Categoriearchief: publicatie

Twee “nieuwe” werken van Jan Cornelisz. Den Bl(e)ijker, Knip-Pers 1991-3

“Amor Vincit Omnia”, 1748. Liefde overwint alles.

Een huwelijksknipsel dat in vergelijk met latere werken van Jan Cornelis den Blijker vrij eenvoudig van indeling is en zonder de voor zijn werken zo kenmerkende bijbelse voorstellingen. Als teken van verbondenheid heeft hij in het medaillon boven de initialen KK en LV nog eens samengevoegd en in het medaillon beneden gekroonde ineengeslagen handen geknipt.

Het andere werk heeft hij 29 jaar later gemaakt, toen hij 70 jaar oud was. Het heeft de bekende bijbelse taferelen. De twee nieuw testamentische afbeeldingen in de medaillons boven vertellen het verhaal van de Apokalyps (12:1-3 en 12:13) en in een zevende deel van het medaillon onder de boog schreef hij het Onze Vader. Met potlood en Oost-Indische inkt tekende hij zijn knipwerken in, waardoor een reliëf-effect ontstond. De doopsgezinde predikant Jan den Blijker maakte zijn knipwerken in opdracht. Zijn tractement dat hij in Alkmaar ontving -hij werd in 1747 aldaar benoemd- was niet toereikend om in het onderhoud van zijn gezin te kunnen voorzien. Hij was niet de enige predikant met financiële problemen. Reeds in 1658 werd te Dordrecht een werkje uitgegeven met de titel “Bewys dat het een predicant met zyn huysvrouw Alleen niet mogelijck en is op vijfhondert guld. Eerlijck te leven”.

Werken van Jan Cornelisz. de Bleijker bevinden zich onder andere in de collecties van het knipselmuseum te Westerbork, het Frans Halsmuseum te Haarlem en in het Westfries Museum te Hoorn.

Onderschriften bij de afbeeldingen:
Amor Vincit Omnia 1748, Huwelijksknipsel Jan Corns. den Blijker. Afm. 17.6 x 26 cm
Collectie Westfries Museum

Knipsel, 1777. 14 aug. Jan de Bleijker. Menn. Leer in Alkmaar, oud omtr. 70 jr. Afm. 18 x 25 cm.
Collectie M. Douma Amsterdam.

Door Tonny Jurriaans
Dit artikel verscheen eerder in Knip-Pers 1991-3

Een 17de eeuws ruiterportret, Knip-Pers 1991-3

anoniem

Zijn ruiterportretten in de schilderkunst vanaf de 16e eeuw een veel voorkomende manier van portretteren, in de knipkunst zijn dergelijke portretten vrij zeldzaam. Jammer dan ook dat we van dit 17de eeuwse, in velijn gesneden ruiterportret de geportretteerde niet hebben kunnen achterhalen en ook de maker niet bekend is. De manier waarop het gesneden is doet sterk denken aan het werk van Frederik Hendrik van Voorst, maar volgens kenners heeft hij dit werk niet gemaakt.
Wat geldt voor ruiterportretten in de schilderkunst zal ongetwijfeld ook van toepassing zijn op dit snijwerk. In het begin kunnen we dergelijke portretten zien als statieportretten van regerende vorsten of andere hooggeplaatste personen. Veelal hadden deze portretten een militair karakter en dragen de afgebeelde personen een wapenuitrusting. Soms zijn het herinneringen aan een bepaalde gebeurtenis, een overwinning, al of niet voorzien van allegorische elementen.
In de loop van de 17de eeuw en vooral in de 18de eeuw krijgen de ruiterportretten een ander karakter. Ze geven bijvoorbeeld de geportretteerde weer tijdens de jacht. De portretten krijgen hierdoor een wat minder officieel karakter.
Maar bij alle ruiterportretten en vooral die waarop de ruiter in het zadel zit, speelt het paard een statusverhogende rol. Het feit dat persoon hooggezeten is verhoogt zijn waardigheid.
Verder was het zo dat in de 16de en 17de eeuw het beoefenen van de rijkunst op een aristocratische opvoeding duidde en verwees het ruiterportret als het ware naar een de geboorte en de educatie i de geportretteerde. Aan eind van de 18de eeuw neemt het statuselement van de ruiterportretten af, doordat paardrijden bij een bredere laag van de bevolking populair wordt. In dit anonieme 17de eeuwse snijwerk zijn alle kenmerken het statusverhogende element aanwezig. Tevens heeft de maker in de guirlanderand, verschillende symbolen verwerkt, zoals de ‘wildemannen’ het symbool van de wijnkopers uit die tijd en putti met harnas en helm, een militair symbool.

Afm. 22.5 x 18 cm. Het werk bevindt zich in een particuliere collectie.

