Auteursarchief: admin

De prijs van Koerten, Nieuwsbrief 1999-4

De aankoop van het knipsel ‘De Romeinse Vrijheid” van Joanna Koerten heeft de nodige aandacht in de pers gehad en zelfs enige opwinding veroorzaakt. Dat eerste is begrijpelijk, ten dele hebben we daar zelf voor gezorgd door het versturen van persberichten, maar voor het tweede hebben wij minder begrip. Over prijzen van knipwerk schrijven we eigenlijk nooit. Aankopen van particulieren zijn een zaak van twee partijen en aan veilingopbrengsten besteden we zo min mogelijk aandacht om prijsopdrijving, waar mogelijk, te voorkomen. Veilinghuizen daarentegen hebben natuurlijk een geheel ander belang. Die schermen graag met hoge opbrengsten, onder andere om nieuwe inbrengers te stimuleren en nieuwe markten aan te boren. Het effect daarvan hebben wij bijvoorbeeld kunnen meemaken na de veiling van de Levercollectie in 1988. Toen meldden zich verschillende bezitters van knipwerk, die meenden dat hun knipsel misschien wel eens net zoveel waard zou kunnen zijn als de verkochte topstukken van de veiling (twee knipsels van Van Haaren), die voor meer dan f 25.000,- werden verkocht. Uitzonderingen, maar maak dat maar eens duidelijk. Bladen over het veilingwezen gaven de afgelopen tijd aandacht aan de aankoop van het knipsel van Koerten, met name omdat dit meer dan het dubbele van de inzetprijs had opgebracht. Nu was dat niet zo vreemd, als men bedenkt dat die inzetprijs vrij laag was gehouden. Die prijs was f 3.000,- tot f 4.000,-, maar dat gold ook voor het (teruggetrokken) geknipte portret van Van Maurik. Richtprijzen voor de andere belangrijke stukken (ze zijn afgebeeld in de nieuwsbrief van september) waren f 2.500,-/3.500,- (Reijnders) en f 3.000,-/3.500,- (Van Voorst). Tijdens het bieden ontstond er ook in de zaal enige consternatie, omdat de prijs van de Koerten al snel opliep. Na ca. f 7.000,- bleven er twee bieders over: ons museum en een Haagse antiquair met enige ervaring in de knipkunst. Zij bleek bereid tot f 9.000,- te gaan en dat zou dan -met 23% kostenverhoging- haar inkoopprijs zijn geweest. Waarschijnlijk onverkoopbaar in Nederland, hoorden wij na de veiling van haar, maar er zou in Amerika mogelijk wel belangstelling voor dit kunstwerk kunnen bestaan. Wij zijn blij dat de Koerten gewoon in ons land is gebleven, en nog wel in een openbare verzameling. Een vermakelijk verslag van het hele gebeuren is te vinden in het tijdschrift Knip-Pers van september 1999 (p. 3-5). Hierin beschrijft Jan Peter Verhave dat zijn buurman, ongetwijfeld een antiquarische kenner, bij het snel oplopen van de prijs mompelde: “Zo mooi was het nou ook weer niet!”.

Zo’n opmerking tekent in feite de kennis en waardering van de papierknipkunst in Nederland. Mooi? Over welk knipsel hebben we het eigenlijk? Koertens “Romeinse Vrijheid” is:
– Een 17de eeuws kunstwerk uit papier. Zulk werk is nauwelijks meer verkrijgbaar, maar is dat wel het geval (zoals bij de Van Vliet, die het Westfries Museum enige jaren geleden kon verwerven), dan moeten daar forse prijzen voor worden betaald.
– Een werk van Nederlands befaamdste knipster uit het verleden.
– Een knipsel waarover veel bekend is, zoals de vermelding in de Lofdichten, beschrijvingen in oude veilingcatalogi en de eigentijdse waardering van kunstenaars voor dit werk.
– Een knipsel dat is afgebeeld op een tekening uit 1708.
– Een werkstuk dat goed aansluit bij de belangstelling van bepaal de kringen in de Nederlanden voor de Klassieke Oudheid.
Kortom: een topstuk en mogelijk het best gedocumenteerde knipwerk uit de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst. Dit unieke, gesigneerde en gedateerde werk (overigens nog in 1995 bij Sotheby’s geveild als anoniem knipwerk, over kennis van knipkunst gesproken) moest dus uiteindelijk f 11.362.- op brengen. Voor ons museum veel geld -teveel geld, maar gezien de culturele en kunstzinnige waarde van dit stuk een koopje, of zo men wil een heel acceptabele prijs. Gelukkig heeft het bestuur van het Prins Bernhard Cultuurfonds het belang van onze aankoopactie onderkend. Het liet ons weten het volledige aankoopbedrag voor zijn rekening te nemen. Eind goed, al goed.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 1999-4, een uitgave van Stichting W.Tj. Lever.

