Categoriearchief: publicatie

Over Wiecher Lever, deel 3, Nieuwsbrief 2008-3


Het derde deel van het verhaal over Wiecher Tjeert Lever beginnen we met zijn opmerkingen over volkskunst in het artikel “Knipprenten als Volkskunst” in het tijdschrift Hobby van juli 1947:

“…Zoals met iedere kunst het geval is, stond ook de mijne sterk onder de invloed van mijn omgeving, het Groningse platteland. Niet, dat ik mij ooit met het grote landschap heb bezig gehouden. Het waren stoolwalletjes, de kanaalomlijsting van riet en lisdodden en de daarbij aansluitende sierlijke lijnen van eenden, de over het water scherende zwaluwen, die reeds in mijn jeugd een deel van mezelf werden en daardoor het eerst werden nageknipt. Welke jongen houdt niet van duiven? Ook deze dienden tot voorbeeld en thans nog houd ik sierduiven als pauwstaarten en meeuwtjes, om door de dagelijkse omgang met deze dieren hun schone vormen in het geheugen vast te leggen. Anderen zullen zich meer bezig houden met grotere dieren in hun rijke vormvariaties; voor velen vormen schepen met hun verschillende tuigage aan aantrekkelijk onderwerp en… zo moet het ook, ieder moet zich naar eigen innerlijke drang uiten. Dit zal de knipkunst de breedte geven, die ze nodig heeft om zich te handhaven en dit zal tegelijk voorkomen, dat verdorring of verstarring intreedt. We willen de knipkunst ook als volkskunst bezien. Volkskunst is die kunst die door overlevering of uit innerlijke drang ontstaat, zonder enige leermeester en uitsluitend uit behoefte iets te maken of te scheppen. Wil iemand knippen in oude symbolische voorstellingen of in historisch gegroeide vormen, het zal hem vreugde geven, indien hij in deze dingen ook inderdaad thuis is. Wie er een voorbeeld aan neemt zonder er mee vergroeid te zijn, gaat iets doods formeren. Wat hij bereikt is een imitatie van volkskunst. Men wete dus, volkskunst kan niet beoefend worden, hij moet ontstaan, groeien uit het innerlijk van het individu. Mogelijk dat de maker in eigen kring lof oogst: maar hij was geen schepper, slechts een imitator, een ideeënrover. Volkskunst moet spontaan zijn. Het moet een uiting zijn die opborrelt uit innerlijke schoonheidsdrang; die door spontane zelfontwikkeling het aanschijn heeft gekregen. Dat brengt al mee, dat ze zich naar de natuur richt en dat overlevering vaak oorzaak is van verstarring. De lezer houde mij deze ontboezeming ten goede, het is een reactie op de valse volkskunst van de moderne tijd…“.
Deze overtuiging van Lever komen we in de jaren hierna nog -in wat aangescherpte vorm- tegen in verschillende publicaties, met name kranteninterviews. Het wordt tot ongeveer 1955 bijna een actiemiddel om te fulmineren tegen de valse volkskunst en de opvattingen van Hil Bottema en het Nederlands Openluchtmuseum. Zijn mening liet Lever echter al een jaar voor zijn directe conflict met Bottema in Hobby weten. Het moet hem dus ook toen al behoorlijk dwars hebben gezeten, hoewel hij in zijn plakboek wel een foto opneemt van knippende dames die naar zijn schrijven “ware kunststukken” met volkskunst-achtige onderwerpen maken tijdens knipcursussen die in het Openluchtmuseum (ANP foto, 6 juni 1947) plaats vonden.

Maar een bladzijde verder toont hij afbeeldingen van “alles zogenaamde levensbomen” van Gertrud Wyss die in Nederland lesgaf aan Nederlandsche volkshoge scholen nadat Hil Bottema Zwitserland bezocht. Daaronder een symmetrische voorstelling met hanen en een dubbelgeknipte bloem met de tekst “Veel Heil” uit het nationaal-socialistische blad “Hamer”, een zegenwens voor de overgang van het jaar 1941 naar 1942. Het is duidelijk welke associaties hierdoor bij Lever (en bij hem niet alleen) werden opgeroepen.

Het plakboek van Lever bevat tot maart 1950 nog mooie artikelen als “Knipkunst met de Schaar” van W.J. Eelssema in het Nieuws en Advertentieblad voor Oost Groningen (28 november 1947), “Knipkunst bloeide in de Gouden Eeuw” (Rotterdams Parool, 7 april 1949), “Wonderen met schaar en papier/De Oud-Hollandse Knipkunst wordt nog beoefend (…)“ (De Eemsbode 3 mei 1949), “Oude schaarkunst herleefd/Uit kleine arbeid groote roem/De heer LEVER uit Muntendam weet er van mee te knippen” (Fries Dagblad 19 oktober 1949), ‘Wiecher Tjeerd Lever-de tovenaar met het schaartje/Muntendammer deed de knipkunst weer opleven” (Het Vrije Volk 18 maart 1950). Ongetwijfeld van groot belang voor zijn loopbaan zijn mooi geïllustreerde artikelen geweest in Het Noorden in Woord en Beeld (“De kunst van het KNIPPEN/ Eenvoudige hulpmiddelen: een schaar en wit papier”) door A.B. op 3 mei 1947 en de Vizier (“Tjeerd, de knipkunstenaar”) van 8 februari 1947. We zien daarin diverse knipsels afgebeeld maar ook fraaie foto’s van de jeugdig ogende Lever aan het werk. Hij legt onder andere zogenaamd de laatste hand aan zijn oorlogsgedenkstuk, omgeven door zijn vier, nieuwsgierig toekijkende en vertederend poserende kinderen.

Van 1950 tot 1960
Door middel van een brief neemt silhouettenknipper Klaas Bakema ( 6 april 1950) contact op met Wiecher Lever. Uit het antwoord van Lever blijkt dat hij dan net aan zijn loopbaan als professioneel knipper is begonnen. Dit contact leidt tot een uitvoerige correspondentie die loopt tot 1952. Bakema deelt de, in zijn ogen, Groningse nieuweling van alles mee over zijn ervaringen als knipper en raad hem af beroepsmatig bezig te gaan: “…Mjjnheer Lever een goede raad, als men het in de wereld tot een betrekkelijke onbezorgde bestaan wil brengen, begin dan nooit met iets dat men zelf moet maken (..). Een verkoper van schilderijen verdient meer als de schilder er van. Denkt u er aan… ?“. (brief 11 april 1950)
Klaas Bakema geeft in een van zijn brieven ook een beschrijving van zijn bezoek aan Franeker waar in augustus en september een belangrijke knipkunsttentoonstelling werd gehouden. Voor Wiecher Lever bij uitstek een mogelijkheid zijn werk te promoten. Door knipsels beschikbaar te stellen voor de expositie en zijn knipwerk te demonstreren. In zijn plakboek bevindt zich een artikel van Gabriël Smit in de Volkskrant van 2 september 1950 over deze tentoonstelling: “Kostelijk “Coopmanshuys” vol sierlijke knipkunst/In het voetspoor van Anna Maria Schuurman”. Niet alleen een aardige impressie van het oude Franeker, het kostelijke museum, de geschiedenis van de knipkunst en de tentoonstelling met ook werk van hedendaagse knippers, maar ook met een komische beschrijving van het werk van Lever.

Opgehangen aan een karikaturaal silhouet dat Lever van de gejaagde journalist (altijd onderweg!) Smit. Eerst knipt Lever een gewoon silhouet: “… Sinds een jaar knip ik ook portretten. gaat u maar staan. Zo even stil…. “Een zwart stukje papier, het bekende knipgeluid, dertig, veertig seconden en: “Kijk, daar bent u”. En inderdaad, een keurig silhouet. “maar een caricatuur is nog aardiger. Dat maak ik ook. U bent zeker van een krant? Kan ik zien-ik leer knippend de mensen kennen. Gejaagd beroep, altijd haast, vliegen, vliegen. Ik zal proberen of ik dat uitdrukken kan. Ja, het gaat wel, denk ik Zo-daar bent u… Kijk maar: [ portret]. Dat ben ik dan, gejaagd en wel. Met tegenwind blijkbaar. Maar in Franker had ik dan toch óók de wind mee: ik had er prachtige uren. Ik ontdekte er een oude, jonge kunst. Charmant, gezellig, zonder de zwarigheden van het drukkende ogenblik Een eigen wereld van stilte en geduld, liefde en fijne kunstvaardigheid. Nergens ordinair, nergens belast met de zware problemen die haast alle kunst tegenwoordig zo verlammen. Heel eenvoudig, wit papier en een schaar. “Het zit in de schaar, nergens anders“. Gelukkige mensen, die zo eenvoudig kunnen beelden”. Aldus “G.[abriël] S[mit]“, die met dit commentaar niet alleen de knipkunst en de beoefening ervan roemt, maar tevens kritiek uitoefent op de moderne kunst van die tijd.

Het artikel in de Volkskrant wordt gevolgd door een prachtig geïllustreerde publicatie in de Panorama (8 september 1950) over “Schaarkunst, vier eeuwen knip virtuositeit in Franekers Coopmanshûs”. Vanzelf in tekst en fotografie, aandacht voor het werk van Anna Maria van Schurman en oude knippers als Adelaar en Roemelé. Hedendaags knipwerk is afgebeeld van Kerp, Eisendorn en Lever. Op de foto zien we hem, met een postzegel op de voorgrond om het formaat aan te geven, een karakteristiek landschapje vrij uit de hand knippen. Op de achtergrond het ex libris dat hij maakte voor Theunis Broekstra.
Uit de tekst blijkt dat Levers demonstratie op de tentoonstelling, die veel bezoekers trok, indruk heeft gemaakt: “…Deze “schaar-hercuul” wekt stille bewondering met zijn miniatuur-landschapjes of.. lachorkanen, als hij in enkele seconden de caricatuur van een van zijn bezoekers gereed heeft. Vroeger kolenhandelaar en vertegenwoordiger hanteert deze man nu behendig de schaar om er zijn brood mee te verdienen. Sinds enige maanden is hij knipper van beroep… en hij ziet er gezond uit!…“.

