Auteursarchief: admin

Meer dan papieren speelgoed, Papayria 3

afb. 1

In 2003 werd in Amsterdam een veiling van papieren speelgoed met als motto “Ter leering en Vermaeck” gehouden [l] (afb. 1-3). Het betrof vooral de verkoop van een grote collectie bordspelen uit particulier bezit, maar toen wij de catalogus in handen kregen werden we aangenaam verrast.

In de catalogus waren twee pagina’s in kleur opgenomen met afbeeldingen van bavelaars, knipsels en geknipte papieren diorama’s. Nu gebeurt het wel meer dat op veilingen ook enig knipwerk wordt aangeboden, maar hier ging het toch wel om enige bijzondere stukken (afb. 4-5). Het ging om de volgende kavels:

afb. 4

afb. 5

  1. 146. Vier knipsels. Gesigneerd J.J.V. 18e eeuw. Alle 16 x 20 cm. Met voorstellingen van de vier jaargetijden; een schaapsherder en zijn kudde, fruittelers in de boomgaard, een visser en pijprokende man bij een boerderij en schaatsenrijders. Alle ongelijst.
    nr. 151. Een knipsel. Drie zeilschepen op zee, 38,5 x 46 cm. Ingelijst.
    nr. 199. Een knipsel. Gedateerd MDCVII. ‘Amstelveen’ met “t Rechthuys, 16,5 x 20 cm.
    nr. 201. Een knipsel. Ga 1800. Een boerenerf omheind door een hek, waarbij de boerin in de deuropening staat, terwijl de boer, de drie dochters, wat loslopend vee en enkele kippen haar vergezellen, 19 x 25 cm.
    nr. 203. Een knipsel. Gesigneerd S. Verhoeff 18e eeuw. Zeilschepen op een woelige zee met op de achtergrond een fort, 20,5 x 30,5 cm.
    nr. 204. Een knipsel. 18e eeuw, onduidelijk gesigneerd, H van Berchdonck. Drie zeilschepen op zee, 14 x 18 cm.

Voor ons het meest interessant was het knipsel van Verhoeff, een knipper die al lange tijd onze belangstelling had. Dat begon bij de samenstelling van een brochure over Rotterdamse papierknipkunst. Hiervoor raadpleegden we in het Rotterdamse Gemeentearchief de catalogus van de tentoonstelling van oudheden, gehouden in Delft in 1863. Op die expositie is werk te zien geweest van Jan Kopper, Anna Maria van Schurman, Joanna Koerten en J.H. de Heer. Er was verder knipwerk van onbekende kunstenaars en een map met tekeningen op perkament met zeer kunstig door Daniël Pigeaud (1703-1779) uitgesneden randen. Daarnaast nog werk van toen nog onbekende knippers: Stephanus Hordijk, G. Verhoef en J. van de Laer [2].

G. Verhoef bleek Simon Verhoeff te zijn, dat ontdekten we als bijvangst van het onderzoek naar bezoeken van reizende silhouettisten in Rotterdam in de periode 1775-1800. In advertenties in de Rotterdamsche Courant troffen we aankondigingen van twee kunstkabinetten van papieren snijkunst aan, dat van Hendrik Voerman en Simon Verhoeff [3]. Op 14 maart 1799 kondigde de Rotterdamse boekverkoper J. Hendriksen in de Rotterdamsche Courant aan dat hij eind april boeken, prenten, schilderijen en het “Cabinet van Snykonst, van wylen den Schoolhouder S. Verhoef, aan den Berg” zal gaan verkopen. Het is de eerste van een reeks advertenties waarin telkens dat knipkunstkabinet werd vermeld (14 maart, 26 maart, 6, 20, 23 en 25 april). Hendriksen probeerde in de courant op steeds wisselende wijze Verhoeffs knipkunst aan te prijzen. Hij gebruikte benamingen als “Cabinet van Snykonst”, “het beroemde Konstkabinet van Snykonst”, “het overheerlyk Konstkabinet”, en “het Konst-Kabinet van Papieren Snykonst” [4] (afb. 6-7).

afb. 6

afb. 7

Wie de schoolhouder Verhoeff was ontdekten we in een rouwadvertentie van enige jaren daarvoor. Maria van der Meide liet in de Rotterdamsche Courant van 25 oktober 1796 weten dat haar man Simon Verhoeff, koster, voorzanger en schoolmeester te Hillegersberg op 20 oktober ten gevolge van een galziekte was overleden in de ouderdom van vijftig jaar en bijna elf maanden. Zijn die vermelde gegevens juist dan moet Simon Verhoeff eind 1745 zijn geboren. (afb. 8)

afb. 8

Verhoeff is ook schoolmeester geweest in Nieuwerbrug. In 1771 solliciteerde hij naar de onderwijzersplaats in het dorpje Hillegersberg bij Rotterdam. Nu is dit een wijk van de Maasstad. Van de 43 sollicitanten bleven er voor de tweede ronde drie man over: Jan Heynis uit Woerden, Willem Westveld uit Oud-Alblas en Simon Verhoeff uit Nieuwerbrug. In het archief van de gemeente Hillegersberg zijn een brief aan de schout (afb. 9-10) en de afgelegde proeve van schrijfkunst bewaard gebleven [5] (afb. 11).

afb. 11

Tot dan was papierknipwerk alleen bekend door vermeldingen in de catalogus van de Delftse oudhedenexpositie van 1863 (afb.12).

afb. 12

Hierin werden genoemd: “Een zee met schepen in lijst, 1770 en een dito van 1765 “, ingezonden door G. van Schagen en “Een gezigt op Rotterdam van de Maaszijde; met schepen” uit het bezit van Mevr. de Wed. van Swieten [6]. Maritieme voorstellingen dus, die ook duidelijk maakten dat Verhoeff al ruim voor zijn werkzaamheden in Hillegersberg met papierknippen was begonnen. Door de afbeelding in de Glerumcatalogus van 2003 konden we ons eindelijk een beeld vormen van het werk van Verhoeff.

 

 

 

Het is een papieren diorama met vier zeilschepen op een woelige zee met op de achtergrond een wat oriëntaals aandoend fort (afb. 13).

afb. 13

Heel goed vergelijkbaar met werk van andere knippers uit die tijd die ook dit soort maritieme voorstellingen in reliëf of als diorama maakten. In Hillersberg had Verhoeff inspirerend werk op dit gebied in de buurt: het maritieme en andere knipwerk van meesterknipper Jan Kopper. Het is niet uitgesloten dat de Hillegersbergse schoolmeester Kopper nog heeft gekend of na het overlijden van de knippende Rotterdamse bakker in 1788 een bezoek heeft gebracht aan Koppers knipkunstkabinet, dat bij neef  Van Stipriaan bijna tien jaar lang in een speciaal daarvoor gemaakt meubel te zien is geweest. In de verkoopadvertententies van boekverkoper Hendriksen werd nadrukkelijk gesproken van het “Cabinet van Snykunst” van Simon Verhoeff. Mogelijk de aanwijzing dat Verhoeff, in navolging van de familieleden van Kopper, ook een kabinet met eigen gemaakt knipwerk had opgesteld, een verzameling die na zijn dood is verkocht en verspreid is geraakt.

Door Henk van Ark

Noten
gebruikte afkortingen

Catalogus Oudheden: Catalogus der Tentoonstelling van voor Nederland belangrijke Oudheden en Merkwaardigheden, in de Provincie Zuid-Holland voorhanden (…), Delft 1863.
KS: Henk van Ark, Zeer uitstekende kurieuze stukken van papier. Rotterdamse papierknip- en snijkunst 1650-1900, Rotterdam 1987.
Nieuwsbrief: Nieuwsbrief van de stichting W. Tj.Lever en het Nederlands Museum van Knipkunst.
Verhave
: Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt! Geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland, Zutphen 2008.

  1. Veiling nr. 254, Glerum Auctioneers (maandag 15 december 2003).
  2. KS, p.11-12, noot 61-72.
  3. Verhave, Lexicon, p.181(Hordijk); p.198 (Verhoeff); p.186 (Van der Laer).
  4. Henk van Ark, “Knipkunstkabinetten”, in: Verhave, p.154.-159.
  5. Henk van Ark, “Vier achttiende eeuwse knipkunstkabinetten; 1.Simon Verhoeff (1745-1796)”, Nieuwsbrief, jrg.7, nr.1 (maart 1994), [p.5-7]
  6. Catalogus Oudheden, nrs. 2240 en 2241.
  7. Zie het artikel “Geportretterd als papierknipper” in deze uitgave.

Acket, Cornelis Joan Matthijs 

Cornelis Joan Matthijs Acket, Terschelling 1882 – 1973 Bussum

Hij bezocht de Kweekschool voor de Zeevaart, maar werd (op verzoek van zijn vader) ontslagen in de tweede klas, “wegens tegenzin in het zeemansvak”. Hij werd kantoorbediende bij de Rijksverzekeringsbank te Amsterdam en trouwde in 1908 met Gijsbertha Blijdenstijn. Ze gingen wonen in Schoten bij Haarlem.

Tijdens de vier jaar durende oorlog gold algemene mobilisatie en moesten de militairen allerlei klussen opknappen en ze verveelden zich. In 1915 verbeeldde Acket dat treffend in een schimmenspel met 41 episoden; de officier Jouke Broer Schuil maakte er geestige teksten bij. Het geheel verscheen als “Met de Eerste Compagnie op Mobilisatie” en het werd later nog eens uitgegeven als “Mobilisatie herinneringen van een landweerman”.

Waarschijnlijk is het bij deze productie van schaduwbeelden gebleven; hij is nog wel blijven tekenen, maar over zijn verdere leven is weinig bekend.

Literatuur

Geportretteerd als papierknipper: Jan Kopper (1), Papyria 3

Alsof het in de lucht hing, eind jaren tachtig. Jan Kopper, zo hoorde je jarenlang nauwelijks iets over deze nagenoeg onbekende Rotterdamse broodbakker papierknipper, nu ineens verschenen er kort na elkaar twee publicaties en dook een lang gezochte 18de eeuwse catalogus en levensbeschrijving op. Smullen voor liefhebbers van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst.

Het begon met de brochure “Zeer uitstekende kurieuze stukken van papier”, die we in het voorjaar van 1987 samenstelden voor Atelier Tobia Lever. (afb. 1) Deze uitgave verscheen ter gelegenheid van de kleinschalige manifestatie “De Kunst van het Papierknippen, een Zomerse Honderddaagse”, die werd gehouden van 10 juni t/m 17 september 1987[1]. Bij die manifestatie verscheen het derde nummer van Atelierbulletin “Het Pijnackernieuws” en manifestatie en brochure kregen behoorlijke publiciteit in de Maasstad (afb. 2-3).

      

Voor het schrijven van “Zeer uitstekende kurieuze stukken”, met op de voorzijde het portret van Jan Kopper, was maar korte tijd beschikbaar, de meeste daarin vermelde gegevens waren daarom ontleend aan raadpleging van vooral oudere, maar wel zeer relevante literatuur en incidenteel archiefonderzoek. Wel werd toen al duidelijk dat er veel meer te ontdekken zou zijn over Rotterdamse papierknipkunst en besloten werd nieuw onderzoek onder andere te richten op Jan Kopper, mede omdat het in 1988 tweehonderd jaar geleden zou zijn dat hij was overleden.

afb. 4

afb. 5

Dit onderzoek leverde een veelheid van interessante gegevens op. In de archieven vonden we vermeldingen van zijn twee huwelijken (afb. 4 en 5) een boedelinventaris waaruit we konden opmaken dat Koppers huis van het afgeschoten kamertje op zolder tot in de keuken gevuld geweest was met knipwerk (afb. 6) en een boedelrekening die interessante gegevens naar voren bracht over het, na zijn overlijden, gedrukte portret en de daarvoor gemaakte kosten [2].
Maar er ontbrak iets: de catalogus van zijn kunstkabinet die op een tentoonstelling in 1863 te zien was geweest en waar in de jaren erna diverse malen naar gezocht was. Het lukte helaas niet een exemplaar daarvan te achterhalen, de brochure over Kopper verscheen in 1989. Het werd een uitgave van de stichting W.Tj.Lever (in samenwerking met Atelier Tobia Lever) die dankzij de veiling van de Westerborkcollectie in 1988 inmiddels kon beschikken over de bewuste portretgravure van Kopper. De voorzijde van de Kopperbrochure toonde het hoofd van de knipkunstenaar verpakt in een puzzel met nog blanco gedeelten, duidend op de witte vlekken die nog over zijn leven en werk moesten worden ingevuld [7]. Sneller dan verwacht werd dat mogelijk.

afb. 7

We werden benaderd door de heer A.G. van der Steur, een bekende antiquaar uit Haarlem, die enige exemplaren van de Kopper brochure had besteld. Hij bleek eveneens bezig met een Kopper onderzoek mede omdat hij in zijn eigen collectie ook de portretgravure had. Hij wees ons op het juiste geboortejaar van Kopper, vroeg om afbeeldingen van werk van Kopper, die wij inmiddels via een particulier hadden weten te achterhalen, en deelde ons tot onze verbijstering mee dat een verzamelaar, de heer J. Ayolt Brongers, welbekende boekensneuper uit Amersfoort, zich bij hem had gemeld omdat hij graag dat portret zou willen hebben dat naar zijn mening moest hebben behoord bij een catalogus die hij in een antiquariaat, eigenlijk bij toeval, had gevonden. Het bleek de lang gezochte catalogus.

Van der Steur publiceerde zijn onderzoek [3] met veel gegevens uit onze brochure, twee door hem gevonden voortekeningen van het (geschilderde) portret van Jan Kopper afb. 8 en 9) en een levensbeschrijving, twee lofdichten en de catalogus van Koppers kunstkabinet in facsimile. Een waardevol artikel (afb. 10). In 1990 verscheen het vouwbIad “Rotterdamse papierknipkunst (afb. 10).

