Auteursarchief: admin

Nieuwe aanwinst, Nieuwsbrief 1996-3

Een prachtige schenking voor onze museumverzameling ontvingen we deze zomer van de heer H. Munnik. Het is een in 1814 gemaakt knipsel voor Alberta Jacoba du Bois, mogelijk door knipper I(an) P(atijn) van wie wij twee zgn. papieren bavelaars uit ongeveer dezelfde tijd kennen. Over Alberta du Bois-Ameshoff (1776-1828) en haar man Abraham du Bois (1777-1851), wiens initialen in het knipsel staan onder het gedicht in de sokkel van de tuinvaas, vonden we al snel enige gegevens in het Nederlands Patriciaat van 1913.

Uit de daarin gepubliceerde stamreeks blijkt dat ook nog enige familielijnen naar Schoonhoven lopen. Abraham du Bois was de heer van Loenen en Cronenburgh. De gemeentearchivaris van Loenen, mevrouw Brouwer, stuurde kopieën van artikelen over het oude en nieuwe Cronenburgh in deze schitterend aan de Vecht gelegen gemeente. In het stuk “Het land en het kasteel van Cronenburch, voorheen en thans” (Jaarboekje Niftarlake 1940) wordt de boeiende geschiedenis van het kasteel en de latere buitenplaats geschetst.

Het oorspronkelijke kasteel, waar Floris V nog gevangen moet hebben gezeten, is in 1672 door de Fransen gedeeltelijk verwoest, waardoor de opvallende ronde kasteeltoren verdween. De ruïne werd in 1710 eigendom van de Leidse patriciër Adriaan Wittert van der Aa die er een voorname buitenplaats van liet maken. In 1824 komt Cronenburgh uiteindelijk in handen van Abraham du Bois die het buiten in 1837 laat afbreken, onder andere naar men beweert omdat hij geen burgemeester van Loenen kon (mocht) worden. De laatst bekende afbeelding van Cronenburgh (de afbeelding hier rechtsboven) dateert uit 1836. Abraham du Bois en Alberta Ameshoff trouwden in 1813, in het jaar daarna gaf Abraham zijn vrouw dit knipsel cadeau mogelijk ter viering van haar eerste verjaardag binnen dit huwelijk of ter gedenking van het eerste huwelijksjaar. Het mooie stuk bestaat uit een, gedeeltelijk uit voluten opgebouwde, tuinvaas op sokkel met daarin schitterend geknipte teksten en een fraaie decoratieve rand, samengesteld uit vier stroken. Door middel van de blinddruktechniek is op verschillende plaatsen in het werk reliëf aangebracht wat het decoratieve effect nog ver der versterkt.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1996-3 van Stichting W. Tj. Lever.

De expositie “Papieren knipwerk” van 1946 II, Nieuwsbrief 1996-2

Anna Maria Schurmann en Joanna Koerten door Houbraken, afb RKD.nl

Op de Utrechtse tentoonstelling in 1946 is aandacht besteed aan knipwerk uit vier eeuwen. In het tweede deel van onze reeks artikelen over dit onderwerp gaan we in op de toen getoonde 17de eeuwse stukken. In de septembernieuwsbrief behandelen we de 18de eeuwse knipsels en we besluiten de serie in december met de knipwerken uit de 19de en 20ste eeuw en de nagekomen stukken.
In haar artikel “Papieren Knipwerk” dat voorafgaande aan de ten toonstelling in het Centraal Museum in het julinummer van “Historia” is gepubliceerd schrijft Catharina van de Graft uitvoerig over 17de eeuwse papierknipkunst. Ze begint met Anna Maria van Schurman (1607-1678), bespreekt het aan haar toegeschreven werk in het museum te Franeker en plaatst terecht kritische vragen over bepaalde vermeldingen van haar biograaf ds. Schotel in 1853. Vervolgens passeert Johanna Koerten (1650-1715) de revue. Van de Graft bespreekt werk van haar hand, belicht het bestaan van het zogenaamde Stamboek en toont een aardig dubbelportret in rood krijt, gemaakt door Jacob Houbraken. [voorpagina] Zeer veel aandacht krijgt het boekje “Konstig en Vermaakelijk Tyd-Verdryf (…)“ dat in 1686 bij J. ten Hoorn is verschenen.

J.D.C. van Dokkum maakte al gewag van deze uitgave in zijn artikel “Hanna de Knipster en haar concurrenten (…)“ uit 1915 maar had daar zelf geen exemplaar van kunnen bekijken. Van de Graft wist echter dat zich sinds 1930 zo’n boekje in de bibliotheek van het Rijksmuseum bevond en citeert daar rijkelijk uit. In het artikel “Papieren knip- en snijkunst, vroeger en nu” (1948) schrijft Van de Graft over enige stukken die op de tentoonstelling te zien zijn geweest. De bewaarde cataloguslijst laat ons zien wat de expositie bezoekers op 17de eeuws gebied heeft geboden.

Allereerst knipsels van Koerten, te beginnen met werken uit de verzameling van J.J. de Flines (nu de familiestichting De Flines te Wassenaar): de portretten van Czaar Peter de Grote en Frederik III van Brandenburg en de liereman. Ook was het portret van koning-stadhouder Willem III uit de collectie van museum De Lakenhal in Leiden te bekijken.

