Auteursarchief: admin

Een mooie mezzotint, KoertenKoerier 12

Het portret van Joanna Koerten dat Nicolaas Verkolje naar voorbeeld van Jakob Houbraken schilderde is in de Testascatalogus van Koertens Konstkabinet te vinden onder nummer 1 van Konst-Boek, Letter B: “Het Portrait van Juffrouw Johanna Koerten Blok, met Olyverf door N. Verkolje geschildert“. Dat geldt niet voor het portret dat David van der Plas maakte van Joanna. De reden daarvan is niet duidelijk, misschien is dit portret na de verkoop van het Stamboek van Koerten in de familie gebleven. De verblijfplaats van dit kunstwerk is onbekend.
Wel is in de catalogus een getekend portret te vinden onder nummer 61 van Konst-Boek, Letter A: “Een dito (=een portret), David van der Plas, met dito (=een vers), door den zelven”. Dit portret zou zijn gemaakt door Arnold Houbraken.
Arnold Houbraken besteedt in zijn “Groote Schouburgh” maar weinig aandacht aan Van der Plas. Hij stelt dat Van der Pla(a)s “zig een zonderlinge wyze van schilderen [had] aangewent, Waar door zig de beeltenissen in een weinig afstant gestelt, byzonder kragtig en levendig vertoonden (…) Onder de menigte pourtretten, die hy geschilderd heeft, word getelt dat van Kornelis Tromp, Luitenant Admiraal van Holland”. Daarbij drukt hij een gedicht af van Ludolph Smids over Tromp.
Helaas vermeldt deze Koertenkenner- en bewonderaar het portret van Joanna door Van der Plas niet. Wel is het portret van de schilder in de Groote Schouburgh opgenomen samen met dat van Maria Sybilla Merian. Dit portret (door Jakob Houbraken) is met sierrand ook te vinden in het werk van Weyerman.

Naar het schilderij van Van der Plas heeft Pieter Schenk een fraaie mezzotint gemaakt. Deze bijzondere techniek wordt ook wel aangeduid als zwarte kunst prent, die zorgt voor een fluwelige impressie van de geportretteerde. Schenk was een uit Duitsland afkomstige kunstenaar die zich in 1670 in Amsterdam vestigde en in 1704 naar weer naar Duitsland (Dresden) terugkeerde.

 

Schenk maakte in de Nederlanden een grote reeks mezzotints van bekende figuren.

Het portret van Koerten, waarschijnlijk gemaakt in 1701, toont haar als borststuk, met het hoofd naar links met haar naar achteren en met een omslagdoek. Als onderschrift heeft het een gedicht van Katarina Lescailje:

“Men Eer dit Beeld, wiens geest
En Schaar kan wond’ren teelen,
‘t Papier herscheppende in onschatb ‘re
Kunst tafereelen.”

Het portret komt in vele collecties voor, het exemplaar dat zich nu in het Westfries Museum bevindt konden wij in 1988 aankopen op de veiling van het Nederlands Museum van Knipkunst van Wiecher Lever. Ook het British Museum heeft zo’n exemplaar, maar interessanter ook dezelfde mezzotint met een ander onderschrift. Dit is een gedicht dat later is opgeplakt van en door David van Hoogstraten.

Van Hoogstraten is een van de bekende figuren die Schenk in zwarte kunstprent vastlegde. Waarschijnlijk heeft Koerten naar deze prent het portret van Van Hoogstraten geknipt, waarvan de verblijfplaats helaas onbekend is. Een andere figuur die aan Koerten kan worden gekoppeld is Zacharias von Uffenbach, die het werk van Koerten maar liefst drie keer heeft kunnen bekijken. Hij bezocht Joanna in 1705 en 1711 en bekeek haar werk ook na haar dood in 1715 bij haar man Adriaan en zijn tweede vrouw Maria van Arckel in 1708.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in KoertenKoerier 12, 2020
Afbeeldingen WikiCommons en Wikipedia

Cosimo, Johannes en Joanna, De KoertenKoerier 12

Joanna Koerten heeft een reeks geknipte portretten van bekende personen gemaakt. De meeste daarvan zullen geknipt zijn naar voorbeeld van een prent of tekening. Daartoe behoort zeker het portret van Cosimo III, de Groothertog van Toscane.

 

In de catalogus van Koertens Kunstkabinet wordt dit portret genoemd onder de kop “SNEYWERK” onder nummer 6:
“Pallas, die het Portrait houd van Cosmus de 3de, Groot Hertog van Toscanen, daar neevens een Eerzuil met het wapen, beneevens een Lalyns Vaars, door P.Francius, en andere ornamenten, in dito en dito (=in zwarte lijst, tussen twee spiegelglazen)”.
Nicolaas Verkolje maakte voor het Stamboek de tekening:
“Pallas houdende het Portrait van Cosmus de derde, door denzelven (= Verkolje), met een geschreeven Vaars daar onder “(nr. 13 van Konst-Boek, Letter A).
Deze tekening bevindt zich volgens Plomp in de verzameling van de Ecole des Beaux Arts in Parijs (M I, 752)[i]

Niet duidelijk is wanneer dit portret is geknipt, ook is de verblijfplaats -mocht het nog bewaard zijn gebleven- onbekend.
De Voorreede van de Lofichtenuitgave van 1735 vermeldt over dit portret:
“Kosmus de III is zoo voortreffelyk naa het leeven gesneeden, dat de kenners betuigen, dat het kunstpenseel daar voor moet zwichten“.

Op grond daarvan komt Bogaard in haar scriptie tot een opmerkelijke conclusie:
“Een vroeg exemplaar [van de geknipte portretten, HvA)] moet zijn geweest het portret van Cosimo de Medici. Deze groothertog van Toscane bracht twee maal een bezoek aan ons land. van 19 december 1667 tot 17 januari 1668 en van 28 juni tot 11 juli 1669. Beide keren verbleef hij ook enige tijd in Amsterdam en zal bij die gelegenheid zeker uitvoerig zijn rondgeleid door zijn gastheren. Het ligt voor de hand dat men toen ook een bezoek bracht aan de “paerel aan de kroon van Nederland, die de kans moet hebben benut haar hoge gast in papier te vereeuwigen. Het stamboek vermeldt nadrukkelijk dat het portret van Cosimo III “naa het leven werd gesneden”.[ii]

Al eerder noteerde Catharina van de Graft een vergelijkbaar verhaal in een wat kortere formulering in het tijdschrift “Historia”(1948, p.146):
“De hier vermelde portretten waren alle op de tentoonstelling [1946] aanwezig behalve dat van “den Groothertog van Toskanen“, Cosimo de Medici. Tweemaal bereisde deze ons land, eerst van 19 Dec. 1667 tot 7 Jan. 1668, daarna van 28 Juni tot 11 Juli 1669. Beide malen vertoefde hij enige tijd te Amsterdam. Dr. Willem Blaeau, die hem daar rondleidde zal toen ook met hem als een van de merkwaardigheden van de stad Johanna Koerten hebben bezocht, die bij deze gelegenheid zijn portret maakte“.

Joanna Koerten was ten tijde van het bezoek van Cosimo rond de 18 jaar. Zij hield zich ook al bezig met allerlei creatieve handvaardigheden, ook met papierknippen. Maar dat zij toen al over het niveau beschikte om van de Toscaanse prins een portret te kunnen maken ligt niet zo voor de hand. Ook is het niet erg waarschijnlijk dat zij als doopsgezinde in contact kon komen met een katholieke vorst. Maar Cosimo’s bezoek is een belangrijke gebeurtenis in de stad geweest en heeft ongetwijfeld op de jonge Koerten een grote indruk gemaakt.

In feite weten we van de periode voor Koertens huwelijk in 1691 zo goed als niets. Toen ging zij zich vooral toeleggen op de papierknipkunst, ongetwijfeld in sterke mate gesteund door haar man Adriaan. Toen pas maakte zij de Camina Latina, een reeks van portretten van belangrijke personen die een onderschrift van Petrus Francius in Latijn meekregen. De Lofdichtenuitgave van 1735, een bijna propagandistisch promotieboek voor Amsterdam en Koerten, die 20 jaar na de dood van Koerten verscheen begint met de gedichten over deze reeks geknipte portretten, met daarbij steeds Nederlandse vertalingen/bewerkingen van Francius teksten, door verschillende dichters. Het geknipte portret van Cosimo heeft tot deze reeks behoord en kreeg behalve het gedicht van Francius maar liefst vier in de Nederlandse taal gestelde vertalingen mee, geschreven door Johannes Vollenhoven (2x), Balthasar Bekker en Adriaan Spinneker, niet de geringsten uit Koertens dichterskring..

Op zich is de combinatie Cosimo-papierknipkunst niet gek. Bogaard vermeldt in haar scriptie niet dat Cosimo op 3 januari 1668 kennismaakte met Johannes van Achelom die prachtige knipsels bleek te kunnen maken. Zijn secretaris Bassetti, die een verslag van Cosimo’s eerste reis maakte ontbood deze katholieke jongeman[iii]. Hij maakte zonder voorbeeld, dus vrij uit de hand, heel kleine figuurtjes, landschappen en dieren. Bovendien kon hij goed schaatsen. Later, aan het einde van zijn tweede reis, besloot Cosimo Johannes van Achelom mee naar Florence te nemen waar hij aan het hof kon gaan werken. Dat deze Van Achelom fijne knipwerken kon maken is bekend van een aantal kleine werkjes die bij maakte voor een album van Gesina ter Borch. En van de vermelding door Von Uffenbach van prachtig werk van de knipkunstenaar in bezit van zijn oom pastoor Titsingh in Den Haag. Hij bezocht hem in 1710 en kon daar dat werk en een grote verzameling Italiaanse tekeningen bekijken.[iv] Door recent onderzoekswerk is er veel meer bekend geworden van Van Achelom en zijn werk.[v]

Noten
[i] M.Plomp. “De portretten uit het Stamboek voor Joanna Koerten (1650-1715), Appendix, p.337, A.13, Leids Kunsthistorisch Jaarboek, 8 (1989).
[ii] Conny Bogaard, “De Schaar-Minerva Johanna Koerten (1650-] 715) en de waardering voor de “papieren snykonst”, Utrecht 1989 (scriptie), p.46.
[iii] Lodewijk Wagenaar, Een Toscaanse prins bezoekt Nederland: de twee reizen van Cosimo de’ Medici 1667-1669, Amsterdam 2014.
[iv] Henk van Ark, “Von Uffenbachs Curiöse von Papier geschnittene Sachen, Welkom in Papyria, 2 (Rasquert 2010), p.51.
[v] Joke en Jan Peter Verhave, “De Nederlands-Italiaanse knipkunstenaar Joannes van Achelom omstreeks 1700”, Oud Holland, vol.128, 2/3, p.147-16.

