Auteursarchief: admin

Is dit wel prikwerk van Betje Wolff?, Nieuwsbrief 1992-4

Stanswerk? Wellicht niet van Betje Wolff?

In de tweede nieuwsbrief van dit jaar vermeldden we enige gegevens over knip- en prikwerk gemaakt door Betje Wolff (1738-1804). Het vroege knipsel van de befaamde schrijfster bleek uit een afbeelding bekend, van de twee prikwerkjes kon alleen worden achterhaald dat ze op de Wolff/Deken tentoonstelling in 1954 waren tentoongesteld. Wolff/Deken-kenner dr. P. Buijnsters trof dit prikwerk bij onderzoek in 1977 en 1978 echter niet aan in het Gemeentearchief te Vlissingen, waar deze stukken zich zouden moeten bevinden. Wij besloten het opnieuw te proberen en namen in maart, dus ruim voor het verschijnen van de nieuwsbrief, schriftelijk contact op met het Vlissingse archief, maar er volgde lange tijd geen reactie. Nu is dat helaas in Nederland de laatste jaren niet meer ongebruikelijk, in ongeveer 25% van de verzoeken om informatie aan musea en archieven ontvingen wij geen enkel antwoord. Geen stimulans voor onderzoekswerk natuurlijk. Hoe dan ook, in juli troffen wij plotseling een brief uit Vlissingen aan in onze postbus. Bij het schrijven twee gekopieerde afbeeldingen van het bewuste prikwerk. Het bekijken van die afbeelding en leidde onmiddellijk tot een telefoontje met het Zeeuwse archief, want was hier geen vergissing gemaakt? Nee, zo werd verteld, het waren wel de gelijk afbeeldingen van Wolff’s prikwerk, maar men had zelf ook wel twijfels (die overigens in het bijgaande schrijven niet waren vermeld) of het eigenlijk echt om handgemaakt werk ging. Verdere gegevens (bv. over de precieze herkomst) waren er niet. Naar onze mening betreft het hier geen 18de eeuws prikwerk, maar 19de eeuws stanswerk, werk dat waarschijnlijk niets met de in Vlissingen geboren schrijfster te maken heeft. Hoe de twee stukken in het archief zijn gekomen en waarom de naam van Betje Wolff hieraan verbonden is geraakt is onbekend. Gezien de ervaringen van dr. Buijnsters en die van ons mag echter nog wel een vraag worden gesteld: was dit wel het “prikwerk” van Betje Wolff dat op de expositie in 1954 te zien is geweest? Misschien wordt dat ooit nog eens duidelijk.

Stanswerk? Wellicht niet van Betje Wolff?

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1992-4 van Stichting W. Tj. Lever.

Een schimmenspel van Frans ter Gast, Nieuwsbrief 1992-4

In oktober 1992 zond Stichting W.Tj. Lever donateurs van onze stichting een oproep: help ons door middel van een kleine of grotere bijdrage de aankoop van een prachtig schimmenspel voor de stichtings/museumcollectie mogelijk te maken. Die oproep heeft gelukkig resultaat gehad, door onze donateurs is bijna 25% van het aankoopbedrag bij elkaar gebracht. Een geweldig resultaat, waarvoor wij iedere gever zeer erkentelijk zijn. Giften van museumbezoekers (de “museumpot”) en een subsidie van de G.Ph. Verhagen Stichting zorgden er voor dat we in november definitief konden besluiten tot aankoop van het schitterende schaduwspel over te gaan.


Frans ter Gast (1880-1970) behoort tot diegenen in Europa, zo schrijft Hetty Paërl in haar boek “Schimmenspel en het spelen met schaduwen” (1979), die de meeste beweegbare schimfiguren gemaakt hebben -hij vervaardigde er duizenden. Hij voelde zich, naar eigen zeggen, meer aan getrokken tot het maken dan tot het vertonen. De meeste van zijn figuren bestaan uit vele beweegbare delen, geraffineerd van constructie, vol scharnieren en touwtjes. Twee van die spelen, “Sage en Feit in Oorlogstijd” en “Appeltjes van Oranje” zijn kort na de oorlog ook in boekvorm verschenen.