(afb. 10)

Mededelingen over Jan Adelaar en Jan Kopper” met aandacht voor het goede geboortejaar van de Rotterdamse knipkunstenaar en elf afbeeldingen van werk dat wij hadden gevonden. Brongers liet zich ook niet onbetuigd. Hij bracht, als bibliofiele uitgave, in 1991 een facsimile van de door hem gevonden catalogus uit, gevolgd door een nawoord met als titel “Een vondst” (afb. 11 en 12).  Op smakelijke manier beschreef hij hierin het verloop van zijn contact met Van der Steur over de Kopper catalogus [4].

In 1773 is Jan Kopper geportretteerd door de Rotterdamse schilder Nicolaas Muys. Wie deze Kopper, die als trotse papierknipper (afb. 13) wordt afgebeeld was, is duidelijk geworden uit archief en de levensschets, die samen met twee lofdichten, is opgenomen in de catalogus van zijn kunstkabinet.

afb. 13

In die levensschets is ook foutief zijn geboortedatum vermeldt: 16 december 1713. De vermelding hiervan in oudere en ook meer recente publicaties is ongetwijfeld hieraan te wijten. Maar Kopper is een jaar later, op 16 december 1714 geboren in Rotterdam als zoon van Dirck Kopper en Anna Haagsman. Kopper huwde in 1744 als jongeman van Rotterdam met Maria Lievinston, eveneens afkomstig uit de Maasstad. Ze kregen twee kinderen Dirck en Maria. Lievingston overleed in 1760; Kopper hertrouwde in 1762 met Sara van Vlugt die al in 1763 overleed in het kraambed. Jan Kopper leefde nog tot 1788, hij overleed op 15 november op 74-jarige leeftijd; op 28 november van dat jaar werd hij als welgesteld burger van de stad begraven [5].

afb. 14

De levensschets (afb. 14) geeft mooie details over Koppers leven. Zo wordt beschreven dat hij met het knippen al op jeugdige leeftijd begon (“doch zeer onvolmaakt, ter opzicht van zyn volgend werk hoewel met meer zwier als men van kinderen zulks gewoon is”) en een hartstochtelijk beoefenaar van muziek was. Hij bespeelde bas, fluit, en clavecimbel, maar de viool was toch wel zijn geliefste instrument “waarop hy zig met de borst toeleide, en geen geringe vordering maakte” Zijn vrolijkheid en aardigheid van geest bracht hem in contact met vele vrienden en gezelschappen en dat leidde ertoe dat hij dikwijls uithuizig was. Dit tot verdriet van zijn eerste vrouw die altijd ziekelijk was en hem aanraadde hiervan af te zien en thuis te blijven. Daardoor nam hij het knippen weer op en maakte daarin goede vorderingen. Door de dood van zijn tweede vrouw werd de Rotterdamse bakker en knipper zo getroffen dat hij verder afzag van de huwelijkse staat en “het eenzaam leven verkoos, houdende met een dienstmaagd huis, die hem tot zyn dood bybleef”. De schets kent een ronkende passage over Koppers knipwerk “Nu leidde hy zig met de borst op zyn geliefd konstwerk toe, en spande alle zyne vermogens in om zig daar in te volmaaken. Hy slaagden in zyn oogynerk, want over schoonheid en menigvuldigheid van mans Konststukken moet men zig verwonderen. Veele beminnaaren van Konsten en Wetenschappen, byzonder die der Teeken- en Schilderkonst zogten zyne vriendschap, en verwonderden zig meenigmalen over het schoon in zyne van papier gewerkte stukken, en betuigde, dat zyn Perspectief kunde en ordonnantien den hunnen niet alleen evenaarde, maar dikwils overtroffen “.

Sterker nog: “Men doet verder niet te veel, of maakt zig aan geen laffe vleiery schuldig, wanneer men zegt dat de Heer JAN KOPPER, in dit vak de grootste Man was, die ‘er ooit bekend is geweest. Wat Konststukken ‘er nog van Mejuffrouw JOANNA COERTRE BLOK voorhanden zyn, en met welk een yver veele Dichters tot haar lof gezongen hebben, haar Konststukken moeten en in schoonheid, en in meenigvuldigheid voor die van onzen grooten KOPPER wyken”.
Voorts: “Men moet zig verbaazen over de menigte der wel uitgevoerde stukken, welke in zyn nagelaatene Cabinet pronken, en men kan verzekeren dat nog grooter aantal in Frankryk Engeland, Duitschland en voornamelyk in deze Republiek in Konstkamers en Vorstelyke vertrekken te zien zyn; zyn eerstelingen en onafgewerkte stukken hiervan afgetrokken. Men moet zig te meer verwonderen dewyl meest alle deeze stukken in de laatste 25 jaaren van ‘s mans leeven gewerkt zyn, daar ‘er veele stukken onder gevonden worden welkers uitvoerigheid jaaren in arbeid vorderen. By het klimmen zyner jaaren, daar zyn lighaams kragten afnamen, vermeerderde die van zyn geest, blykens die stukken die hy in de laatste jaaren van zyn leeven vervaardigt heeft” In de levenschets wordt tenslotte het opgeruimde karakter van Kopper beschreven, zijn goede gezondheid, zijn matigheid met spijs en drank, zijn spaarzaamheid en bekommernis met “den verdrukten”. Zijn stervensfase wordt pijnlijk nauwkeurig weer gegeven. De schets eindigt met de opmerking: “ Mans uitmuntend Konstcabinet van Papier Snykonst berust thans by de Heer D. VAN STIPRIAAN, Koopman op de Hoogstraat, op de hoek van de Lamsteeg, te Rotterdam, derde zoon van des overledenen eenigste zuster”.

Die zuster was Agatha Kopper (1720-1798), getrouwd met Harmen van Stipriaan (1729-1797), die na Koppers overlijden de enige erfgenaam werd van diens bezittingen, waaronder zijn knipkunstkabinet. Na haar dood werd Koppers levenswerk onder haar vier zoons Abraham, Leendert, Dirk en Jacob verdeeld. Opvallend in de levensschets is dat Koppers knipwerk vergeleken wordt met dat van Joanna Koerten. De faam van de Amsterdamse Koerten was ook in Rotterdam ongetwijfeld bekend, maar interessant is dat werk van haar en een deel van haar Stamboek in 1766 [6] ook in Rotterdam te zien is geweest. Vergelijken is dus inderdaad mogelijk geweest. En dat viel, volgens de schrijver, natuurlijk in het voordeel van de Rotterdamse papierkunstenaar uit. Dat moet familieleden na Koppers dood op het idee hebben gebracht een blijvend eerbetoon aan Kopper op te richten. Het was in feite een navolging van het promotiewerk van Koertens echtgenoot Adriaan Blok op kleinere schaal. Ze deden dat met de uitgave van een gegraveerd portret (met lofdichtje) in behoorlijker oplage en de uitgave van de catalogus van het kunstkabinet, samen met de levensschets en twee lofdichten. Daar bleef het echter niet bij. Men liet timmerman Jacob Sandoz voor de somma van 21 guldens een “Mahognij houte Rariteitkas” maken, waarin Koppers kunstwerken konden worden opgesteld [7]. Dit kabinet moet bij zijn neef Dirk van Stipriaan bijna tien jaar lang te bekijken zijn geweest, helaas ontbreken tot nu toe verslagen van bezoekers aan dit kabinet, zoals we dat van Koerten kennen.
Bleef Koertens werk nog 35 jaar na haar dood (1715-1750) bijeen, Koppers knipwerk raakte al relatief snel verspreid. Na de dood van zijn erfgenaam Agatha is het geheel in 1799 al verdeeld onder de vier zoons Van Stipriaan. Toch bleek het mogelijk delen van Koppers kunstige arbeid te achterhalen en de vondst van de catalogus van zijn konstkabinet is een belangrijk steun bij verder speurwerk.

afb. 15

afb. 16

Het portret van Jan Kopper als papierknipper is bijzonder. We kennen vele portretten van personen die hebben geknipt, zie onze serie “Portretten van knipkunstenaars” in onze nieuwsbrief, maar geen van allen is afgebeeld als papierkunstenaar. Dat geldt alleen voor de 17de eeuwse schilderijen van Nicolaas Juweel waarop we Elisabeth Rijberg afgebeeld zien met knipwerk en haar gereedschap. Koppers portret is in 1773 geschilderd door de Rotterdamse kunstenaar Nicolaas Muys (1740-1808) (afb. 15 en 16) die hoofdman van het St. Lucasgilde is geweest en corrector van het genootschap “Hierdoor tot Hooger” [8] . Van dit portret zijn twee getekende voorstudies bekend. (zie af, 8 en 9) Het portret behoorde tot Koppers Konstkabinet en is, uit het bezit van J.M. van Stipriaan Luiscius, nog te zien geweest op een tentoonstelling in 1863 in Delft. De verblijfplaats nu is helaas onbekend. Naar dit geschilderde portret maakte Hendrik Roosing (1763-1826), na het overlijden van Kopper in opdracht van de familie, een gravure. Zeer opmerkelijk is dat we in de boedelrekening van 1799 een opgave vinden van de oplage van deze gravure en de kosten die ervoor gemaakt zijn [9].

afb. 17

Jan Kopper is door Muys zittend achter een tafel geportretteerd. In de linkerhand houdt hij een uit papier vervaardigd schip op. Het schip is gedetailleerd uitgewerkt en ruimtelijk vormgegeven (afb. 17). In de rechterhand houdt de knipper mogelijk het voetstukje waarop het schip geplaatst zou kunnen zijn.

afb. 18

Het zou een een stuk gereedschap kunnen zijn, we zien dat ook afgebeeld op de tafel waarachter Kopper is gezeten. We zien daarop twee scharen, twee vellen papier en enkele reepjes papier. Het bovenste vel papier toont de geknipte of getekende afbeelding van een staande man. Op die tafel verder een doosje en een potje. Uit het potje steken twee staafjes. Mogelijk is dit een lijmpotje met twee kwastjes of staan in het potje ponsjes of staafjes die Kopper voor het bewerken van papier moet hebben gebruikt. Het (snuif)doosje is voorzien van een decoratief papierknipsel met schepen in het deksel (afb. 18 en 19).

afb. 18

Achter het schip dat Kopper ophoudt zien we geheel rechts een snaarinstrument, waarschijnlijk de viool waarop Kopper excelleerde en vellen bladmuziek. Deze voorwerpen liggen uitgestald op een clavecimbel. Onder het gegraveerde portret van de Rotterdamse papierkunstenaar is een vierregelig lofdicht aangebracht, geschreven door “S”, waarin zijn kunstzinnige kwaliteiten worden benadrukt:

“ ‘t Penceel wist menig man d’onsterljkheid ’t ontrukken
De stift kan ieder ding ‘t fraaist in ‘t koper drukken
doch KOFFERS schaar alleen wist met een edele zwier
De gantsche Waereld nate bootsen van papier
” [10]

Het schip van papier dat Kopper toont is typerend voor het ragfijne werk van deze opmerkelijke kunstenaar. In 19de eeuwse levensbeschrijvingen van kunstenaars is al het nodige bekend geworden over Koppers papierwerk en de door hem gebruikte techniek. Van Eijnden en Van der Willigen schreven reeds in 1817: “Hij wist allerlei onderwerpen kunstig van papier te knippen, ineen te zetten of op te werken. Zoo heeft men van hem Scheepjes met al derzelver tuig, wand en takelaadje, naauwkeurig afgebeeld. Ook maakte hij welgelijkende Portretten, die hij als halfverheven Beeldwerk op de wijze van gedreven metaal opwerkte “[11]. Zij vermeldden dus dat Kopper, onder andere, schepen en portretten heeft gemaakt, maar besteedden ook aandacht aan zijn manier van werken. Hij knipte met de schaar, zette onderwerpen ineen (het samenvoegen van afzonderlijk geknipte delen tot een compositie) en maakte portretten, om een driedimensionaal effect te bereiken, op de wijze van gedreven metaal, een techniek die vele andere 17de en 18de eeuwse papierkunstenaars hebben gebruikt. De gebruikte term opwerken kennen we al van de beschrijving van Pieter de Ja Rue in verband met de knipkunst van Koerten.

Immerzeel schreef in 1843 [12] dat Jan Kopper in zijn tijd bekend stond (met lof) om zijn “knipstukken, voorstellende opgetuigde schepen, soms ook basreliefportretten“ Op de tentoonstelling van oudheden in Delft in 1863 zijn van Kopper te zien geweest “water met schepen” en “visschers”, samen met het geschilderde portret door Muys en de catalogus van het kunstkabinet [13]. Kramm beschreef een “Zeeslag” in een particuliere collectie [14].

afb. 20-23 (helaas onleesbaar)

Door de bestudering van Koppers boedelinventaris werd al een uitstekende indruk verkregen van Koppers enorme productie en dat beeld wordt volkomen bevestigd door de vondst van de catalogus. Koppers knipwerk is ondergebracht in de speciaal daarvoor gemaakte kast en “Het Cabinet zelfs, bestaat uit zes kasten, of vakken, drie aan drie neevens den anderen”. Voor “Geknipt” hebben we de inhoud van het kabinet samengevat, maar bij dit stuk is de gehele catalogus weergegeven (afb. 20-23) zodat iedere lezer zich daarvan een beeld kan vormen.

Inmiddels zijn diverse knipsels van Kopper bekend geworden (afb. 24-26) kon ook werk aan hem worden toegeschreven en kan in de komende jaren, gezien Koppers grote productie, nog zeker meer worden verwacht. Veel hangt af van een betere bekendheid met de geschiedenis van de knipkunst in Nederland en activiteiten overal in het land die er voor kunnen zorgen dat meer bekend kan worden over het werk van de intrigerende papierknipper en broodbakker Jan Kopper.

afb. 26

Door Henk van Ark

Noten
gebruikte afkortingen
Kopper: Henk van Ark, Jan Kopper (1713-1788), leven en werk van een Rotterdamse broodbakker en papierknipper, Rotterdam 1989.
Van der Steur: A.G.van der Steur, “Op zoek naar de Rotterdamse papierknipper Jan Kopper (1714-1788)”, De Boekenwereld, jrg.7, nummer 2 (december 19890), p.42-55).

