Auteursarchief: admin

Nicolaas Verkolje en Koertens stamboek, Papyria 5

Nicolaas Verkolje, 1683-1746 penseel in grijs potlood, h 192mm × b 282mm, Rijksmuseum

In Rijkmuseum Twente is van 5 februari t/m 12 juni 2011 de tentoonstelling “Nicolaas Verkolje (1673-1746) “De fluwelen hand” gehouden. De expositie werd begeleid met een uitstekende catalogus, een vlot geschreven artikel in het museummagazine Muse en voor bezoekers was er gratis een gids met beschrijvingen van alle tentoongestelde kunstwerken beschikbaar [1]. In Muse wordt het leven van Verkolje en zijn artististieke ontwikkeling kort geschetst:

“Nicolaas Verkolje werd op 11 april 1673 geboren als oudste zoon van Judith Verheul en Johannes Verkolje, een in zijn tijd al zeer gewaardeerd Delfts portrettist, genre- en historieschilder. Nicolaas kreeg teken- en schilderles van zijn vader. Door het overlijden van Johannes in mei 1693 werd Nicolaas’ leerperiode abrupt afgebroken. Vertrouwd als hij was met zijn werkwijze, voltooide hij diens nog lopende opdrachten tot grote tevredenheid van de klanten. In 1694 verhuisde weduwe Judith Verkolje met haar gezin naar Amsterdam om dichter bij familie te zijn en de kinderen meer mogelijkheden te bieden om zich artistiek en economisch te ontplooien. Nicolaas ontwikkelde zich in Amsterdam tot een gewaardeerd schilder. In 1704 trouwde hij met Anna Maria Wulffingh en vestigde hij zich aan de Prinsengracht. Het echtpaar kreeg drie kinderen. In zijn directe omgeving woonden destijds diverse kunstenaars met wie hij samenwerkte of bevriend raakte, zoals Jacob Houbraken, Isaac de Moucheron en IsaacWalraven. Tot zijn leerlingen behoorden de gevierde portrettist Jan Maurits Quinkhard en de bekende genreschilder Gerrit Zegelaar. Na 1720 werd Verkolje gehinderd door toenemende hardhorendheid. Mogelijk was deze het gevolg van de malaria die hem in 1718 meer dan een halfjaar van het werk had gehouden. Gedurende zijn laatste levensjaren leed hij aan ernstige jicht. Hij overleed in 1746 en werd begraven in de Zuiderkerk.
(…) Aanvankelijk schilderde Nicolaas genrestukken en portretten in de stijl van zijn vader: subtiel, maar niet gladjes. Daarnaast verdiepte hij zich in het werk van andere kunstenaars. Zo schilderde hij boerentaferelen in de trant van Adriaan van Ostade en nachtelijke scènes met een brandende lamp of kaars naar of in de stijl van de Leidse fijnschilder Gerard Dou. Omstreeks 1705 ging Verkolje zich steeds meer toeleggen op het maken van historiestukken: historische, Bijbelse en mythologische thema’s en allegorieën. Deze koerswijziging hing vermoedelijk samen met de heersende smaak onder de Amsterdamse kunstverzamelaars en -handelaren tot wier kring hij behoorde. Dit netwerk moet een stimulerende omgeving zijn geweest, met veel aandacht voor de Franse kunst uit de 17de eeuw en uit de eigen tijd. Naast schilderijen maakte Verkoije ook geschilderde kamerdecoraties in Amsterdamse grachtenhuizen, beschilderde hij meubels en maakte hij ontwerpen voor tuinvazen die de beeldhouwer Jacob Cressant uitvoerde. Gedurende de laatste jaren van zijn actieve loopbaan koos Verkolje vooral in zijn historiestukken, onder invloed van moderne Franse schilders als Watteau en Boucher, voor een fris kleurenpalet, vrijere composities, minder gestileerde figuren. Door zijn tijdrovende manier van schilderen was zijn productie niet zo omvangrijk: ongeveer honderd schilderijen -ruim dertig historiestukken, ongeveer vijftig portretten en twintig genrestukken- hebben de eeuwen overleefd, evenals tientallen tekeningen en prenten
“.

N.Verkolje, Portret van J. de Haas, Teylers Museum, Haarlem

In de tekeningen van Verkolje waren we natuurlijk geïnteresseerd omdat bekend was dat hij met een grote reeks portretten een grote bijdrage heeft geleverd aan het Stamboek van Joanna Koerten. Om precies te zijn maakte hij 44 tekeningen voor dit papieren monument, waaronder 43 portretten. Op de tentoonstelling in Enschede was een prachtig zelfportret te zien waarop de kunstenaar zich afgebeeld heeft met in de hand een map waarop geschreven staat: “AFBEELDINGEN voor het STAMBOEK van juff. J. KOERTEN. Verkolje heeft zichzelf een porte crayon (krijthouder) in de gebarende rechterhand gegeven Zijn beroep is daardoor veel beter weergegeven dan op andere getekende zelfportretten. Rechts op de achtergrond zien we op een schildersezel het geschilderde portret van Joanna Koerten, een huldeblijk die overeenkomt met het gegraveerde portret van Koerten, vastgehouden door de Faam, in het derde deel van Arnold Houbrakens “groote Schouburgh”.

De datering van het ontstaan van Koertens Stamboek is onzeker. Plomp stelt in zijn artikel in het Leids Kunsthistorisch Jaarboek, zich baserend op mededelingen van Houbraken, dat er pas sprake was van het Stamboek na de dood van Joanna in 1715 (zie afbeeldingen onderaan het artikel) . Dit wordt betwijfeld door Te Rijdt die, uitgaande van de tekening voor het titelblad van het handtekeningenboek van Koerten door Jan Goeree (1708), tracht te bewijzen dat Koertens collectie al voor dit jaar als Stamboek gezien moet worden. Hij toont aan dat al snel na het huwelijk van Joanna met Adriaan in 1691 een verzameling van bezoekersbijdragen werd aangelegd, met handtekeningen, lofdichten en tekeningen. Dit al vanaf 1693-1695. Op zich is dit niet onjuist, maar door fouten en ontbreken van een direct bewijs, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van de benaming Stamboek op een tekening of in een lofdicht voor 1715, blijft Te Rijdts poging vooralsnog niet het gewenste resultaat op te leveren en gaat onze voorkeur uit naar de opvatting van Plomp, tot het tegendeel alsnog kan worden bewezen.

Hoe dan ook, zeker is dat Adriaan Blok na 1715 er zeer veel voor over heeft gehad de herinnering aan het werk van zijn vrouw en haar bijzondere gave vast te leggen. Plomp vat dit als volgt samen:
“Uit Houbrakens woorden valt op te maken dat het leeuwendeel der tekeningen pas ná 1715, het sterfjaar van Joanna Koerten, en waarschijnlijk vóór 1726, het sterfjaar van Adriaan Blok, gemaakt is. Ook blijkt hieruit dat Blok portretten liet tekenen enerzijds van de schrijvers, die zijn vrouw geroemd hadden, en anderzijds van de veelal hooggeplaatste personen, die haar bezocht hadden. Bovendien liet hij allegorische tekeningen maken die vaak weer refereerden aan de geschreven loftuitingen. In de loop van het verhaal zal blijken dat hij daarbij nog portretten van de tekenaars van deze zinnebeeldige tekeningen. Uiteindelijk plaatste hij deze portretten van dichters, hoogwaardigheidsbekleders en kunstenaars, zo valt bij Houbraken te lezen, naast de respectievelijke gedichten, handtekeningen (‘zinspreuken’) of allegorische werken. De makers van deze portretten, sommige leverden tientallen bladen, zijn waarschijnlijk betaald voor dit werk, of de dichters en de tekenaars van de allegorische werken het inderdaad als eerbetoon vervaardigd hebben, is moeilijk te achterhalen [2]”.

Nicolaas Verkolje, Portret van Sophia Charlotte van Hannover, Albertina, Wenen

Plomp richt zich met zijn artikel op de portretten uit Koertens Stamboek. In een appendix is een lijst van 103 voor dit boek geportretteerde personen opgenomen, gebaseerd op vermeldingen in de Testas catalogus. Er zijn ook kunstwerken bij: die niet in de catalogus voorkomen, maar die door hun gedicht duidelijk bij het Stamboek horen. Waar mogelijk vermeldt hij de huidige verblijfplaats van een tekening of de verkoop ervan op een veiling.

Nicolaas Verkolje/Th. van der Wilt, Portret van H. K. Poot, Teylers Museum, Haarlem

Nicolaas Verkolje en knipkunst. Het blijft een intrigerende combinatie. Niet alleen door zijn fascinerende zelfportret met de map met afbeeldingen voor het Stamboek van Koerten en het schilderij van Koerten op de achtergrond en zijn tekeningen voor dat Stamboek. De klantenkring van Verkolje strekte zich uit van Hoorn tot Vlissingen en bestond uit vertegenwoordigers van de burgerlijke elite. Opvallend zijn de Hoornse relaties, zo ontving hij onder meer twaalf portretopdrachten vanuit de Hoornse regentenfamilies Van Bredehoff en Van Foreest. Wij denken dan onmiddellijk aan knipwerk dat voor leden van die families is gemaakt. Een grote affiniteit met zijn werk toonden leden van de doopsgezinde familie Van Mollem in Amsterdam, rijk geworden in de handel en zijde-industrie. Hij maakte een portret van David van Mollem en een prachtig groepsportret van diens familie op Zijdebalen bij Utrecht, ook tekende hij voor hen allegorische voorstellingen als titelprent voor een “huwelijkszang” en kochten zij schilderijen van zijn hand. Uit de inventaris opgemaakt na het overlijden van Van Mollem blijkt dat hij maar liefst tien genre- en historiestukken van Verkolje bezat. Wij denken natuurlijk onmiddellijk aan de portretten die Justus van Maurik postuum maakte van David van Mollem en zijn dochter Lavina Satijn-Van Mollem. Er zullen nog meer knipsels zijn geweest want uit de inventaris van de nalatenschap van Antonie Sijdervelt, de kleinzoon van Van Mollem, van 1796 weten we dat “Op het Groene kamertje drie snijsels van Justus van Maurik met hun lijsten” bevonden [3].

Door Henk van Ark

Noten

  1.  Paul Knolle/Everhard Korthals Altes (red.), Nicolaas Verkolje (1673-1746), De fluwelen hand, Zwolle 2011; Paul Knolle, “De fluwelen hand van Nicolaas Verkolje”, MUSE Rijksmuseum Twente, jrg. 5, nr. 9 (2011), p. 6-13.
  2.  Zie de literatuuropgave in de noten van het opstel “De onmisbare catalogus”.
  3. D.P. Snoep, C “Zijde balen, Lusthof aan de Vecht “, Centraal Museum Utrecht 1981, p. 85-88.

Czaar Peter op bezoek, Papyria 5

Portret van Peter I de Grote, tsaar van Rusland, anoniem, 1700 – 1799, Rijksmuseum

Na de voor de bestudering van de knipkunstgeschiedenis belangrijke tentoonstelling “Gedoopt!” is in de expositieruimte van de Bijzondere Collecties van Universiteit van Amsterdam in 2011 nog een interessante expositie gehouden. [l] Het is “Toerist in Amsterdam” die van 8 juni tot 4 september 2013 te zien geweest. Ook verscheen de opmerkelijke uitgave “Amsterdam voor vijf duiten per dag”, met als ondertitel: dé gids voor uitgaan, sightseeing, shopping, eten & drinken in het Amsterdam van de zeventiende eeuw. Expositie en boek laten zien dat Amsterdam in de zeventiende eeuw uitgroeide tot een ware (toeristische) trekpleister. De inleidende teksten bij de hoofdstukken van “Amsterdam voor vijf duiten per dag” schetsen in het kort een goed beeld van deze ontwikkeling, zoals:

“In Amsterdam gebeurt het! Door de economische voorspoed van de afgelopen decennia is de stad enorm gegroeid, zowel in oppervlakte als in bevolkingsaantal. De stad bruist van levenslust en is een populaire reisbestemming geworden. Van heinde en verre stromen kooplieden, immigranten, gelukszoekers, edellieden, vluchtelingen en onvermijdelijk gespuis toe, aangetrokken door de tolerante atmosfeer, de schoonheid van de nieuwe grachtengordel en de belofte van gouden bergen. Een uitstekende beslissing om er nu een bezoek aan te brengen”

Twee bijzondere bezoekers aan de stad in de 17de eeuw waren Cosimo III en Peter de Grote. En wat aardig is, beide kunnen – hoe onverwacht wellicht ook- op een of andere wijze gelinkt worden aan het onderwerp papierknipkunst. En niet alleen omdat Joanna Koerten van deze twee vorstelijke lieden een portret knipte.