Papierknipkunst in Franeker in 1950, deel 2 Nieuwsbrief 1992-2

Bekijken we de lijst van de te Franeker getoonde werken, dan valt als eerste op dat het 17de eeuwse gedeelte van de expositie zeer beperkt is geweest. Men liet slechts de twee, aan Anna Maria van Schurman toegeschreven knipsels zien en er waren drie werkjes van Joanna Koerten uit de collectie De Flines. De 18de eeuw was veel beter vertegenwoordigd. We zien vele knipsels die ook in Utrecht te zien zijn geweest en de Friese musea leveren, niet onverwacht, een grotere bijdrage dan aan de expositie van 1946. Er zijn voorts weer stukken uit het Openluchtmuseum, het Haarlemse archief en bijvoorbeeld de Sypestein-stichting uit Loosdrecht. Ook het Centraal Museum stelde bruiklenen beschikbaar, waaronder het wapenknipsel Ockert/ Bredehoff, dat zich sinds 1997 in onze verzameling bevindt. Opvallend is de bijdrage uit Rotterdam. De collectie Bastert wordt hier niet meer geëxposeerd, maar er is ruim geput uit de verzameling van het Museum van Oudheden (nu Historisch Museum).

Zo was er het fraaie knipsel, gemaakt voor Mattheus van der Pot  te bekijken en er waren de knipsels, gemaakt voor Jan en Cornelia van der Hey in de stijl van De Winter.

Ook het knipsel vervaardigd voor het huwelijk van Teuntje Vooys en N. van Eenige uit 1812 was op de tentoonstelling present.

anoniem, 1812

Een bijzonder kunstwerk was het knipsel “Melkbrug over het Spaarne” gemaakt door de Rotterdamse zeeman Jan Adelaar (ca. 173O-1811). Dit werk is, mogelijk al in de jaren vijftig, om onduidelijke redenen uit de collectie van het Historisch Museum verdwenen.

Bij het knipwerk uit de 19de eeuw zien we in Franeker een grote bijdrage van particuliere bruikleengevers. Zoals reeds geschreven in de stukjes over de Utrechtse tentoonstelling van 1946 is het interessant dat zoveel hedendaagse knippers/-sters aan de expositie in Franeker hebben deelgenomen. We komen op de lijst bekende en nu minder bekende namen tegen: Wiecher Lever, Gretha Zijl, P. Bijnen-Hernard, Irma Kerp-Schlesinger, Hil Bottema, Toos Vierkens-Comerell, Lily Eisendorn, Tola Steinhage, Gertrud Januszewski, Marie-Thérèse Bruning, Liesje Lever, Klaas Bakema en mevrouw Vermeulen (een plaatselijke knipster). Aardig is dat bij deze namen vaak een korte karakteristiek van het ingezonden werk wordt gegeven. Bij Zijl staat vermeld “Knipwerk, meest kindervoorstellingen en bloemen”. Bijnen maakte “knipsels voor kinderkamer, in kleuren uitgevoerd”. Het werk van Kerp (knipsels met sprookjesvoorstellingen, kinderen en bloemen) wordt door de opsteller van de lijst “goed voor illustraties” geacht. En, mevrouw Vermeulen uit Franeker “Knipt nog na, geen oorspronkelijk werk. doch zou daartoe zeker in staat zijn”.
Aan Klaas Bakema (1882-1958), zelf deelnemer aan de tentoonstelling, was al dat geëxposeerde werk niet zo besteed. Vooral voor het oude werk kon hij maar weinig waardering opbrengen. In 1950, op 16 oktober dus kort na de expositie” schreef hij aan Lever daarover: “… De ouderwetsche knipsels vond ik arm aan uitbeelding met veel en veel krulletjes en slinger de slangetjes, doch waarin veel tijd zoek was gemaakt aan het knippen zelf, zonder een origineele gedachte als hoofdzaak te beschouwen. Een gedachte op zo’n eenvoudig mogelijke wijze met een schaar uit te beelden, had (volgens mij dan) het grondmotief van die brave ouderwetsche mensen moeten zijn. Doch als antiquiteit zijn deze knipsels natuurlijk kostbaar, zooals de meeste oude voorwerpen…“.

