Categoriearchief: publicatie

Zeeuwse knippers en hun werk, Nieuwsbrief 2004-3

Zoals in de laatste Nieuwsbrief van 2003 al aangekondigd werd, zal de tweede helft van 2004 in het teken staan van Zeeuwse knippers(-sters) en hun werk. Daarbij zullen zowel modern knipwerk als dat uit voorbije tijden aan de orde komen.

Tot eind mei waren in het museum Lidia Schinkels “schaartekeningen“ te zien, die ze zo noemt omdat ze als het ware haar schaartje als potlood gebruikt. Daarna maakte haar werk plaats voor de ragfijne knipsels van Narda Wilken, veelal op een achtergrond van zijde zijn bevestigd. Deze tentoonstelling kon u tot 29 augustus bekijken. Na die datum komen nog de exposities van Annemiek Duyzer en de knipkring Knip-Mix.
Naast deze tentoonstellingen richt mijn activiteit zich op het oude Zeeuwse knipwerk uit onze eigen collectie en daarna op dat in de verzameling van het Zeeuws Museum in Middelburg. Dit museum heeft een aantal belangwekkende werken van o.a. Jan de Prentenknipper en J.H. Reygers. Van de eerste bezit het Nederlands Museum van Knipkunst ook enkele werkjes.

Deze Jan de Prentenknipper leefde van 1798-1870. Onder deze naam trok hij een groot deel van zijn leven rond in Zeeland en met het maken van knipprenten probeerde hij de kost voor zijn gezin te verdienen. Als iemand naar zijn echte naam informeerde zei hij: “Noem mij maar Jan de Prentenknipper”. Men begreep wel, dat het niet zijn werkelijke naam was, maar hij liet zich om een of andere reden niet verleiden die prijs te geven net zo min als hij losliet waar hij vandaan kwam. Op zijn trektochten sliep hij meestal bij boeren in de schuur of in het hooi en at mee met de boerenfamilie. In ruil daarvoor knipte hij hun hofstee. Met potlood en waterverf verfraaide hij het geheel. Hij is een van de weinige knippers die veel van zijn werk inkleurde. Na een paar dagen trok hij weer verder. Hij maakte ook knipsels in voorraad over allerlei onderwerpen, die hij tijdens zijn tochten verkocht. In sommige dorpen posteerde hij zich bij de dorpsschool en vroeg bij het uitgaan van de school of de jeugd een prentje wilde kopen. Voor een paar centen die de kinderen thuis probeerden los te maken, kregen ze een klein knipwerkje veelal met een bijbelse voorstelling om als bladwijzertje te gebruiken in bijbel of kerkboekje.

Het heeft al tijdens Jans leven velen geïntrigeerd wie hij nu eigenlijk was en waar hij vandaan kwam. Een zekere dominee Hoek schreef omstreeks 1932 op een scheurkalender (voor elke dag een blaadje) verhalen over Jan en zijn knipwerk. Hoewel deze man diverse mensen gesproken had die Jan gekend hadden, bleek bij later onderzoek dat veel van zijn verhalen aan zijn fantasie ontsproten waren. Ook Dr. Johannes de Hullu, die de geschiedenis van het boerenleven in Zeeuws-Vlaanderen bestudeerd heeft, heeft over Jan geschreven, maar hij betreurde het zeer, dat al zijn moeite om Jans naam te ontdekken niet tot resultaat geleid heeft, terwijl ook hij mensen gesproken heeft die Jan nog gekend hadden. Nog enkele anderen hebben pogingen gedaan, maar tevergeefs. Langzamerhand taande de belangstelling, niet alleen voor Jan, maar voor knipwerk en andere volkskunst in het algemeen. Zo bleef er een waas van geheimzinnigheid om hem hangen. Wel bleven er onder de Zeeuwse bevolking allerlei verhalen circuleren. Hij zou als soldaat in de Belgische opstand van 1830 gewond geraakt zijn en daardoor voor zijn hele leven invalide geworden zijn. Hij was inderdaad min of meer gehandicapt. Anderen beweerden dat hij dominee geweest was en wegens wangedrag ontslagen was. Hij zou ook een rondreizende Belg zijn, die ooit kleermaker en volgens weer anderen rietdekker geweest zijn. Niets van da alles bleek waar te zijn.

Na de tweede wereldoorlog leefde de belangstelling voor knipkunst weer wat op. Met name Hil Bottema, hoofdassistent van Het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem heeft vee! onderzoek verricht op dat gebied. Ze verzorgde in het museum de documentatie over volkskunst en raakte zodoende geïnteresseerd in het werk van Jan de Prentenknipper. Na een oproep in de Provinciale Zeeuwse Courant in 1964 schreven veel mensen haar over een knipsel in hun familiebezit of over wat ze van Jan wisten uit overlevering van hun (groot)ouders of andere familieleden. De belangstelling in Zeeland herleefde. Aan de hand van al deze informatie ontstond een beeld van het reizende leven van Jan. Hij kwam op alle Zeeuwse eilanden en in Zeeuws-Vlaanderen en in de winter in Goes waar hij een soort thuisbasis leek te hebben. Hij kwam regelmatig op bruiloften en partijen waar hij zijn prenten, vaak uit voorraad te koop aanbood. In 1967 kon dank zij al deze informatie en het beschikbaar stellen van knipsels van veel Zeeuwen een tentoonstelling gehouden worden in Wemeldinge. Maar…nog altijd wist men niet wie hij nu eigenlijk was.