Frans ter Gast, uit “Appeltjes van Oranje”

Het spel “Janus en Joris in Liliput”, dat wij konden verwerven, is een uitstekend voorbeeld van zo’n geraffineerd schimmenspel: schitterend gesneden figuren die op allerlei mogelijke manieren kunnen bewegen. Het spel is compleet, tekst en muziek zijn aanwezig, en het is ondergebracht in een door de schimmenspeler zelf gemaakte opbergkist. Vele schimfiguren zijn zwart, maar Ter Gast heeft er diverse op zijn welbekende wijze voorzien van kleurig halftransparant papier, wat bij vertoning ervan een fraai effect moet geven.
Dit schimmenspel van Frans ter Gast is een prima uitbreiding van het onderdeel witte en zwarte schimmen van de stichtingsverzameling. Hopelijk kunnen we het in het museum in Schoonhoven eerdaags op een goede manier exposeren, zodat bezoekers verrassend kunnen worden geconfronteerd met dit opvallende werk van Nederlands bekendste schimmenschuiver.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1992-4 van Stichting W. Tj. Lever.

Een knipsel van Jan de Bleyker uit 1777, Nieuwsbrief 1992-3

Ronduit de fraaiste aankoop die Stichting W.Tj. Lever in 1992 kon doen is een knipsel gemaakt door de doopsgezinde voorganger Jan de Bleyker, gedateerd 1777. Jan Cornelisz. de(n) Bleyker (1707-1783) werd geboren in Zierikzee en is leraar geweest van de doopsgezinde gemeenten te Sommelsdijk en Aalsmeer. In 1747 werd hij beroepen in Alkmaar, in deze plaats heeft hij de rest van zijn leven door gebracht. Het door onze stichting verworven stuk (reeds besproken en afgebeeld in de Knip-Pers van september 1991) heeft als hoofdvoorstelling een tuinpoort en -hek. Zoals bij andere de Bleykerknipsels zijn in het werkje vele Bijbelse afbeeldingen op genomen.

Bomen, wijnranken met fikse druiventrossen en allerlei vogels zorgen voor een aantrekkelijke compositie. Het centrale medaillon toont de getekende voorstelling van “Elia en de raven” met een uitgebreide, zeer klein geschreven tekst (ook een specialiteit van de Bleyker!) en de vermelding: “door Jan/de Bleyker/ Menn:Leer:in/Alkm:oud omtrent/70 jaar. 1777, 14 Aug:”

Intrigerend is het afgebeelde vergezicht. Door een rij van bomen zien we achter een soort bosschages een stad liggen. Herkenbaar zijn een kerk, diverse huizen en enige molens. Zou De Bleyker hier van zijn fantasie zijn uitgegaan of zou hij een bestaand kijkje op een stad (wellicht Alk maar?) voor ogen hebben gehad bij het maken van het knipsel? We besloten de hulp van het Regionaal Archief in Alkmaar in te roepen en ontvingen spoedig een interessante reactie. Tussen de sokkels van de zuilen van de tuinpoort is eveneens door de maker van het stuk een tekst aangebracht. Geschreven in bruine inkt is deze echter niet helemaal goed te lezen. Enerzijds is de inkt enigszins uitgelopen en daardoor zijn de letters/woorden minder scherp, anderzijds speelt de getekende schaduw van de boompartijen door de tekst heen. We kwamen tot nu toe tot: “…voor G…M:Houttuij door jan de Bleker”. De ons toegestuurde afbeeldingen uit Alkmaar zouden een verklaring kunnen geven voor het leesbare deel van de tekst. “M:Houtuij” zou dan de afkorting zijn van “Mennisten Houttuin”, want in de Alkmaarder Hout heeft zich het zgn.”Mennisten Bosje” bevonden, een soort mini-bosschage na 1610 ontstaan en genoemd naar deze godsdienstige groepering.

