Categoriearchief: publicatie

Jantje de Jantje III, Humoristische, Knip-Pers 2019-2

De bijlage van deze Knip-Pers is ‘een hommage aan Jantje III’. Jantje III is de bijnaam van Jannie de Jong – Brouwer. Ze kreeg deze bijnaam van Hil Bottema en sindsdien signeert ze haar knipsels met Jantje III. Waarom ontving ze deze bijnaam? Omdat zowel Jantje I (Jantje de Prentenknipper), Jantje II (Jan Visscher) als Jantje III volkskunst knipten. Ieder op zijn/haar eigen manier. Een andere bijnaam die ze van Hil Bottema ontving was: Jantje de Humoristische. In veel van haar knipsels zit een knipoog verborgen. Bij het knipwerk hierboven zie je het zogenaamde Sint-Thomasluiden, een oud-Fries gebruik, waarbij men door het luiden van de klok boze geesten hoopte te verjagen. Dit zou in het verleden op vele plaatsen in zuid-oostelijk Friesland vanaf 21 december tot Nieuwjaar plaatsgevonden hebben.

Jannie de Jong veronderstelt dat de klokkenluiders zich met behulp van een glaasje wel staande gehouden zullen hebben en heeft haar signatuur dan ook op passende wijze verwerkt: rechtsonder in een borrelglas. Met haar knipsels vertelde ze graag over allerlei gebruiken. Tweede Kerstdag (26 december) is de naamdag van Sint Stephanus. Het steffenlopen was een bekend gebruik in Drenthe. Het steffenlopen gebeurde door kinderen en armen. Men trok langs de boerderijen en zong dan op de deel, waar de ‘beesten’ stonden, een liedje, terwijl men de koeien wat hooi voerde (afb. Sint Steffen).

Bij de Nederlandse folklore horen ook spreekwoorden en gezegden. De volgende afbeelding is een gedeelte van het knipwerk getiteld: Dieren in onze spreekwoorden. Van links naar rechts: ‘een kat in de zak kopen’, ‘íeder vogeltje zingt zoals het gebekt is’, ‘de hond in de pot vinden’.
Ze had oog voor talent, want in 1985 vervaardigde ze de prent: ‘A star is born in Schagen’. Het was de doorbraak van de popster Gerard Joling (afb. 7). Met excuses voor de kwaliteit van de afbeelding.

afb. 7: Uit Volkscultuur, nummer 4 – 1988.

afb. 1: Jantje III gaf kniples in de ‘Friesland Post’.


afb. 2: Drie koningen, drie zangertjes.


afb. 3: “Alle beetjes helpen”, zei de vrouw en duwde het schip met een stopnaald.

afb. 5: Naar de Hoornse Koemarkt; Een kaart uit het Westfries Museum in Hoorn.


afb. 6: Nieuwjaarszingen, traditie in Brabant.

afb. 8: Uit het Westfries Museum.

Wie weet welk raadsel bedoeld wordt bij afb. 4?

Door Atelma van Strien
Met dank aan Joke en Jan Peter Verhave en Tineke Dieks voor het sturen van informatie.

In memoriam Jannie de Jong-Brouwer

In memoriam Jannie de Jong-Brouwer alias Jantje III

23-2-1924 – 1-5-2002

“Deel maar uit, knip het in verschillende kleuren”, was in april jongstleden nog de boodschap van Jannie de Jong met het oog op Pinksteren aan een kerkelijke werkgroep. Zij gaf een voor beeld van een boekenlegger. Alle kleuren mogen meedoen, zoals ook het lied veelstemmig mag klinken. Ze knipte een duif voor, als symbool van vrede en van de Geest van God. En ze zei: “Dit kunnen anderen naknippen”. Ze bracht zelf een tekst in, maar het kon en mocht ook anders. Een boekenlegger gaf ze om de weg tç vinden in een boek, om te weten waar je gebleven bent.

Die boekenlegger ligt in haar levensboek nu bij 1 mei: daar is ze gebleven. Plotseling is het uit, een open eind, met het oog op het Pinksterfeest.

De herinnering aan haar roept bij ons zeer levendige beelden op. Vol verhalen, overlopend van anekdotes uit de folklore, wist zij op zeer originele wijze en met humor in haar knipsels pure volkskunst te maken. Tweemaal heeft zij op een Contactdag onze knippers/sters onverbeterlijk geboeid met oude volksverhalen en gebruiken. Ook in den lande heeft hierover in ludieke en nadrukkelijke spreektrant talloze lezingen gehouden.

Na Jantje I en Jantje II, twee knippers uit de geschiedenis van de Nederlandse papierknip kunst, heeft zij naam gemaakt als Jantje III. Met die ere-naam zal zij in de knipperswereld altijd herdacht blijven worden.

Er is een stilte gevallen, een grote leegte ontstaan. In de eerste plaats voor haar familie, die wij veel sterkte wensen. – Maar deze bijzondere vrouw heeft hen en ons een grote schat aan woord en beeld nagelaten: geknipte illustraties van haar gedachtenwereld. Daar hopen we in een later artikel op terug te kunnen komen.