Op een gegeven moment leek Hil Bottema een spoor gevonden te hebben, maar het bleek een vals spoor te zijn. Bottema is in 1968 vrij plotseling overleden waardoor het onderzoek stagneerde: Later bleek uit haar nagelaten correspondentie met een bevriende Zeeuw, dat ze vrij dicht bij de oplossing van het raadsel geweest is. Die kwam tenslotte totaal onverwacht in 1985. De heer Rose uit Middelburg stuitte bij zijn onderzoek naar de Zeeuwse geschiedenis op een oud krantje uitgegeven door de Vereniging voor Volksbelangen te Goes, het “Volksblad”. In het nummer van 9 juli 1870 vond hij het volgende berichtje: “Goes. De dood van Jan Huyszoon heeft ons allen verrast. Reeds eerder zou de redactie daarvan melding hebben gemaakt, ware het niet, dat de bijnaam, dien hij droeg, van “Jan de Prentenknipper” reden was, dat wij zijn eigenljken naam niet goed kenden en daardoor zijn dood in den burgerlijken stand der gemeente niet hadden opgemerkt. Van zijn dood maken wij melding, om twee redenen: Hij was een kunstenaar in zijn vak; hij was een ijverig man. — Hij was een kunstenaar in zijn vak; het vak van prentenknippen; wie herinnert zich niet de fijn uitgesneden prentjes, die zoo menig bijbelboek versieren of ter herinnering aan jaardag of bruiloft in de woonkamer hangen. Die kunst, ze zal meer en meer plaatsmaken voor een hoogere uiting der beeldende kunst; dit blijft waar, dat “Jan de Prentenknipper” nuttig werkzaam is geweest, door den schoonen smaak, zij het ook op kleine schaal, te helpen ontwikkelen”.
De heer Rose gaf zijn vondst door aan de heer Willemsen uit Biervliet en die publiceerde hem in het tijdschrift “Zeeland Magazine” en zo kwam het onder ogen van Jan Peter en Joke Verhave, die al geruime tijd geïnteresseerd waren in knipwerk in het algemeen en daardoor ook op de hoogte waren van de geheimzinnigheid rondom Jan de Prentenknipper. Zij hebben Jans levensloop onderzocht en hun bevindingen te boek gesteld in hun boek “Jan de Prentenknipper”, Zeeuwse volkskunst langs ‘s Heren wegen 1798-1870 (1993). Jan was geboren in Colijnsplaat op Noord-Beveland. In 1817 kwam hij in militaire dienst. Tijdens een baldadige uitspatting met enkele vrienden ‘s avonds laat raakte hij betrokken bij een inbraak waarvoor hij tot twee jaar tuchthuis veroordeeld werd. Na zijn vrijlating in 1824 werkte hij hier en daar en knipte ook al. Zou hij de verveling in de gevangenis verdreven hebben met knippen? Hij ontmoette een Belgisch meisje, Constantia du Pree, met wie hij jarenlang samenleefde en 8 kinderen kreeg. Ze trouwden niet, dat zou maar problemen gegeven hebben, want hij was protestant en zij rooms-katholiek. Omdat er al snel een kind kwam, zocht hij werk met een geregeld inkomen. Zo werkte hij enkele jaren bij het graven van het kanaal van Sas van Gent naar Terneuzen en toen dat klaar was enige tijd als dijkwerker aan de Lekdijk bij Wijk bij Duurstede. Daarna begon het rondreizend leven en Constantia en de kinderen trokken met hem mee. ‘s Winters verbleven ze vaak in Goes waar Jans zuster woonde. Het gezin leidde een armelijk bestaan en moest in de loop der tijden herhaaldelijk om steun van het armbestuur vragen. Na de dood van Constantia in 1841 is Jan nog twee maal getrouwd. Zijn acht kinderen zijn allemaal voor hem overleden. Zelf overleed hij in 1870 in Goes waar hij de laatste jaren van zijn leven had doorgebracht.

Jans werk is uiterst boeiend om te bekijken. Er is heel veel op te zien. Vooral zijn geknipte boerderijen zijn echt verhalende knipsels. Behalve de gebouwen beeldt hij heel nauwkeurig alle werkzaamheden door het jaar heen af Zijn werk is geen verfijnd kunstknipwerk zoals we dat van Johanna Koerten of de Zwitserse Esther Zoller (zie Nieuwsbrief dec. 2002 ) kennen. Hoewel hij heel veel kleine details afbeeldt, blijven de vormen eenvoudig. Het geheel doet soms wat kinderlijk naïef aan. Zijn vroegste knipsels zijn meest wit op een gekleurde ondergrond, later werk is bijna altijd verfraaid met ingetekende details en met waterverf ingekleurd. Daaruit blijkt dat hij niet alleen vaardig was met de schaar, maar pen en penseel ook wist te hanteren. Door de frisse kleuren zien zijn knipsels er vrolijk uit, Jan heeft er kennelijk plezier in gehad ze te maken.
Zijn boerderijknipsels maakte hij vaak in lagen. In horizontale banen laat hij achtereenvolgens bij voorbeeld de weg waaraan de boerderij ligt zien met een paar wagens en personen. In de baan eronder staan de bedrijfsgebouwen, daaronder zijn de arbeiders op het land aan het werk in voorjaar en zomer en in de onderste baan zijn ze bezig met het binnenhalen van de oogst. Om het geheel heen zien we allerlei gereedschappen. Op andere boerderijknipsels staan de gebouwen centraal, soms in omgeklapte projectie, en zien we eromheen de akkers, het vee en de arbeiders op het land. Op het erf spelen de kinderen, scharrelen de kippen en ligt de hond bij zijn hok. Hekken, bomen, gereedschap, karren, niets ontbreekt. Door de precieze afbeelding van bestaande boerderijen hebben deze knipsels naast schoonheidswaarde ook historische waarde. Behalve de naam van de boerderij sneed hij er dikwijls het volgende rijmpje in:

Het land te bouwen is myn lust
Myn hert en zinnen zyn gerust
Ik wy het rundervee
Gelyk als Job in Cana dee

Dit rijmpje en variaties ervan komen op diverse knipsels voor. Misschien had hij het wel ergens op een tegeltableau gezien, want daarvan is het ook bekend.
Naast bestaande boerderijen heeft hij ook fantasieboerderijen geknipt die zeker niet minder mooi zijn. Hij maakte die waarschijnlijk in voorraad.
Een ander onderwerp waar Jan erg aan verknocht was zijn de bijbelse voorstellingen, mooie grote (wel ± 30 x 40 cm) en kleintjes (± 7 x 10 cm). Mooie grote zijn bijvoorbeeld “De tempel Salomons” en “Ark van Noach op de berg Ararat” met keurig van elke diersoort twee exemplaren. De kleintjes, de zogenaamde kerkboekprentjes, hebben als regel twee of drie voorstellingen boven elkaar.

Voor gelegenheidsknipsels zorgde Jan desgewenst ook. Zijn huwelijksknipsels gaf hij de naam “Stuk des verbonds” of “Trouwverbond” en erin sneed hij de tekst “Dat God tesamevoegd, scheyd geen mensch “. Ander gelegenheidswerk heeft een centraal dicht middendeel bijvoorbeeld een hart waarin hij een tekst schreef en die omgaf met fraaie versieringen. Maar liefst vier verschillende versies knipte hij van de Engelse invasie in Zeeland in 1809, die bedoeld was om een blokkade van de Antwerpse haven door de Fransen te voorkomen.
Jan de Prentenknipper is misschien wel de productiefste en bekendste knipper uit zijn tijd. In ieder geval is van hem heel veel werk bewaard gebleven, vooral in particulier bezit o.a. bij nakomelingen van de boeren wier hofstede ooit door hem geknipt is of die in een familiebijbel een of meer kerkboekprentjes aantroffen.

Wij prijzen ons gelukkig dat het Nederlands Museum van Knipkunst enkele knipseltjes van deze veelzijdige knipper bezit. Het zijn vijf kerkboekprentjes (bladwijzertjes), allemaal ± 10 x 7 cm.

Het prentje “Lusthof’ heeft 3 afbeeldingen boven elkaar, zoals Jan dikwijls deed. Bovenaan zien we twee ruiters te paard en een paar boompjes, in het midden een groot huis met twee torentjes en een koepeldak. Naast het gebouw leunt een mannetje tegen een hek. In de onderste laag rijdt een man in een koets getrokken door een paard. De naam Lusthof is uitgesneden. Het is vrij grof geknipt, maar door de beschildering met waterverf is het toch een leuk plaatje. Het tweede prentje draagt de initialen M.E.S. en heeft twee voorstellingen boven elkaar. De onderste is “Salomons oordeel”, een geliefd thema bij Jan. We weten niet voor wie het gemaakt is. Het derde knipseltje heeft weer drie lagen en is veel preciezer geknipt dan de vorige twee. Bovenaan zijn “M.BS” (= Maria boodschap) en “I.GBOOR” (Jezus’ geboorte) geknipt, daaronder “Joseps vlugt” en helemaal onderaan “Jeruzalem”, Jezus’ intocht in Jeruzalem. Dit werkje is niet gekleurd. Deze prentjes behoorden bij de oprichting van het museum al tot de verzameling.