Door Henk van Ark.
Dit artikel is eerder gepubliceerd in de KoertenKoerier 12, voorjaar 2020
Afbeeldingen Wikicommons en RIjksmuseum

Het portret en gedicht van Poot, KoertenKoerier 11

Op de tentoonstelling “De Fluwelen hand” over Nicolaas Verkolje in Rijksmuseum Twente enige jaren geleden was ook een tekening met het portret van Hubert Corneliszoon Poot aanwezig. Het was afkomstig uit de verzameling van het Teylers Museum in Haarlem.

Dit portret, dat is gemaakt voor het Stamboek van Koerten stond tot de Testascatalogus werd ontdekt op naam van Nicolaas Verkolje, maar in de catalogus van Koertens Kunstkabinet wordt vermeld dat naast Verkolje ook Thomas van der Wilt (1689-1733). Van der Wilt was een leerling van de vader van Nicolaas, Johannes Verkolje. Ondanks hun leeftijdsverschil zullen Thomas en Nicolaas elkaar goed hebben gekend. Van der Wilt had in 1719 al eens een portret van Poot geschilderd, Verkolje maakte in de periode 1720-26 een grote reeks portretten voor het Stamboek van Koerten in opdracht van Adriaan Blok. Een samenwerking tussen beide kunstenaars is dus goed te begrijpen, verondersteld wordt dat Van der Wilt het portret maakte en Verkolje het bijwerk. Het kunstwerk is gemaakt met olieverf op papier, uitgevoerd in grisaille met grijs, bruin Wit en geel. De voorstelling toont een portret in medaillon dat links wordt vastgehouden door de verpersoonlijking van de Dichtkunst met loftrompet en lier, steunend op de rand van een nis. Rechts een grote kluit aarde met een hooivork en op de achtergrond een doorkijkje naar een boerderij.

   

In de catalogus van de Verkolje tentoonstelling wordt opgemerkt dat Poot nog geen poëtische bijdrage voor het Stamboek zou hebben gemaakt. Met de aanwezigheid van het portret van Poot in de verzameling van Blok zou deze eigenlijk hebben gesmokkeld in de hoop een nog te volgen bijdrage van de dichter. Een onwaarschijnlijke veronderstelling en vermoedelijk ook niet juist. Poot had wel degelijk een gedicht opgedragen aan Joanna, dat niet is opgenomen in beide versies van de Lofdichten, maar wel is te vinden in zijn Mengeldichten (3 dln, 1716- 1722) op p.40:

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de KoertenKoerier 11, voorjaar 2020.
Afbeeldingen Rijksmuseum en Teylers Museum

Grafmonumenten voor Koerten, KoertenKoerier 11

De gravure die Jakob Houbraken maakte voor de “Groote Schouburgh” van zijn vader toont rechts op de voorgrond een klein grafmonument met daarop de naam van Koerten en erachter een tweetal treurende vrouwen. Het is duidelijk dat deze gravure na 1715 het overlijdensjaar van Koerten is gemaakt. Het portret werd gepubliceerd in het derde deel van de “Groote Schouburgh”, dat verscheen in 1721.

Ook de volgende tekeningen zijn gemaakt na en naar aanleiding van Koertens overlijden:
1: In de Testascatalogus vinden we in Konst-Boek, Letter B:
N 26 “Een aangenaam Landschap, waarin verbeelt wert, een Graf-Tombe, zinspelende op Joh.Koerten, met couleuren, extra fraay getekent, door A.Rademaker“.
Deze, inderdaad mooi uitgevoerde tekening door Adriaan Rademaker (ca. 1667-1735) die kort na de dood van Koerten in 1716 werd gemaakt toont een met klassieke architectuur omzoomde tuin met een tombe met opschrift ter nagedachtenis (“Memoriae Joannae Courtiniae”) van Joanna Koerten.

2 en 3: In dezelfde catalogus onder nummer 41: “Een Zinryke Tekening” met een Graf Tombe, uitvoerig met Oost-Indische Inkt getekend”, door L. du Bourg en onder nummer 42 “Een dito, door den zelven (=L.du Bourg)”.
Louis Fabritius du Bourg was een Amsterdamse historieschilder en graveur (1693-1775). Hij was leerling van de Lairesse en Van Huysum. Vanaf 1718 was hij ook koster van de Amstelkerk en hij was een van de oprichters van de Amsterdamse Stadstekenacademie.
      

Beide tekeningen maken deel uit van de collectie Van Eeghen van het Amsterdamse Stadsarchief. Een van deze tekeningen stelt voor “De Amstel en het IJ bij de graftombe van Joanna Koerten uit 1722. Het is een allegorische met de stroomgoden van Amstel en IJ, gezeten voor het grafmonument voor Joanna Koerten. Op de voorgrond zitten twee treurende stroomgoden aan weerszijden van een steen met het wapen van Amsterdam. Het monument heeft de vorm van een rechthoekig reliëf In dit reliëf zit rechts op een sokkel van de graftombe Minerva, haar lans en schild met Medusahoofd liggen naast haar op de grond. Ze heft een vermanende vinger op naar de werelddelen tegenover haar. Vooraan staat Europa, gekroond en met een hoorn van overvloed in haar arm . Azië volgt met een wierrookvat en kruiden en een tulband op het hoofd. Een zwarte vrouw met lendedoek, een bloedkoralen ketting en een olifantenslurf in het haar stelt Afrika voor. Amerika met pijl en boog sluit de rij. De sokkel draagt een obelisk met een medaillonportret van Koerten, gebaseerd op de prent van Houbraken. Links van de obelisk blaast de Faam de loftrompet. Een kromme boomstam werpt zijn schaduw op het tafereel. Dubourg maakte deze tekening in opdracht van Adriaan Blok, die het Stamboek rond die tijd met veel (Verkolje) portretten liet verfraaien, in 1722. Een jaar later maakte hij een variant op deze voorstelling.

In de Testas catalogus worden nog meer tekeningen vermeld die betrekking hebben op de dood van Joanna in 1715:
In Konst-Boek, Letter A:

N.9: “Een kapitale Teekening, zynde een Sinnebeeld op het afsterven van Juffr. Joanna Koerten Blok, met Oost-Indische Inkt, uitvoerig geteekent door B.Picaart”
N.10: “Een capitale Teekening, niet minder dan de vorige door N. Verkolje“.
N.50: “Een Zinnebeeldige Tekening op de Dood door den zelven (=Jan Luyken)“.
En in Konst-Boek, Letter B:
N.3 1: “Een Sinspeelende Teekening op het graf van Juffrouw Johanna Koerten, door Frans Mieris“.
N.41: “Een Landschap, waar in verbeeld werd een Graf-Tombe, met diverse Beelden en Beesten, door M Carré”.

Literatuur
– Henk van Ark, “Abraham Rademaker”, de KoertenKoerier, Zuidhorn voorjaar 2014.
– B.Bakker e.a. De verzameling Van Eeghen. Amsterdamse tekeningen, 1600-1950, Amsterdam 1988.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de KoertenKoerier, voorjaar 2020.
Afbeeldingen RIjksmuseum en Stadsarchief Amsterdam

Vignetten van Jan Goeree, KoertenKoerier 11

Enige tijd geleden kon een nieuwe aanwinst van de Collection Custodia in Parijs worden toegeschreven aan Jan Goeree (1670-1731). Het is een roodkrijt, in grijs gewassen, pentekening die als opschrift middenonder “GEEN DAG SONDER TREK”, in bruine inkt geschreven, heeft.

De voorstelling is een afbeelding van twee kunstenaars aan het werk in een atelier met rechts op de achtergrond een doorkijk naar buiten, waarop lopende figuren en een gebouw te zien zijn. Op de voorgrond, links-midden-rechts voor een palet, verfwrijver, banderol, schilderspalet en andere attributen zijn afgebeeld met in het midden een jonge figuur, die toekijk hoe de schilders aan het werk zijn. Deze mooie tekening zal ongetwijfeld behoord hebben tot het Stamboek van Koerten. Daarin kwamen verschillende werken op papier van Goeree voor. Wel bekend daarvan zijn de fraai uitgewerkte tekening die hij in 1708 maakte voor het handtekeningenboek van Koerten.

Ook intrigerend is het vignet bij een gedicht van Vollenhoven met het opschrift “UIT KLEINE ARBEIT GROTE ROEM”.
Beide tekeningen zijn besproken in een van de nummers van “Welkom in Papyria”. De vignetten die Goeree tekende lijken geen enkele verwijzing naar schaarkunst te bevatten. Ze handelen over kunst, de bewondering die zij oogste en de arbeid die zij kostte. Toch is een verwijzing naar het fijne knipwerk van Joanna vaak wel degelijk aanwezig, zoals blijkt uit de afbeelding van een kabinet met insectenverzamelaars die het resultaat van hun studie aangekondigd kregen met het opschrift “UIT KLEINE ARBEIT GROTE ROEM”.

Een mooi ander voorbeeld van zo’n vignet is aanwezig in de collectie van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel. De tekening is met penseel gemaakt in bruin en grijs gewassen inkt en zou een illustratie kunnen zijn bij een zinspreuk of gedicht met betrekking tot Joanna Koerten. Afgebeeld is de personificatie van de Vrije Kunsten omgeven door een portret, hamer, aap, globe, korenhalm, muziekboek en banderol. Het opschrift luidt: “DE KONST WERDT IN YDER LANDT GEVOED”.

In zijn artikel bespreekt Te Rijdt nog verschillende andere vignetten. Zo is volgens hem een getekende schilderswerkplaats vergelijkbaar met de studeerkamer van de insectenkenners. Het motto is “IK SIE’T EN STA VERBAAST” en verwijst naar de gevoelens van een bezoeker die juist met iets wonderbaarlijks is geconfronteerd.

 

 

Een ervaring die menige Koerten bezoeker moet zijn overkomen. Een andere tekening geeft twee mogelijkheden aan waardoor men in de herinnering der mensen voort zal blijven leven: “DOOR KONST OF DEN DEGEN”.

 

Te Rijdt noemt in zijn artikel ook nog drie andere, gelijkbare vignetten uit de collectie van Victor de Stuers met de opschriften: “DOOR MOEILIJKHEDEN NAAR ‘T GESTARNT”, “IK HOOP SO LANG IK LEEF” en “ARBIJD EN STAND VASTIGHEYD”.

Al deze vignetten kenmerken zich, net als de grote tekening uit 1708, in de uitvoering door een voor Goeree ongewone, op uiterlijke effecten gerichte techniek. Het is steeds een schilderachtig samenspel van bruine en grijze wassingen tussen de partijen op de voor- en achtergrond. Het zijn tekeningen als kunstwerk op zich, voor het in prent brengen was een dergelijke, zeer kunstzinnige uitvoering nauwelijks van belang.