  1. Henk van Ark, Atelier-Stichting-Museum, Rasquert 2010, p.7-8.
  2. Kopper, met daarin opgave van de geraadpleegde stukken uit het Oud Notarieel Archief (ONA) van het Gemeente Archief Rotterdam en DTB.
  3. Van der Steur.
  4. J.Ayolt Brongers, Jan Kopper, papierkunstenaar, Amersfoort 1991. In onzebibliotheek bevindt zich nr. 34 uit een serie van 100.
  5. Kopper, p.6; Van der Steur, p.43-44.
  6. Michiel Plomp, “De portretten uit het Stamboek van Joanna Koerten”, Leids Kunsthistorisch Jaarboek, VIll (1989), p.328.
  7. Gemeente Archief Rotterdam, ONA 3743, fol. 360-361.
  8. Ch.Thiels, “Nicolaas Muys 1740-1808, kort overzicht van leven en werk”, in: M.Meyerman e.a., Aangenaam Gezelschap, zes conversatiestukken van Nicolaas Muys,Abcoude 1992, p.61-33.
  9. Hendrik Roosing ontving de somma van “Een honderd en vier guldens” voor het graveren  van het portret. De oplage van 300 stuks werd gedrukt door de broer van de graveur, Willem Roosing. Het drukken kostte, samen met de leverantie van het benodigde papier, dertien gulden en veertien stuivers. (Gemeente Archief Rotterdam,ONA 3743, fol.361.)
  10. Dit gedichtje lijkt een gedeeltelijke variatie van een passage uit een gedicht op Koerten, opgenomen in de Lofdichtenversies van 1735 (p.144) en 1736 van Hermanus Angelkot: “Haar hant weet geestig, met een’ nieuw gevonden zwier,/Al wat de kunst vermag te snyden in ‘t papier”
  11. R.van Eijnden/A.van der Willigen, Geschiedenis der Vaderlandsche Schilderkunst, sedert de helft van de XVIII eeuw, 3 dln en aanhangsel, Haarlem 1816-1840,11 (1817), p. 195.
  12. J. Immerzeel, De Levens en Werken der Hollandsche en Vlaamsche Kunstschilders (…), 3 dln, Amsterdam, 1842-1843, dl. 2 (1843), p.132.
  13. Catalogus der Tentoonstelling van voor Nederland belangrijke Oudheden en Merkwaardigheden (…), Delft 1863, nr.2239.
  14. Chr. Kramm, De Levens en Werken der Hollandsche en Vlaamsche Kunstschilders(…), 6 dln en aanhangsel, Amsterdam 1859-1864, Aanhangsel (1864), p.96.

Knipsels als illustratie: Mance Post, Papyria 3

Door het recentelijk uitkomen van de biografie van Han G. Hoekstra richtten we onze aandacht sinds lange tijd weer op het bijzondere illustratie knipwerk van de Amsterdamse kunstenares Mance Post. In de jaren voor het starten van het Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven (1992) kochten we op boeken- en romnelmarkten vele uitgaven die door haar met knipwerk waren geillustreerd. In Atelier Tobia Lever organiseerden we in 1986 (4 t/m 28 juni) de tentoonstelling “Knipwerk als illustratie”, die een vervolg kreeg in 1989 in de Centrale Bibliotheek van Rotterdam (afb. 1).

afb. 1

Voor de kleine expositie voor het Informatiecentrum Jeugdliteratuur van deze bibliotheek besloten we als centrale figuur voor Mance Post te kiezen. We hadden inmiddels veel (gedrukt) werk van haar in onze verzameling en bewonderden haar humoristische en originele werk. We namen de in de bibliotheek beschikbare documentatie over Post door en zochten contact met haar.

Enige tijd later bezochten we haar souterainachtige woning aan de Prinsengracht in Amsterdam. We namen -zeer tot haar verrassing- knipsels mee die zij maakte voor de uitgave “Au clair de la lune, liedbewerkingen voor school en huis” uit 1981 (samenstelling T. Bouma en Ide Haas) (afb. 2-5). Dit knipwerk was door uitgeverij Wolters-Noordhoff in Groningen in bruikleen afgestaan voor onze presentatie in de Rotterdamse bibliotheek. Post vertelde ons dat ze geen idee had of er nog meer illustratieknipwerk bewaard was gebleven, eigenlijk wilde ze daarom de “Au claire de la lune” knipsels maar meteen houden, maar dat kon natuurlijk niet. Haar verhaal was: “Vroeger kreeg je een opdracht, je maakte je werk en leverde dat bij de uitgeverij in. Je kreeg er een vergoeding voor, maar verder volgde je niet meer wat ermee gebeurde. Terug kreeg je het werk niet, dus moet er in uitgeverijarchieven nog veel zitten.” Maar vele uitgeverijen zijn opgeheven of gefuseerd, zodat je maar moet afwachten hoe er met archieven is omgegaan. Voor onze presentatie in Rotterdam was een verdere zoektocht niet zozeer noodzakelijk en het ontbrak ons, gezien de werkzaamheden van de stichting, ook aan tijd die uit te voeren.

afb. 5

Dat Mance Post in 1955 was begonnen met het illustreren van boeken middels knipwerk was ons uit diverse publicaties (en haar eigen mededelingen) bekend en in de Hoekstra biografie wordt daar natuurlijk gewag van gemaakt. Er is zelfs een afbeelding van de omslag van dit boekje, “Het schoentje van Roosmarijn”, in opgenomen. Het is ons nooit gelukt een exemplaar van dit boekje, dat behoorde tot de 50 best verzorgde uitgaven in 1955, voor de stichtingsverzameling te verwerven, maar voor het overbrengen van onze boodschap tijdens presentaties in het land en later in het museum in Schoonhoven -knipwerk als illustratie is een interessant en onbekend gebied- was dit op zich ook niet aan de orde. We sprokkelden in de loop der jaren wel een grote reeks uitgaven bij elkaar met illustratiewerk van Post. Te beginnen met uitgaven uit het einde van de jaren vijftig en begin jaren zestig. Veel van die jeugdboeken zijn uitgekomen bij de Arbeiderspers: Tine Mink, “De wonderlijke reis van Peter” (1959) (afb. 6-7)

Mathilde Smits-Eperstedt, “De kinderen van de dief’ (1959) (afb. 8-9)

Wim Hora Adema/Annie M.G. Schmidt, “Het rad van avontuur” (1960) (afb. 10-11),

Wim Hora Adema/Annie M.G. Schmidt, “De vlaggelijn” (1961) (afb. 11-12),

A.Pleysier, “Avonturen van Fans en Fatime Komenijs” (1961) (afb. 14-15)

en Wally Holtzhaus, “De wonderlijke uitvindingen van professor Knapkop” (1962) (afb. 16,17).

In de eerste helft van de jaren zeventig volgden series schoolboeken. Meest prominent was de door Bertus Aafjes geschreven serie “De Gouden Keten met een inleiding van F.W. Prins in tien delen (Meulenhoff, ca.1975). Alle delen geïllustreerd door Post (afb. 18-23).

Van de eveneens tiendelige serie “Taalgroei” (Meulenhoff) nam zij de illustraties van de eerste zes delen voor haar rekening (afb. 24-27.

Voorts “Nieuwe lesvormen” van A.F.M. van den Berghe en J.P. Horst (Samson) (afb. 28-29)

en de serie “De wenteltrap” met het boekje “De rode kano” van T.G. Prins (1971, Wolters Noordhoff) (afb. 30-31).

afb. 32 knipseldoos “knapper knippen”

Bijzonder in onze bibliotheek/verzameling zijn een nog volledige knipseldoos voor jongens en meisjes vanaf 5 jaar met de titel “Knapper knippen” (afb. 32) en het boekje “Au claire de la lune” dat de aanzet was tot de presentatie in de bibliotheek van Rotterdam en dat in de jaren erna, samen met alle bovengenoemde uitgaven (vaak in meerdere exemplaren aanwezig), nog diverse malen konden worden gebruikt in het museum en bibliotheekexposities in en rondom Schoonhoven.

Door Henk van Ark

Noten

  1. Joke Linders/Janneke van der Veer, Han G. Hoekstra-Biografie, Amsterdam 2010.
  2. idem, p. 220-221.

Seubring, Egbert 

Egbert Seubring, Groningen 1927 – ? Velp

Leerde zichzelf allerlei kunstnijvere technieken, waaronder papierknippen. In 1967 werden 14 van zijn werkstukjes gebruikt voor een sprookjesboekje Pi-Frik door Rolf Henderson (uitg. Tor, Velp).

Rotterdamse papierknipkunst & Klaas Bakema inleiding, Papyria 2

In 1990 werden door de stichting W.Tj.Lever drie vouwbladen uitgegeven: “Wiecher Tjeert Lever, papierknipper & verzamelaar”, “Rotterdamse papierkuipkunst (1). Mededelingen over… Klaas Bakema” (afb.1-4] en “Rotterdamse papierknipkunst (2). Mededelingen over…Jan Adelaar en Jan Kopper”. Deze bladen waren onderdeel van een activiteiten- en publiciteitscampagne die de stichting kort na de oprichting in 1988 was begonnen.

afb. 1

afb. 2

Na een vergeefse actie om de door Wiecher Lever opgebouwde collectie van zijn Nederlands Museum van Knipkunst in Westerbork bijeen te houden, werd besloten vanaf september 1988 alle aandacht te gaan richten op het verzamelen van knipwerk en documentatie (vooral over Lever zelf), het organiseren van presentaties en exposities en het verzamelen van materiaal voor een studie over leven en werk van Lever. Ook onderzoek naar aspecten van de geschiedenis van Rotterdamse papierknipkunst werd tot de taken van de stichting gerekend. Daarmee werd direct aangesloten bij activiteiten op dat gebied die al waren ondernomen door Atelier Tobia Lever in de periode 1986-1988. Resultaten daarvan: de brochure “Zeer uitstekende kurieuze stukken van papier. Rotterdamse papierknip- en snijkunst 1650-1900” (1987), een stuk over “Rotterdamse papierknip- en snijkunst” in het tijdschrift Ons Rotterdam (jrg. 10, nr.1, p.10-11) en het artikel “Wybrand Schaap. Rotterdams papierknipper” in het Pijnackernieuws nr. 4 (1988). De laatste activiteit van het Atelier op dit gebied was een brochure over de 18de eeuwse broodbakker en papierknipper Jan Kopper, die in 1989 in samenwerking met de stichting W.Tj.Lever kon worden uitgegeven.

afb. 3

afb. 4

De stichting W.Tj.Lever presenteerde zich met een kleine tentoonstelling in het Atelier in augustus/september 1988. Daarna volgde in november de goed verlopen veiling van de Westerborkcollectie bij Christie’s in Amsterdam, waardoor een grote verzameling knipsels, prenten, boeken en documentatie kon worden aangekocht. Mooie Leverknipsels daaruit konden al worden gepresenteerd op de tentoonstelling “W.Tj.Lever, kunstenaar met papier en schaar” in het Westfries Museum van 9 december 1988 t/m 8 januari 1989. Voor deze expositie zou door het Hoornse museum een zaalpapier of vouwblad worden geproduceerd, maar daar kwam het om onduidelijke redenen niet van zodat we later maar besloten zelf zo’n blad te maken. Dit vouwblad deed goede diensten bij presentaties en exposities in de jaren erna, te beginnen bij tentoonstellingen in het Veenkoloniaal Museum in. Veendam (29 september t/m 25 november 1990) en Streekmuseum Crimpenerhof in Krimpen aan de IJssel (15 december 1990 t/m 5 januari 1991).

Rotterdamse papierknipkunst kwam al aan de orde in de notitie “Rotterdamse papierknip- en snijkunst, verslag van een vervolgonderzoek”. Daarin werd onderzoek aangekondigd naar leven en werk van de knippers Klaas Bakema, Abraham Bosch en Theodorus van Eck. De tentoonstelling “Rotterdamse papierknipkunst in verleden en heden” op de afdeling geschiedenis van de Centrale Bibliotheek Rotterdam (10 januari t/m 13 februari 1989) vormde de opmaat voor dit onderzoek. Deze bibliotheektentoonstelling werd uitstekend begeleid door artikelen in het veel gelezen huis-aan-huisblad De Havenloods (5 januari 1989) en de rubriek “Rotterdam Centraal” in het Rotterdams Nieuwsblad (10 januari 1989) (afb. 5).

afb. 5

De tentoonstelling en krantenartikelen leverden verschillende reacties op met betrekking tot de Rotterdamse knippers Bakema, Bosch en Van Eck. Hiervan werd gewag gemaakt in een artikel in De Noordergids (10 maart 1989) en veel later in het Rotterdams Dagblad (22 november 1989) (afb. 6). Dat laatste artikel kon worden gepubliceerd nadat gegevens van het onderzoek in een notitie op een rijtje waren gezet, waarbij gebruik gemaakt werd van mondeling verstrekte gegevens verstrekt door reagerende krantenlezers en tentoonstellingsbezoekers.

afb. 6

In die notitie, “Wie weet meer over Bakema, Bosch en Van Eck? Verslag van een onderzoek in de beginfase” (afb. 7) werd vermeld dat zes telefonische reacties binnen waren gekomen. Twee daarvan betroffen Klaas Bakema. Deze personen werden bezocht en geïnterviewd. Zij zorgden weer voor twee nieuwe adressen van familie of bekenden van Bakema.

afb. 8

De stichting W.Tj.Lever beschikte al, dankzij de voor een belangrijk deel aangekochte Westerborkcollectie het jaar ervoor, over knipwerk (zie het vouwblad) en foto’s van en krantenknipsels over Bakema (afb. 8-13). En over de correspondentie Bakema-Lever (1950-1952). De verhalen van respondenten met hun herinneringen aan de Rotterdamse knipper konden nu daarbij worden gevoegd, samen met de afbeelding van een knipseltje uit 1933 (afb. 14) en een foto van Bakema op latere leeftijd nog steeds bezig met acrobatische toeren (afb. 15). De verstrekte informatie gaf vooral een goede indruk van het karakter van de bijzondere silhouettist en vormde een nuttig tegenwicht ten opzichte van de herinneringen die het echtpaar Kerp in 1986 door Elly Stroucken liet optekenen. Ook moesten we helaas vernemen dat de dochter van Bakema haar vaders spullen na zijn dood had weggedaan omdat er toch geen belangstelling voor zou zijn. Een voorbeeld van het bedrijven van mondelinge geschiedschrijving. Goede ervaringen over deze wijze van feiten- en herinneringsonderzoek waren al opgedaan in de periode 1980-1985 [2]. De interviews (ook die over Bosch en Van Eck) werden vanwege hun lengte en inhoud niet volledig getranscribreerd, slechts belangrijk gevonden passages werden daaruit genoteerd.