Door Henk van Ark
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 1999-2, een uitgave van Stichting W.Tj. Lever

Papierknipkunst in Franker in 1950, deel 1, Nieuwsbrief 1999-1

Enige nieuwsbrieven geleden (1996, nrs. 1-4; 1997, nr.1) schreven we enige stukjes over de tentoonstelling “Papieren Knipwerk”, die in het najaar van 1946 in het Centraal Museum in Utrecht is gehouden. We sloten deze artikelenreeks af met een opmerking over de knipkunsttentoonstelling die enige jaren later in Franeker te zien was. We constateerden dat toen de papierknipkunst in Nederland duidelijk een nieuwe impuls had gekregen, mede dankzij beide exposities. Oude knipkunst werd herontdekt, nieuwe knipkunstenaars meldden zich. Bovendien ontwikkelden voortrekkers als Lever, Kerp en Bottema, geheel op eigenwijze, hun voortvarende activiteiten. “Nederland knipt weer!”, schrijft Wiecher Lever terecht in 1951.

Aan de tentoonstelling in Franeker besteden we in deze en de komende nieuwsbrief (-ven) aandacht. Het is een expositie die in het Coopmanshûs in augustus en september te bekijken is geweest. Werd de Utrechtse tentoonstelling omlijst door informatieve artikelen van Catharina van de Graft in het tijdschrift “Historia”, de tentoonstelling in Franeker kon rekenen op de belangstelling van populaire bladen, waardoor wellicht een groter publiek in het onderwerp papierknipkunst geïnteresseerd zal zijn geraakt.

Zo publiceerde Gabriël Smit in “De Volkskrant” van 2 september 1950 een lang artikel, met daarbij een vermakelijke persoonlijke impressie en verscheen er een prachtig geïllustreerd stuk op 8 september in de “Panorama”. In dat artikel zijn foto’s afgebeeld van het werk van Van Schurman, Lever, Eisendorn, Kerp, Adelaar en Roemelé en er is een detail te zien van het knipsel Honig/Breet uit 1793.

 

Gelukkig is van de tentoonstelling een lijst van geëxposeerde werken bewaard gebleven, zodat we een goede indruk kunnen krijgen van de opzet van de expositie en de deelnemende kunstenaars. Een vergelijking met de Utrechtse tentoonstelling wordt zo ook mogelijk.

 

 

 

Door Henk van Ark
Dit artikel verscheen eerder in de Nieuwsbrief 1999-1, een uitgave van Stichting W.Tj. Lever

Emans, D.

D. Emans,  Rotterdam
Zijn prachtig knipwerk werd algemeen bewonderd, zo meldt de NRC van 1866, “zowel wegens de zuiverheid tot in de fijnste omtrekken, als de smaakvolle uitvoering, waardoor de knipsels veeleer het voorkomen van keurige kantwerken dan van papier hadden”. Veel later, in 1898 heeft hij “een prachtig bewerkte papierrand gemaakt om het beeld van onze Koningin, een meesterstuk van knipwerk”
Mogelijk gaat het om Dirk van Steenes Emans, Rotterdam 1837-1913 Rotterdam.
Hij kreeg bij zijn RK doop de naam Van Steenes mee. Hij trouwde in1861 met Elisabeth Maria Bakker en in de akte staat dat hij loodgieter was.

NRC, 16 november 1866

Maks, Albertina

Albertina Maks, Haarlem 15 november 1829 – 25 december 1899 Haarlem

Een Amsterdamse krant meldde dat In 1859 werden getoond “fraaie en kunstige knipwerken van A. Heidweiller geb. Maks”, o.a. een boerenkamer en een woelend zeetje.

Albertine is de vierde van de zes kinderen van Pieter Maks en Helena Paulina Christina Jongeling. Ze trouwt op 27 november 1856 te Amsterdam met de kruidenier Constant Karel Heidweiller.Ze krijgen twee kinderen.

