elsevier’s Geillustreerd Maandschrijft; jrg.20 (1910), p. 306-319.
  3. J. D. C. van Dokkum, “Hanna de knipster en haar Concurrenten”, Het Huis Oud en Nieuw, jrg.13 (1915), p335-358.

Meer dan papieren speelgoed, Papayria 3

afb. 1

In 2003 werd in Amsterdam een veiling van papieren speelgoed met als motto “Ter leering en Vermaeck” gehouden [l] (afb. 1-3). Het betrof vooral de verkoop van een grote collectie bordspelen uit particulier bezit, maar toen wij de catalogus in handen kregen werden we aangenaam verrast.

In de catalogus waren twee pagina’s in kleur opgenomen met afbeeldingen van bavelaars, knipsels en geknipte papieren diorama’s. Nu gebeurt het wel meer dat op veilingen ook enig knipwerk wordt aangeboden, maar hier ging het toch wel om enige bijzondere stukken (afb. 4-5). Het ging om de volgende kavels:

afb. 4

afb. 5

  1. 146. Vier knipsels. Gesigneerd J.J.V. 18e eeuw. Alle 16 x 20 cm. Met voorstellingen van de vier jaargetijden; een schaapsherder en zijn kudde, fruittelers in de boomgaard, een visser en pijprokende man bij een boerderij en schaatsenrijders. Alle ongelijst.
    nr. 151. Een knipsel. Drie zeilschepen op zee, 38,5 x 46 cm. Ingelijst.
    nr. 199. Een knipsel. Gedateerd MDCVII. ‘Amstelveen’ met “t Rechthuys, 16,5 x 20 cm.
    nr. 201. Een knipsel. Ga 1800. Een boerenerf omheind door een hek, waarbij de boerin in de deuropening staat, terwijl de boer, de drie dochters, wat loslopend vee en enkele kippen haar vergezellen, 19 x 25 cm.
    nr. 203. Een knipsel. Gesigneerd S. Verhoeff 18e eeuw. Zeilschepen op een woelige zee met op de achtergrond een fort, 20,5 x 30,5 cm.
    nr. 204. Een knipsel. 18e eeuw, onduidelijk gesigneerd, H van Berchdonck. Drie zeilschepen op zee, 14 x 18 cm.

Voor ons het meest interessant was het knipsel van Verhoeff, een knipper die al lange tijd onze belangstelling had. Dat begon bij de samenstelling van een brochure over Rotterdamse papierknipkunst. Hiervoor raadpleegden we in het Rotterdamse Gemeentearchief de catalogus van de tentoonstelling van oudheden, gehouden in Delft in 1863. Op die expositie is werk te zien geweest van Jan Kopper, Anna Maria van Schurman, Joanna Koerten en J.H. de Heer. Er was verder knipwerk van onbekende kunstenaars en een map met tekeningen op perkament met zeer kunstig door Daniël Pigeaud (1703-1779) uitgesneden randen. Daarnaast nog werk v  an toen nog onbekende knippers: Stephanus Hordijk, G. Verhoef en J. van de Laer [2].

G. Verhoef bleek Simon Verhoeff te zijn, dat ontdekten we als bijvangst van het onderzoek naar bezoeken van reizende silhouettisten in Rotterdam in de periode 1775-1800. In advertenties in de Rotterdamsche Courant troffen we aankondigingen van twee kunstkabinetten van papieren snijkunst aan, dat van Hendrik Voerman en Simon Verhoeff [3]. Op 14 maart 1799 kondigde de Rotterdamse boekverkoper J. Hendriksen in de Rotterdamsche Courant aan dat hij eind april boeken, prenten, schilderijen en het “Cabinet van Snykonst, van wylen den Schoolhouder S. Verhoef, aan den Berg” zal gaan verkopen. Het is de eerste van een reeks advertenties waarin telkens dat knipkunstkabinet werd vermeld (14 maart, 26 maart, 6, 20, 23 en 25 april). Hendriksen probeerde in de courant op steeds wisselende wijze Verhoeffs knipkunst aan te prijzen. Hij gebruikte benamingen als “Cabinet van Snykonst”, “het beroemde Konstkabinet van Snykonst”, “het overheerlyk Konstkabinet”, en “het Konst-Kabinet van Papieren Snykonst” [4] (afb. 6-7).

