Auteursarchief: admin

Expositie “Rotterdamse papierknipkunst”, Nieuwsbrief 1994-2

De stad Rotterdam heeft in het verleden verschillende papierknippers van naam als inwoner gehad. De bekendste zijn wel Gilles van Vliet (ca.1635-1701), Elisabeth Rijberg (overl. 1721) en Jan Kopper (1714-4788). De geschiedenis van de Rotterdamse papierknip- en snijkunst tot 1900 is beschreven in de brochure “Zeer uitstekende kurieuze stukken van papier” die in 1987 werd uitgegeven. Die brochure is al lange tijd niet meer verkrijgbaar, maar ligt bij de tentoonstelling in het museum voor bezoekers ter inzage. De geschiedenis tot het begin van deze eeuw wordt in beeld gebracht middels twee fotopanelen. We zijn er de afgelopen vijf jaar in geslaagd knipwerk en gegevens te achterhalen van vijf papierknippers die voornamelijk in de periode 1900-1940 in de Maasstad werkzaam zijn geweest. Het zijn Klaas Bakema, Bram Bosch, Theodorus van Eck, Wybrand Schaap en Johan Bennik.
   

Van deze vijf is Klaas Bakema (1882-1958) zonder meer de bekendste. Bakema zag op de markt in Rotterdam in 1915 een Franse silhouettist aan het werk en besloot toen het knippen van profielportretten zelf eens te proberen. Het lukte al direct erg goed en dat heeft er toe geleid dat Bakema altijd, naast een baan als kantoor machinereparateur, silhouetten en andere knipsels is blijven maken. Klaas Bakema kwam in 1950 in contact met Wiecher Lever die als beginnend professioneel knipkunstenaar niet alleen knipwerk uit wit of zwart papier maakte, maar die ook zichzelf het portretknippen had aangeleerd. Uit de periode 1950-1953 dateert een reeks getypte en geschreven brieven van Bakema aan Lever waarin deze zijn levensverhaal beschrijft. Dat verhaal is gepubliceerd in grote lijnen in het vouwblad “Rotterdamse papierknipkunst” nr. 1 (1990).

 

Schipper Abraham Bosch (1865-1943) was in de jaren dertig een bekende figuur op de schippersbeurs in Rotterdam. Hij vermaakte daar zijn collega’s, die in afwachting waren van schaarse vracht, met zijn knipwerk, grappige verhalen en imitaties. Zijn knipsels waren vaak erg geestig, zo beeldde hij diverse spreekwoorden op geheel eigen wijze uit. Ook had hij oog voor de actualiteit; Bosch knipte bijvoorbeeld de “Terechtstelling van Van der Lubbe’ en de “Sprong van Vlasblom van de Hef’.

Knipsels van Theodorus van Eck (1837-1932) bevonden zich bij de aanwinsten van onze stichting in 1988. Het bleek te gaan om een schenking van juffrouw Lagerwei aan Levers knipkunstmuseum in Westerbork, knipsels die rond 1910 moeten zijn gemaakt. Van Eck was toen ongeveer 70 jaar oud. Enige jaren geleden leverde een artikel in het Rotterdams Nieuwsblad reacties op van familieleden van Theodorus van Eck. Zo kwamen we te weten dat hij in Rotterdam is geboren en overleden, dat hij getrouwd is geweest met Jannetje van den Tol en dat hij in verschillende beroepen werkzaam is geweest. Hij was o.a. wachter aan de Rhijnspoorweg, smid en los werkman. Een kleindochter van Van Eck beschikte over een album met kleine knipseltjes van haar grootvader dat wij mochten bekijken. Op grond daarvan konden we enige knipsels van onbekende hand uit onze verzameling alsnog toeschrijven aan deze papierknipper.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1994-2 van Stichting W. Tj. Lever.

Vier achtiende-eeuwse knipkunstkabinetten II, Nieuwsbrief 1994-2

In de vier nieuwsbrieven van dit jaar besteedden we aandacht aan vier “kabinetten van papieren snijkunst” uit de 18de eeuw. In het maart-nummer publiceerden we gegevens over het kabinet van de knippende schoolmeester Simon Verhoeff uit Hillegersberg, dit keer gaan we in op de papierkunst van Amsterdammer Hendrik Voerman.