Het tijdschrift “De Schilder” (21 juli 1951) stelt Lever in staat de historie van de knipkunst kort te belichten maar vooral hedendaagse knippers voor te stellen. Hij schrijft onder de titel “Nederland knipt weer! …19 April 1946 bracht het “Nieuwsblad van het Noorden” een artikel over mijn arbeid. Dit was de herleving van onzen knipkunst, of beter gezegd: de openbaring van hetgeen reeds lang aanwezig was. Nog geen twee weken later meldde iemand aan het bureau van dat blad, dat een onderwijzeres uit Appingedam ook nog knipte [is Gretha Zijl, HvA]. Kort daarop schreef mij Mevr. Bruning uit Nijmegen, dat haar dochter ook de schaar hanteerde. Op een demonstratie werd mij op de producten van Mej. Commerell, thans Mevrouw Vierkens, gewezen en op de tentoonstelling “Gouden Handen” in 1948 te Ede gehouden, ontmoette ik Mej. Eisendorn, die daar exposeerde en demonstreerde…

Lever noemt geen onbekenden, ze kwamen al voor -mede dankzij zijn mededelingen- in de artikelen van Huizenga-Onnekes in het Groninger Dagblad en Hobby. Maar, zo meldt hij wat parmantig: “…Geleideljk aan ontwikkelt zich nu, wat ik “een eigen school” durf te noemen. Een tweetal vrienden, de heren Broekstra en Kloosterhuis, ontmoette ik in 1948 tijdens een demonstratie. De eerste, in Vrije tijd een voortreffelijk houtsnijder, de tweede tekende. In dit voorjaar zijn beiden gaan knippen en hun bekroningen rechtvaardigen de hoop op hun toekomst.

Vervolgens de 17-jarige Antje Pronk welke ik op 13-jarige leeftijd enige handleiding gaf. Het boven reeds genoemde 8-jarige dochtertje [Liesje,  HvA], dat binnen een jaar 3 prijzen won, nl. een medaille als 1e prjjs in de groep jeugd tot 14 jaar noordelijke drie provincies; een diploma goed en een diploma uitmuntend. Ten tenslotte de laatste leerlinge, een onderwijzeres uit Arnhem, die na twee lessen reeds verrassend goed werk levert…“. Natuurlijk was Lever trots op deze resultaten van zijn navolgers, maar het was voor hem ongetwijfeld ook een middel om zijn aanpak te verdedigen en te promoten. Hij noemde niet knippers die inmiddels ook al een zekere bekendheid genoten zeker sinds de expositie in Franeker, zoals Kerp en Bakema. Om van ene Hil Bottema (en haar navolgers) maar te zwijgen. Voor beginnende knippers heeft hij een advies: “…De beoefening van het knippen is zeer verschillend. Men kan het papier dubbel vouwen, vooraf op de achterzijde een schets aanbrengen, of direct uit het papier te knippen. Uit één stuk vervaardigen, of uit gedeelten om later samen te plakken. Een ieder handelt naar eigen aanleg. Het gaat tenslotte om het eindproduct. Toch geef ik er de voorkeur aan dat de beginneling niet vouwt, niet tekent, maar direct de schaar in het papier zet. Dit dwingt tot grotere vaardigheid…“.

Interessant is het artikel “Een schaar en een stukje papier” in de Vrouwenpost van april 1952. Hierin wordt namelijk het knipwerk van Geert Jager vermeld en is er sprake van dat Lever een tentoonstelling “Westeuropese knipkunst” voorbereidt. Over Geert Jager, het eerste echte voorbeeld op papier van zijn onderzoekswerk, schrijft Wiecher in dezelfde maand een mooi artikel voor de Nieuwe Provinciaal Groninger Courant.(15 april 1952) met als titel “Geert Jager/De knipkunstenaar”. Lever waagt daarin aandacht voor de knipkunst in Groningen en noemt Antje “Knipke” v.d.Veen uit Noordbroek en Geert Jager (1823-1916) uit Hellum. Aan de hand van drie afbeeldingen beschrijft hij het werk van deze “merkwaardige man”. Van deze knipper had Lever tenminste een werk in zijn verzameling en ook knipte hij verschillende kopieën van het werk van een knipper die hij bewonderde. De vermelding over een tentoonstelling die Lever voorbereidde is ongetwijfeld juist. Die was (onder andere) te zien op de expositie “Vier eeuwen knipkunst” in januari 1953 te Leeuwarden op verzoek van de Vereniging “Friese Volkskunst” Die tentoonstelling moet waarschijnlijk gezien worden als een eerste aanzet tot de oprichting van een museum voor knipkunst.

Het dagblad “Trouw’ vertelt op 5 juni 1952 wederom het verhaal over Levers ontwikkeling: “Van turfschipper tot knipkunstenaar”.  Belangrijk in dit artikel is de opmerking: “Wiecher Lever is thans bezig aan het samenstellen van een boek, in collaberatie met mevr. E.J. Huizinga-Onnekes”. Een niet geheel juiste vermelding. Lever had al jarenlang contact met Huizenga, verschillende brieven (lopend van 17 maart 1947 tot 5 januari 1956) van Huizinga aan Lever zijn bewaard gebleven. Het schrijven van een boek dat onder de titel “Juweeltjes van Knipkunst” had moeten verschijnen was echter haar initiatief. Lever leverde er wel de geknipte omslag voor en droeg er vele gegevens aan bij.
Eilina (Line) Johanna Huizenga-Onnekes (1883-1958) was in Groningen een bekend folkloristisch onderzoekster, al werd haar werkwijze en vooral haar interpretatie van gegevens in wetenschappelijke kring niet door iedereen hoog ingeschat. Ze was vooral bekend door de verhalen van “Trijntje Soldaats”, “Het Boek van Minne Koning” en publicaties als “Groninger Volksverhalen” en “Het Menschelijk Leven in ‘t Groninger Land”. Publicaties van voor 1940. Na die tijd richtte zij zich onder andere op de knipkunst met als uitgangspunt knipsels uit haar eigen familieverzameling en het Groninger land. Zo verschenen na de artikelen van haar hand in 1947 (Groninger Dagblad, Hobby), artikelen als “Knipsels in Groninger Land” (Oud Nederland 1950) en een verhaal over knipper ds. Jan de Bleyker in De Speelwagen (1953)

slot volgt in december

Door Henk van Ark

Over Wiecher Lever, deel 1, Nieuwsbrief 2008-1

Een van de doelstellingen van de stichting W.Tj. Lever was het streven naar de samenstelling van een studie over leven en werk van knipkunstenaar Lever. Tijdens zijn leven en na zijn overlijden is al veel over hem geschreven. In de periode 1940 tot 1960 was er vooral aandacht voor zijn belevenissen als beginnend en reizend knipper, hierna stonden de meeste artikelen in het teken van zijn Nederlands Museum van Knipkunst. Na zijn dood in 1981 verschenen er diverse korte biografische schetsen, maar tot een meer uitvoerige studie of biografie is het nooit gekomen. De afgelopen twee jaar is er aan gewerkt te komen tot een studie die vooral in zal gaan op Levers activiteiten als papierknipper, verzamelaar en museumdirecteur, een echte biografie wordt dat dus niet. Het is de bedoeling dat die in brochurevorm uitkomt eind 2008. In deze Nieuwsbrief en de komende nummers vindt u een voorpublicatie van de uitgave die de titel “Wiecher Tjeert Lever (1917-1981). Een kunstenaarsleven in knipsels” zal krijgen.

De jonge papierknipper
“Knipverkeerd” was helemaal geen goede naam voor dat jongetje…” is de kop van de kinderrubriek van het Vrije Volk op 18 november 1952. Ene Manke schrijft in “Het Vrije Volkje”: “Er was eens een kleine Groningse jongen, die met z’n vader en moeder op een vrachtschip woonde, dat de grappige naam “Nooit Volmaakt” had. Toen de jongen een jaar of zes was, voer de “Nooit Volmaakt” geregeld door de kanalen van de Groningse veenkoloniën, waar de baas van het schip grote voorraden turf van de ene plaats naar de andere bracht. De moeder van het jongetje hielp de vader altijd mee, want een turfschipper heeft een druk leven. Zo kwam het dat het jongetje dikwijls alleen in de roef van her schip zat, waar -als het donker begon te worden- een grote petroleumlamp brandde. Die lamp had zo ‘n ouderwetse kap met een rand van kralen eraan en die kralen konden prachtige schaduwen maken op de wand van het roef]e. Het jongetje zat dikwijls naar die schaduwen te kijken en opeen avond dacht hij: als ik een schaar neem en figuurtjes uit zwart papier knip en die figuurtjes dan weer op wit papier plak of omgekeerd, dan moeten dat net zulke leuke schaduwbeelden worden, als ik nou op die muur zie. En hij nam schaar en papier en hij begon te knippen en kijk, van dat ogenblik af is hij nooit meer met knippen opgehouden. Het jongetje begon met poppetjes. Poppetjes die elkaar de hand gaven, je kent ze wel, zo’n hele rij dansende figuurtjes. Maar hij ontdekte al gauw, dat je uit oude schoolschriften, treinen en stoomboten kon knippen. Lijm was er niet op het schip, maar hij nam draad en naald en naaide z’n figuren van papier aan elkaar. Hij hield veel van de natuur en hij begon dieren en bloemen uit te knippen, die zo goed lukten, dat hij er boekenleggers van maakte, die hij aan de meisjes gaf die hij aardig vond. Want hij was toen al niet zo’n héél klein jongetje meer. Thuis waren ze wel eens kwaad over al dat geknip. Want de snippers vielen op de cocosmatten, die de vloer van het roefje bedekten en ‘t was een heel geveeg om ze er weer af te krijgen. Daarom gaven zijn ouders hem de bijnaam ”Knipverkeerd” Maar in hun hart waren ze maar wat trots op dat zoontje “Knipverkeerd”, dat steeds mooiere dingen ging maken. Toen het Jongetje twintig jaar was, en dus een man, hield hij een tijdje met knippen op. Niet omdat hij er genoeg van had, maar omdat hij dacht, dat anderen zouden zeggen: kijk hem nou eens, een man die plaatjes knipt, nou zeg, dat is toch echt een meisjeswerkje. Op het ogenblik is hij al lang getrouwd, hij heeft zelfs al zes “Knipverkeerdjes”. Z’n oudste dochtertje Liesje, die negen, en Rika, die zeven jaar is knippen net zo graag als hun vader. Want je moet niet denken dat “Knipverkeerd” niet meer knipt! Hij geeft het goede voorbeeld in z’n huis en zijn kinderen vinden het prachtig en kijken hem de kunst af. Liesje heeft zelfs al een medaille met haar knipsels gewonnen toen ze zeven jaar was en daarna nog een heleboel eerste prijzen. Als de vader het merkt, dat z’n kinderen zijn figuurtjes naknippen, verscheurt hij ze: ze moeten alles zelf bedenken! En nu moet ik jullie nog vertellen, hoe dat jongetje in werkelijkheid heette: Wiecher Tjeerd Lever. Hij woont op het ogenblik in Muntendam en hij is een van de weinige knipkunstenaars, die er in ons land wonen. Soms knipt hij wel eens op tentoonstellingen, waar iedereen hem op de vingers kan kijken. En hij heeft een boekje geschreven, dat “Op nieuwe wijs, naar oude trant” heet en dat iedereen maar eens moet lezen, die de fijne kneepjes van de knipkunst machtig wil worden (…)“