Goeree tekende ook vignetten bij spreuken of gedichten van bezoekers die het werk van Koerten hadden bekeken, zie het vignet bij het gedicht van Vollenhoven.. In 1697 plaatsten twee Hoornse regenten, Mr. Nicolaas van Suchtelen en Sybrand Schagen op een blad hun handtekening bij hun teksten “quae rara chara“ en “niet hoeveel/maar hoe eel “.

Waarschijnlijk later tekende Goeree daar een mooi uitgewerkte afbeelding bij met de opschriften “T GEEN ZELDZAAM IS, IS DUUR” en “NIET HOE VEEL/MAAR HOE EEL”.

In de Testascatalogus is de tekening voor het handtekeningenboek te vinden onder N.71 van de Omslag, Letter C.:
“De titel van het Stamboek zeer ryk van Ordonnnantie, en zeer uitvoerig met Roet en Oost Indische Inkt getekent, door Jan Goeree“.

Intrigerend is ook N.67:
“Het Portret van Keyzer Petrus de eerste, met een Ornament, door J.Goeree en een ander”.

Die Omslag C bevatte veel meer tekeningen van Goeree:
N.30: “Drie dito (=zinnebeeldige tekening), op twee Blaaden, door Jan Goeree”
N.3 1: “Een dito, door den zelven”.
N.32: “Twee dito, door den zelven”.
N.33: “Een dito, door den zelven”.
N.34: “Een dito, door den zelven”.
N.45: “Een Zinnebeeldige Teekening met Oost-Indische Inkt, door J.Goeree”
N.59: “Vier dito (=Zinnebeeldige Miniatuur Tekening), op twee bladen, met Oost-Indische
Inkt, en Roet, door Jan Goeree”
N.65: “Een Zinnebeeldige Teekening, met Oost-Indische Inkt, door J.Goeree”
N.66: “Een dito (Zirmebeeldige Teekening), door den zelven”.

Literatuur
– RKD/Artists, onder Joanna Koerten.
– Robert-Jan te Rijdt, “Jan Goeree, het stamboek van Joaima Koerten en de datering ervan”, Delineavit et Sculpsit, nr.17 (199), p.48-56.
– Henk van Ark, “Jan Goeree en Joanna Koerten”, Welkom in Papyria, nr.10 (2015), p.5S-60.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de KoertenKoerier 11, voorjaar 2020.
Afbeeldingen met dank aan Collection Custodia en het Fries Museum

Koertenpublicaties vanaf 1900, KoertenKoerier 10

Behalve vermeldingen in diverse kunstenaarslexica en een merkwaardig artikel in de Gids bleef het rond Koerten in de 19de eeuw behoorlijk rustig. Dat veranderde in de jaren tien van de 20ste eeuw.

Van Son 1910
In 1910 publiceert C.van Son in Elseviers Geillustreerd Maandschrift het artikel “Schaarkunst”. Daarin gaat hij in op het werk van Koerten dat hij kent uit oudere publicaties en drie knipwerken uit de collectie De Flines. Aanleiding daarvoor was het aantreffen van een album met sierlijke knipsels van Willem Eigeman. Zo werd zijn belangstelling voor de Nederlandse papierknipkunst gewekt.

Van Dokkum 1915
Het artikel van Van Son wordt in 1915 gevolgd door een baanbrekend artikel over Koerten en andere knipkunstenaars door J.D.C. van Dokkum (“Hanna de Knipster en haar Concurrenten”) in De Vrouw en Haar Huis. Hij heeft een knipsel in bezit waarvan hij vermoed dat het wel eens door Koerten gemaakt zou kunnen zijn.

Schouten 1925
“Onbekende bizonderheden betreffende Johaima Koerten en de kwestie van haar geloof’ is te titel van een korte bijdrage van H.J.Sehouten in Oud Holland van 1925.
Schouten weerlegt de fantasie van Alberdink Thijm in De Gids van 1878 dat Koerten katholiek zou zijn en afkomstig uit de kaarttekenaarsfamilie Blaeu. Ook draagt hij gegevens aan over Koertens huwelijk en begrafenis.

Wijnman 1937
Voor het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel 10 stelde H.F.Wijnman het lemma over Koerten samen. Een uitstekende bijdrage met betrouwbare biografische gegevens, een bespreking van Koertens werk en bijdragen aan het Stamboek en een goede lijst van schriftelijke bronnen.

Van de Graft 1946 en 1948
In twee van drie artikelen in het tijdschrift Historia over de expositie “Papieren Knipwerk” in
Utrecht in 1946 besteedt C.Catharina van de Graft mime aandacht aan Koerten en haar werk.
Niet alleen bespreekt zij werk van Koerten dat op de tentoonstelling te zien is geweest (bv. Het portret van Willem III), ook maakt zij met graagte gebruik van het boekje Kunstig en Vermaakeljk Tyd- Verdryf der Hollandsche Jufferen uit 1686. Daarna blijft het lang stil rond Koerten al komt zij natuurlijk wel voor in publicaties van Kerp (1966), Schwencke (1966) en Verhave (1983).

Plomp 1986
In dat jaar publiceert Michiel Plomp over twee tekeningen die hebben behoord tot Koertens Stamboek in Teylers Museum Magazijn van 1986. Titel: “De Schaar-Minerva: Joanna Koerten (1650-1715). Het blijkt een opmaat te zijn voor een groot artikel over portretten in Koertens Stamboek in het Leids Kunsthistorisch Jaarboek.

Bakker 1988
Onder redactie van B. Bakker verschijnt in 1988 de Catalogus van tekeningen uit de collectie Van Eeghen. Hieronder worden verschillende tekeningen uit het Stamboek genuanceerd besproken.

Plomp 1989
Een van de belangrijkste Koerten publicaties van de laatste 30 jaar is zonder twijfel “De portretten uit het stamboek van Joanna Koerten (21650-1715)”. In het Leids Kunsthistorisch Jaarboek. Het is een doorwrocht artikel met aandacht voor de recent ontdekte Testascatalogu een waardevol  notenapparaat en bruikbare index van kunstwerken.

Bogaard 1989
De afstudeerscriptie van Conny Bogaard voor de universiteit van Utrecht luidt: De Schaarminerve Johanna Koerten (1650-1 715) en de waardering voor de “papiere snykunst”. Ook zij heeft de Testascatalogus kunnen bekijken, maar tot verrassende kanttekeningen bij leven en werk komt het niet echt. Opmerkelijk is dat zij suggereert dat het portret van Cosimo al in de jaren zestig zou zijn geknipt. De uitvoerige bespreking van de inhoud van Konstig en Vermaakelijk Tyd-Verdryf leidt niet tot nieuwe inzichten.

Kaldenbach 1989
Een wat warrige studie die alleen in typoscript is uitgegeven, maar later op internet weer is  gepubliceerd en aangevuld. Ook Kaldenbach kende inmiddels de Testascatalogus.

Asser 1993
Saskia Asser beschrijft in het tijdschrift Delineavit et Sculpsit, nr. 11 een tekening uit de verzameling van de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Leiden (v/h Prentenkabinet) die behoord heeft tot het Stamboek van Koerten. Het is een mooi uitgewerkte, allergorische voorstelling die is gemaakt door Christoffel Lubienietski in 1719 in opdracht van Adriaan Blok.

Te Rijdt 1997
In hetzelfde tijdschrift publiceert Robert-Jan te Rijdt in 1997 het artikel “Jan Goeree, het stamboek van Joanna Koerten en de datering ervan”. Centraal staat hierin de tekening die Goeree maakte als titelblad voor het handtekeningenboek van Koerten. Een gedicht van David van Hoogstraten maakte de inhoud van deze fraaie allegorische tekening duidelijk. Wat betreft de datering van het Stamboek beweert Te Rijdt dat er al sprake was van zo’n Stamboek ruim voor 1715, een stelling die niet echt met bewijs is aangetoond.

Hiddes 1998
“Kunstenaressen in de marge? Over knipkunst, calligrafie en roem” is de bijdrage van Jos Hiddes aan het boek Vrouwen in de kunst in de Republiek. Een overzicht onder redactie van Els Kloek e.a. Daarin aandacht voor Van Schurman, Rijberg en Koerten en Tobia Lever.

Van Ark 2000
In 1999 kon door de stichting W.Tj.Lever het knipwerk ”De Roomsche Monarchy”, ook wel “De Twaalf Keizers” genoemd, worden aangekocht. Naar aanleiding daarvan verschijnt in december 2000 als vierde Nieuwsbrief van het jaar een speciaal Koertennummer met de tot dan bekende biografische gegevens, het knipwerk van Koerten, het knipsel “De Twaalf Keizers” en een bespreking van de tekening van Goeree. Deze uitgave betekende een nieuwe start van het Koerten onderzoek, dat in feite nog steeds voortduurt.

Kloek 2003
In dat jaar verschijnt het boek 1001 Vrouwen van Els Kloek waarbij het lemma van Koerten zou worden samengesteld door Barbera de Hoop op verzoek van het Nederlands Museum van Knipkunst. Dit werk is door haar onverwachte overlijden afgemaakt door Richard Stolzenburg en opgenomen in het Digitaal Vrouwenlexicon van het Huygens Instituut.

Roscam Abbing 2007
Voor het tijdschrift Amstelodamum schreef Michiel Roscam Abbing een waardevolle studie over de relatie tussen David van Hoogstraten en Joanna Koerten. Koerten knipte een portret uit papier naar voorbeeld van een prent van deze Amsterdamse geleerde.

Verhave 2008
Geknipt! Is het grote overzichtswerk over de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst onder redactie van Joke en Jan Peter Verhave en met vele deskundige medeauteurs. Een onderzoek over knipkunst in Nederland begint onvermijdelijk met raadpleging van dit standaardwerk.

Van Ark 2013
Besteedde Welkom in Papyria, nr.2 (2010) al veel aandacht aan Koerten met de artikelen “Doopsgezinden en knipkunst” en “Von Uffenbach’s curiöse von Papier geschnittene Sachen”, in 2013 verschijnt in dezelfde reeks halfjaarlijkse brochures (nr.5) een geheel Koerten nummer. Een van de artikelen ging over “De onmisbare catalogus”.

Moffit Peacock 2013
Haar artikel “Paper as power. Carving a niche for the female artist in the work of Joanna Koerten” in het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek (nr.92) is vooral belangrijk omdat Martha Moffit Peacock vaak zeer goed in gaat op het bijzondere knip- en snijwerk en de door haar gebruikte techniek.

Verhave 2015
Bij de papierknipkunsttentoonstelling in museum Willet Holthuysen verscheen “Joanna Koerten en haar Schaar van bewonderaars” van Joke en Jan Peter Verhave op internet. Later werd dit opgenomen in de Doopsgezinde Bijdragen, nieuwe reeks, nr.42, p.141-180.