Cosimo III, Groothertog van Toscane, bezocht Amsterdam aan het einde van de jaren zestig. De stad verwelkomde hem met allerlei festiviteiten en die zullen ook op Koerten, die toen bijna twintig jaar was een sterke indruk hebben gemaakt. De neerslag daarvan kwam veel later, in de jaren negentig, toen zijn het portret van Cosimo opnam in haar collectie papierknipsels. De verblijfplaats van dit portret is helaas niet bekend, maar het stuk wordt vermeld in de Testas catalogus (SNEYWERK, nr.6: “Pallas, die het Portrait houd van Cosmus de 3de, Groot Hertog van Toscanen, daar neevens een Eerzuil met het Wapen, beneevens een Latyns Vaars, door P. Francius, en andere ornamenten”) en in beide versies van de Lofdichten zijn maar liefst vijf gedichten aan het portret gewijd. Net als verschillende andere portretten was de afbeelding van Cosimo voorzien van een gedicht in Latijn van Petrus Plancius. In beide boeken gevolgd door gedichten op hetzelfde portret van J. Vollenhove, Balthazar Bekker, Joannes Vollenhove en A. Spinniker.

Cosimo zag in Amsterdam de papierknipper Johannes van Achelom aan het werk. Hoogewerff, die de twee reizen van Cosimo door de Nederlanden door middel van journalen en documenten in beeld bracht vermeldt: “Te Amsterdam werden weder de gebouwen der Admiraliteit, (enz.) bezichtigd. Een jongmensch, dat zeer handig uit papier silhouetten weet te knippen en nog andere vaardigheden getoond heeft te bezitten, zekere Johannes van Achelen, elders Jan Achelom, wordt door Cosimo in dienst genomen en vergezelt hem verder tot Florence. Nog in 1688 komt hij in hofdienst voor en uit oude notarissen der groot-hertogeljke paleizen blijkt, dat hij heel wat meer vermocht dan louter poppetjes knippen: er worden van zijn hand in oude inventarissen uitvoerige en blijkbaar artistiek bedoelde composities vermeld als een “Aanbidding der drie Koningen”, voorts allegorieën en een paar portretten”.

En verder: “Fu dal segretaro Bassetti fatto quiri venire un tal Giovanni Achelem, giovane della città, catolico, que ritaglia in carta profili sottilissimi difigure, paesi et animali d’ ogni sorte con singolar maestria, senza alcuna sorte di precedente disegno o minifattura. S.A. lo fece lavorare in suapresenza molte cose, che fece benissimo e presto, onde ne ricevè tal sodis fazzione, che pensó fin d’allora di condurlo seco in Italia”. (Van Achelom knipte dus uit papier zonder voor te tekenen figuren, landschappen en dieren, mooi en snel). Tenslotte: “Havera S.A. fermato per andurre in Italia un Olandese in Amsterdam, vituoso d’ intaglio di figure in carta, chiamato Giovanni Vanachelon (noot: dit jongmensch, dat zo mooi in papier wist te knippen en een zo behendig schaatsenrijder was, maakt sedert aan het hof te Florence promotie. Theodorus de Cock bezocht hem op weg naar Rome in 1688 [2].”

Werk van deze begaafde knipper kennen we echter nauwelijks. In het album van Gesina ter Borch komen twee knipseltjes, door hem gemaakt, voor en Von Uffenbach schrijft over acht fraaie kleine werkjes in het bezit van de Haagse pastoor Titsingh.

Dertig jaar later werd Amsterdam bezocht door Peter de Grote van Rusland, van augustus 1697 tot mei 1698. Later (1718/19) keerde hij nog een keer terug. Waarom Peter Holland koos is vlot beschreven door Jozien Driessen: “omdat de Provinciën in die tijd het centrum van de Europese wetenschappen en filosofie waren. Het was gewoon de beste plaats om nieuwe kennis op te doen. Hij kwam precies op de goede tijd in het goede land. Vele maanden heeft hij op zijn Europese reis in 1697-1698 in Holland rondgekeken. Zijn aanstekelijke nieuwsgierigheid viel bij iedereen in de smaak. Hij vroeg iedereen die hem antwoord wilde geven om hem alles uit te leggen wat hij maar tegenkwam. Hij wilde alles zelf proberen en zelf lezen. Hij leerde horlogemaken, doodskisten timmeren, schepen bouwen, tekenen, etsen, kiezen trekken, secties verrichten, papier scheppen en zijde vervaardigen. Terug in Rusland wilde hij zijn onderdanen alles laten zien en laten leren wat hij in Holland gezien en geleerd had. Daartoe richtte hij de Kunstkamer in, het eerste museum ter wereld dat speciaal als openbaar museum is ontworpen [3].”

Tijdens zijn eerste bezoek liet Peter zich overal rondleiden en bezocht hij een groot aantal rariteitenkabinetten. Het was de tijd van het encyclopedisch verzamelen. Hij bezocht onder andere Nicolaas Witsen, burgemeester van Amsterdam, die Rusland goed uit eigen ervaring kende. Al op 25-jarige leeftijd maakte hij met een gezantschap een reis naar Moskou en hij schreef ook een serieuze studie over de Russen, die echter nooit in druk is verschenen. Niet alleen was Witsen een belangrijk Ruslandkenner, hij had een brede belangstelling en had een “aansienlijk cabinet van allerhande seltsaamheden door hem versamelt”. En hij was niet de enige. Peter bezocht ook Nicolaas Chevalier (1661-1720) die toen in Amsterdam woonde. Later verhuisde hij naar Utrecht, maar keerde in 1717 toch weer naar Amsterdam terug. Hij was boekhandelaar en uitgever van een tijdschrift, verkoper van genotsmiddelen (koffie, chocola, thee) en hij vervaardigde penningen en was handelaar in oudheden en rariteiten. Chevaliers muntenverzameling werd ook bezocht door Joanna Koerten en haar man Adriaan. Zij schreven in zijn bezoekersboek en Joanna maakte voor de pagina drie kleine knipsels.

De Russische vorst deed ook de verzameling van Joanna Koerten aan. Gezien zijn interesses is het maar de vraag of hij wel zo in haar papierkunst was geïnteresseerd, maar hij tekende wel in haar gastenboek. Voor Koerten was Peters bezoek ongetwijfeld wel erg belangrijk. Zij en haar man ontvingen vele bekende bezoekers. Dit leidde niet alleen tot bijdragen in het handtekeningenboek, ook maakte Joanna van diverse belangrijke figuren geknipte portretten en dat leidde vervolgens weer tot lofdichten op dit werk en de bezoeker. In na haar dood verschenen levens- beschrijvingen wordt dit vol trots vermeld. Zo schreef Houbraken in het derde deel van zijn ‘Groote Schouburgh” dat in 1721 uitkwam:
“Dit doen maakte zoo veel gerugt, dat alle vreemdelingen belust op ‘t zien van konstighe werken, tot Amsterdam komende, haar snywerk met verwondering beschouden en prezen. Overzulks hebben vele Potentaten, Vorsten en groote Heeren, ja zelfs de Czaar Peter Alexewits haar werk komen zien, en hunne handtekeningen tot haar eere in haar Stamboek gezet”.

Houbraken gaf ook aan waarom Adriaan Blok hun beider verzameling na de dood van zijn vrouw deed uitgroeien tot een rijk gevuld Stamboek:

“De Heer Blok, by wien haar gedagtenenis in groote waarde blyft, laat haar Konstroem niet verwaarloozen: maar in tegendeel de namen, en zinspreuken door Waereldvorsten (ter gedagtenis dat zy haar berugte Schaarkonst gezien hebben) met eigen hand op papier gestelt, neffens de vaerzen der Puikdichters by een verzamelt in een stamboek pryken, en doet hunne beeltenissen door een konstige hand teekenen, om die tegens over de geschriften te plaatsen. Ook laat hy van de beste konstschilders teekeningen maken, zinspelende op gemelde zinspreuken; ‘t geen hem in zyne ledige uuren tot verlustiging strekt, om haar kennisse van Godsdienst en het pleegen van deugden, daar zy boven al haar konsten in uitstak”.

De handtekening van de Russische vorst is nog te achterhalen tot 1766. Hij wordt niet vermeld in de Testas catalogus (1750), toen moet hij ondergebracht zijn in Omslag Letter D. waarin zich allerlei zaken bevonden. Maar hij wordt wel expliciet genoemd in de veilingcatalogus van de verzameling van Michiel Oudaan in Rotterdam, waar hij zich bevond in Konstboek HH: “In dit Boek leggen Handteekeningen, van zeer voorname Mannen, als onder anderen, dat van Peter de Eerste Keizer van Rusland. Benevens een meenigte konstige geschreven Lofdichten, van de beroemdste Poëten, of Juffrouw Koerten Blok”. In het eerste Konstboek (GG) op dezelfde veiling bevond zich “het Origineele Pourtrait van Peter de Eerste Keizer van Rusland, benevens deszelfs Gemalinne, na het leven geschilder, in olyverw, door A. Boone” Dit was een van de twee tekeningen/schilderijen op papier met een portret van Peter de Grote die hebben behoord tot het Stamboek van Koerten waarvan de inhoud te vinden is in de Testascatalogus. In die catalogus is het portret door Boone geschilderd nummer 17 van pagina 12 (“Het Portrait van Petrus de eerste, zeer uitvoerig op Papier, met Olyverfgeschildert, door A. Boonen “) en een portret van de Czaar door Jan Goeree nummer 67 van pagina 20 (“Het Portrait van Keyzer Petrus de eerste, met een Ornernent, door J. Goeree en een ander”). De verblijfplaats van de Goeree tekening is (nog) niet bekend, het olieverfschilderij van Boone is geveild bij Sotheby’s in 1977 en dus uit afbeelding bekend.

Voor het al genoemde handtekeningenboek maakte Jan Goeree een prachtige en zeer informatieve omslagtekening. Hoewel deze tekening al werd vermeld in enige handboeken is hij pas in 1997 uitvoerig beschreven door Te Rijdt [4]. Dit was mogelijk omdat de collectie van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap (ondergebracht in het Rijksprentenkabinet) over twee gecalligrafeerde twee beschrijvingen beschikt, waarvan de tekst is geschreven door David van Hoogstraten (1658-1724) (wiens portret Koerten ook heeft geknipt) en het schone schrijfwerk werd verricht door L. van Santen. De ene versie is gesigneerd door Van Hoogstraten en Van Santen, de tweede versie is niet gesigneerd. Aan de hand van deze bewaarde beschrijving belicht Te Rijdt uitvoerig de allegorische inhoud van de tekening, waarvan onder het portret van Koerten, voorafgegaan door de Faam die de lof over de schaarkunstenares voortbazuint, de meest belangrijke figuren zijn: Minerva, als beschermster van de Kwisten die net de tekst van het titelblad van Koertens handtekeningenboek heeft geschreven, Apollo (als god van de Dichtkunst) en Pictura (godin van de Teken- en Schilderkunst). Over de voorstelling rechts op de achtergrond schrijft Te Rijdt:

“Rechts op de achtergrond tenslotte ziet men een scène die aangeeft waarvoor het bezoekersboek eigenlijk bedoeld was: een exotisch geklede heer betreedt met zijn gevolg een zaal, geleid door de Nieuwsgierigheid die herkenbaar is aan de oren op haar kleed omdat zij opvangt wat door andere verteld is. Over de identiteit van de vorst die Koertens papieren schaarjuwelen komt bewonderen, doet het gedicht geen uitspraak. Het ligt uiteraard voor de hand aan de boomlange tsaar Peter de Grote te denken. Hij verbleef immers in 1697 ruim acht maanden “incognito” in Amsterdam en bezocht in de vermomming van een Rus van lagere adel diverse kunst- en rariteitencollecties, waaronder die van Joanna Koerten”.

Nu was Koertens verzameling bepaald geen rariteitenkabinet (tenzij men knipkunst daarvoor aanziet), maar de bezoeker is natuurlijk de Russische vorst. Een lange man gekleed in een fraaie mantel met bontmuts. En deze, geïdealiseerde afbeelding, komt goed overeen met de afbeelding van Peter bij zijn bezoek aan de collectie van Jacob de Wilde (1645-1721). Hij had van zijn huis een echt museum gemaakt waar hij meer dan 700 bezoekers heeft ontvangen. Zijn dochter Maria de Wilde maakte de prent waarop we links aan tafel gezeten Peter de Grote zien, gekleed in lange mantel mét bontmuts. Na het bezoek van de Russische czaar heeft Joanna zijn portret geknipt en toegevoegd aan een reeks van vergelijkbare portretten die waren voor zien van een gedicht in Latijn van Petrus Plancius. Dit gedicht en twee Nederlandse versies zijn opgenomen in beide Lofdichten uitgaven.