Collectie Rijksmuseum

Collectie Rijksmuseum

De kaartfragmenten tonen de ligging van dit bosje buiten de stad; in De Bleykers tijd kende dit bosje een strak geometrisch patroon met zichtlijnen, overeenkomend met wat we in het knipsel kunnen zien. We kunnen dit ook waarnemen op de gravure “Gesigt van het Menniste Bosje in den Hout” van Leonard Schenk naar een tekening van A. Rademaker. De Bleyker heeft de topografische situatie in zijn stuk zeker niet volledig juist weergegeven, maar het lijkt niet te gewaagd te veronderstellen dat het bosje in de Alkmaarder Hout hem bij het maken van zijn knipsel ogen heeft gestaan.

Gesigt van het Menniste Bosje in den Hout” van Leonard Schenk, Collectie Regionaal Archief Alkmaar

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1992-3 van Stichting W. Tj. Lever.

Een vroeg 19de eeuws “santje”, Nieuwsbrief 1992-3

Een heel aardige aanwinst voor de Stichting W. Tj. Lever -in 1992- is het devotieprik- en snijwerkje dat we onlangs op een veiling konden aankopen. Als centrale voorstelling heeft dit stuk de Heilige Anna met Kind. Deze kleine devotiestukken kennen een interessante geschiedenis. J.A.J.M. Verspaandonk heeft hierover diverse malen geschreven. Het betreft kleine bladen van perkament of papier met een voorstelling van Christus, een heilige, een godsdienstig symbool of een Bijbels tafereel. Getekende en geschilderde exemplaren zijn al bekend van af ongeveer 1250. Ze werden aanvankelijk in kloosters, maar ook wel daarbuiten gemaakt. Dat geldt ook voor de gedrukte devotieafbeeldingen (hout- en kopergravures vooral), waarvan voor de aanmaak en verspreiding Antwerpen in de tijd van de Contra-Reformatie hét centrum is geweest. De devotieprentjes worden vaak aangeduid als “santjes”, omdat meestal een heilige (“sanctus”) is afgebeeld. Naast de (gedrukte) prentjes is in de tweede helft van de 17de eeuw een nieuw genre ontstaan: het kant- en knipselwerk. Deze knipsels zijn vrijwel alle anoniem en zijn meestal het werk van kloosterzusters, begijnen en klopjes. Ze zijn vooral gemaakt in Oostenrijk en Zuid-Duitsland, maar ook wel in de Nederlanden en andere gebieden. Het onderscheid dat Verspaandonk maakt tussen knipsel- en kant ”prentjes” is niet zo overtuigend. Allereerst is de benaming in feite al niet juist: het gaat niet om gedrukte zaken dus men zou het niet over ‘prentjes” moeten hebben. Ten tweede zijn er maar weinig, wat hij noemt, ”zuivere” knipselprentjes (stukken waarbij voorstelling en decoratie volledig zijn geknipt of gesneden). Deze knipselprentjes zijn bovendien dan weer vaak ingekleurd, wat volgens Verspaandonk eigenlijk niet goed zou zijn. Onzin natuurlijk, want de maker/maakster bepaalt het gewenste eindresultaat en niet de beschouwer uit de 20ste eeuw. Kant ”prentjes” zijn veel meer voorkomend. Ze hebben altijd een geschilderde centrale voorstelling die binnen een bepaalde vorm (rechthoek, ovaal etc.) is aangebracht. Daaronder bevindt zich meest al een band met een naam of tekst die de afbeelding verduidelijkt. Dit alles is dan omgeven door decoratief knip-, prik- of snijwerk (of combinaties daarvan), vaak geïnspireerd op kantmotieven. We kennen vele mooie stukken van dit werk uit de 17de en 18de eeuw. In de 19de eeuw vond mechanisatie van allerlei ambachtelijk werk plaats. Kant knipwerk kon nu geponst worden nagebootst. Gedrukte voorstellingen kon den door nieuwe technieken (lithografie, staalgravure) in een nog grotere oplage worden vervaardigd. Het vroeg 19de eeuwse stuk dat wij konden aankopen dateert nog van voor deze tijd. Opvallend is het vele (niet altijd even regelmatige) prikwerk in het stuk. Dit “santje” is in 1808 te Leiden aan een communicant uitgereikt want op de achterzijde is geschreven in bruine inkt: “Ter gedagtenis uwer eerste heilige Communie ontfangen van den Eerwaarden Heer G. van Lieshout, Pastoor in de Sint Joris Steeg Leyden 5 Julij 1808”.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1992-3 van Stichting W. Tj. Lever.