Door Tonny Jurriaans
Dit artikel verscheen eerder in Knip-Pers 1991-3

Huizenga-Onnekes over knipsels en Jan de Bleyker, Nieuwsbrief 2001-2 en 3

In september 2001 worden de resultaten van het De Bleyker Onderzoek, uitgevoerd door Atty Broer, in het museum gepresenteerd. Er zal een kleine tentoonstelling van het werk van de Alkmaarse knipper te zien zijn, in de nieuwsbrief verschijnt een artikel over het verloop van het onderzoek en er verschijnt een brochure over leven en werk van Jan de Bleyker (1707-1783). Uitgangspunten voor het onderzoek waren het knipsel uit 1777 (vergezicht met tuinarchitectuur) in onze collectie en het artikel van E. Huizenga-Onnekes over De Bleyker in het tijdschrift “De Speelwagen” van 1953. Deze Groningse “folkloriste” schreef al eerder artikelen over knipkunst en stelde zelfs een, niet uitgegeven, manuscript onder de titel “Juweeltjes van Knipkunst” samen. In deze en de komende nieuwsbrief schrijven we over Line Huizenga en haar belangstelling voor papierknipkunst.
Eilina Johanna Huizenga-Onnekes (Vierhuizen 1883-Groningen 1958) was de dochter van Klaas Onnekes en Dievertje Brongers. Vader was Hervormd predikant in Vierhuizen-Zoutkamp, om die reden werd Line altijd “Dominees Lientje” genoemd. In 1909 trouwde zij met landbouwer Jan Hendrik Huizenga uit Ten Boer. De “weem” (pastorie) van Vierhuizen en boerderij “ ‘t Lutje Waskhoes” onder Ten Boer hebben, zo schrijft Tjaard de Haan, de sfeer van haar leven en denken bepaald. Hij vermeldt: “…In dankbare herinnering zal zij blijven door het feit dat zij als een der allerbesten hier te lande de boer opgegaan is ter verzameling van het levende volksverhaal. Modern in haar werkwijze is haar aandacht voor de vertellers, onder wie dragers van het mondeling overgeleverde sprookje voorkomen zo als men ze tegenwoordig na toch maar weinige decenniën nergens meer op het Groninger platteland zal aantreffen. De jongeren benijden en bewonderen haar om het kostelijk volksgevoel dat zij in duizend bezoeken door het hele gewest heeft weten te vergaren…”. De Haan is wel zo eerlijk later te melden dat natuurlijk niet iedere onderzoeker (waaronder hij zelf) zich altijd kon vinden in haar werkwijze en vooral de interpretatie van de vele verzamelde gegevens. Huizenga-Onnekes eerste publicatie in boekvorm waren de sprookjes van “Trijntje Soldaats”, alias de huisnaaister Trijntje Wijbrands, tussen 1800 en 1804 aan haar betovergrootvader en diens broer verteld en door de laatste op papier gesteld. Het werd een mooie bibliofiele uitgave, mede door de prenten en initialen van Johan Dijkstra. Andere, door haar samengestelde, werken zijn: “Het Boek van Minne Koning”(1930), “Groninger Volksverhalen”(1930) en “Het Menschelijk Leven in ‘t Groninger Land” (1939).

foto: bladzij20.nl

Line Huizenga ging na de oorlog door met het verzamelen van gegevens over volksverhalen, maar publiceerde ook verschillende artikelen over het onderwerp papierknipkunst. Dit naar aanleiding van knipsels in haar eigen en familiebezit. Twee stukjes in het Groninger Dagblad (15 en 22 maart 1947) leidden tot vele reacties en hierna volgden er artikelen in “Hobby” (Over knipsels en schaduwbeelden, 1947), “Oud Nederland” (Knipsels in Groningerland, 1950) en vele andere bladen.

In die periode kwam zij ook in contact met knipper Wiecher Lever, die zich vanaf 1946 mocht verheugen in een steeds groeiende belangstelling voor zijn werk en die ook grote interesse had voor knipkunstenaars uit heden en verleden. Lange tijd werkten zij min of meer samen met het doel een boek over knipkunst te schrijven en te doen uitgeven.

Het contact tussen Lever en Huizenga-Onnekes is er altijd gebleven, maar uit de bewaarde correspondentie tussen beiden blijkt dat zij een verschillende opvatting over de inhoud van het boek over knipkunst hadden. Lever zag in die uitgave de gelegenheid om zijn opvattingen over volkskunst en papierknippen als volkskunst te promoten. Verder had hij uitgesproken opvattingen over het werk van papierknippers/sters en sommige museummedewerkers. Dit leidde er ook toe dat hij in 1953 kwam met een eigen uitgave, de brochure “Op nieuwe wijs, naar oude trant”, die later werd omgevormd tot een vijfbladige lesmap. Het doen verschijnen van het boek “Juweeltjes van Knipkunst’ bleek, onder andere om financiële redenen, een moeizame onderneming. Uiteindelijk bleef het bij een niet uitgegeven manuscript. Een integrale uitgave van dit manuscript zou een prachtig eerbetoon zijn aan Line Huizenga en haar werk en zou ook van belang zijn voor de bestudering van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst. Hier ligt dus een schone taak voor de Landelijke Vereniging voor Papierknipkunst. Zo’n uitgave zou kunnen worden aangevuld met een essay over de periode 1945-1955 en een overzicht van de huidige stand van zaken op het gebied van onderzoekswerk.