Door Magda Helms

Kruiswegstaties, Knip-Pers 2000-1

De kruiswegstaties beelden de gang van Jezus Christus uit van het rechthuis van Pilatus waar Hij veroordeeld is naar Golgotha waar Hij gekruisigd en gestorven is. De kruiswegstaties zijn ontstaan in de 15de eeuw onder invloed van de Jeruzalemvaarders. Eerst waren er slechts zeven, ook wel ‘voetvallen’ genoemd die ziçh vaak bevonden langs de weg die naar een bedevaartskerk leidde. In de 18de eeuw werd de kruisweg van veertien staties algemeen, deze bevinden zich in katholieke kerken meestal aan twee zijden van de kerk.
       

Christus wordt ter dood veroordeeld.
Christus neemt het kruis op zijn schouder.

       

Christus valt voor de eerste keer.
Christus ontmoet zijn moeder.

         

Simon van Cyrene helpt het kruis dragen.
Veronica geeft Christus de zweetdoek.

          

Christus valt voor de tweede keer.
Christus troost de wenende vrouwen.

       

Christus valt voor de derde keer.
Christus wordt van zijn kleed beroofd.

     

Christus wordt aan het kruis genageld.
Christus sterft aan het kruis.

         

Christus wordt van het kruis genomen.
Christus wordt in het graf gelegd.

De geknipte staties zijn gemaakt door Gertrud Januszewski. Zij werd geboren op 3 oktober 1911 in Berlijn, begon al op 15jarige leeftijd met knippen en studeerde aan de Jan van Eyk Academie voor beeldhouwen. Haar grote inspiratiebron was kerk en religie. Op uitnodiging van een opdrachtgever kwam zij in 1934 naar Nederland en ze is hier gebleven. De geknipte staties dateren van voor de tweede wereldoorlog en zijn gemaakt voor de Zusters van Bethanjë in Venlo. De knipsels hebben jarenlang in een doos op de zolder van een klooster gelegen. Nu hangen zij in de Emmanuelkerk te Wycher.

Knipwerk: Gertrud Januszewski
Tekst: Rieny van Beek

Bomen over Diny Hooyman, Knip-Pers 2019-2

Zelfportret A4; Boom knipsel waarin zij de inkniptechniek van haar eerste kniples moest toepassen, 15 x 15 cm; Duiventil A4 knipkring opdracht

De aanleiding om over Diny Hooyman te schrijven is eigenlijk niet positief: ik ontving haar rouwkaart. Ze overleed op 13 februari 2019, bijna 91 jaar oud.

Chrysant A5, Diny werkte veel in dit formaat; Kraanvogels; Uitnodiging met de voorletters van alle knipsters

Diny was een kordate vrouw met een groot gezin, die goed kon organiseren. Ze volgde een knipcursus van mij bij het NIVON in Arnhem in het najaar van 1979. In 1981 gaf ik een cursus in Wolfheze met o.a. als deelnemers Magda Helms, Atie Willemse en Netty Zweers. Daar werd het initiatief genomen om een knipkring op te richten voor de regio Arnhem/Ede/Bennekom. Ik belde diverse oud-cursisten in Arnhem, waardoor Diny, Mien Schaminee en enige anderen mee wilden doen. Door de cursussen van To van Waning, Atie en mij kwamen er steeds meer deelnemers, zodat er gesplitst moest worden. Diny werd contactpersoon van knipkring Arnhem.

Pinguin en ei A4; Pinguin met ei net uit A4; Pinguin met jong A4

In 1983 heeft Diny geholpen, de oprichtingsvergadering in van de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst te organiseren en bestuursleden te zoeken; zij vond Mien Schaminee bereid voorzitter te worden. Lies Markus begon met ons contactblad, Diny Hooyman heeft ook even in de redactie gezeten.

Ze was heel actief in de organisatie van de landelijke Contactdag 1988 in de Westerkerk in Arnhem, bijna naast het station. Na de lunch werden alle deelnemers met bussen naar het Nederlands Openlucht Museum vervoerd om de grote kniptentoonstelling daar te kunnen zien. Knipkring Arnhem heeft vele jaren bestaan, we kwamen ongeveer iedere zes weken bij elkaar, waarvan ook eenmaal per jaar bij de leden in Hengelo en Winterswijk. Nadat vier knipsters waren overleden en twee afvielen door een nieuwe baan, besloot Diny om de knipkring op te heffen, maar ieder jaar een uitje te organiseren met een ‘knipdoel’. Na enige jaren lukte dat niet meer, maar we bleven contact houden. Diny knipte vaak groot, in het begin wel symmetrisch, maar later bijna niet meer. Vaak maakte ze een portret of een voorstelling binnen een cirkel. Natuurlijk nam ze ook deel aan de regio- contactmiddagen, die inmiddels landelijk bekend zijn. Ze deed mee aan regio- tentoonstellingen in Wolfheze in Ede en bezoekerscentrum De Watermolen in Arnhem in 1989, aaneen Kersttentoonstelling in Winterswijk en aan een tentoonstelling van onze knipkring in Westervoort in 2001.