Van Ark 2015
Nr. 10 van de serie Welkom in Papyria was wederom een nummer geheel aan Koerten gewijd. Met o.a. een artikel over “De “special effects” in het werk van Koerten.

Van Ark 2017 e.v.
Na afronding van de reeks Welkom in Papyria is begonnen met de uitgave De KoertenKoerier. Een nieuwsblad over leven en werk van Joanna Koerten. Tot nu toe verschenen tien nummers, met meestal twee of drie artikelen per uitgave.

Belangrijkste artikelen van de Stichting Lever over Koerten

  1. [ Henk van Ark], “Een knipsel van Koerten voor de museumcollectie”, Nieuwsbrief, jrg. 12, nr.3 (september 1999), [p.3-4]
  2. [ Henk van Ark], Joanna Koerten nummer van de Nieuwsbrief jrg.13, nr.4 (december 2000) met daarin:
    – “Over Koerten (1)”, [p.4-5]
    – “Over Koerten (2)”, [p.6-7]
    – “De Romeinse Vrijheid van Joanna Koerten”, [p.7-11]
    – “Het Stamboek voor Koerten”, [p.11-14]
    – “De knipsels van Joanna Koerten”, [p,15-18]
  3. [ Henk van Ark], “Joanna Koerten en Peter de Grote”, Nieuwsbrief, jrg.18, nrs.3/4, september/december 2005), [p. 15-18].
  4. [ Henk van Ark], “Portretten van knipkunstenaars (5)”, Nieuwsbrief jrg.19, nr.4 (december 2006), [p.5-9]
  5. Henk van Ark, “Joanna Koerten, Schaarminerve”, in: Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt! (…), Zutphen 2008, p.20-22.
  6. Henk van Ark, ‘Doopsgezinden en knipkunst”, WIP 2, Rasquert 2011, p.25-38.
  7. Henk van Ark, “Von Uffenbach’s curiöse von Papier geschnittene Sachen”, WIP 2, Rasquert 2011, p. 39-54.
  8. Henk van Ark, Koerten nummer WIP 5, Rasquert 2013 met daarin:
    – “Maria, Adriaan en Joanna”, p.7-13
    – “De knipsels van Joanna Koerten”, p.15-23
    – “Czaar Peter op bezoek”, p.25-17
    – “Nicolaas Verkoije en Koertens Stamboek”, p.39-47
    – “De onmisbare catalogus”, p.49-5S.
  9. Henk van Ark, “Van Dokkum over Joanna Koerten en andere knipkunstenaars”, WIP 8, Zuidhorn 2014, p.19-28.
  10. Henk van Ark, Koertennummer WIP 10, Zuidhorn 2015.
    – “Het Koertenonderzoek”, p.7-8.
    – “Kanttekeningen bij een knipkunsttentoonstelling”, p.13-14.
    – “De “special effects” in het werk van Joanna Koerten , p.17-23.
    – “Koerten en het onderwijs in de knipkunst”, p.27-33.
    – “Dichters en lofdichten”, p.37-45.
    – “Wat De la Rue in Amsterdam zag”, p.49-52.
    – “Jan Goeree en Joanna Koerten”, p.55-60.
    – “De buitenplaats Aemstelhoek”, p.63-70.
  11. Henk van Ark, KoertenKoerier, nrs.1-10, Zuidhorn, 2017-2019.
    Nr.1
    – “Maria Sybilla Merian”.
    – “Een bijzonder kunstkabinet”.
    – “Stephanus -der medicynen docter- Blankaart”.
    Nr.2
    – “Op bezoek bij Chevalier en daarna”.
    Nr.3
    – “Een Stamboektekening van Lubienietzki”.
    – “Veiling in Rotterdam 1766”.
    Nr.4
    – “Abraham Rademaker”.
    – “Gerard de Lairesse”.
    Nr.5
    – “Gezine Brit en haar Koridon”.
    – “Koerten in de Groote Schouburgh”.
    – “Joanna en Anna Maria van Schurman”.
    Nr.6
    – “Creatieve Vrouwen”.
    – “Von Uffenbach in Amsterdam: verslag van een reiziger”.
    – “Vorstelyke en Aanzienlyke Personaadjen”.
    Nr.7
    – “Geleerde heren: Galenus, Bogaert en Van Hoogstraten”.
    – “Ander knipwerk van Koerten”.
    – “Drie dichters: Van Peterson, Smids en Bruin”.
    Nr.8
    – “De herderszangen”.
    – “Koerten op de tentoonstelling van 1946”.
    – “Het geknipte portret van Balthasar Bekker”.
    Nr.9
    – “Koerten in Nederlandse kunstenaarslexica: Houbraken, Weyermnan en Van Gool”.
    – “Koerten in-Nederlandse kunstenaarslexica: Immerzeel, Van der Aa en Kramm”.
    Nr. 10
    – “Koertens portret van Johan de Witt (en dat van Comelis?)”.
    – “Koerten en onze historische sensatie”.
    – “Koertenonderzoek vanaf 1900”.
    – “Koertenpublicaties van de stichting W.Tj .Lever vanaf 1999”.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de KoertenKoerier 10, najaar 2019.

Koerten en onze historische sensatie, KoertenKoerier 10

In het voorjaar van 1988 is in Rotterdam de stichting W.Tj.Lever opgericht met als doel het bijeenhouden en eventueel bijeenbrengen van het werk van Wiecher Tjeert Lever (1917- 1981). Aanleiding was de dreigende veiling van de door Lever in de loop van vele jaren opgebouwde collectie van het Nederlands Museum van Knipkunst in Westerbork. Die veiling, die helaas dus doorging in november van dat jaar, was toch voor de kersverse stichting een groot succes. Dankzij financiële steun van het Prins Bernhard (Cultuur) Fonds ven samenwerking met het Westfries Museum en Openluchtmuseum kon een behoorlijk deel van de Westerborkcollectie, met nadruk op origineel werk van Lever en knippers uit het noorden van het land, worden aangekocht. Dat was al een sensatie op zich, maar een extra verrassing was de verwerving van vele kavels boeken en prenten. Daarbij gegraveerde portretten van Joanna Koerten en beide versies van de Lofdichtenuitgaven. Samen met nog andere gedrukte uitgaven (bv. boekje Paape) bood dat perspectief op een bredere aanpak in de toekomst dan alleen het werk van Lever en zijn activiteiten. Al snel werd hierna begonnen met het uitbreiden van de verzameling met nieuwe aankopen en schenkingen. Dat lukte goed zodat in 1992 begonnen kon worden met een expositieruimte aan de Oude Haven in Schoonhoven met als naam het (nieuwe) Nederlands Museum van Knipkunst.

Het museum verhuisde in 1995 naar een groter pand in de Stadhuisstraat in Schoonhoven. Daar werd verder gewerkt aan de opbouw van een exemplarische museumverzameling, waarmee we in de vaste opstelling aan de hand van sprekende en kwalitatief goede voorbeelden de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst zouden kunnen vertellen. De jaren erna werden in 1999 afgesloten met de aankoop van het knipsel “De Twaalf Keizers” uit 1697. Het werd gezien als een bekroning van het gevoerde museumcollectiebeleid.

De verwerving van het knipsel van Koerten betekende voor ons iets wat aardig in de buurt kwam van de historische sensatie zoals Huizinga die genoemd heeft. In de buurt, want de hartstochtelijke manier waarop Huizinga zijn meest tot de verbeelding sprekende bijdrage aan de theorie van de geschiedenis verwoordde is natuurlijk moeilijk te overtreffen. Huizinga zag een prent of een notarisakte, een harnas “met zijn fijne, haast organische welvingen” of een oude weefstoel “in zijn zwart eikenkracht” als voorwerpen die hem deden “overvloeien” in de wereld buiten hem. Het onmiddellijke contact met het verleden was voor hem “een pathos, een dronkenschap van een ogenblik”. En het was herkenbaar voor allen “die den hartstocht kennen voor het verleden en de bekoring van het echte“.
Zo erg was het bij de aankoop van het knipsels “De Twaalf Keizers” nog niet, maar wel was er een directe verbondenheid door middel van het papieren kunstwerk met de maakster en de tijd waarin zij dit knipsel maakte. Na de eerste gewenning en realisatie van wat binnen gehaald was kon direct een onderzoekslijn naar de toekomst worden uitgezet.

Het nieuwe knipsel in de collectie, met daarbij een foto van de tekening van Goeree van het titelblad van het handtekeningenboek, waarop ons knipsel op de voorgrond was afgebeeld uit 1708, betekende een enorme stimulans voor verder Koerten onderzoek. Er verscheen, in december 2000 een speciaal Koertennummer van de Nieuwsbrief en er werd via de wetenschapswinkel van de Universiteit Utrecht contact gezocht met geïnteresseerde onderzoekers. Dit leidde tot een overeenkomst met docent Els Kloek voor een studenten onderzoek naar Koerten in het kader van baar project 1001 vrouwen en het digitaal Vrouwen Lexicon.

Na de sluiting van het museum in Schoonhoven in 2005 en de overdracht van de collectie aan het Westfries Museum bleven we (tot) 2008 de stichtingsnieuwsbrief uitgeven en werd redactioneel meegewerkt aan een boek over de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst. Dat boek, “Geknipt”, verscheen ook in 2008.

Enige tijd daarna (2010) viel het besluit te komen tot het uitgeven van een serie brochures onder de titel “Welkom in Papyria” omdat er nog veel te bespreken onderwerpen op de plank lagen en omdat zich nieuwe ontwikkelingen zoals interessante exposities en boekenartikelen, die aan het onderwerp papierknipkunst gelinkt konden worden voordeden. De serie liep van 2010 tot 2015. De eerste nummers kenden gevarieerde onderwerpen, maar al snel verschenen themanummers zoals nr. over Lever, nummer 7 over Groningse knipsels, nr. 8 knipkunst in de jaren tien van de vorige eeuw en de nummers 5 en 10 over Joanna Koerten. Die nummers leidden weer tot de uitgave van de KoertenKoerier waar in 2017 mee is begonnen. Een nieuwsblad over Joanna Koerten want het was in de loop de jaren wel duidelijk geworden dat het bij dit onderwerp ging om bijna onuitputtelijk bron van kennis over Koerten, haar werk, reacties daarop en inzicht in haar positie in de wereld van eind 17de, begin 18de eeuw, in vooral Amsterdam. Bronnen, vergeleken met wat soms beschikbaar is over andere, vrouwelijke kunstenaars, te over.