In haar artikel in “Hobby” schrijft Line Huizenga over de geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland en noemt dan kunstenaars als Anna Maria van Schurman, Johanna Koerten, Neeltje Prijs, Elisabeth Rijberg, Gilles van Vliet, Willem Eigeman en Jan de Marker (= Jan Visscher). In haar eigen bezit zijn knipsels van Trijntje Hiddes Werda (die zij toeschrijft aan Helena Leen) en Wilhelm Müller. In verband met het werk van deze Duitse kunstenaar vermeldt zij ook werk van R.W. Huss uit de 17de eeuw en knipwerk van Hans Chr. Andersen. Als eigentijdse knipkunstenaars noemt zij Gretha Zijl (een mooie dans om de Oranjeboom is bij het artikel afgebeeld), Wiecher Lever, Geert Boswijck en Levers leerlinge Antje Pronk. In de volgende nummers van “Hobby” schrijft Lever overigens over “Knipsels en hun vervaardiging” en “Knippen als volkskunst”, hij gaat dan in op de praktische gang van zaken.
Het artikel in “Oud Nederland” moet gezien worden als vervolg op het stukje in “Hobby”. Huizenga-Onnekes bespreekt hierin de reacties die zijn op het eerste artikel heeft ontvangen. Zo wees Mw. Weevers-de Graaff haar op het bestaan van knipster “nicht Schippers”, of wel Barbara de Graaff (1804-1884), geboren te Sommelsdijk. Catharina van de Graft had haar attent gemaakt op twee artikelen in “Historia” (in 1948 volgde nog een derde artikel in dit tijdschrift). Huizenga somt op welke knippers Van de Graft daarin behandelt: Van Schurman, Johanna Koerten, Elisabeth Rijberg, Geert van Vliet (dit moet zijn Gilles van Vliet), Steven Blankaart, Agnes Block, J. Kopper, Willem Eigeman en Cornelis Bavelaar. Van de Graft noemt ook Maria Elisabeth van den Brink (1824-1904) en dat maakt het Huizenga mogelijk haar werk te vergelijken met dat van Afina Annette Riekels (1825- 1894). Zo belandt ze bij het echte onderwerp van haar artikel “Knipsels in Groningerland”. Riekels zou het knippen van haar grootvader Willem Georg Nuitz, een Duitse arts die zich in Groningen had gevestigd, hebben geleerd. Van hem was tot nu toe geen werk bekend, maar Huizenga-Onnekes acht het mogelijk dat een reliëfknipsel in privébezit (mensen en paarden aan weerszijden van een boom met op de achtergrond een standaardmolen) aan Nuitz kan worden toegeschreven. Wij weten echter nu dat dit stuk moet zijn gemaakt door Pieter Reijnders, van wie Huizenga in eigen bezit een knipwerk (sjees) had.

Afina Riekels

Behalve het werk van Afina Riekels wordt uit eigen streek nog het werk Eppo Brongers, onderwijzer te Thesinge (gem. Ten Boer) genoemd, namelijk een gedenkstuk ter herinnering aan de restauratie van de kerk in 1786 en een geknipt en getekend, opengeslagen gezangboek. Verder komt het werk van W.P.A. Roemelé (1791-1833) aan de orde. Huizenga schrijft over een 25-jarig huwelijksstuk (Busscher/ Hopkes) uit 1806 en over Geert Jager (1823-1916), een knippende landarbeider uit Hellum, in wiens werk Wiecher Lever sterk geïnteresseerd was. Zij noemt van hem enige knipsels en sluit af met het knipsel van de familie Gort, dat in 1953 door Lever werd gekopieerd. Dit knipsel werd gemaakt door Theodoor Nieuwland, en niet door Gort, een Groningse schipper, zelf zoals Lever veronderstelde.

Tijdens haar onderzoek naar het werk van Groningse en andere knippers zag Line Huizenga-Onnekes een knipsel van ds. Jan de Bleyker bij de doopsgezinde predikant ds. Michiel Onnes in Veendam. Het was het prachtige huwelijksknipsel gemaakt voor Pieter Koekebakker en Maartje Dirks Kok uit 1761. Van hem hoorde zij ook dat De Bleyker knipwerk als dit maakte als bijverdienste, omdat zijn tractement als predikant/leraar niet toereikend was om in het onderhoud van zijn gezin te voorzien. Na de dood van ds. Onnes kocht de Amsterdamse antiquair Leo Bisterbosch dit kunstwerk. Over ds. Jan de Bleyker schreef Line Huizenga een artikel in “De Speelwagen” (8e jaargang, nr.10, 1953). Bij de tekst zijn afgebeeld het portret van De Bleyker (geschilderd door Van Horstok) en twee knipsels, de huwelijksstukken Koekebakker/Kok en Berkhout/Verlaan.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2001-2 en 3, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Bram Bosch: schipper en knipper, Knip-Pers 1991-1

Al jaren weet ik dat mijn overgrootvader Bram Bosch (1865-1943) schipper en knipper was. Boven mijn bureau hangt een wat vergeeld stukje uit het Rotterdams Nieuwsblad van 20 maart 1931, met foto van opa Bosch -zoals we hem in onze familie noemen- plaatjes knippend op de schippersbeurs. “Een kunstenaar op zijn gebied”, kopte de krant, precies zestig jaar geleden.

“Velen komen bij hem staan kijken als zijn rappe schaar door het witte papier scheert en de typische tafereeltjes voor den dag komen. Het kort het wachten op de schippersbeurs in dezen tijd van malaise”, zo schreef de verslaggever bij de foto.

Jaren lang hebben we in de familie ook een pagina uit het septembernummer 1962 van het weekblad “Schuttevaer” in ons bezit, met een verhaal over het Knipselmuseum (toen nog in Roden) van de in knipperskringen bekende heer W.Tj. Lever, die inmiddels overleden is. Deze heer Lever vroeg daarin informatie over Bram Bosch. Een paar weken later bracht het weekblad Schuttevaer een portret van Bram Bosch, met een van zijn knipsels.

Bram Bosch, een scaape slagter zoo men ziet het is een moordenaar of gloof ge het niet.