Door Suus Houtman

Bijenkorf 1979 symmetrisch; knipsel Vleermuizen A4, symmetrisch; knipsel Paraplu, symmetrisch knipsel 19 x 19 cm

Blauw bloed, erfgoed, Knip-Pers 2021-4

Koning Willem III
In het vorige nummer van de Knip-Pers stond het portret van koning-stadhouder Willem III afgebeeld. Dat is voor een deel geknipt of gesneden: de versieringen om het portret en de bef. De maker heeft een prent naar een schilderij van Godfried Kneller als uitgangspunt gebruikt. Zie maar eens hoe hij een eigen invulling heeft gegeven aan het portret. Knipsel en prent zijn beide bewaard, dus het was makkelijk om de overeenkomst  te ontdekken.

Niet gesigneerd, maar waarschijnlijk A. Henrix (?), Koning-Stadhouder Willlem III

onbekende graveur, Koning-Stadhouder Willem III

Filips V
Ooit kreeg ik een afbeelding van het portret van koning Filips V van Spanje opgestuurd; ik was het bijna vergeten. Tot mijn verrassing is dat portret op dezelfde manier met uitbundig snijwerk versierd, inclusief de pruik, de bef en de ketting van de orde van het Gulden Vlies en het Spaanse wapen met in het midden de Bourbonse lelies (valt weg op de foto). Ik heb de eigenaar opgezocht, kreeg het stuk van 41 x 34 cm in handen en kon het tegen het licht houden. Ongelofelijk, wat knap! Ook hier was een gedrukte prent, in dit geval van de prentmaker Cornelis Huyberts, het voorbeeld van de kunstenaar die met een zilverstift de afbeelding op perkament had nagetekend en met een mes versierd.

A. Henrix, gesigneerd, Filips V

Cornelis Huyberts, Filips V

Waarschijnlijk was de kunstenaar Arien Henrix, ruiter in het garnizoen van de graaf van Nassau te Bergen op Zoom, die beide koningsportretten heeft gemaakt. Hij heeft bedacht de kanten beffen uit te werken en bij Filips V ook de pruik en het gezicht. Het is subliem werk en de naam van de maker staat erin: A. Henrix. Filips V was geen afstammeling van de Spaanse Filips II, maar een telg uit het Franse Huis van Bourbon. De lijn van de Spaanse Habsburgers was uitgestorven en daarom maakten zowel Filips V als aartshertog Karel uit de Oostenrijkse lijn Habsburgers aanspraak op de Spaanse troon. Het gevolg was een hevige oorlog, de Spaanse Successieoorlog, die in 1713 bij de Vrede van Utrecht, ten gunste van Filips V zou worden beslist.

Onbekende maker, Aartshertog Karel als Carolus Tertius, ca. 1710 (snijwerk uit perkament)

Van aartshertog Karel bezit het Rijksprentenkabinet een uit perkament gesneden ruiterportret. Ook in dit snijwerk is het wapen van Spanje opgenomen, maar nu met een schild van de Habsburgers in het midden en, vooruitlopend op de uitslag van de strijd, had hij zich de naam Carolus Tertius Rex (koning Karel III) van Spanje aangemeten. Zover is het dus niet gekomen. Hij werd later wel als Karel IV keizer van Oostenrijk. Ook dit ruiterportret is mogelijk door een Nederlandse kunstenaar gemaakt.

Joanna Koerten
Omdat de Republiek haar aandeel had in de oorlog, is het begrijpelijk dat van al die elkaar bevechtende royalties hier afbeeldingen circuleerden. Een van hen was stadhouder en koning van Engeland, Willem III. In Amsterdam knipte Joanna Koerten diens portret. Ook daaraan lag een prent ten grondslag, namelijk die van Jan Verkolje. Joanna heeft niet de prent verwerkt, zoals de kunstenaar hierboven.

Joanna Koerten, Koning-Stadhouder Willem III

Zij kon immers knippen als geen ander. Joanna heeft wel haar eigen stijl toegepast. De houding is hetzelfde (zie de twee vingers die naar de kroon wijzen), evenals de keten van de Engelse Orde van de Kouseband (‘Honi soit qui mal y pense’) met daaraan Sint-Joris en de draak. Alleen de scepter heeft ze Willem in de andere hand gegeven. Wanneer heeft Joanna dit portret geknipt? Willem werd in 1689 koning van Engeland en Jan Verkolje stierf in 1693. De vermenigvuldigde prent is op de markt gebleven en kan zo door Joanna gekocht zijn. Zij heeft een Latijns onderschrift geknipt, dat door een vriend, professor Petrus Francius is geschreven. In de onderste regel staat: gemaakt met de schaar (forfice).