Hendrik Voerman (overleden 1795)

Wederom een advertentie in de Rotterdamsche Courant heeft ons op het spoor gebracht van een nagenoeg onbekende papierkunstverzameling. Op 4 augustus 1796 wordt in deze krant de aankondiging opgenomen van de veiling van een “uitmuntend en zeldzaam Kabinet Kunststukken, allen van Papier” door de Amsterdamse makelaars Yver, Heimbach en Lamaison. Op 11 augustus zullen de kunstwerken, “allen zelve gemaakt en nagelaten door de dieswegens welberoemden, nu wylen Hendrik Voerman, in leven Hoofdgaarder van den Impost op den Tabak enz. alhier”, worden verkocht. Over die Hendrik Voerman is weinig bekend.

In enige kunstenaarslexica zijn wel summiere gegevens over hem opgenomen, ze lijken grotendeels ontleend aan de genoemde veilingadvertentie. Het geboortejaar van Voerman is niet achterhaald, wel is uit onderzoek gebleken dat hij in 1795 is gestorven. Op 4 november van dat jaar is hij te Amsterdam begraven. Het kabinet van Hendrik Voerman heeft blijkens de advertentie vooral bestaan uit modellen van gebouwen uitgevoerd in papier. Genoemd worden de St. Pieterskerk in Rome, de St. Paul’s Cathedral te Londen en het Stadhuis van Amsterdam “in twee grootens”. Verder worden diverse Rotterdamse gebouwen vermeld: het Gemeenlandshuis, de Nieuwe Hoofdpoort, de Beurs en de Lutherse Kerk. Andere modellen van gebouwen zijn het stadhuis van Weesp, het “Huis van Hope buiten Haarlem” en de voorgevel van “Felix Meritis” in Amsterdam. In de advertentie worden ook nog ‘verscheiden andere Kunstwerken’ genoemd, niet duidelijk is wat daarmee wordt bedoeld. Werk van Voerman is, behalve uit deze advertentie, uit enige andere bronnen bekend. Zo heeft zich in de verzameling van kunstcollectioneur en prentuitgever Cornelis Ploos van Amstel (1726-1798) een fraai mahoniehouten kistje met een zestal kolom men van papier in verschillende bouworden, gemaakt door de Amsterdamse modellenmaker, bevonden. De broer van Cornelis, Jacob Ploos van Amstel (1735-1784) heeft Voerman een model in papier laten vervaardigen van een tempel, waarvoor de tekening is gemaakt door Jacob Otten Husly. Die tempel was bedoeld als monument voor Hugo de Groot; Jacob Ploos van Amstel toonde het papieren model tijdens een redevoering voor het genootschap Concordia et Libertate in 1774 aan zijn toehoorders. Het werkelijke gebouw is nooit verrezen.

Vervolg uit Nieuwsbrief 1993-4

Tot de kunstverzameling van John Hope (1737-1784) hebben twee door Voerman gemaakte papieren modellen behoord. Een Model van een gevel van een huis; geheel volgens de proportie der bouwkunde uitgewerkt van wit bordpapier. door Hendrik Voorman, “a° 1764 hoog 16, breet 18 in een swart Ebbenhoute kas met spiegelglas”. Hope zelf vermeldde daarover: “Door H.V. voor my gemaakt om f 70:-:-”. En, een “Model van een Gothique Tempel of Capel, van wit carton door H.Voorman. hoog 10 lang 11, breet 8.” Tot nu toe is slechts de verblijfplaats van een van de door Voerman vervaardigde modellen bekend. Het is de voorgevel van “Felix Meritis” (afb. 1) die ook in de advertentie in de Rotterdamsche Courant wordt genoemd.

Dit model is eigendom van het Rijksmuseum, maar bevindt zich als bruikleen in het Historisch Museum van Amsterdam. Het is een stuk van forse afmetingen: 90,8 x 70,7 x 14,5 cm. Het Historisch Museum van Rotterdam beschikt over enige modellen uitgevoerd in karton en hout van Rotterdamse gebouwen, waaronder de voorgevel van het Schielandshuis (27 x 25 x 10 cm). Dat model is weer vergelijkbaar met de modellen van de Oude Hoofdpoort en de Wester Nieuwe Hoofdpoort of Witte Poort in de collectie van het museum. Deze modellen bieden echter geen enkele aanknopingspunten over de maker(s), zodat verder onderzoek zal moeten uitwijzen of het hier eveneens gaat om werk van Hendrik Voerman.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1994-2 en 3 van Stichting W. Tj. Lever.