Mijn moeder kon mijn interesse voor zo’n boeiend familielid met een martiale knevel in het begin alleen maar voeden met verhalen. Hij had zijn hele leven gevaren door Nederland op allerlei soorten schepen met graan, hout, steenkolen, Steen en suikerbieten. Maar in de zomer voer hij ook met kermis artiesten de kermissen af. Opa Bosch was een geweldige verteller en grappenmaker. Hij was zeer goed in allerlei dialecten en imitaties. Hij vroeg aan zijn toeschouwers een stuk papier en knipte van een envelop of brief voor de vuist weg een voorstelling met verhaal. Gezegdes en volkswijsheden, de scheepvaart en wat hij langs de kant zag, maar ook de actualiteit volgde hij. Soldaten en gevechten in de Eerste Wereldoorlog, de werkverschaffing, de sprong van Vlasblom van de Hefbrug in Rotterdam, de terechtstelling van Van der Lubbe (van de Rijksdagbrand). Hij knipte ze voor je ogen, kleurde ze in en schreef daar later soms een tekst bij. Thuis hadden wij geen knipsels omdat mijn oma en moeder hun huis en bezittingen in vlammen zagen opgaan tijdens een bombardement in mei 1940 in Rotterdam. Ook het schip van opa Bosch werd zwaar beschadigd in dat bombardement. Pas in recente jaren heeft mijn moeder van haar tantes wat knipsels van opa Bosch gekregen. En pas verleden jaar werd de cirkel helemaal rond toen ik een artikeltje uit het Rotterdams Nieuwsblad van 1989 onder ogen kreeg, waarin meer informatie over Bram Bosch gevraagd werd door de Stichting W.Tj. Lever in Rotterdam.

Bram Bosch, de wint die is net van pas vrouw die brengt ons geit in de kast.

Inmiddels heb ik 20 knipsels van mijn opa Bosch. En van de Lever stichting kreeg ik kopieën van de brieven die in 1962 naar Schuttevaer waren gezonden. Die brieven waren in het bezit geweest van de oude heer Lever, in zijn Knipselmuseum. De collectie van dat museum is in 1987 bij Christie geveild. Een dochter van de heer Lever en haar man, de historicus van Ark, zijn er in geslaagd met subsidie van het Prins Bernhardfonds een deel van die collectie te kopen, met daarin de Rotterdamse knippers onder wie Bram Bosch.

Eindelijk heb ik de brief van mijn tante uit Haarlem, die ze in 1962 naar Schuttevaer schreef en die zij ons tot haar en onze spijt bij haar leven niet kon geven. “Hij was zo trots als een pauw toen hij in 1932 met zijn plaatjes in het Rotterdams Nieuwsblad kwam te staan. Hij is toen naar een fotograaf gegaan en heeft een foto laten maken met een stuk papier en schaar in de hand en diverse plaatjes op een bord geprikt”, schreef mijn tante. Dat moeten er minstens twee geweest zijn, want wij hebben een foto in bezit uit dezelfde serie, vanuit een andere hoek genomen.

Bram Bosch, de zellfermeeuw en Rijger zijn op de wal zoekenaar votsel overal.

De knipsels op de hier afgebeelde oude foto’s zijn niet in ons bezit. De vraag is of ze vernietigd zijn of toch nog ergens in een envelop zitten.

Een briefschrijver vermeldt dat Bram Bosch een keer in Amsterdam lag, waar over een van de grachten net een brug geverfd was. Bram Bosch ging toen een kat in het nauw nadoen en alle mensen gingen over de brug hangen om te kijken waar de kat in het water lag. Het resultaat was een heel stel mensen met verf aan handen en kleren. En een Amsterdamse binnenschipper roemde zijn fenomenale knipkunst. ”Aan de wanden van menig scheepvaartkantoor in Rotterdam prijkten destijds specimen van zijn meesterschap op dit gebied.”

Door dit soort proza gaat je overgrootvader nog meer voor je leven, wil je nog meer over deze kleurrijke opa te weten komen en hoop je dat zijn knipwerk niet per ongeluk bij het oud papier wordt neergezet. Dat is ook wat van Ark in de knipsels van Bram Bosch aanspreekt: er steekt een kleurrijke figuur achter die bovendien, als een van de weinige knippers, de actualiteit meeneemt in zijn knipwerk.

Bram Bosch, wij zijn niet zo jong meer dat ziet ge hier maar hoepelen toch met plezier

De knipsels zijn gedeeltelijk ingekleurd met potloden en verf.

Wie iets meer over Bram Bosch en zijn knipsels weet of in zijn bezit heeft, en die weer in het bezit van zijn nazaten wil brengen zodat er zo weinig mogelijk van zijn collectie verloren gaat, gelieve contact op te nemen met Dick de Jong te Amsterdam.

Door Dick de Jong
Dit artikel verscheen eerder in Knip-Pers 1991-1

Veertig jaar Nederlands Museum van Knipkunst, Nieuwsbrief 2000-3

Op 19 december 1960 opende het Nederlands Museum van Knipkunst, een onderneming van knipper en verzamelaar Wiecher Tjeert Lever (1917-1981), zijn deuren in Westerbork, zoals veel wordt gedacht, maar in Roden, gelegen op de grens van Drenthe en Groningen. Lever kon het museum vestigen in het voorgedeelte van de Winsinghhof, de oudste boerderij van het dorp, die de gemeente voor een symbolisch bedrag had weten te verwerven met het plan daar een cultureel centrum van te maken. In de jaren vijftig woonde Wiecher Lever in Muntendam (Gr.), waar hij zijn atelier “De Meeuw” had. Sinds 1950 was hij papierknipper van beroep en gebruikte dat atelier als uitvalsbasis voor reizen door het hele land. Lever maakte knipwerk en profielportretten en verzamelde tevens antieke stukken en werk van knippers uit die tijd. Zo ontstond een collectie die zich er goed voor leende om uiteindelijk in een museum te worden ondergebracht.