Jan Verkolje, Koning-Stadhouder Willem III

Het onderschrift geeft geen aanwijzing dat Willem toen al was overleden (hij stierf in het voorjaar van 1702). Joanna moet het portret gemaakt hebben tussen 1689 en 1702;  aanwijzingen voor een preciezere datering heb ik niet gevonden. Francius, die in 1704 overleed, heeft de totstandkoming van het portret ongetwijfeld meegemaakt. Dezelfde vragen passen ook bij Joanna’s portret van tsaar Peter. Hij bezocht haar in 1697 en vervolgens heeft zij Peters’ portret gemaakt. Waarschijnlijk ook naar een gravure, die ik tot nu toe niet gevonden heb. Ook voor dit portret heeft Francius een Latijnse tekst geschreven, waarin de schaar wordt genoemd. Zij moet er dus al vóór 1704 mee bezig zijn geweest. De vorst is het knipwerk in 1718, drie jaar na Joanna’s  overlijden, komen bekijken; gekocht heeft hij het niet. Zo is het in Nederlands bezit gebleven.

Joanna Koerten, Tsaar Peter

Francius schreef nog een Latijnse tekst voor Joanna Koerten. Onder het geknipte portret van keurvorst Frederik III van Brandenburg eindigt Francius met ‘Factus JOANNAE forfice COURTENIAE’ (is gemaakt door Joanna Courten met de schaar). Voor dit knipsel geldt eenzelfde datering als voor het portret van de tsaar. Frederik was een kleinzoon van stadhouder Frederik Hendrik en mocht zich daarom prins van Oranje noemen. Het heeft er zelfs even op geleken dat hij, na het overlijden van de kinderloze Willem III stadhouder in de Republiek zou worden. In januari 1701 had Frederik zichzelf al tot koning van Pruisen gekroond. Het koninklijk echtpaar is op 26 juli 1702 op bezoek geweest in Amsterdam en ze hebben daar waarschijnlijk Joanna Koerten bezocht. Ook dit portret werd niet verkocht en bleef in Joanna’s bezit (en later in dezelfde collectie als dat van tsaar Peter). Zo was het goed om al dat blauwe bloed eens langs te zien komen, wel verwarrend al die namen, maar toch genieten van hun pracht en praal.

Joanna Koerten, Frederik III van Brandenburg

Door Jan Peter Verhave

Met dank aan Ronald Reinke van Museumslandschaft Hessen Kassel, Schloß Wilhelmshöhe; Acanthus Antiquariaat, Utrecht; Rijksmuseum, Amsterdam; Koninklijk Oudheidkundig Genootschap,  Amsterdam.

Grote aanwinst Westfries Museum, Knip-Pers 1988-4

Belangrijke knipselcollectie voor Nederland behouden

Dezer dagen is de befaamde knipselverzameling van wijlen W.Tj.Lever bij Christie’s Amsterdam geveild. Hiermee dreigde de unieke destijds in het “Museum van Knipkunst” te Westerbork te bezichtigen collectie voor Nederland verloren te gaan. De Stichting W.Tj.Lever uit Rotterdam en het Westfries Museum te Hoorn hebben daarop de handen ineen geslagen en een aantal fondsen benaderd. De Stichting Lever heeft meer dan royale steun gevonden bij het Prins Bernhardfonds. Het Westfries Museum verwierf gelden via: J.C.Ruigrok Stichting, Stichting Dr. Hendrik Muller’s Vaderlandsch Fonds en de Stichting Fonds voor de geld- en effectenhandel.

Met dit geld kon een zeer belangrijk deel van de geveilde collectie worden aan gekocht. De Stichting Lever is er in geslaagd een zeer groot deel van de werken van wijlen de heer Lever en enige historische stukken waarmee de heer Lever een band heeft gehad, te verwerven. Terwijl het Westfries Museum via schenking van de Stichting Lever en door de hierbovengenoemde fondsen een zeer aanzienlijk deel van de 18de, 19de en 20ste eeuwse stukken heeft kunnen bemachtigen. Dankzij een vooraf gevoerd overleg tussen de Stichting, het Westfries Museum en andere Nederlandse musea en partikulieren zijn de belangrijkste stukken voor Nederland behouden gebleven.

Het Westfries Museum dat reeds een belangrijke knipselverzameling bezat, is nu in staat een breed overzicht te geven van de knipkunst in Nederland vanaf het begin van de 18de eeuw tot heden. Onder de recente aanwinsten bevinden zich stukken zoals religieuze voorstellingen door Pieter van Haaren, landschapjes van Maria Elizabeth van den Brink, een vroeg 19de eeuws huwelijksknipsel, een geknipt gedicht van Ten Kate en werk van de befaamde Jantjen de Knipper.

Vanaf 9 december 1988 is een deel van de recente aanwinsten te zien in het Westfries Museum, tegelijkertijd wordt in de Tuinzaal van dit museum een expositie gehouden met het werk van de verzamelaar en knipper W.Tj. Lever, samengesteld door de Stichting W.Tj.Lever. Ook in deze expositie zullen belangrijke nieuw verworven stukken aanwezig zijn.

Uit het persbericht van het Westfries Museum te Hoorn, Rode Steen 1.

Pieter van Haaren, 70 x 58 cm.

