Categoriearchief: publicatie

Aanwinst, Nieuwsbrief 1997-4

De belangrijkste aanwinst van dit najaar kon begin november in Weesp worden afgehaald. Het gaat om schenking uit particulier bezit van maar liefst 248 (!) knipsels van Cornelis Moojen, enige documentatie (foto’s en Moojens overlijdensbericht uit 1970) en een geschilderd portret. In onze museumcollectie beschikten we al over knipwerk van Moojen (acht knipsels) en een door Lever in 1964 geknipt profielportret. Steevast kan dit werk -gemaakt op 86-jarige leeftijd- rekenen op de bewondering en verbazing van onze bezoekers. Deze nieuwe aanwinst is dus in onze verzameling uitstekend op zijn plaats. Toeval is dat voor 1999 de expositie ‘Geknipt te Amsterdam” op het programma staat, een tentoonstelling waarop we werk willen laten zien van Evert Root, Klaas Bakema en Cornelis Moojen. Door deze schenking kan de inhoud van die tentoonstelling aanmerkelijk worden verbeterd.

De nieuwe aanwinst bestaat uit 248 knipsels, waarvan 89 opgeplakt en ten dele ingelijst en 159 exemplaren die niet zijn opgeplakt op een achtergrond. Veel klein en fijn knipwerk bevindt zich in een houten en kartonnen doosje. Verder zijn er enige foto’s, waaronder één mooie afbeelding van de knipper aan het werk, en Moojens overlijdensbericht (rouwbrief) uit 1970. Bijzonder geslaagd is het geschilderde portret, mogelijk vervaardigd door familielid C. Rol (bekend van de illustraties van Verkade-albums), dat Moojen weergeeft op middelbare leeftijd. Dit houdt in dat het portret omstreeks 1925/30 geschilderd zal zijn. Behalve knipwerk hebben we in onze verzameling ook enige documentatie, zoals een artikel uit “Goed Nieuws” (1958) en een stukje in kleur uit waarschijnlijk “Libelle” (jaren zestig). Een aardig verhaal over Moojen is te vinden in “Elsevier” van 3 december 1955, dat door CH. Wentinck geschreven artikel volgt hierna.

Misverstand in het trappenhuis

Het zal al weer enkele jaren geleden zijn, dat een eerbiedwaardig, wat ouder heertje, zich op de onderste trede van mijn destijds duistere en steile trap opstelde, en -gevraagd naar zijn bedoelingen – ten antwoord gaf: “Ik ben de Knipper”.
Gegeven de vermelde eerbiedwaardigheid, stond niets mij in de weg, het witgehaarde heertje boven te laten, zodat ik zei ,,Komt u hoven, mijnheer De Knipper.” De repliek was onverwacht : “Ik heet niet De Knipper, ik bèn de knipper”. Mij viel niets anders in dan dc overigens bepaald voor de hand liggende vraag , Wat knipt u dan?” ,,Knipsels”, antwoordde de knipper. Toen werd het allemaal zo vreemd, dat ik het begrijpen maar verder opgaf, en het heertje de hoge trap opklom.
Na een kort gesprek kwam er wat tekening in de knipper, die tenslotte Moojen bleek te heten, en geenszins zo vreemd was, als liet misverstand in het trappenhuis deed vermoeden, De heer Mooien vertelde mij, dat hij met behulp van schaar en papier silhouetten knipte, een soort kunstnijverheidswerkje, dat in de negentiende eeuw bijzonder populair was, en nu op kermissen nog wel vertoond wordt, doch dan in het genre der karikaturale portretten. Hetgeen de oude heer Moojen vertelde over zijn liefhebberij, en de manier waarop hij dat deed, wekten in hoge mate mijn nieuwsgierigheid op. Ik verkeerde toen nog in het postprogressieve stadium, dat verliefdheden vertoont op alles wat fin-de-siècle is, en beloofde mijzelf een kennismaking met en late vrucht van het geliefde Biedermeier. Wij maakten dus een afspraak. Kort daar op verhuisde ik echter, en in de erop volgende warboel raakte ik het adres van de heer Moojen kwijt.

Tot, enkele weken geleden, opnieuw onderaan een nog veel hogere trap, opnieuw bij wijze van introductie het bekende : “lk hen de knipper” klonk. Het was een verheugend geluid want ook al was sinds de eerste ontmoeting de liefde voor de negentiende-eeuwse rariteiten wel wat bekoeld, -ik had een slecht geweten ten opzichte van de heer Moojen. Daar was hij dus: nog steeds in de jeugd van zijn ouderdom, vief, zoals dat heet en monter. Ditmaal had hij een aantal knipsels hij zich. Ze waren gewikkeld in ,een groot pak, dat hij voorzichtig ontknoopte. Er bleken geweldig veel knipsels in te zitten, grote en kleine, ronde en vierkant, knipsels met een eenvoudig motiefje en met hele taferelen versierd.

Het was een plezier, naar dat alles te kijken. Een Weense vriendin, die toevallig op bezoek was, moest onmiddellijk delen in de vreugde, en kreeg enkele sprookjesknipsels voor haar kinderen. Ze heeft die nog wel niet, maar is zelf gelukkig kinderlijk genoeg om veel pret Ie beleven aan het bezit van uitgeknipte Hans en Grietjes. De verdere middag heb ben we besteed aan de knipsels van de heer Moojen Ze waren zo charmant, en zo kostelijk soms in de uitbundigheid van hun ornamentiek, in de vindingrijkheid der vormen, dat het weldra duidelijk werd, dat onze oude vriende ongewild en ongeweten, nog een echt soort volkskunst maakt.