Maria de Wilde, Bezoek Peter de Grote aan Jacob de Wilde (gravure), Rijksmuseum

Het knipsel van Peter de Grote is op de bekende Koertenmanier geknipt en gesneden: met kleine knipjes, sneedjes en arceringen. Het borststuk zal ongetwijfeld zijn ontleend aan een voorbeeld in prent. Het gedicht van Plancius luidt:

“Tzar& Magnus Dux Moscoviae
Ceasaris effigiem PETRI, Cui Moschus, & omnis
Immenso paret gurgite Volga, vides.
Haud illum melius, quam forfex ista valerent
Fingere Lysippus, pingere Protegenes.”

Dit portret, de afbeelding op de titeltekening van het handtekeningenboek en de vele vermeldingen van Peter de Grote in diverse lofdichten en latere levensbeschrijvingen maken wel duidelijk dat het bezoek van de Russische vorst in 1697 voor Koerten en echtgenoot Adriaan een zeer belangrijke gebeurtenis is geweest.

Noten

  1. Henk van Ark, “Doopsgezinden en Knipkunst”, Welkom in Papyria, 2 (voorjaar 2011), 23-38.
  2. G. J. Hoogerwerff, “De Reizen van Cosimo de’Medici, Prins van Toscane door de Nederlanden (1667-1669)”, Journalen en Documenten, Amsterdam 1919, XXXV, p. 78-80; 218.
  3. Jozien Driessen, Peter de Grote en zijn Amsterdamse vrienden, Utrecht/Antwerpen 1996, 8.
  4. R. J. A. te Rijdt, “Jan Goeree, het Stamboek van Joanna Koerten en de datering ervan”, Delineavit et Sculpsit, 17 (maart 1997), p. 48-51.

Afbeeldingen

  1. Lofdichten 1735.
  2. Lofdichten 1736.
  3. Veilingcatalogus 1766.
  4. idem
  5. Jan Goeree, Titelblad voor het handtekeningenboek van Joanna Koerten.
  6. idem, detail met bezoek Peter de Grote.
  7. Maria de Wilde, Bezoek Peter de Grote aan Jacob de Wilde (gravure).
  8. Knipselportret van Peter de Grote door Koerten (collectie De Flines).

De knipsels van Joanna Koerten [1], Papyria 5

Zacharias von Uffenbach zag in 1711 bij Joanna Koerten “In ‘t Blok” 32 knipwerken [2] (afb. 1).

Er waren er veel bij die hij op zijn vorige bezoek aan Amsterdam, in 1705, nog niet had gezien. Onder andere Houbraken [3] vermeldt dat Koerten papieren kunstwerken heeft gemaakt voor Margaretha Theresia, de vrouw van de Duitse keizer Leopold T (waaronder zijn portret) en Maria Stuart, de echtgenote van stadhouder-koning Willem III (afb. 2).

Plomp telt voor zijn artikel de stukken in de catalogus Testas/de Leth en komt op 30 kunstwerken, te verdelen in 8 portretten, 8 landschappen, 3 bijbelse voorstellingen, 2 mythologische voorstellingen, 1 allegorie, 1 vogelstuk, 1 stadsgezicht en 5 diversen, waaronder letters en een wapen [4] )afb. 3).

De door Plomp geraadpleegde catalogus in het Rijksprentenkabinet is echter niet compleet; hij kent niet de extra toevoeging die wel voorkomt in het exemplaar dat zich bevindt in de collectie De Flines. Die catalogus zit gebonden achter de Lofdichtenuitgave van 1735 en mogelijk is dit het exemplaar dat door Kramm is beschreven. In het “Vervolg van de Catalogus en Overgeslagene Rariteiten” (afb. 4) vinden we als knipsels beschreven het portret van Lodewijk XIV, vier zinnebeeldige voorstellingen en een pauwtje in een landschap.

Momenteel kennen we nog diverse papieren kunstwerken van de Amsterdamse kunstenares. Ze worden bewaard in musea, particuliere collecties en een bibliotheek. Het betreft:

  • “De Romeinse Vrijheid”(collectie Westfries Museum) (afb. 5)

  • Portret van Peter de Grote (collectie De Flines) (afb. 6)

  • Portret Frederik III van Brandenburg (collectie De Flines) (afb. 7)

 

  • De liereman (collectie De Flines)
  • Portret Willem III (collectie de Lakenhal) (afb. 8)

  • Zes knipseltjes toegeschreven aan Koerten (particuliere collectie) (afb. 9 en 10)

  • Portret keizer Tiberius met bijwerk (collectie Koninklijke Bibliotheek)

Uit 20ste eeuwse vermeldingen (soms met afbeelding) kennen we verder:

  • Portret Galenus Abrahamsz (collectie van Nierop in 1956) (afb. 11)

  • Bloemenvaas met tekst “Ut Flos, Vita Nostra” (collectie Théonville in 1948)
  • Portret J. de Witt (collectie Beyerman in 1925).

In totaal dus 15 stuks. Mogelijk is er nog meer van haar werk bewaard gebleven. Naar aanleiding van onze reconstructie van de papierknipkunsttentoonstelling in Utrecht in 1946 (Nieuwsbrieven 1996, nrs.1-4; 1997, nr.1) schreven we al dat er wel eens werk van Koerten zou kunnen opduiken en een paar jaar later was dat reeds het geval met “De Romeinse Vrijheid” (of de “Twaalf Keizers”) dat op een veiling werd aangeboden en kon worden aangekocht.

Joanna Koerten maakte haar knipsels in op- en platwerk, zoals Von Uffenbach en later ook Pieter de la Rue hebben beschreven. Informatie uit de eerste hand dus. Beide schrijvers laten echter nadrukkelijk weten dat zijn betere voorbeelden van het opwerk (reliëfknipwerk) in Rotterdam hebben kunnen bekijken. Daarmee doelen ze waarschijnlijk op het werk van Elisabeth Rijberg, al was daar ook werk te zien van Gillis van Vliet. In het zeer fijne platwerk, dat zich vertoonde in knipjes en sneedjes, was Koerten een meesteres, zoals bijvoorbeeld in “De Romeinse Vrijheid” goed te zien is. Op aanraden van de knipster probeerden anderen dat ook wel uit te voeren, maar dat lukte ze niet.

Houbraken [5] schrijft over haar creatieve talenten: “…Deze Juffrouw was van haar jeugt af zeer geneegen om konsten en wetenschappen te leeren, als blykt aan haar treffelyk borduuren, deftig kant- en akernaayen, heerlyk speldewerken, aardig was gieten, mannelyk schryven, konstig musyk zingen, fraay met een diamant op drinkglazen spreuken, vogels of bloemen te grieven, verwonderyk fraay in ‘t versieren van bloemen en cieraaden, voornamentlyk van zyde gevlogten en doorwerkt, en ‘t schilderen met waterverwen, waar van nog een en ‘t ander by den Heer Blok te zien is…”

De anonieme schrijver van de inleiding bij de Lofdichtenuitgave van 1736 [6] merkte op: “…Maar de Konst, waar op haar Geest in ‘t byzonder gevallen was, en die ‘t voornaam voorwerp deezer Gedichten is, bestond in het knippen met de Schaare, waar in zy in haare tyde geen weerga had, en mooglyk nooit zal krygen, hoezeer zommigen zich daar toe bevlytigt, en door haar voorbeeld aangespoort, zich toeleggen om ‘t zelve niet slechts te volgen, nemaar ware ‘t mogelyk voorby te streeven; doch de meesten hebben ‘t al in den aanvang laaten steeken uit aanmerking van t ‘ongelooflyk taay gedult, en den langen tydt, die zy daar aan moesten besteden, behalve ‘t nadeel, ‘t welk zy daar door aan hun gezicht toebragten, waarover onze Konstenaresse zich ook dikwils heeft beklaagt, doch ‘t geen tegen haare Liefde en Yver van de Konst op verre na niet konde opwegen… “.

Omdat met maken van knipwerk zoveel tijd en moeite kostte wilde Joanna aan keurvorst Johan Willem van de Palts nog voor geen duizend gulden drie knipsels verkopen: “… zy was niet geneegen dezelve te missen, om dat zy daar zo veel werk aan had gedaan… “, aldus Houbraken.

De inleider van 1736 vervolgt [7]: “…Dus bleef zy niet lang onbekent; maar haar naam en roem breidde zich haast wyd en zyd uit, en men zag van tyd tot tyd ontallyk veele Vorstelyke en aanzienlyke Persoonaadjen, allerleie Konstenaars en Liefhebbers van alle kanten, niet alleen van ons Nederland, maar genoegzaam van alle gewesten te zamen vloeyen, om de zeekerheid van ‘t geen zy gehoort hadden door hun gezicht te vernemen, welke zy altyd met de hoogste achting ontfing en gulhartig alles liet zien, ja zelfs tot de gereedschappen toe, waar van zy zich bediende: ja trof zy zomwylen iemand aan, waarin zy eenigen zucht tot de Konst bespeurde, die bood zy de behulpzaame hand en zoo hy reeds eenige ondernemingen had gemaakt, zy spoorde hem verder aan… “.

Door Henk van Ark

Noten

      1. Dit opstel is een uitgewerkte versie van het artikel in de Nieuwsbrief van december 2000 (jrg.13, nr.4, [p. 15-17]
      2. Z. C. von Uffenbach, Merkwürdige Reisen (…), Ulm 1754, dl.III, p. 555.
      3. A. Houbraken, De groote Schouburgh (…), Amsterdam 1718-21, p. 295.
      4. M. Plomp, “De portretten uit het Stamboek voor Joanna Koerten (…)“, Leids Kunsthistorisch Jaarboek, XIII (1989), p. 323-334
      5. zie noot 3.
      6. Anoniem, Gedichten op de overheerlyke Papiere Snykunst (…), Amsterdam 1736.
      7. idem.

Maria, Adriaan en Joanna, Papyria 5

J. D. C van Dokkum beschrijft in zijn baanbrekende artikel over Joanna Koerten [1] haar echtgenoot Adriaan Blok als” kunstbeminnaar”. Hij ontleende die wetenschap volgens een voetnoot op pagina 348 aan Rademakers Hollands Arcadia. Die prachtuitgave verscheen in 1730. De volledige titel maakt duidelijk waarom het gaat: “HOLLANDS ARCADIA, Of de vermaarde Rivier DEN AMSTEL; vertónende Alle deszelfs LUZTPLAATZEN, HERENHUIZEN en DORPEN; Zig uitstrekkende van AMSTERDAM af door OUDEKERK (enz.). Vertoond in honderd Afbeeldingen, naar ‘t leven getekend en in ‘t ligt gebragt DOOR ABRAHAM RADEMAKER. Met een Poëtise Beschryving verzierd. Tot Amsterdam, by LEONARDUS SCHENK, Op de Vygendam 1730”.

Het gedicht waarin alle buitenplaatsen buiten de stad Amsterdam in deze uitgaven worden beschreven is van de hand van G. Tysens. Direct na twee gravures van Rademaker van de (buiten) Amstel (nr. 1) en de binnen Amstel (nr. 2) volgt als nummer 3 de afbeelding van de “Hofstede van MEJUFFROUW DE WEDUWE van den HEER ADRIAAN BLOCK”.