Deze advertentie is ook geplaatst in de Opregte Haarlemsche Courant en de Amsterdamsche Courant. Dit is in 2022 gevonden via Delpher.

Knipwerk uit de Krimpenerwaard II, Nieuwsbrief 1994-2

Op de tentoonstelling in Krimpen aan den IJssel in 1990 vernamen wij van de directeur van het museum Crimpenerhof mevrouw Van Hooft dat zich in het Streekarchief te Schoonhoven een interessant knipsel moest bevinden. Dit voorjaar bezochten we het streekarchief en troffen daar een mooi knipsel aan gemaakt ter herinnering aan de Schoonhovense zilversmid Dirk Hendrik Greup (1803—1883).

Een echt “souvenirstuk” dat in 1986 aan het archief werd geschonken. Met de schenkster namen we contact op en zij wist ons te vertellen dat het knipsel moet zijn gemaakt door J. Detmar, een ons onbekende papierkunstenaar. Een andere waardevolle mededeling was dat er ook een pendantstuk is gemaakt voor de vrouw van Greup, Maria Wilhelmina Lazonder die eveneens in 1883 is overleden. Dit knipsel is enige jaren terug geveild, de verblijfplaats is tot nu toe niet bekend. In samenwerking met het Streekarchief voor de Krimpenerwaard gaan we nu op zoek naar gegevens over knipper Detmar en het knipsel van Maria Lazonder. Eventuele resultaten van dit onderzoek zullen we natuurlijk te zijner tijd in de nieuwsbrief opnemen.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1994-2 van Stichting W. Tj. Lever.

Knipwerk uit de Krimpenerwaard I, Nieuwsbrief 1994-2

        

Eind 1990, begin 1991 organiseerde Stichting W. Tj. Lever voor het museum Crimpenerhof, het streekmuseum voor de Krimpenerwaard, een tentoonstelling over papierknipkunst. We spraken daar toen mevrouw Van der Graaf uit Schoonhoven die vertelde dat haar grootmoeder ook knipsels had gemaakt. Toen we met het museum naar Schoonhoven kwamen namen we contact met mevrouw Van der Graaf op en zij stelde ons in de gelegenheid deze, inmiddels ingelijste, werkstukken te bekijken. Het waren eenvoudige, dubbelgeknipte, knipsels uit gekleurd papier (rood, oranje, groen). Ze zijn geknipt door Aaltje Kapteijn (1841-1933) die ze heeft gemaakt voor haar 23ste levensjaar. Aaltje woonde in Berkenwoude.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1994-2 van Stichting W. Tj. Lever.

Vier achttiende eeuwse knipkunstkabinetten, Nieuwsbrief 1994-1

 In de nieuwsbrieven die in 1994 zullen verschijnen willen we aandacht besteden aan vier 18de eeuwse “kabinetten van papieren snijkunst”. Het gaat daarbij steeds om een verzameling papierkunst gemaakt door één papierknipper of -knipster. Het woord kabinet had in die tijd niet alleen de betekenis van verzameling. Het kon ook worden gebruikt om een ruimte mét een collectie aan te geven óf duiden op het opbergmeubel waarin de verzameling was ondergebracht. We beginnen met het knipkunstkabinet van een schoolmeester uit Hillegersberg bij Rotterdam.

Simon Verhoeff (1745- 1796)

Op 14 maart 1799 kondigt de Rotterdamse boekverkoper J. Hendrik sen in de Rotterdamsche Courant aan dat hij eind april zal gaan verkopen boeken prenten, schilderijen en het “Cabinet van Snykonst, van wylen den Schoolhouder S. Verhoef , aan den Berg”.

Het is de eerste van een reeks advertenties waarin telkens dat knipkunstkabinet wordt vermeld. Hendriksen probeert in de krant op steeds wisselende wijze deze papierkunst aan te prijzen en heeft het over het “Cabinet van Snykonst”, “het beroemde Konstkabinet van Snykonst”, “het overheerlyk Kontkabinet” en ‘het KonstKabinet van Papieren Snykonst” (14 maart, 26 maart, 6 april, 20, 23 en 25 april 1799).