Er waren de meer uitgebreide toestanden, met karretjes en paarden, en oude vrouwtjes met geiten en boeien met zeisen en honden en kraaiende hanen en zwanen die op het water dreven. Zonnen priemden talloze stralen het zwart in, en kabouters vermaakten zich niet het pesten van konijnen. Op andere knipsels stonden droomhuizen met oude bomen er voor, en gingen heksen, met ezels aan de hand, gebogen over de bospaden. Zulke uitvoerige taferelen waren dan omzoomd met ruim guirlande werk, waarin opnieuw medaillons waren op genomen die het een en ander in beeld brachten. De verbeelding van de heer Moojen bleek onuitputtelijk.

Doch er waren ook knipsels bij, die directer bij de gebruiksgrafiek der volkskunst schenen aan te sluiten. Dat gold hij voorbeeld voor de twee haantjes in het guirlandeske hartmotief. Als ik mij wel herinner gebruikte men lang geleden zulke knipsels om aan geliefden of verloofden te sturen. Het kan echter ook andersom zijn dat de verloofden die aan de nog onwetenden stuurden, om hun de mare kond te doen, dat hun geluk weldra bezegeld zou worden door een huwelijk.

Ook jagers en dansende kindertjes bleken geliefkoosde onder werpen van de heer Moojen, die “Des Knaben Wunderhorn” nieuw leven inblies ,met zijn sprookjesknipsels. Maar het meest verrukt waren we toch wel va de decoratieve randen, die zo’n kostelijk stel variaties vertoonden, en zo weinig op elkaar leken dat het een genoegen was, telkens neer te ontdekken dat er nog andere, onvermoede mogelijkheden waren.

Tenslotte heeft de heer Moojen ons uit zijn leven verteld. Aanvankelijk was hij timmerman, in het stadje Edam. Wat later werd hij onderwijzer aan de ambachtsschool, in het timmervak. Hij verliet Edam, waar hij in 1877 geboren was, in 1902 om naar Amsterdam te gaan. Tot liet knippen is hij gekomen, toen de kinderen kwamen. Hij knipte poppetjes en andere dingen voor hen uit oude speelkaarten. Wanneer het gezin op reis ging, in de winter, als de ruiten van de trein beslagen zijn, knipte vader dingetjes uit papier en plakte ze op de ruiten wat een groot plezier voor de kinderen bleek. Zo verwierf de heer Moojen allengs een zekere vaardigheid, en toen hij dan ook in 1943 gepensionneerd werd, besloot hij, met nog meer aandacht dan vroeger te gaan knippen. Zo ontstonden dan de met vele figuren versierde taferelen, die hij ons liet zien.

Verkopen wil hij ze niet, later zullen ze voor de kinderen van zijn kinderen misschien iets betekenen dat is de enige hoop die de oude vader heeft.

Hij tekent nooit van te voren één lijn alles wordt direct geknipt. Het begint met een knipje zus, een knipje zo. dan ontdekt hij een mogelijkheid tot een figuurtje, en van daar uit ontstaat dan het hele knipsel.

U ziet op deze pagina enkele van Moojens knipsels. Hopelijk zullen ze iets behouden hebben van de charme van de originelen. En denkt u er niet te gering over: de negentiende eeuw heeft verrukkelijke kunstwerken in het knipsel genre tot stand gebracht. Zelfs vandaag schamen kunstenaars zich niet, met liefde en toewijding het knippen te beoefenen. Zag u ooit knipsels van Cruys Voorbergh?

C.H. WENTINCK

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1997-4, een uitgaven van Stichting W.Tj. Lever.

De expositie “Papieren knipwerk van 1946 IV, Nieuwsbrief 1997-1

Het 19de eeuwse gedeelte van de tentoonstelling in Utrecht omvatte, althans volgens de bewaarde lijst 40 nummers. Ook dit deel van de expositie was zeer gevarieerd van opzet. Zo waren er een bavelaartje van Anna Strenge-de Frémery, albumpjes met klein knipwerk maar eveneens de gedenkstukken gemaakt voor Lodewijk Napoleon door J.H. Reygers en C. Schoon uit het Rijksmuseum.

 

Tot de verschillende bruiklenen uit het Openluchtmuseum behoorde een huwelijksknipsel met de initialen IVA en GRB uit 1805.

Interessant is het stuk opgedragen aan het Genootschap Teyler, waarbij op de cataloguslijst geen maker staat vermeld. Dit knipwerk is duidelijk gemaakt door Thomas de Jong (1818-1881) in 1843. Deze mening kon worden geverifieerd door een aantekening in de archieven van het Haarlemse genootschap.

Grote stukken waren er in Utrecht ook, zoals het werk van de Haarlemse leerlooier J.A. Stompff (nu in het Frans Halsmuseum).

Het gedenkstuk aan de ontploffingsramp in Leiden door C.S. uit 1807,

en het knipsel gemaakt voor de Friese landbouwer S.J. Piersma van de nog steeds onbekende bakkersknecht uit Deersum, zodat wij de noodnaam “Piersma knipper” voor deze volkskunstenaar maar handhaven.

Als nummers 88 en 89 worden vermeld twee knipsels uit het Stedelijk Museum Zwolle. Dit moet echter zijn het Stedelijk Museum te Zutphen. Het ene stuk is een knipsel in reliëf toegeschreven aan Jan Willemsen.

toegeschreven aan Jan Willemsen

Het andere knipsel zou zijn gemaakt door R.Koopmans  maar de schilderswerkplaats van Koopmans is overduidelijk geknipt door de Utrechtse hoogleraar L. Schroeder van Kolk (1797-1862).

Uit Zwolle kwamen wel enige zwarte knipsels van onbekende hand die zich nu in het Provinciaal Overijssels Museum bevinden.