Hoewel in het stuk de naam van Wiecher Tjeert Lever op twee plaatsen verkeerd is gespeld, wordt in dit artikel goed beschreven hoe de jonge Lever als kind al met papierknippen is begonnen. Lever is op 7 september 1917 in Hoogezand geboren als zoon van Harm Lever en Annette de Vries. Op 3 april 1941 trouwt hij met Hermanna de Boer (1914-1998). Uit dit huwelijk zijn zes kinderen geboren: Anette (1941), Elisabeth (1942), Harm (1944), Henderika (1945), Jan (1947) en Tobia (1952).
Lever scheidt en hertrouwt op 17 maart 1976 met Meintje Jonker. Zij had uit een eerder huwelijk een zoon: Jacobus (1954). Wiecher Lever overleed op 2 oktober 1981.
Hij werkt na zijn lagere schooltijd in de brandstoffenhandel van zijn vader, volgde de handelsavondschool en besloot op zijn 21ste  jaar een eigen loopbaan te beginnen. Hij heeft diverse baantjes en wordt uiteindelijk vertegenwoordiger in drogisterijartikelen bij de firma Ten Doesschate. Vanaf eind 1949/begin 1950 is hij knipkunstenaar van beroep.

De periode 1946-1950
In het artikel “Over knipsels en schaduwbeelden “(Groninger Dagblad 15 en 22 maart 1947) van E.J. Huizenga-Onnekes wordt Lever, naast Gretha Zijl, genoemd als knipper “in onzen tijd”. Zij schrijft: “…Een kunstenaar op dit gebied in de heer W. Tj.Lever van Muntendam. Hij is de zoon van een turfschipper en als jongetje van een jaar of negen kwam hij bij een oudtante in huis om onderwijs te kunnen volgen. In haar bijbel had die tante een oud, eenvoudig knipsel. Het was een duivenhokje met duiven en een paar hondjes. “Dat kan ik ook wel’ dacht de kleine jongen en inderdaad hij kon het. Toen knipte hij meer, b.v. een anker in een hart. Toen zei zijn broer: “Dat anker deugt niet”: Hij had geen aanleg voor knippen, maar hij had schippersbloed in de aderen en hij zag dat het anker verkeerd was. Hij knipte het anker beter dan zijn broer, die van ankers geen verstand had. Toe zei zijn moeder: “Je moet er nog een kruis bovenop zetten, dan het je geloof hoop en liefde. Er kwam een tijd, waarin hij vooral voor meisjes geloof hoop en liefde, maar ook andere knipsels vervaardigde. Zij vonden het prachtig en dat moedigde hem aan. Hierop volgde een periode, waarin hij niet knipte, omdat het toch eigenlijk meisjeswerk was. Hij schaamde zich ervoor. Ook dit ging voorbij. In de oorlog begon hij knipsels te maken met betrekking tot gebeurtenissen van dien tijd. Met één prentje had hij zooveel succes dat hij er 300 stuks van verkocht. Nu gaat zijn werk zelfs naar Amerika, komt op tentoonstellingen en in boeken en kranten wordt erover geschreven…”.

Van turfschipper tot knipkunstenaar. Diverse malen is Levers ontwikkeling treffend beschreven, onder andere in de Rotterdammer (8 juni 1963) en het Friesch Dagblad (5 juni 1963). Het zijn artikelen over Levers museum in Roden.

“Lever werd op 8 september 1917 aan boord van het 80-tons binnenschip “Nooit Volmaakt” geboren en leerde in latere jaren spelenderwijs het vak van z’n vader: de turfschipper. Hij kreeg als klein kereltje al belangstelling voor de knipkunst, die vroeger veel door schippers werd beoefend. Zijn eerste knipsels maakte hij in de roef van de “Nooit Volmaakt”, wanneer vader en moeder Lever het schip door eindeloos lange kanalen loodsten. Wiecher ging er mee door, toen hij zelf turfschipper en kolenhandelaar werd. Wanneer hij met turf of kolen onderweg was, zocht hij vaak naar mooie bloemen of maakte vluchtige schetsjes van wegschietende waterhoentjes en overvliegende reigers, om ze thuis te kunnen naknippen. Op 21- jarige leeftijd ging hij van boord en werd vertegenwoordiger, hetgeen vader Lever deed zuchten: “Als dat maar goed gaat met die jongen. Hij wil niet met de handen werken “. Als vertegenwoordiger kwam Wiecher Lever in tientallen woningen, waar hij oude knipsels vond, die ter gelegenheid van een huwelijk of een geboorte waren gemaakt, en ook andere uitingen van deze oude volkskunst. Hij merkte al gauw dat de mensen bijzonder op deze wandversieringen waren gesteld Wanneer ze ze niet wilden afstaan, ging vertegenwoordiger Lever ze kopiëren en ontwikkelde zo meteen z’n talent. Hij ontdekte, dat hij tamelijk gemakkelijk portretten kon knippen en in z’n vrije tijd ging hij naar tentoonstellingen en knipte voor twee kwartjes het silhouet van baardige schippers, zorgzame huismoeders, schooljongens, burgemeesters en bankdirecteuren. De belangstelling was enorm…

De belangstelling voor het knipwerk van Wiecher Lever begon publicitair met een artikel in het Nieuwsblad van het Noorden van 15 april 1946. Lever had zelf de redactie benaderd met de vraag: “Zou u niet eens iets willen schrijven over een oude volkskunst, die geheel verloren is gegaan, maar die in vroeger eeuwen in ons land veel werd beoefend, namelijk de knipkunst?“. Volgens de schrijver van dit stukje toonde Lever een aantal van zijn vele producten van zijn knipkunst, maar kon hij over “den bloei van de knipkunst in vroeger tijden” weinig vertellen. De Openbare Leeszaal in Groningen bood uitkomst en zocht enkele boeken op die “onzen eenmaal gewekten weetlust betreffende dit onderwerp konden bevredigen”. Gegevens over de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst zijn vooral ontleend aan het artikel “Schaarkunst” van C. van Son in Elseviers Maandschrift van 1910. Daarin worden knippers genoemd als Joanna Koerten, Willem Eigeman, Elisabeth Rijberg, Gilles van Vliet en Otto van Voorst.

Met dit artikel bereikte Lever wat hij wilde. Hij kreeg aandacht voor zijn werk: “…Het feit, dat deze oude kunst, die eens zoo sterk heeft gebloeid, in onze provincie nog levend wordt gehouden, zij het ook door een enkeling, was te interessant om het niet grootere bekendheid te geven…“. Onder het mom van levend houden van een oude (volkskunst) hebben later vele knippers dezelfde methode toegepast om hun werk onder de aandacht te brengen. En, hij plaatste zijn knipwerk in een aloude traditie. Lever was als het ware de navolger van vele beroemdheden in de knipkunst. Kort daarna ging Lever ook internationaal. Hij kreeg na demonstraties in Arnhem een opdracht voor een knipsel voor Amerika (Noord-Ooster, 15 februari 1947) en niet veel later konden ook bestellingen uit Zuid-Afrika worden gemeld (Winschoter Courant 25 juni 1947 e.v.).

Niet duidelijk is of Lever, toen dus nog vertegenwoordiger en pas enige jaren getrouwd met inmiddels drie kinderen (een knipsel van deze huwelijkssituatie is bij het artikel afgebeeld), voor ogen had dat hij op den duur van het knippen zijn beroep zou gaan maken. Alles wijst er echter op dat dit zo was, al wordt in het Vrije Volk van 18 maart 1950 geschreven dat hij aanstonds noodgedwongen in de knipkunst zijn bestaan zal moeten zoeken. Optimistisch klinkt het niet: “Lever heeft er nu bepaald niet een hard hoofd in, maar toch -de kunst wordt niet meer zo rijk beloond en ook al is hij met zijn knipsels beslist niet duur, de guldentjes zijn dat tegenwoordig wel. En daarom zal hij nog meer lezingen gaan houden, nog meer gaan exposeren en bovendien les geven. Dat laatste zal misschien wat moeilijkheden opleveren, want hij bezit geen diploma van een “handenarbeidschool”. “De natuur geeft geen diploma’s”, zegt hij. Nee, diploma’s geven doet Moeder Natuur niet. Maakte ze maar eens een uitzondering”.

wordt vervolgd

Door Henk van Ark.

Over Wiecher Lever, deel 2, Nieuwsbrief 2008-2

In de zomer van 1946 (augustus), dus waarschijnlijk in zijn vakantieperiode, geeft Lever demonstraties papierknippen in het Nederlands Openluchtmuseum. Op een mooie foto in zijn plakboek zien we hem zitten, knippend bij een tafel in een van de huisjes (mogelijk de Zaanse Schans) van het museum. Met knipwerk op tafel en ingelijst staand zijn knipsel van het oorlogsmonument in de vorm van een kruis. Aan de wand ingelijst verschillende oude stukken, die hij inmiddels had verzameld, waaronder knipseltjes uit een Groningse familiebijbel.

Ook het jaar daarna demonstreert hij in het Arnhemse museum. De Arnhemse Courant van 13 augustus vermeldt hierover: “nu zit er in het jaar 1947 in het Openluchtmuseum Lever en draait het blanke papier spelenderwijze tussen zijn vingers, terwijl de schaar nu eens flink toehapt, dan weer nauwelijks zichtbaar haar kaken beweegt. Engelse en andere buitenlandse bezoekers, om van de vele landgenoten maar te zwijgen, zijn enthousiast. Onafgebroken dwarrelen de snippers, bijna onafgebroken praat deze man ook met zijn bezoekers, wijzende, uitleggende. Hij vouwt vrijwel nimmer, ontwerpt nooit: het is alsof een patroon zich compleet in zijn verbeelding heeft vastgezet. Vlakverdeling, symmetrie, het schijnt hem geen hoofdbrekens te kosten. Hij verkoopt aardige dingen, boekenleggers bijvoorbeeld, en geeft daar binnen de minuut een persoonlijke noot aan door uit een papiertje ragfijn naam of initialen te “graveren”. Deze beschrijving geeft goed het talent van Lever aan. Niet alleen was hij -ook toen al- een vaardig knipper, hij wist zijn werk ook goed te verkopen. Een onmisbare kwaliteit voor het bestaan als beroepskunstknipper.