In 1960 deed zich de mogelijkheid van de vestiging van zo’n museum voor in Roden en Lever maakte daarvan gebruik. In het plakboek van Lever over deze periode vinden we daarover een eerste aankondiging in een stukje in “Ons Noorden” ’van 22 augustus 1960. Na enige andere kleinere berichten, publiceert “Het Vrije Volk” op 23 september een groot artikel over het nieuwe museum in de Winsinghhof Daarna komt de publiciteit goed op gang, met als klapper een mooi stuk (3 december) in het “Nieuwsblad van het Noorden”, met foto’s van de (geënsceneerde) inrichtingswerkzaamheden, Tobia Lever die een bruidsmeisje knipt en Wiecher Lever aan het werk met een Poolse schaapscheerdersschaar; Burgemeester Bushoff van Roden opent op 19 december het museum en vanzelfsprekend knipt Lever bij die gelegenheid zijn profiel.

Ook de eerste secretaris van de Poolse Ambassade was bij de opening aanwezig, dit in verband met een schenking van knipsels. Dat Poolse werk zien we mooi in kleur afgebeeld in de “Libelle” van 21 januari 1961 , waarbij Lever poseert als inrichter van de hoek met Poolse volkskunst en Tobia en Wiecher met knipwerk in de weer zijn.
De start van het Nederlands Museum van Knip- kunst bleef beslist niet onopgemerkt en in de plakboeken van Lever treffen we nog vele informatieve stukken over de Rodense periode (1960-1965) aan. In 1965 verhuist Lever met zijn museum naar Westerbork, waar het ondergebracht wordt in een schoolbarak. Daarna vindt het zijn plaats aan het Gualthérie van Weezeiplein. Daar bleef het museum tot 1987 open en een jaar erna vond de veiling van Levers collectie plaats.  Met de op deze veiling aangekochte stukken en bibliotheek hield de stichting W.Tj. Lever in de periode 1988-1991 een depotmuseum in stand, van waaruit exposities in het land konden worden georganiseerd. Een (tijdelijke) expositieruimte werd in 1992 gevonden aan de Oude Haven in Schoonhoven; in 1995 kwamen museumdepot en expositieruimten weer bij elkaar in het huidige pand in de Stadhuisstraat. Voorzichtig wordt nu gedroomd over een nieuw, groter pand, waar de collectie nog beter tot zijn recht kan komen en er meer ruimte is voor groepsbezoek, vrijwillige medewerkers en het depot met knipsels, boeken en voorwerpen.

Het 40-jarig bestaan van het museum wordt van oktober t/m december 2000 in Schoonhoven onder andere gevierd met de wisselexpositie “Op eigen wijze” en de uitgave van een themanummer van de nieuwsbrief over Joanna Koerten.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2000-3, een uitgave van Stichting W.Tj. Lever.

Het Album Amicorum van Jacob Heyblocq, Nieuwsbrief 2002-2

De facsimile uitgave van dit 17de eeuwse vriendenalbum uit 1998 is een van de nieuwste aankopen van het Nederlands Museum van Knipkunst. Het is een zeer verzorgde, kostbare uitgave, bestaande uit het album en een tekstboekje, ondergebracht in een cassette. Voor de bestudering van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst is dit album van belang omdat het drie papierknipsels bevat en omdat er een opmerkelijke passage over knippen in te vinden is. Hierover later meer.

 

Het album van Jacob Heyblocq is in 1901 terechtgekomen in de collectie van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, dankzij een schenking van de weduwe van de dichter Johannes Kneppelhout (bekend on der de naam “Klikspaan”). Jacob Heyblocq (1623-1690) studeerde o.a. theologie in Leiden en was vanaf 1648 onderwijzer en later rector van de Latijnse School aan de Nieuwe Zijde in Amsterdam. Heyblocq begon zijn album in 1645 in zijn studentenjaren, de laatste bijdrage dateert uit het jaar 1678. Het album bestaat uit 162 bladen van 92 x 153 mm, door diverse oorzaken is de met potlood in 1901 aangebrachte nummering niet geheel correct. Het bevat maar liefst 195 bijdragen van 155 verschillende personen, waaronder veel gedichten (122), enige gravures (2), tekeningen (43) en varia, zo als drie papierknipwerkjes. Heyblocq’s album was in eerste instantie niet bedoeld als vrienden- of studentenalbum, maar werd eerder gevormd om bijdragen van geleerde en nobele heren te verwerven om zo te dienen als herinnering aan hen na het overlijden. In dit rijke album vinden we inderdaad bijdragen van diverse grote geleerden, maar ook kleine kunstwerken van kunstenaars als Rembandt, Govaert Flinck en Gerbrand van den Eeckhout.

Ook Anna Maria van Schurman leverde een, in het Arabisch geschreven, bijdrage.Een portret van haar moet ook in het album aanwezig zijn geweest, samen met een gedicht in Latijn van professor A. Aemilius. Curieus is het blad van ene Cornelis van Halmael uit 1649. Wellicht gaat het hierbij om de Van Halmael van wie ook knipwerk bekend is.

De schrijvers van het tekstgedeelte bij deze facsimile uitgave gaan daar niet op in, het onderwerp papierknipkunst wordt, zoals helaas te verwachten was, wel heel summier behandeld. Heyblocq’s album heeft drie papierknipsels. Ten eerste op pagina 118 een geknipte cartouche, met daarin een opvallend stukje mica. Vervolgens op pagina 172 een zwaar beschadigde cartouche rond een schild.

De makers van deze knipwerkjes worden nergens vermeld, maar de knipper van de omlijsting van het stukje mica is waarschijnlijk Jacob Gort(t)er (overleden 1691). Hij knipte ook de gekroonde dubbele adelaar binnen een omlijsting van dieren en bloemen, die te vinden is op pagina 271. De datering van dit knipsel is 1660. Gorter maakte ook een tekening voor het album.