Wie die schoolmeester S. Verhoeff was ontdekken we in een rouw advertentie van enige jaren eerder. Maria van der Meide laat in de Rotterdamsche Courant van 25 oktober 1796 weten dat haar man Simon Verhoeff, koster, voorzanger en schoolmeester te Hillegersberg op 20 oktober ten gevolge van een galziekte is overleden in de ouderdom van vijftig jaar en bijna elf maanden. Zijn die vermelde gegevens juist, dan moet Simon Verhoeff eind 1745 zijn geboren.

Simon Verhoeff, schoolmeester uit Nieuwerbrug, heeft in 1771 gesolliciteerd naar de onderwijzersplaats in het dorpje Hillegersberg. Van de 43 sollicitanten blijven er voor de tweede ronde drie sollicitanten over: Jan Heynis uit Woerden, Willem Westveld uit Oud-Alblas en Simon Verhoeff uit Nieuwerbrug. Verhoeff wordt gekozen met 18 stemmen tegen respectievelijk 10 en 7 stemmen. In het archief van de gemeente Hillegersberg zijn een brief van Verhoeff aan de schout en de afgelegde proeve van schrijfkunst bewaard gebleven.

Proeve van Schrijfkunst

Niet bekend is welk papierknipwerk Simon Verhoeff heeft gemaakt. Dat wordt niet duidelijk uit de advertenties van boekverkoper Hendriksen, de catalogus van de veiling in april 1799 kon niet worden achterhaald. Werk van Verhoeff in particuliere of museale collecties is nog niet aangetroffen. Toch beschikken we over een schriftelijke bron die een indruk kan geven van de knipkunst van de Hillegersbergse schoolmeester. In 1863 is te Delft in de maanden juli en augustus namelijk een tentoonstelling gehouden van oudheden en merkwaardigheden.

In de tentoonstellingscatalogus vinden we, naast werk van diverse andere papierknippers, vermeld onder de nummers 2240 en 2241: “Een zee met schepen in lijst, 1770 en een dito van 1765” ingezonden door G. van Schagen en “Een gezigt op Rotterdam van de Maaszijde; met schepen” uit het bezit van Mevr. de Wed. van Swieten. Ze zijn gemaakt door knipper G. Verhoef; gezien het bovenstaande gaan we er nu vanuit dat in Delft werk van Simon Verhoeff uit Hillegersberg te zien is geweest.

 

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1993-1 van Stichting W. Tj. Lever.

Knipsels van Jan J. Gort ?, Nieuwsbrief 1993-4

In onze verzameling bevindt zich een knipsel dat waarschijnlijk oorspronkelijk is gemaakt tussen 1817 en 1820 door een Groningse schipper. Wiecher Lever maakte van dit stuk in 1951 een kopie toen hij in de gelegenheid was het knipsel te restaureren. (zie voorpagina)  In de “Noord-Ooster” van 4 juni 1955 schreef Lever uitvoerig over dit knipsel dat zich bevond in een oud zeemanshuis aan het Beneden Verlaat in Veendam.

Hij leerde het knipwerk kennen toen hij als schipperszoon daar op ongeveer negenjarige leeftijd vanwege het volgen van onderwijs in de kost was bij een oudoom vlak in de buurt. Over het knipsel schrijft hij: “. . .Hoe ging in die dagen mijn bewondering naar een knipprent welke daar aan de wand hing. De slingers daarop aangebracht rekenen wij als van een onbereikbare wereld. En bij navraag werd altijd gezegd dat een voorvader deze gemaakt had, dezelfde die ook de houten poppen, welke in de vensterbank stonden gesneden had..

Wiecher Lever ging op zoek naar die voorvader en publiceerde zijn eerste onderzoeksresultaten in de “Noord-Ooster” van 1955. Een jaar later schrijft hij voor “Gens Nostra” een artikel over het knipwerk en zijn geschiedenis.

Het knipsel vermeldt het huwelijk van Jan Jans Gort (zoon van Jan Hindriks Gort en Anna Jans) en Janna Egberts Kistenkast (dochter van Egbert Jakobs Kistenkast en Konnegjen Hendriks). Uit dit huwelijk zijn vijf kinderen geboren, het eerste kind, Kunnegien, op 23 augustus 1817; het tweede kind, Anna, op 8 januari 1820. Behalve Anna komen alle hierboven vermelde namen (of initialen ervan) in het knipsel voor, conclusie daarom: het knipwerk moet gemaakt zijn in de periode tussen de geboorte van het eerste en tweede kind, dus tussen augustus 1817 en januari 1820. De maker? Voor Lever was er geen twijfel, de knipper was Jan Gort zelf. Niet alleen kende hij het verhaal van Jan Gort als knipper uit familieoverlevering, ook heeft hij nog ander werk van hem kunnen bekijken. Hij schrijft in het “Gens Nostra” artikel: ”…Een van zijn laatste knipsels werd in een psalmboekje geplakt met als tekst: “De zee neemt veel. De zee geeft alles terug tot behoud, tot God”…”.