afb. 6

afb. 7

Wie de schoolhouder Verhoeff was ontdekten we in een rouwadvertentie van enige jaren daarvoor. Maria van der Meide liet in de Rotterdamsche Courant van 25 oktober 1796 weten dat haar man Simon Verhoeff, koster, voorzanger en schoolmeester te Hillegersberg op 20 oktober ten gevolge van een galziekte was overleden in de ouderdom van vijftig jaar en bijna elf maanden. Zijn die vermelde gegevens juist dan moet Simon Verhoeff eind 1745 zijn geboren. (afb. 8)

afb. 8

Verhoeff is ook schoolmeester geweest in Nieuwerbrug. In 1771 solliciteerde hij naar de onderwijzersplaats in het dorpje Hillegersberg bij Rotterdam. Nu is dit een wijk van de Maasstad. Van de 43 sollicitanten bleven er voor de tweede ronde drie man over: Jan Heynis uit Woerden, Willem Westveld uit Oud-Alblas en Simon Verhoeff uit Nieuwerbrug. In het archief van de gemeente Hillegersberg zijn een brief aan de schout (afb. 9-10) en de afgelegde proeve van schrijfkunst bewaard gebleven [5] (afb. 11).

afb. 11

Tot dan was papierknipwerk alleen bekend door vermeldingen in de catalogus van de Delftse oudhedenexpositie van 1863 (afb.12).

afb. 12

Hierin werden genoemd: “Een zee met schepen in lijst, 1770 en een dito van 1765 “, ingezonden door G. van Schagen en “Een gezigt op Rotterdam van de Maaszijde; met schepen” uit het bezit van Mevr. de Wed. van Swieten [6]. Maritieme voorstellingen dus, die ook duidelijk maakten dat Verhoeff al ruim voor zijn werkzaamheden in Hillegersberg met papierknippen was begonnen. Door de afbeelding in de Glerumcatalogus van 2003 konden we ons eindelijk een beeld vormen van het werk van Verhoeff.

 

 

 

Het is een papieren diorama met vier zeilschepen op een woelige zee met op de achtergrond een wat oriëntaals aandoend fort (afb. 13).

afb. 13

Heel goed vergelijkbaar met werk van andere knippers uit die tijd die ook dit soort maritieme voorstellingen in reliëf of als diorama maakten. In Hillersberg had Verhoeff inspirerend werk op dit gebied in de buurt: het maritieme en andere knipwerk van meesterknipper Jan Kopper. Het is niet uitgesloten dat de Hillegersbergse schoolmeester Kopper nog heeft gekend of na het overlijden van de knippende Rotterdamse bakker in 1788 een bezoek heeft gebracht aan Koppers knipkunstkabinet, dat bij neef  Van Stipriaan bijna tien jaar lang in een speciaal daarvoor gemaakt meubel te zien is geweest. In de verkoopadvertententies van boekverkoper Hendriksen werd nadrukkelijk gesproken van het “Cabinet van Snykunst” van Simon Verhoeff. Mogelijk de aanwijzing dat Verhoeff, in navolging van de familieleden van Kopper, ook een kabinet met eigen gemaakt knipwerk had opgesteld, een verzameling die na zijn dood is verkocht en verspreid is geraakt.

Door Henk van Ark

Noten
gebruikte afkortingen

Catalogus Oudheden: Catalogus der Tentoonstelling van voor Nederland belangrijke Oudheden en Merkwaardigheden, in de Provincie Zuid-Holland voorhanden (…), Delft 1863.
KS: Henk van Ark, Zeer uitstekende kurieuze stukken van papier. Rotterdamse papierknip- en snijkunst 1650-1900, Rotterdam 1987.
Nieuwsbrief: Nieuwsbrief van de stichting W. Tj.Lever en het Nederlands Museum van Knipkunst.
Verhave
: Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt! Geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland, Zutphen 2008.