Het 20ste eeuwse deel van de tentoonstelling “Papieren Knipwerk” was beperkt. Naast werk van Cruys Voorbergh waren er knipsels te zien van Jan Visscher, Tola Steinhage, Lex Barten en Gertrud Januszewski. In deel 1 van deze serie is al verklaard waarom Wiecher Lever niet aan de Utrechtse expositie heeft deelgenomen. De cataloguslijst kent nog een aanvulling met 4 nagekomen werken, waaronder een knipsel van Roemelé uit het Fries Museum. Catharina van de Graft kijkt in haar artikel “Papieren knip- en snijkunst, vroeger en nu” (Historia 1948) terug op de tentoonstelling. Zij schrijft: “…Een onderzoek naar wat in ons land nog aan papieren knipwerk aanwezig is, bracht ons met een onvermoed aantal verzamelingen in aanraking. Veel belangrijker was echter de ontdekking, dat deze oude sierkunst nog altijd met liefdevolle toewijding wordt beoefend. Zelfs is in de jongste tijd een groep van jongeren opgestaan, die deze oude schaarkunst weer tot nieuwe bloei wil brengen…“. Die jonge garde, en ook enige oudere knippers zijn inderdaad al ruim vertegenwoordigd op de knipkunsttentoonstelling die in 1950 in museum ‘t Coopmanshûs in Franeker te zien is geweest. Nederland knipte weer!

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1997-1, een uitgaven van Stichting W.Tj. Lever.

Museumaanwinst: een 18de eeuws wapenknipsel, Nieuwsbrief 1997-1

In de nieuwsbrief van september vorig jaar meldden we dat op de knipkunsttentoonstelling van 1946 in Utrecht het wapenknipsel Ockert/Bredehoff mogelijk niet te zien is geweest. Dat was vreemd want het Centraal Museum had dat knipsel al jaren in bruikleen en het zou op die tentoonstelling uitstekend op zijn plaats zijn geweest. Op het moment dat we dit schreven was ons museum al enige tijd bezig de financiële middelen bij elkaar te brengen om het bewuste knipsel aan te kopen. De eigenaren van het stuk hadden het namelijk bij het Utrechtse museum teruggehaald en wilden het van de hand doen. Men wendde zich tot een antiquair in Amsterdam, vroeg ons om nadere informatie en bezocht het museum in Franeker omdat men vermoedde, op het spoor gezet door de Amsterdamse kenner, dat Anna Maria van Schurman het knipwerk gemaakt kon hebben. Dat idee konden we al snel de wereld uit helpen, het artikel “Familiewapenen” van Catharina van de Graft in Historia van september 1946 kon daarbij goed worden gebruikt. Hierin wordt dit knipsel (39×30 cm) besproken, ook is er een afbeelding (nr.3) van in opgenomen. Een en ander leidde tot het besluit dat het Nederlands Museum van Knipkunst het stuk mocht aankopen op voorwaarde dat binnen een overeengekomen termijn het aankoopbedrag kon worden opgebracht. Dankzij de financiële steun van drie landelijke culturele fondsen is dit gelukt! Van de Graft schrijft in haar artikel over dit knipsel: “Een ander prachtig werk uit dezen tijd is het groote familieknipsel met in het midden het gecombineerde wapen van Ockert en Bredehoff en zestien kwartieren van elk dezer wapenen ter weerszijde, dat het Centraal Museum te Utrecht in bruikleen heeft van Mevrouw Huijtema-Van Bredehoff de Vicq te Buitenzorg. Dit knipwerk bewaart de herinnering aan het huwelijk dat Joan Ockers, heer van Schonewal, in 1702 raad, in 1704 schepen van Middelburg, hoofdparticipiant der O.I.C. en in 1716 daarvan bewindhebber, gesproten uit het aanzienlijke Zeeuwsche geslacht van Ockert, Ockers of Ockerse, sloot met Elisabeth van Bredehoff, uit een Hoornsch geslacht, dochter van François en Johanna Hamel. Joan Ockert overleed 24 Mei 1723, ongeveer uit dien tijd moet ook dit knipwerk dateeren. Waarschijnlijk heeft kort voor of na zijn overlijden een zoon uit dit huwelijk het fraaie wapenknipsel van zijn ouders doen vervaardigen. Wie die zoon was, kan, daar het Middelburgsche archief in den jongsten oorlog geheel verloren is gegaan, niet meer worden onderzocht. Blijkbaar heeft de knipkunst in deze twee stijlvolle kunstwerken (bedoeld wordt dit knipsel en het daarvoor besproken wapenknipwerk Van den Berg/Van Teijlingen van F.H. van Voorst, red.) op het eind van het eerste kwart der 18e eeuw haar hoogtepunt bereikt. Wat daarna komt, is nog zeer verdienstelijk werk, maar niet meer van dit hooge peil…“. Het kan inderdaad zijn dat het wapenknipsel kort voor of na de dood van Ockert in 1723 is gemaakt, maar niet uit te sluiten is dat het is gemaakt ter gelegenheid van de huwelijksvoltrekking. Dat zou betekenen dat het al veel eerder moet zijn geknipt. Verder onderzoek kan misschien aan tonen of deze veronderstelling juist is; wellicht kan dan ook worden achterhaald wie de maker van dit bijzondere werkstuk is geweest, want dat is helaas niet bekend.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1997-1, een uitgaven van Stichting W.Tj. Lever.

De expositie “Papieren knipwerk” van 1946 III, Nieuwsbrief 1996-3/4

  

Op de tentoonstelling in het Centraal Museum zijn vele 18de eeuwse knipsels te zien geweest. De cataloguslijst telt 38 nummers (nr.18 t/m 55 is niet ingevuld). Van sommige knipwerken was echter slechts een foto aanwezig, zoals die van het snijwerk voor de Hoornse familie Carbasius uit het Westfries Museum (cat.nr. 27).

Merkwaardig is dat het 18de eeuwse familiewapen  Ockert/Bredehoff, dat het Utrechtste museum al enige jaren in bruikleen had en waarover Catharina van de Graft schrijft in haar artikel “Geknipte Familiewapenen” (nr.3), volgens de bewaarde lijst niet is geëxposeerd.

anoniem

Tenzij dit is gebeurd onder het niet ingevulde nummer 19. De in het artikel van Van de Graft afgebeelde en besproken wapenknipsels Van Teylingen/Van Foreest en Van de Berg/Van Teylingen zijn wel op de Utrechtse tentoonstelling te zien geweest.