In 1946 gebruikt Van de Graf t dit knipsel om in te gaan op de termen opwerk en platwerk: “…De groote kunstwerken van het opwerk werden in lijsten gevat, die aan den achterkant deurtjes hadden. Waarschijnlijk werden deze open gezet om het licht door het werk te laten schijnen. Uffenbach verhaalt, dat bij doorspelend licht de sneetjes of knipjes schaduwen vormden, zoodat het geheel op een prentwerk geleek, wat in de ogen van Johanna’s tijdgenooten voor een groote verdienste gold. In elk geval werd de voorstelling door het opwerk sterk geaccentueerd…”.

 

Het werk van Anna Maria van Schurman was op de tentoonstelling in Utrecht slechts vertegenwoordigd met een foto. De getypte lijst ver meldt onder nummer 15 “Familiewapens. O.a. Het wapen der fam. Schuurman”. Dit zal wel een foto van het wapenknipsel in het Coopmanshûs zijn geweest. Terug naar Koerten; onder nummer 17 van de lijst vinden we de vermelding van een foto van het titelblad van een boek over “Papieren Snijkunst”, ingezonden door Van de Graft zelf. Niet aangegeven wordt of het hier de uitgave van 1735 of 1736 betreft. Onder de nummers 4 t/m 14 vinden we knipsels en Stamboekbladen uit de verzameling van prof. J.Q. van Regteren Altena uit Amsterdam. Een interessante verzameling die enige tijd geleden als het ware is herontdekt (zie Knip-pers, juni 1994, p.20-23), maar die in feite sinds eind vorige eeuw niet uit beeld is geweest. Van Dokkum schrijft al over de ze knipseltjes in 1915 en merkt daarover op dat het wellicht om jeugd werk gaat. Van de Graft bespreekt de stamboekbladen, waaronder het blad met de bekende tekening van Goeree van het zogenaamde kabinet van een verzamelaar, uit deze verzameling in haar Historia-artikel van 1948, knipsels en bladen zijn te vinden op de Utrechtse cataloguslijst en de Van Regteren Altena collectie wordt ook vermeld in het artikel “De portretten uit het Stamboek voor Joanna Koerten (1650-1715)” van M. Plomp in het Leids Kunsthistorisch Jaarboek VIII (1989). Duidelijk uit al deze publicaties is wel dat er twijfel blijft over de vraag of deze stukken alle aan Koerten kunnen worden toegeschreven.

 

Tenslotte moet op de Utrechtse tentoonstelling ook een schaartje van Johanna Koerten zijn geëxposeerd. Op de lijst vinden we dit niet vermeld, maar we zien dit aangetekend op het bewaarde bruikleenformulier van mevr. E van Dockum waarop ook de door haar ingezonden albumpjes met knipwerk (nr.57) staan vermeld. Het bovenstaande en dit laatste gegeven maakt het waarschijnlijk dat er ook in de toekomst nog het nodige over Johanna Koerten zal opduiken.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1996-2 van Stichting W. Tj. Lever.

Nieuwe aanwinst, Nieuwsbrief 1996-2

Een interessante aanwinst voor de verzameling is een naamknipsel dat we in april antiquarisch konden verwerven. Het is een in 1764 door een ons onbekende knipper gemaakt knipsel voor Lammeraal Schotto Rengers, de heer van Farmsum. Farmsum ligt vlakbij Delfzijl en met hulp van de heer De Kok van de historische vereniging “Amasius” te Appingedam konden we wat meer over deze Rengers te weten komen. Hij stuurde ons enige citaten uit het boek “Het Huis te Farmsum” van ds. M. ten Broek uit 1933 en stelde ons in de gelegenheid de uitgave “De Ommelander Borgen en haar bewoners (…)” van mr. J.A. Feith uit 1906 (reprint 1979) voor de museumbibliotheek aan te kopen. In dit laatste boek zijn enige fraaie afbeeldingen van het huis bij Farmsum opgenomen.

Theodorus Beckering, 1781, wikimedia

Uit de aantekeningen van ds. Ten Broek leerden we dat Lammert Schotto Rengers de zoon was van Egbert Rengers en Margaretha Tjarda van Starkenborgh die in 1720 zijn getrouwd. Lammert is vermoedelijk in 1721 geboren en overleed in 1779. Waarom de voornaam Lammeraal in het knip- werk voorkomt is niet duidelijk, wellicht gebruikte Lammert een van de voornamen van zijn oom (Albert Aemilius Lamoraal Rengers) omdat hij die mooier vond klinken. Lammert Schotto Rengers is zeer waarschijnlijk te Farmsum geboren en heeft daar enige tijd verbleven, maar wordt toch vooral in Groningen vermeld. Daar is hij ook overleden. Hij was getrouwd met Ambrosia Bentinck van Schoonheten en Diepenheim. Over hem en het huis te Farmsurn moet natuurlijk meer te vertellen zijn, maar dat vergt enig onderzoek. Bij gelegenheid komen we zeker op deze museumaanwinst terug.

Huis Fransum rond 1750, wikimedia

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1996-2 van Stichting W. Tj. Lever.

Juweel, Alijda

Alijda/Aletta Juweel, Rotterdam 1671 – na 1734

De Rotterdamse schilder Nicolaas Juweel heeft driemaal een (jonge) dame afgebeeld met een mobiele bestaande uit twee papieren bollen, die op een zuchtje adem konden ronddraaien. De knipster stelde ze samen uit ronde schijven die heel fijn met een mes uitgewerkt waren en waarin namen, spreuken en figuren zijn te ontdekken. Haar instrumenten en snippers zijn steeds op een tafel afgebeeld. Zij is de dochter van de schilder, Alijda, Aletta of Aeltje Juweel. Zij maakt een mobiele voor het huwelijk van haar broer, Nicolaas Juweel junior, met Johanna van der Winde in 1695; hun namen staan in de mobiele (fig. 1). Het eerste kind is naar tante Alijda genoemd, die ook getuige is bij haar doop in 1696. De andere twee schilderijen tonen haar als meisje, ook met een mobiele. Het ene is te dateren rond 1685-1690 (fig. 2) en het andere in 1692, met haar grootouders en broer (fig. 3).
De veronderstelling dat de afgebeelde knipster Elisabeth Rijberg was, is hiermee onwaarschijnlijk geworden.