Geen reden voor ons ook om daaraan te twijfelen, tot kort geleden een collega het museum binnen stapte met een voor ons opmerkelijk krantenknipsel. Een stukje uit de rubriek “Noorder Rondblik” van het Nieuwsblad van het Noorden uit 1984 met een afbeelding van een knipsel dat grote overeenkomsten vertoont met het stuk van/voor Gort. Dit knipsel is gemaakt voor Niklaas T. Veldman en Gepke Gords. Naast geknipte monogrammen ook hier veel geschreven tekst, zelfs in de kleinere medaillons. Dezelfde opzet als het Veendamstuk, maar hier in de kleine ringen de namen van vijf kinderen uit het huwelijk Veldman/Gords. Het lukte ons in contact te komen met de heer Westra die de oproep in het Nieuwsblad van het Noorden plaatste. In die tijd ontving, hij over het knipsel zelf (dat overigens niet zijn bezit is) geen relevante in formatie en hij was dus zeer verbaasd dat wij hem het een en ander over een tweede, vergelijkbaar stuk konden vertellen. Telefonisch gaf hij ons gegevens door over de teksten in het knipsel die op de krantenfoto niet of nauwelijks leesbaar zijn. Gedeelten van de tekst blijken in het knipsel echter niet of nauwelijks meer te lezen of zijn zelfs gedeeltelijk verdwenen. Zo houdt de engel links een doek op met de tekst “Dit huwelijk is gezegend met 8 kinderen waarvan nog in leven zijn….”. De huwelijksdatum van het echtpaar is niet meer volledig leesbaar: “Den 1 Juni…“. De vijf kinderen voorkomend in de medaillons zijn: “ANV 27 Julius 1804”, “JNV 17 Meert 1808”, “FNV 16 December 1809”, “. .V.. Jan 1812” en in het midden “BNV 11 November 1815”. Verder staat op het knipsel aan de bovenkant geschreven: “gemaakt te Leer 1818” en onder de boom, midden onder, staat vermeld “Jan Teodoor Breeland”. Die laatste gegevens stellen ons voor een raadsel. Gaat het om de vermelding van de eventuele maker en de optekening van plaats en jaar of is deze tekst pas later aangebracht? Om dit beter te kunnen beoordelen moeten we het knipwerk eerst zelf bekijken en eigenlijk zouden we over nog meer van dit soort knipsels willen beschikken. U begrijpt het: we zoeken verder.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1993-4, een uitgave van de Stichting W.Tj. Lever.

Rotterdamse silhouettisten eind 18de eeuw, Nieuwsbrief 1993-4

In 1991 hield Stichting W. Tj. Lever zich ondermeer bezig met het onderzoek “Silhouettisten te Rotterdam”. Hoewel dit onderzoek in verband met de werkzaamheden voor het nieuwe museum in Schoonhoven niet volledig konden worden afgerond heeft het zeer veel interessante gegevens over de geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland opgeleverd. Zo vonden we een vermelding van onbekende reliëfportretten van G. Konsé, nieuwe gegevens over het overlijden van Jan Kopper, twee vermeldingen van onbekende ”Kabinetten van papieren snijkunst” (hierover zal worden bericht in de nieuwsbrieven van 1994) en verschillende advertenties van rondreizende silhouetteurs. De namen van deze silhouetkunstenaars zijn niet onbekend, ze worden onder andere genoemd in de inleiding van de catalogus “De Silhouette in Nederland” (1963/1964). Toch is het de moeite waard hieraan enige aandacht te besteden omdat vooral details in de gevonden advertentieteksten veel zeggen over de werkwijze van de reizende silhouetteurs.

In de Rotterdamsche Courant van 29 juli 1794 treffen we een advertentie aan van G. Schipper. Die laat hierin weten in Rotterdam te zijn waar hij maar kort zal verblijven en dat hij zijn intrek heeft genomen bij D. Hendels op de Visschersdijk.