Een unieke mogelijkheid om zijn werk landelijk te tonen kreeg Lever tijdens de tentoonstelling over knipkunst die onder de titel “Papieren Knipwerk” in 1946 in het Centraal Museum in Utrecht te zien is geweest van 18 oktober tot 10 november. Drijvende kracht achter deze expositie was Cornelia Catherina van de Graft, die niet alleen de tentoonstelling samenstelde, maar die tevens begeleidde met drie, ook nu nog wetenswaardige, artikelen in het blad Historia.
Hoewel bescheiden van opzet -de knipkunsttentoonstelling was slechts een toevoeging aan de expositie “Het Nederlandsche Boek” en daarom waarschijnlijk maar kort van duur- was deze tentoonstelling van groot belang voor de bestudering van de Nederlandse knipkunst en de opleving van de belangstelling voor oud en hedendaags knipwerk. Bij de tentoonstelling verscheen (helaas) geen catalogus, maar er is wel een getypte lijst van geëxposeerde werken bewaard gebleven. We vinden daarop ook eigentijdse knippers als Cruys Voorbergh, Tola Steinhage en Lex Barten vermeld, echter niet Wiecher Lever. Enige brieven in het museumarchief maken duidelijk waarom. Het werk van Lever werd in een laat stadium het Centraal Museum aanbevolen door Mr.W.P.A. Smit, conservator van het Openluchtmuseum, in een brief van 20 september. Lever had daar net in augustus demonstraties knippen verzorgd en Smit schrijft: : “… Zijn knipsels behoren wel niet tot het allerbeste op dit gebied, maar zijn toch als volkskunst niet zonder verdienste…“. Men stuurde Lever direct hierna een circulaire over de tentoonstelling toe waarop hij reageerde (28 september) met: “…Het komt onverwachts en daarom wilde ik gaarne met afzending der knipsels wachten tot begin der komende week daar ik gaarne met iets nieuws kom…“. En, “…Had ik de circ. 1 maand eerder ontvangen, waarschijnlijk was ik met grooter collectie uitgekomen… “ In diezelfde brief laat Lever weten tegen het exposeren van zijn werk op zondag te zijn, hij vraagt daarom: “…werk ‘s Zondags weg te nemen…“. Op 2 oktober stuurt hij vervolgens zes, niet ingelijste, knipsels naar het Centraal Museum. Zonder lijst versturen vond hij het gemakkelijkst en bovendien: “…No 6 is een familieplaat die verouderd is doordat een 4e kleine [Jan, red.] bijgekomen is, waarom deze plaat nooit ingeljjst geworden is…“. We kennen dit knipsel nog uit een artikel gepubliceerd in Het Noorden in Woord en Beeld (3 mei 1947). Het Utrechtse museum heeft Lever daarop bericht dat het knipwerk toch op zondag zou worden tentoongesteld. De kunstenaar reageert op dit bericht kort maar krachtig: “…Uw mededeling omtrent onmogelijkheid, om mijn knipwerk des Zondags niet te exposeeren, tot mijn verwondering ontvangen. Aangezien het hier een geloofsovertuiging betreft heeft deze zaak geen nadere overweging. U bij voorbaat voor Uw moeite dankend, zie ik retourzending der 6 knipsels tegemoet…”.

De gang van zaken bij de Utrechtse expositie laten het karakter van Lever zien: overtuigd van zichzelf; vasthoudend en geen concessies doende aan zijn overtuiging. Verdere consequenties hiervan zouden al snel blijken. Demonstreerde hij in 1946 en 1947 nog in het Nederlands Openluchtmuseum in 1948 kwam het daar niet meer van. Oorzaak daarvan was een conflict met Hil Bottema, toen artistiek leidster (en later conservator) bij het museum en verzorgster van cursussen waarin papierknipkunst was opgenomen. Bottema had bovendien een kunstopleiding en was zelf ook papierknipster. Was de mening in het museum over het werk van Lever (zie de opmerking van Smit) al niet al te positief, Bottema stelde voor de demonstraties in 1948 artistieke eisen. Lever mocht niet zijn nieuwste werken (tegeltableau’s) laten zien, een motief dat hij recent had ontwikkeld, maar slechts bloemen knippen. Lever probeerde Bottema en de directeur van het museum nog te overtuigen op deze beslissing terug te komen, het mocht niet baten. Hij weigerde op deze voorwaarde (Het Vrije Volk, 18 maart 1950) voor het museum te werken. Dit leidde tot een jarenlange vete van Lever met Bottema en het museum, die ook in talloze publicaties werd uitgevochten. Een verschillende opvatting over volkskunst werd aangevoerd als oorzaak, maar feitelijk is deze strijd terug te voeren op dit conflict en ongetwijfeld ook op het wantrouwen van Lever ten opzichte van kunstenaars met een opleiding en zogenaamde (volks)kunstkenners. Ook over andere onderwerpen dan knipkunstgebied zal hij met name in de jaren vijftig zijn mening laten horen.

Dit incident heeft, voor zover bekend, nauwelijks negatieve invloed gehad op de verdere ontwikkeling van Lever als beroepsknipper. Misschien heeft het zelf wel betekend dat hij er extra hard tegenaan is gegaan. Hij bezoekt hobbybeurzen en tentoonstellingen (Anthil, Appingedam; Gouden Handen, Ede; Hobbies, Hengelo) en bereidt zich zo voor op de moeilijke beroepspraktijk. In april 1949 bezoekt hij zelf Rotterdam. In het Rotterdams Parool (7 april 1949) wordt trots geschreven dat de demonstratie van Lever op de Uniek-tentoonstelling bij boekhandel Heijink in Rotterdam-Hillegersberg de eerste sinds tientallen jaren in West-Nederland was. Het ontwikkelen van zijn talent voor het knippen van portretten hoort daarbij. Voor het kunnen leven als beroepsknipper was dit onmisbaar. Ook gaat hij zelf schrijven over knipkunst. De redactie van het tijdschrift Hobby plaatst in juni 1947 het artikel “Over Knipsels en Schaduwbeelden” van Huizenga-Onnekes, dit naar aanleiding van twee door haar geschreven stukjes in het Groninger Dagblad met dezelfde titel. Ze vermeldde daarin Zijl en Lever. De redactie licht in een later nummer (oktober 1947) de belangstelling van het blad voor knipkunst toe. Aanleiding daarvoor waren de artikelen van Van de Graft in Historia, de stukjes van Huizenga, demonstraties van hedendaagse knipkunstenaars in de zomer van 1947 in het Openluchtmuseum en het artikel “Volkskunst” van C.J. Blees Kzn. in de Speelwagen (1947). Blees concludeerde “dat volkskunst nog bij lange na niet heeft afgedaan” wat de redactie van Hobby tot de opmerking bracht dat lezers zelf maar moesten beoordelen of van de volkskunst de knipkunst nog recht van bestaan heeft.

Om discussie daarover te bevorderen worden de beste voortbrengselen van de hedendaagse knipkunst in het artikel “Knipsels” besproken. Gretha Zijl krijgt een ereplaats, haar knipsel van kinderen die de vruchten plukken van de Hobby boom wordt op de voorzijde van het tijdschrift afgebeeld. Ook Lever krijgt ruime aandacht, maar er is ook een kritische opmerking over zijn werk: “De heer Lever verstaat als geen ander de kunst de logische samenhang tussen materiaal en onderwerp aan te voelen. Zou hij er in slagen ook tussen gegeven en uitbeelding zulk een samenhang tot uiting te brengen, dan zou o. i. zijn werk nog aan kracht winnen“. Maar tegelijkertijd noemt men een “in oude stijl geknipte stamboom van zijn familie in drie geslachten” een van zijn inzendingen, een “juweel”. Verder worden besproken knipwerk van M.T. Bruning en Antje Pronk. In haar bijdrage vermeldt Huizenga-Onnekes, na een lovend verhaal over Levers bloemenwerk: “Lever koestert altijd nog de illusie om een kleine handleiding te schrijven, want hij heeft een bepaalde methode om het anderen te leren”. In de maand erna (juli 1947) publiceert Lever in Hobby het korte artikel “Over Knipsels en hun vervaardiging”, een korte cursus papierknippen. Mede bedoeld om lezers van het tijdschrift te stimuleren aan de knipwedstrijd, uitgeschreven in juni met een inzendtermijn die wordt verlengd tot 31 augustus, mee te doen. Op deze bijdrage volgt in augustus “Knipprenten als Volkskunst” waarin Wiecher zijn belangstelling voor bepaalde onderwerpen toelicht.

wordt vervolgd in september

Door Henk van Ark.

Schimmenspel en knipkunst, Nieuwsbrief 2008-2

In de maart-nieuwsbrief is de verschijning van het boek “Geknipt, Geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland” gemeld. Voor deze uitgave zijn door medewerkers van onze stichting (Atty Broer en Henk van Ark) diverse artikelen en korte stukjes geschreven. Een belangrijk deel hiervan is in “Geknipt!” terecht gekomen, maar in de eindredactie zijn sommige delen ingekort, gewijzigd of niet opgenomen. Soms heel begrijpelijk, niet alle details zijn bijvoorbeeld voor de meer algemene lezer interessant of ze moeten in stijl passen bij andere gedeelten, maar soms ook jammer omdat bepaalde verhalen eigenlijk een wat uitvoeriger aandacht verdienen. In voorgaande nieuwsbrieven zijn al onze bijdragen over geknipte portretten en reliëfknipsels (overigens zonder noten) gepubliceerd. Het is aardig die eens te vergelijken met de definitieve tekst(en) in het boek. Helaas zijn in de verschillende bijdragen ook de verwijzingen naar hedendaagse ontwikkelingen verdwenen. Zo worden aan het einde van het stuk over schimmenspel enige voorbeelden (dus zonder de pretentie van volledigheid) van hedendaagse schimmenspelers/makers genoemd, in het boek komen deze niet voor.

Hierbij daarom onze kijk op schimmenspel en knipkunst, waarvoor de basis werd gelegd door Willem Bax. Hij schreef voor de stichting W.Tj.L ever de “Notities over schimmenspel in Nederland” die in brochurevorm door ons in 1985 zijn uitgegeven.