afb. 8, Klaas Bakema

Op basis van het nu beschikbare materiaal werd een artikel geschreven met de eenvoudige titel “Klaas Bakema”. De tekst in potlood werd ruim voorzien van voetnoten. Deze opzet werd vervolgens gebruikt voor het ontwerpen van het vouwblad “Rotterdamse papierknipkunst (1). Mededelingen over…Klaas Bakema”. Uitgetypt bleek de tekst echter veel te lang voor het vouwblad. Het conceptartikel werd enigszins ingekort en de noten, die voor zo’n uitgave niet zo geschikt werden gevonden, verdwenen. Voor het vouwblad werden zeven illustraties (5 knipsels en 2 foto’s) gebruikt. Het blad verscheen in het najaar van 1989.

afb. 9, Klaas Bakema, rond 1917

afb. 11

De serie Rotterdamse papierknipkunst werd na twee nummers niet vervolgd, onder andere omdat de Leverstichting het te druk kreeg met het organiseren van exposities en presentaties op diverse plaatsen in het land. En, in 1992 werd gestart met het (nieuwe) Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven, na voorbereidingen in 1991. Toch werd Rotterdam niet uit het oog verloren. Tot 1995 was er nog van alles te melden. Jaarlijks werd (van 1989 t/m 1994), met een steeds wisselende presentatie, de Rotterdamse Dag, georganiseerd door de Stichting Ons Rotterdam, bezocht. Het bijzondere snijwerk “Gesigt der Stadt Rotterdam” van J(ohannes) Brasser kon worden aangekocht (1991) en er werd onderzoek verricht naar reizende silhouettisten in Rotterdam aan het einde van de 18de eeuw. In 1993 kon familie van de Rotterdamse knipper Johan Bennik (1896-1981) worden opgespoord naar aanleiding van een ontvangen ansichtkaart. Gevolg een mooi artikel in de Nieuwsbrief en een schenking van 14 knipsels van deze intrigerende Rotterdammer (1993). In 1994 was in de museumruimte de expositie Rotterdamse papierknipkunst te zien en kon als schenking het schimmenspel “Duimedik” van de Rotterdamse beeldend kunstenaar Didi Hovingh de museum/stichtingscollectie worden opgenomen.

afb. 10, Bakema

Hierna werd onderzoekswerk nagenoeg volledig gericht op knipwerk uit eigen collectie en bestudering van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst in het algemeen.

Het volledige, oorspronkelijke geschreven artikel over Bakema volgt hierna. Op kleine verbeteringen en enige inspringingen na is de tekst geheel intact gelaten, waarbij steeds bedacht moet worden dat het hierbij gaat om een manuscript dat nog in definitieve tekst moest worden omgezet. Verder is het notenapparaat enigszins aangepast.

NOTEN

  1. Een overzicht van al deze activiteiten is te vinden in: Henk Ark, Atelier- Stichting-Museum, Rasquert 2010.
  2. Henk van Ark, “Wijkmuseum Hillesluis. Mondelinge historische documentatie en de vorming van een museumkollektie” in: Manuela du Bois-Reymond en Ton Wagemakers, Mondelinge geschiedenis. Over het theorie en gebruik van mondelinge bronnen (SUA), Amsterdam 1983, p 54-67.

Klaas Bakema

Over de sihouettenknipper Klaas Bakema is tot nu toe weinig gepubliceerd. Natuurlijk, hij wordt vermeld in de uitgaven “Leer knippende zien” (1970, 1977) [1] en “Schaar-kunst” (1983) [2] en in 1986 verscheen een artikel in het tijdschrift Knip-pers [3]. In de collectie van de stichting W.Tj.Lever bevinden zich een aantal foto’s en enige krantenartikelen die een beter licht werpen op Bakema’s activiteiten, ook zijn zestien brieven van Bakema aan W.Tj.Lever bewaard gebleven. Mondelinge mededelingen van diverse personen over Klaas Bakema maken het mogelijk het beeld van deze artiest in hart en nieren verder te completeren.

Klaas Bakema werd als zoon van Klaas Bakema en Adriana Schuijer op 6 mei 1882 in Rotterdam geboren. Hij trouwde op 26 februari 1908 met Johanna Winkelman. Zij krijgen twee kinderen: Johanna (geboren 1911) en Wil (geboren 1927). Bakema is op 24 juni 1958 in Amsterdam overleden.

afb 12, Bakema

Zeer beknopt, doch zorgvuldig, staat Bakema’s levensverhaal beschreven in het krantenartikel “Nederlands eerste silhouettenknipper”[6]. Volgens dit artikel bezat Bakema in zijn jeugd een bijzondere tekenaanleg en hield zich met zijn schoolvrienden vooral bezig met acrobatiek.Op jeugdige leeftijd was hij een niet onverdienstelijk slangenmens. Na de school doorlopen te hebben werd Klaas Bakema zeer tot zijn verdriet naar een fabriek gezonden waar hij de aandacht trok van de oudere arbeiders die zijn kunststukjes bewonderden. Pasen 1897 kreeg hij genoeg van het fabriekswerk en trok er tussenuit, naar België. Bakema schrijft hierover aan Lever: “April 1897 onder de blote hemel geslapen, honge[r] geleden en na vele avonturen in een circus gekomen mij[n] eigenlijke doel natuurlijk. Deze menschen waren zeer goed voor mij, en bezorgder soms voor mij, dan mijn ouders. Ik maakte slangenmensch (ik was enorm) als duivel (…)“. Even voor deze passage schrijft hij over deze acrobatische toeren: “(…) Echter ik bezat reuzen routine met knippen, doch .. . het slangenmensch wat ik maakte was het beste van alles (…)Dit had ik dan ook vanaf mijn negende jaar ingestudeerd”. Tot op hoge leeftijd bleef Bakema dit kunstje beoefenen: “Nog spring ik over over mijn kop als ik mijn hondjes op het stuk land bij mij in de buurt uitlaat. Mijn grote dochters zeggen dan vader schaam je toch met je grijze haren (De honden vinden het echter enorm!!!). Dit zit er bij mij ook in geboren, van kinds af(…)[7].

Bakema keerde echter na enige tijd naar huis terug v[oor]n[amelij]k om zijn moeder een plezier te doen [8]. Terug in Rotterdam, waar de verloren zoon zonder de gevreesde straffen liefderijk werd ontvangen, bekleedde Bakema ondermeer de functie van politieagent, maar dat heeft slechts enkele maanden geduurd. Enkele dagen na zijn ontslagname trad hij op de Leeuwarder kermis op als clown. Daarna was hij van alles: fabrieksarbeider in Duitsland, wagenbestuurder op de electrische tram in Rotterdam, particulier chauffeur, wijnkopersknecht, rekenmachine-monteur, silhouettenknipper en stenciltekenaar [9].

afb 13, Bakema

Met het knippen van silhouetten is Bakema in 1915 begonnen. Bakema schrijft aan Lever over zijn werk in het wijnpakhuis dat hij 17 jaar deed. “Tot dat in 1914 de eerste wereld oorlog uitbrak. Ons loon werd niet verhoogd en ik kreeg huiselijke zorgen… Er waren toen in Holland veel Belgen (1915) en Franschen. Toen opeens zag ik een Fransman (Leon Bourg) die op de markt in Rotterdam, waar ik toen Woonde, silhouetten knipte van personen. Direct toen ik dit zag “voelde” ik dat dit voor mij ook mogelijk was. En ging naar huis en van een stukje papier van een maandkalender, maakte ik toen met een gewone schaar, mijn eerste proviel (bijschrift in pen: nog in mijn bezit) van een gipse pop die ik op de kast had staan…Dit eerste knipsel was nog ruw, doch de verhoudingen waren al direct vrij juist. Nu had ik van jongs af steeds aanleg voor portret teekenen gehad dus het silhouetknippen was voor mij direct een ideaal. Ik was toen werkelijk wat men noemt gesjochten en in de week nadat ik die Franschman zag heb ik bijna dag en nacht gewerkt om een tafeltje met opstand te maken, teneinde aan het silhouetknippen te beginnen. 14 dagen later was alles klaar, en mijn eerste inkoop van mijn armoe was, 300 Witte briefkaarten voor 30 cents….Ook voor een dubbeltje zwart papier. En juist 14 dagen nadat ik het van die Franschman zag, stond ik op dezelfde markt als hij tot groot enthousiasme van de Rotterdammers die verbaasd waren dat er nu ook een Hollander was die dit deed. (…) Doch hij met de routine van jaren en ik als beginneling, met ruwe zware vuile handen, doch met veel energie. Het gevolg was dat ik het publiek direct “op mijn handje had” daar die Franschman een verwaand onsympathiek mensch was. Mijn knipsels van de menschen wiens portret ik maakte was niet zooals thans, doch het proviel leek wel. Ik ben het vak toen blijven uitoefenen en in enkele maanden stond ik op dezelfde hoogte van thans. Als er tenminste van hoogte sprake is” [10].

Bakema is het knippersvak inderdaad blijven uitoefenen, maar niet als beroep waarmee hij zijn inkomsten zou moeten verdienen.Wiecher Lever die al jaren knipte maar rond 1950 juist aan een loopbaan als beroepsknipper begon, waarschuwde hij “dat het knippen een aardig vak is, doch dat er onmogelijk een bestaan als zoodanig uit te slaan is”[11]. En die overtuiging staafde hij in zijn brieven aan Lever met vele voorbeelden. Waarschuwen wilde hij de beginnende beroepsknipper ook: “raad is zeker goed, HEBT U EEN STERKE MAAG? JA? Nu dan is het wel goed want U zal met dit vak wel eens honger moeten lijden…. “ en “Mijnheer Lever een goed[e] raad, als men het in de wereld tot een betrekkelijke onbezorgde bestaan wil brengen, begin dan nooit met iets dat men zelf moet maken (…) Een verkooper van schilderijen verdient meer dan de schilder zelf er van. Denkt U er aan?” [12]

afb. 14

Bakema slaagde erin een betrekking als kantoormachinemonteur te krijgen bij de firma Ruys Handelsvereeniging in Rotterdam en door dit bedrijf werd hij in 1920, samen met vrouw en kind, naar Indië uitgezonden. Maar Bakema kon niet tegen het tropische klimaat en werd ziek. Op doktersadvies zou hij direct naar Holland terug moeten, maar de firma voelde [er] weinig [voor de] terugzending en de daaraan verbonden kosten te betalen. Men raadde hem aan het geld voor de terugreis maar eens met (portret)knippen bij elkaar te scharrelen. Bakema hierover: “Op een tentoonstelling “Passar Gambir” voor Inlandsche kunst enz. schreef ik in. De eerste dag ontving ik al veel meer dan ik bij mijn firma verdiende. Toen deze 10 dagen voorbij waren ging ik naar de jaarbeurs in Bandoeng en kreeg daar…gratis een plaats. Alleen de warmte is fnuikend in lndië, want het zweet liep met druppeltjes van mijn neus soms… Ik heb de terugreis voor mijn vrouw, dochtertje en mij in ongeveer 8 weken verdiend, en in November 1921 kon ik met mijn gezin terug naar Holland” [13].

Later trad Bakema in dienst van de firma Kramer[s] [Rotterdam] en verhuisde in 1931 naar Amsterdam om daar voor het Amsterdamse filiaal te gaan werken. Bakema bleef naast zijn beroep als kantoormachine monteur bezig met knippen en andere zaken zoals poppe[n]kast spelen. Maar dat laatste was na 1940 afgelopen omdat zijn kast, opgeslagen in Rotterdam, bij het bombardement van de stad verbrandde[14]. Ook na de oorlog bleef Bakema bezig met het papierknippen [,] hij reisde het hele land door, vaak werd hem daarvoor door zijn jongste dochter een treinabonnement verschaft [15]. Het krantenartikel over “Nederlands eerste silhouetten-knipper” geeft hetzelfde beeld als naar voren komt uit Bakema’s brieven aan Lever: “Bakema is echt artist in hart en nieren, zijn onafhankelijkheid dreef hem steeds verder, een vaste ankerplaats heeft hij nergens kunnen vinden. Hij is zeer actief pakt van alles aan, doch trekt zich onmiddelijk terug, zodra hij zijn onafhankelijkheid bedreigd voelt. Een rustig burgermansbestaantje is niets voor hem, daarvoor is hij te veel artist”[16].

In zijn laatste levensfase gaat Bakema op zoek naar andere (silhouetten)knippers, met ondermeer de bedoeling zijn kennis en ervaring over te dragen. Hij schrijft een aantal knippers aan, waaronder in 1943 Hans Detlev Voss, toen wonend en werkend in Rotterdam, maar ontvangt geen antwoord [17]. Over het werk van Voss laat hij zich laatdunkend kritisch uit: “Nota bene zijn resultaten zijn reproducties van Duitsche silhouetten die enigszins veranderd zijn. Hij teek[e]nt eerst [,] werkt zijn resultaten met Oost Indische inkt bij, en gebruikt malletjes. Heel aardig maar waarom hij zich zoo laatdunkend over de silhouettenknippers uitlaat, is voor mij duidelijk. Hij dacht door reclame de indruk te vestigen alsof hij DE kunstenaar is … (..) Daarom ben ik ook zoo blij dat U er ook mee zijt begonnen. Als er een wedstrijd komt van silhouetknippen “wedden dat hij niet meedoet” [18].