Schipper is geen knipper, maar maakt profielportretten ‘in Crayon, in Couleuren en in Migniatuur. Hij garandeert een goede gelijkenis en is het profiel niet naar genoegen dan behoeft de klant het niet te kopen. De kunstenaar portretteert niet alleen op zijn verblijfsadres, men kan hem ook aan huis ontbieden.

Op 22 juli 1797 blijkt C(oenraad) Gebhard in de Maasstad aanwezig. Gebhard (“genoegzaam bekend wegens zyne habiliteit in het Silwetteeren”)knipt portretten met de schaar. Hij maakt in vijf minuten tijd twee silhouetten. Niet alleen duurt het vervaardigen van een profiel maar kort, ook hoeft men niet geheel stil te zitten bij het maken van het profiel. Gebhard verblijft bij C. Snoey aan de Nieuwehaven nummer 154. Klanten die geen gelegenheid hebben daar naar toe te gaan of zij “die niet verkiezen by hem te komen” kunnen de silhouetknipper ontbieden. Interessant is dat Gebhard de profiels niet alleen knipt, maar ze indien gewenst ook kan opmaken (hogen) met witte verf.

Ook J. Kamlag heeft, zoals blijkt uit een advertentie in de Rotterdamsche Courant van 11 december 1798, heeft zijn intrek bij Snoey genomen. Hij is eveneens “genoegzaam bekend wegens zyne habiliteit in het Silhouetteren” en vraagt voor twee portretten van één persoon vijftien stuivers. Maar, liefhebbers worden verzocht zich spoedig aan te melden “naardien zyn verblyf alhier maar een korten tyd zal zyn’.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1993-4 van Stichting W. Tj. Lever.

Via www.delpher.nl is in 2022 gevonden dat Kamlach ook zijn diensten aanbood in Amsterdam, Utrecht en Leiden:

23 maart 1793, Amsterdamse Courant

26 maart 1793, Amsterdamse Courant

19 juni 1793, Utrechtse Courant

18 februari 1798, Leydse Courant

3 april 1799, Utrechtsche Courant

Silhouettist Paul Krüger, Nieuwsbrief 1993-4

Zeer interessant zijn twee silhouetten, gemaakt op de tentoonstelling “NENIJTO” in 1928 te Rotterdam door de ons niet bekende silhouettist Paul Krüger. We begaven ons naar het Gemeentearchief in de Maasstad dat over een aantal mooie stukken over deze bijzondere tentoonstelling bleek te beschikken. Het fraaist was wel een foto- en knipselboek van de algemeen secretaris van het tentoonstellingsbestuur en directeur exploitatie Wilbrenninck. Hierin echter geen informatie over een silhouetteur Krüger, maar die vonden we wel in de “alphabetische lijst van inzendingen” in de officiële tentoonstellingsgids. Daarin worden zelfs twee Paul Krügers genoemd, de een uit Wenen, de ander uit Rotterdam. Ze hebben gewerkt in de vierde hal van de expositie (Hal D).

afb. Stadsarchief Rotterdam

Krüger uit Wenen in vak 19 en Krüger uit Rotterdam in vak 13. Jammer genoeg worden ze niet genoemd bij de deelnemers van de vermelde vakken, veelal kleinere bedrijven en organisaties. “NENIJTO” (de Nederlandsche Nijverheidstentoonstelling) werd in 1928 van 26 mei tot 30 september in Rotterdam gehouden op het tentoonstellingsterrein Stationssingel in de wijk Blijdorp. Amsterdam had in dat jaar de Olympische Spelen, Rotterdam de “NENIJTO” en dat wilde men weten ook. Op het terrein vier hallen (A, B, C en D) met bedrijfsexposities, vele kiosken, een lunapark, de “Nenijto” bioscoop en nog veel meer. Er verscheen een speciaal “Nenijto”nummer van de Maasbode en ook de Nieuwe Rotterdamsche Courant liet vele extra uitgaven van “Rotterdam in het Olympisch-, Nenijto- en Jubileumjaar” verschijnen. In het juninummer (“De Nederlandsche Nijverheidstentoonstelling II”) lazen we een smakelijke beschrijving van Hal D, de ruimte voor voedings- en genotsmiddelen. Men schrijft hierin niet alleen over de presentatie van diverse bedrijven, maar ook over “attracties” als een zeepbellenblazer en een verkoper van opwindbaar speelgoed. Helaas niets over een of twee silhouettisten, die ongetwijfeld met hun portretkunst Hal D moeten hebben opgeluisterd. Paul Krüger uit Wenen en Paul Krüger uit Rotterdam, misschien vader en zoon? Over Krüger uit Oostenrijk vonden we na raadpleging van enige kunstenaarslexica enige summiere gegevens. E.Nevill-Jack son vermeldt in haar boek “Silhouettes, A History and Dictionary of Artists” Paul Krüger als Oostenrijkse knipper die in 1930 in Londen is geweest. Peggy Hickman laat in haar “Silhouettes, A Living Art” weten dat hij in 1934 in Groot-Brittannië verbleef en dat zijn werk in Amerika zeer werd gewaardeerd.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1993-4 van Stichting W. Tj. Lever.