Frederik Hendrik van Voorst

Het tweede stuk gemaakt in 1722, is van de hand van Frederik Hendrik van Voorst (ca.1660-1736). Ook de interessante knipsels uit nu Museum Sypesteyn waren er aanwezig. Het gaat om de mythologische voorstelling “Venus, en Adonis met Amor” (gesigneerd FHV, verondersteld wordt F.H. van Voorst) uit ca.1715 en de portretten uit wit papier van Willem IV en prinses Anna, maker onbekend.

anoniem, Willem IV en prinses Anna

J.N. Bastert, conservator van museum Boymans leverde met vele bruiklenen uit eigen bezit een belangrijke bijdrage aan de knipkunsttentoonstelling. Sommige van deze knipsels zijn wel eens afgebeeld maar over die particuliere collectie is verder weinig bekend.

anoniem, Collectie Verhave

Bastert zorgde ook voor twee bruiklenen uit de verzameling van het Museum van Oudheden (nu Historisch Museum Rotterdam): een geboorteknipsel uit 1790 (of later) en een bloemenmand in sierschild.

anoniem, collectie Historisch Museum Rotterdam

anoniem

Uit Zaandijk en omgeving kwamen verschillende knipwerken, zoals het knipsel gemaakt voor Barbertje Taan door J. Walrecht uit 1768 (nu in het Zaans Historisch Museum) en het huwelijksstuk voor Cornelis Honig en Aagje Breet uit 1793.

J. Walrecht, collectie Zaans Museum

anoniem

De Alkmaarse doopsgezinde predikant Jan de Bleyker (1707-1783) was op de expositie vertegenwoordigd met de huwelijksknipsels Huurkamp van der Vinne/Van der Schaft (1761, nu Frans Halsmuseum) en Koekebakker/Kok (1761).

Jan de Bleyker

Samen met de andere op de lijst voorkomende, maar hier niet nader besproken knipwerken moet door zijn gevarieerdheid dit gedeelte van de tentoonstelling bezoekers een goede impressie van de Nederlandse papierknipkunst in de 18de eeuw hebben gegeven.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1996-3 en 4, een uitgaven van Stichting W.Tj. Lever.

Nieuwe aanwinst, Nieuwsbrief 1996-3

Een prachtige schenking voor onze museumverzameling ontvingen we deze zomer van de heer H. Munnik. Het is een in 1814 gemaakt knipsel voor Alberta Jacoba du Bois, mogelijk door knipper I(an) P(atijn) van wie wij twee zgn. papieren bavelaars uit ongeveer dezelfde tijd kennen. Over Alberta du Bois-Ameshoff (1776-1828) en haar man Abraham du Bois (1777-1851), wiens initialen in het knipsel staan onder het gedicht in de sokkel van de tuinvaas, vonden we al snel enige gegevens in het Nederlands Patriciaat van 1913.

Uit de daarin gepubliceerde stamreeks blijkt dat ook nog enige familielijnen naar Schoonhoven lopen. Abraham du Bois was de heer van Loenen en Cronenburgh. De gemeentearchivaris van Loenen, mevrouw Brouwer, stuurde kopieën van artikelen over het oude en nieuwe Cronenburgh in deze schitterend aan de Vecht gelegen gemeente. In het stuk “Het land en het kasteel van Cronenburch, voorheen en thans” (Jaarboekje Niftarlake 1940) wordt de boeiende geschiedenis van het kasteel en de latere buitenplaats geschetst.

Het oorspronkelijke kasteel, waar Floris V nog gevangen moet hebben gezeten, is in 1672 door de Fransen gedeeltelijk verwoest, waardoor de opvallende ronde kasteeltoren verdween. De ruïne werd in 1710 eigendom van de Leidse patriciër Adriaan Wittert van der Aa die er een voorname buitenplaats van liet maken. In 1824 komt Cronenburgh uiteindelijk in handen van Abraham du Bois die het buiten in 1837 laat afbreken, onder andere naar men beweert omdat hij geen burgemeester van Loenen kon (mocht) worden. De laatst bekende afbeelding van Cronenburgh (de afbeelding hier rechtsboven) dateert uit 1836. Abraham du Bois en Alberta Ameshoff trouwden in 1813, in het jaar daarna gaf Abraham zijn vrouw dit knipsel cadeau mogelijk ter viering van haar eerste verjaardag binnen dit huwelijk of ter gedenking van het eerste huwelijksjaar. Het mooie stuk bestaat uit een, gedeeltelijk uit voluten opgebouwde, tuinvaas op sokkel met daarin schitterend geknipte teksten en een fraaie decoratieve rand, samengesteld uit vier stroken. Door middel van de blinddruktechniek is op verschillende plaatsen in het werk reliëf aangebracht wat het decoratieve effect nog ver der versterkt.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1996-3 van Stichting W. Tj. Lever.

De expositie “Papieren knipwerk” van 1946 II, Nieuwsbrief 1996-2

Anna Maria Schurmann en Joanna Koerten door Houbraken, afb RKD.nl

Op de Utrechtse tentoonstelling in 1946 is aandacht besteed aan knipwerk uit vier eeuwen. In het tweede deel van onze reeks artikelen over dit onderwerp gaan we in op de toen getoonde 17de eeuwse stukken. In de septembernieuwsbrief behandelen we de 18de eeuwse knipsels en we besluiten de serie in december met de knipwerken uit de 19de en 20ste eeuw en de nagekomen stukken.
In haar artikel “Papieren Knipwerk” dat voorafgaande aan de ten toonstelling in het Centraal Museum in het julinummer van “Historia” is gepubliceerd schrijft Catharina van de Graft uitvoerig over 17de eeuwse papierknipkunst. Ze begint met Anna Maria van Schurman (1607-1678), bespreekt het aan haar toegeschreven werk in het museum te Franeker en plaatst terecht kritische vragen over bepaalde vermeldingen van haar biograaf ds. Schotel in 1853. Vervolgens passeert Johanna Koerten (1650-1715) de revue. Van de Graft bespreekt werk van haar hand, belicht het bestaan van het zogenaamde Stamboek en toont een aardig dubbelportret in rood krijt, gemaakt door Jacob Houbraken. [voorpagina] Zeer veel aandacht krijgt het boekje “Konstig en Vermaakelijk Tyd-Verdryf (…)“ dat in 1686 bij J. ten Hoorn is verschenen.