Alle reden voor verdere onderzoeksinspanningen. Maar dat was zeker niet het enige wat meespeelde bij deze plannen. Zo is er de bijna constante ergernis over hoe er tegen het onderwerp papierknipkunst wordt aangekeken. Dat papierknippen wordt nog steeds gezien als een leuke hobby en wellicht zelfs een ambacht. Koerten en ook anderen maakten duidelijk dat die papiervaardigheid veel verder zou kunnen gaan en in bepaalde opzichten soms zelfs als kunst kan worden aangemerkt. Zeker als het gezien wordt in de tijd dat het werd gemaakt. De fröbelarbeid in de 19de eeuw en handvaardigheid later, het idealiseren van de kunst van vissers en boeren en de bijdrage van knippers nu heeft daaraan veel bijgedragen. Als dat ook nog gerenomeerde onderzoekers en beoefenaars een voorkeur voor verkleinwoorden hebben en knipkunst als ambacht promoten is het moeilijk tegen deze stroom in te gaan of op zijn minst te relativeren. Een bezoekje aan ons museum bood de mogelijkheid een en ander recht te zetten, maar nu dat niet meer mogelijk is wordt dat moeilijker. Toch blijft het mogelijk om een ander beeld van knipkunst te schetsen, maar het is een kwestie van ijzerenheinig volhouden en de publicaties rond leven en werk van Koerten biedt daartoe een bescheiden mogelijkheid.

Literatuur
– Enne Koops, “Johan Huizinga (1 872-1945)- Nederlands cultuurhistoricus-”aanklager van zijn tijd”, historiek. net/johan-huizinga-cultuurhistoricus.
– F.R.Ankersmit, “Historici over de historische ervaring”, dbnl. org/tekst/anke002hist01.
– Willem Otterspeer, Orde en Trouw. Over Johan Huizinga, Amsterdam 2006, p134-135.
– C.de Leij, Een Fata Morgana in de wereld van de taal. De historische sensatie ontleed, Utrecht 2007 (scriptie).

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de KoertenKoerier 10, najaar 2019.

Koertens portret van Johan de Witt (en dat van Cornelis?), KoertenKoerier 10

Koertens portret van Johan de Witt (en dat van Cornelis?)
In 1711 bezocht de Duitse reiziger en kunstkenner Zacharias Conrad von Uffenbach voor de tweede maal Joanna Koerten. In 1705 was hij ook al eens bij haar op bezoek geweest. Bij Koerten kon hij 32 “schöne von Papier geschnittene Sachen” bekijken, waaronder de geknipte portretten van Peter de Grote, Johan de Witt, Petrus Francius, enz.
Koerten woonde toen met haar man Adriaan aan de Nieuwedijk, na haar dood verhuisde hij met zijn tweede vrouw naar de Herengracht, waar Von Uffenbach nogmaals op bezoek kwam om het knipwerk van Joanna te bekijken.

Veel later, in 1735, twintig jaar na het overlijden van Koerten kon een andere reiziger het werk van de Amsterdamse knipster bekijken. Haar Stamboek, bestaande uit knipsels, tekeningen, gedichten en handtekeningen, werd bewaard door Maria van Arckel, met wie Adriaan Blok in 1717 was hertrouwd. Pieter de la Rue was die bezoeker die in de Utrechtsestraat onder andere de geknipte portretten zag van Peter de Grote, Balthasar Bekker, Willem III, Galenus Abrahamsz. en “De Raadspens. J.de Witt” In zijn bezoekersverslag tekent hij bij dat laatste portret aan: “dog dit is wat geschonden”.

De verblijfplaats van het portret van Johan de Witt wordt vermeld in het artikel van Michiel Plomp uit 1989. In voetnoot 12 schrijft hij dat het portret van J.de Witt zich in de collectie van Mr. H.C.Beyerman te Zeist bevond. Het was te zien geweest op de Johan de Witt tentoonstelling in 1925 in het Dordrechts Museum.
Contact met dat museum leidde tot een enorme verrassing. Conservator Paarlberg liet weten dat het knipsel dankzij het legaat Beyernaan in de collectie van het Dordtse museum terecht is gekomen.

Het portret met een onderschrift (door de tot nu toe onbekende MD.), dat ook is gesneden, is op de welbekende Koertenwijze uitgeknipt en gesneden, ongetwijfeld naar voorbeeld van een prent. Het bevindt zich in een zwarte lijst. Het is, zoals De la Rue al schreef inderdaad wat beschadigd. Op de achterzijde is op een papiertje een tekst aangebracht waarin duidelijk gemaakt dat Joanna Koerten dit kunstwerk heeft geknipt en gesneden en waarin verwezen wordt naar het Vaderlandsch Woordenboek.

Maar het is een portret van alleen Johan de Witt, terwijl wij eigenlijk een dubbelportret van Johan en Cornelis verwachtten.
Deze veronderstelling duikt voor het eerst op in de scriptie van Carla Bogaard over Koerten uit 1989. Zij baseert zich daarbij op passages uit diverse lofdichten op Koerten, waarin gesuggereerd wordt dat het gaat om een portret van Johan met op de achterzijde het portret van zijn broer Cornelis. Een in knipkunst geen geheel onbekend verschijnsel, maar zeker niet veel voorkomend.
Een andere mogelijkheid zou zijn een portret van Johan, groot op de voorgrond, en achter hem, wat kleiner, Cornelis op de achtergrond. Een opstelling die we van gravures kennen. Verschillende passages uit de gedichten uit de Lofdichten uitgaven van 1735 en 1736 lijken dit te bevestigen.

In de Testascatalogus van Koertens Kunstkabinet van 1750 komt het portret van de Witt voor in de rubriek SNEYWERK onder nummer 15: “Het Portrait van Jan de Witt, Raad Pensionaris, met een Vaars daaronder, in dito, en dito (=in zwarte lijst, tussen glazen)“.
In dezelfde catalogus worden vijf tekeningen vermeld die betrekking hebben op dit knipsel. In Konst-Boek, Letter B, nr.49: “Het Portrait van J.de Wit uytvoerig met de Pen geteekend, door Faber en nr.50: “Cornelis de Wit, door den zelven“.
En in Omslag, Letter C.:
Nr.28: “Een dito van Mr. Jan de Wit, met Zwart geteekent, door Boonen“.
Nr.47: “Het Portrait van Wilhelmina de Wit, Dogter van Cornelis de Wit, met zwart Kryt, door Boonen”.
Nr.48: “Een dito, Johan de Wit, Secretaris van Dort, door den zelven”.

Johan Faber (1660-1721) maakte de portretten van Johan en Cornelis als pentekening, Arnold Boonen (1669-1729) tekende Johan, Cornelis en Wilhelmina in zwart krijt. Tekeningen als deze werden, vaak in opdracht van Adriaan Blok, voor het Stamboek gemaakt van personen die door Joanna waren geknipt of die een bijdrage aan de vriendenverzameling hadden geleverd in de vorm van een tekening, een gedicht of een handtekening. Dat geldt dus zeker niet voor Cornelis en Wilhelmina als we uitgaan van alleen het portret van Johan. Mogelijk zijn ze gemaakt uit bewondering voor wat de gebroeders de Witt voor het land hadden gedaan. Zij werden in 1672 vermoord, Wilhelmina is in 1701 overleden. Het kan zijn dat zij voor die tijd het portret van Johan in Amsterdam bij Koerten is komen bekijken en wellicht in het handtekeningenboek in opbouw van de kunstenares (titelblad daarvoor gemaakt door Goeree in 1708) heeft gezet. Dat zou haar getekende portret in de Koertenverzameling kunnen verklaren.

Dit alles vastgesteld met een behoorlijke slag om de arm. Het belangrijkste is dat het knipsel van  Johan de Witt weer bekeken kan worden en bewaard wordt in een passende museumcollectie.

Literatuur
– Henk van Ark, “Wat de la Rue in Amsterdam zag”, Welkom in Papyria, 10 (2015), p.49-52.
– Michiel Plomp, De portretten uit het Stamboek voor Joanna Koerten (1650-1715), Leids Kunsthistorisch Jaarboek, 8 (1989), p.323-344.
– Carla Bogaard, De Schaar-Minerva Johanna Koerten (1650-1715) en de waardering voor de “papieren snykonst”, Utrecht 1989.
– Catalogus Tentoonstelling Johan de Witt, Dordrechts Museum, 1925, nr.39a (toevoegingen).

Fragmenten uit gedichten over de De Witten

Zier hier 6 Heemraên, die, met meer dan Argus ogen,
Bewaakten ‘t Vrije Veld, die Vaders van ‘t gemeen,
Van 7 Woelaard, in het 8 groen, , gemartelt en vertreên:
Gelyk men Orfeus, die ‘gedierte deed bedaaren,
Onnozel sneu’vlen zag door Bacchus dart’le schaaren,
Van Amstels Kunstgodin, uit 9 witte boomschors weêr
Al snydende geteelt, tot 10 Stamspruits vreugd en eer;
Die, om zyn heldendeugd en wysheid, waard te looven,

6 Jan en Cornelis de Wit
7 ‘t Haagse Grau
8 ‘t Groene Zootje
9 ‘t Wit papier
10 de zoon van Jan de Wit
Gesine Brit

Hier strekt het edel Broederpaar,
Wel eer van ‘t graauw gescheurt, gesneeden,
Nu weêr gekorven door de schaar,
Gekorven, doch om hunnen leden
Te zetten vaster weer in een
Ten spiegel der veranderingen,
Die Staat en Vorsten nu vertreên,
Nu met de kruin ten hemel dringen;
Te reeedt van ‘t weifelend geval
Gesolt, geslingert, als een bal
Adriaan Spinneker

Hier vindt men Hollants wysten Raadt,
Het steunsel van den vryen Staat,
Heer Jan de Witt, die, ‘t lant ten nutte,
De zuilen van de vryheit stutte,
Met zyn heer Broeder in ‘t verschiet:
De snyschaar deert die Helden niet;
De Haagsche vleesbank korf hun leden,
Hier zyn ze weêr aan een gesneeden.
Georgius van Zonhoven
Leeraar der Remonstranten te Leiden

Zie slechts DE WITTEN aan, dat eed’le Broeder-paar
Feitama

Ik zie de Witten, twee gebroeders,
Voorheên geroemt als Staatsbehoeders,
Daarna verscheurt, en niet gespaart,
Als of ze waren Lantverraaders:
Wat schuilt Komelis achter Jan,
Daar niets den moorder stuiten kan
In ‘t woeden op zoo trouwe vaders?
Jan van Petersom

Met bei de broederen de Witten,
Zoo schelmsch vermoort als wreedt gesolt
Jan Bagelaar

Wy zien in ‘wit papier van eer
De Witten, om elk op te wekken;
Als of gy zei: dus, zonder vlekken,
Is thans hun volle luister weêr,
Die, onbezoedelt in hun leven,
Veel daden wysselyk bedreven.
Kornelis Zweerts