Ze zijn op een blad geplakt, dat afkomstig is uit de collectie van Wiecher Lever, de grondlegger van het Nederlands Museum van Knipkunst. Het vierde prentje is in 1997 door een schenking verkregen. Het is afkomstig van een familie uit Sommelsdijk. Wiecher Lever had het in 1963 al eens gezien en aangeboden het te ruilen tegen een door hem gemaakt “fijn knipseltje”. De familie ging niet op dit aanbod in en Lever heeft niet meer mee mogen maken dat het werkje 34 jaar later alsnog aan zijn verzameling werd toegevoegd.

Het grootste deel van het knipseltje wordt ingenomen door een hart waarin de waarschuwing “Past op uw tijd, 1866” uitgesneden is. Boven het hart staat “opregt” met twee zwevende gevleugelde figuren en er onder een gevleugelde figuur en de Dood met zeis en zandloper.

 

 

 

Het vijfde prentje van Jan Huyszoon, alias de Prentenknipper, is in 1839 gemaakt voor een zekere Dirkje van der Poel. Haar naam staat in een centraal geplaatst hart met aan weerszijden ranken met vogeltjes en bloemen. Boven het geheel wordt een soort kroon opgehouden door twee gevleugelde figuren. Dit plaatje is ook weer ingekleurd met waterverf.

 

 

 

Tegelijk met het vorige knipseltje werd er in 2001 nog een van Zeeuwse makelij van een anonieme maker aangekocht. Het betreft een ovaal (± 12 x 14,5 cm) knipsel met het jaartal 1811. Het is dubbel geknipt en stelt een pot voor waaruit ranken omhoog komen die zich naar beide zijden buigen. Tussen de ranken hangen twee medaillons waarin de initialen LVDS en JDD staan. We weten niet wie dat zijn. Het zou een huwelijksknipsel kunnen zijn, ware het niet, dat er aan weerszijden van de pot twee deftig heertjes staan en zo’n huwelijk was in 1811 echt nog niet mogelijk.

In 1997 werd een interessant verjaardagsknipsel aan ons geschonken. Het betreft een verjaardagswens van Maatje Kuijper aan haar vader. Het is een dubbel geknipt werk van 23,5 x 21,5 cm. In het midden is een lange tekst geschreven. Boven in de omlijsting van de tekst staat een hart gesteund door twee zwanen. In het hart staat 1 822 Twee engelen met bazuinen zweven er boven. In de lichamen van de twee zwanen begint de tekst met:

“Verjaawens aan mij Eerwaarde
Vader op zijn VerJaardag oud 25 Jaar Den 22 october
Waarde vader ik zijn verpligt,
Om u te schrijven een gedigt
En dat op u geboortendag,
Ik wens dat God u geven mag,
Zijn Zegen en dat voor t allertijd,
Zoo lang gij hier op arde zijt,
De Heer heeft u nu Veele Jaaren;
Door zijn gunst u willen Spaaren
Toont daar nu ook voor Dankbaarheid,
Aan Zijne hooge maijjestijd,
Ik wens de Heer zal u nog veele Jaaren
U door zijne gunst te willen spaaren
Opdat gij lang in Voorspoed leeft
In t Land dat zij de hand u geeft
Ik wenst dat hier wil Zijne Straalen
Van Zijne Geest op u doen dalen,
Dat die u leyd opt regte pad
Waar door gij gij gaat na s ‘Hemeisstad
en dat gij daar het dierbaar bloed
van Jezus Zij gewassen soet
met al de Hemelingen Saamen
te zingen hier op zeg men amen
Dit is de wens van u Eeerwaarde Dochter

De wens is omgeven met fijn geknipte ranken met verschillende bladvormen en bloemen. Aan weerszijden van de tekst staan twee dametjes met een grote parasol. Maatjes naam staat onder de wens tussen twee fantasievogels.
Waarschijnlijk heeft ze deze tekst niet zelf geschreven, haar vader was immers pas 25 jaar en zij dus hooguit een kleuter. Wij zouden graag weten wie het werk geknipt en geschreven heeft, het kunnen natuurlijk ook een knipper en een schrijver geweest zijn. De schenkster van het knipsel, mevrouw Stegeman-Christiaanse vertelde dat het uit de nalatenschap van haar vader afkomstig is. Die had het weer geërfd van een oom, een broer van zijn vader, dus ook een Christiaanse (uit Tholen). Het zou misschien de moeite waard zijn eens uit te zoeken of die verwant was aan een familie Kuiper. Wellicht konden we dan ook op het spoor van de knipper komen. Het knipsel heeft een plaats in de vaste opstelling van het museum.

Ook tot de vaste opstelling hoort het prachtige wapensnijwerk Ockert/Bredehoff  dat het Nederlands Museum van Knipkunst in 1997 dank zij subsidie van enkele culturele fondsen aan de collectie kon toevoegen. Centraal in het ragfijne snijwerk staat temidden van een rijke versiering het gecombineerde wapen van Ockert en Bredehoff met als schildhouders een griffioen en een leeuw. Verder zijn twee hoorns van overvloed, een bloemenmand, een kroon en een baldakijn afgebeeld. In het hele werk zijn allerlei details geprikt. Links en rechts van het gecombineerde wapen staan 16 kwartieren van de beide families.

Dr. Catharina van de Graft schreef in haar artikel “Geknipte familiewapenen” in het blad “Historia” van september 1946 het volgende over dit knipsel:
“…Een ander prachtig werk uit dezen zelfden tijd is het groote familieknipsel met in het midden het gecombineerde wapen van Ockert en Bredehoff en 16 kwartieren van elk dezer wapenen ter weerszijde, dat het Centraal Museum te Utrecht in bruikleen heeft van Mevrouw Huijtema-Van Bredehoff de Vicq te Buitenzorg. Dit knipwerk bewaart de herinnering aan het huwelijk dat Joan Ockers, heer van Schonewal, in 1702 raad, in 1704 schepen van Middelburg, hoodfparticipant der O.I.C. en in 1716 daarvan bewindhebber, gesproten uit het aanzienljke Zeeuwsche geslacht van Ockert, Ockers of Ockerse, sloot met Elisabeth van Bredehoff uit een Hoornsch geslacht, dochter van François en Johanna Hamel. Joan Ockert overleed 24 Mei 1723, ongeveer uit dien tijd moet ook dit knipwerk dateeren. Waarschijnlijk heeft kort voor of na zijn overlijden een zoon uit dit huwelijk het fraaie wapenknipsel van zijn ouders doen vervaardigen. Wie die zoon was, kan, daar het Middelburgsche archief in den jongsten oorlog geheel verloren is gegaan, niet meer worden onderzocht.“…
Zij constateert verder dat de knipkunst in dit en in een ander door haar beschreven wapenknipsel op het eind van het eerste kwart van de 18 eeuw haar hoogtepunt bereikt heeft. Wat erna nog gemaakt is, noemt ze verdienstelijk werk, maar niet meer van het hoge peil van deze knipsels.
J.P. Verhave, die onderzoek naar wapenknipsels en de adellijke families waartoe de wapens behoorden gedaan heeft, heeft ontdekt dat het snijwerk niet voor Joan Ockert en Elisabeth van Bredehoif gemaakt is, maar voor hun zoon Nicolaas die in 1727 met een nicht van zijn moeder uit hetzelfde geslacht trouwde.
Het Centraal Museum in Utrecht heeft het snijwerk jarenlang in bruikleen gehad, maar in de negentiger jaren van de vorige eeuw hebben de eigenaren het stuk teruggehaald. Nadat ze met een Amsterdamse antiquair gesproken hadden over een eventuele verkoop kwamen ze er ook mee naar het Nederlands Museum van Knipkunst en uiteindelijk wilden ze het liever daaraan verkopen, omdat ze het een sympathieke gedachte vonden, dat het daar voor een groot publiek te zien zou zijn Dank zij enkele gulle subsidiegevers kon dit prachtige snijwerk aan de verzameling in Schoonhoven toegevoegd worden.