J.D.C. van Dokkum maakte al gewag van deze uitgave in zijn artikel “Hanna de Knipster en haar concurrenten (…)“ uit 1915 maar had daar zelf geen exemplaar van kunnen bekijken. Van de Graft wist echter dat zich sinds 1930 zo’n boekje in de bibliotheek van het Rijksmuseum bevond en citeert daar rijkelijk uit. In het artikel “Papieren knip- en snijkunst, vroeger en nu” (1948) schrijft Van de Graft over enige stukken die op de tentoonstelling te zien zijn geweest. De bewaarde cataloguslijst laat ons zien wat de expositie bezoekers op 17de eeuws gebied heeft geboden.

Allereerst knipsels van Koerten, te beginnen met werken uit de verzameling van J.J. de Flines (nu de familiestichting De Flines te Wassenaar): de portretten van Czaar Peter de Grote en Frederik III van Brandenburg en de liereman. Ook was het portret van koning-stadhouder Willem III uit de collectie van museum De Lakenhal in Leiden te bekijken.

In 1946 gebruikt Van de Graf t dit knipsel om in te gaan op de termen opwerk en platwerk: “…De groote kunstwerken van het opwerk werden in lijsten gevat, die aan den achterkant deurtjes hadden. Waarschijnlijk werden deze open gezet om het licht door het werk te laten schijnen. Uffenbach verhaalt, dat bij doorspelend licht de sneetjes of knipjes schaduwen vormden, zoodat het geheel op een prentwerk geleek, wat in de ogen van Johanna’s tijdgenooten voor een groote verdienste gold. In elk geval werd de voorstelling door het opwerk sterk geaccentueerd…”.

 

Het werk van Anna Maria van Schurman was op de tentoonstelling in Utrecht slechts vertegenwoordigd met een foto. De getypte lijst ver meldt onder nummer 15 “Familiewapens. O.a. Het wapen der fam. Schuurman”. Dit zal wel een foto van het wapenknipsel in het Coopmanshûs zijn geweest. Terug naar Koerten; onder nummer 17 van de lijst vinden we de vermelding van een foto van het titelblad van een boek over “Papieren Snijkunst”, ingezonden door Van de Graft zelf. Niet aangegeven wordt of het hier de uitgave van 1735 of 1736 betreft. Onder de nummers 4 t/m 14 vinden we knipsels en Stamboekbladen uit de verzameling van prof. J.Q. van Regteren Altena uit Amsterdam. Een interessante verzameling die enige tijd geleden als het ware is herontdekt (zie Knip-pers, juni 1994, p.20-23), maar die in feite sinds eind vorige eeuw niet uit beeld is geweest. Van Dokkum schrijft al over de ze knipseltjes in 1915 en merkt daarover op dat het wellicht om jeugd werk gaat. Van de Graft bespreekt de stamboekbladen, waaronder het blad met de bekende tekening van Goeree van het zogenaamde kabinet van een verzamelaar, uit deze verzameling in haar Historia-artikel van 1948, knipsels en bladen zijn te vinden op de Utrechtse cataloguslijst en de Van Regteren Altena collectie wordt ook vermeld in het artikel “De portretten uit het Stamboek voor Joanna Koerten (1650-1715)” van M. Plomp in het Leids Kunsthistorisch Jaarboek VIII (1989). Duidelijk uit al deze publicaties is wel dat er twijfel blijft over de vraag of deze stukken alle aan Koerten kunnen worden toegeschreven.

 

Tenslotte moet op de Utrechtse tentoonstelling ook een schaartje van Johanna Koerten zijn geëxposeerd. Op de lijst vinden we dit niet vermeld, maar we zien dit aangetekend op het bewaarde bruikleenformulier van mevr. E van Dockum waarop ook de door haar ingezonden albumpjes met knipwerk (nr.57) staan vermeld. Het bovenstaande en dit laatste gegeven maakt het waarschijnlijk dat er ook in de toekomst nog het nodige over Johanna Koerten zal opduiken.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1996-2 van Stichting W. Tj. Lever.

Nieuwe aanwinst, Nieuwsbrief 1996-2

Een interessante aanwinst voor de verzameling is een naamknipsel dat we in april antiquarisch konden verwerven. Het is een in 1764 door een ons onbekende knipper gemaakt knipsel voor Lammeraal Schotto Rengers, de heer van Farmsum. Farmsum ligt vlakbij Delfzijl en met hulp van de heer De Kok van de historische vereniging “Amasius” te Appingedam konden we wat meer over deze Rengers te weten komen. Hij stuurde ons enige citaten uit het boek “Het Huis te Farmsum” van ds. M. ten Broek uit 1933 en stelde ons in de gelegenheid de uitgave “De Ommelander Borgen en haar bewoners (…)” van mr. J.A. Feith uit 1906 (reprint 1979) voor de museumbibliotheek aan te kopen. In dit laatste boek zijn enige fraaie afbeeldingen van het huis bij Farmsum opgenomen.