Ontdekking: twee knipsels van Pieter van Haaren, Nieuwsbrief 1998-2

Groot was onze verbazing toen op de zondagse taxatiemiddag van het Nationaal Museumweekend twee bezoeksters met elk een knipsel van Pieter van Haaren onder de arm het museum binnenstapten. Op de veiling van de Westerborkcollectie in 1988 waren twee vergelijkbare werken uit 1805 dé topstukken, ze gingen voor een (te) forse prijs naar het Westfries en het Nederlands Openluchtmuseum. De ons getoonde werken, met scènes uit het leven van Christus, waaronder Kruisiging en Hemelvaart, zijn echter duidelijk slechter van kwaliteit, onder andere door beschadigingen en vochtvlekken. Bovendien zijn delen gehoogd met witte verf, die vervolgens weer ten dele is afgebladderd, waardoor een wat rommelige indruk ontstaat. Restauratie dus gewenst.

Artistic inheritance of a learned woman

In 2017 Nella Kennedy invited Anne Larsen of Hope College and me to share our knowledge about the seventeenth-century scholar and artist Anna Maria van Schurman (1607-1678) with students and colleagues. Van Schurman was a phenom in language, philosophy, and theology, as well as in embroidery, music, drawing, engraving, and paper cutting. My late wife, Joke (1945-2020), and I included many of Van Schurman’s paper cuttings in our book Onbekend en ontroerend erfgoed: Tijdsbeelden geknipt door anonieme kleinkunstenaars (Journey Press, 2017).

Anna Maria van Schurman as a young woman

A book of paper cuts compiled by Joke and Jan Peter Verhave

Anna Maria’s skill was evident when, as a mere child of six, she could make complicated cutouts of many types of figures. Her friend, the poet Cats, does not mention her craft in his extensive account of her many abilities in his Trou-Ringh (wedding ring) of 1637, so we know hers must have been just an occasional pursuit. Only once in her own writing does she mention a paper-cut that she had made herself (noted below).

Anna Maria is a noted pioneer in paper cutting in the Netherlands because some of the papercut specimens in her estate -many of which were gifted to her- have survived over the centuries. One of them is a fine heraldic piece cut for a member of the Van Schurman family. We could prove that it was not made by -or for- Anna Maria but rather by a second cousin who managed her estate; this specimen must have slipped into her inheritance. We discovered some ten other heraldic miniatures in the same style, made around 1700 for dignitaries in the Dutch republic.
Another delicate piece that was kept represents a stylized bush with the letters A and M and a hexagram. We think it was made as a present for her because she was called “the Star of Utrecht,” and one would not honor oneself with such a laurel. It may have been made by a French admirer, Marie Forget, who had it sent to professor Salmasius in Leyden, with the request to forward it to Anna Maria in 1639. Salmasius described it as “une decoupure fort delicate faite à la pointe de ciseau” (a very delicate cut made with scissor point). Salmasius was hesitant to contact the learned mademoiselle because he did not know her. Eventually, he sent her a letter, presumably with the paper cut enclosed, and subsequently, Anna Maria visited him and his family. Appreciating their hospitality, she sent “un petit essay de ma Muse, et de mon ciseau” (a small token of my Muse and of my scissors, 1648).

An intricately cut bush, with the letters A and M, top and bottom, and a hexagram in the center

A third cut, tucked away in her private album, is a magic-or endless- knot, cut from twice-folded paper. In it is a poem written in German, with four verses, each with a refrain. The intent of it can be explained by Anna Maria’s unmarried state. When she was sixteen, her father had asked her on his deathbed not to marry. She promised him, kept her maiden status, and assumed the motto, “My love is crucified,” borrowed from church father Ignatius of Antioch. The poem seems to embrace this view of life, as if Anna Maria were a religious sister. But this poem was actually published in 1649 by German linguist Filip von Zesen, under his own name; he had spent several years in Holland and had come to admire Anna Maria. She was at that time at the height of her activities as a savant and did not tell anybody about this poetic gift. Filip may have cut the paper labyrinth as well; such love knots were at the time common in northern Germany and Denmark but not in the Netherlands. Moreover, we discovered another paper-cut love knot with a worldly poem, written and signed by Von Zesen, in Amsterdam, in 1647. This paper cut, kept in her estate, was, therefore, also made for her, not by her.

An endless love knot

Long after Von Zesen’s death, the four-verse poem, with its refrain, “Then, though worldly desire may drive me, my crucified Love prevails,” was recognized as a hymn and incorporated into many hymnbooks in eighteenth- and nineteenth-century Germany. Organists wrote melodies for it, and recently, it was discovered that even J. S. Bach had composed a beautiful choral arrangement for this hymn. Organists, interested in a transcription of Bach’s choral arrangement (no BWV) may request a copy from me at jpverhave@hotmail.com.

By Jan Peter Verhave, Annual Report 2021, p. 55-59.

Mevrouw T.J.A.P. Glas-Glas uit Hoogwoud, Knip-Pers 1997-4

Afgelopen zomer was er in de Museum Boerderij ‘West Frisia’ in Hoogwoud N.H. een expositie ‘Sierknipkunst’ van zowel oude als eigentijdse knipsels, georganiseerd door de Knipkringen ‘Spanbroek’ en ‘Lindehof’. Behalve het werk van de Knipkringen was er knipwerk te zien van de befaamde Arie Tergant uit Winkel (1773-1852) en de in Hoogwoud bekende mevrouw T.J.A.P. Glas-Glas (1904- 1982).