Henrix, Arien

Arien Henrix, rond 1650 – na 1718

A. Henrix sneed en signeerde een groot portret van de pretendent op de Spaanse troon Filips V uit perkament (1703, 41 x 34 cm), naar voorbeeld van een gravure door Cornelis Huyberts. Het portret staat in een ovalen medaillon, omgeven door zeer fraaie versieringen, oorlogstuig en zijn gekroond wapenschild. Opvallen is dat de bef, de versierselen van de Orde van het Gulden Vlies en de pruik bijzonder fijn zijn uitgebeeld. Een vergelijkbaar portret van Stadhouder-Koning Willem III heeft een dergelijk uitgewerkte bef, maar is niet gesigneerd. Het is ongetwijfeld van dezelfde hand.

Waarschijnlijk is de maker Arien Henrix van Arnhem, gehuwd met Johanna Jacobs van Arnhem, op 1-12-1677 te Arnhem. Als ruiter onder de Graaf van Nassau werd hij geplaatst in garnizoen te Bergen op Zoom, In die tijd was graaf Walraad van Nassau generaal der cavalerie in het Staatse leger en gouverneur van Bergen op Zoom. Er is nog een onduidelijk spoor van Arien Henrix uit 1718, dus heeft hij lang de gevechtshandelingen als cavalerist overleefd.

Collectie
  • Willem III in collectie Museum Kassel (Dld)
  • Filips V in particuliere collectie
Literatuur

Arien Henrix, Filips V, 1703, 41 x 34,5 cm

Arien Henrix, Willem III, museum Kassel

Aanwinst, Nieuwsbrief 1997-4

De belangrijkste aanwinst van dit najaar kon begin november in Weesp worden afgehaald. Het gaat om schenking uit particulier bezit van maar liefst 248 (!) knipsels van Cornelis Moojen, enige documentatie (foto’s en Moojens overlijdensbericht uit 1970) en een geschilderd portret. In onze museumcollectie beschikten we al over knipwerk van Moojen (acht knipsels) en een door Lever in 1964 geknipt profielportret. Steevast kan dit werk -gemaakt op 86-jarige leeftijd- rekenen op de bewondering en verbazing van onze bezoekers. Deze nieuwe aanwinst is dus in onze verzameling uitstekend op zijn plaats. Toeval is dat voor 1999 de expositie ‘Geknipt te Amsterdam” op het programma staat, een tentoonstelling waarop we werk willen laten zien van Evert Root, Klaas Bakema en Cornelis Moojen. Door deze schenking kan de inhoud van die tentoonstelling aanmerkelijk worden verbeterd.

De nieuwe aanwinst bestaat uit 248 knipsels, waarvan 89 opgeplakt en ten dele ingelijst en 159 exemplaren die niet zijn opgeplakt op een achtergrond. Veel klein en fijn knipwerk bevindt zich in een houten en kartonnen doosje. Verder zijn er enige foto’s, waaronder één mooie afbeelding van de knipper aan het werk, en Moojens overlijdensbericht (rouwbrief) uit 1970. Bijzonder geslaagd is het geschilderde portret, mogelijk vervaardigd door familielid C. Rol (bekend van de illustraties van Verkade-albums), dat Moojen weergeeft op middelbare leeftijd. Dit houdt in dat het portret omstreeks 1925/30 geschilderd zal zijn. Behalve knipwerk hebben we in onze verzameling ook enige documentatie, zoals een artikel uit “Goed Nieuws” (1958) en een stukje in kleur uit waarschijnlijk “Libelle” (jaren zestig). Een aardig verhaal over Moojen is te vinden in “Elsevier” van 3 december 1955, dat door CH. Wentinck geschreven artikel volgt hierna.