Het werk van Voss is niet het enige dat het moet ontgelden, zo beschouwt hij het werk van Lily Eisendorn (waar Lever hem op heeft gewezen) meer als fröbelwerk omdat het uit aparte opgeplakte stukjes bestaat [19]. Over de knipsels van mevr[ouw] Kerp-Schlesinger toont hij zich in eerste instantie razend enthousiast, later komen er echter bedenkingen [20]. Mevr Kerp-Schiesinger heeft herinneringen opgehaald aan de tentoonstelling van knipkunst die in 1950 in Franeker werd gehouden. Bakema zou toen niet in staat zijn geweest een silhouetdemonstratie te verzorgen [21]. Over dit voorval laat Bakema zich in zijn brieven aan Lever niet uit, wel verhaalt hij over zijn bezoek aan het planetarium (wat hij interessanter vindt dan de knipkunst). Bakema zou naar Franeker zijn gegaan om enige knipsels toe te voegen aan de daar van hem geëxposeerde. Deze waren namelijk door mevr Kerp zonder zijn medeweten ingestuurd; hij had ze gewoon weggegeven en vond ze kwalitatief niet goed genoeg [22].
Voor het oude knipwerk op de expositie in Franeker kon Bakema maar weinig waardering opbrengen en het knippen op zich stelde eigenlijk maar heel weinig voor: “De ouderwetsche knipsels vond ik arm aan uitbeelding met veel en veel krulletjes en slinger de slangetjes, doch waarin veel tijd zoek was gemaakt aan het knippen zelf, zonder een origineele gedachte als hoofdzaak te beschouwen. Een gedachte op zoo ‘n eenvoudig mogelijke wijze met een schaar uit te beelden, had (volgens mij dan) het grondmotief van die brave ouderwetsche menschen moeten zijn. Doch als antiqiuteit zijn deze knipsels natuurlijk kostbaar; zooals de meeste oude voorwerpen. Neen, mijnheer Lever, het knippen beschouw ik voor mezelf als een heel, heel, heel ondergeschikte bezigheid en dezelfde waarde als knutselaars. Deze laatste lieden leveren weleens bijzonder goed afgewerkte dingen, doch handelswaarde bezitten deze dingen niet althans niet voor de meer ontwikkeld mensch. Daarom is het ook zoo belachelijk vind ik, dat beroepsschilders of beeldhouwers, deze “knipperij” beschouwen als aan hun vak verwant (…)Uitzonderingen daar gelaten”[23].

afb. 15, Klaas Bakema, het slangenmens

Behalve een, ongetwijfeld oprechte mening over het knipwerk dat hij had kunnen bekijken, klinkt in deze woorden toch ook de verbittering door v[an] e[en] man die voor zijn (knip)werk niet echt de waardering kreeg die hij meende te verdienen. In die zin moeten (naar mijn mening) ook een aantal opmerkingen over het publiek, vooral op kermissen, begrepen worden die Bakema aan Lever deed toekomen [24]. Volgens de herinneringen van de heer en mevrouw Kerp zou Bakema een revolutionair zijn geweest, vol zorgen over maatschappelijke problemen. Hij was doodeerlijk, maar realiteitsblind, een denker die als hij in een andere wie[g] had gelegen het als filosoof ver [zou] hebben geschopt [25]. Maar een vlotte babbel en dito pen en een uitgesproken mening over allerhande zaken maken iemand nog niet tot filosoof. Bakema’s correspondentie [met Lever] toont een man in zijn laatste levensfase. Met het gevoel eigenlijk zijn leven lang ondergewaardeerd te zijn en wanhopig op zoek zijn mening over van alles en nog wat te verkondigen en zijn kennis over te dragen. Doodeerlijk, zonder te streven naar geldelijk gewin, dat wordt van diverse kanten bevestigd. In de kunst van het silhouettenknippen op zoek naar een opvolger: “Twintig à dertig jaar geleden had ik al gedroomd van een tweede silhouettenknipper… eindelijk is die er dan toch… “ [26]. Zeker, Lever was kort voor hun kennismaking met het knippen van portretten begonnen, maar was met papierknippen al veel langer bezig [27]. En, hij was niet de enige. Er zijn in Nederland steeds mensen geweest die zich met papierknippen hebben beziggehouden, ook zonder dat Bakema en anderen dat wisten. En de papierknipkunst kon zich in de periode 1946-1950 in een oplevende belangstelling verheugen door verschillende exposities, hobbybeurzen en de activiteiten van een aantal knippers en knipsters. Na de tentoonstelling in Franeker in 1950, waarvoor slechts zes knippers te vinden zouden zijn geweest [28], nam die belangstelling alleen nog maar toe. Bakema kon het allemaal niet zo waarderen. Hij was een artiest, had gedaan aan acrobatiek, schimmenspelen, goochelen, poppenkastspelen, toekomst voorspellen, gedachten lezen en portretknippen. Met een haat-liefdeverhouding tot zijn publiek. In geestelijk opzicht een zoeker van spiritisme tot theosofie en het Leger des Heils.

In 1952 moest hij constateren dat zijn kermisvakgenoten een afbeelding van hem op de voorpagina van hun vakblad hadden geplaatst met als onderschrift “Kermis romantiek”. Duidelijker kon het niet. Kijken we naar het werk dat Bakema heeft gemaakt, dan kan worden gesteld dat de positieve meningen daarover beslist niet zijn overdreven. Zijn portretten zijn veelal zorgvuldig geknipt en met aardige details uitgewerkt. Verder wist hij de geknipte portretten, voor zover dat los van het model is te beoordelen, precies dat mee te geven wat een goed portret typeert, het sprekende, levendige en dat met een zwart papiertje! Dat werk verdient alle bewondering.

Door Henk van Ark

Noten

1.I.G.Kerp-Schlesinger, Leer knippende zien, De Bilt 1970, p.45 en p.69; diverse afbeeldingen.
2. Joke en Jan Peter Verhave, Schaarkunst. Ontwikkeling van de papierkn4ikunst in Nederland, Arnhem 1983, p.39. Hier onjuist vermeld als “sinds 1915 in Amsterdam werkzaam als clown, marktkoopman en silhouettenknipper”.
3. Elly Stroucken-de Jager, “Kees Bakema. Herinneringen, opgetekend uit de mond van mevrouw I.G.Kerp-Schlesinger”, Knip-Pers, jrg.3 (1986), pp.5-9.
4. De brieven [aan Lever] lopen van 6 april 1950-22 maart 1952.
5. Voor dit artikel werd in 1989 informatie over Bakema verstrekt door mevr. L.v.d.Berg-Kalkman (Rotterdam) en dhr. A. van Driel (Rotterdam).
6. “Nederland[s] eerste silhouettenknipper niet gedateerd krantenknipsel (ca. 1952), coll. W.Tj.Lever, R’dam. Vergelijkbare gegevens zijn ook te vinden in: Henk Suér, “Het werk van Kees Bakema”, De Tijd, 4 augustus 1956 en “Klaas Bakema (op de Pinkster-drie markt) liet eens de ganzen in ‘t circus los (…)“,Rott(erdams) Nieuwsblad, 26 mei 1953.
7. Deze drie passages zijn aanwezig in [de] corr[espondentie] Bakema-Lever [B/L] 26 april 1950, p.3.
8. corr. B/L, 9 april 1951, p.5.
9. corr. B/L, 9 april 1951, pp.5- 11.
10. corr. B/L, 11 april 1950, pp. 1-2
11. corr. B/L, 11 april 1950, p. 4..
12. corr. B/L, 11 april 1950, p. 5. Bakema maakte dus van het knippen bewust nooit zijn beroep als onterecht staat vermeld als herinnering van I.G.Kerp (Knip-pers, p.7).
13. corr. B/L, 11 april 1950, pp. 3-4.. Bakema bekostigde dus niet zijn reis naar Indië door op de boot portretten van passagiers te knippen (Knip-pers, p.7).
14. corr. B/L, 25 dec 1950, p. 3.
15. corr. B/L, 25 dec 1950, p. 4.
16. “Nederlands eerste silhouettenknipper” [kranten]knipsel coll.st. W.Tj.Lever.
17. corr. B/L, 6 april 1950, p. 6; corr. B/L, 11 april 1950, p. 6.
18. corr. B/L 11 april 1950, p. 6; [corr. B/L], 26 april 1950, p. 8. Bakema reageerde aan Lever op een artikel over Voss in het tijdschrift Vizier.
19. corr. B/L, 11 april 1950, p. 7.
20. Bakema moet Kerp-Schiesinger in Bussum tussen 26 april en 11 juni 1950 op een zesdaagse tentoonstelling hebben ontmoet (corr. B/L, 11 juni 1950, p. 1) Het in het Knip-persartikel vermeldde (ontmoeting in 1949, Bakema was 75 jaar) is dus onjuist; corr. B/L, 11 juni 1950, pp. 1-4 (lof) [,] corr. B/L 11 juni 1950 p. 5 (bedenkingen [;] corr. B/L [.]
21. Knip-pers 3 (1986), pp. 5-9.
22. corr B/L, 3 sept. pp. 1-2, 7-8; corr. B/L 16 oct, p.1.
23. corr. B/L, 16 oct., pp. 2-3.
24. corr. B/L 6 april 1950-22 maart 1952, passim.
25. Knip-pers [3, 1986], p.7 en p. 9.
26. corr. B/L 9 april 1951, p.12.
27. Lever was dus zeker geen beginnend knipper en leerling van Bakema zoals mevr. Kerp zich herinnerde (Knip-pers [3, 1986], p.8), evenmin was hij toen van beroep kolensjouwer. Lever knipte vanaf zijn jeugd, verkocht in 1936/37 zijn eerste knipsels en wist in oorlogstijd van het [knip]werk enige tijd rond te komen [In de jaren voordat hij als beroepsknipper begon was hij handeisreiziger].
28. Knip-pers [3, 1986], p.8. Gegevens over de expositie in Franeker zijn niet meer bij museum ‘t Coopmanhus beschikbaar (schr.med.). Er moet toen slecht gezocht zijn want W.Tj.Lever noemt in zijn artikel “Nederland knipt weer 8 andere knippers die hij kende uit eigen omgeving of via kontakten (De Schilder, 21 juli 1951, p.246-247).
29. corr.B/L, 22 mrt 1952, p. 3.

Jan de Rijmer en knipsels met de schaar, Papyria 1

“Bloempjes der Vreugd” is een boek dat zich al jaren in onze stichtingsverzameling bevindt [1](afb. 1.)

Afb. 1, Bloempjes der vreugd

Het is aangeschaft in een periode dat we vrijwel alles wat met knipkunst te maken had verzamelden. Dit boek werd gekocht omdat bij het gedeelte over J.J.A.Gouverneur enige gedichten met daarbij geknipte illustraties (afb. 2,3 en 4] waren opgenomen.

Overduidelijk Duits knipwerk, waarschijnlijk van de hand van Müller of Fröhlich[2]. Dat werk behoorde niet tot de onderzoeksprioriteiten van de Leverstichting die zich vooral richtte (en richt) op de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst. Maar de inhoudsopgave[3] van Bloempjes vermeldde dat de illustraties en gedichten afkomstig waren uit “Knipsels met de schaar” van J.J.A.Goeverneur, uitgegeven respectievelijk door W.van Boekeren, 1835 en 1843, J.Oomkes te Groningen, vierde druk, 1853 en Van Druten & Bleeker te Sneek, z.j. En omdat Goeverneur een bekend Nederlands schrijver van kinderboeken in de 19de eeuw was bleef een vage interesse voor verder onderzoek bestaan.

afb. 4

Daar kwam het niet van ten tijde van het Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven, dit veranderde toen de stichting W.Tj.Lever naar Groningen verhuisde. In een boek dat we lazen over het literaire leven in Groningen van 1945 tot 2005 dook de naam van Goeverneur weer op[4]. Naar aanleiding van het thema van de landelijke boekenweek (“Styx, leven en dood in de letteren”) vond een bijzondere plechtigheid op de Zuiderbegraafplaats in de stad Groningen plaats. In optocht ging een groep mensen naar het graf van Goeverneur waar een kleine ceremonie te zijner ere plaatsvond. Het was een van de “oden aan de doden”, een van de activiteiten van de boekenweek. Daarna werd een actie gestart voor de restauratie van het sterk verwaarloosde grafmonument. In november 2005 werd het herstelde graf onthuld[5]. Na lezing van dit voorval werd een korte zoektocht op internet ondernomen. Dit leverde al snel enig biografische gegevens op en een beperkte literatuuropgave [6]. Daarbij niet het boek “Lust en Leering” [6] dat we tot onze verrassing kort erna aantroffen in een ramsjaanbieding bij een Groningse boekhandel. De titel van dit standaardwerk, geschreven door het echtpaar Buijnsters, was ons wel bekend maar in het jaar van uitgave (2001) was het financieel niet mogelijk het aan te schaffen. Ook van raadplegen in een bibliotheek kwam het toen niet.

afb. 5 Jan Goeverneur

Nu lag het anders en het resultaat was hoopgevend. Hoofdstuk 11 van dit boek gaat over Jan Goeverneur, van beroep: kindervriend (afb. 5 en 6).  Een, mede op dit hoofdstuk gebaseerde, levensbeschrijving van Goeverneur is verder te vinden in een artikel van Frits Booy [7] uit 2009.

afb. 6

We lezen daar: “Johan Jacob Antonie Goeverneur werd op 14 februari 1809 in Hoevelaken geboren. Zijn ouders waren Mattheus Goeverneur, hervormd predikant, en Cornelia Rembrandina Graswinckel, beiden afkomstig uit oude Delftse patriciërsfamilies. Jan zat op scholen in Beetsterzwaag en in Groningen, waar hij in 1925 [moet zijn 1825, red.] theologie ging studeren. Met medestudenten richtte hij in 1829 de Groninger Studenten AImanak op, waarin hij als ‘Jan de Rijmer’ satirische gedichten publiceerde. In 1831 nam hij deel aan de Tiendaagse Veldtocht; daarna ging hij in Leiden letteren studeren. Hij deed in 1836 doctoraal examen en keerde naar Groningen terug. Hij wilde geen dominee of leraar worden, maar gaan leven van zijn pen. Hij was redacteur van De Huisvriend, een maandblad voor het grote publiek, en schreef voornamelijk voor de jeugd. Op latere leeftijd kreeg hij psychische problemen. Arm en teruggetrokken stierf deze vrijgezel op 18 maart 1889. (…) Naast zijn redactiewerk probeerde Goeverneur geld te verdienen met het verzinnen, vertalen en bewerken van verhalen en versjes voor kinderen. Hij hield zich bezig met allerlei genres als fabels, sprookjes, avonturenverhalen, abc-boeken, speel- en informatieve boeken. Hij bewerkte voor de jeugd vele klassieke verhalen zoals sprookjes van Grimm en Andersen, Robinson Crusoë, Gullivers reizen, Avonturen van baron van Münchhausen, zelfs Don Juan en Doctor Faust!”.