Interessant is de bijdrage van Gerard van Midlum op de pagina’s 185 en 186 uit 1662. Hij schrijft dat Heyblocq’s album bijdragen bevat van dichters, schilders én papierknippers, in feite teveel om op te noemen. Hij kan zich daar niet mee vergelijken, want hij is nu eenmaal geen dichter, papierkunstenaar of schilder, maar meer iemand van het midden of de middelmaat (“Midlum”).


De samenstellers van het tekstgedeelte stellen in hun introductie dat niet gestreefd is naar een uitgave met wetenschappelijke pretenties. De transcripties, parafraseringen en noten zouden slechts de geïnteresseerde lezer het makkelijker moeten maken van de uitgave te genieten. Dat klinkt op het eerste gehoor aardig, maar het is vreemd wanneer men bedenkt dat al vanaf 1975 aan deze uitgave is gewerkt. Van de Koninklijke bibliotheek en uitgeverij Waanders zou men een wat fundamentelere toelichtende publicatie mogen verwachten.

Hoe het met andere onderwerpen zit kunnen we niet beoordelen, maar van papierknippen hebben de schrijvers weinig kaas gegeten of, wat waarschijnlijker is, men heeft zijn onderzoekswerk gewoon niet goed gedaan. Met betrekking tot het knipsel van Gorter verwijst men slechts naar de goede, maar inmiddels zeer belegen uitgave van Thieme-Becker. Voetnoot 50 bij het inleidende tekstgedeelte over de drie knipwerkjes noemt slechts het werk van Joanna Koerten met een verwijzing naar NNBW X uit 1937. Dus helaas geen verwijzingen naar recentere literatuur, geen opmerkingen over eventuele knipactiviteiten van Van Schurman en Van Halmael en, en dat was in dit geval zeker op zijn plaats geweest, geen vermelding van de knipsels in het familieboek van Gesina ter Borch (1631-1690). Dat plakboek werd begonnen in 1660 en bevat knipwerk van Gesina, haar neefjes Cornelis en Gerrit Schellinger en Johannes van Achelom. Werk uit dezelfde tijd als de knipsels in het album van Heyblocq. Het album amicorum van Jacob Heyblocq is opgenomen in de museumbibliotheek en daar voor geïnteresseerde bezoekers te raadplegen. Begin 2003 maakt het deel uit van de presentatie “Rondom Koerten”, die gaat over de Nederlandse knipkunst in de 17de eeuw.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2000-2, een uitgave van Stichting W.Tj. Lever.

Afbeeldingen: Wikimedia commons

Museumbezoekers en Jan de Bleyker, Nieuwsbrief 2000-1

Regelmatig vertellen bezoekers van ons museum over knipwerk uit eigen bezit of knipsels of boeken die zij vroeger hebben gekend. Het gebeurt ook wel eens dat zij later met het besproken knipwerk bij het museum langskomen om dit te laten zien. Dat deden ook de heer en mevrouw Zadoks, die twee knipsels meebrachten die moeten zijn gemaakt door de 18de eeuwse papierkunstenaar ds. Jan de Bleyker (1707-1883).

Het eerste knipsel uit 1778 lijkt een wat grotere en wat meer uitgewerkte versie van het knipsel uit onze verzameling uit 1777.

Centraal een fraaie boog op kolommen met Rococodecoraties en een medaillon met tekst. Aan beide zijden daarvan geen hek met voluten en spijlen, maar kleinere poorten met een uitgesproken Lodewijk XV stijlopbouw. Achter deze schijnarchitectuur tuinen met daarin een theekoepelachtig bouwsel. En daar weer achter een vergezicht op een stad met molens, huizen en kerken. In de bovenzijde van het knipsel aan beide kanten drie medaillons met Bijbelse voorstellingen, aan el kaar verbonden door guirlandes, engeltjes, boomtakken en druiventrossen. Uit de tekst in het medaillon onder de centrale boog blijkt dat het knipsel is gemaakt ter gelegenheid van een 25-jarig huwelijk. Die tekst luidt: “tot op dees Dag een Reekx van Vijfentwintig jaaren. wij leevden God zy Lov in Vreede na ons Paaren”. Datum: “8 April 1778”. Het is een variatie op de tekst in het knipsel Huurkamp van der Vinne/Van der Schaft (Frans Halsmuseum), die volgens E. Huizenga-Onnekes (“De Speelwagen”, jrg.8, nr.10) is:
“Wij leevde God zij Lof na ons Paaren
tot op dees Dag een reeks van 25 Jaaren”.
Begrijpen we de, niet geheel leesbare, tekst aan de onderzijde van het knipsel goed dan moet dit werk een geschenk zijn van ene Hyke Drinks (Drints) voor het 25-jarig huwelijksfeest van de heer G.Smit en juffr. Ch. Meyer.

Het tweede meegebrachte knipsel was kleiner van formaat en duidelijk eerder gemaakt. In opzet en uitwerking lijkt dit knipsel te plaatsen tussen het stuk “Amor vincit Omnia” uit 1748 (Westfries Museum)

Jan de Bleyker, Amor Vincit Omnia, 1748

en het knipsel dat is afgebeeld in het boekje “Leer knippende Zien” van I.G. Kerp-Schlesinger (2e dr. 1977, afb. 43).

Dat knipsel is gemaakt in 1762. Met één centraal medaillon en 4 randmedaillons met Bijbelse scènes lijkt het Zadoks knipsel een wat eenvoudiger uitvoering van het werk uit 1762. Hoewel beide knipsels niet de goede staat hebben van ons knipwerk uit 1777 zijn ze toch prima bewaard gebleven en vormen ze natuurlijk een welkome aanvulling op het al bekende werk van papierknipper De Bleyker uit Alkmaar.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2000-1, een uitgave van Stichting W.Tj. Lever.