Myn oog den troon der Vorsten neder,
Tot by getabberden van Staat;
‘t Aanschouwt dezelve kunst al weder
In Heer Johan, zoo groot in raadt,
Zoo wit van naam als van geweeten,
Den trouwsten loots van Nederlant;
Schoon gruwelyk van een gereeten
Door ‘t woest gediert, dat deugt verbant.
Ik zie Komelis, ‘t puik der braaven,
Die geessel van den Brit ter zee,
(Noit door vergeetelheit begraven
Wat moeite Arglistigheit ook deê
Om heel zyn’ heldenroem te dooven)
Noch blixemstraalen uit zyn oog,
Op ‘t velt van ‘t wit papier, naar boven
Zoo dreigend schieten, of ’t bewoog
De wraaklust om haar zwaart te wetten.
C.G.Braam

Die zelve hant deedt ook twee! Broeders, waardt gepreezen,
Die eertydts Leeuwendaal, als vaders van ‘t gemeen,
Regeerden met veel trouw, na dat zy afgestreen
Door lantbezorging, ‘t licht en ‘t leeven moesten derven (…)“
Hermanus van den Burg

‘s Lants anker, Jan de Wit, zoo kunstig doorgesneên,
Dat d’achterzyde ons toont den Ruwaart zynen broeder.
Zoo wort gy door uw hant dier helden tweede moeder:
Zy waren lotgemeen; gy knipt ook bei door een.
Henrik van Halmael

Zie ik DE WITTEN, blank als sneeu, op ‘t spoor der reden
Van ‘t graau mishandelt, en op ‘t bitterste vertreeden,
Dan schynt me ‘s Gravenhage een moortkuil voor ‘t gezicht,
Dat gruwelstukken zoo baldadig heeft verricht
Hier staan ze in wit papier, geschaaduwt naer het leven,
Tot eeuwige achting by den Batavier verheven;
En die de schaarkunst in haar krachtige uitdruk kent,
Aanschouwt de Broederen, als voorheenen, ongeschent.
Antoni Jansen

Wie kan volmaakter werk begeeren
By Broeders, die door misverstant.
In holle barrening gedreven,
Het roer van Staat sloeg uit de hant,
En ‘t woedend graau bracht om het leven?
Die Witten hangen in ‘t verschiet,
Met al hun schaaduwen en trekken.
Joan Fransz

Ook pronkt hier in ’t verschied
Het edil broederpaar door zagter hand gesneeden,
Als toen het woede volk die witte en blanke leeden,
Uit dolle razerny, verscheurde wreed en fel, (…)
Bewaard zyn, zal ook eklk de deugdt der Witten minnen.
DAMETAS
Men dank dan Dorimeen, die door haar schrandere schaar,
Vereeuwigt heeft aan ‘t Y dat edie broederpaar.
Gerard Oudhof

De staatshulk heftig wiert besprongen van gevaaren
Toen * Nestor en Achil bewaakten Hollants schip
Opdat het niet verging op ‘s vyandts bank en klip.
Des kon de bitze Nydt die helden nooit gedoogen,
Maar hitstte Wraaklust, List en onbeschaamde Loogen
Met Bloedorst op hen aan, die in dien krygsorgaan
De staatshulk zochten trouw te hoeden voor vergaan.
Wy zien hen, schoon zy haar tanden quam te wetten,
(…)

Wat komt uw tedre hant hen kunstig af te maaien!
Hoe zuiver staan zy hier in wit papier te praalen!
Hoe pronken dus te zaam met onbesmet gelaat,
O kunstryke Amaril! Dees martelaars van staat (…).
* Jan en Komeiis de Witt
Pieter Visscher

‘t Beroemde BROEDERPAAR, den onvertzaagden BEKKER
J.van Petersom

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de KoertenKoerier 10, najaar 2019.
Afbeeldingen Wiki Commons en Rijksmuseum

Koerten in Nederlandse kunstenaarslexica, KoertenKoerier 9

Arnold Houbraken besteedde in zijn “Groote schouburgh” ruime aandacht aan Joanna Koerten en haar werk. Zijn verhaal verscheen in het derde deel van zijn werk, in 1721. Tot 1750 waren er nog twee kunstenaarslevenschrijvingen waarin Koerten voorkwam. Het gaat hier om “De levensbeschrijving der Nederlandsche konstschilders en sçhilderessen” van Jacob Campo Weyerman, deel III uit 1729 en “De Nieuwe Schouburg” van Johan van Gooi, deel I van 1750.

Weyerman
De driedelige uitgave van Weyerman verscheen in 1729, dus zo’n tien jaar na het werk van Houbraken. Postuum werd er later nog een vierde deel aan toegevoegd (1769).

 

De samensteller, Jacob Campo Weyerman kan gerust een kleurrijke figuur worden genoemd. Geboren in een legerkamp in 1677 in Charleroi eindigde zijn leven in een Haagse gevangenis in 1747. Hij groeide op in Breda waar hij schilderlessen nam. In 1704 vertrok hij naar Londen om er te schilderen. Hij reisde door Duitsland en Frankrijk, handelde in kunst en begon met het schrijven van gedichten en toneelstukken.

 

Rond 1720 stapte hij over op proza en begon in Rotterdam zijn eerste tijdschrift, de satirische “De Rotterdamsche Hermes” bedoeld als concurrent van de “Amsterdamsche Argus” van Hermanus van den Burg, een broodschrijver die we kennen als een van de schrijvers van herderszangen voor Koerten. Weyerman kon los en associatief [zijn] want hij was geen liefhebber van het geijkte werk. Vele tijdschriften volgden waarin Weyerman experimenteerde met taalgebruik en elkaar snel opvolgende onderwerpen. Satire, moralistische stukken volgden op serieuze vertogen, karakterschetsen of losse opmerkingen en voor beledigingen draaide hij zijn hand niet om. Maar toch zei hij niet te schrijven voor het volk maar voor de liefhebber met smaak en gevoel voor ironie. Toch leverden die tijdschriften van Weyerman onvoldoende op, vandaar dat hij ook ander schrijfwerk ondernam zoals een vertaling van “Don Quichot” en legde hij zich toe op serieuze historische overzichtswerken zoals “Historie des Pausdoms” (1725-1728) en de “Levensbeschrijvingen der Konstschilders”(1729-1769).
Weyerman was niet alleen een van de eerste journalisten die van zijn pen kon leven, hij begreep ook heel goed dat er aan roddels meer geld te verdienen viel. Door chantage van gefortuneerde personen kwam hij uiteindelijk terecht in de Haagse Gevangenpoort. Waar hij negen jaar vastzat en stierf.

Weyerman besteedt in zijn werk evenals Houbraken dertien pagina’s aan Joanna Koerten. [zie onderaan hoofdstuk]. Inclusief het door Jakob Houbraken gegraveerde portret (hetzelfde als in Houbraken) ditmaal mgeven door een rand met de tekens van de dierenriem.
Hij begint met het geboortejaar van Koerten (1650), gevolgd door een opsomming van haar creatieve en intellectuele kwaliteiten. Hoewel zij in de schilderkunst veel had kunnen bereiken hield zij zich “voet by stek by de Schaar, dat kunstinstrument der vrouwelyke Sexe“. En zij maakte zulke wonderlijke dingen uit papier “dat zich de Schilderkunst eene diergelyke Papierschilderes niet behoefde te schaamen“. Om haar bijzondere werk is zij “altoos begroet geworden voor het wonder van haar Eeuw”. Niet alleen maakte zij “Zeen, Landschappen, Dieren, Vogels, Bloemen, en meesterlyke Schrift” maar ook “heerlyke gelykende Konterfytsels“. Haar lof verspreidde zich naar alle windstreken zodat diverse “doorluchtige Persoonagien” naar Amsterdam kwamen, waaronder Peter de Grote van Rusland en Johan Willem, keurvorst van de Paits. Zij maakte knipwerk met textiel voor de vrouw van keizer Leopold en Maria Stuart van Engeland en veel meer personen van vorstinnen en andere doorluchtige personen. Zij knipte het portret van Leopold de Eerste, dat in de “keizerlyke konstkamer” in Wenen kwam te hangen. Dat portret had een onderschrift in Latijn van Petrus Francius. De vertaling van dit onderschrift door Moonen is in beide Lofdichtenversies opgenomen. Weyerman vermeldt die gevolgd door een lofdicht van de Amsterdamse burgemeester Johan Six. Op het portret van David van Hoogstraten maakte Jan van Broekhuyzen een gedicht in Latijn, dat door J. Vollenhoven werd vertaald. Daarna somt Weyerman verschillende dichters die op “Latynsche en op Nederlandsche toonen” lofdichten hebben gemaakt “teveel in getal om alhier op te tellen“. Maar Gesine Brit maakte een “Harderszang” “al te schoon van vinding om alhier te verzwijgen”. Het is “Koridon“. Maar “dewyl ‘er geen gelukzaligheyt van lange duur is op deeze ondermaansche weerelt” moet Koerten uiteindelijk sterven. Dat gebeurt in december 1715.
Echter, Adriaan Blok verloor nooit “het geheugen van zyne diergeliefde” en heeft “de Konterfytsels van alle die Souverreynen en hooge Standspersoonen, die met eyge handen hunnen doorluchtige naamen hebben geschreeven in haar Stamboek, laaten uittêkenen door de konstryke hand van den beroemden Konstschilder Niklaas Verkolje, en doen plaatsen vlak tegens over hunne handtêkeningen“.
Ook heeft Blok “onderscheyde Tekeningen laaten maaken by de alderbeste Konstschilders, dewelke zinspelen op verscheyde in het Stamboek vervatte zinspreuken welk boek hem beyden doet gedenken aan haare ongemeene papiere Snykonst, en te zelver tyd aan haare Kristelyke deugden“.
Hij besluit met de vermelding van portret no.29, door Jakob Houbraken gemaakt “in welk portret een een nauwkeurig oog het uytgestrekt zielsvermoogen van die Konst- en deugryke Johanna Koerten kan leezen“.

Johan van Gool, vriend van Houbraken en samensteller van “De Nieuwe Schouburg der Nederlantsche Kunstschilders en Schilderessen (1750-51)” heeft Weyerman min of meer beschuldigd van plagiaat “door eenen diefschen roof met de gestoolen veêren van Houbraken heeft opgepronkt“. Dat is echter niet het geval, Weyerman is in eerste instantie te lezen als een bewerkte heruitgave van Houbrakens “Groote Schouburgh” met overschrijven, parafraseren, hier en daar wat toevoegen en hergebruik van illustraties. Niet alleen heeft Weyerman dat niet gedaan, sterker nog hij heeft eerder het werk van Houbraken willen verbeteren en vervangen en is daar volgens De Vries ook deels in geslaagd. Broos heeft Weyerman uitvoerig geanalyseerd en kwam tot de konklusie dat Weyerman beslist sterk op Houbraken leunde maar dat hij ook andere bronnen, zoals eerdere kunsthistorici en schrijvers heeft geraadpleegd. Bovendien vermeldt hij die bronnen met regelmaat en had hij contacten met verschillende 17de eeuwse schilders. In kleine feiten zou hij minder precies zijn geweest. Weyerman schrapte ook wel kunsttheoretische opmerkingen van Houbraken, die voor andere lezers soms wel interessant waren. Hij voegde geen gefantaseerde verhalen toe aan de lemma’ s over schilders die hij min of meer letterlijk uit Houbraken overnam. In de bijdrage over Koerten is dat goed te constateren. Weyerman volgt in grote lijnen, soms in wat andere bewoordingen, het verhaal van Houbraken, inclusief de door hem opgenomen gedichten van Joan Six en Van Broekhuyzen, in de vertaling van Moonen. Ook nam hij de herderszang van Gesine Brit integraal over. Het einde van het Weyerman verhaal is uiteraard anders dan bij Houbraken. Hij vermeldt de serie portretten die Verkolje in opdracht van Adriaan Blok voor het Stamboek maakte in de periode ca. 1720-1726, dus na de dood van Houbraken. Ook laat hij het lofdicht van Houbraken over Koerten begrijpelijkerwijs weg.