Behoort het vorige werk tot het mooiste van het museum, het volgende stuk behoort tot het merkwaardigste. Het werd op een ochtend in oktober 2001 gebracht door een inwoner van Schoonhoven met de vraag: “Hebben jullie hier iets aan?” Het is een soort kijkkast (65 x 55 cm), gemaakt ter nagedachtenis aan koning Willem II (1792-1849) uit papier, hout en textiel in 1850 in Middelburg door een zekere J.J. Barisson, een tot nu toe totaal onbekende persoon. Gezien de kwaliteit van het werk moet hij zoiets vaker gemaakt hebben. Vanaf de tweede helft van de 18e eeuw ontwikkelde het platte knipwerk zich tot het “verheve” werk en daaruit ontstonden achtereenvolgens het reliëfknipwerk, diorama’s en de bavelaars. Deze kijkkast lijkt nog het meest op een bavelaar. In de kast is uit hout en papier een monument voor de koning gebouwd waarbij gebruik gemaakt is van een (zwart-witte) prent van een portret van Willem II en een gedicht van Tollens. Van het Iconografisch Bureau in Den Haag kregen we een kopie van een lithografie van een portret van de koning, uitgegeven door C.W. Mieling, die Barisson waarschijnlijk gebruikt heeft. Uit de prent is het borstbeeld van de koning geknipt. Allerlei decoratieve elementen, zoals een trommel met twee vlaggen, de rijksappel met zwaard, een kanon, een vlag met een phoenix en een speer, diverse schilden met de Nederlandse driekleur, enz. zijn uit een andere prent geknipt waarvan we de herkomst niet hebben kunnen achterhalen. Al deze deeltjes zijn met de hand ingekleurd.
De koning zit onder een baldakijn, aan weerszijden staan enkele pilaren waartussen varen met bloemen van textiel staan. Op de sokkel van het monument staat een vers van Tollens:

‘t Penseel beeldt TWEEDEN WILLEM af
Wat bijschrift zal het volk hem geven,
Dien God ten zetel had verheven
En die de kroon droeg en den staf?
Dat hij geliefd werd bij zijn leven,
Dat hij beschreid wordt in zijn graf

Op twee kleine papiertjes die onder in de hoeken geplakt zijn heeft de maker zijn werk gesigneerd en gedateerd. Het kunstwerk was in zeer slechte staat, toen we het kregen, maar inmiddels is het opgeknapt en weer toonbaar.

Door Atty Broer
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2004-3, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Nel Wezel, promotor van de knipkunst, Knip-Pers 2007-3

16 x 7 cm

De naam Nel Wezel-Laan is in Noord-Holland zeer bekend. Mary IJdema en ik bemannen al zo’n twintig jaar in de zomer een kraam op de artistieke markt in Bergen. Bij het zien van ons knipwerk weet een groot deel van het publiek onmiddellijk twee namen te noemen: Tjeert Lever uit Westerbork en Nel Wezel uit Alkmaar. Daarmee houdt de kennis over het knippen in de meeste gevallen wel op.

Nel Wezel heeft haar sporen in ruime mate verdiend door de knipkunst onder de aandacht van velen te brengen en door hen te stimuleren zelfde schaar ter hand te nemen. Zo af en toe is daar in de Knip-Pers aandacht aan besteed, maar het is misschien leuk om alles eens even op een rijtje te zetten.

13 x 16 cm

Nels carrière in de knipkunst is, zoals bij veel knipsters, begonnen bij de Bond van Plattelandsvrouwen (momenteel Vrouwen van Nu genaamd). Tussen 1955 en 1965 woonden Nel en haar man in de prachtige stolpboerderij De Lepelaar in Midden Beemster. Daar werden ook hun twee dochters geboren. Nel had het er erg naar haar zin en op de brommer bezocht ze trouw de bijeenkomsten van de Plattelandsvrouwen in Spijkerboor, ze volgde daar heel intensief diverse handwerkcursussen. Ze werd zelfs gevraagd om deel uit te maken van de Provinciale handwerkcommissie van de Bond van Plattelandsvrouwen.

12 x 9 cm

Toen ze een keer een advertentie zag staan voor een knipcursus, leek haar dat wel wat, want misschien had ze daar nog wel iets aan bij het maken van naaiwerk of kledingpatronen. Tot haar verrassing bleek die knipcursus een totaal andere inhoud te hebben dan ze had gedacht! Het leven hangt soms van toevalligheden aan elkaar, want hiermee was het papierknipwerk in haar leven gekomen en die techniek bleek haar op het lijf geschreven.

Ze volgde in Alkmaar twee keer een cursus van zes lessen bij To van Waning. To was niet voor een kleintje vervaard, want die kwam helemaal uit Arnhem en bleef dan in Heiloo logeren om haar cursussen achter elkaar te kunnen geven.

Nel vond het knippen in een woord geweldig. Ze kwam niet uit een artistiek gezin, maar vond het wel altijd leuk om in de keuken creatief te zijn met koken en bakken. Ze was na haar schoolopleiding kinderverzorgster geworden en had zich zeer bekwaamd in allerlei handwerktechnieken, onder andere kantklossen. Maar papierknipwerk was toch wel iets totaal anders en ze ontdekte dat ze een heleboel fantasie in zich had, waarmee ze iets kon in haar knipsels.

10 x 5 cm

Ze knipte niet alleen voor zichzelf maar werd ook al snel gevraagd om kniplessen te verzorgen. Vanaf het begin vond ze lesgeven enig. Intussen was het gezin in Alkmaar gaan wonen waar haar man een baan vond als machinist op het gemaal van de polder Bergermeer.

In 1983 werd de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst opgericht en er was grote behoefte aan mensen die knipcursussen konden geven. Op aandringen van To van Waning ging Nel zich daar In Noord-Holland heel actief (en heel enthousiast) mee bezig houden. Gelukkig had ze haar rijbewijs gehaald, zodat ze zich met haar knipspullen gemakkelijk kon verplaatsen. Ze kwam werkelijk overal, tot aan Texel toe.