Zeeuws knipwerk (2): Knip- en prikwerk van Betje Wolff, Nieuwsbrief 1992-2

In de “Historie van den Heer Willem Leevend” (1784-1785) (afb. 1) komen enige passages voor over knipwerk van kinderen en er is een opmerking te vinden over een “keurig getrokken silhouette” van een vriendin. Ook “Sara Burgerhart” (1782) kent een passage over een getekend silhouet. Op zich is het niet opmerkelijk dat Wolff en Deken hierover schrijven, want het vervaardigen van silhouetten (tekenen, schilderen, knippen) was aan het eind van de 18de eeuw zeer in zwang. Het was een mode die nog werd versterkt door Lavaters boek over de physiognomie, waarvan de Nederlandse vertaling verscheen in 1780.

Dat Betje Wolff (1738-1804) (afb. 2) niet alleen hierover heeft geschreven, maar ook zelf papierknip- en prikwerk heeft gemaakt, was ons tot nu toe onbekend. Bet je maakte op 12-jarige leeftijd in haar geboorteplaats Vlissingen een knipwerkje voor het zoontje van de eerste burgemeester van de stad, de zes jaar oude Engelbert Johannis van der Mandere (afb. 3). Het stuk werd afgebeeld in de biografie van Wolff en Deken van P.J. Buijnsters uit 1984.

Door deze vondst nieuwsgierig geworden zochten we verder en vonden in de bibliografie van Wolff en Deken van Buijnsters uit 1979 onder nummer 656 de vermelding van twee prikwerkjes, door Betje eveneens op jeugdige leeftijd gemaakt. Deze stukken moeten te zien zijn geweest op de Wolff/Deken tentoonstelling van 1954 in Den Haag. Ze komen in de catalogus van de expositie voor onder nummer 23 en zouden zich moeten bevinden in het Gemeentearchief te Vlissingen. Dr. Buijnsters heeft ze echter tijdens onderzoek in 1977 en 1978 daar niet aangetroffen, en ook ons verzoek om informatie over de mogelijke verblijf plaats leverde geen resultaat op. Liefhebbers van silhouetten willen we nog verwijzen naar een derde boek van Buijnsters, namelijk zijn publicatie over de briefwisseling van Wolff en Deken uit 1987. Hierin zijn een aantal mooie silhouetten afgebeeld. Voor in knipkunst geïnteresseerde lezers is daarvan het meest aardige het geknipte portret van de Harlingse boekhandelaar Folkert Jansz. van der Plaats, bij wie Betje Wolff en Aagje Deken op een reis door Friesland in juni 1798 hebben over nacht.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1992-2 van Stichting W. Tj. Lever.

literatuurlijst Jan Huijszoon

Zeeuws knipwerk (1): Knipsels van Jan Huyszoon en anderen, Nieuwsbrief 1992-2

In de verzameling van Stichting W.Tj. Lever bevinden zich vier bladen waar op diverse knipsels zijn geplakt. Het zijn knipwerkjes afkomstig uit psalmboeken en (familie)bijbels (uitstekende bewaarplaatsen voor kleine knipseltjes), die in het verleden door Wiecher Lever zijn samengebracht. Het betreft bladen met knipsels uit Friesland (afb. 1) en Groningen (afb. 2) en een blad met knipwerk dat uit een psalmboek van Zuid-Beveland komt.

afb. 1, Jan de Prentenknipper, M.E.S.

afb 2

In de Christie”s catalogus wordt vermeld (nr. 372) dat het knipsels zijn uit de 18de en 19de eeuw, maar het is waarschijnlijker dat het uitsluitend gaat om 19de eeuws werk.