Van Gool
Johan van Gool was toch van een heel ander kaliber dan Houbraken en Weyerman. Althans volgens Van Gool kenner Lyckle de Vries. Houbrakens werk is uitvoerig besproken door Horn, Broos belichtte de uitgave van Weyerman en De Vries bestudeerde het werk van Van Gool.

Johan van Gool publiceerde zijn “Nieuwe Schouburg der Nederlantsehe Kunstschilders en Schilderessen”, bedoeld ook opvolger van Houbraken en als kritische reactie op Weyerman, in 1750-1751; naar aanleiding van reacties die na deel 1 loskwamen volgde bij deel twee een “Aenhangsel”.
De titelprent van de uitgave toont
“De Waarheid, die Afgunst en Luiheid vertrapt, beschrijft de levens der Nederlantsche schilders, achter haar Minerva en de Faam. Op een gebeeldhouwd reliëf de Kunstenaar, die door Oefening en Tijd de Volmaaktheid bereikt“.

De voorstelling is getekend door L.F.D. (= Louis Fabricius Dubourg (1693-1773)) en in 1750 gegraveerd door Pieter Tanjé (1706-1761), die samen met Jakob Houbraken de meeste van de illustraties voor “De Nieuwe Schouburg” maakte.


Na dit titelblad en privilege volgt de opdracht van deel 1 aan de verzamelaar Johan van der Marck, hoofdofficier van Leiden. Erna twee lofdichten op zijn boek die vrienden van Van Gool, J. Wandelaar en F. Greenwoud, hebben bijgedragen en het portret van Van Gool. Afgebeeld te halven lijve in een vensternis. De linkerhand die palet en penselen vasthoud, rust op een schilderijtje met vee bij een boom. Het bijschrift is van A. Kuypers:

 

“Zo bragt Houbrakens Kunst in print
Van Gooi, zyn vaders Boezemvrint;
Die na hem, even kloek en eêl,
Zyn pen huwt aen zyn kunstpenseel
”

Aert Schouman (1710-1792) maakte de tekening, waarnaar Arnold Houbraken in 1749 een gravure heeft vervaardigd. Over auteur Van Gooi schrijft De Vries:

“Johan van Gool was een veeschilder in de traditie van Paulus Potter en Adriaen van der Velde; als zodanig is hij in de vergetelheid geraakt en voor zover het weinige materiaal dat (…) op zijn naam is verzameld is een oordeel toelaat, is dat niet geheel ten onrechte. Zijn leermeester Simon van der Does, die hem met zijn illustere voorbeelden verbindt, geniet thans nog een bescheiden bekendheid. Een tijdgenoot heeft erop gewezen dat de veestukken van Van Gool een levenloze indruk maken door hun overgedetailleerde uitvoering, gebrekkige stofuitdrukking en onaangename kleuren (…), een oordeel dat mij hard maar eerlijk lijkt, ook al weet ik dat de beoordelaar alles behalve objectief is geweest. Naast schilder was Van Gool, zoals vele van zijn vakgenoten, kunsthandelaar of tenminste tussenpersoon tussen enige verzamelaars en de kunsthandel. In de Haagse Academie heeft hij een bescheiden rol gespeeld als bestuurslid (…). Zijn uiteenlopende activiteiten, zijn talrijke contacten, zijn nauwkeurigheid, zijn goede geheugen voor feiten en namen maar vooral schilderijen, hebben het boek, dat hij besloot te schrijven toen hij ruim zestig jaar oud was, een duidelijk stempel opgedrukt. Ook al kennen wij de schrijver-schilder nu vooral als de samensteller van de “Nieuwe Schouburg”, in eigen ogen is hij altijd en in de eerste plaats een kunstenaar gebleven. Als schrijver en historicus was hij een amateur, die bovendien pas op gevorderde leeftijd was begonnen (…)“.

Dat er slechts een gering aantal kunstenaressen door Van Gool is vermeld, zal niemand verbazen. Aan de meeste van hen werd weinig meer dan een of twee regels besteed, waarin ze al echtgenotes van schilders of als veelbelovende kunstenaarsdochters werden genoemd Ze werkten nooit op grote schaal, voerden geen opdrachten uit voor werk in openbare gebouwen uit en maakten slechts zelden historiestukken; ze legden zich vooral op het schilderen van stillevens toe, op portretten en op de miniaturen, terwijl sommigen zich tot de naaldkunst beperkten. En dan had je nog Joanna Koerten die nota bene als Schaar-Minerva werd aangeduid!
Koerten komt in Van Gooi niet voor in een apart lemma zoals bij Houbraken en Weyerman, die zelfs opvallend veel aandacht aan de Amsterdamse papierkunstenares gaven, behalve in verband met bladen van kunstenaars die onderdeel van haar Stamboek waren. De Vries verklaart dat als volgt:

“Arnold Houbraken had reeds vele bladzijden aan Johanna Blok-Koerten gewijd, zodat Johan van Gool haar biografie niet meer in zijn boek kon opnemen. Zij was bedreven in de meest uiteenlopende vormen van kunstnijverheid (…), maar werd vooral bekend om haar knipkunst. Haar weduwnaar heeft actief gewerkt aan het voortleven van haar roem (…) en daarvan klonk veel in de “Nieuwe Schouburg” door (…). Een zo doelgerichte actie zou wellicht bljvender resultaten hebben gehad, als het hooggeprezen werk van Johanna Blok niet grotendeels uit knipsels had bestaan“.

Immerzeel en Kramm (en van der Aa)
In de 19de eeuw zijn de vermeldingen over Koerten kort en krachtig te noemen. Als die er al zijn, want men zou in Van EyndenlVan der Willigen een Koertenlemma verwachten. Maar in deze uitgave van Roelof van Eynden (1747-1819) en Adriaan van der Willigen (1766-1841) met de titel “Geschiedenis der Vaderlandsche Schilderkunst” is verschenen tussen 1816 en 1840 is dat niet het geval.

Hierop volgde “ De Levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters van het begin der 15de tot op de helft der 19de eeuw”, in drie delen van 1842-1843 van Johannes Immerzeel (l776-1841).

   

De vermelding van Koerten bij Immerzeel is, zeker vergeleken met 18de eeuwse kunstenaarsbeschrijvingen, kort en zakelijk. Begonnen wordt met de beschrijving van Koertens creatieve begaafdheden, waaronder bijvoorbeeld teken- en zangkunst, maar zij heeft toch vooral “uitgemunt door het vervaardigen van kunstwerken van papier, wier keurige en uitvoerige bewerking met de schaar aan het wonderbare grensde“. Natuurlijk schrijft hij over de belangstelling van vele vorsten en aanzienlijken, zoals Peter de Grote, voor haar werk. Haar bijzondere kunstwerk (knipwerk met gevlochten zijde) voor de echtgenote van keizer Leopold en dat voor koningin Maria van Engeland komt ook aan de orde. Immerzeel besluit zijn verhaal met het noemen van een boekdeel met haar portret waarin van een menigte dichters lofdichten voorkomen. Hiermee is ongetwijfeld de Lofdichtenuitgave van 1735 bedoeld.

Immerzeel wordt gevolgd door Kramm. Titel: “De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters, van den vroegsten tot op onzen tijd, Amsterdam”(1857-1864). Bestond het verhaal van Immerzeel slechts uit de overname van eerder bekende gegevens, Kramm vermeldt de volledige titel van de Lofdichtenuitgave uit 1735 (foutief vermeld 1725) Hij constateert dat de daarin voorkomende portretgravure (van Jan Punt) dezelfde voorstelling heeft als in Houbrakens.

Jakob Houbraken portrettist en grafisch kunstenaar

De familie Houbraken moet sterk betrokken zijn geweest bij Joanna Koerten en haar werk. Vader Arnold (1660-1719) wijdde in het derde deel van zijn kunstenaarslexicon mooie passages aan de Amsterdamse papierkunstenares en hij maakte enige fraaie tekeningen zoals Joanna op de kunsttroon, de ene keer omgeven door Romeinse keizers, de andere maal in gezelschap van twee vrouwen met attributen en twee putti.
Dochter Antonina (1686-1736) is in Koertenkringen bekend door een bijzondere tekening van de Twaalf Keizers. Zoon Jakob maakte enige mooie portrettekeningen van Joanna.

Deze Jakob was tekenaar, graveur en kunstverzamelaar. Hij leerde het beroep van vader Arnold. Geboren in Dordrecht in 1698 verhuisde hij in 1707 naar Amsterdam. Hij assisteerde Arnold jarenlang bij de samenstelling van zijn “Groote schouburgh”. Na diens dood hielp hij zijn moeder bij het voltooien van dat standaardwerk. Hij heeft zich met name toegelegd op het maken van portretten. Zijn totale oeuvre beslaat meer dan 400 portretten. Portretten van zijn hand zijn opgenomen in de lexica van Houbraken, Weyerman en Van Gool. Samen met Thomas Birch (historicus) en George Virtue (kunstenaar) werkte hij aan het project “Heads of Illustration, Persons of Great Britain”, tussen 1743 en 1752 gepubliceerd in Londen. Verder werkte hij tussen 1752 en 1759 met Hendrik Pothoven en historicus Jan Wagenaar aan de 21 delen van de “Vaderlandsche Historie”.

Op de voorzijde van deze KoertenKoerier staat een dubbelportret, Joanna en Anna Maria van Schurman, door hem in rood krijt getekend. De twee kunstenaressen zijn afgebeeld voor een gordijn en achter een balustrade. Op die balustrade attributen als gerold papier, diverse boeken en een schilderspalet met penselen. Over het muurtje hangt een schaartje. Al die attributen wijzen op de intellectuele en kunstzinnige kwaliteiten van beide vrouwen. Rechts kijkt de gebeeldhouwde figuur van Minerva bewonderend op naar de kunstenaressen. Er is wel gesuggereerd dat deze tekening gemaakt zou zijn voor de “Groote Schouburgh” van Arnold Houbraken. Dat lijkt niet het geval want voor die uitgave maakte Jakob een heel ander portret van Joanna dat een paginagrote aandacht kreeg. In tegenstelling tot van Schurman, haar portret werd gecombineerd met afbeeldingen van twee andere kunstenaars. De tekening van Anna Maria en Joanna dateert Moffit Peacock, ca.1720-1740.