Als lid van dameskoor ‘Het Lindenkoor’, stuurde mevrouw Glas haar medekoorlid mevrouw Wiltenburg in de periode van 1974 tot 1981 regelmatig geknipte kerst-, paas- of beterschapskaarten. Na het overlijden van mevrouw Wiltenburg gaf haar dochter in Wageningen de knipselkaarten aan buurvrouw Riet van Dreven. Verrast door de aankondiging van de tentoonstelling in de Knip-Pers heeft Riet van Dreven contact gezocht met Knipkring-contactpersoon Agaat Poland, voor meer informatie over mevrouw Glas-Glas. Op uitnodiging hebben Riet en haar buurvrouw toen de mooi verzorgde expositie bewonderd met uitleg van de dames Poland en Goudriaan. Mevrouw Glas was een banketbakkersdochter en werd huishoudster bij de heer Glas, met wie zij op latere leeftijd trouwde. Waarschijnlijk is zij pas na het overlijden van haar man gaan knippen. Zij maakte kleine, fijne knipsels in allerlei effen kleuren, soms bontgekleurde of in zilver, voor familie en kennissen. Enkele daarvan, in hoogte variërend tussen de 9 en 5.5 cm zijn hierbij afgebeeld.

Over Wiecher Lever, deel 4, Nieuwsbrief 2008-4

Wiecher Lever werkte aan de uitgave van een boek over knipkunst mee, zoals hij later schrijft “om propagandistische redenen“. Die opmerking moet genuanceerd worden want Lever was ook wel degelijk erg geïnteresseerd in de geschiedenis van de knipkunst en de levensloop van allerlei bijzondere knippers. Maar, heel begrijpelijk, hij kon iedere aandacht voor knipkunst goed gebruiken en wat was beter dat die vanuit onverdachte hoek werd aangezwengeld? Maar de uitgave bleef, onder andere om financiële redenen (er kwam geen subsidie van het betreffende ministerie af), uit en Lever besloot daarom zijn eigen uitgave, die overigens in het artikel van Huizenga-Onnekes in 1947 als “kleine uitgave” reeds wordt aangekondigd, uit te gaan brengen. Er zijn verschillende, geïllustreerde concepten bewaard gebleven, maar uiteindelijk verscheen in 1952 een bescheiden brochure: “Op nieuwe wijs, naar oude trant”. Het is een uitgave die verschillende drukken heeft beleefd. Opvolger was de succesvolle lesmap “Spelend knippen” met vier bladen met voorbeelden en een tekstvel. Op nieuwe wijs, naar oude trant kent vijf hoofdstukjes: I. Om kinderen bezig te houden en zelf routine te verwerven; II. Ontwikkel uw fantasie!; III Hartvorm in de knipkunst; IV. Vrije vormgeving en V. De antieke rand. De inhoud is een combinatie van eigen ontwerpen en uit oude knipsels ontleende elementen. Uit het boekje blijkt duidelijk dat Lever dit niet alleen als lesboekje aanprijst, maar ook reclame voor eigen werk maakt: “Voor uw geschenk keurig ingelijst knipwerk. Voor een gezellige leerzame avond, een lezing over vier eeuwen knipkunst, aan de hand van origineel historisch knipwerk, aangevuld met demonstratie van fijn knipwerk, portret knippen en gezamenlijk knippen. Voor buurthuizen, speeltuinverenigingen enz. expositie van een collectie historisch knipwerk aangevuld met hedendaags Nederlands, Zwitsers, Pools en Chinees knipwerk”. En tenslotte: “Inlichtingen omtrent Oud Nederlands knipwerk worden gaarne ingewacht, bij de schrijver en uitgever van dit leerboekje”. Dit was “W. Tj. Lever Atelier “De Meeuw”- Muntendam”. De kosten voor het boekje bedragen 90 cent.

In het kerstnummer van de Vriend des Huizes schrijft J.H. Kruizinga een groot artikel over “De tovenaar van Muntendam”, waarbij hij Jozef Grobner, een Saksische officier, citeert: “Het geduld en de onverzettelijke volharding der Nederlanders moet ook zelfs de oppervlakkigste waarnemer deze natie allerduidelijkst in het oog vallen. Door geduld en volharding alleen weet zij de zwaarste ondernemingen ten einde te brengen”. Kruizinga stelt: “…Indien deze 18e eeuwse journalist in onze dagen zijn indrukken over de vrijetijdsbesteding zou willen vastleggen, dan zou hij over de knipkunst waarschijnlijk niet gesproken hebben. Of hij zou verwezen moeten worden naar de beste knipkunstenaar van Nederland: Wiecher Tjeerd Lever, de Muntendamse “tovenaar met de schaar”…“.