  1. Veiling nr. 254, Glerum Auctioneers (maandag 15 december 2003).
  2. KS, p.11-12, noot 61-72.
  3. Verhave, Lexicon, p.181(Hordijk); p.198 (Verhoeff); p.186 (Van der Laer).
  4. Henk van Ark, “Knipkunstkabinetten”, in: Verhave, p.154.-159.
  5. Henk van Ark, “Vier achttiende eeuwse knipkunstkabinetten; 1.Simon Verhoeff (1745-1796)”, Nieuwsbrief, jrg.7, nr.1 (maart 1994), [p.5-7]
  6. Catalogus Oudheden, nrs. 2240 en 2241.
  7. Zie het artikel “Geportretterd als papierknipper” in deze uitgave.

Acket, Cornelis Joan Matthijs 

Cornelis Joan Matthijs Acket, Terschelling 1882-1973 Bussum

Hij bezocht de Kweekschool voor de Zeevaart, maar werd (op verzoek van zijn vader) ontslagen in de tweede klas, “wegens tegenzin in het zeemansvak”. Hij werd kantoorbediende bij de Rijksverzekeringsbank te Amsterdam en trouwde in 1908 met Gijsbertha Blijdenstijn. Ze gingen wonen in Schoten bij Haarlem.

Tijdens de vier jaar durende oorlog gold algemene mobilisatie en moesten de militairen allerlei klussen opknappen en ze verveelden zich. In 1915 verbeeldde Acket dat treffend in een schimmenspel met 41 episoden; de officier Jouke Broer Schuil maakte er geestige teksten bij. Het geheel verscheen als “Met de Eerste Compagnie op Mobilisatie” en het werd later nog eens uitgegeven als “Mobilisatie herinneringen van een landweerman”.

Waarschijnlijk is het bij deze productie van schaduwbeelden gebleven; hij is nog wel blijven tekenen, maar over zijn verdere leven is weinig bekend.

Literatuur
  • Papyria 8, 2014, Henk van Ark, “Met de eerste compagnie op mobilisatie: schimmen van Acket”

Geportretteerd als papierknipper: Jan Kopper (1), Papyria 3

Alsof het in de lucht hing, eind jaren tachtig. Jan Kopper, zo hoorde je jarenlang nauwelijks iets over deze nagenoeg onbekende Rotterdamse broodbakker papierknipper, nu ineens verschenen er kort na elkaar twee publicaties en dook een lang gezochte 18de eeuwse catalogus en levensbeschrijving op. Smullen voor liefhebbers van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst.

Het begon met de brochure “Zeer uitstekende kurieuze stukken van papier”, die we in het voorjaar van 1987 samenstelden voor Atelier Tobia Lever. (afb. 1) Deze uitgave verscheen ter gelegenheid van de kleinschalige manifestatie “De Kunst van het Papierknippen, een Zomerse Honderddaagse”, die werd gehouden van 10 juni t/m 17 september 1987[1]. Bij die manifestatie verscheen het derde nummer van Atelierbulletin “Het Pijnackernieuws” en manifestatie en brochure kregen behoorlijke publiciteit in de Maasstad (afb. 2-3).

      

Voor het schrijven van “Zeer uitstekende kurieuze stukken”, met op de voorzijde het portret van Jan Kopper, was maar korte tijd beschikbaar, de meeste daarin vermelde gegevens waren daarom ontleend aan raadpleging van vooral oudere, maar wel zeer relevante literatuur en incidenteel archiefonderzoek. Wel werd toen al duidelijk dat er veel meer te ontdekken zou zijn over Rotterdamse papierknipkunst en besloten werd nieuw onderzoek onder andere te richten op Jan Kopper, mede omdat het in 1988 tweehonderd jaar geleden zou zijn dat hij was overleden.