Het schimmenspel lijkt in West-Europa betrekkelijk autonoom te zijn ontstaan, hoewel er -tot nu toe tevergeefs- diverse pogingen zijn ondernomen het westerse schimmenspel in de oude traditie van Klein-Azië en het Nabij en Verre Oosten te plaatsen. Voor de hand ligt te veronderstellen dat iedere cultuur het fenomeen zelf heeft ontdekt. Waar licht is, is schaduw en waar schaduw wordt gemanipuleerd door mensenhanden is in principe het schimmenspel geboren. In Nederland zou de invloed van het wajangspel uit Indonesië verwacht kunnen worden, echter dit is nooit aangetoond. Dat geldt ook voor Frankrijk, waar in de 18de eeuw, wordt gesproken over Ombres Chinoises, maar Chinese invloed nooit is bewezen. Wel staat het schimmentheater daar in relatie tot de kunst van het bewegende silhouet (genoemd naar de Franse minister Etienne de Silhouette), in dit geval het geknipte of gesneden profielportret (1).  In Nederland vinden we een prachtig voorbeeld van deze relatie beschreven.
  

In zijn boekje “Beknopt en Duidelijk Onderwijs in het silhouëtteeren” van 1792 [1] beschrijft Gerrit Paape over een opmerkelijke combinatie van schimmen- en silhouetportretten. Hij vermeldt hoe diep geroerd hij werd door de aanblik van kleine bewegende schaduwbeelden in een soort Optica (kijkdoos), waarin een scherm van geolied papier was aangebracht, waardoor hij zijn “Vader en Moeder (reeds verscheiden jaaren dood zijnde), zo natuurlijk zag verschijnen, dat op het eerste gezigt ik een luide gil gaf, en de traanen mij in menigte uit de oogen sprongen”. De jeugdige kunstenaar die deze beelden vertoonde, had de omtrekken van Paapes ouders in het klein gebracht en op kaartpapier geplakt en uitgesneden, “in diervoegen, dat de lippen, de hals en de armen beweeglijk waren (…) en de allernatuurlijkste beweegingen mijner ouders nabootsten”.(2)

Het schimmenspel past heel goed in de toenemende belangstelling voor het spelen met licht en schaduw (silhouetteerstoelen, illuminatiekasten, toverlantaarns) [2] vanaf het laatste kwart van de 18de  eeuw. Al zijn er in Nederland wel eerdere vermeldingen van schimmenvoorstellingen door schilder Pieter Barbiers. Hij gebruikt onderwerpen voor zijn voorstellingen die zouden zijn ontleend aan het programma van Séraphin dat in 1770 in Versailles is geopend en in 1784 naar de Port Royal in Parijs wordt overgeplaatst. Barbiers en Séraphin lijken echter te hebben geput eenzelfde traditie, waarschijnlijk een vast repertoire dat in de 18de  eeuw door rondtrekkende theaters werd gespeeld.(3)

Dominique Séraphin Francois (1747-1800) is een voormalige circus- en kermisartiest die stukken vertoont in een schimmentheater in de tuin van Launoin in Versailles. Aan hem wordt veel invloed toegeschreven op het Nederlandse schimmentheater dat zich voornamelijk op kermissen en huiskamers afspeelt. Het schimmenspel ontwikkelt zich van theatervorm en kermisvermaak aan het einde van de 19de  eeuw tot kunstenaarscabaret: het cabaret-artistique. Als inspiratiebron wordt met name het laat 19de  eeuwse cabaret “Le Chat Noir” genoemd. Dit cabaret, dat in 1881 zijn deuren opent in het kunstenaarscafé van Rudolphe Salis, is een verzamelpunt van dichters, zangers, musici en chansonniers. Hier beginnen ook in 1885 de eerste experimenten met schimmentheater door Henri Somm eerst met “ombres strictement chinoises”, later door Henri Rivière ontwikkeld tot waarlijke “féeries lumineuses”, waarbij gebruik gemaakt kan worden van een sterke lamp, rijen gasvlaxnmen, toverlantaarns en grote gekleurde glazen platen, bediend door een uitgebreide staf van medewerkers.(4)
Het schimmenspel is dan het domein geworden van de beeldende kunstenaars en in die richting zal zich het verder in Nederland ook ontwikkelen. Er lijkt zich een samenhang af te gaan tekenen tussen de beeldende kunstopvattingen en -stromingen en de uiting daarvan in het schimmenspel. Kenmerk van al die spelers is dat ze voortkomen uit beeldend kunstenaarskringen waarin enige kernen zijn te onderscheiden. In Haarlem het genootschap Kunst Zij Ons Doel, het Museum voor Kunstnijverheid en de School voor Bouwkunde, Versierende kunsten en Kunstambachten. Tot K.Z.O.D. behoren Ko Doncker (1874-1917), Herman Kruyder, Frans Smit jr. en de Waagspelers. Belangrijke figuur is Otto van Tussenbroek (1882-1957), directeur van het museum voor Kunstnijverheid, die Pieter van Gelder terug naar Haarlem haalt, contact heeft met Albert Roelofs en goed bevriend is met Henri Rivière.(5)

Voor de geschiedenis van de knipkunst is Doncker het meest interessant. Hij is nu vooral bekend van het paedagogisch schimmenspel “Rookt nooit te vroeg” dat hij in opdracht voor de firma Salm Sigaren in Haarlem vervaardigt. Kopers van sigaren konden dit spel sparen, ieder kistje van 50 stuks bevat een schimmenkaart, bij honderd stuks krijgt men er twee. Door de silhouetfiguren uit te knippen kan men een heel schimmenspel samenstellen (fig.1-27), verder was er ook een scherm (fig.28) en een vers met handleiding (fig.29). Ger Boonstra reconstrueert dit spel in 1977 en gebruikt het voor opvoeringen met zijn eigen schimmentheater.(6)

In Den Haag speelt schimmenspel een rol bij de Haagse Kunstkring en Pulchri. Willem Roelofs (de broer van Albert) volgt daar de naturalistische opvatting van Chat-noir. met assistentie van onder meer Willem van Konijnenburg. Hij treedt met als bijnaam de Nederlandse Chat-noir op in Pulchri Studio. Ook treedt later daar Frans Ter Gast op en er zijn opvoeringen door Vilmos Huszâr en J.R.B.de Roos.(7) [4]

Frans ter Gast (1880-1970) wordt algemeen beschouwd als Nederlands belangrijkste schimmenspeler van de 20ste eeuw. Met tenminste 41 schimmenspelen, vervaardigd in de periode 1924-1966, is hij zeer productief. Het maken van de spelen en zijn zeer sprekende figuren lag hem meer dan de opvoering ervan, al hoort dit natuurlijk ook bij de schimmenschuiverij. Ter Gast werkt met gesneden projectieschimmen [5] die door middel van een projectiekoker op het witte scherm konden worden vertoond. Dit in tegenstelling tot de contactschimmen die direct achter het scherm worden opgehouden.


Zijn respectabele lijst van stukken omvat sterk uiteenlopende voorstellingen qua thema en uitwerking. Voor een aantal heeft hij zelfde teksten verzorgd, zoals “Het Rijden door alle Tijden”, maar voor de meeste stukken sluit hij aan bij het werk van bekende schrijvers (Andersen, Charivarius, Wilde, Streuvels).(8) Overigens verkocht Ter Gast ook losse gesneden (schim)voorstellingen, zoals de fraaie pinquïns in de collectie van het Westfries Museum.
Cabaret en schimmenspel vinden elkaar later in kringen rond Hamdorff in Laren (met Chiel de Boer als centrale figuur) en Lou ten Bosch in Dordrecht. Ten Bosch maakt in de jaren zestig enige experimentele tentoonstellingen met ultraviolet licht met Albert Winsemius en beginnend beeldend kunstenaar Ger Boonstra. Boonstra richt het schimmentheater Ultra op, dat later overgaat in het Schoonhovens Schimmentheater. Behalve het opzetten van eigen spelen speelt hij een belangrijke rol in het documenteren van de geschiedenis van het schimmenspel. Zo heeft hij contacten met Pieter van Gelder, Chiel de Boer en vooral Frans ter Gast en is hij betrokken bij de oprichting van het Poppenspelcentrum in Dordrecht. Daar is hij verantwoordelijk voor de totstandkoming van een belangrijke collectie schimmen, die nu is ondergebracht in Rotterdam. Naast eigen spelen, na 1980 vaak gemaakt in samenwerking met Marijke de Vos, maakt Boonstra ruim gebruik van oude repertoire stukken, zoals le pont cassé, en coptografische figuren.(9) Meer dan de voorgaande figuren zou Joop Koevoets (1920-1995)(10) verbindingen moeten hebben met de wereld van de knipkunst, sterker nog hij oefende tegelijk de vrije beroepen van schaarkunstenaar, theaterspeler, voordrachtskunstenaar en stemleraar uit, na een opleiding als illustratief tekenaar. Maar hoe goed zijn werk ook aansluit bij het werk van knipkunstenaars, actief contact heeft hij met hen nooit gehad, wel met schimmenspelers als Frans ter Gast.

Dit geeft goed de verhouding tussen schimmenspel als (beroeps)theatervorm en het maken (en opvoeren) van schimmen zoals bekend in de knipkunst aan. Er is eigenlijk altijd een scheiding geweest tussen het professioneel maken en opvoeren van schimmen en het vervaardigen van schimfiguren als onderdeel van knipkunst, die (te) vaak als hobby-isme is gezien. De gebruikte techniek van het maken (knippen, snijden) is hetzelfde, de uitgevoerde praktijk anders. Er is in feite sprake van gescheiden werelden. Ook op ander gebied zien we dat. Zo verwaardigt beroepsillustrator en silhouettist Hans Detlev Voss zich niet te reageren op een poging tot contact van Klaas Bakema. (11) Ook beroepsknipper Wiecher Lever krijgt in zijn professionele loopbaan (die hem -merkwaardig genoeg- ook door sommige collega-knippers wordt kwalijk genomen) regelmatig te maken met denigrerende opvattingen van beroepskunstenaars over zijn werk en knipkunst in het algemeen.(12)