Het jaar 1953 begint voor Lever goed. In de “skouromte” van de F.A.F. toont hij bij de expositie “Vier eeuwen knipkunst” zijn creatieve kunnen. Mooie artikelen in het Fries Dagblad (27 januari 1953), De Friese Koerier (27 januari 1953), de Leeuwarder Courant (27 januari 1953) en het Vrije Volk (28 januari 1953) zijn het gevolg. De expositie wordt goed beoordeeld. De artikelen zijn algemeen van inhoud, maar soms lukt het Lever een favoriet statement af te leveren: “…De heer Lever acht het illustratieve werk geen echte knipkunst, het is te veel uitgeknipte tekening en voor een goede knipkunstenaar bestaat er haast geen potlood. Hij beschouwt de natuur, ontleent er zijn motieven aan en werkt ze uit in zijn frêle knipwerk, dat langzaam groeit en naarmate het vordert steeds kwetsbaarder wordt en met steeds meer omzichtigheid moet worden behandeld. Is het knipsel klaar, dan wordt het op een contrasterende kleur papier geplakt, wit op zwart en zwart op wit…“. Lever grijpt natuurlijk de gelegenheid aan om zijn credo te laten horen: “…Maar al te vaak wordt er bewust naar volkskunst gestreefd, men wil bepaalde, vroeger in de volkskunst gebruikte motieven terugroepen en opnieuw ingang doen vinden. Fout, zegt de heer Lever. Er is bijna geen echte volkskunst meer en kunstmatig kan men die niet terugkeren en veel dat volkskunst wordt genoemd is het niet. Maar in de oude knipsels vindt men de echte volkskunst nog terug. Hier zijn mensen aan het werk geweest, die in de dingen om zich heen, in het gezin (huwelijk, geboorte), in de natuur (dieren en planten), in de ambachten hun motieven vonden voor de met veel liefde en toewijding gewrochte knipkunstproducten…“. (Leeuwarder Courant 27januari)

In hetzelfde jaar is Lever ook aanwezig op de Huishoudbeurs in Amsterdam, verslagen daarvan zijn te vinden in De Telegraaf (25 maart 1953) en De Volkskrant (27 maart 1953). Ook een stand op de Voorjaarsbeurs voor de Vrouw in Haarlem levert de nodige publiciteit op. Ene N.d.B. schrijft een groot artikel voor de Verenigde Noord Hollandse Kranten, Alkmaar (20 maart 1953) onder de titel: “Knipkunst ging bijna geheel verloren/De heer Lever uit Muntendam blies oude volkskunst nieuw leven in”.

In Na Vijven van september 1953 (“Toen de knipkunst VOLKS-kunst was”) pakt Wiecher weer als vanouds, maar ook kwetsbaar, uit: “Trouwens, de beste werkers met de schaar waren zij, die in de dagelijkse omgang vertrouwd waren met ‘t schone van de natuur, en daarvan de ontroering ondergingen -wat hun een bezonken natuur gaf Hun knipsels, soms ogenschijnlijk ruw, zijn monumentaal en tegelijk teer en gevoelig De knipkunst, voortkomende uit de volksziel, kende geen vaste vormen, zij het dat b. v. bij huwelijksknipsels steeds hart en kroon gebruikt werden. Dit werk kan ook heden met vrucht in dezelfde geest beoefend worden. In de geest van het verleden, echter niet in de huid van het verleden. Men moet namelijk niet trachten vóór zijn tijd te leven. Het is niet zo, dat men volkskunst beoefent door met een bepaald gereedschap bepaalde motieven weer te geven: dat is mijn bezwaar tegen de zogenaamde volkse motieven, als levensboom, Saksische paarden, uileborden enz. Op zijn plaats, op geveltop, in koekplank waar dit bepaald de gewoonte is, accoord. Maar niet door el/war gaan haspelen wat op merklap, geveltop of aardewerk eertijds versiering was, en dan met de verkregen modellen denken “volkskunst te spelen “. Wil de knipkunst weer toekomst hebben, dan moet ze weer oorspronkelijk worden. Weer groeien in eigen omgeving, uit eigen overtuiging…”.

Voorafgaande aan dit artikel is in het plakboek een afbeelding opgenomen van een geknipte reclame voor De Gruyter, De Koffie en Theezaak, Sinds 1818, waarbij Lever gebruik heeft gemaakt van plant-en vaasmotieven die veel lijken op het werk van Grootenhuis. Een voor een broodknipper ongetwijfeld belangrijke opdracht, gepubliceerd in De Tijd van 2 juni 1953.

Een goed vormgegeven artikel (“Een broos, maar rijk erfdeel”) wordt afgedrukt in Beatrijs van 28 augustus 1953. Met uitstekende foto’s van werk van Lever (demonstratiewerk, familiestamboom, maar ook knipsels van Liesje Lever) en oude stukken (bloemenvaas 1760, bijbelse voorstelling 1828 en schoenmakerswerkplaats 1835). Hierna een gedrukte knipcursus voor de Vrouwenpost in zes delen. De onderwerpen zijn: I. Kerstranden; II. Poppetjes knippen; III. Nogmaals poppetjes knippen; IV Paasmotieven; V Kastrandjes en VI. Taartranden.