 

 

 

 

afb. 3, Jan de Prentenknipper

Overduidelijk 19de eeuws zijn in ieder geval de twee knipsels op het blad die zijn gemaakt door Jan Huyszoon (1799-1870)
(afb 1 en 3), alias Jan de Prentenknipper, ook wel aangeduid als Jantje I. De identiteit van deze Zeeuwse volkskunstenaar is nog niet zo heel erg lang bekend; R. Willemsen publiceerde daar het eerste over in het Zeeland Magazine nr. 90 in 1985. Het zijn het ingekleurde knipsel “Lusthof” en het knipseltje met de initialen M.E.S. met Bijbelse voorstellingen. Een derde knipwerkje (afb 2) lijkt veel op het werk van Huyszoon, maar het is fijner uitgevoerd en niet ingekleurd.

 

 

afb. 4, anoniem

afb.5, anoniem

Twee andere knipsels (afb 4 en 5) zijn mogelijk door één knipper gemaakt ; het zijn dubbelgeknipte decoratieve stukjes met ranken, bloemen, mens- en dierfiguren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Van de vier overige knipsels is de grappig uitgevallen koets (afb. 6) het opvallendst.

Charmant zijn de pijprokende man met hond (afb. 7) en het ook dubbel-uitgevoerde zeemonster (afb. 8).

Het laatste knipsel (afb. 9) laat een merkwaardig gezelschap feestende figuren zien. Wat er precies voorgesteld wordt is ons niet duidelijk, voor suggesties houden we ons aanbevolen. Al met al een interessant blad met zeer van elkaar verschillende knipwerkjes.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1992-2 van Stichting W. Tj. Lever.

Papieren portretten van Geert Konsé, Nieuwsbrief 1992-2

Van graveur, tekenaar, uitgever en stempelsnijder Gerrit Konsé (1751-1826) is bekend dat hij papieren portretten heeft gemaakt voorstellend de “Wel eerw Heer v d Leeuw” en de “Wel Eerw Heer Van Kersten”. Die portretten bevinden zich in het West-Fries Museum in Hoorn en waren te zien op de expositie “Silhouetten” die daar enige tijd geleden is gehouden. In een advertentie in de Hoornsche Courant uit de periode 1800-1805 is een advertentie gevonden waarin het portret van C.v.d.Leeuw, “gelieft leeraar by de Hervormde Gemeente te Hoorn” voor de prijs van twee gulden (inclusief vergulde lijst) door Konsé te koop werd aangeboden (zie Knip-Pers 1992-1, pp. 16-17). Gerrit Konsé is in 1751 te Amsterdam geboren en overleed aldaar in 1826. Hij heeft in Leiden gestudeerd en werd in 1791 aan gesteld als stempelsnijder bij de Munt van West-Friesland. Uit een vondst gedaan in het kader van het onderzoek “Silhouettisten te Rotterdam” blijkt nu dat Konsé al veel eerder, waarschijnlijk vergelijkbare papieren portretten heeft vervaardigd en verkocht. We troffen in de Rotterdamsche Courant van 28 februari 1789 deze advertentie aan:

Portretten van Willem V en zijn vrouw dus, waarvan duidelijk wordt vermeld dat ze “konstig in Papier uitgewerkt” zijn en dat dit “hoog uitdrijven van Papier” door velen werd bewonderd. (Zwarte) silhouetportretten waren in deze tijd bijzonder populair, maar er was kennelijk ook een markt voor witte reliëfportretten.  Van een Rotterdamse knipper is eveneens bekend dat hij portretten in laagreliëf heeft gemaakt: Jan Kopper. Van Eijnden/Van der Willigen schrijven reeds in 1817 dat Kopper wel gelijkende portretten maakte die hij als halfverheven beeldwerk, op de wijze van gedreven metaal, opwerkte. Of Kopper dezelfde techniek als Konsé toepaste wordt uit de beschrijvingen niet duidelijk. Daarvoor zouden we voorbeelden van Koppers portretwerk moeten hebben en die zijn (nog) niet voorhanden. In de catalogus van het kunstkabinet van de Rotterdamse bakker en knipper (enige tijd geleden ontdekt) worden de portretten vermeld van Z.D. Hoogheid W. Friso, de kerkhervormers Johannes Calvijn en Maarten Luther en de Rotterdamse predikant Petrus Hofstede. Het werk van Konsé en Kopper zet ons in ieder geval op het spoor van een vrij onbekend papierkunst verschijnsel in de 18de en het begin van de 19de eeuw: de witte papieren (reliëf) portretten.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1992-2 van Stichting W.Tj. Lever.

