Auteursarchief: admin

Line Huizenga-Onnekes, folkloriste, Knip-Pers 2019-4

Over Line Huizenga is nooit een apart artikel verschenen in de Knip-Pers, alleen een NVvP- bijdrage in een apart katern in 1986. Daarom nu in de serie Belangrijke Knippers iets over een knipkunstdeskundige, die niet zelf knipte.

In 1983 kregen wij van een zoon van Line Huizenga een koffer vol brieven en aantekeningen over knipwerk ter inzage. Daarbij een stapel dicht betypte papieren: een manuscript voor een boek over de geschiedenis van het knippen in Nederland. De titel was ‘Juweeltjes van ‘Knipkunst’. Het bleek een schatkamer vol met tot dan toe ongekende gegevens over knippers en hun werk, van de 17e tot de 20e eeuw: resultaat van jaren origineel onderzoek. De koffer stond naast haar sterfbed in 1956.

Eilina Johanna Onnekes werd geboren in1883 als dochter van een Groningse dominee; vader vertelde haar verhalen uit de streek. Line trouwde in 1909 met een landbouwer, Jan Hendrik Huizenga en het paar vestigde zich op een grote boerderij in Ten Boer. In de geboorteakte van hun oudste zoon werd haar beroep nog als ‘landbouwerse’ omschreven. Maar dat zou veranderen: haar vader had zijn dochter ook maatschappelijk bewust gemaakt, en dus richtte ze, pas getrouwd, een afdeling Vrouwenkiesrecht op in Ten Boer. Line vond het wel jammer dat haar vader haar niet had laten studeren en daarom nam ze haar hele verdere leven deel aan allerlei studiekringen.

Line had interesse in traditionele gebruiken van het Groningse platteland. Ze verzamelde de verhalen bij herenboeren en arbeiders, fietsend of met de bus door de provincie. Zo kwam haar een schriftje onder ogen met verhalen van een huisnaaister, Trijntje Soldaats, opgeschreven in 1800 door haar betovergrootvader. Ze vond die verhalen zo mooi, dat ze in 1928 zijn gedrukt, met dialect en schrijffouten, zoals in het origineel. Het werd een prachtuitgave, geïllustreerd met fraaie houtsneden, het eerste sprookjesboek in Nederland. En zo volgde er meer.

Line ging stukjes schrijven voor het ‘Nieuwsblad van het Noorden’, gaf lezingen, hield praatjes voor de (regionale) radio en werd (bestuurs-)lid van belangrijke Groningse organisaties en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.

Line raakte geboeid door spookverhalen, die ze uit de mond van vertellers optekende. Ze overleed voor ze daar een boek van kon maken, maar ze zijn in 1969 postuum uitgegeven als ‘Heksen en duivelsverhalen van het ‘Groningerland’. Vrijwel onbekend buiten de kringen van knippers, is het verhaal van de koffer waarin het manuscript over de geschiedenis van de knipkunst, dat Line evenmin in druk zag. Wij kregen die koffer in beheer en hebben in overleg met de familie, besloten om haar werk niet apart uit te geven, omdat veel al achterhaald was (o.a. door ons boekje ‘Schaarkunst’, 1983).
Maar al haar ontdekkingen hebben we later verwerkt in ons grote boek ‘Geknipt! Geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland’ (2008).

Kort na de oorlog raakte Line geboeid door knipwerk. In het Bijbeltje van haar grootmoeder had ze een eenvoudig knipseltje gevonden en ze hoefde niet lang te zoeken of ze vond bij familie en kennissen meer knipwerk. Ze beperkte zich niet tot Groninger knippers: dit project bracht haar door het hele land. Niet zelden betrok ze de afkomst van knippers bij het werk dat ze maakten: bijvoorbeeld of de ouders ook kunstzinnig waren (of misschien een van hen). Ze schreef met veel knippers, kunsthistorici en museumdirecteuren en vroeg om afbeeldingen van knipwerk. En die moesten vaak betaald worden (haar man mopperde wel eens over al die kosten).

Ze was intussen ook een behendige fotografe geworden en dat hielp, maar zelf knippen, daar is het nooit van gekomen.

Line bezig met het typen van haar Knipboek. Op de achtergrond haar man met hoed en achter haar kleinzoon Jan. Let op de wand achter haar man, daar hangen allerlei oude knipsels.

Een groot deel van het onderzoek heeft Line gedaan in samenwerking met Wiecher Tj. Lever, toen een beginnend knipper en verzamelaar in Muntendam (zie over die samenwerking ook ons artikel ‘Overgeleverde knipsels’ in Knip-Pers 1998-2). In feite hadden ze eenzelfde benadering: beiden bezochten mensen die knipwerk bezaten of maakten, schreven erover, o.a.  in het tijdschrift ‘Hobby’ en gaven voordrachten. Zo ontdekte Lever het werk van Geert Jager (plm. 1850) in Oost- Groningen; en Line raakte geboeid door een Gronings knipsel van ene D.S., ‘Adam en Eva in ’t Paradys’.

Het werd een hele zoektocht tot in de Groninger archieven, totdat ze D.S. eindelijk vond in een boekje met de titel: ‘Printboekje van G. Scholtens om gesnedene Printjes van zijn geëerde [vader] Dato Scholtens in te bewaren. Anno Groningen 1772’. Het is één van de vele voorbeelden, die laten zien dat Line in haar onderzoek heel ver ging om gegevens op te diepen.

Die twee wisselden hun gegevens uit in 25 brieven, heen en weer; al gauw groeide het plan voor een gezamenlijk boek; Lever heeft zelfs een geknipt ontwerp voor de omslag gemaakt met de titel ‘Knipkunst, Oud en Nieuw’ (zie hieronder). Maar het waren toch heel verschillende persoonlijkheden, de een welgesteld en breed ontwikkeld, de ander eenvoudiger en selfmade. Op religieus gebied was Lever streng en stellig, en dat botste met het veel liberalere standpunt van Line.
Ook hun visie op wat volkskunst is, verschilde nogal. Lever had het niet op het voortbouwen op “volkse’ motieven; knippen moest uit ieders eigen talent voortkomen (hij botste daarin ook met Hil Bottema van het Openluchtmuseum).
Volgens Line hoorde alle knipperij tot de volkskunst en daarin spelen traditie en overlevering een grote rol. Maar ook meende zij dat de papierknipkunst “een ladder met vele treden is, van naïef dilettantisme tot het hoogste kunstenaarschap”.

Zo is het gezamenlijk boekproject gestopt, maar ze bleven elkaar schrijven, hij ging zijn eigen weg met zijn museum en zijn knipperij, waarmee hij de kost moest verdienen; zij met haar onderzoek voor het knipkunstboek en haar opzet om niet alleen te herhalen wat al geschreven was, maar vooral om nieuw oudwerk naar voren te halen.

Wiecher Tj Lever voor het gezamelijke boek

Line was een opmerkelijke vrouw, voor haar tijd geëmancipeerd, veelzijdig, gedreven en kundig. Achter de erenaam ‘folkloriste’ schuilt een manier van onderzoek die wetenschappelijk te noemen is. Lines inzet heeft ervoor gezorgd dat volksverhalen en knipkunst nu als immaterieel erfgoed gewaardeerd worden. Haar speurwerk wordt in onze tijd, met aandacht voor bijzondere vrouwen in een mannenwereld, zò gewaardeerd dat zij binnenkort het onderwerp wordt van een proefschrift aan de Universiteit van Groningen. De koffer komt dan weer goed van pas!