Alijda is de dochter van Nicolaas Juweel en Ariaentje Cornelisdr van Dienat. Ze trouwt in Rotterdam op 25 oktober 1702 met Johannes Forman. Ze krijgen acht kinderen.

Literatuur
  • Jan Peter Verhave, Het scherp van de snede (2023), 44
  • Jan Peter Verhave, “Een mysterieuze maakster van mobiles”, Rotterdams Jaarboekje 2024, 240-251

De expositie “Papieren knipwerk” van 1946 I, Nieuwsbrief 1996-1

Vijftig jaar geleden, in 1946, is van 18 oktober tot 10 november de tentoonstelling “Papieren Knipwerk” in het Centraal Museum in Utrecht gehouden. In deze nieuwsbrief en ook in de komende nummers willen we aandacht besteden aan deze, voor de beschrijving van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst, erg interessante expositie. De Utrechtse knipkunsttentoonstelling is zeer waarschijnlijk ontstaan op initiatief van Dr. Catharina van de Graft. Voor afgaande aan de expositie schreef zij in het tijdschrift Historia in 1946 twee artikelen over knipkunst, enige jaren later (1948) gevolgd door een geschreven terugblik op de tentoonstelling in hetzelfde tijdschrift.

Cornelia Catharina van de Graft (Caatje) werd op 4 mei 1874 in het stadje Tolen geboren. Vader Dirk van de Graft was daar directeur van het postkantoor. Kort na haar negende verjaardag verhuisde het gezin Van de Graft naar Weesp, waar vader in een gelijke functie was benoemd. Catharina doorliep het Barlaeusgymnasium in Amsterdam en studeerde daarna Nederlandse Letteren bij Jan te Winkel. In 1904 promoveerde zij op het proefschrift Middel-nederlandsche historieliederen, toe gelicht en verklaard. Haar aandacht voor het Nederlandse lied blijk ook uit andere door haar geschreven studies, maar al snel had zij het eigenlijke terrein van haar belangstelling gevonden in de studie van oude volksgebruiken, en in het bijzonder die van de kalenderfeesten. Zij publiceerde daarover onder meer in de studie Palmpaasch (1910), later uitvoeriger behandeld in het werk Palmzondag (1938). Een tweede volkskundig onderwerp waarin zij zich verdiepte was de studie van brood- en gebakvormen, de pemmatologie. Na haar promotie is Van de Graft lerares geworden aan de Utrechtse HBS voor meisjes; in 1923 werd zij op wachtgeld gesteld. Dit maakte het haar mogelijk haar verdere leven ongestoord aan wetenschappelijk werk te kunnen wijden. Zij schreef diverse boeken en een groot aantal tijdschriftartikelen. In dit verband moet ook haar boekje Agnes Block, Vondels nicht en vriendin over de plantenkweekster en papierknipster Agneta Block worden genoemd (1943). Van de Graft overleed in Utrecht op 3 augustus 1969.

Cornelia Catharina van de Graft was een goede bekende van jonkvrouwe Dr. C.H. de Jonge, directrice van het Centraal Museum en redacteur kunstgeschiedenis van Historia. Niet duidelijk is wanneer precies het idee voor een expositie over knipkunst is ontstaan en van wie dat afkomstig was. Kwam Van de Graft zelf met dit voorstel of heeft De Jonge dit naar voren gebracht, bijvoorbeeld naar aanleiding van de op stapel staande publicaties in Historia? In het eerste artikel van Van de Graft ‘Papieren Knipwerk’ (Historia, jrg.ll, juli l946) wordt nog niet geschreven over een tentoonstelling die binnenkort zal worden gehouden.

            

De schrijfster verzucht aan het einde van het stuk “…Hoe verheugend zal het zijn als de resultaten van dit onderzoek genoeg opleverden om nu eens een groote tentoonstelling van knipwerk te organiseeren…“. In het tweede artikel van Van de Graft ‘Geknipte Familiewapenen’ (Historia, jrg.ll, september 1946) wordt zo’n tentoonstelling echter al aangekondigd en er wordt een beroep op de lezers gedaan om gegevens over vooral knipwerk in particulier bezit beschikbaar te stellen. In ieder geval moet de beslissing over het organiseren van de expositie kort voor oktober zijn genomen, waarschijnlijk in de zomer van 1946. De tentoonstelling was ook geen opzichzelfstaand project maar een toevoeging aan de expositie Het Nederlandsche Boek in den loop der eeuwen. Er verscheen geen catalogus, gelukkig is er wel een getypte lijst van geëxposeerde werken bewaard gebleven die zoals later zal blijken niet op alle punten volledig en betrouwbaar is.