Knipwerk van een “merkwaardige vrouw uit de vorige eeuw”, Nieuwsbrief 1992-1

Elisabet J. Stapert-Koning, foto: KNAW.nl

“Uit de bladen”, zo zou een rubriek over vondsten in oude tijdschriften genoemd kunnen worden. Want nog steeds komen er stukken gewijd aan knipkunstenaars uit het verleden te voorschijn. Natuurlijk is het ondoenlijk jaargangen van allerlei uitgaven willekeurig door te bladeren in de hoop iets te vinden, de meeste vondsten doen zich voor in het kader van min of meer gericht onderzoek. Een goed voorbeeld daarvan is het lopende onderzoek “Silhouettisten te Rotterdam”, we bekeken in verband daarmee de portrettencatalogus van de Rotterdamse Gemeentelijke Archiefdienst. In die catalogus (uitgegeven in 1917) vonden we de beschrijving van een portret(foto) van Elisabeth Johanna Stapert-Koning. Vermeld werd dat zij in 1816 te Haarlem is geboren en in 1887 in Rotterdam overleed. Zij was schilderes én vervaardigster van knipwerk. De in de catalogus beschreven foto was afkomstig uit het tijdschrift “Eigen Haard” van 4 maart 1916. En inderdaad troffen we op de aangegeven plaats in dat tijdschrift een mooi artikel over het werk van Elisabeth Stapert-Koning aan, geschreven door haar dochter C.G. Unger-Stapert. Het artikel is geïllustreerd met enige knipsels en afbeeldingen van collages.

De knipsels heeft zij gemaakt in de periode 1830-1850, bijzonder is dat zij het plakwerk al op 14/15-jarige leeftijd maakte. Die kunstwerkjes stelde zij samen uit strookjes, snippertjes en puntjes papier; gekleurd papier dat haar door een boekbinder werd verstrekt. Dit en ander werk van Elisabeth getuigt niet alleen van veel doorzettingsvermogen (ze kon slechts werken met haar linkerhand) en creativiteit.

plakwerk Elisabeth Koinng

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1992-1 van Stichting W.Tj. Lever.

Knipsels van Toos Comerell, Nieuwsbrief 1992-1

In de vorige nieuwsbrief schreven we over het knipwerk van de heer Th. Broekstra uit Australië. Dit naar aanleiding van het artikel “Nederland knipt weer!” uit 1951. In dat artikel vermeldt Wiecher Lever ook “Mej.T. Commerell, thans Mevr. Vierkens”, een knipster die ons onbekend was. Enig zoeken in de uitgebreide stichtingsdocumentatie bracht een aantal leuke gegevens naar voren, zoals een overdruk uit het tijdschrift “De Vrouw en Haar Huis” van januari 1948. Daarin het artikel “Knipster en sociaal werkster: Toos Comerell” door Kate de Ridder.

De drie bovenstaande knipsels zijn bij dit stuk afgebeeld. In hetzelfde tijdschrift, zo ontdekten we later, werd al eens eerder werk van Comerell afgedrukt: een knipsel dat zij maakte ter gelegenheid van de geboorte van prinses Beatrix.

Ten slotte vonden we in de fotoverzameling van de stichting de afbeelding van een knipsel, in 1983 in bezit van een Brabantse antiquair, dat ongetwijfeld ook door Comerell is gemaakt.

Kate de Ridder schrijft in haar artikel enthousiast over de knipster en haar werk. In die tijd was Toos Comerell landbouw-huishoudconsulente op de Noord-Veluwe. De knipsels vindt de schrijfster opmerkelijk: ze worden niet voorgetekend, maar direct uit de vrije hand geknipt. De Ridder merkt op: ”Zij knipt als zij iets te zeggen heeft, en het lukt haar, dat “iets” met haar schaartje tot uitdrukking te brengen”. Een constatering waarmee we het, gezien het hier afgebeelde werk, volledig mee eens kunnen zijn.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1992-1 van Stichting W.Tj. Lever.