Misverstand in het trappenhuis

Het zal al weer enkele jaren geleden zijn, dat een eerbiedwaardig, wat ouder heertje, zich op de onderste trede van mijn destijds duistere en steile trap opstelde, en -gevraagd naar zijn bedoelingen – ten antwoord gaf: “Ik ben de Knipper”.
Gegeven de vermelde eerbiedwaardigheid, stond niets mij in de weg, het witgehaarde heertje boven te laten, zodat ik zei ,,Komt u hoven, mijnheer De Knipper.” De repliek was onverwacht : “Ik heet niet De Knipper, ik bèn de knipper”. Mij viel niets anders in dan dc overigens bepaald voor de hand liggende vraag , Wat knipt u dan?” ,,Knipsels”, antwoordde de knipper. Toen werd het allemaal zo vreemd, dat ik het begrijpen maar verder opgaf, en het heertje de hoge trap opklom.
Na een kort gesprek kwam er wat tekening in de knipper, die tenslotte Moojen bleek te heten, en geenszins zo vreemd was, als liet misverstand in het trappenhuis deed vermoeden, De heer Mooien vertelde mij, dat hij met behulp van schaar en papier silhouetten knipte, een soort kunstnijverheidswerkje, dat in de negentiende eeuw bijzonder populair was, en nu op kermissen nog wel vertoond wordt, doch dan in het genre der karikaturale portretten. Hetgeen de oude heer Moojen vertelde over zijn liefhebberij, en de manier waarop hij dat deed, wekten in hoge mate mijn nieuwsgierigheid op. Ik verkeerde toen nog in het postprogressieve stadium, dat verliefdheden vertoont op alles wat fin-de-siècle is, en beloofde mijzelf een kennismaking met en late vrucht van het geliefde Biedermeier. Wij maakten dus een afspraak. Kort daar op verhuisde ik echter, en in de erop volgende warboel raakte ik het adres van de heer Moojen kwijt.

Tot, enkele weken geleden, opnieuw onderaan een nog veel hogere trap, opnieuw bij wijze van introductie het bekende : “lk hen de knipper” klonk. Het was een verheugend geluid want ook al was sinds de eerste ontmoeting de liefde voor de negentiende-eeuwse rariteiten wel wat bekoeld, -ik had een slecht geweten ten opzichte van de heer Moojen. Daar was hij dus: nog steeds in de jeugd van zijn ouderdom, vief, zoals dat heet en monter. Ditmaal had hij een aantal knipsels hij zich. Ze waren gewikkeld in ,een groot pak, dat hij voorzichtig ontknoopte. Er bleken geweldig veel knipsels in te zitten, grote en kleine, ronde en vierkant, knipsels met een eenvoudig motiefje en met hele taferelen versierd.

Het was een plezier, naar dat alles te kijken. Een Weense vriendin, die toevallig op bezoek was, moest onmiddellijk delen in de vreugde, en kreeg enkele sprookjesknipsels voor haar kinderen. Ze heeft die nog wel niet, maar is zelf gelukkig kinderlijk genoeg om veel pret Ie beleven aan het bezit van uitgeknipte Hans en Grietjes. De verdere middag heb ben we besteed aan de knipsels van de heer Moojen Ze waren zo charmant, en zo kostelijk soms in de uitbundigheid van hun ornamentiek, in de vindingrijkheid der vormen, dat het weldra duidelijk werd, dat onze oude vriende ongewild en ongeweten, nog een echt soort volkskunst maakt.

Er waren de meer uitgebreide toestanden, met karretjes en paarden, en oude vrouwtjes met geiten en boeien met zeisen en honden en kraaiende hanen en zwanen die op het water dreven. Zonnen priemden talloze stralen het zwart in, en kabouters vermaakten zich niet het pesten van konijnen. Op andere knipsels stonden droomhuizen met oude bomen er voor, en gingen heksen, met ezels aan de hand, gebogen over de bospaden. Zulke uitvoerige taferelen waren dan omzoomd met ruim guirlande werk, waarin opnieuw medaillons waren op genomen die het een en ander in beeld brachten. De verbeelding van de heer Moojen bleek onuitputtelijk.

Doch er waren ook knipsels bij, die directer bij de gebruiksgrafiek der volkskunst schenen aan te sluiten. Dat gold hij voorbeeld voor de twee haantjes in het guirlandeske hartmotief. Als ik mij wel herinner gebruikte men lang geleden zulke knipsels om aan geliefden of verloofden te sturen. Het kan echter ook andersom zijn dat de verloofden die aan de nog onwetenden stuurden, om hun de mare kond te doen, dat hun geluk weldra bezegeld zou worden door een huwelijk.

Ook jagers en dansende kindertjes bleken geliefkoosde onder werpen van de heer Moojen, die “Des Knaben Wunderhorn” nieuw leven inblies ,met zijn sprookjesknipsels. Maar het meest verrukt waren we toch wel va de decoratieve randen, die zo’n kostelijk stel variaties vertoonden, en zo weinig op elkaar leken dat het een genoegen was, telkens neer te ontdekken dat er nog andere, onvermoede mogelijkheden waren.

Tenslotte heeft de heer Moojen ons uit zijn leven verteld. Aanvankelijk was hij timmerman, in het stadje Edam. Wat later werd hij onderwijzer aan de ambachtsschool, in het timmervak. Hij verliet Edam, waar hij in 1877 geboren was, in 1902 om naar Amsterdam te gaan. Tot liet knippen is hij gekomen, toen de kinderen kwamen. Hij knipte poppetjes en andere dingen voor hen uit oude speelkaarten. Wanneer het gezin op reis ging, in de winter, als de ruiten van de trein beslagen zijn, knipte vader dingetjes uit papier en plakte ze op de ruiten wat een groot plezier voor de kinderen bleek. Zo verwierf de heer Moojen allengs een zekere vaardigheid, en toen hij dan ook in 1943 gepensionneerd werd, besloot hij, met nog meer aandacht dan vroeger te gaan knippen. Zo ontstonden dan de met vele figuren versierde taferelen, die hij ons liet zien.

Verkopen wil hij ze niet, later zullen ze voor de kinderen van zijn kinderen misschien iets betekenen dat is de enige hoop die de oude vader heeft.

Hij tekent nooit van te voren één lijn alles wordt direct geknipt. Het begint met een knipje zus, een knipje zo. dan ontdekt hij een mogelijkheid tot een figuurtje, en van daar uit ontstaat dan het hele knipsel.

U ziet op deze pagina enkele van Moojens knipsels. Hopelijk zullen ze iets behouden hebben van de charme van de originelen. En denkt u er niet te gering over: de negentiende eeuw heeft verrukkelijke kunstwerken in het knipsel genre tot stand gebracht. Zelfs vandaag schamen kunstenaars zich niet, met liefde en toewijding het knippen te beoefenen. Zag u ooit knipsels van Cruys Voorbergh?

C.H. WENTINCK

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1997-4, een uitgaven van Stichting W.Tj. Lever.

De expositie “Papieren knipwerk van 1946 IV, Nieuwsbrief 1997-1

Het 19de eeuwse gedeelte van de tentoonstelling in Utrecht omvatte, althans volgens de bewaarde lijst 40 nummers. Ook dit deel van de expositie was zeer gevarieerd van opzet. Zo waren er een bavelaartje van Anna Strenge-de Frémery, albumpjes met klein knipwerk maar eveneens de gedenkstukken gemaakt voor Lodewijk Napoleon door J.H. Reygers en C. Schoon uit het Rijksmuseum.

 

Tot de verschillende bruiklenen uit het Openluchtmuseum behoorde een huwelijksknipsel met de initialen IVA en GRB uit 1805.

Interessant is het stuk opgedragen aan het Genootschap Teyler, waarbij op de cataloguslijst geen maker staat vermeld. Dit knipwerk is duidelijk gemaakt door Thomas de Jong (1818-1881) in 1843. Deze mening kon worden geverifieerd door een aantekening in de archieven van het Haarlemse genootschap.

Grote stukken waren er in Utrecht ook, zoals het werk van de Haarlemse leerlooier J.A. Stompff (nu in het Frans Halsmuseum).

Het gedenkstuk aan de ontploffingsramp in Leiden door C.S. uit 1807,

en het knipsel gemaakt voor de Friese landbouwer S.J. Piersma van de nog steeds onbekende bakkersknecht uit Deersum, zodat wij de noodnaam “Piersma knipper” voor deze volkskunstenaar maar handhaven.

Als nummers 88 en 89 worden vermeld twee knipsels uit het Stedelijk Museum Zwolle. Dit moet echter zijn het Stedelijk Museum te Zutphen. Het ene stuk is een knipsel in reliëf toegeschreven aan Jan Willemsen.

toegeschreven aan Jan Willemsen

Het andere knipsel zou zijn gemaakt door R.Koopmans  maar de schilderswerkplaats van Koopmans is overduidelijk geknipt door de Utrechtse hoogleraar L. Schroeder van Kolk (1797-1862).

Uit Zwolle kwamen wel enige zwarte knipsels van onbekende hand die zich nu in het Provinciaal Overijssels Museum bevinden.

Het 20ste eeuwse deel van de tentoonstelling “Papieren Knipwerk” was beperkt. Naast werk van Cruys Voorbergh waren er knipsels te zien van Jan Visscher, Tola Steinhage, Lex Barten en Gertrud Januszewski. In deel 1 van deze serie is al verklaard waarom Wiecher Lever niet aan de Utrechtse expositie heeft deelgenomen. De cataloguslijst kent nog een aanvulling met 4 nagekomen werken, waaronder een knipsel van Roemelé uit het Fries Museum. Catharina van de Graft kijkt in haar artikel “Papieren knip- en snijkunst, vroeger en nu” (Historia 1948) terug op de tentoonstelling. Zij schrijft: “…Een onderzoek naar wat in ons land nog aan papieren knipwerk aanwezig is, bracht ons met een onvermoed aantal verzamelingen in aanraking. Veel belangrijker was echter de ontdekking, dat deze oude sierkunst nog altijd met liefdevolle toewijding wordt beoefend. Zelfs is in de jongste tijd een groep van jongeren opgestaan, die deze oude schaarkunst weer tot nieuwe bloei wil brengen…“. Die jonge garde, en ook enige oudere knippers zijn inderdaad al ruim vertegenwoordigd op de knipkunsttentoonstelling die in 1950 in museum ‘t Coopmanshûs in Franeker te zien is geweest. Nederland knipte weer!

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1997-1, een uitgaven van Stichting W.Tj. Lever.

Museumaanwinst: een 18de eeuws wapenknipsel, Nieuwsbrief 1997-1

In de nieuwsbrief van september vorig jaar meldden we dat op de knipkunsttentoonstelling van 1946 in Utrecht het wapenknipsel Ockert/Bredehoff mogelijk niet te zien is geweest. Dat was vreemd want het Centraal Museum had dat knipsel al jaren in bruikleen en het zou op die tentoonstelling uitstekend op zijn plaats zijn geweest. Op het moment dat we dit schreven was ons museum al enige tijd bezig de financiële middelen bij elkaar te brengen om het bewuste knipsel aan te kopen. De eigenaren van het stuk hadden het namelijk bij het Utrechtse museum teruggehaald en wilden het van de hand doen. Men wendde zich tot een antiquair in Amsterdam, vroeg ons om nadere informatie en bezocht het museum in Franeker omdat men vermoedde, op het spoor gezet door de Amsterdamse kenner, dat Anna Maria van Schurman het knipwerk gemaakt kon hebben. Dat idee konden we al snel de wereld uit helpen, het artikel “Familiewapenen” van Catharina van de Graft in Historia van september 1946 kon daarbij goed worden gebruikt. Hierin wordt dit knipsel (39×30 cm) besproken, ook is er een afbeelding (nr.3) van in opgenomen. Een en ander leidde tot het besluit dat het Nederlands Museum van Knipkunst het stuk mocht aankopen op voorwaarde dat binnen een overeengekomen termijn het aankoopbedrag kon worden opgebracht. Dankzij de financiële steun van drie landelijke culturele fondsen is dit gelukt! Van de Graft schrijft in haar artikel over dit knipsel: “Een ander prachtig werk uit dezen tijd is het groote familieknipsel met in het midden het gecombineerde wapen van Ockert en Bredehoff en zestien kwartieren van elk dezer wapenen ter weerszijde, dat het Centraal Museum te Utrecht in bruikleen heeft van Mevrouw Huijtema-Van Bredehoff de Vicq te Buitenzorg. Dit knipwerk bewaart de herinnering aan het huwelijk dat Joan Ockers, heer van Schonewal, in 1702 raad, in 1704 schepen van Middelburg, hoofdparticipiant der O.I.C. en in 1716 daarvan bewindhebber, gesproten uit het aanzienlijke Zeeuwsche geslacht van Ockert, Ockers of Ockerse, sloot met Elisabeth van Bredehoff, uit een Hoornsch geslacht, dochter van François en Johanna Hamel. Joan Ockert overleed 24 Mei 1723, ongeveer uit dien tijd moet ook dit knipwerk dateeren. Waarschijnlijk heeft kort voor of na zijn overlijden een zoon uit dit huwelijk het fraaie wapenknipsel van zijn ouders doen vervaardigen. Wie die zoon was, kan, daar het Middelburgsche archief in den jongsten oorlog geheel verloren is gegaan, niet meer worden onderzocht. Blijkbaar heeft de knipkunst in deze twee stijlvolle kunstwerken (bedoeld wordt dit knipsel en het daarvoor besproken wapenknipwerk Van den Berg/Van Teijlingen van F.H. van Voorst, red.) op het eind van het eerste kwart der 18e eeuw haar hoogtepunt bereikt. Wat daarna komt, is nog zeer verdienstelijk werk, maar niet meer van dit hooge peil…“. Het kan inderdaad zijn dat het wapenknipsel kort voor of na de dood van Ockert in 1723 is gemaakt, maar niet uit te sluiten is dat het is gemaakt ter gelegenheid van de huwelijksvoltrekking. Dat zou betekenen dat het al veel eerder moet zijn geknipt. Verder onderzoek kan misschien aan tonen of deze veronderstelling juist is; wellicht kan dan ook worden achterhaald wie de maker van dit bijzondere werkstuk is geweest, want dat is helaas niet bekend.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1997-1, een uitgaven van Stichting W.Tj. Lever.

De expositie “Papieren knipwerk” van 1946 III, Nieuwsbrief 1996-3/4

  

Op de tentoonstelling in het Centraal Museum zijn vele 18de eeuwse knipsels te zien geweest. De cataloguslijst telt 38 nummers (nr.18 t/m 55 is niet ingevuld). Van sommige knipwerken was echter slechts een foto aanwezig, zoals die van het snijwerk voor de Hoornse familie Carbasius uit het Westfries Museum (cat.nr. 27).

Merkwaardig is dat het 18de eeuwse familiewapen  Ockert/Bredehoff, dat het Utrechtste museum al enige jaren in bruikleen had en waarover Catharina van de Graft schrijft in haar artikel “Geknipte Familiewapenen” (nr.3), volgens de bewaarde lijst niet is geëxposeerd.

anoniem

Tenzij dit is gebeurd onder het niet ingevulde nummer 19. De in het artikel van Van de Graft afgebeelde en besproken wapenknipsels Van Teylingen/Van Foreest en Van de Berg/Van Teylingen zijn wel op de Utrechtse tentoonstelling te zien geweest.

Frederik Hendrik van Voorst

Het tweede stuk gemaakt in 1722, is van de hand van Frederik Hendrik van Voorst (ca.1660-1736). Ook de interessante knipsels uit nu Museum Sypesteyn waren er aanwezig. Het gaat om de mythologische voorstelling “Venus, en Adonis met Amor” (gesigneerd FHV, verondersteld wordt F.H. van Voorst) uit ca.1715 en de portretten uit wit papier van Willem IV en prinses Anna, maker onbekend.

anoniem, Willem IV en prinses Anna

J.N. Bastert, conservator van museum Boymans leverde met vele bruiklenen uit eigen bezit een belangrijke bijdrage aan de knipkunsttentoonstelling. Sommige van deze knipsels zijn wel eens afgebeeld maar over die particuliere collectie is verder weinig bekend.

anoniem, Collectie Verhave

Bastert zorgde ook voor twee bruiklenen uit de verzameling van het Museum van Oudheden (nu Historisch Museum Rotterdam): een geboorteknipsel uit 1790 (of later) en een bloemenmand in sierschild.

anoniem, collectie Historisch Museum Rotterdam

anoniem

Uit Zaandijk en omgeving kwamen verschillende knipwerken, zoals het knipsel gemaakt voor Barbertje Taan door J. Walrecht uit 1768 (nu in het Zaans Historisch Museum) en het huwelijksstuk voor Cornelis Honig en Aagje Breet uit 1793.

J. Walrecht, collectie Zaans Museum

anoniem

De Alkmaarse doopsgezinde predikant Jan de Bleyker (1707-1783) was op de expositie vertegenwoordigd met de huwelijksknipsels Huurkamp van der Vinne/Van der Schaft (1761, nu Frans Halsmuseum) en Koekebakker/Kok (1761).

Jan de Bleyker

Samen met de andere op de lijst voorkomende, maar hier niet nader besproken knipwerken moet door zijn gevarieerdheid dit gedeelte van de tentoonstelling bezoekers een goede impressie van de Nederlandse papierknipkunst in de 18de eeuw hebben gegeven.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1996-3 en 4, een uitgaven van Stichting W.Tj. Lever.