Een aparte categorie van zijn werk, schrijven de Buïjnsters, worden de prentenboekjes met silhouetten naar voorbeeld van de Duitser Karl Fröhlich (1821-1898) genoemd. Deze was al op jonge leeftijd begonnen met zich te oefenen in de acrobatiek met de schaar en werd zo de schepper van het “Scherenschnitt Bilderbuch”. Fröhlich schreef zelf het berijmd commentaar bij elk silhouetplaatje, dat meestal een idyllisch tafereeltje met dieren en kinderen uitbeeldde en dikwijls een komische inslag bezat. Zijn filigraintechniek komt het best tot uitdrukking in de bomen en struiken die hij bij voorkeur tevoorschijn toverde. Tot in de twintigste eeuw bleef zijn “Fröhliches ABC Buch” uit 1859.Van eerdere datum was “Fäbeln und Erzahlungen für kleine und grosse Kinder in Versen und Silhouetten” (1852).

afb. 7

De naiëve Biedermeier kunst van Karl Fröhlich was letterlijk geknipt voor Goeverneur, die er dan ook dankbaar gebruik van heeft gemaakt voor zijn eigen “Knipsels met de schaar”. Een nieuw boek voor kleine en groote kinderen met versjes en rijmpjes (Groningen, W. van Boekeren, 1855) en “De zwarte man. Nieuwe knipsels met de schaar van Karl Fröhlich” (Utrecht, C.van der Post, Jr.,1857). In het openingsgedicht beveelt De Zwarte Man de kinderen aan zijn voorbeeld te volgen: “En is er iemand onder u,/Die vlug de schaar hanteren kan/En die geduld en lust heeft, nu/Knip na de kleine beeldjes dan./Zoo leerde ik zelf ook eerst de kunst”. (afb. 7 en 8)

afb. 8

afb. 9

Beide uitgaven, met dus knipsels van Fröhlich (afb. 9) worden vermeld in “Geknipt!”[9], maar niet een andere Duitse uitgave die Goeverneur voor de Nederlandse markt heeft bewerkt. Het is “De zwarte Peter”, verschenen bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar te Rotterdam.
Een nieuw prettig boek voor jonge en oudere kinderen met schaduwbeelden van Paul Konewka (1840-1871) (afb. 10) en rijmen (eigen èn gevolgd) van Goeverneur. Van dit uiterst zeldzame werk is tot nu toe maar een exemplaar bekend.[10] Goeverneur bewerkte dit silhouettenboek van Konewka uit 1869, met versjes van zijn zwager J.Trojan in 1872.

 

 

afb. 10

Interessant is verder de opmerking bij Buijnsters (in een voetnoot[11], opgetekend door een bezoeker aan Fröhlich, dat de werken “Fabelen voor grote en kleine kinderen” en “A.B.C. voor aardige kinderen in silhouetten ook in Nederland zijn uitgegeven. Tot nu toe zijn hiervan geen exemplaren bekend, maar het is verleidelijk te veronderstellen dat Goeverneur hierbij betrokken geweest kan zijn. Het is nog altijd mogelijk dat te zijner tijd van een van deze uitgaven een exemplaar opduikt, en dat zou natuurlijk prachtig zijn.

 

Door Henk van Ark

Noten
Gebruikte afkorting:
– Buijnsters (2001): P.J.Buijnsters en L.Buijnsters-Smets, Lust en Leering, geschiedenis van het Nederlandse kinderboek in de negentiende eeuw, Zwolle 2001.

  1. Leonard de Vries, Bloempjes der Vreugd, het mooiste uit oude kinderboeken, (2e dr.), Haarlem 1976.
  2. idem, p.139-141.
  3. idem, p.187.
  4. Herman Sandman, Arcadia der Poëten (..), Groningen 2008, p.256-257.
  5. idem: foto van de oplevering van het gerestaureerde graf, p.256.
  6. o.a. www.dbnl.org/auteur.
  7. Buijnsters (2001),
  8. idem, p.193-207; Sandrijn Wiebenga, “’Er is een nobel volkje onder uwe confraters’ J.J.A,Goeverneur en zijn uitgevers”, Jaarboek Letterkundig Museum 8 (1999), p.1-15; Frits Booy, “Jan Goeverneur (1809-1889), kindvriendelijke broodschrijver én pionier”, Boekenpost 104 (17e jrg, 2009), p.27-29.
  9. Geknipt, p.38-39.
  10. Buijnsters (2001), p. 202, Het bevindt zich in de Stadsbibliotheek Haarlem.
  11. idem, p.440, noot 30 en p.233. Fröhlich werd voor de “Kinder-Courant” bezochtdoor Herman de Ridder.

Bijlage

In de bibliotheek van de stichting W.Tj Lever bevinden zich diverse uitgaven van/over het werk van Karl Fröbliçh en Paul Konewka. Dit zijn:

1. Catalogus Karl Fröhlich (1821-1898), Scherenschnitte, Historischen Museum für Stadt en Grafschaft Wertheim, 1983. (afb. 11)
2. Karl Fröhllchs Schatten-Liliput (Kunstwart-Verlage Georg D.W. München, z.j.) (afb. 12)
3. Silhouetten. Scherenschnitte von P.Konewka , Verlag Otto Maier, Ravensburg, z.j. ( afb. 13)
4. Frits Keppler, Zertreute Blätter von Paul Konewka, München, z.j. (afb. 14)

Verder beschikken we over het artikel “Paul Konewka (een kunstenaar met de schaar)” De Vriend des Huizes 25 (1907), p.506-511.

afb. 11

afb. 12

afb. 13

afb. 14

Doopsgezinden en knipkunst, Papyria 2

afb. 1, Joanna Koerten

Een afbeelding van het knipsel “De Romeinse Vrijheid, geflankeerd door portretmedallions van de eerste twaalf keizers” (ook wel “De Twaalf Keizers” genoemd) van Joanna Koerten kozen we uit voor de omslag van “Welkom in Papyria (afb. 1)”, de brochure die dit voorjaar verscheen. Niet voor niets natuurlijk, dit kunstwerk was de belangrijkste aankoop van onze stichting (1999) sinds de verwerving van een belangrijk deel van Wiecher Levers Westerborkcollectie in 1988 en het resultaat van tien jaar lang gericht verzamelen voor het Nederlands Museum van Knipkunst. Het was daarom een groot genoegen dit knipwerk terug te zien op de tentoonstelling “Gedoopt. Vijf eeuwen doopsgezinden in Nederland”, die van 23 februari t/m 15 mei 2011 in Amsterdam is gehouden. Deze prachtige expositie was er één in een rij van tentoonstellingen in de afgelopen maanden die niet expliciet over knipkunst gingen, maar waar wel (soms) veel over dit onderwerp te zien en te lezen was.

Zo was de tentoonstelling “Gedroomd papier” in Rijksmuseum Twente (6 februari-12 september 2010) waar we interessante informatie konden vinden over de betrokkenheid van schilder Herman Kruyder bij het schimmentheater van Ko Doncker rond 1911[2]. En verder: “Het leven getekend. De Gouden Eeuw van Gesina ter Borch” (Stedelijk Museum Zwolle, 17 oktober 2010-9 januari 2011), een mooi vormgegeven, maar wat kleine tentoonstelling met een goed begeleidend boekje van Marjan Brouwer (“De Gouden Eeuw van Gesina ter Borch”) en een knipsel van Joanna Koerten[3]. In “Welkom in Papyria 1” besteedden we al aandacht aan de tentoonstelling “ShadowDance” in Kunsthal Kunstkade in Amersfoort (18 september 2010 t/m 9 januari 2011, verlengd t/m 6 februari)[4]. Vervolgens “Nicolaas Verkolje (1673-1746. De fluwelen hand” (Rijksmuseum Twente, Enschede, 5 februari-12 juni 2011) met nuttige informatie over Verkoljes tekeningen voor het Stamboek van Joanna Koerten[5].

En dan was er dus “Gedoopt”. Bij die tentoonstelling waren diverse publicaties verkrijgbaar, waaronder een opvallende catalogus in een cassette (afb. 2). In dat omhulsel losse kaarten met afbeeldingen van 42 doopsgezinden uit het verleden en 1 kaart met foto’s van 9 dopers uit deze tijd.

Daarbij een boekje met tijdsbalk met daarin portretten van de illustere 42 en aardige thematische onderwerpen zoals Brief van Menno Simons, Martelaarsboeken en de Menniste Hemel[6].(afb. 3) Bij de uitgekozen 42 doopsgezinden waren er vijf die op een of andere wijze met het onderwerp papierknipkunst verbonden kunnen worden: Joanna Koerten, Gesina Brit, Agnes Block, Galenus Abrahamsz. en Agatha Deken. En -in een vitrine- was een knipsel van Jan de Bleyker te bekijken.

afb. 3

Het knipsel “De Twaalf Keizers” van Joanna Koerten was naast een uitvergroting van de zwarte kunst prent van Petrus Schenk naar een schilderij van D. van der Plas (1701) opgenomen in een vitrine met daarin ook de lofdichtenuitgave uit 1736 met twee gedichten van Abraham Bogaert (“Op de Roomsche Monarchy” en “Op de XII Keizers”) over dit knipsel. Eenzelfde opstelling als in ons museum in Schoonhoven. (afb. 4)

afb. 4

Goed gekozen, want Bogaert was ook de schrijver het boek “De Roomsche: Monarchy” uit 1697, een uitgave die Koerten waarschijnlijk heeft gestimuleerd het knipsel te vervaardigen[7]. Overigens baseerde Koerten de portretten van de keizers waarschijnlijk op een uitgave van Joachim Oudaan (“Roomsche Mogentheyt. Of Naeuwkeurige Beschryving, van de Macht en Heerschappy der Oude Roomsche Keyseren (…) Alles vertoont en aengewesen uyt de oude Roomsche Medalien”) van 1670 [8].

afb. 5

De Lofdichten uitgave uit 1736 (afb. 5) is een van de twee versies van bundelingen met gedichten op de knipkunst van Koerten die, twintig jaar na haar dood, zijn uitgegeven. Het boek heeft eigenlijk twee titelbladen. Op de eerste wordt eenvoudig vermeld: GEDICHTEN,/ Uit het Stamboek van Wyle Juffrouwe JOANNA KOERTEN./ ENZ. en na een portretgravure van J.Punt (1734) een tweede blad met de tekst:
“GEDICHTEN/Op de overheerlyke Papiere Snykunst/Van Wyle MEJUFFROUWE/ JOANNA KOERTEN,/Huisvrouwe van Wylen de Heere/ADRIAAN BLOK,/ GEDRUKT NA HET ORIGINEEL STAMBOEK;/Benevens een korte schets van Haar Leven. Daaronder een gegraveerd vignet en tenslotte de vermelding “Te AMSTERDAM, /By STEEVE VAN ESVELDT, in de St.Lucie-Steegh, over ‘t /Meisjes Weeshuys 1736.” (afb. 6) Hier wordt dus goed aangegeven waarom het gaat: gedichten over Koerten en haar werk, gedrukt naar originelen (dus in handschrift) uit haar Stamboek.

afb. 6

De tweede versie van de Lofdichten dateert uit 1735 (afb 6) en is op de Amsterdamse tentoonstelling te zien met enige andere stukken die op Koerten betrekking hebben. Deze uitgave wordt in het algemeen gezien als roofdruk, die dus eerder zou zijn uitgegeven, al zijn er ook andere suggesties. Het titelblad is -waarschijnlijk niet voor niets- misleidend te noemen. De tekst luidt: “HET STAMBOEK/OP DE PAPIERE SNYKUNST/ Van Mejuffrouw/JOANNA KOERTEN,/Huisvrouw van den Heere/ADRIAAN BLOK/Bestaande in LATYNSCHE EN NEDERDUITSCHE/ GEDICHTEN/ DER VOORNAAMSTE DICHTERS. Daaronder een vignet van Punt (1734) en vervolgens de tekst: “’t AMSTERDAM,/ Voor rekening van de COMPAGNIE./ M.D.CC.XXXV.”. Het stamboek op de papiere snykunst van Koerten met gedichten der voornaamste dichters. Maar dit gedrukte boekje is helemaal niet hét Stamboek van Koerten, maar zoals de versie van 1736 terecht vermeld een bundeling van gedichten gedrukt naar originelen uit dit Stamboek. Uit de cataloguskaart van Koerten van “Gedoopt” wordt dit echter niet duidelijk.