Theodorus Beckering, 1781, wikimedia

Uit de aantekeningen van ds. Ten Broek leerden we dat Lammert Schotto Rengers de zoon was van Egbert Rengers en Margaretha Tjarda van Starkenborgh die in 1720 zijn getrouwd. Lammert is vermoedelijk in 1721 geboren en overleed in 1779. Waarom de voornaam Lammeraal in het knip- werk voorkomt is niet duidelijk, wellicht gebruikte Lammert een van de voornamen van zijn oom (Albert Aemilius Lamoraal Rengers) omdat hij die mooier vond klinken. Lammert Schotto Rengers is zeer waarschijnlijk te Farmsum geboren en heeft daar enige tijd verbleven, maar wordt toch vooral in Groningen vermeld. Daar is hij ook overleden. Hij was getrouwd met Ambrosia Bentinck van Schoonheten en Diepenheim. Over hem en het huis te Farmsurn moet natuurlijk meer te vertellen zijn, maar dat vergt enig onderzoek. Bij gelegenheid komen we zeker op deze museumaanwinst terug.

Huis Fransum rond 1750, wikimedia

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1996-2 van Stichting W. Tj. Lever.

De expositie “Papieren knipwerk” van 1946 I, Nieuwsbrief 1996-1

Vijftig jaar geleden, in 1946, is van 18 oktober tot 10 november de tentoonstelling “Papieren Knipwerk” in het Centraal Museum in Utrecht gehouden. In deze nieuwsbrief en ook in de komende nummers willen we aandacht besteden aan deze, voor de beschrijving van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst, erg interessante expositie. De Utrechtse knipkunsttentoonstelling is zeer waarschijnlijk ontstaan op initiatief van Dr. Catharina van de Graft. Voor afgaande aan de expositie schreef zij in het tijdschrift Historia in 1946 twee artikelen over knipkunst, enige jaren later (1948) gevolgd door een geschreven terugblik op de tentoonstelling in hetzelfde tijdschrift.

Cornelia Catharina van de Graft (Caatje) werd op 4 mei 1874 in het stadje Tolen geboren. Vader Dirk van de Graft was daar directeur van het postkantoor. Kort na haar negende verjaardag verhuisde het gezin Van de Graft naar Weesp, waar vader in een gelijke functie was benoemd. Catharina doorliep het Barlaeusgymnasium in Amsterdam en studeerde daarna Nederlandse Letteren bij Jan te Winkel. In 1904 promoveerde zij op het proefschrift Middel-nederlandsche historieliederen, toe gelicht en verklaard. Haar aandacht voor het Nederlandse lied blijk ook uit andere door haar geschreven studies, maar al snel had zij het eigenlijke terrein van haar belangstelling gevonden in de studie van oude volksgebruiken, en in het bijzonder die van de kalenderfeesten. Zij publiceerde daarover onder meer in de studie Palmpaasch (1910), later uitvoeriger behandeld in het werk Palmzondag (1938). Een tweede volkskundig onderwerp waarin zij zich verdiepte was de studie van brood- en gebakvormen, de pemmatologie. Na haar promotie is Van de Graft lerares geworden aan de Utrechtse HBS voor meisjes; in 1923 werd zij op wachtgeld gesteld. Dit maakte het haar mogelijk haar verdere leven ongestoord aan wetenschappelijk werk te kunnen wijden. Zij schreef diverse boeken en een groot aantal tijdschriftartikelen. In dit verband moet ook haar boekje Agnes Block, Vondels nicht en vriendin over de plantenkweekster en papierknipster Agneta Block worden genoemd (1943). Van de Graft overleed in Utrecht op 3 augustus 1969.

Cornelia Catharina van de Graft was een goede bekende van jonkvrouwe Dr. C.H. de Jonge, directrice van het Centraal Museum en redacteur kunstgeschiedenis van Historia. Niet duidelijk is wanneer precies het idee voor een expositie over knipkunst is ontstaan en van wie dat afkomstig was. Kwam Van de Graft zelf met dit voorstel of heeft De Jonge dit naar voren gebracht, bijvoorbeeld naar aanleiding van de op stapel staande publicaties in Historia? In het eerste artikel van Van de Graft ‘Papieren Knipwerk’ (Historia, jrg.ll, juli l946) wordt nog niet geschreven over een tentoonstelling die binnenkort zal worden gehouden.

            

De schrijfster verzucht aan het einde van het stuk “…Hoe verheugend zal het zijn als de resultaten van dit onderzoek genoeg opleverden om nu eens een groote tentoonstelling van knipwerk te organiseeren…“. In het tweede artikel van Van de Graft ‘Geknipte Familiewapenen’ (Historia, jrg.ll, september 1946) wordt zo’n tentoonstelling echter al aangekondigd en er wordt een beroep op de lezers gedaan om gegevens over vooral knipwerk in particulier bezit beschikbaar te stellen. In ieder geval moet de beslissing over het organiseren van de expositie kort voor oktober zijn genomen, waarschijnlijk in de zomer van 1946. De tentoonstelling was ook geen opzichzelfstaand project maar een toevoeging aan de expositie Het Nederlandsche Boek in den loop der eeuwen. Er verscheen geen catalogus, gelukkig is er wel een getypte lijst van geëxposeerde werken bewaard gebleven die zoals later zal blijken niet op alle punten volledig en betrouwbaar is.