afb. 4

afb. 5

Dit onderzoek leverde een veelheid van interessante gegevens op. In de archieven vonden we vermeldingen van zijn twee huwelijken (afb. 4 en 5) een boedelinventaris waaruit we konden opmaken dat Koppers huis van het afgeschoten kamertje op zolder tot in de keuken gevuld geweest was met knipwerk (afb. 6) en een boedelrekening die interessante gegevens naar voren bracht over het, na zijn overlijden, gedrukte portret en de daarvoor gemaakte kosten [2].
Maar er ontbrak iets: de catalogus van zijn kunstkabinet die op een tentoonstelling in 1863 te zien was geweest en waar in de jaren erna diverse malen naar gezocht was. Het lukte helaas niet een exemplaar daarvan te achterhalen, de brochure over Kopper verscheen in 1989. Het werd een uitgave van de stichting W.Tj.Lever (in samenwerking met Atelier Tobia Lever) die dankzij de veiling van de Westerborkcollectie in 1988 inmiddels kon beschikken over de bewuste portretgravure van Kopper. De voorzijde van de Kopperbrochure toonde het hoofd van de knipkunstenaar verpakt in een puzzel met nog blanco gedeelten, duidend op de witte vlekken die nog over zijn leven en werk moesten worden ingevuld [7]. Sneller dan verwacht werd dat mogelijk.

afb. 7

We werden benaderd door de heer A.G. van der Steur, een bekende antiquaar uit Haarlem, die enige exemplaren van de Kopper brochure had besteld. Hij bleek eveneens bezig met een Kopper onderzoek mede omdat hij in zijn eigen collectie ook de portretgravure had. Hij wees ons op het juiste geboortejaar van Kopper, vroeg om afbeeldingen van werk van Kopper, die wij inmiddels via een particulier hadden weten te achterhalen, en deelde ons tot onze verbijstering mee dat een verzamelaar, de heer J. Ayolt Brongers, welbekende boekensneuper uit Amersfoort, zich bij hem had gemeld omdat hij graag dat portret zou willen hebben dat naar zijn mening moest hebben behoord bij een catalogus die hij in een antiquariaat, eigenlijk bij toeval, had gevonden. Het bleek de lang gezochte catalogus.

Van der Steur publiceerde zijn onderzoek [3] met veel gegevens uit onze brochure, twee door hem gevonden voortekeningen van het (geschilderde) portret van Jan Kopper afb. 8 en 9) en een levensbeschrijving, twee lofdichten en de catalogus van Koppers kunstkabinet in facsimile. Een waardevol artikel (afb. 10). In 1990 verscheen het vouwbIad “Rotterdamse papierknipkunst (afb. 10).

(afb. 10)

Mededelingen over Jan Adelaar en Jan Kopper” met aandacht voor het goede geboortejaar van de Rotterdamse knipkunstenaar en elf afbeeldingen van werk dat wij hadden gevonden. Brongers liet zich ook niet onbetuigd. Hij bracht, als bibliofiele uitgave, in 1991 een facsimile van de door hem gevonden catalogus uit, gevolgd door een nawoord met als titel “Een vondst” (afb. 11 en 12).  Op smakelijke manier beschreef hij hierin het verloop van zijn contact met Van der Steur over de Kopper catalogus [4].

In 1773 is Jan Kopper geportretteerd door de Rotterdamse schilder Nicolaas Muys. Wie deze Kopper, die als trotse papierknipper (afb. 13) wordt afgebeeld was, is duidelijk geworden uit archief en de levensschets, die samen met twee lofdichten, is opgenomen in de catalogus van zijn kunstkabinet.