Hoe dan ook, Bollebakker verzucht kort geleden: “De in Nederland gewortelde schimmentraditie dreigt op te houden te bestaan: er is nauwelijks nog een beroeps schimmenspeler te vinden”. (13) Bax is optimistischer en positiever. “Het moge zijn, dat de geschiedenis van het Nederlandse schimmenspel zich maar als een smal stroompje door de tijd slingert, het omvat toch een hele periode -van Barok tot en met Abstracte Kunst- en stroomt niet zonder stroomversnellingen. Op het ogenblik lijkt het spel zich grotendeels te hebben teruggetrokken, enerzijds als element in voorstellingen van andere theatervormen, anderzijds in kleinscheepse uitvoeringen, waarbij men bijna weer tussen de schuifdeuren is beland (…) Bij veel van de oude voorstellingen was er sprake van een teveel, een warrig samengaan van de elementen beeld, tekst, muziek en belichting [,] een teveel ook aan humor. Misschien is armoede hier wel een zegen”.(14) Met de huidige beeldcultuur is niet te verwachten dat het schimmenspel weer prominent naar voren zal komen (dat was vroeger overigens ook niet zo, het was steeds een marginaal verschijnsel), maar zoals toen ook het geval was is een tegenreactie in zwart en wit tegen al het kleurengeweld af en toe niet uit te sluiten. Knipkunstenaars blijven inmiddels wel hun bijdrage leveren aan de voortzetting van een sfeervolle traditie. Zo heeft Marjolein Beukeboom schimmen voor poppentheater Aldo gemaakt en Ans Nieuwenburg figuren voor theater “Licht in het donker” vervaardigd. Meer voorbeelden zijn ongetwijfeld te vinden. En,Willem Bax heeft ruimschoots zijn bijdrage geleverd aan het maken van “schuifdeurvoorstellingen” en de vastiegging daarvan in brochurevorm.(15) [6]

 

 

Willem Bax

Door Henk van Ark.

noten:

  1. Hans Bollebakker, Ger Boonstra, schimmenspeler, Rotterdam 2003. Zie ook: Rico Bulthuis, Geschiedenis van het schimmenspel in Nederland, Amsterdam 1970; [H. Bollebakker] “Nederlands
    schimmen enkele hoofdlijnen
    ”, in: Theater uit handen, Rotterdam 1992, p.98-122; Hetty Paerl, Schimmenspel en het spelen met schaduwen, Amsterdam 1979; W. Bax, Notities over
    schimmenspel in Nederland, [Schoonhoven] 2005.
    2. Henk van Ark, “Onderwijs in het silhouetteren” Nieuwsbrief, jrg.8 (1995),nr. 1, [p. 12-17]
    3. W. Bax, Notities, p. 11
    4. Bollebakker, Boonstra, p. 11-13; Bax, Notities, p. 19.
    5. Bollebakker, Boonstra, p. 13
    6. Paerl, Schimmenspel, p. 72-73; Kees de Raadt, Ko Doncker (1874-1917), Tekenaar-schrijver schimmenschuiver, Haarlem 1994.; Henk van Ark, “Een schimmenspel van Ko Doncker’ Nieuwsbrief, jrg. 8 (1995), [p. 18-21].
    7. Bollebakker, Boonstra, p. 15; Bax, Notities, p. 19-25; p. 31-13.
    8. Bax, Notities, p. 41 -45; Bollebakker, Nederlands Schimmenspel (…), p. 120-122; Bulthuis, Geschiedenis, p. 45-51.
    9. Bollebakker, Boonstra, p. 15-19.
    10. Joke en Jan Peter Verhave, “Joop Koevoets, een man met twee beroepen“, Knip-pers, jrg. 17 (2000), p. 3-5; Riny van Beek, “Schimmentheater Joop Koevoets (..)” Knip-pers, jrg. 19 (2002), nr 2, p. 15.
    11. Henk van Ark, “De silhouettenknipper Klaas Bakema (2)“, Nieuwsbrief, jrg.20 (1997), nr. 1, [p. 3]
    12. Henk van Ark, Wiecher Tjeert Lever (1917-1981), een kunstenaarsleven in knipsels, Rasquert 2008.
    13. Bollebakker, Boonstra, p. 23.
    14. Bax, Notities, p. 53.
    15. Henk van Ark, “Over schimmen en silhouetten”, Nieuwsbrief, jrg.19 (2006), nr.3, [p. 8-10]

Sponsor maakt aankoop papieren Bavelaar mogelijk, Nieuwsbrief 1990-2

Door een financiële bijdrage van Reformhuis W. van Mastrigt in Rotterdam, een sponsor die al eerder enige aankopen op de veiling van Christie’s mogelijk maakte, is de stichting W.Tj. Lever in staat gesteld een zogenaamde papieren bavelaar voor de verzameling aan te kopen. Het betreft een zwart kastje van klein formaat (13×17 cm) waarin zich een geknipte voorstelling bevindt bestaande uit een huisje met figuren, een jager met hond in geboomte, een kudde met hoedster en als achtergrond een rivier met aan de overzijde een dorpje. Het kastje is gemaakt door Anna P.C. Strenge-de Frémery (1779-1854) uit het Brabantse Grave. Ze heeft het stuk gemaakt in de periode 1824-1854 de tijd dat zij weduwe was. Ongetwijfeld zal deze knipster veel meer van dit soort kijkkastjes hebben vervaardigd, maar wij kennen slechts twee exemplaren van dezelfde hand. Eén bavelaar bevindt zich in de collectie van het Openluchtmuseum in Arnhem (afgebeeld. in “Schaarkunst”, nr. 133), het andere is kort na de oorlog te zien geweest op een tentoonstelling over papierknipkunst in het Centraal Museum in Utrecht.

Door Henk van Ark.

Verrassing in drievoud, Knip-Pers 1996-1

De volgelîngen van George Engelhard en Evert Root Sr.

Van de ‘dubbele verrassing’, een artikel in het septembernummer verleden jaar over de knipper George Engelhard, hadden wij nog iets in petto gehouden en beloofd daarop in dit maartnummer terug te komen omdat het ondermeer paasknipsels betrof.

Door zijn zuster, mevrouw T.J. Engelhard in Arnhem, op het spoor gezet kregen wij gelegenheid kennis te maken met deze knipper en zijn werk. En passant werd daarbij ook zijn omvangrijke verzameling knipsels van Evert Root ontdekt, zodat het een dubbele verrassing werd.
Maar nu het surplus van deze successtory.
De heer Engelhard was in leven een geboren onderwijsman, die de ontwikkeling van creativiteit bij zijn leerlingen hoog in het vaandel had staan. Door zijn studie Pedagogie in Amsterdam kwam hij bij zijn omzwervingen door de stad in contact met de daar wonende knipper Evert Root. Van hem leerde hij de fijne kneepjes van het papierknippen, die hij later overbracht op zijn leerlingen. Zeer tot tevredenheid van Evert Root, die dit proces met grote belangstelling volgde. De doelstelling van de heer Engelhard was: Maak kinderen gevoelig voor kunst en al het mooie wat de wereld biedt en vergeet niet het ‘scheppend’ kind daarin te begeleiden. Aan het einde van een schooljaar organiseerde hij een ‘creativiteitstentoonstelling’. waarin ook het knipwerk van de kinderen een ruime plaats innam. Omdat hij de knipsels opplakte is niet meer te zien of ze (door de leerlingen) zijn voorgetekend.

Behalve bij het ronde, anoniem geëxposeerde knipwerkje – misschien van hemzelf of van een andere leerkracht – staan de namen van de leerlingen erbij. Als we deze knipsels naast het knipwerk van de heer Engelhard in het septembemummer leggen geldt, zoals zo vaak in de geschiedenis, dat de (knip)stijl van de meester terug te vinden is in het werk van zijn volgelingen. De invloed van meester Engelhard en het resultaat van zijn leerlingen bezorgen ons een vrolijk Pasen!

Door Magda HeIms

Trappen des ouderdoms, Knip-Pers 1991-1

De trap des ouderdoms is een in de 16e eeuw in de prentkunst opduikend thema. De indeling in fasen van het menselijk leven komt voort uit de klassieke oudheid, maar vooral uit de wetenschap van de bouw van het heelal. Een associatie valt te maken met bijvoorbeeld de twaalf maanden of de vier seizoenen. De trap des ouderdoms is door de eeuwen heen afgebeeld op glazen, schilderij en, gravures, tegels en merklappen.
Adriaan Doesjan (1740-1817 Hoorn) maakte zijn levenstrap uit papier in een periode dat het thema vooral een moralistische funktie had. Het is een stuk vol symboliek en gemaakt van geknipte en gesneden stukken, van gedreven papier en papiermaché.

Trappen des Ouderdoms, door Adriaan Doesjan, ca. 1805. Afmetingen: hoogte 32.5 x lengte 43.3 x diepte 10 cm. Collectie Westfries Museum Hoorn.

Doesjan, waarschijnlijk een afstammeling van de Franse hugonoot Duchamp, was streng calvinistisch. In zijn werken, hij was amateurtekenaar, verwerkte hij dan ook vele bijbelteksten. Zo ook in zijn trap des ouderdoms. “Immers Wandeld de Mensch als in een Beeld”, Ps. 39 vs 7 en “Wij brengen onze Jaren door als een Schaduw”, Ps. 90 vs 9.

Dat Doesjan meer van dergelijke uit papier gemaakte voorstellingen heeft vervaardigd werd door een advertentie in de Hoornsche Courant maart 1806 bevestigd. “A Doesjan, te Hoorn, presenteert alle liefhebbers ter verloting aan: Een Konststuk, zynde een TEMPEL met een ORGEL en HARPENAAR, met toepasselijke Psalmspreuke, Muziek-Instrumenten etc. alles uitgevoerd door gevormd uitgedreven papier, als wit marmer, konstig ‘t zaam gesteld. Is dagelyks te zynen Huize te zien; de verloting zal zyn den 20 augustus 1806. ‘t Lot kost 6 gulden.”

Doesjan was van beroep boekhouder, maar werd in 1793 wegens zijn prinsgezinde sympathieën ontslagen en was in 1806 nog steeds werkeloos. Economisch ging het Hoorn erg slecht in die tijd, de helft van de bevolking kon geen werk vinden en zo verging het Adriaan ook. Waarschijnlijk, omdat hij besefte dat het door hem gemaakte Tempelstuk niet te verkopen was, hield hij een verloting in de verwachting dat dat meer op zou brengen. Hoe het verder met de Tempel van Doesjan is gegaan en waar het stuk gebleven is, is onbekend.

Door Tonny Jurriaans, Westfries Museum
Dit artikel verscheen eerder in de Knip-Pers 1991-1

Opduikend thema
De trap des ouderdoms duikt door de eeuwen heen en zelfs in ons redaktie-archief op. We lichten er twee uit. Het eerste werd ons verleden jaar toegestuurd door Corrie van Schaik-Noorderhoek. Afmeting 17 x 21 cm.

Corrie van Schaik-Noorderhoek

Het tweede (hieronder) in ditzelfde thema is van Julia Feiner-Wiederkehr (1901-1991) uit Zwitserland. Deze afbeelding is de laatste uit het met haar knipsels geïllustreerde boek “Lebensbild der Julia Feiner-Wiederkehr”, dat in 1981 verscheen in ver band met haar 80e verjaardag. Op pagina 35 vindt u het overlijdensbericht van Julia Feiner, dat wij zojuist ontvingen.