De tentoonstelling Papieren Knipwerk besteedde aandacht aan Nederlandse papierknipkunst uit vier eeuwen. Er was dus ook werk van enige eigentijdse knippers te zien zoals Cruys Voorbergh, Tola Steinhage en Lex Barten. Opvallend is dat Wiecher Lever, in die tijd al behoorlijk actief met het knippen bezig, ontbreekt. De vondst van enige brieven in het archief van het Centraal Museum maakte duidelijk wat hiervan de reden is. Het werk van Lever uit Muntendam werd De Jonge aanbevolen door Mr. W.P.A. Smit, conservator van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem in een brief van 20 september 1946. Lever had in de zomer van 1946 net enige dagen demonstraties papierknip pen in dit museum verzorgd. Smit schrijft: “… .Zijn knipsels behooren wel niet tot het allerbeste op dit gebied, maar zijn toch als volkskunst niet zonder verdienste…”. Op zich geen onjuist oordeel want Lever stond in die tijd nog aan het begin van zijn ontwikkeling als knipkunstenaar. Het museum heeft hem kennelijk direct een briefje met een circulaire over de tentoonstelling toegestuurd, want Lever bevestigt in een brief van 28 september de ontvangst van de circulaire. Hij wil graag meedoen aan de expositie maar “…Het komt onverwachts en daarom wilde ik gaarne met afzending der knipsels wachten tot begin der komende week daar ik gaarne met iets nieuws kom…“. En “…Had ik de circulaire een maand eerder ontvangen, waarschijnlijk was ik met grooter collectie uitgekomen…“. In dezelfde brief meldt Lever tegen het exposeren van zijn werk op zondag te zijn, hij verzoekt daarom “…mijn werk ‘s Zondags weg te nemen…“. Op 2 oktober stuurt hij vervolgens zes, niet ingelijste, knipsels naar het Centraal Museum. Zonder lijst versturen vond hij het gemakkelijkst en bovendien “…Nr. 6 is een familieplaat die verouderd is doordat een 4e kleine bijgekomen is, waarom deze plaat nooit ingelijst geworden is…“.

Aardig is dat we dit knipsel nog kennen uit een artikel gepubliceerd in Het Noorden in Woord en Beeld van 3 mei 1947. Het museum heeft Lever daarop bericht dat het knipwerk toch op zondag zou worden tentoongesteld. De kunstenaar reageert daarom op 12 oktober kort maar krachtig “…Uw mededeling omtrent onmogelijkheid, om mijn knipwerk des Zondags niet te exposeeren, tot mijn verwondering ontvangen. Aangezien het hier een geloofsovertuiging betreft heeft deze zaak geen nadere overweging. U bij voorbaat voor Uw moeite dankend, zie ik retourzending der 6 knipsels tegemoet…“. Levers knipwerken zijn op de Utrechtse expositie dus niet te zien geweest, maar voldoende andere interessante stukken waren wel aanwezig. En dat is ook het belang van deze tentoonstelling geweest, het was -een kleine expositie in Haarlem in 1912 even buiten beschouwing latend- de eerste echte tentoonstelling over de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst. Door de informatieve artikelen van Van de Graft in Historia werd de waarde van dit goede initiatief nog verder versterkt.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1996-1 van Stichting W. Tj. Lever.

Mevrouw Kerp, Nieuwsbrief 1996-1

Irma Gladys Lucie Schiesinger werd geboren in Leipzig op 17 november 1900 en overleed te Bussum op 23 november 1988. Ze werd dus ruim 88 jaar oud. Irma werd tweetalig opgevoed, hoofdzakelijk door haar Engelse moeder, want haar vader stierf toen zij pas anderhalf jaar was. In 1925 trouwde zij met Gustav W.E. Kerp te Madrid, vanaf 1930 woonden zij in Bussum. De oudste van hun twee kinderen is in Madrid geboren, de jongste in Amsterdam.

 

Leren en jezelf ontwikkelen waren voor Irma Kerp-Schiesinger heilige begrippen en als echte Joodse moeder heeft ze in dat opzicht veel invloed gehad op haar kinderen en (7) kleinkinderen, en niet te vergeten haar schoonzoons. Zelf was ze zeer ontwikkeld, ook op muzikaal, literair en historisch gebied en ze hield veel van beelden de kunst en wist daar veel van. Heel jong begon zij met tekenen, maar dat wilde echt niet lukken en daardoor ontdekte zij het knippen.

 

Dat kon, volgens haar, iedereen. Ze beschouwde zichzelf als heel verwend en van geen praktisch nut voor de samenleving. Wel had ze veel hooggestemde idealen en ze kon daar fanatiek over redetwisten, maar was erg ontevreden over zichzelf omdat ze die idealen niet in de praktijk kon brengen en de wereld niet kon verbeteren.

 

Daarom is ze eigenlijk, na W.O.II, begonnen met het verspreiden en bevorderen van de knipkunst. Eindelijk had ze iets waarmee ze wat voor andere men sen en daardoor voor de wereld kon betekenen. De mensen hun eigen creativiteit helpen leren ontdekken, die opdracht heeft ze zichzelf gegeven. Meer dan dertig jaar heeft ze zich met tomeloze energie op die zelf opgelegde taak geworpen en ontdekte dat je daardoor zelf ook een stuk gelukkiger werd. Ze sjouwde stad en land af om lezingen te houden en lessen te geven. Huishoudscholen door heel het land, verenigingen van Plattelandsvrouwen, tehuizen voor daklozen, sjieke bijeenkomsten in Kasteel Oud-Wassenaar, kuuroorden in Duitsland, enz., enz. werden bezocht. Hoe ze dat met haar zwakke lichamelijke conditie voor elkaar kreeg was voor iedereen een raadsel. Wij kinderen waren er echter zo aan gewend dat we niet beter wisten of het hoorde zo en als Moni aan de gang was moest daar alles voor wijken.