Het Stamboek van Koerten (afb. 7) was namelijk een grote collectie waarvan we de inhoud kennen uit een beschrijving van Pieter de la Rue uit eveneens 1753. Niet alleen gedichten maakten deel uit van deze omvangrijke verzameling, maar ook handschriften van hoge personen, tekeningen van belangrijke kunstenaars en staaltjes van fraaie schrijfkunst [9]. Waarschijnlijk is dit Stamboek in het begin van Koertens loopbaan als knipster als handtekeningenboek van bezoekers begonnen om uit te groeien tot een grote collectie die na haar dood in 1715 door haar man Adriaan Blok als Stamboek werd betiteld en fors werd uitgebreid met andere bijdragen, waarvan vele gemaakt in opdracht van Blok. Een origineel geschreven gedicht uit het Stamboek was te zien in de vitrine en is ten dele afgebeeld op de cataloguskaart van Koerten (afb. 8)

afb. 8

Het gaat om werk van Koertens vriendin Anna Insma (1656-1707), dat is opgetekend door de schoonschrijver Jacobus Gadelle (afb. 9).

afb. 9

De geschreven tekst wijkt sterk af van de gedrukte tekst van dit gedicht, dat in beide Lofdichtenversies is opgenomen. Naast het gedicht van Insma was op de expositie de eerste staat van de portretprent die Jacob Houbraken maakte voor Arnolds grote uitgave over Nederlandse kunstenaars. (afb. 10)

afb. 10

Tot het Stamboek behoorde verder een lang gedicht van dichteres Gezine Brit (ca. 1669-1747), ook een van de doopsgezinde hoofdpersonen van de Amsterdamse tentoonstelling. Op haar cataloguskaart wordt terecht melding gemaakt van haar samenwerking met Arnold Houbraken, die haar herderszang “Koridon” volledig opnam in zijn lemma over Koerten in zijn “Groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen”. (afb 11 en 12)

Deze herdeszang is ook vertegenwoordigd in beide versies van de Lofdichten. Een andere hoofdfiguur van de tentoonstelling, de arts Galenus Abrahamsz. de Haan (1622-1706) (afb. 13 en 16) schreef eveneens een gedicht voor het Stamboek dat ook te vinden is in de gedrukte uitgaven van 1735 en 1736. (afb. 14)

Joanna Koerten knipte ook zijn portret (“Borststuk, met een Boek in de hand, en een vaars daar onder”) dat altijd in haar verzameling aanwezig is geweest. In 1956 bevond dit portret zich nog in een particuliere collectie in Aerdenhout [10]. (afb. 15)

afb. 15, Joanna Koerten

In nog steeds dezelfde vitrine van zaal 2 werden we vervolgens verrast door de aanwezigheid van een knipsel van ds. Jan de Bleyker (1707-1783) uit 1777 dat ook tot onze stichtings/museumcollectie heeft behoord (afb. 17). Nog steeds voorzien van het goed gesneden passepartout en strakke lijst, door Tobia Lever aangebracht. Met het effect dat alle aandacht wordt gericht op het ongewoon fraaie knip- en tekenwerk van de Alkmaarse predikant. Dit knipsel werd door ons altijd neutraal aangeduid als “Knipsel met tuinarchitectuur en vergezicht”[11] maar is op de expositie voorzien van de titel “De Hemelpoort”.

afb. 16. Jan de Bleijker

Een andere hoofdpersoon op de tentoonstelling was Agnes Block [12]. (afb 18) Zij was eerst getrouwd met zijdekoopman Hans de Wolff een neef van Vondel, met wie Agnes innig bevriend raakte. Na Wolffs dood hertrouwt zij, met de eveneens doopsgezinde zijdehandelaar Sybrand de Flines. Ter gelegenheid van dit huwelijk dichtte Vondel: “d’ Een schept zomwyl lust op het land,/daer zy bloemen zaiet en plant,/ Of de bloemgodin helpt vieren,/En het loof werk op papieren,/Uitgesneden met de schaer,/Offert op het huisaltaer:/d’Ander heeft natuur getroffen,/als hy net in zyde stoffen,/Loof en schoone bloemen weeft,/Schooner dan de lente ons geeft.”

afb. 18, Agnes Block

Dit gedicht gaat dus over Agnes’ liefde voor de botanie en over haar knipkunst, die ook aan de orde komt in het lange lofdicht “Vijverhof van Agneta Blok” van haar achterneef Gualtherus Blok (1702) (“Doch Bloemen wonderlyk in Potte te schakeren,/ Kan uwe Sny-konst in Papier, uw Schaar ons leeren’). Deze Vijverhof was een buitenplaats aan de Vecht die Agnes na 1670 liet aanleggen De schilder Jan Weenix heeft daar Agnes met haar man en twee (stief)kinderen in de tuin van de Vijverhof geportretteerd. Dit schilderij was ook op de expositie aanwezig, in het catalogusboekje wordt de buitenplaats uitvoerig getoond als voorbeeld van een optrekje in de zogenaamde “Menniste Hemel”, een reeks van vele buitenplaatsen, huizen en hofsteden waarvan de eigenaars veelal doopsgezind waren. Agnes Blok werd de Flora Batava (bloemengodin van Holland) genoemd en verwierf faam door het voor het eerst kweken van een ananas in de Republiek. (afb. 19) Haar botanische collectie liet zij vastleggen door een twintigtal kunstenaars. Helaas is tot nu toe geen knipwerk van Block bekend.

afb. 19

Agatha Deken (174 l-1804) (afb. 20) heeft waarschijnlijk zelf nooit geknipt. Haar levenspartner Betje Wolf moet dit echter wel hebben gedaan.

 

 

 

 

 

 

Er is een knipseltje bewaard gebleven dat zij als 12-jarige heeft vervaardigd voor het zoontje van de burgemeester van Vlissingen (afb. 21).

afb. 21, Betje Wolff

Ook zou zij enige prikwerkjes hebben gemaakt. Aagje en Betje zijn geportretteerd in silhouet door de doopsgezinde predikant Matthias Jansz. van Geuns (1758-1839) die meer dan vierhonderd profielportretten van in hoofdzaak doopsgezinden knipte in de plaatsen waar hij voorganger was en verder professoren, studiegenoten en familieleden[14]. (afb. 22)

afb. 22, Matthias Jansz. Geuns

Hoewel in het bezoekersboek bij de tentoonstelling zoals gebruikelijk enige negatieve opmerkingen zijn genoteerd (bv. zwakke verlichting, niet zo leesbare tekstbordjes in de vitrines en een met altijd gelukkige opstelling van voorwerpen in de vitrinekastjes bij de hoofdpersonen) kan “Gedoopt” toch gezien worden als een zeer geslaagde expositie met een mooie keuze uit de rijke geschiedenis van de doopsgezinden in Nederland. Wat wel ontbrak, en dat is vreemd bij een tentoonstelling waarvoor zoveel werk moet zijn verricht, is een goede, beredeneerde catalogus met daarin, genummerd opgenomen alle in de expositie getoonde voorwerpen. Ieder catalogusnummer voorzien van een verantwoording van de geraadpleegde literatuur en/of archiefstukken. Hoe het ook kan bleek bij de tentoonstelling over Nicolaas Verkolje in Enschede waarbij niet alleen een goede catalogus verscheen, maar bezoekers ook een gratis gidsje mee konden nemen met prima beschrijvingen bij de catalogusnummers.

Voor verder onderzoek is dat geen goede stimulans, hoewel het ons niet zal weerhouden onder andere bezig te blijven met knipkunst en knipkunstenaars in de l7de en begin 18de eeuw. Het artikel over de reis van Zacharias von Uffenbach en zijn knipkunstcontacten in 1710/11 in deze “Welkom in Papyria” laat dat al zien.

Door Henk van Ark

Noten
gebruikte afkortingen

Geknipt!, Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt! Geschiedenis van de papierknipkunst
in Nederland
, Zutphen 2008.
Nieuwsbrief Nieuwsbrief van de stichting W. Tj.Lever en het Nederlands Museum vanKnipkunst (1988-2008).
Papyria, Welkom in Papyria (1),
Rasquert 2011.

  1. Henk van Ark, “Een knipsel van Koerten voor de museumcollectie”, Nieuwsbrief, jrg.12, nr. 3 (september 1999), [p. 3-4] Deze aankoop was aanleiding voor een speciaal Joanna Koerten nummer van de Nieuwsbrief (jrg.13, nr.4, december 2000). Het knipsel behoort nu tot de collectie van het Westfries Museum.
    2. Ton Geerts, Catalogus Gedroomd Papier, tekeningen en grafiek 1850-1935, Enschede 2010.
    3. Henk van Ark, “Knipwerk in albums voor 1700”, Papyria, p. 33-35.
    4. Henk van Ark, “Schaduwdans, maar liever niet zo Nederlands”, Papyria, p. 4l-47.
    5. Paul Knolle, Everhard Korthals Altes, Nicolaas Verkolje 1673-1746. De fluwelen
    hand
    , Zwolle 2011.
    6. Klaas van der Hoek e.a., Gedoopt. Vijf eeuwen doopsgezinden in Nederland, (Amsterdam 2011). Verkrijgbaar bij de expositie waren verder: Gedoopt! Doopsgezinde Bijdragen, nieuwe reeks, nummer 35/36, Amsterdam 2010; Piet Visser, Sporen van Menno, het veranderde beeld van Menno Simons en de Nederlandse mennisten, Krommenie 1996; Menno.(Uitgave ter gelegenheid van het jubileumjaar 2011 van de doopsgezinde geloofsgemeenschap), Zoetermeer 2011.
    7. Henk van Ark, “Nieuwe Museumaanwinsten”, Nieuwsbrief, jrg. 16, nr.3 (september 2003), [p.3-4]
    8. Henk van Ark, “De Romeinse Vrijheid van Joanna Koerten”, Nieuwsbrief, jrg.13, nr.4 (december 2000), [p. 7-11].
    9. Henk van Ark, “Het Stamboek van Koerten”, Nieuwsbrief jrg.13, nr.4 (december 2000) (p.11-14).
    10. H.W.Meihuizen, “Een verloren gewaand portret”, Algemeen Doopsgezind Weekblad jrg.11, nr.28 (1956), p.5.
    11. Atty Broer, Jan de Bleyker (1707-1783), Predikant & Papierknipper, [Schoonhoven] 2001, [p. 13-14], Geknipt!, Lexicon, p. 173-174.
    12. Atty Broer, “Portretten van Knipkunstenaars (1), Nieuwsbrief jrg. 18, nr. 1 (maart 2005), [p.6-10]; Nieuwsbrief jrg.18, nr.2 (juni 2005), [p.3-4]; Geknipt!, Lexicon, p. 174.
    13. Henk van Ark, “Zeeuws Knipwerk: Knip- en prikwerk van Betje Wolf’, Nieuwsbrief jrg.5, nr.2 (juni 1992), [p. 6-7] “Nogmaals, het prikwerk van Betje Wolf’, Nieuwsbrief jrg.5, nr.4 (december 1992), [p.8]; Geknipt!, Lexicon, p.202.
    14. Geknipt!, Lexicon, p. 178.

Knipwerk in albums voor 1700, Papyria 1

afb. 1

ln 2000 kon voor de stichtingscollectie de in 1998 verschenen facsimile uitgave van het Album Amicorum van Jacob Heyblocq worden aangekocht.[1] (afb. 1,2) Een relatief kostbare publicatie waarvan de aanschaf nodig werd geacht omdat er weinig 17de eeuws materiaal in onze verzameling aanwezig was. En, in de opstelling van het Nederlands Museum van Knipkunst wilden we graag een zo zorgvuldig mogelijk opgebouwd overzicht van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst tonen aan de hand van knipsels en documentatie. Het album is na de verwerving daarom niet in de kast van de handbibliotheek verdwenen, maar kon permanent in een vitrine worden geëxposeerd, opengeslagen bij de pagina met een van de drie knipseltjes die in het Heyblocq album aanwezig zijn.

afb. 2

In “Geknipt” komt dit album kort aan de orde in het hoofdstuk over de 17de eeuw [2] en het wordt als een van de albums met knipwerk genoemd, naar aanleiding van een tentoonstelling in het Museum van het Boek over alba amicorum in 1990 in het hoofdstuk over verzamelen en bewaren.[3] Op grond van het doornemen van de catalogus van deze expositie [4] werd geconcludeerd dat albums geen rijke bron voor bestudering van knipkunst zouden zijn, maar dat lijkt niet helemaal juist. Want op de Haagse tentoonstelling zijn voornamelijk topstukken uit Nederlandse collecties te zien geweest. Daarin komen inderdaad maar weinig knipwerkjes voor, maar in andere albums, vooral uit de 19de eeuw, zal ongetwijfeld meer knip- en prikwerk kunnen worden aangetroffen.[5]

Knipwerk in albums is niet alleen te vinden in vriendenalbums maar ook in albums en boeken waarin knippers eigen werk of werk van anderen bewaarden. In “Geknipt” worden daarvan enige voorbeelden genoemd, maar de keuze is beperkt gehouden. Het vroegst bekende voorbeeld van knipwerk in een vriendenalbum dateert al uit het laatste kwart van de 16de eeuw. Het bevindt zich in het vriendenboekje van jonkvrouw Hiskia van Harinxma dat bijdragen bevat van personen uit haar omgeving.

afb. 3

Het knipsel (afb. 3) is omstreeks 1589 gemaakt door of voor Hessel van Ostheim, een jonker uit een Fries adellijk geslacht. Het is een vierkant knipwerk met een decoratieve rand, waarin in het onderste deel een jachttafereel is afgebeeld. Binnen dit vierkant een cirkelvormige rand (met de tekst Hessel van Ostheim 1589) en het ingekleurde. familiewapen Van Ostheim. Het knipsel wordt omringd door een geschreven gedicht over een jachtpartij.[6]

Midden zeventiende eeuw komen knipsels van Cornelis van Halmael uit omstreeks 1648 voor in een boek, met oorspronkelijk blauwe bladen, dat als opschrift draagt: “Verzameling van Papieren Snykonst voor Verscheiten”. Van die knipsels zijn verschillende gesigneerd en gedateerd, ze stellen ridder- of jachttaferelen voor. De Vrede van Munster (1648) is in een knipsel afgebeeld met feestvierende, dansende en musicerende mensen, terwijl een van de figuren een op een zwaard gestoken reuzenhoofd (de verslagen reusachtige vijand?) meevoert. (afb. 4).

afb. 4, Cornelis van Halmael, 1648

De knipsels kenmerken zich veelal door grote, zeer uitgewerkte boompartijen, de geknipte figuren zijn met pen bijgewerkt. (afb.5) Van de knipper Van Halmael is helaas nauwelijks iets bekend.[7]

afb. 5, Cornelis van Halmael, 1648

In het vriendenalbum van Jacob Heyblocq (1623-1690) bevinden zich -zoals in het begin van dit artikel vermeld- drie knipwerkjes (afb. 6,7 en 8).