Tysens beschrijft deze plaats als volgt:
“De hoek van d’Amstel geeft ons ‘t eerste Tuingezigt, /het lugtig zomerhuis, agtkantig opgerigt, /Verheft zyn hóge kruin uit ‘t zagtjes vloeijend water, / Geen langs zyn boorden ruisd met lieffelyk gescháter,/ Daar het een uitzigt op de gróte Koopstad heeft, Of weer aan d’ and’ren kant langs ‘t flak des Amstels zweefd. /De Kunstbeminnaar Blok vond hier zyn welbehágen,/Als hy in eenzaamheid, by zoele zomerdagen,/ Zig aan de stad onttrok, om hier de zoete rust/ Te vinden, als de dauw de frisse bloemen kust./ Maar ach, hy zal geen vreugd meer op deez’ plaats bekomen,/ Die Kunstbeminnaar is ons door de dood ontnómen, /Zyn bráve Weduwe vind nu nog haar vermaak/In ‘t buitenléven, daar geen nyd, geen list, geen wraak/Als in de stad geregeerd, om eendragt te verstóren./ Maar zal myn Zangeres den Naam van Blok doen hóren,/ en melden Coerten niet? zyn voorgaande Egtgenoot./ Neen, gróte Vrouw! al zyt gy door de strenge dood/Ons overlang ontrukt, uw naam zal eeuwig léven,/Om aan uw Kunstschaar haar verdienden lof te géven:/ Die Kunstschaar, die zo vaak de lauwren heeft behaald,/ En over de Etsnaald en ‘t Penzeel gezegepraald, /‘t Zy in Afbeeldingen naar ‘t léven af te málen,/ Dat daar geen schilderij in schoonheid by kan hálen;/ of ‘t keurig Bloemgewas te snyden uit ‘t papier,/ Of ‘t lugtig Landgezigt, met bómen los van zwier,/ En in een schónen standaan de ogen te vertónen,/ Nu ga ik verder voort, ‘k heb hier myn pligt voldaan,/ Daar lokt de BEREBYT myn blyde Zangnimf aan,“ [2]

Zoals hieruit blijkt was Aemstelhoek in 1730 nog in bezit van Maria van Arckel, de weduwe van de in 1726 overleden Adriaan Blok [3].
Van Dokkums artikel in de laatste in een korte serie sinds 1910 die kan worden gezien als een eerste inzet voor een serieuze bestudering van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst. Het begint in 1910 met een kort stukje van Boele van Hensbroek, gevolgd door artikelen van Van Son en Blees, afgesloten met het stuk van Van Dokkum in 1915 [4]. Belangrijk is niet alleen dat Van Dokkum zoveel mogelijk gegevens over Koerten en vooral haar werk bij elkaar heeft weten te brengen, ook plaatst hij haar werk, in navolging van Van Son, in breder verband door eveneens aandacht te besteden aan andere papierkunstenaars, zoals Elisabeth Rijberg, Gillis van Vliet, Otto van Voorst en anderen. Ook roept hij op tot verder onderzoek:
“En hier mede besluit ik deze bijdrage tot kennis van een artistiek genre, dat lang verwaarloosd is en dat niettemin opmerking verdient. Ik hoop van harte, dat de directies onze Rijkskunstkabinetten er aanleiding in mogen vinden, om veel te verzamelen, dat vergeten en verslingerd is. Mij is het een raadsel, waarom deze echte vaderlandsche geestesuiting, die in onze gouden eeuw een enthousiaste schaar van aanhangers vond, onze aandacht niet waard zou zijn. Dit is dunkt me een misvatting, die zoo snel mogelijk herziening behoeft “.

Van museumzijde wordt deze toegeworpen handschoen pas jaren later opgenomen door Catharina van de Graft die in Historia drie artikelen publiceert en de tentoonstelling “Papieren Knipwerk” in het Centraal Museum in Utrecht samenstelt. Daarvoor verschijnt nog een bijdrage van belang: het lemma van Wijnman over Joanna Koerten in het Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek [6]. Wijnman heeft vrijwel alle beschikbare literatuur en levensbeschrijvingen over en van de Amsterdamse knipster geraadpleegd (al vermeldt hij Hollands Arcadia niet) en komt ook met vermeldingen uit de DTB en Oud Notarieel Archief van het Amsterdamse Gemeentearchief.

Abraham Rademaker

Uit Wijnmans bijdrage blijkt dat Joanna Koerten op 17 november 1750 is geboren als dochter van Jan Courten de Jonge, die een lakenwinkel had op de Nieuwendijk, en IJttie Cardinael, die in 1647 waren getrouwd. Al een jaar na Joanna’s geboorte overlijdt haar vader; haar moeder hertrouwt in 1659 met Zacharias Rosijn, een lakenhandelaar in de Warmoesstraat. In 1669 wordt Joanna gedoopt en lidmaat van de doopsgezinde gemeente ‘t Lam. Bij die gemeente is de arts Galenesz Abrahams, die de eerste doopsgezinde predikantenopleiding volgde. Pas op 41-jarige leeftijd, in oktober 1691, trouwt Joanna met de 38-jarige Adriaan Blok, zoon van Jan Block en Aeltgen Outgers, uit een -volgens Wijnman- gezeten doopsgezind geslacht. Deze Adriaan heeft op de Nieuwendijk een lakenwinkel “In ‘t Blok” (in 1935 nummer 137). Joanna gaat daar bij Adriaan wonen en dat is zo gebleven tot Joanna’s overlijden in 1715. Adriaan Blok hertrouwt twee jaar later met Maria van Arckel, met wie hij zich op huize Aemstelhoek aan de Amstel vestigt. Blok overlijdt in 1726, zijn weduwe blijft nog enige jaren op de buitenplaats wonen, maar keert uiteindelijk naar de stad – bij het bezoek van Pieter de la Rue in 1735 woont zijn in de Utrechtsestraat- terug.

Abraham Rademaker

Van Joanna Koerten zijn diverse gegraveerde portretafbeeldingen bewaard gebleven, bovendien komt zij voor op verschillende tekeningen die tot haar Stamboek hebben behoord. Voor Adriaan en Maria gaat dat helaas niet op. Tot nu toe is geen portret van beiden bekend, en dat mag vooral in het geval van Adriaan, een kunstliefhebber bij uitstek die vele portretten van allerlei personen in opdracht liet maken, bijzonder merkwaardig heten. Wij zouden graag het voorkomen van deze intrigerende man, die zo’n enorme bijdrage heeft geleverd aan de faam van zijn vrouw, leren kennen.

Door Henk van Ark

Noten

  1. J. D. C. van Dokkum, “Hanna de knipster en haar concurrenten. Een studie over oud hollandsche schaarkunst”, Het Huis Oud en Nieuw, jrg.13, p. 315-358.
  2. Het boek van Rademaker verscheen in 1968 als fotografische reprint. Van de beperkte oplage beschikken wij over nummer 449.
  3. Van Dokkum, p. 336-337.
  4. [Henk van Ark], Over de geschiedenis van de Nederlandse papierknip- en snijkunst. Publicaties-tentoonstellingen-onderzoek (1910-1988), [Notitie Atelier Tobia Lever, Rotterdam 1989], [p. 3]
  5. Van Dokkum, p. 358.
  6. H. F. Wijnman. “Koerten”, in: P.C. Molhuysen e.a. Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Leiden 1911-1937, X, p. 478-482. De bijdragen in andere kunstenaarsnaslagwerken, zoals Thieme-Becker en Von Wurzbach zijn daarbij nogal beperkt.

Herinneringen aan Lever, Papyria 4

In verband met voorbereidingen voor de tentoonstelling “W. Tj. Lever kunstenaar met papier en schaar”, die van 29 september t/m 25 november 1990 in het Veenkoloniaal Museum in Veendam [1] werd gehouden, zochten we contact met Jaap D. Homan die destijds verantwoordelijk was voor de veel gelezen rubriek “Noorder Rondblik” van het Nieuwsblad van het Noorden. Doel: publiciteit voor de tentoonstelling in Veendam en een oproep voor gegevens over Lever en zijn werk. Resultaat na het eerste artikel (6 december. 1989) (afb. 1):

een tiental reacties uit de provincies Groningen en Drenthe en een uitnodiging voor het populaire radioprogramma “Nait soeze’n” van Imca Marina op zondagmorgen. In een vervolgartikel (afb. 2) (2 mei 1990) kon Homan melding maken van een reactie die werk betrof van een onbekende knipper die wij, in navolging van Wiecher Lever, van de noodnaam “Wildervanker” hadden voorzien. De reacties uit het noorden vormden de aanzet voor het in de statuten van de stichting W. Tj. Lever vermelde doel te komen tot een studie over leven en werk van papierkunstenaar Lever. Dit leidde uiteindelijk tot het verschijnen van de monografie ‘Wiecher Tjeert Lever. Een kunstenaarsleven in knipsels” in 2008/2010. Een eerdere uitgave was in verband met de drukke werkzaamheden voor het Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven niet mogelijk.

Het voornemen het vierde nummer van “Welkom in Papyria” geheel te wijden aan Lever bracht ons op het idee nogmaals een oproep in de opvolger van het Nieuwsblad, het Dagblad van het Noorden te plaatsen. Dit was mogelijk in de rubriek “Ik zoek” van 14 november 2011 (afb. 3). Helaas werd de door ons ingezonden, al bewust kort gehouden tekst door de redactie van de krant nog verder ingekort en wat erger was voorzien van de vraag informatie over Lever, in plaats van de door ons gevraagde (persoonlijke) herinneringen. Daardoor zat er bij het tiental reacties dat we kregen nogal wat ruis in de vorm van krantenknipsels bijvoorbeeld over de veiling in 1988 en de sluiting van Levers museum. Toch waren er ook bruikbare verhalen.

Zo kwam dorpsgenote mevrouw Boekschoten persoonlijk bij ons langs om te laten weten dat Wiecher Lever op haar bruiloft in 1963 de portretten van het bruidspaar en het genodigde gezelschap had geknipt. Een mooie opdracht voor de beroepsknipper. Portretten kregen we toegestuurd van mevrouw Woudstra uit Appingedam (afb. 3,4). Zij schreef daarbij: “In die jaren hadden wij een bloemenzaak in Delfzijl en verkochten ook kunstnijverheid. Wij hebben diverse keren knipsels van de heer Lever gekocht en ook verkocht. Hierbij stuur ik U silhouetten die hij van ons heeft gemaakt. Ik heb ook nog een ingelijst boeketje van veldbloemen die is gedateerd 1964”.

afb. 3

afb. 4, W. Tj. Lever, de heer en mevrouw Woudstra

Dit briefje bracht een schrijven van Sake Siegersma [3] uit Heerenveen in herinnering die ons in augustus 2001 liet weten: “Nadat we (Sake en zijn vrouw Trijntje, red.) getrouwd waren hebben we naast onze par[t]timelessen nog een winkel gehad in kunstnijverheidsartikelen en mooie kledingstoffen. Door onze winkel zijn we in kontakt gekomen met de knipkunstenaar Lever die toen werkte in zijn atelier “de Meeuw” in Muntendam. Zijn knipsels kwam hij dan ook bij ons in Wolvega verkopen. Het zwart/wit werk sprak mij wel aan en dat was de aanleiding om ook met het knippen te beginnen“. Zowel de bloemenzaak in Delfzijl als de kunstnijverheids/stoffenwinkel in Wolvega zijn goede voorbeelden van verkooppunten van Levers knipwerk en kaarten in het hele land. Door deze aanpak versterkte de knipkunstenaar zijn omzet en vergrootte hij zijn bekendheid op een subtiele manier [4].

Terug naar de reacties van “Ik zoek”. Nogmaals een portret (afb. 5) kregen wij van de heer Ten Cate uit Zuidlaren.

afb. 5, W. Tj. Lever?, Solke ten Cate

Bij de afbeelding van het portret een interessant verhaal:. “De afgebeelde persoon is mijn opa Solke (Jac) ten Cate. Hij was vanaf 1925 kapper aan de Zuiderstraat in Sappemeer. Wieger Lever was via de vrouwelijke lijn (oa. Grietje de Vries) een achter?neef van mijn opa. Wieger en zijn ouders kwamen altijd voor het knippen van hun haren bij mijn opa in de kapsalon. Uit overlevering binnen onze familie is bekend dat Wieger als kind altijd al met de knipkunst bezig was, en ook als kind bij mijn grootouders over de vloer kwam. Ook is uit overlevering bekend dat dit portret het eerste portret is waarbij Wieger er in geslaagd is een bril dragend persoon af te beelden. Het is bewaard gebleven en onlangs teruggevonden. Er staat niets op het knipwerkje vermeld. Niets over de maker, de afgebeelde persoon of over de datum. Hoewel een exacte datum niet te geven is, vermoed ik wel dat de datum die mijn vader (1935) bij het werkje gaf de werkelijkheid dicht zal benaderen. De contouren van mijn opa lijken nog jeugdig te zijn. Mijn opa was rijzig, op jonge leeftijd kaal, en droeg zijn leven lang een montuurloze bril. Ik kan me voorstellen dat zijn contouren inspirerend geweest zijn om uit te beelden“.

Dat laatste kunnen we met de schrijver eens zijn, maar de genoemde datering van het portret is zeker niet juist. Toch hebben we nog eens gekeken naar de portretknipactiviteiten van Lever en zijn tot de conclusie gekomen dat hij toch echt pas met het knippen van profiels rond 1950 is begonnen. Ook tijdens zijn demonstraties in het Openluchtmuseum.(1946/47) was daarvan nog geen sprake en daar was toch de gelegenheid tot het verwerven van goede inkomsten. Wij denken dat het portret, mede door het gebruikte crème-kleurige papier is gemaakt in het begin van de jaren vijftig, waarbij het verhaal over de bril best waar zou kunnen zijn.

Tot slot een eveneens opmerkelijk verhaal. De heer Kap uit Zuidlaren tekende dit verhaal, met als titel “De lange reis van een knipkunstwerk” (afb. 6) met typsteun van zijn zoon uit Veendam, voor ons op: “In de donkere dagen van de laatste oorlogsjaren was het voor mannen gevaarlijk om buiten te zijn. Alle jonge mannen en voormalige militairen waren nl opgeroepen zich te melden voor werk in Duitsland. Deed je dit niet, dan werd je opgepakt en naar een concentratiekamp gestuurd. Toch deden velen dit niet en gingen “onderduiken“. Dit gaat natuurlijk niet zo maar. Je moest wel een adres weten van mensen die betrouwbaar waren en die je in huis wilden opnemen. Er was dan vaak een bergplaats gemaakt in een verborgen kast of op een zolder, waar je je kon verstoppen als er een razzia was. Zo was er in Nieuw Buinen een onderduiker verstopt en deze onderduiker werd ziek. Nu was er een probleem, want hij kon natuurlijk niet openlijk naar de dokter gaan. Na links en rechts te informeren, bleek dat dokter Dijkhuis wel betrouwbaar was. Deze heeft de patiënt bezocht en behandeld. Nadat de onderduiker genezen was, heeft hij uit dankbaarheid voor dokter Dijkhuis een knipkunstwerk gemaakt. Een landschap met een brug, een schip, bomen vogels en een lantaarnpaal. Alles geplakt op zwart papier. Aangezien er toen weinig wit papier was, zijn de figuren uit vooroorlogse postzegels. Later in de oorlog raakte alles op en was er ook geen brandstof meer. Ook dokter Dijkhuis zat in de kou en kreeg in ruil voor een behandeling nog wat kolen van kolenhandel W. F. Boekhoud aan de Brugstraat. Als tegenprestatie heeft dokter Dijkhuis het knipselkunstwerk aan de heer W. gegeven.. De familie Boekhoud is in 1951 geëmigreerd naar Canada: met meubilair en inboedel op de boot. Toen ik jaren later in Canada bij de familie op bezoek was, stond ik het knipselwerkje dat bij hen op het dressoir stond, aandachtig te bekijken. Het is werkelijk een prachtig plaatje. Dat moet wel van Lever zijn ik schilderde toen nog en verzamelde postzegels, maar deze combinatie had ik nog nooit gezien. De familie heeft het toen aan mij gegeven. En zo is het knipselkunstwerk met het vliegtuig weer teruggekeerd naar Nederland. Ik ben er wel blij mee!”

afb. 6

Een prachtig verhaal dat ons echter wel voor raadsels stelt. Want dat Wiecher Lever in oorlogstijd ondergedoken zou zijn geweest is ons niet bekend. Verder kennen we geen ander werk, geknipt door Lever uit postzegels, bovendien is het werk uitgevoerd in een stijl die in het geheel niet lijkt op wat Lever in die tijd maakte. Uitgesloten is op voorhand niets, maar het lijkt ons toch niet zo waarschijnlijk dat Wiecher Lever de maker is geweest van dit knipwerkje. De vraag blijft dan: wie dan wel?

Door Henk van Ark

Noten

  1. Henk van Ark, Atelier-Stichting-Museum, 1986-2005, [ p. 17 met opgave aldaar van museumactiviteiten in Veendam].
  2. Inmiddels bekend als Jan Joseph Jöbsis (1803-1855) zie: Joke en Jan Peter Verhave,Geknipt! (..), Zutphen 2008, Lexicon, p. 182.
  3. Sake Siegersma exposeerde zijn werk in het museum in Schoonhoven van 6 november t/m 24 december 2001.
  4. Henk van Ark, Wiecher Tjeert Lever (1917-1981). Een kunstenaarsleven in knipsels, Rasquert 2008/2010, p. 64.

Op nieuwe wijs naar oude trant, Papyria 4

Vanaf december 1952 publiceert het tijdschrift Vrouwenpost [1] een door Wiecher Lever verzorgde knipcursus. De serie bestaat uit de onderwerpen Kerstranden (I), Poppetjes. knippen (II), Nogmaals poppetjes knippen (III), Paasmotieven (IV), Kastrandjes (V) en Taartranden (VI) (afb. 1-6). Het biedt Lever de gelegenheid eenvoudige knipkunstoefeningen te presenteren voor een relatief groot publiek. Dat is wat Lever graag wilde: mensen stimuleren met het kunstige papierknippen aan de slag te gaan aan de hand van eenvoudige, voor de beginner haalbare voorbeelden.

Al in juni 1947 maakt Line Huizenga-Onnekes in haar baanbrekende artikel over “Knipsels en Schaduwbeelden” daar een opmerking over: “Lever koestert altijd nog de illusie om een kleine handleiding te schrijven, want hij heeft een bepaalde methode om het anderen te leren” [2].

afb. 7

Een eerste aanzet van de knipper volgt al in het julinummer van Hobby. Lever schrijft daarin over “Knipsels en hun vervaardiging” (afb. 7). Daarna verschijnt nog “Knipprenten als Volkskunst” (augustus 1947) (afb. 8).

afb. 8

Maar het zijn korte stukken, van een echte handleiding papierknippen is nog geen sprake. Die verschijnt pas in 1952 [3] onder de titel “Op nieuwe wijs, naar oude trant”. Dat het nog zo lang heeft geduurd voordat die brochure uitkwam is wel te verklaren. In de eerste plaats was Lever druk met de voorbereiding van een professionele loopbaan als papierknipper. Hij gaf demonstraties, maakte knipwerk, verzamelde en leerde zich portretknippen. En hij had Huizenga in 1948 voorgesteld een uitgave (“werkje”) over knipkunst te maken waarbij zij het historisch gedeelte zou kunnen verzorgen en hij de techniek voor zijn rekening zou nemen [4]. Een eigen uitgave was op dat moment daarom niet aan de orde. Maar het werd Lever al spoedig duidelijk dat het moeilijk zou worden zo’n werkje te realiseren, hoewel in een artikel in Trouw (5 juni 1952) nog wordt opgetekend: “Wiecher Lever is thans bezig aan het samenstellen van een boek, in collaberatie met mevr. E. J. Huizenga-Onnekes”[5]. Hoewel de relatie tussen Lever en Huizenga goed blijft besluit Huizenga alleen met het boek, dat als titel “Juweeltjes van Knipkunst” krijgt en helaas nooit uit zou komen, verder te gaan en Lever publiceert zijn knipkunst handleiding en gaat verder zijn eigen weg. Toch is zijn brochure niet alleen bedoeld als poging tot stimuleren voor het (weer) beoefenen van de knipkunst, ook moet “Op nieuwe wijs, naar oude trant” een tegenwicht bieden tegen de door hem veronderstelde propaganda van de artistiek leidster van het Nederlands Openluchtmuseum, Hil Bottema [6], die in zijn ogen volstrekt foute opvattingen over knipkunst als volkskunst heeft.

In het Voorwoord van “Op nieuwe wijs, naar oude trant” schrijft Lever: “Een artikel in April 1946 in het Nieuwsblad van het Noorden over mijn werk, deed de belangstelling voor de oude knipkunst opnieuw herleven. Na in 1946 en ‘47 in het Nederlands Openlucht Museum gedemonstreerd te hebben werden lezingen, zowel in binnen- als buitenland gehouden, gelijk ik ook van diverse musea bestelling mocht ontvangen. De steeds weer gestelde vraag “Geeft u ook les”, deed mij besluiten een leerplan op te stellen. Nadat deze eerst hoofdstuksgewijze in het maandblad “Handig bekeken” [7] werd afgedrukt, wordt zij U thans met dezen aangeboden. Hopende dat ze een goed onthaal mag vinden”.

Zijn leerplan, dat dus al in delen was gepubliceerd, bestaat uit vijf hoofdstukken. Het begint met “Om kinderen bezig te houden en zelf routine te verwerven”, gevolgd door “Ontwikkel uw fantasie!”, “Hartvorm in de knipkunst”, “Vrije Vormgeving”en “De antieke rand”. Het omslag van Levers brochure toont een knipsel dat kenmerkend is voor het werk van de knipkunstenaar eind jaren veertig en de eerste helft van de jaren vijftig. Het is een vaas met kamperfoeliebloemen gevat in een medaillon met de tekst “Kennis zij macht, de liefde is kracht”. Dit geheel is omgeven door een rechthoek die met verschillende landschapselementen aan het medaillon is verbonden. Daar omheen weer een rechthoek die gevuld is met lathyrusbloemen. Dit knipsel is ook afgebeeld bij artikelen over de expositie “Vier eeuwen knipkunst” die in het begin van 1953 in de “skouromte” van de F.A.F. in Leeuwarden werd gehouden [8].

Heel andere knipsels zijn afgebeeld op de envelop van de lesmap die Wiecher Lever in 1973 laat verschijnen. Het zijn afbeeldingen die volledig aansluiten bij de zogenaamde “nostalgische trend” waar Lever met groot succes op in wist te spelen [9]. De titel van het leerplan is nog steeds “Op nieuwe wijs, naar oude trant,” maar er is nu sprake van de ondertitel “Spelend knippen”. Aansluitend bij Levers opvatting dat je het knippen toch vooral moet leren door veel te oefenen, liefst op een spelende manier is het tekstblad zeer summier gehouden. De tekst sluit aan bij vier voorbeeldbladen die als onderwerp hebben: 1) Poppetjes knippen, 2) Kleedjes knippen, 3) Allerlei suggesties en 4) bloemen naar de natuur en silhouetten knippen. Deze lesmap was zeer gewild en kende uiteindelijk 13 drukken.

Door Henk van Ark

Noten
afkortingen
– Van Ark, Henk van Ark, Wiecher Tjeert Lever (1917-1981). Een kunstenaarsleven in knipsels, Rasquert 2008/2010.

    1. “Vrouwenpost” is de voortzetting (1943) van “Christelijk Vrouwenleven” (1917),Het blad werd samengevoegd in 1958 met het eveneens christelijke tijdschrijft “Moeder” (met bijdragen van W. G. van de Hulst). In 1961 gaat het geheel op in het nieuwe damesblad “Prinses”.
    2. E. J. Huizenga-Onnekes, “Over knipsels en Schaduwbeelden”, Hobby, nr.9, p.170.
    3. In Van Ark is als onjuist jaar 1953 (p. 22 en p. 56) vermeld.
    4. Van Ark, p. 51.
    5. idem, p. 22.
    6. Citaat van Lever: “Mijn leerboekje is mede bedoeld om het werk van het Openluchtmuseum en haar propaganda die ook enigszins hol is, in bedwang te houden.” in: Van Ark, p. 55.
    7. “Handig bekeken” is een hobbyblad dat vanaf juli 1948 is verschenen.
    8. Van Ark, p. 22, 24 en 42.
    9. idem, p. 60.

 

 

Over Wiecher Tjeert Lever, Papyria 4

Op 8 september 2012 was het de 95ste geboortedag van Wiecher Lever. Met deze uitgave van ‘Welkom in Papyria” willen we daarbij stilstaan., zoals we dat in ons werk in het verleden vaak met een presentatie of bijzondere tentoonstelling deden.

Werk van Lever toonden we voor de eerste maal in Atelier Tobia Lever in augustus 1989 [1]. Het was een presentatie van knipsels en documentatie uit eigen bezit. Bedoeling was de pas opgerichte stichting W. Tj. Lever (21 april 1988) onder de aandacht te brengen en het startsein te geven voor het verzamelen van Levers werk en alles wat daarbij hoorde (afb 1).

afb. 1

Het verzamelen werd kort daarna al vrijwel overbodig aangezien op de veiling van Levers Westerborkcollectie (november 1988) onverwacht veel origineel werk van Nederlands bekendste knipkunstenaar kon worden aangekocht. Deze enorme aanwinst van totaal zo’n 1800 knipsels (groot en klein) maakte het ons mogelijk een aantrekkelijke wisseltentoonstelling op te zetten die in vier musea op diverse plaatsen in het land (Hoorn, Veendam, Krimpen a/d IJssel en Reeuwijk (afb. 2) te zien is geweest.

afb. 2

Iedere keer werd deze basistentoonstelling aan de omstandigheden en locale mogelijkheden aangepast. Zo was er in het Veenkoloniaal Museum ruimte voor het tonen van oude Groningse stukken en vormde in Museum Crimpenerhof het experimentele reliëf- en ruimtelijke werk van Tobia Lever onderdeel van de uitgebreide expositie. In de eerste twee musea was de titel van de expositie “Wiecher Tjeert Lever, kunstenaar met papier en schaar”, daarna werd gekozen voor de wat algemenere titel “Kunstig Knipwerk”.

afb. 3

Met de opening van een expositieruimte voor ons Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven (afb. 3) brak voor de stichting W. Tj. Lever een nieuwe periode aan. Het accent kwam te liggen op activiteiten in Schoonhoven met daarbij als tweede tentoonstelling in 1992 “Wiecher Tjeert Lever, papierknipper & verzamelaar”. Toch werd ook een nieuwe reizende tentoonstelling samengesteld met werk van Wiecher en Tobia Lever, weer met als titel “Kunstig Knipwerk”. Die tentoonstelling is in Sliedrecht en Ridderkerk in 1994 te zien geweest. Dezelfde opzet vormde ook de eerste wisseltentoonstelling (“Lever & Lever”) in het museumpand aan de Stadhuisstraat dat in maart 1995 werd geopend.

afb. 4

Ter gelegenheid van de 80ste geboortedag van Lever was in dit museum in 1997 de expositie “Uit de koffer van Wiecher Lever” (afb. 4) te bekijken, vijf jaar later gevolgd door “Levers Knipkunstwereld”. In het kader van die laatste Levertentoonstelling werd in de Openbare Bibliotheek een speciale Lever presentatie gehouden (afb. 5).

afb. 5

Na de sluiting van het Nederlands Museum van Knipkunst is een belangrijk deel van onze collectie ondergebracht in het Westfries Museum in Hoorn. Wij behielden de uitgebreide museum/stichtingsbibliotheek, belangrijk voor verder onderzoek en publicaties, het Leverarchief met veel documentatie, maar ook knipwerk en een interessante collectie geknipte profielportretten.

Mede daardoor was het mogelijk de reeks “Welkom in Papyria” in gang te zetten en het vierde nummer van deze serie, halfjaarlijkse brochures volledig te wijden aan Wiecher Tjeert Lever.

Door Henk van Ark

Noot

  1. Een volledig overzicht van alle tentoonstellingsactiviteiten vanaf 1986 is te vinden in: Henk van Ark, Atelier-Stichting-Museum (1986 t/m 2005), Rasquert 2010.

Lever,  Bruning en Zijl, Papyria 4

Van 4 maart t/m 6 april 1997 was in ons Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven de tentoonstelling “Nederland knipt weer!” te bekijken. De titel van deze presentatie was ontleend aan een artikel dat Wiecher Lever in 1951 schreef voor het blad “De Schilder”. Hierin besteedde hij aandacht aan knippers waarmee hij in de jaren daarvoor in contact was gekomen en van wie hij het werk om diverse redenen kon waarderen. In het artikel noemde hij Lily Eisendorn, Gretha Zijl, Antje Pronk, Gertrud Januszewski, Theun Broekstra, Toos Comerell en Marie-Thérèse Bruning [1]. De laatst genoemde stond op de tentoonstelling in Schoonhoven centraal, zij stelde voor de expositie ruim vijftig knipsels als bruikleen beschikbaar. Het contact met Bruning kwam tot stand dankzij Riet Driessen, die net als Marie-Thérèse betrokken was bij, knipkring “Kniprijk Nijmegen”, die ruim een jaar later ook in het museum exposeerde [2].

Het andere materiaal op de tentoonstelling “Nederland knipt weer!” kwam uit eigen museumbezit. Grotendeels was dit verworven op de veiling van Levers Westerbork museum in 1988. Het betrof knipsels en kranten -en tijdschriftartikelen [3]. Bovendien beschikten we in ons archief over enige brieven die duidelijk maakten hoe het contact tussen Lever en Bruning, al eind jaren veertig, tot stand was gekomen.

afb. 1

Eind maart 1947 stuurt mevrouw W. Bruning-Van Rekum uit Nijmegen een briefje aan Wiecher Lever als reactie op een mooi geïllustreerd artikel in het tijdschrift “Vizier” [4] (afb. 1). Zij schrijft: “Met bewondering zag ik uw knipsels in “Vizier “ Eenig mooi zijn ze! Waarom ik u hierover schrijf? om deze reden: die naar ik hoop, niet te vrijpostig is. Toevallig is sinds eenigen tijd mijn dochter, die goed teekent, ook deze eens gaan knippen. Dit schijnt zij tamelijk goed te kunnen. Eén ervan hierbij. Zij kan hier niet het noodige materiaal ervoor krijgen. Nu wil ik haar eens verrassen, en de benoodigde schaarjes bezorgen, waarom ik mij tot U wend. Zou U drie voor me willen kopen of laten verzenden? De “kunstmenschen” helpen mekaar allicht, als het kan, nietwaar? Concu[r]rentie dat is uitgesloten, ‘t is puur liefhebberij. Mochten wij u ergens van dienst kunnen zijn, dan gaarne! Of misschien een souveniertje van Nijmegen voor de kinderen? Hoewel onbekend, vriendelijk groetend[.] Hoogachtend [w.g.] Mevr.Bruning-v.R. “.

afb. 2

Wiecher Lever heeft per ommegaande gereageerd en hij stuurt in zijn antwoord een eigen knipwerkje mee. Mevrouw Bruning-van Rekum antwoordt reeds op 4 april en bij haar brief is ook een schrijven (gedateerd 3 april 1947) van de jonge knipster, die Marie-Thérèse blijkt te heten, bijgesloten (afb. 2). Zij schrijft Lever: “Bij Moeders brief wil ik u ook een velletje bijdoen. Allereerst dank ik u hartelijk voor het buitengewoon fijne knipseltje. Wat ik zou willen vragen is, het valt mij op, dat U uit wit knipt en op zwart plakt, is dit altijd z66 Uw manier van werken. ik had ‘t nog nooit eerder gezien, en zelf knip ik dan ook uit zwart. Het echte goede papier heb ik er niet voor, het schijnt zeer moeilijk te zijn, daar aan te komen, alsook aan de schaartjes. Ik gebruik een nagelschaartje, maar daar kan ik nooit dat héél fijne werk mee maken. Ik lijst Uw knipsel in, dan kan ik er altijd van genieten. Ik geloof dat moeder al schreef dat ik alle zelf ontwerp. De bijgaande plaatjes, zijn bedoeld als Doopplaatjes en tevens als Geboorteaankondiging”

Lever zorgt ervoor dat haar knipwerk bij de redactie van het tijdschrift “Hobby” terecht komt. In het septembernummer van de eerste jaargang (nr.9, juni 1947) wordt melding gemaakt van een mooie “Engelenwacht” die door Lever ter inzage is ingezonden. De redactie waagt om inzending van knipwerk, de knipsels die worden afgebeeld zullen worden gehonoreerd met f5,-, wordt het knipsel afgebeeld op de frontpagina dan krijgt de maker zelfs f20,-. Men geeft de maat aan (niet groter dan 16 x 20 cm) en spreekt de voorkeur uit voor wit-zwart, want “dit komt de oude Nederlandse volkskunst in wezen het meest nabij”

afb. 3, Greta Zijl

Het resultaat van deze oproep is te vinden in het oktobernummer van “Hobby” (jrg,2, nr.1). Een mooi knipsel van Gretha Zijl siert de frontpagina (afb. 3) en van Bruning wordt het knipsel “Zomersprookje” afgebeeld (afb. 4).

afb. 4, Marie-Thérèse Bruning

De redactie (nu alleen bestaande uit B. de Cock, J. A. Brongers is vanwege drukke werkzaamheden teruggetreden) meent echter te moeten opmerken: ‘Reeds eerder roemden we van Mej. Bruning een “engelenwacht”, welke ons door Lever werd toegezonden. (Een prettige geest heerst er onder deze knippers en knipsters). Haar “Zomersprookje” is prachtig. We blijven het jammer vinden, dat Mej. Bruning in zwart knipt. We zullen gelijk duidelijk trachten te maken, waarom. Alle afbeeldingen, welke tot nu toe verschenen, geven zwart-witte vlakken in cliché-druk, welke het essentieelschone van ‘t knipwerk niet tot zijn recht doet komen. Er zijn nl. drie dimensies, de papierdikte is een niet te verwaarlozen factor; die is het juist, welke aan de knipsels het eigene fragiel-stoffeljke geeft. Zodra een knipsel in extenso -in druk doen ze dat alle- de indruk geeft, dat de voorstelling evengoed met zwarte inkt op wit papier kon zijn gezet -of andersom- is er iets mis. Het gevaar bestaat, dat het werk het stempel gaat dragen van houtsnede- en daar doelden we op bij het werk van Mejuffrouw Bruning- of uitgeknipt tekenwerk. We zien wel degelijk de oorzaken. De heer Lever knipt vaardig uit de Vrije hand met een meesterlijke techniek al wat hem lust. Hij grijpt terug op oude voorbeelden en ook door zijn ontwikkelingsgang is hij feitelijk een voortzetter van oude knipkunst. De dames Zijl en Brunsting (!) zijn meer kinderen van, deze tijd, ze zijn zoekende naar nieuwe vormen voor nieuwe tijden, naar een nieuwe school; we geloven dat, zo ze op de ingeslagen weg voortgaan, ze zeer zeker een eigen vorm zullen vinden. Meer mogen we er thans niet van zeggen immers dan zouden we op de kwestie “volkskunst vroeger en nu” vooruit lopen”.

Van De Cocks opvattingen, die waarschijnlijk ook wel door Lever zullen zijn gedeeld, heeft Bruning zich niet of nauwelijks wat aangetrokken. Ze gebruikte voor haar knipwerk graag zwart (verduisterings)papier en knipte sprookjes geboorteaankondigingen en voorstellingen uit haar R.K.sfeer. Zij was maatschappelijk werkster en actief in de padvinderij, een onderwerp dat ook regelmatig in haar knipwerk voorkomt (afb. 5-15).

afb. 15, Marie-Thérèse Bruning

Gretha Zijl (1907-1977) [5], die dus de Hobby wedstrijd won en door Lever wordt genoemd in zijn artikel in “De Schilder”, wordt al vermeld in de artikelen “Over knipsels en Schaduwbeelden” van Line Huizenga-Onnekes [6]. Zij schrijft daarin: “Het wil mij voorkomen dat het knipwerk van Andersen, mej. Gretha Zijl, onderwijzeres te Appingedam, inspireerde. Ik ken haar van kindsbeen af. Ze was lang ziek en toen ze het bed moest houden verdreef ze de tijd met knippen. Ze had dit al eerder gedaan ten pleziere van de schoolkinderen, toen ze nog onderwijzeres te Borgsweer was. Ze knipte hele schilderijen, sprookjesgeschiedenissen. Haar werk is zeer artistiek; de dansende en spelende kinderen zijn een lust voor de ogen“. Huizenga duidt hier op het knipsel “Feestdans ter gelegenheid van een Oranjeprinses” dat bij haar artikelen is afgebeeld. Werk van Zijl was aanwezig op de tentoonstelling “Schaarkunst” in Franeker in 1950 [7].

Zijl is vooral bekend door het knipwerk dat werd gemaakt bij gedichten van Dam Jaarsma en boekjes met kinderversjes van Sjouk Koopmans [8]. Een mooie uitgave is ook “Hoes en Hof’ een gedichtenbundel van Jan Boer (Groningen 1951), een boekje dat zich in Levers verzameling bevond en ook aanwezig is in ons Leverarchief (afb. 16-19).

Brieven komen daar niet in voor maar wel verschillende krantenartikelen, waaronder stukken uit de Margriet (4 november 1950), Het Nieuwsblad van het Noorden (24 december 1951) en het Nieuwsblad van het Noorden (14 april 1966) (afb. 20-22).

afb. 20

Verder illustraties voor een kalender met de vier seizoenen (door Lever gedateerd 1951) [9] (afb. 23-26).

Een interessant artikel werd geschreven door W. J. Eelssema, die reeds in 1947 enige kritische opmerkingen bij het knipwerk van Lever maakte [10]. Hij schrijft over Gretha Zijl en haar werk in de Noord-Ooster van oktober 1961 [11]: “Zo in de loop der tijden is er veel veranderd. Het ging eveneens met de knipkunst. Andere tijden, andere zeden. De knipkunst geraakte in verval en momenteel moet men de beoefenaars zoeken. Eén ervan is Lever, die lange tijd in Muntendam wonend, nu in Roden een klein museum heeft gekregen en fungeert als één der bijzonderheden van het dorp. Een andere beoefenaarster is Gretha Zijl te Appingedam. Zij maakt en dat is verheugend, zeer goede knipprenten, die de toets der critiek volledig kunnen doorstaan. Wanneer men zou willen beweren, dat Greta Zijl een traditie voortzette, dan zou men zich aan overdrijven schuldig maken. Zij kwam tot het knippen van prenten, toen zij eens als lopende patiënte in een ziekenhuis een aantal kinderen wilde bezighouden. Het was in oorlogstijd en veel voor de kleintjes was er niet. Aanwed(=z)ig waren wel papier, een schaar en…fantasie. (afb. 29,30) (…)

afb. 29 Greta Zijl

De allereerste knipprenten, die als illustraties dienst deden, zag ik in de gedichtenbundel. “Hoes en Hof’ van Jan Boer. Eerlijk bekend voldeed dat werk me niet in alle opzichten. Jan Boer schreef me bij het zenden van het boek: “De illustraties zijn van mej. Gretha Zijl, onderwijzeres te Appingedam, die de oude knipkunst in ere houdt. Mijns inziens ademen deze reprodukties dezelfde geest als mijn gedichtjes”. Ik kon het er niet mee eens zijn, maar dat was schijnbaar een kwestie van opvatting. Juist omdat dit werk mij enigszins teleurstelde, ben ik blij ten huize van mej. Zijl werk te hebben gezien, dat prachtig was. Zij heeft namelijk verschillende sprookjes geïllustreerd en het frappeerde, dat zij dat zo raak en daarbij vaak zo kunstzinnig deed. Naast deze illustraties knipte zij portretten, die eveneens verrastten door de trefzekerheid, waarmee de schaar gehanteerd is. Het valt niet mee om een portret te geven dat alleen bestaat uit een stuk zwart papier. Men moet mensenkennis hebben om uit een gezicht dat te halen wat karakteristiek voor het “slachtoffer” is Gretha Zijl bezit deze gave en men kan alleen maar bewonderen, wat zij in haar silhouetten weet te bereiken. Persoonlijk prijs ik me gelukkig twee van Greta Zijl ’s werkstukken bij dit artikel te kunnen publiceren. Het ene is een dichterlijke, men mag eigenlijk wel zeggen sprookjesachtige verbeelding van een akelei en het tweede is een zelfportret van de knipster”.

afb. 30, Greta Zijl

Het knippen van portretten is een niet zo bekende vaardigheid van de Appingedamse knipster. Een krantenartikel uit 1966 [12] er nog het volgende over: “Ze laat afbeeldingen van zeer ingewikkelde knipfiguren zien. Uit een map komen portretten. “Dit was ook leuk. Portretten knippen. Heb ik in Lunteren gedaan, het herstellingsoord voor onderwijzers Soms heb je mensen, die na het zien van zo’n knipsel reageren met “D’r zit hail wat tied in”. maar ze bedoelen eigenlijk, dat je je tijd aardig verknoeid hebt”.

Door Henk van Ark

Afkortingen
– A.L.: Archief Lever
– Geknipt!: Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt! Geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland, Zutphen 2008.

Noten

  1. Marie-Thérèse Bruning (1920-2001). Geknipt!, Lexicon, p.176.
  2. Tentoonstelling “Kniprijk Nijmegen“, Nederlands Museum van Knipkunst,Schoonhoven, 1 september t/m 1 november 1998.
  3. Catalogus “A collection of paper-cut-outs from the “Museum van Knipkunst,Westerbork (…), Christie Amsterdam, 1988, lot 195.
  4. A.L., dossier Bruning, brief 28 maart 1947.
  5. Geknipt!, Lexicon, p.202.
  6. E. J. Huizenga-Onnekes, “Over knipsels en schaduwbeelden”, Groninger Dagblad, 15 en 22 maart 1947; Hobby, jrg.1, nr.9 (juni 1947), p.166-170.
  7. Henk van Ark “Papierknipkunst in Franeker in 1950 (2)”, Nieuws brief Stichting Tj. Lever en het Nederlands Museum van Knipkunst, jrg.12, nr.2 (juni 1999), [p.8-10].
  8. B. van Weperen-de Vries, “Greta ZijI 1907-1977”, Knip-pers, jrg.2, nr.3 (maart 1985), p.6-7.
    A.L., dossier Zijl.
  9. Henk van Ark, Wiecher Tjeert Lever (1917-1981), een kunstenaarsleven in knipsels, Rasquert 2008-2010, p. 41. Het betreft een artikel in de Winschoter Courant van 25 juni 1947. Wiert Jacob Eelssema (1902-1970) is journalist, criticus, recensist, toneelschrijver en schrijver van boeken (bekendste werk : Late Oogst, 1944). Hij publiceert in meerdere kranten waaronder de Winschoter Courant, de Noord-Ooster en de Eemsbode.
  10. W.J.Eelssema, “Men knipte vroeger, men knipt nu/GRETAHA ZIJL als knipkunstenares”, De Noord-Ooster, 28 november 1961.
  11. “Gretha Zijl speelt met ‘n SCHAAR heel wat klaar”, Nieuwsblad van het Noorden (rubriek “Voor de Vrouw”), 14 april 1966.

Tovenaar met het schaartje, Papyria 4

“Tovenaars bestaan niet? Pas op wat u zegt! Ze bestaan wel degelijk. Ik heb er een ontmoet. In levende lijve zat hij voor me. Nee, hij zwaaide niet met de toverstaf. Hij hanteerde een klein schaartje met fijne scherpe puntjes en daarmee knipte hij uit een gewoon blocnotevelletje de prachtigste dingen: bloemen, bomen, planten, vogels, alle soorten dieren, mensen, symbolische voorstellingen, ja, wat niet”.

Dit is het begin van het artikel dat door de journalist M. E. Schwitters uit Hilversum werd geschreven voor het kerstnummer van de “Wereldkroniek” van 1954 (afb. 1).

afb. 1

Hij moet overigens al eerder een stukje over Lever hebben geschreven en dat was uiteindelijk de aanleiding voor een groot, mooi geïllustreerd artikel in die “Wereldkroniek”. Het Wereldkroniek-artikel is door Wiecher Lever niet opgenomen in de plakboeken die hij samenstelde en waarop wij onze monografie baseerden, maar hij bewaarde wel twee losse exemplaren van het stuk, waarvan één foutief door hem is gedateerd (1955 i.p.v.1954). De inhoud van het artikel is niet opzienbarend, we treffen er de verhalen over Lever aan die ook in voorgaande artikelen werden geschreven, zoals zijn verleden op het turfschip en de vondst van een knipseltje in de Bijbel bij een tante -zijn eerste kennismaking met de knipkunst. Voorts zijn werk als vertegenwoordiger, zijn start als beroepsknipper en deelname aan diverse tentoonstellingen, het knippen van portretten, zijn collectie in opbouw met daarin vele door hem gemaakte kopieën. En, het knipwerk van zijn kinderen, Levers definitie van volkskunst en afkeur van na-apers en vervelende museummedewerkers, afgesloten met de vermelding van zijn voorkeur voor het knippen van veldbloemen en zijn bewondering voor de natuur van het Groningse platteland.

Origineel is Schwitters dus in zijn artikel niet, veel gedeelten zijn nagenoeg letterlijk overgenomen uit voorgaande stukken in kranten en tijdschriften. Niet dat Lever daar bezwaar tegen zal hebben gemaakt, hij stuurde Schwitters voorafgaande aan de publicatie in de “Wereldkroniek” de artikelen over hem in “Beatrijs”, “Het Kind” en het “Landbouwhuishouden” toe om het werk van de journalist te vergemakkelijken, een werkwijze die wij ook uit eigen ervaring kennen. Hij kon deze publiciteit -nu ook in een landelijke uitgave- zeer goed gebruiken en met de inmiddels dus bekende canon van aandachtspunten werd zijn knippers- en levensverhaal tenminste goed weergegeven. Belangrijk was verder dat het artikel uitstekend werd geïllustreerd met als blikvanger het knipsel “Overdenking bij de jaarwisseling” waarin de voornaamste gebeurtenissen uit het persoonlijke leven van de mens -zoals geboorte, schoolgaan, liefde, overlijden- zijn verwerkt. Andere illustraties zijn knipsels van Liesje Lever, een foto van Lever die burgemeester Boot van Hilversum portretteert, de geknipte “stamboom” van Levers vrouw, en het toen nog aan Anna Maria van Schurman toegeschreven wapenknipsel uit het Franeker Museum (toen Coopmanshus, nu Museum Martena) (afb. 2,3).

afb. 2

afb. 3

Echter uit het begin van het artikel blijkt een grote bewondering van de schrijver voor het knipwerk van Lever en ongetwijfeld ook voor diens verhalen. Dit wordt tevens duidelijk uit de brieven van Lever aan Schwitters waarvan negen exemplaren (7 brieven, 2 briefkaarten) bewaard zijn gebleven (afb. 4,5).

afb. 4

afb. 5

Ze dateren van 3 februari 1954 tot 23 mei 1955 [1]. Ze werden ons in kopie toegestuurd door Schwitters, die de expositieruimte van ons museum aan de Oude Haven is Schoonhoven had bezocht en daar met genoegen vertelde over zijn ervaringen met de Groningse knipkunstenaar. In verschillende opzichten is deze correspondentie interessant.

Allereerst wordt duidelijk dat Schwitters Lever het voorstel heeft gedaan samen “een boekwerk” over knipkunst te schrijven [2]. Lever gaat daarmee akkoord en zegt toe “komende dagen zal ik zo veel mogelijk materiaal bijeen zoeken“. Ook gaat hij in op zijn -inmiddels beëindigde- samenwerking met Line Huizenga-Onnekes: “Mevr. Huizenga-Onnekes is reeds een paar jaar bezig met een boek over de knipkunst samen te stellen waaraan ik om voor mij propagandistische reden veel heb meegewerkt. Dit wat nu overheidssubsidie is toegezegd wordt echter zo lijvig dat zij alleen door bibliotheken en leeszalen kan aangeschaft worden. Het zal mij niet verwonderen dat het een werkje van over de f 30,- wordt. Zelf heb ik mij reeds lang bezig gehouden met de gedachte van een beknopt werk. Niet met historische indeling, maar de indeling als volgt.
Knipkunst als ontspanning in de verfijnde salons.
Knipkunst als volkskunst[.]
Knipkunst in de hedendaagse tijd.
Reeds zocht ik van enkele knipsels de gegevens van vervaardiger en familieleden na. Zo kon ik twee jaar terug een ruim art voor de Nw. provinciaal Gron. Courant schrijven over Geert Jager de knipkunstenaar. Zo licht er bij “Gens Nostra” een art te wachten over een Groningse zeeliedenfamilie, dit laatste zal ik weer opvragen
.”

De eerst bewaarde brief na het verschijnen van het Wereldkroniek-artikel dateert van 1 maart 1955. Wiecher deelt zijn “Geachte vriend” mee: “Zo onder het werk door heb ik mijn gedachte gesteld op de afspraak een boek over knipkunst. Hoe dacht U als het een boek werd dat tegelijk instructief werkte voor leeraars handenarbeid enz. In dat geval zal de nadruk sterk moeten vallen op de knipkunst als volkskunst, wat vooral de gelegenheid geeft een levendig vlot werk te vervaardigen. Tegelijk historisch en instructief zal de lezerskring aanmerkelijk groter maken. Zakelijk gezien lijkt het mij het beste dat U als schrijver optreedt, en dan als aanvulling b. v. waarin verwerkt een tweetal leerboekjes van W. Tj. Lever. Als U als schrijver optreedt kunt u vrijer over mijn werk schrijven wat mij ten goede komt, en het boek op Uw naam zal U meer succes verschaffen “.

Lever stuurt Schwitters materiaal toe dat voor het boek te gebruiken zou zijn, zoals vier, niet ingelijste knipsels van Bram Bos[ch], foto’s van werk van H. D. Voss en Poolse meisjes en Gertrud Januszewski, wat Lever het beste van de hedendaagse knipkunst noemt, dat echter niet zonder voortekening gemaakt kan worden. Dat het uiteindelijk toch niet tot een publicatie is gekomen heeft waarschijnlijk als oorzaak dat Wiecher Lever, wegens tijdgebrek, niet voldoende materiaal bijeen kon brengen en Schwitters, als journalist, ongetwijfeld veel andere zaken aan het hoofd had. Bovendien lag een financiële klapper niet voor de hand, dus ander werk ging voor [3].

Hoe druk Lever het in die tijd had blijkt ook uit deze bewaarde correspondentie. Hij reist voortdurend door het land om lezingen en demonstraties (die hij steeds opsomt) te geven en boekingen voor optredens (bijvoorbeeld op scholen en bij verenigingen) te verwerven. “Zo onder het werk door”, zoals hij schreef, kon hij nog wel denken over een boek, zelf een dergelijke publicatie samenstellen lukte hem echt niet, vandaar zijn “genereuse” gebaar aan Schwitters om op te treden als schrijver. Dat die dan vrijer over zijn werk zou kunnen schrijven was mooi meegenomen. Lever kende zijn beperkingen, een echte schrijver was hij niet en tijd om zich hierin te ontwikkelen was er gewoon niet. Er moest geld worden verdiend en dat eiste alle aandacht op. Lever kwam aan schrijven nauwelijks toe, hij schrijft: “Geachte Vriend. Met deze zend ik U het familieknipsel [ dat Lever Schwitters als dank voor zijn inspanningen had beloofd, HvA. Met schrijven ben ik nog niet begonnen. Vorige week werd nog een brief uit Californië ontvangen, naar aanleiding van het art in “Wereldkroniek”. Het was naar aanleiding van het familieknipsel. De schrijver wist te herinneren, dat in zijn voorgeslacht de naam Margaretha Wildervank voorkwam, en vroeg naar mogelijke inlichtingen”.

afb. 6

Terugkijkend is het bewonderenswaardig hoeveel Wiecher Lever in die tijd heeft gewerkt en bijeengebracht. Dat blijkt ook uit het vele genealogische onderzoek dat hij heeft uitgevoerd (afb. 6-10). Het afgebeelde knipsel van de “Stamboom” van zijn vrouw in de “Wereldkroniek” is daarvan maar een bescheiden voorbeeld, er zijn veel aantekeningen van genealogisch onderzoek bewaard, niet alleen over familieleden, maar ook over diverse knipkunstenaars.

afb. 7

afb. 8

Een publicatie over knipkunst was belangrijk, maar de tovenaar van Muntendam had een andere droom: het vervolmaken van zijn knipwerk en de opbouw van een museale collectie vier eeuwen knipkunst. De jaren vijftig kon hij afsluiten met de opening van zijn Nederlands Museum van Knipkunst in Roden in 1960; een bekroning van zijn geweldige inzet op knipkunstgebied, met name na 1950.

afb. 9

afb. 10

Door Henk van Ark

Noten

  1. Archief Lever, dossier Schwitters.
  2. idem, brief 3 februari 1954.
  3. M. E. Schwitters (John Schwitters) werkte in diverse functies bij het Vrije Volk in Groningen, Amsterdam en Rotterdam. Hij doceerde in Groningen enige tijd journalistieke typografie aan het Instituut voor Perswetenschappen en vertrok in 1955 naar Hilversum waar hij de dagelijkse leiding van de VARA gids op zich nam.. In 1962 stapte hij over naar de persdienst van de NTS (later NOS).
    4. Archief Lever, dossier Schwitters, brief 23 mei 1955.

De schaarminerven en de schaarhercuul, Papyria 4

Twee hoofdpersonen uit de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst zijn voor onze stichting W. Tj. Lever van bijzonder belang geweest.

Allereerst natuurlijk Wiecher Lever. Met de oprichting van de stichting in 1988 probeerden we aandacht te vestigen op de dreigende verkoop van Levers Westerborkcollectie en we slaagden erin -toen het bijeenhouden van Levers levenswerk niet lukte- belangrijke delen van zijn verzameling op de veiling aan te kopen. Met die aangekochte basiscollectie probeerden we Levers werk voort te zetten middels tentoonstellingen in het land en later in het Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven.

Joanna Koerten was voor ons vooral belangrijk omdat zij de bekendste knipster uit voorgaande eeuwen is geweest en we op de veiling van Levers verzameling prenten en boeken konden aankopen die op Koerten en haar werk betrekking hadden. Terugkijkend kunnen we vele paralellen tussen beide papierkunstenaars opmerken. Ze waren allebei papierkunstenaar die eigen werk maakten in een bijzondere stijl en techniek. Ook maakten ze hun eigen werk voor het publiek toegankelijk, zij het op een totaal verschillende manier. Hun collecties bleven nog jaren bij elkaar (Koerten tot 1750 en Lever tot 1988) en beide kunstenaars waren actief betrokken bij het stimuleren van anderen om de knipkunst te beoefenen. Joanna Koerten werd in haar tijd aangeduid als de Schaar-Minerve van Amsterdam, Lever werd in 1950 een Schaar Hercuul (de Hercules van de knipkunst) genoemd [1][ (afb. 1).

afb. 1

Het artikel “Een vergeten volkskunst” in het Nieuwsblad van het Noorden (15 april 1946) is geschreven op verzoek van Wiecher Lever. Hij stelde de redactie de vraag: “Zou u niet eens eens iets willen schrijven over een oude volkskunst, die geheel verloren is gegaan, maar die in vroeger eeuwen in ons land veel veranderd, namelijk de knipkunst? ‘

De redactie ging daar op in en aangezien men constateerde dat Lever over de bloei van de knipkunst in vroeger tijden weinig wist te vertellen wendde men zich tot de Openbare Leeszaal in Groningen en vond daar onder andere het artikel van Van Son uit 1910 waarin Koerten ruime aandacht krijgt [2[ (afb. 2).

afb. 2

Het artikel van Van Dokkum, waarin veel meer over de Amsterdamse knipster werd vermeld was toen kennelijk niet beschikbaar [3] (afb. 3).

afb. 3

Al snel waren er voor Lever mogelijkheden zijn kennis over Koerten te versterken. Hij nam ook in 1946 deel aan de knipkunstentoonstelling in het Centraal Museum in Utrecht en zal ongetwijfeld kennisgenomen hebben van de in het tijdschrift “Historia” gepubliceerde drie artikelen over knipkunst door C. Catharina van de Graft. Exemplaren van de betreffende. nummers bevonden zich in zijn verzameling en konden in 1988 door de stichting worden verworven. Verder had hij uitwisselingscontacten van informatie met Line Huizenga-Onnekes en was het voor hem mogelijk bij zijn demonstraties in het Openluchtmuseum in 1946 en 1947 de museumbibliotheek te raadplegen. Koerten komt in mooie artikelen over Lever eind jaren veertig/begin jaren vijftig natuurlijk voor, maar zelf hij schrijft pas over haar in het artikel in De Schilder van 21 juli 1951. Een halfjaar erna (29 januari 1952) publiceert voor de rubriek “Kunst en Kultuur” van de Gazet van Antwerpen het uitvoeriger artikel “Een Herlevende Volkunst/Tekenen met de Schaar” (afb. 4).

afb. 4

Daarin schrijft hij over Koerten: “Het werk van Vwerten [Koerten] is van geheel andere inslag. Bij het eerste zien van één harer werkstukken meent men eerder een ets voor zich te hebben dan een knipsel. Haar werkwijze was dan ook van geheel andere inslag. Het was veelal niet oorspronkelijk, maar een nauwkeurige weergave van een schilderij of prent, eerst getekend en later met schaar en pennenmes zodanig bewerkt dat bovengenoemde vorm verkregen werd. Technisch was het zeer knap. Toch zou onze tijd haar niet bewieroken gelijk het verleden. Zij toch was in haar tijd een ware beroemdheid. Menig buitenlands vorst, o.a. Czaar Peter en Maria van Engeland, bezochten haar en bewonderden het kabinet van Papiersnijkunst door Adriaan Blok, haar echtgenoot, aangelegd, die als een prins-gemaal in de grootheid van zijn vorstin deelde. Na haar dood bundelde hij de lofzangen, door meer dan honderd harer bewonderaars geschreven. Een paar fragmenten hieruit mogen aantonen hoe haar tijdgenoten haar eerden”:

Hierna laat Lever enige citaten uit lofdichten volgen en hij besluit dit gedeelte van het artikel: “In overeenstemming met bovengenoemde zangen waren de prijzen die ze maakte. Keurvorst Johan Willem van de Paltz moet haar voor drie harer knipsels duizend gulden geboden hebben. Keizerin Anna Maria Josepha van Neuberg betaalde vierduizend gulden voor een heerlijk stuks werk, bestaande uit bloemen, wapens, arendskronen in loofwerk, versierd met gevlochten zijde. Een prijs die veel hoger lag dan die der best betaalde schilderijen uit die tijd Nog tijdens het leven van Johanna Koerten werd te Amsterdam bij Johannes ten Hoorn, boekverkoper over ‘t Oude Heerenlogement, in 1686 uitgegeven het boekje getiteld:


Kunstig en vermaakelyk
Tyd-ve[r]dryf
der
Hollandsche Jufferen
Of onderricht der
Papiere sny-konst
een bewijs van de groeiende belangstelling voor deze vorm van ontspanning”:

Voor deze genoteerde citaten heeft Lever gebruik gemaakt van het artikel van Van Son dat hij dus al vanaf 1946 kende. Kort daarna moet de Groningse knipkunstenaar hebben beschikt over het artikel van Van Dokkum dat volledig, nagenoeg, uitgetypt hem zal zijn toegestuurd door de redactie van de Bode van de Heilige Familie. Het typoscript is namelijk vervaardigd op postpapier van deze Bode (afb. 5-6).

afb. 5

afb. 6

Voor dit katholieke orgaan maakte Lever een voorpagina-knipsel voor de uitgave van oktober 1951 [7].

afb. 7

Lever zal zich ongetwijfeld verder hebben bezig gehouden met Koerten, dat blijkt bijvoorbeeld uit notities (gelukkig in potlood) op een van de twee lege schutbladen van de Lofdichten uitgave van 1735 (afb. 8).

afb. 8

Diverse schrijvers met de pagina(’s) waarop hun gedicht(en) te vinden zijn heeft hij opgeschreven. Om welke reden is niet te achterhalen, van resultaten van eventueel uitgevoerd onderzoek is niets bekend. Wel verzamelde hij natuurlijk Koertiana voor zijn verzameling. De lofdichtenuitgave van 1735 is daar een van, verder had hij in zijn collectie ook de lofdichtenuitgave van 1736 (in beide publicaties is een gravureportret van J. Punt opgenomen (afb. 9) en twee prenten.

afb. 9

Dit waren de gravure van Jac.Houbraken die voorkomt in Arnold Houbrakens “groote Schouburgh”, waarbij het portret van Koerten is omgeven door de twaalf tekens van de dierenriem (afb. 10) en de zwartekunst prent van Petrus Schenk (afb. 11) die is gemaakt naar voorbeeld van een schilderij van D. van de Plas. Deze mezzotint speelde een rol bij de verhalen die Lever over de geschiedenis van de knipkunst in zijn museum vertelde, we zien de prent ingelijst, omgeven door knipwerk, al op foto’s van zijn kleine museum in Roden (afb. 12).

afb. 10, J.C. Weyerman, Wiki Commons

Prenten en lofdichtboeken konden door onze stichting worden aangekocht op de veiling van 1988. In ons museum in Schoonhoven kon Koertens portret door Schenk permanent worden geëxposeerd, samen met het portret van Jan Kopper, die echt als knipkunstenaar is afgebeeld, in één lijst.

afb. 11

Beide portretten speelden een belangrijke rol bij rondleidingen die we in het museum verzorgden. Toen beseften we nog niet dat de connectie Koerten-Kopper nog meer inhield dan wij al dachten. Dat werd pas echt duidelijk toen we een artikel schreven voor ‘Welkom in Papyria (3)”.

afb. 12

Door Henk van Ark

Noten

  1. “Schaarkunst. Vier eeuwen knip-virtuositeit in Franekers Coopmanshuis, Panorama, 8 september 1950, p.21.
  2. C. van Son, “Schaarkunst”, Elsevier’s Geillustreerd Maandschrijft; jrg.20 (1910), p. 306-319.
  3. J. D. C. van Dokkum, “Hanna de knipster en haar Concurrenten”, Het Huis Oud en Nieuw, jrg.13 (1915), p335-358.