Julia Feiner

Kees de Bruïne Hebt u dat nou eerst getekend? Knip-Pers 1993-2

Strijk en zet horen wij die vraag als mensen ons knipwerk bekijken. Vinden wij het prettig als die vraag gesteld wordt? Sommigen hebben er geen moeite mee. Ze zeggen triomfantelijk: “Nee hoor, ik kan niet eens tekenen!” En de ongelovige blik van de vrager die de sierlijke bloem- en bladmotieven en de fraaie vorm bewondert, vervult het hart van de knipper of knipster met trots. Zó maar uit het blote hoofd rechtstreeks uit papier geknipt, zonder één hulplijntje! – Dat is nog eens wat!
Soms wordt de indruk gewekt dat dit de ideale vorm van knipkunst is, dat het zó eigenlijk hoort. En degene die van te voren wat heeft getekend durft zulks haast niet te bekennen. Het is alsof er een soort taboe op rust. Ik ga nu maar openlijk bekennen: Ik teken. Zo, het is er uit.
Ik tekende als klein kind al; en pas in de zestiger jaren ben ik, na een boeiende correspondentie met Hil Bottema, met knippen begonnen. Ik dacht, wat je met potlood en krijt kunt, dat kun je ook met een schaar – al bleek mij al gauw dat de schaar een geheel eigen expressiemogelijkheid biedt. Zo ben ik begonnen en zo werk ik nog steeds. Knipsels van enige omvang en complexiteit ontstaan aan de hand van tientallen tekeningen, die steeds gedetailleerder worden, Op de ‘eindtekening’ kleur ik heel nauwkeurig het zwart in, zodat ik alvast een indruk heb van het visuele effekt. Dan wordt die tekening overgebracht op de achterkant van het papier waaruit geknipt wordt – ik wil immers geen potloodsporen op de voor kant. Daar dient zich een probleem aan. Als ik de prent zonder meer overbreng op de achterkant van het knippapier, krijg ik een spiegelbeeld, en dat is vooral voor letters en cijfers, maar toch ook voor de gehele prent, niet de bedoeling.

Daar heb ik wat op gevonden. Je kunt een carbonpapier neerleggen met de zwarte kant boven. Daarop leg je het papier waaruit geknipt gaat worden, en daarop de uitgewerkte tekening. Nu neem je een potlood met een scherpe punt en trekt de lijnen van de schets na. Dit proces werkt natuurlijk alleen als het knipsel van wit papier is, of donker papier met een witte achterkant. Bezwaar van carbonpapier is dat de lijnen niet meer weg te gummen zijn als je nog wat wilt veranderen in de tekening. Beter is het daarom om geen carbonpapier te gebruiken maar gewoon wit papier dat je met zacht grafiet potlood hebt zwart gekrast. De lijntjes die langs deze weg op het knippapier komen, zijn gemakkelijk weg te gummen, zodat de uiteindelijke tekening geheel naar wens kan worden bijgewerkt én in spiegelbeeld!

Daar doet zich een verrassend feit voor. Een potlood is tóch iets anders dan een schaar. Het is de schaar die het werk moet doen, die de laatste beslissingen moet nemen, en die heel vaak korte metten maakt met de charmante onzekerheden van de potloodstreepjes. Je kunt n66it klakkeloos een tekening uitknippen: het knippen is en blijft het belangrijkste onderdeel van het scheppend proces. Dit alles neemt niet weg dat het steeds opnieuw een vreugde is om zomaar uit een stuk papier iets te knippen zonder tekening, eenvoudige prentjes zonder ingewikkelde compositorische of ‘letterkundige’ eisen. Hier wil ik een raad geven die voor de hand lijkt te liggen, maar die voor veel mensen nog nieuw blijkt te zijn. Hebt u die knipster ook zo bewonderd die op een knipdemonstratie het een na het andere prachtige zwaantje, kerstengeltje, bloemenvaasje of versierd hartje tevoorschijn toverde? Dat is niet vanzelf gekomen. Als je een zwaantje uit de vrije hand wilt knippen, moet je dat al tientallen malen voor jezelf geoefend hebben voordat de eerste zwanenhals de vereiste sierlijke kromming heeft, ja voordat het beest überhaupt op een zwaan lijkt. Het is de oefening die de kunst baart, dat is een oude wijsheid die door de ervaring bevestigd wordt. Al kan de vleug artistieke inspiratie niet gemist worden!

Door Kees de Bruïne

Illustraties
1. ‘Pasen’, geknipt met behulp van een tekening. Ware grootte.
2. ‘Uit spelevaren’, het eerste knipsel dat Kees de Bruine spontaan en uit de vrije hand knipte. Ware grootte.

Kees de Bruïne, verteller met een Schaartje Knip-Pers 1984-2

Ik ben pas met knippen begonnen, toen ik een jaar of veertig was. En dat is nu weer twintig jaar geleden. Ja, tekenen doe ik al heel lang. Vanaf mijn prilste jeugd. Doe ik nog. Maar met knippen begon ik eigenlijk zo maar eens, omdat wij – mijn vrouw en ik – altijd zelf kerstkaarten maken. En om ze niet allemaal te hoeven tekenen, dat is erg tijdrovend, had ik wat geknipt om daarmee spatwerk te kunnen maken. Toen merkte ik hoe aardig het knippen op zichzelf was.

Les heb ik er nooit in gehad. In 1967 las ik in de Libelle een interview met Hil Bottema, die toen net met knipwerk kinderpostzegels had ontworpen. Ik schreef haar en stuurde wat werk op. Ik kreeg een erg aardige brief terug met enkele aanwijzingen. Bijvoorbeeld over het papier en de schaar die ik moest gebruiken. In een tweede brief schreef ze me over de techniek van het opplakken. Helaas is ze kort daarna overleden. De oudste knipper in Nederland ben ik dus niet.

Aan het woord is Kees de Bruïne, veelzijdig knipper, zoals hij trouwens op vele gebieden een veelzijdig mens is. Toen hij van de middelbare school kwam, stond hij in dubio wat hij wilde gaan doen en hij aarzelde tussen beeldende kunst of muziek, want sinds zijn 8ste jaar speelt hij viool. Maar het werd theologie en hij is, na een bewogen leven als jeugdwerkleider in Twente, dorpspredikant, vloot predikant, studentenpredikant, grote stadspredikant, nu ziekenhuispredikant aan het Heemsteedse Diakonessenhuis. Maar de kunst speelt in zijn leven een grote rol. Het knippen is daarvan eigenlijk maar een deel.

Overal waar hij gewerkt heeft liet hij een spoor achter van door hem geschreven en gecomponeerde musicals, kerst- en andere spelen. Ook gedichten heeft hij ge maakt en uitgegeven. Het weekblad Hervormd Nederland telt hem tot de vaste mede werkers. Af en toe heeft hij er een column in. En dan gaat het allerminst over kunst, maar over actuele maatschappelijke en geestelijke zaken. Dit beeld zou tenslotte niet compleet zijn als we niet ook vermeldden, dat hij twee boeken over skieën vertaald heeft, want hij is steeds een enthousiast (winter) sporter geweest.

Maar we zouden het hebben over de knipkunst. Wat vindt Kees de Bruïne eigenlijk het verschil met tekenen dat hij ook nog actief doet? Er is een belangrijk verschil, meent hij. Het effect is geheel verschillend. Het spannende van knippen is gelegen in het haast meedogenloze contrast tussen zwart en wit. Dat geeft een geweldige zeggenskracht. Voor knippen moet je vormgevoel hebben. Je moet de sierlijke lijn zien. Er zijn, zegt hij, mensen die van zichzelf vinden dat ze niet kunnen tekenen, maar die wel kunnen knippen. Met tekenen bedoelen ze dan mensen en dieren tekenen. Maar er is zoveel meer dat ze wel kunnen. Zelf kan Kees weer wel portrettekenen, maar niet portretknippen. Aan werken met kleur, schilderen, aquarelleren is hij van tijd tot tijd begonnen, maar het resultaat is nooit naar zijn zin geworden.

Knippen en tekenen gaan bij hem wel hand in hand. Bij grote knipsels maakt hij eerst een tekening als basis voor het knipwerk. Het boeit hem te ontdekken waar de grenzen van beide kunstuitingen liggen. Waar knipwerk ophoudt en tekenen begint..,waar b.v. de specifieke contouren van de knipkunst liggen, zodat je hiermee iets beter kunt uitdrukken dan met een tekening. In zijn opvattingen is De Bruïne niet dogmatisch (en hier is dan bedoeld: zijn opvattingen als knipper en niet zozeer die van predikant). Alles mag! Als het maar bijdraagt tot het resultaat. Hij accepteert dus ook dat knipsel uit losse stukken kan bestaan, die later bij elkaar gemonteerd worden.

Heeft hij bepaalde motieven in zijn knipwerk?

Kees de Bruïne: Knippen is voor mij vertellen met het schaartje. Al wil ik aller eerst dingen maken, die gewoon mooi zijn op zichzelf., dan toch wil ik bijna al tijd iets vertellen. De meeste van mijn knipsels hebben een anecdotische inhoud. Soms is het de verbeelding van een spreekwoord, soms iets anders. Het is niet zo verwonderlijk dat ik bijbelverhalen vaak als motief neem. Niet om daarmee mensen te bepreken, maar omdat ze me bezig houden. Het zijn verhalen die de zingeving van het leven beogen. Bijbelse vertellingen vormen trouwens al een oud motief in de knipkunst.

Een veelzijdig man, die zich niet snel zal vervelen. Zijn laatste opmerking bij ons gesprek: Als ik met vakantie ga neem ik altijd mijn schaartje mee. Je weet nooit of je een been breekt. En slecht weer in de vakantie is voor mij nooit een straf!

Joop Loeber.

Exlibris en knipkunst over De Bruin, Broekstra en Voss, Papyria 1

De ontvangst van het decembernummer 2010 van het blad Genealogie was geen genoegen. Op pagina 124/125 moesten we lezen dat Daniël de Bruin op 19 oktober onverwacht was overleden [1]. Een korte omschrijving van zijn werk volgde in dit bericht: “De Bruin was autodidact en gespecialiseerd in het heraldisch exlibris. Zijn ontwerpen waren modern en gedurfd. Aanvankelijk werkte hij in een bijna kubistische stijl en werd hij in Nederland niet heel erg opgemerkt. Daar stond tegenover dat hij al snel succes in het buitenland oogstte. Ook in zijn latere, ingetogener maar nog steeds grafische oeuvre, was het werken met gefacetteerde kleurvlakken karakteristiek”.