Voor Het Landbouwhuishouden maakt Lever het artikel “Knipkunst als volkskunst”, (15 juli 1954) met daarin afbeeldingen van de inmiddels bekende schoenmakers werkplaats, een Twents huwelijksknipsel (naar Grootenhuis) en knipseltjes van zijn kinderen jan (6 jaar) en Liesje (9 jaar) Lever. J. Kruizinga besteedt nogmaals aandacht aan Lever met het artikel “Kunstig knipwerk” (Het Kind januari 1954).
Aan het einde van plakboek 1 blijken Levers activiteiten in het hele land. Er zijn artikelen uit de Rijn en Gouwe (“Op nieuwe wijs, naar oude trant”, 28 april 1955), “‘n Knipvirtuoos” (Het Binnenhof 28 juni 1955), “Zwart op wit” (Zwolse Courant 22 juli 1955) en “Van het feestfront” (Overijsels Dagblad 25 juli 1955).

Het plakboek wordt besloten met een discussie tussen Lever en de toenmalige directeur van het Groninger Museum W. Jos de Gruyter in het Nieuwsblad van het Noorden (9 mei 1955 e.v.) over een kunstnijverheidstentoonstelling in het museum. Lever vindt het geëxposeerde maar vreemde kunstnijverheid, te weten verfijnd Duits fabriekswerk. En dat terwijl er in het Noorden en Oostfriesland genoeg kunstnijveraars zouden zijn die aandacht voor hun werk en een expositie in het belangrijkste museum van Noord Nederland maar al te goed konden gebruiken. De Gruyter weerlegt de kritiek van Lever scherp: tentoongesteld zijn vooral unica van vooraanstaande Duitse pottenbakkers, er is derhalve geen sprake van fabrieksmatig werk. In een slotreactie probeert Lever daar een punt aan te breien door de meubelkunst er bij te slepen en te stellen dat het hem vooral ging om het tonen van “de zuiverste vorm van kunstnijverheid uit eigen omgeving”.

Een goede indruk van Levers werkzaamheden krijgen door bewaarde losse knipsels. zoals: “De hobby viert feest in Rotterdam” (Elseviers Weekblad 29 mei 1954), ‘Knipkunst als Volkskunst” (Ons Platteland 23 juli 1954), “Knipkunstenaar Lever in de Klokstraat “(Het Vrije Volk 29 januari 1955), “W.Tj. Lever doet met schaar en papier wonderen” (Het Nieuwe Land 2 maart 1957), ‘W.Tj. Lever laat eeuwenoude kunst glorieus herleven” (Nieuwsblad van het Noorden 20 januari 1956), “Kunstzinnige expositie van ‘Noordelijk Scheppend Ambacht’ in ‘t Voorhuys” (De Noordoostpolder 1 maart 1957), “Derde ‘Snufjesparade’ begon haar vierdaagse” (Fries Dagblad 20 maart 1958), “Kunst met Schaar en Papier/W.Tj. Lever in Muntendam levert veredelde volkskunst” (Leeuwarder Courant 1 oktober 1958), “Grote portrettenprijsvraag van de Gooise Koerier” (Gooise Koerier 29 december 1959) en “Zuidelijk Westerkwartier etaleert” (Nieuwsblad van het Noorden 5 juli 1960).

Het werkgebied van Lever was nu duidelijk heel Nederland, hoewel de knipsels uit Noordelijke kranten nog steeds het meest voorkomen. Ook grote artikelen in landelijke bladen bleven niet uit. We zien: “(…)Wiecher Tjeerd Lever: tovenaar met het schaartje” en in het kerstnummer van de Wereldkroniek van M.E. Schwitters en “(…) Hij knipt mensen zonder bloed te laten vloeien” van Bas den Oudsten in De Spiegel (1959)

Apart vermeld moet worden het artikel “Een Veendams Schippersgeslacht” in Gens Nostra van augustus 1958. Wiecher publiceert hierin na uitvoerig genealogisch onderzoek een verhaal over een Veendammer familie van schippers en zeelieden, de familie Gort. Een knipsel gemaakt voor het huwelijk van Jan Jans. Gort en Janna Egberts. Kistenkast in 1816 had Lever enige jaren geleden [HvA} gerestaureerd. Voor zijn eigen verzameling maakte hij een geknipte kopie ervan. Op dit voorbeeld, dat hing in “Het oude zeemanshuis” aan het Beneden Verlaat in Veendam (knipsel 4 juni 1955), had Lever al jaren ervoor zijn eigen familieknipsels gebaseerd. Lever veronderstelde dat Jan Jans Gort het knipsel zelf had vervaardigd “die in zijn strijd op leven en dood met de natuurelementen nog de tijd vond dit fijne knipwerk te maken”.

De grote stukken en het Gens Nostra artikel waren niet zo geschikt om in een plakboek op te nemen, maar niet duidelijk is waarom Lever niet in een nieuw boek gewoon met inplakken van artikelen doorging. Mogelijk had hij, omdat hij voor zijn werk veel van huis was, daar gewoon de tijd niet voor of kreeg hij pas veel later deze artikelen in handen. Hoe dan ook het tweede plakboek wordt begonnen bij het starten van Levers tweede grote onderneming: de oprichting van een museum.

Door Henk van Ark