De tentoonstelling Papieren Knipwerk besteedde aandacht aan Nederlandse papierknipkunst uit vier eeuwen. Er was dus ook werk van enige eigentijdse knippers te zien zoals Cruys Voorbergh, Tola Steinhage en Lex Barten. Opvallend is dat Wiecher Lever, in die tijd al behoorlijk actief met het knippen bezig, ontbreekt. De vondst van enige brieven in het archief van het Centraal Museum maakte duidelijk wat hiervan de reden is. Het werk van Lever uit Muntendam werd De Jonge aanbevolen door Mr. W.P.A. Smit, conservator van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem in een brief van 20 september 1946. Lever had in de zomer van 1946 net enige dagen demonstraties papierknip pen in dit museum verzorgd. Smit schrijft: “… .Zijn knipsels behooren wel niet tot het allerbeste op dit gebied, maar zijn toch als volkskunst niet zonder verdienste…”. Op zich geen onjuist oordeel want Lever stond in die tijd nog aan het begin van zijn ontwikkeling als knipkunstenaar. Het museum heeft hem kennelijk direct een briefje met een circulaire over de tentoonstelling toegestuurd, want Lever bevestigt in een brief van 28 september de ontvangst van de circulaire. Hij wil graag meedoen aan de expositie maar “…Het komt onverwachts en daarom wilde ik gaarne met afzending der knipsels wachten tot begin der komende week daar ik gaarne met iets nieuws kom…“. En “…Had ik de circulaire een maand eerder ontvangen, waarschijnlijk was ik met grooter collectie uitgekomen…“. In dezelfde brief meldt Lever tegen het exposeren van zijn werk op zondag te zijn, hij verzoekt daarom “…mijn werk ‘s Zondags weg te nemen…“. Op 2 oktober stuurt hij vervolgens zes, niet ingelijste, knipsels naar het Centraal Museum. Zonder lijst versturen vond hij het gemakkelijkst en bovendien “…Nr. 6 is een familieplaat die verouderd is doordat een 4e kleine bijgekomen is, waarom deze plaat nooit ingelijst geworden is…“.

Aardig is dat we dit knipsel nog kennen uit een artikel gepubliceerd in Het Noorden in Woord en Beeld van 3 mei 1947. Het museum heeft Lever daarop bericht dat het knipwerk toch op zondag zou worden tentoongesteld. De kunstenaar reageert daarom op 12 oktober kort maar krachtig “…Uw mededeling omtrent onmogelijkheid, om mijn knipwerk des Zondags niet te exposeeren, tot mijn verwondering ontvangen. Aangezien het hier een geloofsovertuiging betreft heeft deze zaak geen nadere overweging. U bij voorbaat voor Uw moeite dankend, zie ik retourzending der 6 knipsels tegemoet…“. Levers knipwerken zijn op de Utrechtse expositie dus niet te zien geweest, maar voldoende andere interessante stukken waren wel aanwezig. En dat is ook het belang van deze tentoonstelling geweest, het was -een kleine expositie in Haarlem in 1912 even buiten beschouwing latend- de eerste echte tentoonstelling over de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst. Door de informatieve artikelen van Van de Graft in Historia werd de waarde van dit goede initiatief nog verder versterkt.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1996-1 van Stichting W. Tj. Lever.

Mevrouw Kerp, Nieuwsbrief 1996-1

Irma Gladys Lucie Schiesinger werd geboren in Leipzig op 17 november 1900 en overleed te Bussum op 23 november 1988. Ze werd dus ruim 88 jaar oud. Irma werd tweetalig opgevoed, hoofdzakelijk door haar Engelse moeder, want haar vader stierf toen zij pas anderhalf jaar was. In 1925 trouwde zij met Gustav W.E. Kerp te Madrid, vanaf 1930 woonden zij in Bussum. De oudste van hun twee kinderen is in Madrid geboren, de jongste in Amsterdam.

 

Leren en jezelf ontwikkelen waren voor Irma Kerp-Schiesinger heilige begrippen en als echte Joodse moeder heeft ze in dat opzicht veel invloed gehad op haar kinderen en (7) kleinkinderen, en niet te vergeten haar schoonzoons. Zelf was ze zeer ontwikkeld, ook op muzikaal, literair en historisch gebied en ze hield veel van beelden de kunst en wist daar veel van. Heel jong begon zij met tekenen, maar dat wilde echt niet lukken en daardoor ontdekte zij het knippen.

 

Dat kon, volgens haar, iedereen. Ze beschouwde zichzelf als heel verwend en van geen praktisch nut voor de samenleving. Wel had ze veel hooggestemde idealen en ze kon daar fanatiek over redetwisten, maar was erg ontevreden over zichzelf omdat ze die idealen niet in de praktijk kon brengen en de wereld niet kon verbeteren.

 

Daarom is ze eigenlijk, na W.O.II, begonnen met het verspreiden en bevorderen van de knipkunst. Eindelijk had ze iets waarmee ze wat voor andere men sen en daardoor voor de wereld kon betekenen. De mensen hun eigen creativiteit helpen leren ontdekken, die opdracht heeft ze zichzelf gegeven. Meer dan dertig jaar heeft ze zich met tomeloze energie op die zelf opgelegde taak geworpen en ontdekte dat je daardoor zelf ook een stuk gelukkiger werd. Ze sjouwde stad en land af om lezingen te houden en lessen te geven. Huishoudscholen door heel het land, verenigingen van Plattelandsvrouwen, tehuizen voor daklozen, sjieke bijeenkomsten in Kasteel Oud-Wassenaar, kuuroorden in Duitsland, enz., enz. werden bezocht. Hoe ze dat met haar zwakke lichamelijke conditie voor elkaar kreeg was voor iedereen een raadsel. Wij kinderen waren er echter zo aan gewend dat we niet beter wisten of het hoorde zo en als Moni aan de gang was moest daar alles voor wijken.

           

Eén van haar sterkste staaltjes dateert uit 1968. Irma was toen 67 jaar. Van de Amsterdamse portretknipper Klaas Bakema had ze gehoord dat hij met knippen een reis naar Indonesië had verdiend. Toen ze dan ook in een advertentie een oproep zag voor “entertainers” op het cruiseschip “Nieuw Amsterdam” vond ze dat ze op die manier best eens naar de USA kon gaan, daar enkele familieleden kon bezoeken en meteen proberen of ze daar geen uitgever kon interesseren voor haar boek. Dat lukte en zo werd ze op haar leeftijd lid van een team van 20! entertainers van allerlei aard en voer naar New York heen en weer. Kniptechnisch was die reis een groot succes. De passagiers vonden ook vooral haar filosofische opvattingen achter haar werk zo interessant dat ze haar lezing steeds opnieuw moest houden. Ook in het Engels natuurlijk. Jammer genoeg is daarvan geen exemplaar bewaard gebleven. Wel is er nog een tekst van een lezing in het Duits die ze in 1958 in het Duitse kuuroord Honnef heeft gehouden. Daarin vertelt ze on der andere over Bakema, Hil Bottema en ook enthousiast over Lever.