De prijs van Koerten, Nieuwsbrief 1999-4

De aankoop van het knipsel ‘De Romeinse Vrijheid” van Joanna Koerten heeft de nodige aandacht in de pers gehad en zelfs enige opwinding veroorzaakt. Dat eerste is begrijpelijk, ten dele hebben we daar zelf voor gezorgd door het versturen van persberichten, maar voor het tweede hebben wij minder begrip. Over prijzen van knipwerk schrijven we eigenlijk nooit. Aankopen van particulieren zijn een zaak van twee partijen en aan veilingopbrengsten besteden we zo min mogelijk aandacht om prijsopdrijving, waar mogelijk, te voorkomen. Veilinghuizen daarentegen hebben natuurlijk een geheel ander belang. Die schermen graag met hoge opbrengsten, onder andere om nieuwe inbrengers te stimuleren en nieuwe markten aan te boren. Het effect daarvan hebben wij bijvoorbeeld kunnen meemaken na de veiling van de Levercollectie in 1988. Toen meldden zich verschillende bezitters van knipwerk, die meenden dat hun knipsel misschien wel eens net zoveel waard zou kunnen zijn als de verkochte topstukken van de veiling (twee knipsels van Van Haaren), die voor meer dan f 25.000,- werden verkocht. Uitzonderingen, maar maak dat maar eens duidelijk. Bladen over het veilingwezen gaven de afgelopen tijd aandacht aan de aankoop van het knipsel van Koerten, met name omdat dit meer dan het dubbele van de inzetprijs had opgebracht. Nu was dat niet zo vreemd, als men bedenkt dat die inzetprijs vrij laag was gehouden. Die prijs was f 3.000,- tot f 4.000,-, maar dat gold ook voor het (teruggetrokken) geknipte portret van Van Maurik. Richtprijzen voor de andere belangrijke stukken (ze zijn afgebeeld in de nieuwsbrief van september) waren f 2.500,-/3.500,- (Reijnders) en f 3.000,-/3.500,- (Van Voorst). Tijdens het bieden ontstond er ook in de zaal enige consternatie, omdat de prijs van de Koerten al snel opliep. Na ca. f 7.000,- bleven er twee bieders over: ons museum en een Haagse antiquair met enige ervaring in de knipkunst. Zij bleek bereid tot f 9.000,- te gaan en dat zou dan -met 23% kostenverhoging- haar inkoopprijs zijn geweest. Waarschijnlijk onverkoopbaar in Nederland, hoorden wij na de veiling van haar, maar er zou in Amerika mogelijk wel belangstelling voor dit kunstwerk kunnen bestaan. Wij zijn blij dat de Koerten gewoon in ons land is gebleven, en nog wel in een openbare verzameling. Een vermakelijk verslag van het hele gebeuren is te vinden in het tijdschrift Knip-Pers van september 1999 (p. 3-5). Hierin beschrijft Jan Peter Verhave dat zijn buurman, ongetwijfeld een antiquarische kenner, bij het snel oplopen van de prijs mompelde: “Zo mooi was het nou ook weer niet!”.

Zo’n opmerking tekent in feite de kennis en waardering van de papierknipkunst in Nederland. Mooi? Over welk knipsel hebben we het eigenlijk? Koertens “Romeinse Vrijheid” is:
– Een 17de eeuws kunstwerk uit papier. Zulk werk is nauwelijks meer verkrijgbaar, maar is dat wel het geval (zoals bij de Van Vliet, die het Westfries Museum enige jaren geleden kon verwerven), dan moeten daar forse prijzen voor worden betaald.
– Een werk van Nederlands befaamdste knipster uit het verleden.
– Een knipsel waarover veel bekend is, zoals de vermelding in de Lofdichten, beschrijvingen in oude veilingcatalogi en de eigentijdse waardering van kunstenaars voor dit werk.
– Een knipsel dat is afgebeeld op een tekening uit 1708.
– Een werkstuk dat goed aansluit bij de belangstelling van bepaal de kringen in de Nederlanden voor de Klassieke Oudheid.
Kortom: een topstuk en mogelijk het best gedocumenteerde knipwerk uit de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst. Dit unieke, gesigneerde en gedateerde werk (overigens nog in 1995 bij Sotheby’s geveild als anoniem knipwerk, over kennis van knipkunst gesproken) moest dus uiteindelijk f 11.362.- op brengen. Voor ons museum veel geld -teveel geld, maar gezien de culturele en kunstzinnige waarde van dit stuk een koopje, of zo men wil een heel acceptabele prijs. Gelukkig heeft het bestuur van het Prins Bernhard Cultuurfonds het belang van onze aankoopactie onderkend. Het liet ons weten het volledige aankoopbedrag voor zijn rekening te nemen. Eind goed, al goed.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 1999-4, een uitgave van Stichting W.Tj. Lever.

Papierknipkunst in Franeker in 1950, deel 2 Nieuwsbrief 1992-2

Bekijken we de lijst van de te Franeker getoonde werken, dan valt als eerste op dat het 17de eeuwse gedeelte van de expositie zeer beperkt is geweest. Men liet slechts de twee, aan Anna Maria van Schurman toegeschreven knipsels zien en er waren drie werkjes van Joanna Koerten uit de collectie De Flines. De 18de eeuw was veel beter vertegenwoordigd. We zien vele knipsels die ook in Utrecht te zien zijn geweest en de Friese musea leveren, niet onverwacht, een grotere bijdrage dan aan de expositie van 1946. Er zijn voorts weer stukken uit het Openluchtmuseum, het Haarlemse archief en bijvoorbeeld de Sypestein-stichting uit Loosdrecht. Ook het Centraal Museum stelde bruiklenen beschikbaar, waaronder het wapenknipsel Ockert/ Bredehoff, dat zich sinds 1997 in onze verzameling bevindt. Opvallend is de bijdrage uit Rotterdam. De collectie Bastert wordt hier niet meer geëxposeerd, maar er is ruim geput uit de verzameling van het Museum van Oudheden (nu Historisch Museum).