afb. 6

afb. 7

Heyblocq studeerde onder andere theologie in Leiden en was vanaf 1648 onderwijzer en later rector van de Latijnse School aan de Nieuwe Zijde in Amsterdam. Hij begon zijn album in 1645 in zijn studentenjaren, de laatste bijdrage erin dateert uit 1678. Het bevat 195 bijdragen van 155 verschillende personen, waaronder veel gedichten, maar ook tekeningen en gravures en dus drie knipsels. Heyblocqs album was in eerste instantie niet bedoeld als vrienden- of studentenalbum, maar werd eerder gevormd om bijdragen van geleerde en nobele heren te verwerven om zo te dienen als herinnering aan hen na het overlijden. In dit fraaie en zeer rijk gevulde album vinden we inderdaad bijdragen van diverse grote geleerden, maar ook kleine kunstwerken van kunstenaars als Rembrandt, Govaert Flinck, Gerbrand van den Eeckhout en Anna Maria van Schurman. Curieus is het blad van Comelis van Halmael uit 1649, verondersteld is dat het hier zou kunnen gaan om bovengenoemde papierknipper.

afb. 8

De drie knipsels in het album zijn een geknipte cartouche met daarin een opvallend stukje mica (p. 118) en een beschadigde cartouche rond een schild (p. 172). Dit werkje is helaas zwaar beschadigd. De makers van deze knipwerkjes worden niet vermeld, maar de knipper van de omlijsting van het stukje mica is waarschijnlijk de Rotterdamse schilder Jacobus Gorter. Hij knipte ook de gekroonde dubbele adelaar binnen een omlijsting van dieren en bloemen (p.271). Het knipsel is gedateerd 1660. Bijzonder is de bijdrage van ene Gerard van Midlum (p. 185, 186) uit 1662. Hij schrijft (afb.9) dat Heyblocqs album bijdragen bevat van dichters, schilders én papierknippers, in feite te veel om op te noemen. Hij kan zich daar niet mee meten, want hij is zelf nu eenmaal geen dichter, papierkunstenaar of schilder, maar meer iemand van het midden of de middelmaat (“midlum”).

afb. 9

afb 9a

Is het album van Heyblocq in diverse opzichten van grote culturele waarde, dat geldt zeker van de drie albums die Gesina ter Borch, dochter van Gerard ter Borch (de oude) en zijn derde vrouw Wiesken Matthijs, samenstelde.[9] De familie ter Borch was een echte kunstenaarsfamilie. Vader Gerard (1583-1662) was een bekend tekenaar en schilder. Hij besteedde veel aandacht aan de begeleiding van zijn tekenende zoons Gerard (1617-1681), Harmen (1638-1677) en Mozes (1645-1667). Hij heeft het werk van hemzelf en dat van zijn kinderen nauwkeurig gedocumenteerd en bewaard.. Die taak als conservator van het familiebezit is na zijn dood overgenomen door dochter Gesina (1631-1690). Zij heeft drie albums met eigen werk nagelaten waaruit we een goede indruk krijgen van haar leven en werk. Gesina kreeg geen les van haar vader maar zijn werk en dat van haar broers boden baar voldoende inspiratie om haar talent zelfstandig te ontwikkelen, want uit al het bewaarde werk van de Ter Borch familie blijkt duidelijk dat de leden elkaar steeds geïnspireerd en gestimuleerd hebben.

Het eerste album van Gesina is het Materi-Boeck. Materiboeken werden gebruikt bij het onderricht in schoonschrijven Gesina schreef in dit boek gedichtjes, spreuken en liedjes onder het motto DMS (Deugd Maakt Schoonheid). Haar tweede album is het Liedboek waarin allerlei liefdes- en andere gedichten staan en populaire liedjes die ze overschreef uit veel gebruikte bundels. Het kunstzinnigste is het derde album, het Kunstboek, dat zijn begon in 1660. Ze tekende en schilderde erin, maar plakte er later ook tekeningen van haar familieleden in en veel kopieën van het werk van vader en broers. Daardoor kreeg dit album in de loop van de tijd het karakter van een plakboek. Interessant zijn de bijdragen van vrienden en bewonderaars, die haar in gedichten lof toe zwaaien voor haar artistieke vaardigheden en haar prijzen om haar kennis, schoonheid en deugden. In dit Kunstboek bevinden zich vrij achterin kleine knipwerkjes van Gesina, van Cornelis en Gerrit Schellinger en van Johannes van Achelom.

afb. 10, Johannes van Achelom en Gesina ter Borch

Van de hand van de vrijwel onbekende Van Achelom is een uit wit papier geknipt papierknipsel op een zwarte ovalen ondergrond opgenomen (afb. 10) Op het rechthoekige monument zit een gevleugeld skelet met een gebroken zandloper in de linkerhand. Op het monument is een tekst uit een psalm (Ps. 88:49) geschreven. Daaronder een heel fijn geknipt rijkswapen met de gekroonde dubbele adelaar. Op het voetstuk heeft Gesina de naam van de maker geschreven. Om dit knipsel heeft zij zelf een fraaie bloemenkrans geschilderd. Op een andere pagina in dit album komt een tweede werkje van Van Achelom voor: twee vrolijke drinkers aan tafel met een bediende die een nieuwe voorraad drank lijkt te brengen. (afb. 11)

afb. 11, Johannes van Achelom

afb 11a. Gesina ter Borch

Gerrit en Cornelis Schellinger waren neefjes van Gesina. De albumbladen met hun knipsels zijn allemaal gedateerd 1685. Het zijn kleine knipsels, ook weer uit wit papier, veel van rennende dieren. Er zijn zekere overeenkomsten met knipkunstvoorbeelden uit een boekje over het onderricht der papiere sny-konst dat een jaar erna in Amsterdam is verschenen. Het gaat om voorbeelden van een reeks dieren die geschikt waren om te oefenen: “alle beesten, als haasen, konynen, vossen, eekhoorntjes, verkens, herten, vogeltjes”. Cornelis en Gerrit knipten ook figuren en scènes uit de Oudheid (Narcissus, Jason en het Gulden Vlies, Pyramus en Thisbe) en wellicht een scène uit Torquato Tasso’s “Het bevrijde Jeruzalem”. (afb. 12 en 13)

afb 12. Gebroeders Schellinger

afb. 13, gebroeders Schellinger

De belangstelling voor het werk van Gesina ter Borch is nooit verflauwd. Het Rijksprentenkabinet organiseerde jaren geleden een grote tentoonstelling over haar werk naar aanleiding van de restauratie van haar albums, er verscheen een prachtige studie over tekeningen van de familie Ter Borch en nog onlangs werd het werk van Gesina geplaatst binnen het werk van andere vrouwelijke kunstenaressen uit de 17de eeuw. Een van die creatieve vrouwen was de Amsterdamse papierknipster Joanna Koerten, van wie het geknipte portret van Willem III (afb 14) werd geëxposeerd.[10]

afb. 14, Joanna Koerten

Van Koerten, een befaamde Amsterdamse knipster, zijn twee knipsels op een blad te vinden in het bezoekersboek van Nicolaas Chevalier uit Utrecht. In een publicatie uit 1997 over schrijvende vrouwen uit de vroeg moderne tijd is dit blad opgenomen als illustratie bij een gedeelte over Geertruide van Halmale.[11] Dit omdat deze nagenoeg onbekende schrijfster, van wie zeer weinig bekend is, een lofdicht op Joanna Koerten heeft geschreven dat in beide versies van haar Lofdichten (uitgegeven in 1735 en 1736) kan worden aangetroffen. Hier duikt dus wel voor de derde maal de naam Van Halmael in verband met knipkunst op.

Chevalier (1661-1720) [12] was boekhandelaar, uitgever van een krant, handelaar in munten, ontwerper van gedenkpenningen en prenten en verzamelaar van oudheden en rariteiten. Voor die munten hebben Koerten en haar man ongetwijfeld een bijzondere belangstelling gehad. Het befaamdste werk van Koerten is immers “De Twaalf Keizers” (“De Romeinse Vrijheid”), dat mogelijk mede is gebaseerd op voorbeelden uit “De Roomsche Monarchy” uit 1697.
Op het blad in het Chevalier album (afb. 15) zien we bovenaan een gedicht van Adriaan Blok “Op de Konstkamer van den Heer Nicolaas Chevalier”. Er onder een spiegelmonogram met de initialen van Koerten (JCB) en twee lauwertakken, uitgevoerd in goudpapier. Koerten scheef daaronder een kort gedichtje (“D’ aloudheijds Munt en Konst is hier/In ‘t Kabinet van Chevalier/Johanna Block”). Een klein knipsel (de kop van keizer Tiberius “muntsgewijs”) sluit dit blad af.

afb, 15, Joanna Koerten

Joanna Koerten heeft zelf ook een bezoekersboek bijgehouden. Waarschijnlijk is zij dit begonnen na haar huwelijk in 1691.[13] Wat begon als een boek met handtekeningen van bezoekers aan haar atelier groeide al snel uit tot een losbladige verzameling van tekeningen, inscripties en lofdichten. Of zich er ook knipwerk van andere kunstenaars in heeft bevonden is niet duidelijk. Veel later, waarschijnlijk kort na haar dood in 1715, is deze collectie omgevormd tot een waar “Stamboek”, een eerbetoon van Adriaan Blok aan zijn vrouw.

Door Henk van Ark

Noten
Afkortingen:
– Nieuwsbrief Nieuwsbrief van het Nederlands Museum van Knipkunst en de Stichting W. Tj.Lever.
– Geknipt: Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt, Geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland, Zutphen 2008.

  1. Henk van Ark, “Het Album Amicoum van Jacob Heyblocq”, Nieuwsbrief jrg. 13,nr.2 (juni 2000), p.3-5.
  2. Henk van Ark, “De zeventiende eeuw”, in: Geknipt, p.13.
  3. Joke en Jan Peter Verhave, “Verzamelen en bewaren”, in: Geknipt, p.151.
  4. K.Thomassen e.a. Alba Amicorum, Vijf eeuwen vriendschap op papier gezet: Het album amicorum en het poeziealbum in de Nederlanden, Maarssen/’s Gravenhage 1990.
  5. Voorbeelden daarvan onder andere in: Henk van Ark, Zeer uitstekende kurieuzestukken van papier. Rotterdam snijkunst 1650-1900, p. 13-14.
  6. Geknipt, Lexicon, p.189.
  7. Geknipt, Lexicon, p.180; Atty Broer, Portretten van knipkunstenaars (7), Nieuwsbrief, jrg.20, nr.4 (december 2007), p. 7-10.
  8. Kees Thomassen/J.A.Gruys, The Album Amicorum of Jacob Heyblocq, Zwolle1998; Henk van Ark, “Het Album Amicorum van Jacob Heyblocq”, Nieuwsbrief, jrg. 13, nr.2 (juni 2000), p.3-5.; Atty Broer, “Portretten van Knipkunstenaars (7)”,Nieuwsbrief, jrg.20, nr.4 (december 2000), p. 7-10.
  9. Atty Broer, “Portretten van knipkunstenaars (5)”, Nieuwsbrief jrg.20, nr.2 (juni2007), p. 1-10.
  10. Alison Mc Neil Kettering, Drawings from the Ter Borch Studio Estate, dl. 1+2,Amsterdam 1988; Marjan Brouwer, De Gouden Eeuw van Gesina ter Borch, Zwolle 2010.
  11. Riet Schenkeveld-Dussen (eindred.), Met en zonder lauwerkrans; schrijvendevrouwen uit de vroegmoderne tijd 1550-1850; van Anna Bijns tot Elise van Calcar,Amsterdam 1997, p. 449-454.
  12. D.P.Snoep,” “Virtus post Numeros”, Nicolaas Chevalier’s Chambre des Raretez en zijn bezoekers”, Album Amicorum J.G.van Gelder, Den Haag 1973, p.277-284;Michiel Plomp, “De Portretten uit het Stamboek voor Joanna Koerten (1650-17 15)”,Leids Kunsthistorisch Jaarboek, XIII (1989), p.341 noot 17; Henk van Ark, “De Romeinse Vrijheid van Joanna Koerten”, Nieuwsbrief jrg.13, nr.4 (december 2000); Joanna Koerten nummer), [p. 10]; Joke en Jan Peter Verhave, Kunstkamers en knipkabinetten, Knip-pers, jrg.27, nr.4 (december 2010), p.10-11.
  13. Henk van Ark, “Het Stamboek voor Koerten”, Nieuwsbrief jrg.13, nr.4 (december 2000; Joanna Koerten nummer), p. 14,; Michiel Roscarn Abbing, “Joanna Koerten (1650-1715) en David van Hoogstraten (1658-1724). Een bijzondere relatie tussen twee bekende Amsterdammers, Amstelodamum, jrg.94, nr.2 (maart/april 2007), p.14-29.

Nannenga-Bremekamp, Neeltje Elisabeth

Elly Nannenga-Bremekamp, Soerabaja 30 december 1916 – 2 mei 1996 Doorwerth

Op 3-jarige leeftijd verhuisde Elly -na het overlijden van haar moeder- naar Zuid-Afrika. Haar vader heeft haar steeds gestimuleerd om creatief bezig te zijn. In 1930 bezochten vader en dochter in zes maanden Nederland en vier andere Europese landen; hij liet haar veel musea zien. Voor de middelbare school ging ze naar een kostschool in Pretoria, later naar Engeland. Ze studeerde biologie, net als haar ouders hadden gedaan. Ze ging werken in een botanisch laboratorium in Wageningen en later bij Organon. Te midden van een druk gezin, haar man was ook bioloog, schreef ze een boek over slijmzwammen, dat in 1974 werd uitgegeven. Rond 1984 ontdekte ze het papierknippen en sindsdien heeft ze dagelijks knipsels ontworpen en gemaakt, meestal op A4 formaat. Elly was heel creatief en productief. Haar onderwerpen waren divers, maar de natuur speelde een grote rol. Ook knipte ze met twee kleuren papier éen voorstelling, waarmee ze, iets verschoven, een speels effect verkreeg.

Elly is de dochter van Cornelis Elisa Bertus Bremekamp en Maria Gerarda Theodora de Gelder. Ze trouwt op 19 mei 1943 in De Bilt met Everhard Tonko Nannenga. Ze krijgen vier dochters.

Literatuur