Schaduwbeelden of “witte schimmen”, Nieuwsbrief 1993-1

Van museumbezoekers uit Rotterdam ontvingen we begin december 1992 een schaduwbeeld, ook wel “witte schim” genoemd. Wat schaduwbeelden precies zijn staat te lezen in het in 1867 verschenen boekje “Deugd en Vreugd, geschetste in tafereelen uit het kinderlijk leven”, geschreven door de Goudse onderwijzer M.H. Kluitman. Hij vertelt daarin hoe hij bij een bevriende familie er getuige van was hoe genoeglijk én nuttig de kinderen zich daar bezig kon den houden: “. . .Zij begonnen juist met het vertoonen van schaduwbeelden. Gij weet, mijne lezers! schaduwbeelden zijn uitgeknipte teekenschetsen, opzettelijk daarvoor vervaardigd. Men plaatst ze voor het kaarslicht en dan ziet men vaak de sprekendste gelijkenis van het voorwerp op den muur of wand afgebeeld.. .“ Hoe dit in zijn werk ging is te zien op een van de afbeeldingen op de kinderprent “Prentenmagazijn voor de jeugd, No 62” uitgegeven door D. Noothoven van Goor in Leiden (tussen 1850 en 1880).

Van deze prent bevinden zich twee exemplaren (waaronder een handgekleurde) in onze stichtings/museumcollectie. Op die afbeelding is Diederik te zien, de oudste van het gezin die de andere kinderen de beelden vertoont en daarbij (op rijm) verhaaltjes vertelt. Wie schaduwbeelden wilde vertonen kon ze aanschaffen in mapjes die onder meer verkrijgbaar waren bij de boekwinkel en leesbibliotheek van de weduwe G.A. Diederichs en Zoon op de Bloemmarkt in Amsterdam. De inhoud van die mapjes bestond uit enige velletjes papier waarop vreemdsoortige zwarte vlekken stonden afgebeeld.

Op de omslag de gebruiksaanwijzing: “Alles wat zwart is, moet met de schaar of het pennemes weggesneden worden. Hierna late men, bij kaars of lamplicht of ook wel bij zonneschijn, de schaduw dezer beelden op een wit voorwerp vallen; en men zal zich over de schoone uit werking derzelve moeten verwonderen… Een groot aantal onderwerpen werd als schaduwbeeld afgedrukt. Natuurlijk waren daar allereerst de bijbelse voorstellingen en figuren, waarvan onze “Aäron” er een is. Verder komen we veel historische personages tegen, zoals Napoleon, Z.M. Willem I, Oldebarneveld en Maria van Reigersbergen en waren vermaarde kunstenaars zoals Rembrandt en Rubens populair. Verder waren er verschillende typen: rabbijn, valkenier, voorname dame, en diverse tafereeltjes  zoals schaakspelers, dronken boeren, musicerende dobbelaars enz.

Overigens zijn de schaduwbeelden niet alleen in mapjes verschenen, er waren ook prenten met deze figuren beschikbaar, zoals blijkt uit de prent uitgegeven door G.L. Funke in Amsterdam, omstreeks 1857.
De ware liefhebber, zo schrijft Wim Meilink in zijn artikel “Coptografische avonduitspanningen’ (Neerlands Volksleven, 22e jaargang, nr. 1, 1972, pp.7-18) was vanzelfsprekend niet tevreden met het kopen van een aantal vellen (of prenten), nee die moest ook zelf schaduwbeelden kunnen maken. En er was een boekje in de handel dat hem of haar in de kunst kon onderrichten: ‘De kunst om schaduwbeelden vervaardigen, zowel naar tekeningen als naar de natuur, voor hen die niets van de tekenkunst verstaan(. . .)“, uitgegeven door G.J. d’Ancona in Amsterdam.