           

Eén van haar sterkste staaltjes dateert uit 1968. Irma was toen 67 jaar. Van de Amsterdamse portretknipper Klaas Bakema had ze gehoord dat hij met knippen een reis naar Indonesië had verdiend. Toen ze dan ook in een advertentie een oproep zag voor “entertainers” op het cruiseschip “Nieuw Amsterdam” vond ze dat ze op die manier best eens naar de USA kon gaan, daar enkele familieleden kon bezoeken en meteen proberen of ze daar geen uitgever kon interesseren voor haar boek. Dat lukte en zo werd ze op haar leeftijd lid van een team van 20! entertainers van allerlei aard en voer naar New York heen en weer. Kniptechnisch was die reis een groot succes. De passagiers vonden ook vooral haar filosofische opvattingen achter haar werk zo interessant dat ze haar lezing steeds opnieuw moest houden. Ook in het Engels natuurlijk. Jammer genoeg is daarvan geen exemplaar bewaard gebleven. Wel is er nog een tekst van een lezing in het Duits die ze in 1958 in het Duitse kuuroord Honnef heeft gehouden. Daarin vertelt ze on der andere over Bakema, Hil Bottema en ook enthousiast over Lever.

Hoewel ze daar niet op uit was, of misschien juist wel daardoor, heeft ze op het eind van haar leven nog veel officiële erkenning gekregen. Een koninklijke onderscheiding en het erelidmaatschap van de Vereniging voor Papierknipkunst. Bovendien zijn van haar boeken tienduizenden exemplaren verkocht.

Door Erik Ennenga.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1996-1 van Stichting W. Tj. Lever.

35 Jaar Nederlands Museum van Knipkunst, Nieuwsbrief 1995-4

1960 Roden-Westerbork-Schoonhoven 1995

Op 19 december 1960 opende het Nederlands Museum van Knipkunst in Roden zijn deuren. Het museum ontstond op initiatief van papierknipper en verzamelaar Wiecher Tjeert Lever. Lever, die al knipte sinds zijn jeugd, timmerde aan het einde van de jaren veertig behoorlijk aan de weg met zijn knipwerk en vaardige demonstraties. De reacties daarop waren zo goed dat hij besloot van het kunstige knippen zijn beroep te maken. Om die reden ging hij zich ook bekwamen in het knippen van profielportretten. In de jaren vijftig werkte hij vanuit zijn atelier “de Meeuw” in Muntendam en hij reisde het hele land door om zijn inkomsten te verdienen. Lever verzamelde oude ‘knipsels en verrichtte onderzoek naar leven en werk van verschillende papierknippers. Ook stelde hij een succesvolle handleiding papierknippen samen. Rond 1960 besloot Wiecher Lever de inmiddels door hem opgebouwde collectie papierknipkunst te gaan tonen in een eigen museum dat kon worden ondergebracht in een gedeelte van “De Winsinghhof” in Roden. Vijf jaar daarna moest dit gebouw worden gerestaureerd en verhuisde het knipkunstmuseum naar het nabij gelegen Westerbork. Het Nederlands Museum van Knipkunst was daar eerst gevestigd in een schoolbarak aan het Westeinde, later kreeg het een plaats aan het Gualthérie van Weezelplein in het centrum van het dorp. Levers harde werken leidde daar echt tot resultaat, het museum groeide in Westerbork uit tot een ware toeristische trekpleister waar interessante knipsels bekeken konden worden en waar de eigenaar/directeur vlot portretten knipte en een toelichting op het tentoongestelde werk gaf. Door het onverwachte overlijden van museumoprichter Wiecher Lever kwam aan deze positieve ontwikkeling plotseling een einde. Zijn museum bleef weliswaar nog enige jaren open, maar uiteindelijk werd het in 1987 gesloten. Nog erger was dat een jaar erna de volledige museumverzameling op de veiling terecht kwam, niet alleen vanwege de eventuele (naar later bleek veel te hoog geschatte) opbrengst, maar ongetwijfeld ook als poging om Levers levenswerk volkomen te vernietigen. Zover is het gelukkig niet gekomen. De in 1988 opgerichte stichting W.Tj. Lever slaagde erin de financiële middelen bijeen te brengen om belangrijke delen van de Westerborkcollectie aan te kopen en zo bij elkaar te houden. Met de verwerving van ruim achttienhonderd knipsels, 80% van Levers museumbibliotheek en de onmisbare documentatie (krantenknipsels, tijdschriftartikelen, brieven) kon zo de basis worden gelegd voor de voortzetting van het Nederlands Museum van Knipkunst, zij het in een andere opzet. Tentoonstellingen en presentaties, gehouden op diverse plaatsen in het land, vormden hiervoor de eerste aanzet, erop volgde de start van het museum in een expositieruimte aan de Oude Haven in Schoonhoven in 1992. Na enige tijd kon op deze plaats een opstelling worden gepresenteerd waarmee een goede indruk kon worden gegeven van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst. Bovendien was er ruimte voor het houden van wisselexposities en het geven van demonstraties papierknippen. De expositie- en activiteitenmogelijkheden van het nieuwe Nederlands Museum van Knipkunst konden aanzienlijk worden verruimd door de verhuizing van het museum naar een ander en groter onderkomen in de Stadhuisstraat in het begin van 1995. Daar wordt in de maanden december 1995 en januari/februari 1996 stilgestaan bij het 35-jarig bestaan van het museum door middel van de tentoonstelling “Kurieuze stukken van Papier” en het organiseren van verschillende activiteiten (zie museumnieuws).

Het Nederlands Museum van Knipkunst leeft dus weer en dat willen we graag zo houden. Het museum is daarom geen particulier bezit meer, zoals dat bij Wiecher Lever het geval was, maar een culturele instelling in stichtingsvorm. Het is gelukt in korte tijd het knipkunstmuseum weer op de Nederlandse museumkaart te krijgen en de museumcollectie met goede nieuwe aanwinsten verder uit te bouwen. Met de vaste opstelling, de wisselexposities en -presentaties, onderzoek en publicatie daarvan in de eigen nieuwsbrief kan op uitstekende wijze de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst worden belicht. Dat was de bedoeling en inzet van Wiecher Tjeert Lever en dat staat het bestuur van de stichting W.Tj. Lever nog steeds voor ogen. Het blijft ook zo, nu en in de toekomst. Er is maar één Nederlands Museum van Knipkunst, gevestigd in de Stadhuisstraat nummer 7 in Schoonhoven.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-4 van Stichting W. Tj. Lever.

Curiöse von papier geschnittene sachen III, Nieuwsbrief 1995-4

Von Uffenbach’s aantekeningen over Nederlandse papierknipkunst in 1710-1711.

Later in december bezoeken de Von Uffenbach’s in Den Haag de priester Allardus Titsingh (ca.1667-1713), in de “Merkwürdige Reisen” aangeduid als Dissing. Deze Titsingh was volgens Von Uffenbach een grote, drukke en opgewekte man die een liefhebber was van een goed glas wijn. Hij beschikt over een grote verzameling schetsen en tekeningen van Italiaanse, Hollandse en Duitse meesters. De priester heeft die collectie geërfd van zijn familielid Johannes van Achelom, een schilder die onder de naam “Signor Giovanni” het tot kamerheer bij de Groothertog van Toscane zou hebben gebracht. Na het overlijden van Titsingh is deze verzameling in 1713 geveild ten huize van Adt. Johan Adam Hooft in Den Haag. Maar Titsingh heeft in 1710 het Duitse gezelschap nog ander interessant werk te bieden: papierknipsels. Von Uffenbach schrijft erover: “…Er hatte auch ungefehr acht Stück sehr zart mit der Scheer in Papier geschnittene Landschaften und Schlachten von seinem Vetter, darunter die letztere ganz unvergleichlich, ob sie gleich kaum das Quart von einem Zolle gross waren, so waren doch die Figuren wohl proportionirt, und nach der Zeichnung seher schön, so dass diese Arbeit weit curibser, als die, so wir in Amsterdam und Roterdam von geschnittenen Sachen gesehen. Dannenhero obgleich diese kleine Figuren ganz flach ausgeschnitten, waren sie doch gegen jener Arbeit als Mignatur gegen groben und slechten weiss Pinssler-Arbeit anzusehen…”.

Deze beschrijving is niet mis, in feite heeft Von Uffenbach bij de Haagse priester het in zijn ogen beste Nederlandse papierknipwerk mogen bekijken. Waar die stukken zijn gebleven is niet bekend, maar van Johannes van Achelom kennen we wel ander en waarschijnlijk vroeger werk. Dat komt voor in een door Gesina ter Borch familieplakboek. Gesina (1631-1690) begon dit boek in 1660, in de jaren zeventig werd het opnieuw ingebonden.

afb. Rijksmuseum

afb. Rijksmuseum

Het boek bevatte in eerste instantie waterverftekeningen en lofdichten, maar later veranderde Gesina’s kunstboek in een soort plakboek omdat zij er ook krantenknipsels, tekeningen, kopieën en papierknipsels in plakte. Die knipsels zijn de laatst gedateerde (1685) bijdragen aan het boek.

Gesina ter Borch

gebroeders Schellinger

gebroeders Schellinger

Ze zijn gemaakt door Gesina zelf haar neefjes Cornelis en Gerrit Schellinger en Johannes van Achelom.

Van zijn hand zijn twee knipwerkjes: een grafmonument in een door Gesina geschilderde bloemenkrans en een tafeltje met daaraan twee theedrinkende figuren en rechts een bediende

Van Achelom werd in 1668 door Cosimo III de Medici in dienst genomen tijdens zijn bezoek aan Amsterdam. Hij vertoonde het Italiaanse gezelschap daar zijn imponerende knipkunst (“…Giovanni Achelem que ritaglia in carta profili sottilissimi di figure, paesi et animali d’ogni sorte con singolar maestria, senza alcuna sorte di precedente disegno o manifattura”.) en liet verder zien dat hij ook uitstekend kon schaatsen. Bekend is dat hij nog in 1688 in hofdienst te Florence was en dat er door hem vervaardigde schilderijen zijn vermeld in oude inventarissen. Deze vermeldingen maken natuurlijk dat we graag meer zouden te weten willen komen over deze kunstzinnige Johannes.

Het laatste papierknipwerk dat Zacharias von Uffenbach en de zijnen op hun rondreis hebben bekeken is gemaakt door de Amsterdamse knipster Johanna Koerten-Blok (1650-1715).

Op 24 februari 1711 wordt haar atelier bezocht: “…Nachdem giengen wir zu der Mennonistin Johanna Coerten Block, in de nieuwen Dyck gegen unserm Wirthshaus Uber in de Black, um die schöne geschnittene papierne Sachen zu sehen…“. Johanna heeft volgens Zacharias 32 knipsels te bekijken, sommige ervan heeft de vorige maal (dus op zijn reis in 1705) niet gezien, die zijn nieuw voer hem. Het meeste werk van Koerten bestaat uit portretten, zo schrijft hij, stukken die zij eerst heeft getekend en vervolgens uitgeknipt. Dan worden ze tussen twee glasplaten geplaatst en zo ontstaat een bijzonder effect: “…Die schwarze Bretter der Thüren, so hinten davor sind, geben den Schatten durch die ausgeschnittene Lücken, dass es scheinet, als ware alles mit der Feder gerissen…“. Ook heeft Koerten enige reliëfstukken (“erhabener Arbeit”), vergelijkbaar werk hebben de Duitse reizigers in Rotterdam gezien maar deze knipsels zijn beter van kwaliteit. Von Uffenbach vindt een van haar mooiste stukken een bloemenvaas met de tekst “Vita nostra ut flos”, een knipsel dat ons bekend is uit de voormalige collectie Van Ommeren.

Meer over het werk van Johanna Koerten is te lezen in de nieuwsbrief van december 1994. Met deze opmerking besluiten we de aantekeningen van Zacharias von Uffenbach over Nederlandse papierknipkunst in 1710/1711. Een nieuwe serie artikelen over een ander interessant onderwerp uit de geschiedenis van de Nederlandse papierknip- en snijkunst zal worden opgenomen in de nieuwsbrieven van volgend jaar.

 

 

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-4 van Stichting W. Tj. Lever.

Curiöse von papier geschnittene sachen II, Nieuwsbrief 1995-3

Von Uffenbach’s aantekeningen over Nederlandse papierknipkunst in 1710-1711. Deel 2

Gerard van Spaan schrijft dat Rijberg zowel werk “in ‘t plat” als “in ‘t verheve” maakte. Ook vermeldt hij de waardering voor de knipsels van de Rotterdamse kunstenares: “…Deze dogter iets voor den Keurvorst van den Palts gesnede hebbende/ wierd vereert met dit volgende soort van goed; vier zilvere vergulde bekers met deksels /daar eenige Roomse Keizers op gedreven stonden; nog een klein zilver serviesje met het Keurvorstelijk Wapen daarop…“. Johann Wilhelm (1658-1716), keurvorst van de Palts bezocht Rotterdam in 1696. Van Spaan noemt in zijn “Beschryvinge der Stad Rotterdam”, waarvan de eerste druk twee jaar na het bezoek van de keurvorst verschijnt, nog een andere Rotterdamse papierkunstenaar: Gilles/Gillis van Vliet. Van Vliet (ca.1635/40-1701) was een wijnkoopman en azijnmaker die aan de Bierhaven, hoek Oranjestraat in de Maasstad heeft gewoond en gewerkt. Hij is in 1701 overleden, zijn tweede vrouw Cornelia Bras sterft enige jaren erna in 1706. De knipactiviteiten van Van Vliet zijn voor Von Uffenbach door diverse buitenlandse bezoekers beschreven. Zo schrijft Richard Chiswell in 1696: “…Wij bleven om iets van de stad te gaan zien en van haar bezienswaardigheden, onder andere papieren snijwerk, ingelijst net als schilderijen, schepen voorstellende, bloemen, enz. Bijzonder knap werk en te meer te bewonderen, omdat er nooit vroeger iets van dien aard gemaakt is, terwijl dit het merkwaardig bedenksel is van een zeer welgesteld heer (maar een melancholisch mensch); zoodat men groote sommen heeft geboden om deze dingen te koopen, doch tevergeefs…“ En Thomas Bowrey noteert in 1698: “…Hier zijn 2 of 3 plaatsen, waar heel mooi knippapierwerk gemaakt wordt. Het mooiste bij een meneer Van Vliet, die dit voor eigen tijdverdrijf vervaardigde; hij heeft een tiental stukken achter glas en omlijst; huizen, tuinen, landschappen, zeegezichten, bloemen en kantwerk. Dit kantwerk is met het bloote oog niet van echt kantwerk te onderscheiden. Die stukken zijn niet meer dan 2,5 voet lang en enkele hebben een waarde van ongeveer 1000 gulden. Maar die heer verkoopt er geen en vraagt ook geen geld voor de bezichtiging…’ In het testament van Cornelia Bras staat te lezen dat het knipwerk van Gilles van Vliet bij verschillende personen terecht is gekomen: Jan Sloten, Cornelia Bouwens, Anna Blommendaal, Pieter de Bricqueny, Franco Bouwens, Dirk van Ypen, Johanna de Bricqueny en Gerardus Vogel. Die Gerard Vogel is de schoonzoon van Van Vliet; hij heeft diens wijnkoperij en azijnmakerij aan de Bierhaven voortgezet. Bij hem ziet Zacharias von Uffenbach in 1710 het knipwerk van Gilles van Vliet.

Dat werk valt Von Uffenbach, die vermeldt dat de Franse reiziger François Misson daar zo lovend over heeft geschreven (1691), erg tegen: “…Wir fanden aber die Arbeit an diesen Stück- en lange nicht so schön, und sauber, als die bey der Jungfer Ryberg, ob er (= Vogel, red.) wohl die beste zehen Stücke, wie er versicherte in Erbtheilung bekommen. Die zwey besten stellten Schiffe vor, daran aber nichts als simple Blumenkrüge ganz flach, auf Apotheker-Art ausgeschnitten, und aufgeklebt, da hingegen der Jungfer Ryberg alle erhaben und natürlich war…”.

Of Von Uffenbach bij Vogel ook echt de beste stukken van Van Vliet heeft kunnen bekijken kan, gezien de vermeldingen van knipwerk in het testament van Cornelia Bras, worden betwijfeld. Vogel beschikte maar over een deel van het werk van zijn schoonvader en mogelijk waren dat niet de beste stukken. Gelukkig kunnen we sinds kort ons zelf een oordeel vormen over het knipwerk van de Rotterdamse wijnkoopman. Het Westfries Museum kocht enige jaren geleden een knipsel met een maritieme voorstelling, gemaakt door Van Vliet, aan.

Gillis van Vliet, collectie Westfries Museum

Bekijken we dit mooie stuk dan komen we tot de overtuiging dat de lovende opmerkingen over het werk van de knippende wijnkoper beslist niet overdreven waren. De Von Uffenbach’s bezoeken op 26 november 1710 ook nog de schrijnwerker Balten Gessing die in de Hoogstraat bij de Franse Kerk woont.

Hij toont zijn bezoek onder andere een “Perspectiv-Stück, die grosse Kirche zu Delft vorstellend, von van Vliet, davor er sechsig Gulden forderte…”. Er is wel verondersteld dat het hierbij zou hebben kunnen gaan om een reliëfknipsel van Van Vliet, maar veel aannemelijker is het dat Gessing een perspectiefschilderij van de Delftse schilder Hendrick Cornelisz. van Vliet in zijn bezit had. Dit schilderij is de Duitse reizigers echter te duur, ze bieden veertig gulden maar voor die prijs wil Gessing het niet van de hand doen. Later, in Delft, kan Johann Friedrich toch een perspectiefstuk van de Oude Kerk kopen gemaakt door Cöserman, hij betaalt daarvoor dan veertien gulden. Zacharias koopt daar een portret van Erasmus voor slechts drie gulden.

 

 

 

Die schilderijen komen uit het bezit van de Delftse chirurgijn Johannes van den Boogert (Boogaert) (1659-1731) die zij op 3 december 1710 hebben bezocht. Deze chirurgijn heeft ook papierknipwerk gemaakt. Von Uffenbach schrijft over hem: “… So ungeschickt er mit der Zunge ist (indem er entsezlich stottert) so geschickt ist er mit der Hand. Dann er schnitt erstlich gar sauber in Papier, wie wohl nur flach, davor er uns etliche Stück zeigte, so schön waren, als wir sie in Rotterdam gesehen. Vors die Vögel gar schön ausbalgen, und aufsetzen.. .“. Van den Boogert heeft een grote verzameling opgezette dieren, zoals vogels, insecten, vlinders, spinnen en schorpioenen. Het Duitse gezelschap koopt van hem enige exemplaren, voor het knipwerk heeft men minder belangstelling. Dat is plat uitgevoerd en lang niet zo mooi als het werk dat zij in Rotterdam hebben gezien. Chirurgijn van den Boogert is waarschijnlijk afgebeeld op het schilderij “De anatomische les van Dr. Abraham Cornelisz. van Bleiswijk” uit 1727 gemaakt door Thomas van der Wilt (1659-1733) voor het Delftse “Theatrum Anatomicum”.

De anatomische les van Abraham Cornelisz van Bleyswijck

Boogert

Knipwerk van de stotterende chirurgijn is niet bekend, al is het verleidelijk te veronderstellen dat een knipseltje voorkomend op een blad uit de verzameling van de Delftse medicus, schepen en burgemeester Hendrik d’Acquet (1632-1706) wel eens door Van den Boogert kan zijn gemaakt. D’Acquet had een mooie collectie van vooral naturalia die hij documenteerde door (ingekleurde) tekeningen. Ook liet hij afbeeldingen van exemplaren die hij niet in eigen verzameling had bij andere verzamelaars copieëren. Op een van de bladen komt een eenvoudig plat knipseltje voor: een dubbelgeknipt hart met vogeltjes. Iets van de hand van Van den Boogert of zou dit knipwerk pas veel later op het blad zijn aangebracht?

 

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-3 van Stichting W. Tj. Lever.

Haarlemse silhouetten, Nieuwsbrief 1995-3

Van de heer J. van Lieshout ontvingen we het artikel “Het Silhouet in Haarlem” uit het dubbelnummer over Haarlem van het tijdschrift GENS NOSTRA uit april/mei 1995. In dit artikel bespreekt de heer B. Sliggers Haarlemse silhouetten gemaakt door de profilisten Matthias van Geuns (1758-1839), Arnoldus Martinus Penninck Hoofd (1780-1818), Jacob Loos van Westerkappel (1772-1854) en Gerrit Jan Michaëlis.

afb. Gens Nostra

Met name het eerste gedeelte van het artikel verraste ons want daaruit bleek dat de schrijver op zoek was naar de twee silhouettenalbums van Ds. Van Geuns. En die bevinden zich sinds enige tijd in langdurig bruikleen in het Westfries Museum in Hoorn, we hebben dat de auteur natuurlijk laten weten. Van Geuns was dus al bekend als silhouettist, maar erg interessant zijn ook de portretten van Penninck Hoofd. Dat zijn profiels die, net als bij het werk van Van Geuns, zijn geknipt/gesneden uit wit papier en op een zwarte ondergrond zijn geplakt. Verschillende van de door Penninck Hoofd geportretteerde figuren komen ook in de Van Geuns-albums voor, zodat ze met elkaar vergeleken kunnen worden. De silhouetten van Loos van Westerkappel en Michaëlis zijn getekend met oostindische inkt en stellen de leden voor van het dichtlievende genootschap Democriet. Al met al is dit GENS NOSTRA-artikel erg informatief, een aanrader voor liefhebbers van de silhouetkunst.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-3 van Stichting W. Tj. Lever.