Daniël de Bruin (1950-2010) was voor ons geen onbekende. Hij bezocht regelmatig het museum in Schoonhoven en was een trouw donateur tot de laatste uitgave van de Nieuwsbrief in 2008. Daniël was met name gefascineerd door het wapenknipsel Ockers/Bredehoff (afb. 1) dat in de vaste opstelling een mooie plaats had gekregen en waarover tijdens rondleidingen regelmatig werd gesproken [2].
Tijdens ons eerste contact bleek De Bruin’s interesse voor heraldiek en kwam naar voren dat hij zelf ontwerpen maakte. Met gepaste trots sloeg hij in het boek “Kleine Prentkunst in Nederland” [3], dat zich in onze handbibliotheek bevond, de pagina’s op waarop werk van hem te zien is.

Twee pagina’s met vier afbeeldingen. Op pagina 63 in kleur, dezelfde, maar in andere volgorde, op pagina 213 in zwart-wit (afb. 2). Als niet echte kenners van het genre werd het ons wel onmiddellijk duidelijk dat dit werk er zowel qua kleur als uitvoering uitsprong tussen het veelal, zwarte exlibris werk, zoals dat veelvuldig in het boek was opgenomen. In vergelijking met de exlibris die in “Kleine Prentkunst” zijn afgebeeld was het werk van Daniël van de jaren kort voor 2005 aanmerkelijk ingetogen en in zekere zin kleurrijker. Verrassend was dat hij papiersnijwerk in zijn ontwerpen was gaan toepassen, het museum ontving van hem daarvan drie gesigneerde voorbeelden (afb. 3).

Het idee ontstond bij gelegenheid een tentoonstelling of presentatie te organiseren, gekoppeld aan oudere voorbeelden van Nederlands knip-of snijwerk uit onze verzameling. Daar is het dus niet van gekomen.
Zo’n tentoonstelling zou dan in de eerste plaats gewijd kunnen zijn aan Daniël de Bruin, zijn werk en zijn heraldische collectie. Want sinds 1973 hield hij zich al bezig met verzamelen van prenten en boeken op heraldisch gebied. In 1981 maakte hij zijn eerste eigen ontwerp (afb. 4).


Maar voor een Museum van Knipkunst zou die opzet waarschijnlijk te beperkt zijn, beter was het zijn werk te plaatsen in de lijn van. twee grafische kunstenaars die in onze collectie goed vertegenwoordigd waren en zijn: Theun Broekstra en Hans Detlev Voss.

 

Voor Theunis Broekstra (1914-1998) knipte Wiecher LeverLever, Wiecher Tjeert in 1948 een exlibris dat we afgebeeld zien in een artikel over een knipkunsttentoonstelling in Franeker [5]. (afb. 5)

In september 1988 zochten we contact met Broekstra, die in 1951 naar Australië emigreerde, vanwege dat exlibris en vermelding van zijn naam in een vroege publicatie van Lever [6]. Het was kort na de oprichting van de stichting W.Tj.Lever en de veiling van de Westerborkcollectie had nog niet plaatsgevonden. Aangezien we niets verwachtten van eventuele resultaten op die veiling (7 november 1988) besloten we de stichting in Atelier Tobia Lever met een tentoonstelling te presenteren [7], te gaan verzamelen en te proberen een reizende expositie samen te stellen. Mede daarvoor hadden we informatie nodig over leven en werk van Wiecher Lever en Broekstra was iemand die bij het begin van zijn professionele knipkunstactiviteiten contact met hem had gehad.

We schreven Broekstra dus aan en een antwoord uit Australië volgde al snel [8]. Broekstra schreef: “(…) in 1948 bezocht ik te samen met een vriend, een tentoonstelling van handenarbeid in Zeegse. Daar ontmoet(t)en wij Wiecher Lever, hij demonstreerde knipwerk en daar ik zelf houtgravure en linosnede beoefende, en mijn vriend [Kloosterhuis,  red.] pentekeningen maakte, waren wij erg geïnteresseerd in zijn zwart-wit werk. Op aanraden van Lever gingen wij het ook proberen, en daar ik verschillende prijzen won op tentoonstellingen, was hij aanmoedig. In 1951 ben ik met mijn gezin naar Australië geïmmigreerd [.] Wel hebben we contact met Lever gehouden, en zo doende heb ik nog enige knipsels van hem aan de muur hangen. Hij heeft voor mij ook een exlibris geknipt, waarvan ik het origineel nog heb. (..) De eerste jaren hier in Australië heb ik nog wel enige knipsels gemaakt, maar gedurende jarten toen we opnieuw moesten beginnen was er geen tijd voor. ik moest een bedrijf voor mijzelf beginnen terwijl ik voor de Staats Electriciy Commission werkte. In 1970 ben ik (fulltime) gaan werken als Screen Printer, in 1980 de zaak verkocht, en toen ben ik weer begonnen met knippen als gevolg van een Chinese tentoonstelling in Melbourne ‘

Het contact met Broekstra is hierna blijven bestaan. Al snel ontvingen we van hem als schenking het door Lever geknipte exlibris [5]. Hij schreef daarover “Het wapen in mijn exlibris stelt voor een Fries wonende in Groningen dus de Friese vlag in het wapen van Groningen. De burijnen beelden mijn liefhebberij voor houtgravures”[9]. In de jaren erna stuurde hij ons regelmatig pakketjes (afb. 6-9) met knipwerk en door hem gezeefdrukte afbeeldingen en hij verstrekte ons een werklijst van zijn knipsels en exlibris. Zijn geknipte tekens van de dierenriem (waarbij hij gebruikt maakte van allerlei gekleurde papiertjes als achtergrond) en enige andere knipsels (waaronder een geisha met textiel aangekleed) maakten deel uit van de vaste opstelling van het.Nederlands Museum van Knipkunst. Enige jaren voor zijn overlijden organiseerden we in het museum een kleine tentoonstelling van zijn werk [10]. Daarop waren diverse van zijn exlibris ontwerpen te zien.
      

 

Hans Detlev Voss (1907-1977) (afb. 10) kenden we vooral van Wereldbibliotheek uitgaven [11] die in de jaren tachtig veelvuldig op boeken- en rommelmarkten verkrijgbaar waren. Net zoals de vele boekjes met Illustratief knipwerk van Mance Post konden ze uitstekend gebruikt worden voor tentoonstellingen die we in Atelier Tobia Lever en daarbuiten, met name in bibliotheken, organiseerden. Later konden deze uitgaven worden aangevuld met bijzondere boeken, prenten en exlibris van zijn hand [12]. Deze begaafde graficus mocht zich verheugen in de belangstelling van grafiek- en exlibriskenner Johan Schwencke die niet alleen in 1951 een bibliofiele uitgave (afb. 11) schreef over zijn werk, maar in het meer populaire “Portretten in Silhouetten” ruime aandacht aan diens werk besteedde [13].

De naam Voss duikt in relatie tot Lever op in een brief die silhouettïst en papierknipper Klaas Bakema in 1950 schreef. Bakema had Voss al eerder benaderd, maar deze had niet gereageerd en dat leidde in de correspondentie met Lever tot enige afkeurende opmerkingen over het werk van de Rotterdamse knippende graficus [14].
De uitgave “Het grafische werk van H.D.Voss kent een werklijst van door Voss’ gemaakte exlibris van ca.1923 t/m 1951. In dit boekje, en later ook in “Portretten in Silhouetten” (1966)(afb. 12) en “Kleine Prentkunst in Nederland” (1986)(afb 13) zijn diverse voorbeelden van de exlibris van Voss afgebeeld.

Hans Voss verliet, net als Broekstra, Nederland in 1951; hij vestigde zich in Canada.

In 1999 was in het museum van 10 april tm 30 april de presentatie “Knipsels en grafisch werk van II D Voss (1907-1977)” te bekijken.
Door Henk van Ark
Dit artikel verscheen eerder in Welkom in Papyria 1, 2011.

Noten
gebruikte afkortingen

A.L.: Archief Lever.
Geknipt!: Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt!. Geschiedenis van de papierknIpkunst in Nederland, Zutphen 2008.

1. GenealogIe, Tijdschrift voor familiegeschiedenis, jrg. 16, nr.4 (december 2010), p.124-125.
2. Nu in het Westfries Museum, Hoorn. Het knipsel werd door ons in 1997 uit particulier bezit aangekocht. Het werd al afgebeeld in een artikel van C.Catharina van de Graft ( “Geknipte Familiewapenen”, Historia, jrg.11, nr.9, p.195 (afb.3); Joke en Jan Peter Verhave, “Geschiedenis geknipt en beschreven”, Geknipt!, p.64-67 (afb.69).
3. Tom van Koolwijk en Chris Schiks, Kleine Prentkunst in Nederland in de 20ste eeuw, Zutphen 1986.
4. Heraldic Office The Ermine Dani de Bruin (1950-2010). Resquiescat in pace (http://www.heraldicermine.com!body.htm).
5. ‘ Vier eeuwen knip-virtuositeit in Franekers Coopmanshus”, Panorama, 8 september 1950, p.21.
6. W.Tj.Lever, “Nederland knipt weer!”, De Schilder, 21 juli 1951, p.247.
7. Henk van Ark, Atelier-Stichting-Museum (1985-2005), Rasquert 2010.
8. A.L, dossier Broekstra, brief 1 oktober 1988.
9. idem, brief 9 februari 1989.
10. Van 21 september t/m 30 oktober 1995.
11. Heinrich von Kleist, Michael Kohlhaas, Amsterdam 1940 en E.J.Potgieter, Marten Harpertsz., Amsterdam 1942.
12. Han G.Hoekstra en Victor E. van Vriesland (red.), De Muze op reis, (boeken weekgeschenk 1950); J.R.W.Sinninghe, Geldersch Sagenboek, Zutphen 1943; M.Jansen, Een wei vol bloemen (kinderpoëzie voor de laagste klassen der lagere schooi Groningen 1958; Ontmoetingen met auteurs en boeken, uitgave Voorhoeve & Dietrich Boekverkopers), Rotterdam 1950.
13. Johan Schwencke, Grafisch werk van H.D. Voss, De Getijden Pers, Zaandijk 1951. (nummer 30 van een genummerde oplage van 200); Johan Schwencke, Twee honderd Nederlandse grafische kunstenaars, (uitgave van de Exlibriskring der W.B.Vereniging), Amsterdam 1954; Johan Schwencke, Portretten in Silhouetten, Zaltbommel 1966.
14. A.L. (dossier Bakema), correspondentie Bakema-Lever, 1950-1952.