Nel Wezel werd een begrip. Ze gaf met veel plezier talloze knipcursussen, vervolgcursussen en verzorgde ook knipavonden, vooral voor de Plattelandsvrouwen. Eerst vertelde ze dan het een en ander over de geschiedenis van de papierknipkunst, ze demonstreerde het knippen en na de pauze kon iedereen het ook eens gaan proberen. Dat waren altijd uitermate gezellige avonden en er zijn heel wat actieve knipsters uit voortgekomen. Ook voor het reumafonds heeft ze zich jarenlang met haar knipactiviteiten ingezet.

18 x 3 cm

En dan waren er natuurlijk de talloze braderieën en markten waarvoor ze uitgenodigd werd. Ze vertelde me heel smakelijk het verhaal dat ze drie dagen in Breda zou komen knippen en na afloop van de eerste dag ergens een hotel ging zoeken. Alles was vol in verband met de Taptoe die gehouden werd. NeI raakte niet in paniek, kon er om lachen en vond gelukkig toch nog ergens een adresje waar ze kon slapen.

 

 

 

Het lesgeven gaf Nel de grootste bevrediging: het werken met groepen en dan eruit halen wat erin zit. Daarbij hanteerde ze wel altijd haar eigen principes:

  • het liefste niet van te voren tekenen. door heel veel te oefenen de gewenste vorm eerst in je hoofd en dan in je vingers krijgen.
  • goed kijken, overal is inspiratie te vinden voor leuk knipwerk!
  • laat je niet beïnvloeden door andere knippers en knipsters, dus niet van alles naknippen, maar probeer iets van jezelf te geven.

14 x 3 cm

Ze vindt dat decoratief knippen iets is dat door iedereen geleerd kan worden. De in haar werk steeds terugkerende volkskunstmotieven zijn eigenlijk al zo oud als de knipkunst zelf. Mei ziet kans de symbolen van geloof, hoop en liefde, vogels, levensbomen, het zwaantje in allerlei variaties vast te leggen. Symmetrische vormen hebben daarbij haar voorkeur. Het illustratief knippen, knippen naar de werkelijkheid daarentegen, ziet NeI als iets heel anders, dat is moeilijker en niet door iedereen te leren.

Van haar eigen werk gaf ze veel weg, want het gaat haar eigenlijk niet zozeer om het product dat ze maakt. Dat heb ik aan den lijve ondervonden, want toen ik bij Nel thuis kwam om haar te interviewen en met een kopje thee aan tafel zat, keek ik de kamer eens rond op zoek naar haar knipwerk, maar tot mijn verbazing kon ik dat niet vinden! Er hing wel een mooi Zwitsers knipsel dat ze van een van haar dochters gekregen had.

18 x 3,5 cm

Ook haar plakboeken bleken slecht gevuld, het merendeel van haar werk heeft ze gewoon weggegeven. Er zijn nog wel wat krantenartikelen bewaard waarin over Nel en haar knipactiviteiten werd geschreven, maar ook dat vindt ze eigenlijk niet zo belang rijk. Het belangrijkste was en is voor haar dat ze anderen zoveel plezier heeft kunnen geven door hen enthousiast te maken voor de papierknipkunst. Het meest boeiende van knippen vindt NeI dat je met zulke simpele middelen als papier en een schaartje geweldige mogelijkheden hebt voor creatieve ontplooiing.

In 2005 kreeg Nel van de knipgroep Enkhuizen een groot feest aangeboden omdat ze 25 jaar geleden begonnen was met daar kniples te geven en eigenlijk gewoon was doorgegaan. Iedere keer weer bedacht ze leuke dingen om op de bijeenkomsten te knippen en als cadeau ontving ze een groot opvouwbaar knipsel waaraan iedereen had meegewerkt en een zilveren Enkhuizer Stedenmaagdspeld.

9  x 7 cm

Haar twee dochters hebben de artistieke gaven ongetwijfeld van hun moeder mee gekregen, want ze hebben beiden de Zilvervakschool in Schoonhoven met goed gevolg doorlopen. De oudste is graveur geworden en de jongste werkt als zilversmid.

Ondanks het feit dat Nels fijne motoriek niet meer zo goed is door twee TIA’s en een hersenbloedinkje, blijft ze blijmoedig en kan genieten van alles wat het leven haar te bieden heeft. NeI Wezel is een veelzijdig iemand die altijd haar talenten heeft gebruikt om de knipkunst te promoten. Haar doel is daarbij steeds geweest dat de knipkunst behouden blijft en wordt doorgegeven aan anderen. En daarin is ze in ruime mate geslaagd, hulde.

Door Ieke Boosman

5 x 15 cm

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Knip-Pers 2007-3

Theun Broekstra, Nieuwsbrief 1998-4

In juni van dit jaar overleed in Australië de heer Th. Broekstra. Theun Broekstra is voor bezoekers van ons museum en lezers van de nieuwsbrief geen onbekende. Sinds 1989 hadden wij met hem contact, omdat wij op de veiling van de voormalige Westerborkcollectie het jaar ervoor alle Broekstra-knipsels konden aankopen. Naar aanleiding hiervan benaderden we hem, en de heer Broekstra was toen zo vriendelijk ons zijn, door Wiecher Lever geknipte, exlibris voor de collectie te schenken. In de jaren hierna schreef hij ons regelmatig en stuurde pakketjes met proeven van zijn knipwerk. In het najaar van 1995 hebben wij middels een kleine tentoonstelling aandacht aan zijn werk besteed. In de vaste opstelling zijn onder andere zijn vier jaargetijden en vier elementen (ca. 1951) en de geknipte tekens van de dierenriem (1994) opgenomen.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 1998-4, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Knipsels van Broekstra, Nieuwsbrief 2003-4

In onze museumcollectie bevinden zich al jaren knipsels en drukwerken (naar knipwerk) van Theun(is) Broekstra (1914-1998). Twee lijsten met knipwerk zijn opgenomen in de vaste museumopstelling, waaronder de twaalf tekens van de dierenriem. De basis voor dit geheel werd gelegd bij de aankoopactie van 1988 toen een belangrijk deel van Levers Westerborkverzameling in handen van de stichting W.Tj. Lever kwam. In hetzelfde jaar kwamen we in contact met Broekstra, die in 1951 naar Australië was geëmigreerd. Broekstra, die in Nederland in de horeca werkte, had een voorkeur voor het maken van grafisch werk, zoals hout- en linosneden. Door een ontmoeting met Wiecher Lever op een handenarbeidtentoonstelling in Zeegse in 1948 werd hij gestimuleerd het papierknippen eens uit te proberen.

Het ging hem goed af en sinds die tijd maakte hij mooie knipwerken, waarin de invloed van het grafische werk goed te zien is (zie de afbeeldingen). In Australië werkte Broekstra onder andere voor een electriciteitsbedrijf en in 1970 begon hij een eigen onderneming: een zeefdrukkerij. Van knippen kwam in die tijd niet veel, hij begon daar weer mee na zijn pensionering in 1980. Ook ging hij, na een expositie over Chinese knipkunst in Melbourne te hebben bezocht, meer met kleur werken. Tot zijn overlijden hebben wij regelmatig met Broekstra gecorrespondeerd, ook is in het museum nog een presentatie van zijn werk gehouden. Aardig was dat hij ons, net als verschillende familieleden en bekenden in Nederland, jaarlijks een verrassingspakketje met knipsels stuurde, zolang het knippen voor hem nog mogelijk was.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2003-4, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Nieuwe museumaanwinst?, Nieuwsbrief 2003-4

Twee maanden geleden werd ons het knipsel “Kunst der Schaar” uit 1853 te koop aangeboden. Het stuk is, zo vertelde de aanbieder, afkomstig uit een Zaanse familie en gemaakt door de knipper J.S. van wie nog twee knipsels bekend zijn. Die gegevens ontleende hij aan het boekje “Schaarkunst” (1983), waarin twee stukken van deze knipper staan afgebeeld.