afb. 13

In die levensschets is ook foutief zijn geboortedatum vermeldt: 16 december 1713. De vermelding hiervan in oudere en ook meer recente publicaties is ongetwijfeld hieraan te wijten. Maar Kopper is een jaar later, op 16 december 1714 geboren in Rotterdam als zoon van Dirck Kopper en Anna Haagsman. Kopper huwde in 1744 als jongeman van Rotterdam met Maria Lievinston, eveneens afkomstig uit de Maasstad. Ze kregen twee kinderen Dirck en Maria. Lievingston overleed in 1760; Kopper hertrouwde in 1762 met Sara van Vlugt die al in 1763 overleed in het kraambed. Jan Kopper leefde nog tot 1788, hij overleed op 15 november op 74-jarige leeftijd; op 28 november van dat jaar werd hij als welgesteld burger van de stad begraven [5].

afb. 14

De levensschets (afb. 14) geeft mooie details over Koppers leven. Zo wordt beschreven dat hij met het knippen al op jeugdige leeftijd begon (“doch zeer onvolmaakt, ter opzicht van zyn volgend werk hoewel met meer zwier als men van kinderen zulks gewoon is”) en een hartstochtelijk beoefenaar van muziek was. Hij bespeelde bas, fluit, en clavecimbel, maar de viool was toch wel zijn geliefste instrument “waarop hy zig met de borst toeleide, en geen geringe vordering maakte” Zijn vrolijkheid en aardigheid van geest bracht hem in contact met vele vrienden en gezelschappen en dat leidde ertoe dat hij dikwijls uithuizig was. Dit tot verdriet van zijn eerste vrouw die altijd ziekelijk was en hem aanraadde hiervan af te zien en thuis te blijven. Daardoor nam hij het knippen weer op en maakte daarin goede vorderingen. Door de dood van zijn tweede vrouw werd de Rotterdamse bakker en knipper zo getroffen dat hij verder afzag van de huwelijkse staat en “het eenzaam leven verkoos, houdende met een dienstmaagd huis, die hem tot zyn dood bybleef”. De schets kent een ronkende passage over Koppers knipwerk “Nu leidde hy zig met de borst op zyn geliefd konstwerk toe, en spande alle zyne vermogens in om zig daar in te volmaaken. Hy slaagden in zyn oogynerk, want over schoonheid en menigvuldigheid van mans Konststukken moet men zig verwonderen. Veele beminnaaren van Konsten en Wetenschappen, byzonder die der Teeken- en Schilderkonst zogten zyne vriendschap, en verwonderden zig meenigmalen over het schoon in zyne van papier gewerkte stukken, en betuigde, dat zyn Perspectief kunde en ordonnantien den hunnen niet alleen evenaarde, maar dikwils overtroffen “.

Sterker nog: “Men doet verder niet te veel, of maakt zig aan geen laffe vleiery schuldig, wanneer men zegt dat de Heer JAN KOPPER, in dit vak de grootste Man was, die ‘er ooit bekend is geweest. Wat Konststukken ‘er nog van Mejuffrouw JOANNA COERTRE BLOK voorhanden zyn, en met welk een yver veele Dichters tot haar lof gezongen hebben, haar Konststukken moeten en in schoonheid, en in meenigvuldigheid voor die van onzen grooten KOPPER wyken”.
Voorts: “Men moet zig verbaazen over de menigte der wel uitgevoerde stukken, welke in zyn nagelaatene Cabinet pronken, en men kan verzekeren dat nog grooter aantal in Frankryk Engeland, Duitschland en voornamelyk in deze Republiek in Konstkamers en Vorstelyke vertrekken te zien zyn; zyn eerstelingen en onafgewerkte stukken hiervan afgetrokken. Men moet zig te meer verwonderen dewyl meest alle deeze stukken in de laatste 25 jaaren van ‘s mans leeven gewerkt zyn, daar ‘er veele stukken onder gevonden worden welkers uitvoerigheid jaaren in arbeid vorderen. By het klimmen zyner jaaren, daar zyn lighaams kragten afnamen, vermeerderde die van zyn geest, blykens die stukken die hy in de laatste jaaren van zyn leeven vervaardigt heeft” In de levenschets wordt tenslotte het opgeruimde karakter van Kopper beschreven, zijn goede gezondheid, zijn matigheid met spijs en drank, zijn spaarzaamheid en bekommernis met “den verdrukten”. Zijn stervensfase wordt pijnlijk nauwkeurig weer gegeven. De schets eindigt met de opmerking: “ Mans uitmuntend Konstcabinet van Papier Snykonst berust thans by de Heer D. VAN STIPRIAAN, Koopman op de Hoogstraat, op de hoek van de Lamsteeg, te Rotterdam, derde zoon van des overledenen eenigste zuster”.