Zo was er het fraaie knipsel, gemaakt voor Mattheus van der Pot  te bekijken en er waren de knipsels, gemaakt voor Jan en Cornelia van der Hey in de stijl van De Winter.

Ook het knipsel vervaardigd voor het huwelijk van Teuntje Vooys en N. van Eenige uit 1812 was op de tentoonstelling present.

anoniem, 1812

Een bijzonder kunstwerk was het knipsel “Melkbrug over het Spaarne” gemaakt door de Rotterdamse zeeman Jan Adelaar (ca. 173O-1811). Dit werk is, mogelijk al in de jaren vijftig, om onduidelijke redenen uit de collectie van het Historisch Museum verdwenen.

Bij het knipwerk uit de 19de eeuw zien we in Franeker een grote bijdrage van particuliere bruikleengevers. Zoals reeds geschreven in de stukjes over de Utrechtse tentoonstelling van 1946 is het interessant dat zoveel hedendaagse knippers/-sters aan de expositie in Franeker hebben deelgenomen. We komen op de lijst bekende en nu minder bekende namen tegen: Wiecher Lever, Gretha Zijl, P. Bijnen-Hernard, Irma Kerp-Schlesinger, Hil Bottema, Toos Vierkens-Comerell, Lily Eisendorn, Tola Steinhage, Gertrud Januszewski, Marie-Thérèse Bruning, Liesje Lever, Klaas Bakema en mevrouw Vermeulen (een plaatselijke knipster). Aardig is dat bij deze namen vaak een korte karakteristiek van het ingezonden werk wordt gegeven. Bij Zijl staat vermeld “Knipwerk, meest kindervoorstellingen en bloemen”. Bijnen maakte “knipsels voor kinderkamer, in kleuren uitgevoerd”. Het werk van Kerp (knipsels met sprookjesvoorstellingen, kinderen en bloemen) wordt door de opsteller van de lijst “goed voor illustraties” geacht. En, mevrouw Vermeulen uit Franeker “Knipt nog na, geen oorspronkelijk werk. doch zou daartoe zeker in staat zijn”.
Aan Klaas Bakema (1882-1958), zelf deelnemer aan de tentoonstelling, was al dat geëxposeerde werk niet zo besteed. Vooral voor het oude werk kon hij maar weinig waardering opbrengen. In 1950, op 16 oktober dus kort na de expositie” schreef hij aan Lever daarover: “… De ouderwetsche knipsels vond ik arm aan uitbeelding met veel en veel krulletjes en slinger de slangetjes, doch waarin veel tijd zoek was gemaakt aan het knippen zelf, zonder een origineele gedachte als hoofdzaak te beschouwen. Een gedachte op zo’n eenvoudig mogelijke wijze met een schaar uit te beelden, had (volgens mij dan) het grondmotief van die brave ouderwetsche mensen moeten zijn. Doch als antiquiteit zijn deze knipsels natuurlijk kostbaar, zooals de meeste oude voorwerpen…“.

Door Henk van Ark
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 1999-2, een uitgave van Stichting W.Tj. Lever

Papierknipkunst in Franker in 1950, deel 1, Nieuwsbrief 1999-1

Enige nieuwsbrieven geleden (1996, nrs. 1-4; 1997, nr.1) schreven we enige stukjes over de tentoonstelling “Papieren Knipwerk”, die in het najaar van 1946 in het Centraal Museum in Utrecht is gehouden. We sloten deze artikelenreeks af met een opmerking over de knipkunsttentoonstelling die enige jaren later in Franeker te zien was. We constateerden dat toen de papierknipkunst in Nederland duidelijk een nieuwe impuls had gekregen, mede dankzij beide exposities. Oude knipkunst werd herontdekt, nieuwe knipkunstenaars meldden zich. Bovendien ontwikkelden voortrekkers als Lever, Kerp en Bottema, geheel op eigenwijze, hun voortvarende activiteiten. “Nederland knipt weer!”, schrijft Wiecher Lever terecht in 1951.

Aan de tentoonstelling in Franeker besteden we in deze en de komende nieuwsbrief (-ven) aandacht. Het is een expositie die in het Coopmanshûs in augustus en september te bekijken is geweest. Werd de Utrechtse tentoonstelling omlijst door informatieve artikelen van Catharina van de Graft in het tijdschrift “Historia”, de tentoonstelling in Franeker kon rekenen op de belangstelling van populaire bladen, waardoor wellicht een groter publiek in het onderwerp papierknipkunst geïnteresseerd zal zijn geraakt.

Zo publiceerde Gabriël Smit in “De Volkskrant” van 2 september 1950 een lang artikel, met daarbij een vermakelijke persoonlijke impressie en verscheen er een prachtig geïllustreerd stuk op 8 september in de “Panorama”. In dat artikel zijn foto’s afgebeeld van het werk van Van Schurman, Lever, Eisendorn, Kerp, Adelaar en Roemelé en er is een detail te zien van het knipsel Honig/Breet uit 1793.

 

Gelukkig is van de tentoonstelling een lijst van geëxposeerde werken bewaard gebleven, zodat we een goede indruk kunnen krijgen van de opzet van de expositie en de deelnemende kunstenaars. Een vergelijking met de Utrechtse tentoonstelling wordt zo ook mogelijk.

 

 

 

Door Henk van Ark
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 1999-1, een uitgave van Stichting W.Tj. Lever