Inmiddels is gelukkig veel meer bekend geworden van deze knipper J.S. Zo’n tien jaar geleden ontvingen wij van Museum van Gijn in Dordrecht het knipsel “Leeft in Vrede” uit 1852.

De informatie bij dit werk was dat het was gemaakt door Jan Schot uit Katwoude, die zou hebben geleefd van 1771-1861. Dat laatste was niet juist, ontdekte Tonny Jurriaans van het Westfries Museum, die veel onderzoek naar knippers met de initialen J.S. heeft verricht (zie: Knip-pers 1994-4, p. 16-18). Zij kwam erachter dat deze fraaie knipwerken zijn vervaardigd door Jan Jansz. Schot (1828-1890), zoon van Jan Theunisz. Schot en Sijtje Postma. Jan Jansz. is niet getrouwd geweest, was van beroep arbeider en dus ook een heel goede papierknipper. Schot maakt zijn knipsels voor personen uit Katwoude en omgeving, maar in 1877 ook het huwelijksstuk Muis/Kuiper een echtpaar dat in Uitgeest woonde.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2003-4, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Uitroepteken voor Jo van Velsen, Knip-Pers 1994-1

Velen in de knipperswereld kennen Jo van Velsen uit Hilversum van de tentoonstelling ‘Knipkunst 1982’, gehouden in ‘t Spant te Bussum. Bijna dagelijks kwam ze daar zuiver voor haar plezier demonstreren. Ze was erbij toen mevrouw Kerp besloot een tentoonstelling te organiseren van knipwerken van alle Nederlandse knippers en knipsters, die haar toen bekend waren. Vooral de ouderen zullen Jo van Velsen kennen van nóg vroeger.

De creatieve en linkshandige Jo (“ook linkshandigen kunnen knippen, hoor”, zegt ze met nadruk) was begonnen met de kniptechniek uit te proberen toen ze eens van een vriendin wat kaarten kreeg met knipseltjes erop. Het lukte haar meteen en via het naknippen in het begin, maakte ze steeds meer en steeds fijnere producten van haar eigen fantasie.

Nu is zij niet de eerste, de beste. Zij komt uit een bijzonder kunstzinnige familie. Haar vader schilderde en van haar zeven broers hadden de meesten een kunstzinnig beroep. Zo was er een werkzaam in de bloemsierkunst, een andere had een antiekhandel en was expert in het maken van kerkelijke kunst en een derde was graficus. Haar enige zus knipt ook en maakt knipsels voor haar medezusters in een klooster. Van ‘haar iets bredere familiekring hebben verscheidene neven en nichten naam gemaakt in de kunst. “Zelf schilder ik ook met veel plezier en het knippen vind ik nog steeds énig om te doen”, verbaast ons dan ook niet uit haar mond te horen.

Een aardige bijzonderheid is dat zowel haar vader als haar moeder de kost verdiende met de SCHAAR! Haar vader had op 23 jarige leeftijd een eigen kapsalon en haar moeder had een eigen naaiatelier met 10 naaisters. De schaar was in huize van Velsen dus een gereedschap. Wat het gebruik van de schaar betreft, liet ook Jo zich niet onbetuigd. Van jongs af aan maakte zij ‘mooie dingen’, van de meest uiteenlopende materialen. Ook creëerde zij voor vele neefjes en nichtjes speelgoedbeesten en Teddyberen, lang voordat de huidige rage losbrak.

Zij exposeerde en hield lezingen op velerlei gebied. Hoewel ze -volgens haar zeggen- het leerboekje van mevrouw Kerp ‘Leer knippende zien? nooit gelezen heeft, heeft ze er wel veel aan gehad door de voor beelden na te knippen.. Ze belde mevrouw Kerp op om te vertellen hoeveel plezier ze in het knippen had en werden goede vrienden.

Het knippen liet haar niet meer los. Het. werd een hartstocht. Ze verzamelde boeken over knippen en zocht contact met andere knipsters. Haar werk is in verschillende periodes in te delen: kleedjes, hartenbrieven (waaronder heel fijne. en originele exemplaren), vlinders, vogels en andere dieren. Omdat bloemen en planten verzorgen één van haar vele hobby’s is, werd dat ook een specialisatie in haar knipkunst. En nog steeds lukt het haar heel fijne creaties te maken. Een van haar bekendste knipsels is ‘De heilige Franciscus van Assisi’, de dertiende eeuwse heilige die de armoede predikte, iets met de natuur had en tot de vogels sprak. Van dat knipsel is enkele jaren een poster gemaakt door de Werkgroep K 750 Utrecht (Milieu) en verspreid in verschillende Europese landen. Het knipsel is geïnspireerd op het Zonnelied van Franciscus waarin hij God dankt. voor zon, wind, water, bloemen, vogels en alles wat leeft.

Sint Fransiscus van Assissi

Legende van Sint Hubertus (1989)

Wie nu denkt op de hoogte te zijn van alle bezigheden van deze knipster, die 14 maart 1994 80 jaar hoopt te worden, heeft het mis. Want als natuurliefhebster wandelt, fietst en reist ze sinds ze op 71 jarige leeftijd met pensioen ging. Elk voorjaar gaat ze op vakantie met de Natuur Historische Vereniging naar natuurgebieden, telkens in een ander land, waarbij veel gelopen en geklauterd wordt om bijzondere bloemen, planten en ook dieren te bestuderen. Nieuwe inspiratie voor haar tekeningen en knipsels.

Als het weer het enigszins toelaat, wandelt ze urenlang om haar conditie op peil te houden. Gezien ze op haar leeftijd nog steeds een druk leven leidt, is haar dat wel gelukt. Tot haar 57ste jaar heeft ze gewerkt als hoofd huishoud- en gezinsvoorlichting in Utrecht en daarna nog 14 jaar consumenten informatrice voor de VARA en later voor de TROS. In haar gastvrije huis heeft ze een grote boekenschat, waaruit haar veelzijdigheid op creatief gebied duidelijk blijkt. Het knippen mag dan wel haar grootste hobby zijn, er is meer. Ze bezoekt vele musea en volgt al zo’n zes jaar schilderlessen bij een ouderencentrum. En evenmin als met haar inspannende en inspirerende reizen, is ze nog niet van plan met schilderen te stoppen.

Wat de knipsels betreft, noemden we al haar voorliefde voor de natuur en de hartenbrieven. Ook bloemenmanden en knipsels voor de feestdagen zijn favoriet. “Net Kerstmis ben ik bezeten van sterren, dan móet ik sterren knippen, hoewel de ontwerpen voor Pasen me nog beter liggen dan voor Kerst.” Op dit moment heeft ze zich op de bijbelse voorstellingen gestort, geknipt uit wit papier. Een nieuwe passie haast.