Die zuster was Agatha Kopper (1720-1798), getrouwd met Harmen van Stipriaan (1729-1797), die na Koppers overlijden de enige erfgenaam werd van diens bezittingen, waaronder zijn knipkunstkabinet. Na haar dood werd Koppers levenswerk onder haar vier zoons Abraham, Leendert, Dirk en Jacob verdeeld. Opvallend in de levensschets is dat Koppers knipwerk vergeleken wordt met dat van Joanna Koerten. De faam van de Amsterdamse Koerten was ook in Rotterdam ongetwijfeld bekend, maar interessant is dat werk van haar en een deel van haar Stamboek in 1766 [6] ook in Rotterdam te zien is geweest. Vergelijken is dus inderdaad mogelijk geweest. En dat viel, volgens de schrijver, natuurlijk in het voordeel van de Rotterdamse papierkunstenaar uit. Dat moet familieleden na Koppers dood op het idee hebben gebracht een blijvend eerbetoon aan Kopper op te richten. Het was in feite een navolging van het promotiewerk van Koertens echtgenoot Adriaan Blok op kleinere schaal. Ze deden dat met de uitgave van een gegraveerd portret (met lofdichtje) in behoorlijker oplage en de uitgave van de catalogus van het kunstkabinet, samen met de levensschets en twee lofdichten. Daar bleef het echter niet bij. Men liet timmerman Jacob Sandoz voor de somma van 21 guldens een “Mahognij houte Rariteitkas” maken, waarin Koppers kunstwerken konden worden opgesteld [7]. Dit kabinet moet bij zijn neef Dirk van Stipriaan bijna tien jaar lang te bekijken zijn geweest, helaas ontbreken tot nu toe verslagen van bezoekers aan dit kabinet, zoals we dat van Koerten kennen.
Bleef Koertens werk nog 35 jaar na haar dood (1715-1750) bijeen, Koppers knipwerk raakte al relatief snel verspreid. Na de dood van zijn erfgenaam Agatha is het geheel in 1799 al verdeeld onder de vier zoons Van Stipriaan. Toch bleek het mogelijk delen van Koppers kunstige arbeid te achterhalen en de vondst van de catalogus van zijn konstkabinet is een belangrijk steun bij verder speurwerk.

afb. 15

afb. 16

Het portret van Jan Kopper als papierknipper is bijzonder. We kennen vele portretten van personen die hebben geknipt, zie onze serie “Portretten van knipkunstenaars” in onze nieuwsbrief, maar geen van allen is afgebeeld als papierkunstenaar. Dat geldt alleen voor de 17de eeuwse schilderijen van Nicolaas Juweel waarop we Elisabeth Rijberg afgebeeld zien met knipwerk en haar gereedschap. Koppers portret is in 1773 geschilderd door de Rotterdamse kunstenaar Nicolaas Muys (1740-1808) (afb. 15 en 16) die hoofdman van het St. Lucasgilde is geweest en corrector van het genootschap “Hierdoor tot Hooger” [8] . Van dit portret zijn twee getekende voorstudies bekend. (zie af, 8 en 9) Het portret behoorde tot Koppers Konstkabinet en is, uit het bezit van J.M. van Stipriaan Luiscius, nog te zien geweest op een tentoonstelling in 1863 in Delft. De verblijfplaats nu is helaas onbekend. Naar dit geschilderde portret maakte Hendrik Roosing (1763-1826), na het overlijden van Kopper in opdracht van de familie, een gravure. Zeer opmerkelijk is dat we in de boedelrekening van 1799 een opgave vinden van de oplage van deze gravure en de kosten die ervoor gemaakt zijn [9].