Aangezien Adriaan Blok vrijwel zeker de opdrachtgever van deze tekening zal zijn geweest is een meer precieze datering noodzakelijk, ca. 1720-1726 (het overlijdensjaar van Blok). De bedoeling daarvan is duidelijk. Blok wilde, als enthousiast promotor van het werk van zijn vrouw, Joanna graag in alle opzichten (zie de afgebeelde attributen) verbinden aan de veel bekendere Anna Maria van Schurman. Om die reden is wellicht ook het fruitstilleven van Van Schurman in de collectie (het Stamboek) terecht gekomen.

Voor “De Groote Schouburgh” van zijn vader Arnold graveerde Jakob de portretten. Dat van Koerten verscheen in deel 3 (172 1). Het is gemaakt na het overlijden van Joanna, eind 1715.
Daarop is Joanna in een vertrouwd medaillon afgebeeld. De figuur van de faam toetert haar roem rechtsboven uit. Op de vlag van de bazuin is een gekroonde schaar afgebeeld. Het portretmedaillon wordt gedragen door een putto en rechtsonder is de bovenkant van een grafmonument met de tekst “Joanna Koerten Blok” te zien. Daarachter twee treurende vrouwen.

 

 

Een schetsmatig getekende voorstudie van dit portret bevindt zich in de verzameling van het Rijksmuseum. Gezien de verschillen met de definitieve versie heeft Jakob mogelijk meerdere voorstudies getekend. De portretgravure van Houbraken is ook gebruikt voor de uitgave van Weyerman uit 1729. De portretten in dat kunstenaarslexicon zijn daarin voorzien van een fraaie decoratieve rand, in dit geval met de tekens van de dierenriem.

Gemaakt naar hetzelfde voorbeeld maakte Jan Punt (1711-1779) in 1734 een portretgravure die gebruikt is voor de Lofdichten uitgaven van 1735 en 1736.

Punt heeft er veel werk van gemaakt. Koerten is afgebeeld in medaillon met de tekstomranding “Joanna Koerten Blok”. Dat medaillon zweeft in de wolken en wordt vastgehouden door vijf putti die attributen in de handen houden: een bazuin, een knipsel of tekening, , een schaartje en een lauwerkrans. Nog veel opvallender dan bij het portret van Houbraken is hier de scherpe oogopslag, mede veroorzaakt door de harde techniek. Een sterk contrast met vooral de zachte, wat lijdzame blik in het portret van Van der Plas uit 1701. Dat portret is overigens zo’n vijftien jaar voor het werk van Jakob Houbraken gemaakt, Joanna heeft hierop een wat jeugdiger uitstraling. De mezzotint van Schenk verzacht die uitstraling van Koerten nog sterker.

De compositie die Jakob voor zijn gravure heeft gemaakt zien we ook op het zelfportret dat Nicolaas Verkolje in 1723 tekende. Van dat zelfportret zijn diverse varianten, versies en kopieën bekend. Dit portret behoort tot een grote serie portretten die Verkolje in opdracht van Adriaan Blok maakte voor het Stamboek van Koerten. Verkoije heeft zichzelf afgebeeld met een krijthouder in de gebarende rechterhand. Met zijn rechterhand steunt hij op een portefeuille met tekeningen waarop staat: “Teekeningen voor het Stamboek van Juffr.J.Koerten“. Op de achtergrond zien we een schildersezel met daarop het geschilderde portret van Koerten, naar het ontwerp van Houbraken. Dit schilderij staat in de Testascatalogus vermeld in Konst-Boek, Letter B. onder nummer I: “Het Portrait van Juffouw Johanna Koerten Blok, met Olyverf door N.Verkolje geschildert”. Eronder staat een gedicht van S.Feitama.
De tekening is in de Testas catalogus te vinden in Konst-Boek, Letter A onder nummer 47:
“Het Portrait van den Konst-Schilder Nicolaas Verkolje door hem zelfs geteekent, extra fraay”.

Een gravure uit 1753 van Jakob Houbraken toont Verkolje in nagenoeg dezelfde houding, zij het alleen met een gebarende rechterhand. Geen linkerhand steunend op een tekeningenmap. Op de achtergrond een schildersezel in zwart uitgevoerd zonder zichtbare afbeelding. Het gedicht van Feitama is natuurlijk anders van tekst. Dit is dus een heel algemeen portret dat strikt genomen niets meer met Koerten te maken heeft. Toch is het verleidelijk te denken dat met deze afbeelding duidelijk blijkt (door ontbreken map en de duistere schildersezel) dat Koerten definitief uit beeld is verdwenen. Wat gezien de verkoop van het Stamboek en het verspreid raken van de onderdelen ervan (na 1750) ten dele bewaarheid werd.

Literatuur
– “Jacob Houbraken”, RKD, Explore + Artists, Wikipedia. org.
– Robert-Jan te Rijdt, “De tekeningen van Nicolaas Verkolje en catalogusteksten tekeningen, p.110-149”, in: Paul Knolle/Everhard Korthals Altes, Nicolaas Verkolje 1673-1746. De Fluwelen Hand, Zwolle 2011.
– “Jan Punt”, Biografisch Portaal Nederland.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de KoertenKoerier 9, najaar 2019.
Afbeeldingen Wiki Commons en Rijksmuseum

Het portret van Balthasar Bekker, KoertenKoerier 8

Joanna Koerten heeft het portret van deze Amsterdamse predikant geknipt. In de Testascatalogus wordt dit als volgt beschreven:

“N.3. “Het Portrait van Dom.Becker, in zyn Japon tot de voeten uit, zittende in zyn Studeer Kamer aan een Tafel, en achter hem een Kas met Boeken, en op de voorgront twee Globes, Boeken en verdere Ornamenten tot de Kamer behoorende, in dit en dito (= in zwarte lijst tussen twee spiegelglazen)“.

In veel van de in de Lofdichten versies voorkomende gedichten wordt dit portret genoemd, Von Uffenbach vermeldt het als een van de door Koerten gemaakte portretten in zijn “Merkwürdige Reisen” over zijn bezoek aan de knipster in 1711.
Van Bekker zelf vinden we in de lofdichten een Nederlandse bewerking van het Latijnse gedicht van Petrus Francius op het geknipte portret van Cosimo III:

“(…) De kunst van Dedalus vertoont door schaar en hant,
Van KOERTEN hier den Vorst van het Toscaansche lant,
Den grooten KOSMUS, ‘tpuik van Pallas voedsterlingen.
Zie, hoe zy hem aan ‘t volk zelf in haar’ schoot vertoont.
‘t Werk leeft: (die Kunstgodin zy zelf hier in verschoont)
Vorst KOSMUS en dit beelt zyn twee gelyke dingen.
BATHASAR BEKKER”

 

 

Veel predikanten hebben een poëtische bijdrage geleverd aan het Stamboek voor Koerten. We gaan daar in een later stadium verder op in. Het meest in het oog springen wel Galenus Abrahamsz en Balthasar Bekker, van hen heeft Koerten immers een portret geknipt.

Balthasar Bekker (Metslawier 1634 -Amsterdam 1698) was de zoon van een uit Bieleveld afkomstige predikant. Hij studeerde in Groningen en aan de Universiteit van Franeker. In 1665 promoveerde hij in de theologie, een jaar erna werd hij beroepen in Franeker.
Als aanhanger van Descartes was er in zijn theologische opvattingen veel ruimte voor twijfel. Hij werkte ook in Loenen en Weesp en vertrok in 1680 naar Amsterdam. Daar woonde hij op de Prinsengracht, tegenover de Noorderkerk. In 1683 maakte hij reizen naar Engeland en Frankrijk. Voor onderwerpen als vestingbouw en wiskunde had hij veel belangstelling, bovendien had hij oog voor sociale verhoudingen.
Bekker is vooral bekend geworden door zijn bestseller “De betoverde weereld”. Daarin verzette hij zich krachtig tegen het bestaan van heksen, spoken en duivels en trok van leer tegen het idee van de bezetenheid door de duivel. Het bestaan daarvan trok hij in twijfel en tovenarij was voor hem een onuitputtelijke bron van humor en spot. De verschijning van het boek leidde tot grote opschudding in de Republiek, uit de grote boekenverkoop bleek een brede publieke belangstelling voor zijn opvattingen. Die brachten hem wel in conflict met kerkelijke autoriteiten, waardoor het preken hem onmogelijk werd gemaakt. Hij kon zich gelukkig gesteund weten door de Amsterdamse burgemeesters Witsen en Hudde. Pamflettenschijver Erich Walten verdedigde hem, net als Romeyn de Hooghe. Een aantal jaren woonde Bekker op de Hinnemastate bij Jelsum, maar hij stierf in Amsterdam. Hij is begraven in het familiegraf van zijn tweede vrouw Froukje in Jelsum. “De betoverde weereld” heeft meer dan een eeuw de gemoederen bezig gehouden. Het werk van Bekker gaf de aanzet tot de afschaffing van de heksenvervolgingen en heeft er toe bijgedragen dat men de bewoners van dolhuizen niet meer als bezetenen, maar als zieken ging beschouwen. Een standbeeld van hem is in 2002 in Metslawier geplaatst.

Deze bijzondere man is dus door Koerten geportretteerd. Uit de beschrijving in de Testas catalogus is op te maken dat hij is afgebeeld zittend aan een tafel met op de achtergrond een kast met boeken en op de voorgrond globes, boeken en andere zaken in een mooi vertrek, zijn studeerkamer. In knipwerk moeten we wellicht denken aan het portret dat Joanna heeft gemaakt van Frederik van Brandenburg die eveneens zittend aan een tafel is weergegeven. Hoe het portret van Bekker er precies heeft uitgezien kunnen beter bekijken aan de hand van een gravure waarop Bekker staande is afgebeeld. Maar wel achter een tafel en omgeven door boeken en globes.

 

Literatuur
-“Balthasar Bekker”, dbnl.
-“Balthasar Bekker”, NNBW, dl.1, 1911.
– Jan Wim Buisman, “Bekkers wraak, Balthasar Bekker (1634-1698), de accomodatietheorie en Nederlandse theologen, 1750-1800”, De Achttiende Eeuw, 1998, p.97-111.
– Jan Willem Stok, “Balthasar Bekker: eerst zien en dan geloven”, Old books, new stones

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de KoertenKoerier 8, voorjaar 2019.
Afbeeldingen Wiki Commons en Rijksmuseum