Hoewel ze daar niet op uit was, of misschien juist wel daardoor, heeft ze op het eind van haar leven nog veel officiële erkenning gekregen. Een koninklijke onderscheiding en het erelidmaatschap van de Vereniging voor Papierknipkunst. Bovendien zijn van haar boeken tienduizenden exemplaren verkocht.

Door Erik Ennenga.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1996-1 van Stichting W. Tj. Lever.

35 Jaar Nederlands Museum van Knipkunst, Nieuwsbrief 1995-4

1960 Roden-Westerbork-Schoonhoven 1995

Op 19 december 1960 opende het Nederlands Museum van Knipkunst in Roden zijn deuren. Het museum ontstond op initiatief van papierknipper en verzamelaar Wiecher Tjeert Lever. Lever, die al knipte sinds zijn jeugd, timmerde aan het einde van de jaren veertig behoorlijk aan de weg met zijn knipwerk en vaardige demonstraties. De reacties daarop waren zo goed dat hij besloot van het kunstige knippen zijn beroep te maken. Om die reden ging hij zich ook bekwamen in het knippen van profielportretten. In de jaren vijftig werkte hij vanuit zijn atelier “de Meeuw” in Muntendam en hij reisde het hele land door om zijn inkomsten te verdienen. Lever verzamelde oude ‘knipsels en verrichtte onderzoek naar leven en werk van verschillende papierknippers. Ook stelde hij een succesvolle handleiding papierknippen samen. Rond 1960 besloot Wiecher Lever de inmiddels door hem opgebouwde collectie papierknipkunst te gaan tonen in een eigen museum dat kon worden ondergebracht in een gedeelte van “De Winsinghhof” in Roden. Vijf jaar daarna moest dit gebouw worden gerestaureerd en verhuisde het knipkunstmuseum naar het nabij gelegen Westerbork. Het Nederlands Museum van Knipkunst was daar eerst gevestigd in een schoolbarak aan het Westeinde, later kreeg het een plaats aan het Gualthérie van Weezelplein in het centrum van het dorp. Levers harde werken leidde daar echt tot resultaat, het museum groeide in Westerbork uit tot een ware toeristische trekpleister waar interessante knipsels bekeken konden worden en waar de eigenaar/directeur vlot portretten knipte en een toelichting op het tentoongestelde werk gaf. Door het onverwachte overlijden van museumoprichter Wiecher Lever kwam aan deze positieve ontwikkeling plotseling een einde. Zijn museum bleef weliswaar nog enige jaren open, maar uiteindelijk werd het in 1987 gesloten. Nog erger was dat een jaar erna de volledige museumverzameling op de veiling terecht kwam, niet alleen vanwege de eventuele (naar later bleek veel te hoog geschatte) opbrengst, maar ongetwijfeld ook als poging om Levers levenswerk volkomen te vernietigen. Zover is het gelukkig niet gekomen. De in 1988 opgerichte stichting W.Tj. Lever slaagde erin de financiële middelen bijeen te brengen om belangrijke delen van de Westerborkcollectie aan te kopen en zo bij elkaar te houden. Met de verwerving van ruim achttienhonderd knipsels, 80% van Levers museumbibliotheek en de onmisbare documentatie (krantenknipsels, tijdschriftartikelen, brieven) kon zo de basis worden gelegd voor de voortzetting van het Nederlands Museum van Knipkunst, zij het in een andere opzet. Tentoonstellingen en presentaties, gehouden op diverse plaatsen in het land, vormden hiervoor de eerste aanzet, erop volgde de start van het museum in een expositieruimte aan de Oude Haven in Schoonhoven in 1992. Na enige tijd kon op deze plaats een opstelling worden gepresenteerd waarmee een goede indruk kon worden gegeven van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst. Bovendien was er ruimte voor het houden van wisselexposities en het geven van demonstraties papierknippen. De expositie- en activiteitenmogelijkheden van het nieuwe Nederlands Museum van Knipkunst konden aanzienlijk worden verruimd door de verhuizing van het museum naar een ander en groter onderkomen in de Stadhuisstraat in het begin van 1995. Daar wordt in de maanden december 1995 en januari/februari 1996 stilgestaan bij het 35-jarig bestaan van het museum door middel van de tentoonstelling “Kurieuze stukken van Papier” en het organiseren van verschillende activiteiten (zie museumnieuws).

Het Nederlands Museum van Knipkunst leeft dus weer en dat willen we graag zo houden. Het museum is daarom geen particulier bezit meer, zoals dat bij Wiecher Lever het geval was, maar een culturele instelling in stichtingsvorm. Het is gelukt in korte tijd het knipkunstmuseum weer op de Nederlandse museumkaart te krijgen en de museumcollectie met goede nieuwe aanwinsten verder uit te bouwen. Met de vaste opstelling, de wisselexposities en -presentaties, onderzoek en publicatie daarvan in de eigen nieuwsbrief kan op uitstekende wijze de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst worden belicht. Dat was de bedoeling en inzet van Wiecher Tjeert Lever en dat staat het bestuur van de stichting W.Tj. Lever nog steeds voor ogen. Het blijft ook zo, nu en in de toekomst. Er is maar één Nederlands Museum van Knipkunst, gevestigd in de Stadhuisstraat nummer 7 in Schoonhoven.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-4 van Stichting W. Tj. Lever.