afb. 17

Jan Kopper is door Muys zittend achter een tafel geportretteerd. In de linkerhand houdt hij een uit papier vervaardigd schip op. Het schip is gedetailleerd uitgewerkt en ruimtelijk vormgegeven (afb. 17). In de rechterhand houdt de knipper mogelijk het voetstukje waarop het schip geplaatst zou kunnen zijn.

afb. 18

Het zou een een stuk gereedschap kunnen zijn, we zien dat ook afgebeeld op de tafel waarachter Kopper is gezeten. We zien daarop twee scharen, twee vellen papier en enkele reepjes papier. Het bovenste vel papier toont de geknipte of getekende afbeelding van een staande man. Op die tafel verder een doosje en een potje. Uit het potje steken twee staafjes. Mogelijk is dit een lijmpotje met twee kwastjes of staan in het potje ponsjes of staafjes die Kopper voor het bewerken van papier moet hebben gebruikt. Het (snuif)doosje is voorzien van een decoratief papierknipsel met schepen in het deksel (afb. 18 en 19).

afb. 18

Achter het schip dat Kopper ophoudt zien we geheel rechts een snaarinstrument, waarschijnlijk de viool waarop Kopper excelleerde en vellen bladmuziek. Deze voorwerpen liggen uitgestald op een clavecimbel. Onder het gegraveerde portret van de Rotterdamse papierkunstenaar is een vierregelig lofdicht aangebracht, geschreven door “S”, waarin zijn kunstzinnige kwaliteiten worden benadrukt:

‘t Penceel wist menig man d’onsterljkheid ’t ontrukken
De stift kan ieder ding ‘t fraaist in ‘t koper drukken
doch KOFFERS schaar alleen wist met een edele zwier
De gantsche Waereld nate bootsen van papier
” [10]

Het schip van papier dat Kopper toont is typerend voor het ragfijne werk van deze opmerkelijke kunstenaar. In 19de eeuwse levensbeschrijvingen van kunstenaars is al het nodige bekend geworden over Koppers papierwerk en de door hem gebruikte techniek. Van Eijnden en Van der Willigen schreven reeds in 1817: “Hij wist allerlei onderwerpen kunstig van papier te knippen, ineen te zetten of op te werken. Zoo heeft men van hem Scheepjes met al derzelver tuig, wand en takelaadje, naauwkeurig afgebeeld. Ook maakte hij welgelijkende Portretten, die hij als halfverheven Beeldwerk op de wijze van gedreven metaal opwerkte “[11]. Zij vermeldden dus dat Kopper, onder andere, schepen en portretten heeft gemaakt, maar besteedden ook aandacht aan zijn manier van werken. Hij knipte met de schaar, zette onderwerpen ineen (het samenvoegen van afzonderlijk geknipte delen tot een compositie) en maakte portretten, om een driedimensionaal effect te bereiken, op de wijze van gedreven metaal, een techniek die vele andere 17de en 18de eeuwse papierkunstenaars hebben gebruikt. De gebruikte term opwerken kennen we al van de beschrijving van Pieter de Ja Rue in verband met de knipkunst van Koerten.

Immerzeel schreef in 1843 [12] dat Jan Kopper in zijn tijd bekend stond (met lof) om zijn “knipstukken, voorstellende opgetuigde schepen, soms ook basreliefportretten“ Op de tentoonstelling van oudheden in Delft in 1863 zijn van Kopper te zien geweest “water met schepen” en “visschers”, samen met het geschilderde portret door Muys en de catalogus van het kunstkabinet [13]. Kramm beschreef een “Zeeslag” in een particuliere collectie [14].

afb. 20-23 (helaas onleesbaar)

Door de bestudering van Koppers boedelinventaris werd al een uitstekende indruk verkregen van Koppers enorme productie en dat beeld wordt volkomen bevestigd door de vondst van de catalogus. Koppers knipwerk is ondergebracht in de speciaal daarvoor gemaakte kast en “Het Cabinet zelfs, bestaat uit zes kasten, of vakken, drie aan drie neevens den anderen”. Voor “Geknipt” hebben we de inhoud van het kabinet samengevat, maar bij dit stuk is de gehele catalogus weergegeven (afb. 20-23) zodat iedere lezer zich daarvan een beeld kan vormen.