Dit zestien pagina’s tellende boekwerkje bevat veel illustraties en bestaat uit drie gedeelten. In het eerste deel wordt iets verteld over het karakter van de schaduw, het tweede richt zich tot degenen die niets van de tekenkunst verstaan en tenslotte worden de mogelijkheden om zelf schaduwbeelden te maken besproken. De schaduwbeelden , “witte schimmen” of “coptografische figuren passen geheel in de 19de eeuwse sfeer van de oude schimmentheatertjes, de handschaduwfiguren en het vuurwerktheater, maar die hebben in de loop der tijd toch plaats moeten maken voor een andere vinding die veel gemakkelijker te bedienen was en talloze mogelijkheden tot vermaak bood: de toverlantaarn.

In de collectie van de stichting W.Tj. Lever bevinden zich tien tallen 19de eeuwse schaduwbeelden en enige prenten met betrekking tot dit onderwerp. We zouden dit collectieonderdeel graag willen uitbreiden met (on)volledige mapjes en het genoemde boekje van d’Ancona. Vrijwel zeker is dat dit onderdeel van de verzameling ruimschoots aan bod zal komen in de expositie “Licht & Schaduw” die we nog eens over dit verschijnsel hopen te houden.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1993-1 van Stichting W. Tj. Lever.

Tentoonstelling “Knip en dicht”, Nieuwsbrief 1993-1

                                           

Van 22 februari t/m 9 mei 1993 werd in het Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven een tentoonstelling gehouden over papierknipsels en teksten van de Amsterdamse knipper Evert Root sr.. Evert Root (1896-1981) voorzag zijn kunststukjes uit papier vaak van onderschriften of rijmpjes en roerde dit dan ‘knip en dicht”.

  

De expositie in het knipkunstmuseum heeft daarop die titel gekregen. Op jeugdige leeftijd raakte Root al papierknipsels en ook het tekenen ging hem goed af. Het liefst had hij een opleiding in creatieve richting gevolgd. Maar dat was voor hem niet weggelegd, hij moest aan de slag op het schildersbedrijf van zijn vader. Zijn aanleg voor tekenwerk kon hij daar wel gebruiken bij het schilderen van reclame-opschriften op uithangborden en etalageruiten. Ook sneed hij sjablonen voor het aanbrengen van decoraties op muren en plafonds. Vanaf 1936 dreef Evert Root in de Korte Leidsedwarsstraat in Amsterdam het winkeltje “De Leidsche Toko” waar schoonmaakartikelen, borstelwaren, olie, schildersbenodigdheden en later ook zelfgemaakte souvenirs en papierknipsels werden verkocht.

Dat papierknippen ging voor de Amsterdamse volkskunstenaar een steeds belangrijkere plaats innemen, vooral na zijn pensionering heeft hij bijzonder veel werk vervaardigd. Evert Root maakte Vrij werk, maar ook veel knipsels in opdracht. Meestal knipte hij uit dubbelgevouwen silhouetpapier (“in dublo” noemde hij dat), zodat twee voorstellingen tegelijk konden worden gemaakt. Vrijwel al die voorstellingen werden eerst op het papier voorgetekend.

Root maakte knipsels over onderwerpen als huwelijk, geboorte, portretten, bijbelse voorstellingen, sprookjes, sterrenbeelden en landschappen. Meerdere malen bracht hij gebeurtenissen uit eigen leven of zijn directe omgeving in beeld. Zoals een ander een ingezonden brief zou schrijven, zo knipte Root figuren uit papier en schreef daarbij teksten om te protesteren tegen bepaalde ontwikkelingen of om zijn mening over het een of ander kenbaar te maken. Dat leidde dikwijls tot de nodige publicitaire aandacht en ook figureerde de opmerkelijke Amsterdamse knipper in enige kronkelverhalen van schrijver Carmiggelt.

                      

Roots knipactiviteiten zorgden voor de vorming van een omvangrijk en direct herkenbaar oeuvre.
Het museum in Schoonhoven toonde daaruit een mooie keuze die is samengesteld uit knipsels, foto’s en documentatie uit de collectie van de stichting W.Tj.Lever en enige belangrijke particuliere bruiklenen.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1993-1 van Stichting W. Tj. Lever.