Twintig jaar heeft Jo van Velsen er over gedaan om zich de papierknipkunst eigen te maken. “Natuurlijk kun je dit niet ineens”, zegt Jo, die daarnaast zeer veel gedaan heeft voor het propageren van de knipkunst. Bij iedere demonstratie, lezing of tentoonstelling gaf ze met veel enthousiasme -als het ware- openbare lessen en wist ze menigeen lid te maken van onze vereniging. Op een van haar knipsels staat: “Het begin der wijsbegeerte is de verwondering”. Zo ondergaat Jo zelf elke keer die verwondering bij het zien van de grote verscheidenheid in het knipwerk van anderen: “Wat een variatie”, zegt ze. En zo verwonderen wij ons over de grote veelzijdigheid van deze knipster, Jo van Velsen. Geen wonder dat velen haar voor gedragen hebben voor HET UITROEPTEKEN dat heeft ze dubbel en dwars verdiend!!
Daarom Jo, in dit maartnummer, in dubbel opzicht: van harte gefeliciteerd!

Alle afbeeldingen bij dit artikel zijn geknipt door Jo van Velsen.

Door Lies Markus
Dit artikel verscheen eerder in Knip-Pers 1994-1

Over de papierknippers Cokart en Roemelé, Nieuwsbrief 2002-1

In de vorige nieuwsbrief (2001-4) hebben we werk laten zien van de ons onbekende papierknipper J.Cokart. Het ging om een spreukenknipsel uit 1786 en twee bavelaartjes uit 1796. Een korte zoektocht bracht ons in contact met mevrouw A. Cokart, die ons doorverwees naar haar broer, de heer H. Cokart. Hij beschikte over een gepubliceerde genealogie van het geslacht Cokart, van de hand van de genealogen Wijnman en Kits Nieuwenkamp, en verstrekte ons naam en adres van een familielid dat bijzonder in familieonderzoek geïnteresseerd zou zijn. Deze heer R. Cokart stuurde ons een volledig bijgewerkte genealogie Cokart waarin we verschillende Cokart’s met de voorletter J. vonden.

Vaak ging het daarbij om vroeg overleden kinderen, maar we troffen ook twee Cokart’s aan, die mogelijk de papierkunstenaar zouden kunnen zijn. Janneije Cokart (1737-1807) uit Amsterdam was getrouwd met de zilversmid Joost Meyer. Haar broer Jan (1739- na 3 aug. 1810) was, net als vader en grootvader “yvooren kammenmaker” van beroep en was getrouwd met de dochter van de glazenmaker Petronella Scholten. Van deze Amsterdammers is dus duidelijk dat zij zich bevonden in een ambachtelijk/kunstzinnige omgeving, maar van beiden is tot nu toe geen vermelding als papierknipper/-ster bekend. Dat bewijs moet dus nog worden gevonden en in dit opzicht is het Cokart-verhaal vergelijkbaar met dat van H.van Battum (zie nieuwsbrief 2001-2).
Met Cokart zijn we ons gaan bezighouden naar aanleiding van vragen van de heer Nystad en de heer en mevrouw Meijer.

Van de heer Havelaar van het Museum voor Communicatie in Den Haag ontvingen we een verzoek om informatie over de papierknipper W.P.A. Roemelé (1791-1833). Na toesturing van enige gegevens over deze knipper uit Paterswolde zond hij ons een mooie uitdraai van de website van februari 2002 van zijn museum.

 Roemelé, coll. Beeld & Geluid, Den Haag

Het knipsel van Roemelé wordt daarop uitvoerig besproken in de rubriek “Object van de maand” onder de titel “Bruilofstfeest in knipselkunst”. Het gaat om een stuk van groot formaat (ca. 80 x 100 cm) dat is gemaakt ter gelegenheid van het 20-jarig huwelijk van Benjamin Donker Curtius (1790-1863) en Christophora Josina van Harn (1790-1845) op 14juni 1829.

Donker Curtius was onder meer inspecteur-generaal van de Dienst der Posterijen en vanaf 1822 directeur van het Postkantoor in Amsterdam. Over het knipwerk vermeldt de tekst van de website: “…Centraal in het grote knipsel, dat in totaal zo’n 80 bij 100 cm meet, is een soort altaar geplaatst waarop een tekst met onder meer de namen van beide partners is gekalligrafeerd. In de tekst wordt het een “echtaltaar” genoemd. De letters zijn overigens allemaal uit papier geknipt en daarna opgeplakt op de blauwe ondergrond. (dus geen kalligrafie maar knipwerk, red.) De tekst luidt: “Uit byzondere hoogachting opgedragen aan den hoogedele geboren heer, Benjamin, Donker, Curtius. Directeur der Kon: Nedl: Posterijen der stad Amsterdam. enz: enz: enz: en deszelfs hoogedele geboren echtgenote mevrouwe, Christophora, Josina, van Harn. Door H: Hooged.geb: dienaar. steeds gehoorzame W.P.A. Roemelé” en “Gods zegen ruste steeds op ‘t heilzaam trouwverbond Van dit gelukkig paar. Een stoet van hemellingen ziet men met Mirth en Palm, het echtpaar omringen; Terwijl hun juichend lied toekomstig heil verkond. Lang moge ‘t achtbre Paar, hier keur van bloemen plukken. En ‘t Elf-tal lieflyk kroost hun deugdzaam voetspoor drukken. Dees’ Eerzuil zy gewyd aan DONKER’s rijk geslacht, Welk deugd, in d’ eeuwigheid, een’ schooneren tempel wacht”.

 

Aan beide zijden van dit tekstpaneel is een pilaster geplaatst. Deze zijn opgebouwd uit diverse lagen papier en krijgen daardoor ook enige ruimtelijkheid. Boven het altaar een decoratief stuk met aan de uiteinden ranken en bovenin een portret van het laatstgeboren kind van Donker. In het midden een Latijnse tekst, die vrij vertaald luidt: “zij worden beloond, die zich welwillend jegens ons hebben getoond”. Vlak boven het altaar een fraai soort “bovenschoorsteenstuk” met putti (kleine engeltjes) waarin de kunstenaar zich bijzonder heeft kunnen uitleven. Op de blauwe cartouche staat dan ook vermeld “schaarkunst”. Aan zowel de linker- als de rechterrand is een guirlande met portretten te zien.

 coll. Beeld & Geluid, Den Haag

Linksboven is Donker zelf geportretteerd. Onder hen de kinderen. Ze hadden er elf in totaal. Boven zijn nog wolken geknipt in reliëf en de familiewapens, die worden gedragen door putti. Het kunstwerk werd vervaardigd door W.P.A. Roemelé (1791-1833), een toen bekende papierknipper, die dit in opdracht van het personeel heeft vervaardigd…”.