Inmiddels zijn diverse knipsels van Kopper bekend geworden (afb. 24-26) kon ook werk aan hem worden toegeschreven en kan in de komende jaren, gezien Koppers grote productie, nog zeker meer worden verwacht. Veel hangt af van een betere bekendheid met de geschiedenis van de knipkunst in Nederland en activiteiten overal in het land die er voor kunnen zorgen dat meer bekend kan worden over het werk van de intrigerende papierknipper en broodbakker Jan Kopper.

afb. 26

Door Henk van Ark

Noten
gebruikte afkortingen
Kopper: Henk van Ark, Jan Kopper (1713-1788), leven en werk van een Rotterdamse broodbakker en papierknipper, Rotterdam 1989.
Van der Steur: A.G.van der Steur, “Op zoek naar de Rotterdamse papierknipper Jan Kopper (1714-1788)”, De Boekenwereld, jrg.7, nummer 2 (december 19890), p.42-55).

  1. Henk van Ark, Atelier-Stichting-Museum, Rasquert 2010, p.7-8.
  2. Kopper, met daarin opgave van de geraadpleegde stukken uit het Oud Notarieel Archief (ONA) van het Gemeente Archief Rotterdam en DTB.
  3. Van der Steur.
  4. J.Ayolt Brongers, Jan Kopper, papierkunstenaar, Amersfoort 1991. In onzebibliotheek bevindt zich nr. 34 uit een serie van 100.
  5. Kopper, p.6; Van der Steur, p.43-44.
  6. Michiel Plomp, “De portretten uit het Stamboek van Joanna Koerten”, Leids Kunsthistorisch Jaarboek, VIll (1989), p.328.
  7. Gemeente Archief Rotterdam, ONA 3743, fol. 360-361.
  8. Ch.Thiels, “Nicolaas Muys 1740-1808, kort overzicht van leven en werk”, in: M.Meyerman e.a., Aangenaam Gezelschap, zes conversatiestukken van Nicolaas Muys,Abcoude 1992, p.61-33.
  9. Hendrik Roosing ontving de somma van “Een honderd en vier guldens” voor het graveren  van het portret. De oplage van 300 stuks werd gedrukt door de broer van de graveur, Willem Roosing. Het drukken kostte, samen met de leverantie van het benodigde papier, dertien gulden en veertien stuivers. (Gemeente Archief Rotterdam,ONA 3743, fol.361.)
  10. Dit gedichtje lijkt een gedeeltelijke variatie van een passage uit een gedicht op Koerten, opgenomen in de Lofdichtenversies van 1735 (p.144) en 1736 van Hermanus Angelkot: “Haar hant weet geestig, met een’ nieuw gevonden zwier,/Al wat de kunst vermag te snyden in ‘t papier
  11. R.van Eijnden/A.van der Willigen, Geschiedenis der Vaderlandsche Schilderkunst, sedert de helft van de XVIII eeuw, 3 dln en aanhangsel, Haarlem 1816-1840,11 (1817), p. 195.
  12. J. Immerzeel, De Levens en Werken der Hollandsche en Vlaamsche Kunstschilders (…), 3 dln, Amsterdam, 1842-1843, dl. 2 (1843), p.132.
  13. Catalogus der Tentoonstelling van voor Nederland belangrijke Oudheden en Merkwaardigheden (…), Delft 1863, nr.2239.
  14. Chr. Kramm, De Levens en Werken der Hollandsche en Vlaamsche Kunstschilders(…), 6 dln en aanhangsel, Amsterdam 1859-1864, Aanhangsel (1864), p.96.