Door Joke en Jan Peter Verhave

Bomen over Bomen van NENB, deel 4, Knip-Pers 2019-1

Elly Nannenga-Bremekamp, Eend verschuiven A4 (14-7-1988)

Elly Nannenga-Bremekamp,Appels plukken 15 x 22 cm (11-10 1988)

Elly Nannenga-Bremekamp, Bomen verschuiven/collage A4 (3-8-1988)

In Knip-Pers 2018-4 las ik in het interview met Gabie en Ada Bakker, dat Gabie het liefste nog meer afbeeldingen zou zien en minder tekst. Mijn laatste zin in Bomen over NENB zegt ook zoiets. Frappant vond ik ook het artikel van Wies Palma over spelen met schaduw.

Elly Nanenga-Bremekamp, Boom met mezen 17 x 22 cm

Elly gebruikte deze techniek ook en ik had overwogen om daarvan wat te laten zien, maar ik koos andere technieken.

Elly Nannenga-Bremekamp, Bomen met landschap A4 (4-4-1990)

Dit keer laat ik toch twee van haar schaduw knipsels zien; het wit op de golfjes bij de eend versterkt het effect van water, voor de andere zijn meer bomen van zijdevloei gebruikt, waardoor je het ook een collage kunt noemen. In de catalogus van dit album vermeldt Elly: “zijdevloei is niet lichtecht, het verkleurt.”

Elly Nannenga-Bremekamp, Eén scheve vouw 15 x15 cm (29-10-1988)

De titel geeft al aan dat het nu over bomen gaat. Elly knipte er heel veel, enkel, dubbel, gestileerd en altijd samen met kinderen, mensen, bloemen, dieren zoals vogels, honden of paarden.

Elly Nannenga-Bremekamp, Boom A4 (5-12-1984)

Er is een hele reeks bomen waarbij met enkele lijnen een landschap wordt aangegeven, waardoor een driedimensionaal effect ontstaat.

Elly Nannenga-Bremekamp, Schilder A4 (3-5-1989)

Het knipsel met de paarden (6) moet ontstaan zijn na de les van Frouke Goudman tijdens een Gelderse Contactmiddag. Zij leerde ons een driedubbel knipsel maken, waarbij één vouw scheef moest zijn. Elly gebruikte voor dit knipsel origami papier van 15 x 15 cm dat van donker grijs naar wit verloopt.

Elly Nannenga-Bremekamp, Uil bril kaars (5-5-1986)

‘De uil zit in de olmen’, hier in een naaldboom. maar wat betekenen de bril en de kaars? Misschien dat een uil heel goed in het donker kan zien?

Elly Nannenga-Bremekamp, Bomen brug A4 (2-8-1989)

In 1984 knipte Elly bomen met takjes en blaadjes, later werden de bomen globaal maar wel met karakteristieke kenmerken, die stijl bleef ze volhouden.

Door Suus Houtman

Elly Nannenga-Bremekamp, Hunnebed 14,5 x 19 cm (16-9-1994)

Elly Nannenga-Bremekamp, Boom, vogels, kinderen (23-5-1988)

Elly Nannenga-Bremekamp, Boom/kind 18 x 25 cm

Elly Nannenga-Bremekamp, Huisje boompje beestje (3-4-1990)

Elly Nannenga-Bremekamp, A4 (3-11-1988)

Elly Nannenga-Bremekamp, Paartje onder bomen A4 (16-6-1990)

Bomen over NENB, deel 3, Knip-Pers 2018-4

Vorige keer heb ik iets laten zien van wat wij nu ‘Glas in lood’ techniek noemen. Elly Nannenga schreef zelf dat ze vaak meer lagen op elkaar knipte. Dat kon gevouwen papier zijn, dan krijg je ook spiegelbeelden, maar ook losse papiertjes.

Met deze losse figuren kun je ook een mooie vlakverdeling maken op A4 formaat. Een bekende techniek. Elly gebruikte dit vaak en op vele manieren, waarvan ik enige voorbeelden laat zien. Misschien geeft het inspiratie.

Bijna alles is op A4 formaat. De herfstboom afb.1, is opgebouwd uit heel veel losse takjes. De vogels spreken voor zich, bij afb.6, de vogelcollage, is de ondergrond inpakpapier. Voor de roze en rode tulpen afb.7, is vloeipapier gekozen. Voor de herfstbladeren van afb. 5 is origami papier met verlopende kleuren genomen. Het kan zijn dat Elly de streepjecodeles van Frouke Goudman op een regiomiddag in Gelderland heeft meegemaakt en daar het idee kreeg voor de golven met vogels en vissen,

ik kwam meer streepjes tegen. De ondergrond van afb. 3 noemt ze gemarmerd en maakte ze met aquarelverf. Ik noem dit collages, maar Elly gebruikt vaak de naam montages.

Dit slaat vaak op de volgende afbeeldingen. Soms zie je meteen dat een figuur met spiegelbeeld op een andere manier aan elkaar is geplakt, maar vaak moet je even puzzelen. Dit is weer een aspect van haar werk, het lijkt mij beter om niet te veel te schrijven maar ….. om meer te kijken!

Door Suus Houtman

Bomen over NENB, deel 2, Knip-Pers 2018-3

Knipkring Arnhem is ook bij Elly Nannenga thuis op bezoek geweest. Allemaal waren we verbaasd over de hoeveelheid multomappen boordevol met knipsels. We mochten veel kopiëren op haar eigen kopieermachine en kregen een envelop met kaarten van haar mee. Ook in haar eigen kring deelde ze royaal uit. Elk jaar maakte ze een kalender voor iedereen.

Elly Nanenga-Bremekamp, Zeeanemonen met rode vissen, 13 x 17 cm (3-12-1984)

In 1989 organiseerde de regio Gelderland een tentoonstelling in Ede, waaraan Elly ook mee deed. Als ze TV keek, had ze altijd een blocnote of album op schoot en tekende de personen of dieren in de uitzending, waar ze later knipsels van maakte. Knap om bewegende beelden zo snel vast te leggen. Ze overleed in mei 1996.

Elly Nannenga-Bremekamp, Prent over werk en hobby’s van haar man

Eén van haar dochters ken ik door wekelijkse excursies van de KNNV (Vereniging voor veldbiologie) in Arnhem. Zij vertelde dat een deel van de knipalbums van Elly naar het Museum van Papierknipkunst in Westerbork is gegaan. Ik kreeg van haar ook enige albums en multomappen. Om voor de Knip-Pers over haar te kunnen vertellen, ben ik bij deze dochter thuis geweest. Daar stond een tafel vol met plakboeken, multomappen en levensbeschrijvingen in drie talen. Aan de muren hingen ook producten van Elly, maar geen knipsels. Ik mocht alles lenen.

Elly Nannenga-Bremekamp, Bedankkaartje na haar overlijden (foto van een aquarel)

Nu, na vijf dagen zit ik me nog steeds te verbazen over de hoeveelheid en diversiteit aan technieken. Het oudste plakboek bevat tekeningen, portretten en aquarellen van landschappen met boerderijen en molens vanaf 1941. Dan zijn er plakboeken vol linosneden en etsen. Daarnaast de multomappen met knipwerk. Ieder album heeft een rugnummer, een jaartal en data. In iedere map ligt een verklaring over haar knipwerk en gebruikte papiersoorten en een catalogus, wetenschappelijk systematisch (zie ook KP juni 2018, deel 1).

Elly Nannenga-Bremekamp, Ingekleurde vogel; ingekleurde badmintonspelers; ingekleurd Goudkuif “drijfsijsje”

Hoeveel mappen er waren, weet ik niet. Voor mij ligt map III, van 3-11-1984 tot 2-01-1985 en map 71 van 13-9-1991 tot 8-10-1991. Vaak was een map dus in één maand vol met zeker 100 knipsels. De meeste knipsels zijn opgeplakt en zitten in showmappen. Op map 50 van 1-4-1990 tot 19-4-1990 staat ZIEK. Ik vind slechts drie ‘prenten’: één voor haar man, die verwijst naar zijn werk met o.a. wieren, korstmossen, paddenstoelen, waaronder stuifzwammen en de hobby’s schaken en biljarten. De tweede maakte ze over haar eigen werk en hobby’s (zie Knip-Pers 2018-2, Bomen over NENB, deel 1) en nog een levensboom voor vrienden. Haar verdere knipwerk is totaal anders dan het prentenwerk.

Ze gebruikte veel zwart papier, maar combineerde het vaak met kleuren, origami in effen of verlopende kleuren of mooi inpakpapier. Er zijn zoveel onderwerpen in diverse vormen, dat het onmogelijk is om dat in één keer te beschrijven. Eén onderwerp wil ik nu laten zien. Tijdens de laatste Contactdag leerden we ‘glas in lood’ knippen, door achter de open vlakken in een zwarte vogel gekleurd vliegerpapier te plakken. Elly knipte in 1988/89 ook vogels en andere figuren met open vlakken, maar kleurde die in met verf en penseel of met viltstift.

Elly Nannenga-Bremekamp. jaarlijkse lampionoptocht in de tuin, toen de kinderen klein waren, A4 (dec. 1984)

Door Suus Houtman

Elly’s eigen beschrijving over haar knipwerk en papiergebruik:
KNIPSELS van N.E. Nanninga-Bremekamp VERKLARING VAN DE INHOUD:

Alle (bijna) knipsels zijn voorgetekend (meestal alleen globaal), met potlood op de achterzijde als die wit of licht is, anders op doorslag papier dat mee geknipt wordt. Motieven altijd uit het hoofd, tenzij anders vermeld; TV = naar schetsen naar het bewegende beeld van de televisie geschetst, soms rechtstreeks op de achterkant van het knippapier. Tuin: planten of andere zaken uit eigen tuin. Gebruikte foto’s of plaatjes, vaak in geplakt, of herkomst vermeld (vaak naar eigen schetsen).
Knipkring-papier is er in zwart en 12 effen kleuren. Origami-papier is er effen in zwart, wit en effen kleuren, maar ook in verschillende kleuren en dan gestreept, of in blokjes of halve cirkels, donkerder in de hoeken of juist in het midden (het bestaat ook gebloemd en met kleine motieven), in verschillende, vierkante maten. Sits– of glacé-papier is er in veel kleuren, en, zwart en wit, weinig lichtecht.
Silhouette papier is dof pluizig, en vezelt bij knippen met geen 100% scherpe schaar en is tamelijk bros, scheurt makkelijk. Al deze papieren zijn wit of lichtgrijs aan de achterkant. “Vloei-papier” is er in vele mooie kleuren, maar is weinig lichtecht (het is in 16 tot 32 lagen tegelijk te knippen). Reclamepapier is gewoonlijk ook bedrukt aan de achterkant, het komt uit Elzevier’s weekblad, uit reclamefolders en -krantjes.
Lijm om op te plakken: behangsellijm, en, meestal, photo-tube-lijm (op rubber-basis) de laatste kan weggeveegd worden rondom, de eerste droogt ± onzichtbaar op.
Montage-papier is teken papier wit of gekleurd (dat van de HEMA is helemaal niet kleurecht) of schrijfmachine papier wit. Ook wel platen bv van kaften die anders weggegooid zouden worden, en met een knipseltje erop voor mij behouden blijven (knipsels vallen dan wel over de letters heen). En zelf getint (met waterverf, A4 formaat, stencil- of ander papier) papier.

Bomen over NENB, deel 1, Knip-Pers 2018-2


Wie is dat?
Die letters staan voor Neeltje Elisabeth Nannenga-Bremekamp, roepnaam Elly. Een heel bijzondere vrouw met een buitengewone geschiedenis. Haar ouders waren bioloog, zij werd het ook. Ze trouwde met een bioloog en één van haar dochters koos ook voor die studie. Elly werd geboren in Soerabaja op 30 december 1916. Op haar derde jaar verloor zij haar moeder. Haar vader nam haar mee naar Nederland, daarna naar Zuid Afrika, waar hij hoogleraar werd. Er waren altijd huishoudsters die voor haar zorgden, maar haar vader nam haar ook mee op lange autoreizen over vaak heel slechte wegen. Uit noodzaak leerde hij haar toen, als 10 jarige, auto rijden. Ze verzamelde onderweg van alles: stenen, schelpen, zaden, mooi om te tekenen. Haar vader heeft haar steeds gestimuleerd om creatief bezig te zijn. In 1930 bezochten vader en dochter in zes maanden Nederland, België, Frankrijk, Italië en Zwitserland en liet hij haar veel musea zien. Voor de middelbare school ging ze naar een kostschool in Pretoria, later naar Engeland. Ze studeerde in Utrecht en verhuisde met haar vader naar Bilthoven. Na de studie werkte ze met haar vader in een botanisch laboratorium in Wageningen en later bij Organon, een farmaceutisch bedrijf.

Elly Nannenga-Bremekamp, Prent over haar hobby’s en werk

In 1943 trouwde Elly en ging in Heelsum wonen. Ze had geen baan, maar kon niet stilzitten. Ze maakte Engelse vertalingen, tekende en schilderde graag en had vele liefhebberijen op het gebied van de biologie, speciale belangstelling voor stenen, mineralen en mossen.

Elly Nannenga-Bremekamp, De was, 17,5 cm (14-12-1984)

In 1944 moesten Elly, haar man en hun baby, evacueren. Ze vonden hun huis na de oorlog geplunderd en vernield terug. Uiteindelijk verhuisden ze naar Doorwerth, naar een huis met een enorme tuin. Ideaal voor deze biologen met hun vier dochters.

Elly Nannenga-Bremekamp, Elfje op paddenstoelen, 17,5 x 17 cm.

Elly stimuleerde haar dochters in allerlei creatieve activiteiten, maar ze mochten niet natekenen, wel naar de natuur. Ze maakte zelf een poppentheater voor hen van een oude tafel. Behalve tekenen en aquarelleren ging ze ook lino snijden en etsen.

Elly Nannenga-Bremekamp, Paardenhoofd (18-7-1988)

Elly Nannenga-Bremekamp, Paardrijden, 20 x 22 cm (18-12-1984)

Elly Nannenga-Bremekamp, Linosnede van paardenhoofd, 10,5 x 15 cm (1978)

De vele soorten huisdieren en de natuur rondom, maar ook haar paard boden veel inspiratie. Ze zag nog kans om part time banen te hebben: lerares op een lyceum en bij enige instituten in Wageningen. In 1951 koos ze een nieuwe hobby in een speciale tak van biologie, slijmzwammen, daarover was nog weinig bekend. Mijn schoonvader Geerit Houtman vroeg en stimuleerde haar om daar een boek over te schrijven. Dat werd in 1974 uitgegeven door de KNNV (Vereniging voor veldbiologie). Daar werd ze wereldwijd door bekend. Ze werkte door aan een tweede boek. Doordat ze ziek werd wist ze dat het niet afkwam, maar ze vond een opvolger.

Elly Nannenga-Bremekamp, Sneeuwklokjes, 15 x 21 cm. Dit is voor Elly uitzonderlijk fijn geknipt (9-3-1991); Ets Sneeuwklokjes in de tuin, 10,5 x 8 cm; Reigers, 10 x 15 cm

Nadat de kinderen uit huis waren en paardrijden niet meer kon had ze meer tijd en ontdekte papierknippen, waarschijnlijk begin 1984. Haar man was toen rolstoel gebonden, hij overleed in 1986. Ze sloot zich aan bij de knipkring Oosterbeek met onder anderen Ans Firet en Mien Schaminee (onze oud voorzitter, tevens leerling van mij). Dit werd later knipkring Oosterbeek-Heteren met Ada Bakker en haar zus Gerda. Ada vertelde mij over Elly’s inbreng. Als de opdracht van de vorige keer op  tafel kwam had iedereen wel een knipsel, maar Elly had er een heleboel. Ze vertelde dat zij altijd een tekening maakte en vaak meer lagen tegelijk knipte, waardoor je kunt spelen met de losse figuren om er een goed geheel van te krijgen. Ada heeft veel van haar geleerd, anders leren kijken, in vormen denken. Toen de knipsters eens bij Elly thuis kwamen had ze een terrarium met spook-wandelende takken neergezet als knip inspiratie. Een andere keer stond de tuindeur op een kier en lag er een stukje kaas om een muis te lokken, die moest dan goed bekeken worden om te kunnen knippen.

Elly Nannenga-Bremekamp, Vera uit Tatort, TV, 10 x 14 cm (21-11-1993)

Elly heeft geen knipcursus gevolgd maar zal wel wat technieken geleerd hebben van de kring deelnemers. Ze heeft een heel eigen stijl ontwikkeld. Ze knipte grof, schrijft ze op een kaart, vanwege haar licht trillende handen.

Elly Nannenga-Bremekamp, een klein stukje catalogus waarover meer in deel 2 in Knip-Pers 2018-3

Door Suus Houtman

De vier seizoenen Dini Langkamp‑Prins

Het knipwerk ‘De vier seizoenen’ van Dini Langkamp‑Prins, waarvan de voorplaat een onderdeel is, is nog niet eerder in de Knip‑Pers afgedrukt. Onderstaande teksten zijn citaten uit ‘Zo kenden wij Dini Langkamp‑Prins 1935‑1987’, geschreven door To van Waning‑Mijnlieff – Uitgave NVvP 1989.

‘Dini Langkamp‑Prins had haar hart aan de knipkunst verpand en zij heeft deze liefde aan anderen weten over te dragen. Zij had een eigen stijI en heeft meegeholpen om de papierknipkunst in Nederland op een hoger plan te brengen.’

Hoe kwam zij tot het knippen?

To van Waning: “Haar ouders hadden in Zwolle een manufacturenwinkel, waar zij later als 17‑jarig meisje mee moest helpen. Daar kreeg zij het ‘Handwerkbuch für Mädchen’ van Ruth Zechlin in handen. In dit boek was ook een hoofdstuk aan papierknippen gewijd, onder de titel: ‘Het uitknippen van silhouetten’ (hieronder wordt niet alleen het knippen van portretjes verstaan).”
“En zo is het gekomen”, zeggen wij dan wel eens, want Dini ging het proberen en is nooit meer opgehouden. Dini’s zegswijze was: ‘Mensen doe wat. Bekijk alles eens van de zonnige kant, versier het leven een beetje en ervaar de verrassing van het resultaat als je zelf iets probeert te knippen.’

Het knipwerk ‘De vier seizoenen’ bestaat uit vier bomen, geknipt uit zwart papier, elk ca. 37 x 25 cm. De bomen vormen samen met de grond eronder één geheel. De gekleurde toevoegingen, zowel op de bloemen in de kroon, de bloemen onder de boom als op de grond, zijn geplakt op de geknipte ondergrond en bestaan uit drie, steeds kleiner geknipte onderdelen.

BOOM 1:
De rand van de kroon is versierd met oranje, oker en groene bloemen. De takken zijn nog kaal.

Dini Langkamp-Prins, boom 1, de vier seizoenen

BOOM 2:
Vol in het geknipte blad is deze boom, met bloemen in licht olijfgroen, olijfgroen en rozerood.

Dini Langkamp-Prins, boom 2, de vier seizoenen

BOOM 3:
Buitenrand en hart van de kroon zijn beplakt met papier in de kleuren: paars, donkerrood en olijfgroen.

Dini Langkamp-Prins, boom 3, de vier seizoenen

BOOM 4:
Tussen de brede rand en het hart van kale, winterse takken is een kroon van turkoois en blauwe ijsbloemen geplakt op de zwarte ondergrond.

Dini Langkamp-Prins, boom 4, de vier seizoenen

Met dank aan Theo Langkamp, die het originele knipwerk ter beschikking van de redactie stelde en toestemming gaf tot plaatsing.

Samenstelling Maruscha Gaasenbeek

Dit artikel werd eerder gepubliceerd in Knip-Pers 2006-2

Series nu en toen, Knip-Pers 2006-2

Maruscha Gaasenbeek introduceerde in de Knip‑Pers van december 2005 de ATC, Artist Trading Card, een idee opgepikt van een Zwitserse kunstenaar. Zij raadde aan om series over een onderwerp te maken en de kaartjes te nummeren. In de volgende Knip‑Pers gaf Marijke Kupers er een variant op: kerkramen. Het ATC‑virus heeft veel van de leden van de vereniging besmet en de verschijnselen waren duidelijk zichtbaar op de contactdag in Nijkerk. De uitwisseling was zeer geanimeerd en intensief.

Dat dit idee niet nieuw is, leerde ons de volgende belevenis. Onlangs liet iemand ons een vijftal uitgesneden prentjes zien, die we meteen herkenden. Ze waren gemaakt door de Groninger knipper Dato Scholtens in de 18de eeuw. De folkloriste Line Huizenga had dergelijke prentjes omstreeks 1950 ook gezien en zij zocht uit wie de maker was.i We zagen op het formaat van een kleine speelkaart een GRAAF en GRAVINNE. Achter GRAAF staat 26 en achter GRAVINNE staat 25

8 x 6,5 cm

8 x 6,5 cm

Die prentjes pasten helemaal bij wat we kenden uit het speurwerk van Line Huizenga: JAGER 22 en JAGERSVROUW 21, BOER 6 en BOERINNE 5, LEVEN 2 en DOOD 1

 

Wat die beroepen en de cijfers daarachter betekenen, was volkomen onduidelijk. Toen bleek hoe belangrijk het is om te rade te gaan bij een deskundige: Simon Honig van het Openluchtmuseum Arnhem wist het meteen: dat zijn ‘floskaartjes’. Met behulp van een paar boeken werd het duidelijk en we willen deze ontdekking graag delen.ii Met name het gloednieuwe boek van het Nijmeegse echtpaar Buijnsters over Papertoys gaf veel informatie.iii

Dato heeft zijn snijwerkjes gebaseerd op een centsprent en wel die waarop de Dodendans stond afgebeeld. Centsprenten of volksprenten waren bedrukte vellen van niet al te best papier, met daarop een reeks plaatjes en eronder een vaak rijmende tekst. Soms waren ze (slordig) ingekleurd. Ze werden verkocht in (boek)winkels of door venters op straat en langs de weg. Schoolmeesters deelden ook centsprenten uit aan leerlingen die goed hun best hadden gedaan. De plaatjes gingen onder andere over spreekwoorden, figuren uit de bijbel, vreemde volken of dieren, moralistische lessen en personen uit de geschiedenis. De plaatjes met een beeldverhaal lijken wel op een moderne strip. Kinderen konden ze uitknippen en zo hun kennis verrijken. In de 15de tot de 19de eeuw werden in ons land ook volksprenten met de Dodendans gedrukt. In de middeleeuwen was de dodendans een belangrijk gegeven.

Of je nu eenvoudig of deftig was, uiteindelijk staat een ieder de dood te wachten. De oudste Nederlandse afbeelding staat in een getijdenboek uit 1509: de dood leidt allerlei verschillende personen uit de samenleving ten dans: paus, keizer, monnik, burger, speelman, landman, bedelaar. De prentjes met 36 genummerde beroepen van keizer tot dienstmeid eindigen met het leven (nr. 2, een kind dat bellen blaast, wat duidt op de vergankelijkheid) en de dood (nr. 1).

afb. 5 gedrukt bij Nic. Muys Schiedam, plm 1750

Je kon ze los snijden en eventueel op stevig karton plakken. Er werd een soort kaartspel mee gespeeld. Het is aannemelijk dat het spel uit Duitsland naar onze streken is gekomen. Er komt namelijk naast een bisschop (nr. 32) een bisschopsvrouw (nr. 31) in voor en in het Lutherse Duitsland kon de bisschop getrouwd zijn. Voor katholieken was de laatste een abdis.

Op een van deze centsprenten staat het volgende rijmpje:

Deez’ prente strekke U, lieve jeugd!
Tot tijdverdrijf, vermaak en vreugd.
En leere U, hoe, van keizer af,
Elks deel op ’t laatste is het graf.

De kaartjes werden ‘floskaartjes’ genoemd, vanwege de flossige rafelranden door het slechte papier. Ze hadden een heleboel andere namen, o.a. ‘pentertjes’, waarschijnlijk omdat penteren of afdingen bij de spelregels hoorde. Hoe het verder in zijn werk ging, is door niemand achterhaald, maar de Dood en het Leven zullen wel troefkaarten zijn geweest; vermoedelijk is het verwant aan het Tarok‑spel (tegenwoordig Tarot). In ieder geval was het in de tijd van Dato Scholtens erg populair.
Hij heeft dus al die figuren met nummer en al uitgesneden, maar daarmee verloren ze natuurlijk hun nut als kaartspel. Waarschijnlijk vond hij het gewoon leuk om zo’n serie prentjes te maken, maar of hij het bij die ene serie heeft gelaten, weten we pas als er ‘dubbelen’ opduiken. Al met al kennen we nu dus acht van de serie van 36 gesneden floskaartjes, die kennelijk verspreid zijn over verschillende Groningse families.

Behalve de floskaartjes sneed hij ook populaire bijbelse voorstellingen: Adam en Eva, David en de Reuse, Absalom, Salomons Gerigte,

wereldlijke gezellige prentjes (Een pyp tabak op myn gemak)

en de wapens van stad Groningen en de Ommelanden.

Met kerfjes van zijn mes heeft Dato stofuitdrukking en versiering aangebracht. In de familie Scholtens worden er enkele bewaard in een mooi boek, met het opschrift: ‘Printboekje van G. Scholtens om gesnedene Printjes van zijn geëerde Dato Scholtens in te bewaren. Anno Groningen 1772’. Deze G. zal een zoon of kleinzoon van Dato zijn geweest.

Wat weten wij verder van Dato Scholtens? Dato is een weinig voorkomende Groningse naam en in de doop- en trouwboeken van de stad is hij makkelijk te vinden. Hij leefde van 1703‑1779 in Groningen en trouwde er in 1729 met Geuicghjen Harms. Zijn beroep was diaconiedienaar.

   

Toen we ‘googleden’ met zijn naam vonden we nog een interessante aanvulling: hij blijkt op zijn 60ste ook nog een boek geschreven te hebben: “Nieuws uitgevonden Klinken of Figuiren om ‘er na te Breiden, Stikken of Borduiren’” (1764). In het voorwoord vertelt hij dat hij al vanaf zijn tiende schreef en tekende voor zijn plezier, of om wat bij te verdienen. Met dit boek dat hij opdroeg aan de kinderen van zijn zoon, wilde hij hen aanmoedigen om ijverig te zijn en geen tijd te verknoeien. Het boek bevat 50 patronen, onder anderen “Patroenen op Kousen en Hanschen” en wordt bewaard in het Groninger Museum.

Tot slot een vraagje aan u en aan de Groningers in ‘t bijzonder; wat zijn ‘klinken’ en ‘handschen’ in het verband van handwerken?

Joke en Jan Peter Verhave

Voetnoten
i Joke Verhave & To van Waning, Line Huizenga en Hil Bottema. Uitg. NVP 1986
ii Maurits de Meyer, De Volks- en Kinderprent in de Nederlanden van de 15de tot de 20ste eeuw. Standaard Antwerpen Amsterdam, 1962
iii P.J. Buijnsters & L. Buijnsters-Smets, Papertoys. Speelprenten en papieren speelgoed in Nederland (1640‑1920). Waanders Zwolle,

Het echtpaar Buijnsters is onlangs onderscheiden voor hun vele studies over kinderboeken en kinderspeelgoed in de cultuurgeschiedenis van ons land.

Romantiek, Knip-Pers 2006-1

In 2005 was er in Museum De Kunsthal te Rotterdam een tentoonstelling met tekeningen en schilderijen uit de tijd van de Romantiek. Met die term wordt de periode aangegeven die een reactie was op de strenge Verlichting en de tijd van de Rede die alles kan verklaren, eind 18de eeuw: ‘Weg met orde en wetmatigheid, ruim baan voor het individuele gevoel, de fantasie en de emotie’. Het was de tijd van ‘hemelhoog juichend en dodelijk bedroefd’.

Men wilde het moment vastleggen en er kwam belangstelling voor de natuur in zijn grootheid en wildheid. Er kwam ook interesse voor het nationale verleden en men kreeg behoefte aan helden. In de tentoonstelling was enige aandacht besteed aan het knusse, huiselijke gezinsleven, waarin men zich onder andere met het maken van silhouetten en knipsels vermaakte. Maar voorbeelden uit Nederland werden er niet gegeven.

afb. 2, Hond bij maanlicht, Runge, 12 x 7 cm

Alleen de romantische schilder Philip Otto Runge uit Duitsland werd genoemd, omdat die zich omstreeks 1800 ook veel met ‘Scherenschnitte’ heeft ingelaten (deze neerbuigende tekst werd in de tentoonstelling gebruikt).

 

 

Reden om aan de Nederlandse knipperij in de Romantiek hier aandacht te besteden.

Nu was de Romantiek in ons land niet zo uitgesproken, maar er zijn toch wel voorbeelden te noemen. Al voor de Franse tijd knipte Cornelis van Lennep met papier en schaar achter zijn rug, sprekend gelijkende silhouetten.

afb. 3, Geuns, silhouetten Betje Wolff en Aagje Deken, 6 x 12 cm

En de schrijfsters Betje Wolff en Aagje Deken lieten hun personages silhouetten en scheepjes knippen. Als meisje had Betje ook al aardigheid in het knippen gehad en in de Noord‑Hollandse Beemster, waar ze later woonde, was het maken van knipsels in het begin van de negentiende eeuw een veel beoefende bezigheid.

afb. 1, anoniem, hartvormig knipsel met herderin, 17,5 x 16 cm

Hartenknipsels waren populair, maar we moeten niet denken dat het in de Romantiek alleen maar ging om de romantische liefde! Het papierknippen werd onder andere gebruikt om onze vaderlandse en kerkgeschiedenis aan de kinderen bij te brengen. Men maakte gebruik van voorgedrukte ‘negatieven’, die uitgeknipt moesten worden en via een kaars geprojecteerd. Zo verschenen daar in de knusse beslotenheid van het familieleven de portretten van vaderlandse helden en reformatoren op de muur. Men noemde het ‘coptografische voorstellingen’. Na de Franse tijd kwamen de Oranjes weer aan het bewind en de eerste koning Willem I, die zich op het slagveld van Waterloo had onderscheiden, werd natuurlijk de held.

De schrijver Jacob van Lennep beschreef in zijn roman ‘De lotgevallen van Klaasje Zevenster’ hoe Klaasje met grote vlugheid een paar bloemtakken van gekleurd papier knipte en Hildebrand vond in zijn beroemd geworden ‘Camera Obscura’ het ‘nuffige knipsels maken’ maar niets voor een Hollandse jongen. Laurillard dichtte over een aantal mensen, die reisden in een diligence: ‘…naast den rentenier een nufje, als een uitgeknipte prent’. Dat schrijvers het papierknippen noemden in hun werk, geeft wel aan hoe algemeen het in ons land beoefend werd.

Ook het eenvoudige buitenleven was populair in de Romantiek en zo maakte de jongeheer Hendrik Melchior Vockestaert omstreeks 1810 allerlei tafereeltjes met boeren, schippers en jagers

afb. 4, Vockestaert,, 1812, 10 x 15 cm

Van de Groningse knipkunstenaar Röemelé is een mooi landelijk tafereel bewaard

afb. 5, Rëomelé, landelijk tafereel, 1830, 22 x 33 cm

met een vissende familie en paarden in de wei (1830). Ook Pieter Reijnders leefde zich uit in grote aantallen taferelen met het plattelandsleven als onderwerp.

Schroeder van der Kolk knipte een hele serie voor mensen in zijn omgeving en beeldde daarin hun beroep uit, zoals ‘de Koffywinkel, Mr. Timmerman, Smit en Slotemaker’ (omstreeks 1825). Een ander pas ontdekt voorbeeld van hem is een ‘buitenlevendje’ voor J. Krijgsman. En ons lid H. v.d. Bosch kocht op een rommelmarkt een dergelijk tafereeltje van dezelfde knipper (zie Knip‑Pers dec. 2005, blz. 38).

afb. 6, Jan de Prentenknipper, Treurlied, 10 x 7 cm

Gevoel voor dramatiek hoorde ook bij de Romantiek. Mooie voorbeelden daarvan vinden we in de treurende figuren rond een graf. Jan de Prentenknipper maakte een ‘Treurlied’ als een bijbelleggertje

 

 

 

 

 

 

en een onbekende knipte een tafereel voor een weduwnaar Frederik Godschalk uit Hengelo

afb. 7, anoniem, Memento mori, 24,5 x 37,5 cm

ter herinnering aan zijn echtgenote Catharina Luijerink (1842). We zien een meisje met een zakdoek en een jongen (de kinderen van het echtpaar?) treurend rond het monument (‘gedenk te sterven’). Daaromheen de dood met zijn zeis en een engeltje dat aan ’t bellenblazen is (symbolen voor de vergankelijkheid van het leven).

Al met al heeft de Europese Romantiek in het nuchtere Nederland geen diepe sporen nagelaten. En de knippers in die tijd waren al helemaal niet erg uitbundig in het weergeven van hun emoties. Hoewel, een huwelijksknipsel, gemaakt door de Waterlandse J.K. Sanders is wel erg overdadig aan versierde letters

afb. 8, J.K. Sanders, huwelijksknipsel, 1865, 40 x 37 cm

Toch emoties? Nee, want een van zijn andere weelderige knipsels draagt de tekst ‘Matigheid is de beste voorraadkamer van de Hemel’. Typisch is dan weer de hoorn van overvloed onder de tekst en zo bewegen we ons met Hollandse poldergeest tussen de uitersten in.

Joke en Jan Peter Verhave

Vreugde der Volkskunst, Knip-Pers 2006-4

‘Vreugde der volkskunst’, schreef Hil Bottema in 1958, nu dus bijna 50 jaar geleden, in het blad ‘Neerlands Volksleven’. Zij werd in een voorwoord aangekondigd als: ‘De zo ter zake kundige Mejuffrouw Hil Bottema, wetenschappelijk ambtenares aan het Nederlands Openluchtmuseum (NOM) te Arnhem’.

Wat is volkskunst? Is het kinderlijke kunst? Nee, want ook de traditie moet eraan toegevoegd worden, vond Bottema. Het gebied waar papierknipkunst onder valt, beschreef zij als volgt: ‘Vrije volkskunst, geheel zonder beïnvloeding door werk van beroepskunstenaars. Meestal kerkelijke kunst. In sommige gewesten veel, in andere in het geheel niet voorkomend’.

Als voorbeeld van deze volkskunst noemt Hil: ‘Hendrik van der Wal, Hindrik de Printsjeknipper’, toen wonend in Oudega bij Drachten.
Dat kwam zo: Hendrik had in de dertiger jaren een keer in een Wagenings café geknipt en liet zijn werk gewoon achter. De ober nam het mee naar huis en heeft de knipseltjes doorgespeeld aan het Openluchtmuseum in Arnhem. Na de oorlog werden in diverse plaatsen reisverenigingen opgericht; zo bezocht een reisgezelschap uit Oudega per bus het Openluchtmuseum in Arnhem. Men herkende tussen de verschillende knipprenten het werk van Hendrik uit hun dorp. Velen hadden wel iets van hem in een bijbel of psalmboek liggen.

afb. 1, Hendrik van der Wal, eekhoorns, 14 x 18 cm

Toen hadden de knipseltjes voor Hil een maker; zij ging bij Hendrik van der Wal op bezoek en beschreef dit als volgt:
“Daar, buiten het dorp, waar iedereen ‘Hindrik Printsjeknipper’ kent, woont Hendrik van der Wal, een huisvader, boerenarbeider met enig eigen land. Hij heeft grote bekendheid gekregen door zijn papierknipwerk, een oude volkskunst, die hier in ’t Noorden gebloeid heeft. Of zijn knipsels nu trappelende Friese paarden uitbeelden, of koeien, herten, eekhoorntjes, zelfs konijnen, de dieren erop zijn altijd duidelijk te herkennen en kloek geknipt. Hij houdt veel van beesten. “Elk dier”, zo vertelt hij, “dat ik zie, dat kan ik knippen ook”. En dat doet hij met een verbazingwekkend grote schaar, die zijn zware werkhanden heel vaardig door het rondwarrelend papier heen sturen. Niet nodig om eerst te schetsen, zijn geestesoog ‘ziet’ de vorm van het dier toch wel op het witte papier.

afb. 2, Hendrik van der Wal, konijnen, 12 x 18,5 cm

Als men hem zo bij het werken gadeslaat, met zijn felblauwe boerenkiel aan, gemakkelijk gezeten in een wilgentenen armstoel, zijn gezicht in gespannen aandacht, het lichte krulhaar verward om het hoofd, dan herkent men in deze papierknipper de ware volkskunstenaar, de kunstenaar‑in‑’t‑algemeen. In de huiskamer, witgekalkte muren, zwartgeteerde plint, vuurrode geraniums in de vensterbanken, in dat gezellige vertrekje hangt één van Hendriks knipprenten: wilde eenden in een hartvorm. ‘Wat is dat? Voor een bruiloft?’ “Nee”, de knipper schudt zijn hoofd, “de afgelopen winter was zo streng, toen voerden we de eenden, die waren anders doodgegaan. Je moet een hart voor die beesten hebben. Daarvoor was dat hart”. Zo iemand is nu deze volkskunstenaar.”

Hil nodigde hem uit en in 1947 heeft hij gedemonstreerd in Arnhem. Hij kreeg zelfs een aanbod om als werknemer van het Nederlands Openluchtmuseum dagelijks te demonstreren voor de bezoekers. Maar hij bedankte voor de eer. Haar ideeën over volkskunst waren niet aan hem besteed.

Later kwam er ook nog het aanbod van de Amsterdamse Bijenkorf, maar weer bleef hij liever thuis. De enige keer dat hij tegen betaling een opdracht heeft gemaakt, was voor het bokbier van Heineken: een steigerende bok. Hij kreeg er 25 gulden voor. We hebben navraag gedaan bij de firma Heineken en prompt stuurde men een paar plaatjes met etiketten van flesjes bokbier uit de jaren zestig. Alleen maar koppen van bokken. Wij denken dat die van Hendrik er niet bij is.

Hendrik vertelde graag sterke verhalen onder het knippen en schepte ook wel eens op. Zo vertelde hij aan Magda Helms, die in 1990 ook bij hem op bezoek is geweest, dat hij tot in Amerika beroemd was en dat er in de stad Holland (in de staat Michigan) werk van hem was tentoongesteld.

Nu studeert Jan Peter een paar maanden aan Hope College, in Holland Michigan, de plaats waar naar in de 19de eeuw veel Nederlanders geëmigreerd zijn. Er is daar een museum met allerlei voorwerpen uit Nederland. Jan Peter ging op onderzoek naar knipwerk in het museum daar en inderdaad kwamen er uit het depot twee knipsels van Lever en vier van Hendrik van der Wal: koeien, eekhoorns, konijntjes en duiven onder bogen van takken (zie afbeeldingen). Ze waren in 1947 geschonken door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ter gelegenheid van het 100‑jarig bestaan van Holland en (samen met een heleboel andere Nederlandse kunstnijverheid) uit dankbaarheid voor de bevrijding en de Marshallhulp.

Maar Hendrik beroemd in Michigan? Nee, zijn naam staat niet eens op de knipsels en de archivaris wist van niets. Men was wel blij met het verhaal over Hendrik (en dat over Lever). Hendrik knipte al vanaf zijn zesde jaar en de plaatselijke dominee had zijn ouders ervan proberen te overtuigen hun kunstzinnige zoon naar een kunstacademie te sturen. Maar dat zat er niet in. Het landbouwbedrijf had zijn liefde, en met grond en dieren is hij altijd bezig gebleven. Met die liefde knipte hij zijn dieren, waarbij hij de schaar uit moeders naaimand gebruikte.

Zijn zoon Freerk vertelt (in het Fries): ‘De mensen stonden er versteld van wat hij kon. Er zijn hier niet veel lui die kunnen knippen. Ja, als ze ’t eerst tekenen, dan wel. Maar zo uit de hand, dat is apart’.

Hendrik vertelde altijd als hij knipte, tijdens het knippen van duifjes kon hij de vreselijkste oorlogsverhalen vertellen. Tegen het eind van de oorlog werd hij te werk gesteld in Drenthe, waar hij tankgrachten moest graven. Hij ging aan de haal. Onderweg naar huis vroeg hij om onderdak en als dank liet hij wat knipsels achter. Veel later vroeg een vrouw aan Freerk wie de knipper kan zijn geweest, die in de oorlogsjaren een nacht onderdak had genoten in haar ouderlijk huis en uit dank een paar duifjes uit een stukje papier knipte, die sindsdien in de huisbijbel bewaard werden. ‘No, as it om doukes giet, dan wiet ik it wol’ zei Freerk. Duifjes waren heits handelsmerk. Hij knipte er duizenden.

afb. 3, Hendrik van der Wal, duiven, 13,5 x 18,5 cm

Indertijd had Hil Bottema een aantal van de achtergelaten knipsels op blauw geverfd aquarelpapier geplakt en zij zijn dit jaar te zien geweest in het entreegebouw van het Nederlands Openluchtmuseum.

In 1980 kreeg Hendrik een ongeluk, daarna heeft hij niet meer geknipt. Op 25 november 1992 is Hendrik van der Wal, 80 jaar oud, overleden.

afb. 4, Hendrik van der Wal, herten, 18 x 28 cm

lntussen heeft Freerk de schaar overgenomen en hij werkt in vrijwel dezelfde stijI als zijn vader, al vanaf dat hij een jongetje was. Net als zijn heit, heeft hij grove handen gekregen door het grondwerk, maar toch komen de ‘printsjes’ achter elkaar tussen zijn vingers uit ritselen. Ook hij wordt in zijn woonplaats Frieschepalen de ‘Printsjeknipper’ genoemd en het gezellige kletsen heeft hij van geen vreemde.

Het zit er in: ‘Kinst it of kinst it net’. Knippers die niet van nature knippers zijn, beginnen met een zwaan en het wordt een meerkoet. Freerk heeft zich ook gespecialiseerd in het knippen van levensbomen die families tot onderwerp hebben. Hij tuigt de bomen op met symbolen zoals dierenfiguren. De vertakkingen bevatten silhouetten van de familieleden. Toen Freerk nog werkte, ging de schaar altijd mee. Hij knipte eens tijdens de pauze het silhouet van zijn collega’s. Voor de baas knipte hij om te plagen het hoofd van een ezel. Nu wordt hij veel gevraagd om te demonstreren voor vrouwenverenigingen en allerhande andere gezelschappen. Het lidmaatschap van onze vereniging heeft hij opgezegd omdat er te veel vrouwen lid zijn.
Beste Freerk, de vereniging heeft juist mannen als jij nodig!!
Dank je wel voor de informatie en de leuke gesprekken.

Joke en Jan Peter Verhave

Bronnen:

Hil Bottema, Najaarsbloei van de Nederlandse Volkskunst, Neerlands Volksleven, 1958
Magda Helms, Knip‑Pers maart 1992

Diverse krantenartikelen:
De Waarheid 1‑11‑1962
Leeuwarder Courant 20‑8‑1983
Drachtster Courant 18‑11‑1992
Dorpskrant voor Oudega 2001
Telefonisch interview met Freerk van der Wal, oktober 2006

afb. 6, Hendrik van der Wal, eekhoorns in hart – Nederlands Openluchtmuseum, Arnhem

Wies Palma: Zij kan het knippen niet laten, Knip-Pers 2006-4

Friesland, eind oktober, een zonnige dag, een rustige laan in Drachten, een gezellige kamer, een kopje thee met een lekkere koek en mijn allervriendelijkste gastvrouw is Wies Palma.

Wies Palma is een vertrouwde naam voor velen, ze is immers al vanaf 1983 lid van onze vereniging en heel vaak aanwezig op de Contactdagen. De eerste keer dat ik het museum in Westerbork bezocht (in 1993 om de expositie ‘Feest- en Jubileumknipwerk’ te bekijken ter gelegenheid van het feit dat onze vereniging 10 jaar bestond), zag ik van haar een heel mooi, speels knipsel: een slapend kindje in een bedje, eromheen een cirkel van schaapjes, en dan ook nog een schaap eronder! lk vond het zo leuk en fantasievol geknipt dat de naam Wies Palma in mijn geheugen gegrift is gebleven.

afb. 1, Wies Palma, Sleep kindje sleep, A4‑formaat

afb. 2, Wies Palma, grijstinten, 5 x 21,5 cm

In de loop der tijden was er meer knipwerk van haar te zien in de Knip‑Pers en tijdens verschillende tentoonstellingen, onder andere in ’t Spant in 2002 en daardoor was ik benieuwd geworden naar haar verdere werk en ook natuurlijk naar haar verhaal daarbij. Op tafel lag al een hele stapel uitnodigende mappen met knipwerk klaar om bekeken te worden en bovenop lag een aandoenlijk vierkant knipwerkje: het eerste knipsel dat ze maakte toen ze vijf en een half jaar was! Wat enig dat dat altijd bewaard is gebleven.

Als kind woonde Wies in een klein Fries dorpje. Er was daar geen kleuterschool, maar ze kon zich thuis prima vermaken, want zoals ze zelf zegt: “Ik was altijd al een friemelaar”. Na haar HBS‑opleiding overwoog ze zelfs nog kort om een handenarbeidopleiding te gaan volgen, maar het werd uiteindelijk de Academie voor Lichamelijke Opvoeding in Groningen. Aansluitend gaf ze 6 jaar met heel veel plezier gymnastiekles op verschillende huishoudscholen.

Daarna trouwde ze, ging met haar man in het nog kleine Drachten wonen en kreeg 2 zonen. Wies was en is een actief type en na haar huwelijk bleef ze werkzaam als gymlerares en deed bovendien allerlei vrijwilligers- en bestuurswerk. Ook bleef ze ‘friemelen’: ze hield zich bezig met diverse soorten handenarbeid, onder andere Hindelooper schilderen, het maken van corn-dollies en batikken.

 

 

Begin jaren ’80 volgde een vriendin van Wies een papierknipcursus en zij was daardoor zo enthousiast geraakt dat ze zelf ook cursussen ging geven; Wies ging in het voorjaar van 1982 bij haar vriendin leren papierknippen. Direct vanaf de eerste les vond Wies het een schitterende techniek en ze stortte zich vol overgave in het knippen van allerlei onderwerpen, maar vooral in het begin waren knipsels met folkloremotieven bij haar favoriet. Het maken van deze volkskunstknipsels heeft ze als heel leerzaam ervaren, omdat je binnen de folkloregrenzen toch veel vrijheid hebt, waardoor je èn veel knipervaring opdoet èn intussen gevoel voor verhoudingen krijgt.

 

Na de cursus van 6 kniplessen werd door Wies heel voortvarend de knipkring Drachten opgericht. Van de 7 knipsters van het begin zijn er nog 5 over en zij vormen een hechte groep. Zo’n 5 à 6 keer per jaar komen ze bij elkaar en in de loop der jaren is er bovendien een leuk uitwisselingscontact ontstaan met de knipkring Westerbork.

afb. 3, Wies Palma, 9 x 13 cm

afb. 4, Wies Palma, 6 x 21 cm

In haar lange kniploopbaan heeft ze zelf ook les gegeven, gedemonstreerd en workshops verzorgd. Verder heeft ze deelgenomen aan diverse exposities, individueel of met haar knipkring. Heel veel gelegenheidsknipsels heeft ze in opdracht gemaakt, maar dat ervoer ze op den duur toch als te moeizaam en te belastend (“Heb je het hele ontwerp klaar, ben je soms al begonnen met knippen, wordt er gevraagd: ‘kunt u er ook nog even een poes bij doen?’”).

Bij het bekijken van Wies’ mappen met knipwerk blijkt dat haar voorkeur duidelijk naar zwart‑witte knipsels uitgaat. Zelf zegt ze daarover: “lk ben nu eenmaal erg rechtlijnig, typisch een zwart‑wit figuur!” Ze knipt heel netjes en haar grote kracht schuilt in het feit dat ze kans ziet om een knipidee helemaal uit te diepen. Daar gaat ze heel ver in. Ik zag bladzijden vol met prachtig werk langskomen van o.a. het ‘spelen met vouwen’ (naar de ideekaarten van Frouke Goudman‑Cupido), het ‘knippen in grijstinten’ (naar aanleiding van artikelen van dezelfde Frouke Goudman in de Knip‑Pers), (afb. 2 en 4) het ‘streepjes knippen’ (na de cursus voor gevorderden in Orvelte); alles is even precies en met veel liefde en fantasie geknipt.

afb. 5, Wies Palma, 20,5 cm in diameter

Cirkels zijn bij haar ook favoriet om uit te werken, omdat ze dat zo’n heerlijk ontspannende vorm vindt. Talloze cirkelvariaties kon ik bewonderen, o.a. ook mandala’s.

In de techniek ‘verscholen knippen’ knipte ze overigens voor haar jaargenoten van de Academie voor Lichamelijke Opvoeding in Groningen een logo en dat wordt tot op de dag van vandaag nog steeds gebruikt bij de aankondiging van de tweejaarlijkse reünie.

afb. 6, Wies Palma, 9,5 x 9,5 cm

Wie herinnert zich niet op de Contactdag in 1993 in Ede het Delftsblauw knipwerk van Wies, een techniek door haar zelf bedacht en daar gedemonstreerd? Heel erg origineel en een geweldig leuke inspiratiebron voor heel veel knippers en knipsters.

afb. 7, Wies Palma, 4 x 10 cm

Na problemen met haar gezondheid een jaar of vier geleden, heeft ze het een tijd rustiger aan moeten doen en was de knipinspiratie niet altijd aanwezig, maar zo langzamerhand heeft Wies haar draai (en haar schaar) gelukkig weer gevonden. Niet alleen het knippen houdt haar trouwens op een plezierige wijze bezig, ook het werken met de computer heeft haar grote interesse en wel op een dusdanige manier dat ze net haar tweede computer in gebruik heeft genomen. Niet alleen op knipgebied, maar ook op computergebied blijft Wies bij de tijd!

In 2007 kan Wies Palma haar jubileum ‘25 jaar knipster’ vieren, maar het knippen verveelt haar zeker nog niet. Zoals ze zelf zegt: “Na bijna 25 jaar is er bij mij nog steeds de verwondering dat je uit een stukje papier zulke prachtige dingen kunt knippen. Knippen is nieuwe dingen zoeken, grenzen verleggen, het blijft spannend!”.

Gelukkig voor haar en voor ons kan Wies het knippen nog steeds niet laten!

Ieke Boosman

afb. 8, Wies Palma, Uitverkoop, A4‑formaat