Na restauratie door Art Conservation uit Vlaardingen kon het knipsel definitief in de collectie van het Museum voor Communicatie worden opgenomen. Een schitterende aanwinst.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2002-1, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Gerrit Konsé, een onbekende silhouetteur, Knip-Pers 1992-1

Tijdens een onderzoekje naar silhouetknipsels en de achtergronden daarvan in Noord-Holland, werden enige advertenties uit de Hoornsche Courant 1800-1805 gevonden, waarin:

“G Konsé Stempelsnyder aan ts Lands Munt te Hoorn, heeft vervaardigt en is by hem te bekomen het Extra Welgelykend pourtrait van den Wel Eerw: en zeer Geleerde Heer C v d Leeuw, gelieft leeraar by de Hervormde Gemeente te Hoorn, beroepen by de Gemeente Utrecht, konstig in wit papier uitgedreven.
De prys is in een fraai vergulde lystje 2 Guldens.’

In andere advertenties biedt G. Konsé nog twee van dergelijke portretjes aan. In de collectie van het Westfries Museum bevinden zich twee in wit papier gedreven silhouet portretjes in vergulde lijstjes, waarbij op de achterzijde ge schreven staat:
“Wel eerw Heer v d Leeuw” en “Wel Eerw Heer Van Kersten”.

Beide portretjes komen uit een Hoornse verzameling en zijn gedateerd rond 1800. De maker was niet bekend.
Gezien de manier waarop deze twee portretjes “konstig in Wit papier uitgedreven” zijn en het feit dat de naam van n van de afgebeelde personen dezelfde is als de door Konsé in zijn advertentie genoemde naam, wordt het erg aannemelijk dat Gerrit Konsé de maker van deze twee silhouetportretjes is geweest.

Gerrit Konsé,  zoon van de Amsterdamse goudsmid Joh. Christiaan Konsé werd geboren in 1751 te Amsterdam en is aldaar in 1826 overleden. Op 18 september 1775 werd “Gerrit Konsé Amstelodamensis (Amsterdammer) Pictars” (schilder, tekenaar) ingeschreven als student aan de universiteit te Leiden. Hij woonde toen “op den N. Rhyn by de Torenstraat”. De beroepen die hij nadien heeft uitgeoefend waren graveur, tekenaar van portretten, uitgever en metaalsnijder. In 1791 werd hij aangesteld als stempelsnijder “tot West-Vrieslands Munt” en werkte in 1795 te Enkhuizen. Zij jaarwedde was f. 700.-, wat voor die periode een goed jaarinkomen was. Rond 1800 verblijft hij in Hoorn. De hieronder genoemde munt [moet nog uitgezocht worden, red.] is door hem gesneden en werd in 1797 door de Westfriese Munt geslagen. (Collectie Westfries Museum.) Door zijn beroep van stempelsnijder was Gerrit Konsé kundig in het snijden van mallen en stempels (in spiegelbeeld) en zal hij voor het vervaardigen van zijn silhouetportretjes eenzelfde methode hebben toegepast. Het papier dat hij gebruikte is van een dikke kwaliteit.
Het graveren en etsel zat de familie Konsé in het bloed. Zo was broer Carel Fredrik wapengraveerder en stempelsnijder en bekwaamde zus Margaretha zich in het etsen.

Met dank aan Koninklijk Munt- en Penningenkabinet, Leiden.

Door Tonny Jurriaans, Westfries Museum
Dit artikel verscheen eerder in de Knip-Pers 1992-1

Reacties en vragen van museumbezoekers, Nieuwsbrief 2001-4

De laatste tijd wordt het museum regelmatig benaderd met vragen over vooral oude knipsels. Zo belde de heer Nystad ons enige maanden geleden of wij iets wisten over knipper J. Cokart. In zijn bezit was namelijk een knipsel van deze kunstenaar uit 1786 met een mooie tekst (“Wijsheid is beter dan robijnen;/Spreuke 8 Vs 11.”).

J. Cokart, 30,8 x 47,2 cm, part. collectie

Helaas, een knipper Cokart kenden wij niet en omdat de heer Nystad zelf ook al geprobeerd had gegevens over hem te achterhalen besloten we voorlopig hier niet verder aan te gaan werken. Echter, niet lang erna meldden zich de heer en mevrouw Meijer met een vraag over Cokart. Zij hadden twee bavelaars van deze knipper uit familiebezit, gesigneerd en gedateerd 1796.

J. Cokart, 24,5 bij 18,5 cm, part. collectie

J. Cokart, 24,5 bij 18,5 cm, part. collectie

Het knipsel van de heer Nystad heeft als afmetingen 30,8 x 47,2 cm en de twee kijkkastjes zijn 24,5 bij 18,5 cm met een diepte van 10 cm. We kennen nu dus werk van een knipper die zowel knipsels “in ‘t plat” en “in ‘t verheve” maakte. Het zal ons benieuwen of nog meer gegevens of werk van deze intrigerende papierkunstenaar zullen opduiken. Zegt u de naam Cokart wat, laat dat ons alstublieft weten.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2001-4, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.

Geknipt voor Schoonhoven, Nieuwsbrief 2001-4

Op verzoek van het organiserende comité hebben we dit jaar voor het eerst deelgenomen aan de Nationale Zilverdag, die traditie getrouw in Schoonhoven op 2e Pinksterdag wordt gehouden. We lieten in de museumetalage een kleine presentatie van twee knipsels zien die waren gemaakt voor inwoners van Schoonhoven. Deze stukken werden aangevuld met enige documentatie die is bijeengebracht door museummedewerkster Wil Stennekes en René Kappers, voorzitter van de stichting Nationale Zilverdag en enthousiast onderzoeker op zilverkunst gebied.

H.J. de Jongh

Het eerste knipsel is een gedenkstuk gemaakt ter herinnering aan de zilversmid Dirk Hendrik Greup (1803- 1883).

Dit erg fraaie knipsel bevindt zich in het Streekarchief Krimpenerwaard in Schoonhoven en het is vervaardigd door de Haarlemse papierknipper H.J. de Jongh, van wie nog enig ander werk (afb 3 en 4) bekend is. Zijn vader was Thomas de Jongh (1818-1881), eveneens knipper. Bij dit knipsel hoorde een pendantstuk dat werd gemaakt voor Greups vrouw Maria Lazonder die eveneens in 1883 is overleden. Dat knipsel is omstreeks 1985 geveild en de verblijfplaats is helaas niet bekend. We weten dat Dirk Greup in 1863 op Haven A319 in Schoonhoven woonde, dat is aan de oostzijde. Hij was medeoprichter en bestuurslid van de “Nijverheidsvereeniging van Goud- en Zilversmeden in Schoonhoven”, diaken van de Nederlands Hervormde Kerk en bestuurslid van verschillende liefdadigheidsverenigingen in de stad.

anoniem

Het tweede knipsel is een dubbelportret en profil van broer en zus Hein (1888-1959) en Gerrarda Verroen (1887-1973).

Het is in 1931 te Parijs geknipt door Paul Krüger, een uit Wenen afkomstige silhouettist die in diverse landen werkzaam is geweest. Hein Verroen was zilversmid en graveur en woonde met zijn zus aan de Oude Haven nr. 8   Aan de achterzijde van dit mooie pand is nog steeds de vroeg 19de eeuwse zilversmidswerkplaats met oven aanwezig. Hij was medeoprichter van de R.K. Toneelvereniging “De Zonnebloem”, waarvan ook Gerrarda deel uit maakte.

Toneelvereniging Schoonhoven

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 2001-4, een uitgave van het museum van Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever.