Auteursarchief: admin

De romantische dood, Knip-Pers 1986-3

Vanaf 1 november 1986 tot 6 januari 1987 wordt in het Westfries Museum te Hoorn de tentoonstelling “De Romantische Dood” gehouden.Tegelijkertijd verschijnt bij uitgeverij Unieboek het boek “De dood onder ogen”.

De romantische reactie in de 19de eeuw op het realisme van de 18de eeuw uitte zich uiteraard ook bij zaken van dood en rouw. De begraafplaatsen die werden aan gelegd nadat het begraven in de kerken was verboden, waren parken met monumenten, treurwilgen en kronkelende laantjes waar alle gelegenheid was om te mijmeren over de vergankelijkheid van het leven. Kleding en sieraden boden volop mogelijkheid om uiting aan rouw te geven. De herinnering aan de doden werd op de begraafplaatsen levend gehouden met monumenten en thuis met haarwerken, bidprentjes en knipsels.

Het Westfries Museum bezit een anoniem knipsel ter nagedachtenis aan een zekere Pieter Vader, overleden in 1839, met een rand van takjes en bloemen en bazuinblazende engeltjes (afb 1). Een Westfries knipsel uit particulier bezit is gewijd aan Alida Groot uit Wadwaay, overleden in 1902. Hier is de hartvormige voorstelling voorzien van een crucifix.

afb. 1, Rouwknipsel met de tekst Pieter Vader, Overleden 1839, Den 13 D Z Rer. Anoniem. sterk vergroot.

Daarnaast zijn er de “Gedenk te sterven” knipsels zoals dat van Arie Tergant (Alkmaar 1773 – Winkel 1852) in het Westfries Museum. Het knipsel is gesigneerd en gedateerd 1829. Het met veel krullen geknipte Gedenk te Sterven, wordt omgeven door de tekst:

“0 Mensch Gedenk U Dood Daar Gy Nog Heden Staat Want Eenmaal Naakt De Tyd Dat Ook IJ Sterfuur Slaat”.

Een soortgelijk knipsel van Tergant met de toevoeging; “Wie Gy Zyt Let Op De Tyd”, wordt bewaard in het museum Betje Wolff. De Zaanse Oudheidkamer bewaart een knipsel van de Alkmaarder knipper De Jongh uit het derde kwart van de 19de eeuw met de waarschuwing: “Zie toe waakt en bidt want gy weet niet wanneer de tyd is”.

De in rouwknipsels gebruikte symbolen zijn dezelfde als die op grafmonumenten en vanitas stillevens. Zij houden verband met de tijdelijkheid en vergankelijkheid, bijvoorbeeld een zandloper die soms gevleugeld is, want: De tijd vliegt. Een bellen blazend kind betekent vergankelijkheid: Het leven is als een zeepbel. Een symbool betreffende de eeuwigheid is Ourobores, de slang die zichzelf in de staart bijt. Op verrijzenis uit de dood en reïncarnatie wijzen onder meer graanhalmen en vlinders. Van het graan zegt de bijbel dat het sterft, waarna de korrels in de aarde opnieuw vrucht dragen. De vlinder ontstaat uit een rups die schijnbaar dood als pop in een cocon zit. Bovendien betekent het Griekse woord psyche zowel ziel als vlinder.

Onder invloed van de 18de eeuwse opgravingen werd de Romeinse urn populair. Terwijl de op begraafplaatsen veel voorkomende treurwilg zich uitstekend leent voor rouwknipsels.

afb. 2 Rouwknipsel door Arie Tergant (1829) “Gedenk te Sterven”, het in calligrafieletters geknipte middenstuk is los van de rest van het knipsel en ligt op een blauw fond. De opengeknipte dubbeltjesrand op verkleurd goudpapier en het resterende deel op een zwart fond.

Nauw verwant aan de knipkunst was het werken met haar. Deze uit Engeland overgewaaide rage was bij uitstek geschikt om de herinnering aan een geliefde levend te houden. In Penelope, een populair damesblad dat in de eerste helft van de 19de eeuw verscheen, stonden tal van tips voor het maken van kunstwerkjes in haar. Allereerst werd aangeraden toch vooral geen haar uit handen te geven. Men was dan immers nooit zeker of dat haar niet werd vervangen door dat van iemand anders.

afb. 3, Portret van de in 1898 overleden Margaretha Eijken, geheel omgeven door haarwerk. Collectie Westfries Museum.

Men gebruikte als ondergrond voor een medaillon, broche of hanger een stukje glas of ivoor. Glas had het voor deel dat het voorbeeld eronder kon worden gelegd. Op ivoor moest men rechtstreeks tekenen en plakken. Voorbeelden werden afgebeeld in tijdschriften, maar er waren ook speciale boekjes vol kleine gravures in de handel. Het makkelijkst was het werken met ragfijn gesneden haar. De schaduwpartijen en lijntjes van een prentje werden stuk voor stuk nagetrokken met lijm en dan bestrooid met haar. Vervolgens werd een andere kleur haar daarover aangebracht om contrasten te vormen. De omtrekken werden nagetrokken met oostindische inkt. Voor bloemblaadjes werden kleine stukjes bladgoud of perkament geknipt waarop een toefje haar werd geplakt, na drogen onder een plankje of persje werd het blaadje even opgekruld boven een warme stoof en dan op de glazen of ivoren ondergrond geplakt.

Voor grotere vlakken vlocht men “matjes” van verschillende kleuren haar zodat een dambordpatroon ontstond. De matjes werden in de gewenste vorm geknipt en dan bevestigd. Om het haar zo veerkrachtig mogelijk te laten blijven schreef Penelope voor:

“Men legt dan deze haren, glad gekamd zijnde, tamelijk uitgespreid op eenen neteldoekschen lap, legt er eenen andere over, en rijgt het haar tusschen dezelve ruitsgewijze vast. Nu werpt gij wat assche in een pannetje; daarop het matrasje met haar, en vervolgens water. Dit laat gij omtrent een uur koken; neemt het dan uit het water, spoelt het ter degen, en drukt het tusschen de handen uit; laat het drogen, nog in den lap zittende. Eindelijk neemt men het er uit, kant en borstelt het, tot het geheel zuiver van alle asch en weer glanzend is, en bewaart het dan tot gebruik”.

Grafstenen, urnen en dergelijke werden van bladgoud gemaakt. Bij de goudsmid waren kleine lettertjes en cijfers te verkrijgen om initialen en sterfdata aan te geven. Kransen werden gevlochten van gouddraad en tenslotte werd er gebruik gemaakt van miniscule pareltjes, kraaltjes en stukjes edelmetaal.

Als de dames aan het werk waren werden omstanders geweerd en de vensters gesloten, want een kleine beweging of een zuchtje wind was voldoende om het werk van uren verloren te doen gaan.

R.J. Spruit, Directeur Westfries Museum

Broodknipper of bijbaantje, Knip-Pers 2009-3

Deze begrippen geven de indruk dat mensen altijd knipten om geld in de knip te krijgen. De werkelijkheid is gelukkig anders, zoals we allemaal weten. Want wat is er aardiger dan om iemand te verrassen met iets dat je zelf gemaakt hebt. Toch zijn er onder ons ook knippers die in opdracht werken, bijvoorbeeld voor een bruidspaar of een nieuwgeborene. En een enkeling komt in contact met een galeriehouder en samen bepaalt men dan de verkoopprijs. Het hangt er natuurlijk heel sterk vanaf hoe kunstzinnig of vernieuwend het knipwerk is. Durf, techniek en vormgeven in de ruimste zin bepalen de aantrekkelijkheid van een stuk papierkunst en of de koper het gevraagde bedrag ervoor overheeft. Wij zetten de uren die we aan een stuk besteden meestal niet om in een uurloon, het plezier van het maken is onze verdienste.

Afb. 1.  F.H. van Voorst, vaandrig. Wapen Goes, met legerattributen (detail), 1727

Nu zijn er binnen de vereniging heel weinig knippers met een kunstzinnige opleiding. Laat staan dat wij van de knipkunst kunnen leven. In Zwitserland is dat wel anders. Daar hebben talloze opgeleide kunstenaars zich met schaar en mes op het papier gestort. Aanvankelijk waren er nog velen die de traditionele opzet van hun negentiende eeuwse landgenoten Hauswirth en Saugi volgden, maar tegenwoordig zijn de Zwitserse knippers vooral vormgevers die prachtige werkstukken maken en er prijzen voor vragen die er niet om liegen. Onze Hogescholen voor de kunst houden zich helaas niet met vormgeven in papier bezig. Ook op de tweejaarlijkse Papierbiënnale zijn het vooral buitenlandse papierkunstenaars die hun werk tentoon stellen!

In het recente verleden was er een knipper die wel van zijn werk kon leven: Wiecher Tjeert Lever. Naast inkomsten uit zijn museum in Westerbork knipte hij silhouetten, ook op zakelijke feesten. En ’s winters maakte hij honderden kleine knipseltjes die hij inlijstte en ’s zomers verkocht.

afb. 3. Jan de Prentenknipper, marskramer. Kerkboekprentjes, Salomo’s Eerste Regt (en Abrahams Offer); Doet Regt, plm 1850

Ook Jan de Prentenknipper maakte omstreeks 1850 zijn voorraden in de winter en ventte die uit op zijn tochten over de Zeeuwse eilanden, van huis naar deurtje. Die paar centen waren net genoeg om in leven te blijven, maar ’s winters moest hij een beroep doen op de diaconie voor brood en turf.

Zijn tijdgenoot in Noord-Holland, Arie Tergant was timmerman. Hij maakte veel tekstprenten in een mooie stijl en kreeg daar ongetwijfeld voor betaald. Voor een prent die hij naar de koning stuurde kreeg hij f.25.-. dat was toen een half maandloon. Maar aan de opdrachtgevers in zijn directe omgeving zal hij waarschijnlijk niet veel meer dan een dagloon gevraagd hebben.

afb. 3. Jan de Bleijker, predikant. Bijbelse voorstellingen, plm. 1750

In Rotterdam woonde Johannes Kopper, die bakker was. Door zijn succes met het knippen van -vooral- schepen op zee, gaf hij zijn bedrijf er aan en kon hij omstreeks 1770 leven van zijn schaar. Een tijdgenoot was dominee Jan de Bleijker in Alkmaar. Hij maakte vooral huwelijksprenten en kon zo zijn honorarium aanvullen.

Zo’n vijftig jaar eerder weten we iets van de prijzen die Frederik Hendrik van Voorst kreeg. Daar waar hij grote stukken perkament bewerkte voor stadsbestuurders van Nijmegen, Tiel en Goes kreeg hij 50 tot 100 gulden. Dat hing af van de grootte en voornaamheid van betreffende stad. Van Voorst was vaandrig, waarschijnlijk een soort erebaantje in een legereenheid, en omdat hij van (lage) adel was, zal hij ook wel op het familiekapitaal hebben kunnen teren.

En er was ook nog een huisvrouw, Johanna Coerten, getrouwd met Adriaan Blok. Omstreeks 1700 waren haar geknipte  portretten en sierstukken zeer gewild bij voorname bezoekers. Zij vroeg en kreeg prijzen waar Rembrandt jaloers op zou zijn! Maar omdat zij er zolang aan werkte, wilde ze haar werk eigenlijk niet verkopen. Dat was ook niet nodig want haar man verdiende als lakenhandelaar immers de kost.

afb. 4. Cornelis Moojen, onderwijzer. Kinderen, dieren en bloemen, plm. 1950

Zo zijn er in de loop van de geschiedenis allerlei voorbeelden te vinden van ambachtslieden die het knippen als bijbaantje hadden: vader en zoon de Jongh – huisschilders in Alkmaar en Haarlem, Jannes Grootenhuis – kleermaker in Overijssel, Johannes Stompff, leerlooier te Haarlem, Jacobus Verhoeve, hortulanus te Rotterdam, Cornelis Moojen, onderwijzer te Amsterdam en winkelier Evert Root, ook in Amsterdam. Wat zij voor hun knipwerk kregen, vermeldt de historie niet. Ongetwijfeld hebben zij, net als wij plezier in hun creatieve werk gehad. We blijven ons steeds verbazen dat zij, zonder contact met elkaar en zonder een stimulerende vereniging zulke heel eigen kunststukken maakten en daarmee geschiedenis hebben geknipt.

Joke en Jan Peter Verhave

Geknipt voor de koning van Groningen, Knip-Pers 2010-3

In Groningen staat een huis,
en in dat huis woonde een Heer.
Het staat op de Ossenmarkt en de Heer was Jan Albert Sichterman, een steenrijk koopman halverwege de achttiende eeuw. Hij had als jong officier eens in een duel om de gunst van een jonge dame zijn rivaal doodgestoken. Duelleren mocht toen alleen nog zonder de tegenstander te doden. Nu moest hij zich uit de voeten maken, monsterde aan bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en vertrok naar Indië en daarna naar Bengalen. Dat is nu een provincie van India en het aangrenzende Bangla-Desh. Hier maakte hij carrière en verzamelde een fortuin.

En die Heer die had een Vrouw,  Sybilla Volkera Sadelijn, rijke dochter van de directeur van Bengalen. Sichterman volgde zijn schoonvader op. Na 28 jaar keerde de familie terug naar Groningen, met een kostbare huisraad, waarvoor twee zeeschepen nodig waren. Daaronder een levend neushoorntje, Clara genoemd, dat tot vermaak van de gasten vrij mocht rondlopen. Toen het dier te groot werd, verkocht Sichterman het en de nieuwe eigenaar trok er heel Europa mee door. Meerdere kunstenaars hebben Clara vereeuwigd.

De familie had het breed en liet het breed hangen. Naast al het oriëntaalse moois, breidde het echtpaar zijn kunstcollectie, schilderijen, serviezen steeds verder uit. Ze lieten zich in een rijtuig met zes paarden vervoeren, met “donkere negers” op de bok. Sichterman strooide elke week geld vanaf zijn bordes naar de paupers. Hij was een rokkenjager en had het vooral op domineesvrouwen gemunt…en er was wel meer dat het daglicht niet kon verdragen, zeker op financieel gebied. Maar bij zijn dood in 1763 bleek hij op te grote voet geleefd te hebben en een groot deel van de inboedel moest worden geveild. Uiteindelijk heeft het Groninger Museum een mooie verzameling voorwerpen, die ooit van “De koning van Groningen” waren, in haar bezit gekregen.

En de Vrouw die had een kind, wel meerdere, maar één meisje is belangrijk in ons verhaal. Zij trouwde met een Schotse edelman en nam een aantal dierbare stukken uit de boedel mee naar Schotland. Daaronder een knipwerk. En dat werd onlangs door een verre nakomeling uit Schotland te gelde gemaakt. Het Groninger Museum kocht het voor een lief prijsje van een kunsthandelaar; na 250 jaar was het terug in Stad.

Het is dan ook niet zomaar een knipseltje. Het is gemaakt voor het zilveren huwelijksfeest van Jan Albert en Sybilla Sichterman-Sadelijn in 1746. De Latijnse tekst “Nil vinclis dulcius illis” luidt: Niets is zoeter dan deze boeien (namelijk die van het huwelijk; maar of die twee zo gelukkig waren samen, valt te betwijfelen, gezien de escapades van Meneer).

afb. 1, J.C. Koster, “Nil vinclis dulcius illis”, 1746, 31 x 36,5 cm

Het stuk is voor een knipwerk bepaald indrukwekkend (31 x 36,5 cm), rijk versierd en zeer fijn uitgewerkt. Het is van lagen wit papier, waarin reliëf is geperst. Tussen de pijlers van een tuinhek zien we een opgetuigd VOC schip voorbij zeilen. Boven de boog van het hek en tussen twee siervazen de putti, of gevleugelde kindengeltjes, die de familiewapens van het echtpaar ophouden (een eekhoorn en een zadel). Die wapens komen nog eens voor op de pijlers, samen met die van de ouders van wederzijdse moeders (“kwartierwapens”).

Rond het hekwerk zijn bloemguirlandes en klimop gedrapeerd. Tegen de pijlers staan de attributen van Mercurius en Neptunus. Deze Romeinse goden en/of hun attributen vertegenwoordigden de handel en scheepvaart, en komen vaak samen voor op gevels van statige huizen in havensteden. De tekst onderin luidt: “Door nutte koopvaardye bloeit Indus maatschappye”. Dat lijkt een nobel motto, maar de VOC had vooral ten doel om De Republiek te laten profiteren van Indië; in ieder geval is Sichterman rijk geworden door handel en zeevaart (dat verbeeldt ook de hoorn van overvloed, rechts).

De kunstenaar moet een begaafd iemand geweest zijn; hij heeft zijn naam, C. Koster Inv & Fec 1746, rechts onder het schip aangebracht (C. kan natuurlijk ook een vrouw zijn geweest).

afb. 1, J.C. Koster, “Nil vinclis dulcius illis”, 1746, detail

En Koster was niet de enige kunstenaars die schepen knipte: lang voor hem in 1685 maakte Gillis van Vliet in Rotterdam mooie schepen (zie Geknipt!, afb. 8). Koster’s tijdgenoot was Jan Kopper, ook uit Rotterdam, die veel schepen en grote zeegezichten knipte (Geknipt!, afb. 212, 213). Een uitdaging was het om die opgetuigde zeilschepen zo fijn mogelijk uit te werken en zulke kunststukken werden dan ook zeer bewonderd.

Maar… Koster is ons onbekend en ook zijn stijl van werken, herkennen we niet in ander knipwerk uit de achttiende eeuw. Toch moet hij (Cornelis?) in zijn tijd bekend zijn geweest en mooi werk hebben gemaakt; zo’n kunstwerk maak je niet zo maar en hij was dus in 1746 al zeer bedreven. Anders zou hij de opdracht van Sichterman niet hebben gekregen. Zo moeten we constateren dat er steeds nieuw knipwerk opduikt, en dat is dan weer aanleiding voor nader onderzoek. In Schaarkunst uit 1983 kenden we 70 knippers uit de geschiedenis bij naam; in 2008 toen Geknipt! uit kwam waren dat er meer dan 200 en die lijst zal nog wel groeien.

Maar waar moeten we zoeken naar deze knipper Koster? In Groningen of misschien in Holland? Dat laatste is niet onwaarschijnlijk, want Sichterman gaf de Haagse hofschilder Philip van Dijk opdracht om in 1745-’46 portretten te schilderen van hem, zijn vrouw en al zijn kinderen. Wellicht is Koster te vinden in de kring van Van Dijk, die ook kunsthandelaar was. We gaan maar eens op zoek in het westen van het land.

Joke en Jan Peter Verhave

Met de scheer in ’t geweer, Knip-Pers 2010-1

Oorlogszuchtig zijn onze knippers niet geweest. Wapentuig en kanongebulder is maar zelden afgebeeld. Nu is de Republiek en later het Koninkrijk der Nederlanden ook niet zo vaak in oorlog geweest. De Tachtigjarige oorlog valt buiten ons bestek, want knipsels van voor 1648 zijn er maar heel weinig. Dan zijn er een aantal Zeeoorlogen met de Engelsen uitgevochten in de 17e eeuw en tegen het eind van de 18e eeuw kwamen de Fransen. In 1831 trok het Nederlandse leger op tegen opstandige Zuiderburen en meer dan een eeuw later werd Nederland bezet door Nazi-Duitsland.

In de Tweede Nederlands-Engelse Oorlog vernietigt Admiraal Michiel de Ruyter de Engelse vloot bij Chatham in 1667. Van dit tafereel op de Thames is omstreeks 1790 een levendig knipwerk gemaakt in papierreliëf, door de Nederlander J.S. d’ Arnaud (afb. 1). Het Britse vlaggenschip “Royal Charles” dat werd buit genomen, is duidelijk te zien.

afb. 1, J.S. d’ Arnaud, ca 1790

Als er geen oorlog was, dan toch nog wel een leger. In 1691 laat Luitenant Kolonel Christoffel van Voorst zijn familiewapen uitsnijden in perkament (afb. 2). Hij was geboren in 1673 en al op zijn zeventiende jaar Majoor van een Infanterie Regiment. In 1693 trouwt hij met Elisabeth van Breugel, en toen zijn hun beider familiewapens door dezelfde kunstenaar, J.C. Grosce, uitgesneden. Het echtpaar vertrekt naar de Kaap, waar Christoffel in de boeken voorkomt, omdat hij in 1695 zijn slaaf Titus verkoopt.afb. 2. J.C. Grosch

We kennen nog een militair die zelf uit perkament heel mooie sierstukken sneed: Frederik Hendrik van Voorst, vaandrig. Afgaand op de heel verschillende familiewapens, waren zij geen familie van elkaar. Kennelijk is vaandrig geen zware baan, want F.H. vervaardigt omstreeks 1720 veel kunstige stukken in opdracht. Zo verdient hij er ook nog wat bij. Voor de burgemeesters en bestuurders van verschillende steden maakt hij grote stukken (afb. 3), waarbij achter het stadswapen allerlei vaandels en kanonnen tevoorschijn komen.

afb. 3, F.H. van Voorst, ca 1720

Dan is er in 1768 de Luitenant der Schutters van de Amsterdamse Gewapende Burgerwacht, in wijk 56, Gerard Adriaan Onderdelinden. Hij leeft van 1748 tot 1787, trouwt met Alida Brouwer en krijgt bij haar zes kinderen. Het knipsel met de mooi gekalligrafeerde letters (afb. 4) is gemaakt na zijn twintigste verjaardag (hij was gedoopt op 12 januari en het knipsel is gedateerd 9 maart). De maker is onbekend.

afb. 3, anoniem, 1768

In de Franse tijd trouwt Jan Roelof Haverman met een meisje Schut. Hij is geboren in 1788 het huwelijk zal wel omstreeks 1810 zijn voltrokken. Hij draagt het gala-uniform van een officier, waarschijnlijk in het Franse leger (afb. 5). We weten verder niets van dit stel, maar het is aardig om te weten dat zijn voornaam 150 jaar later nog steeds voorkomt in de familie Haverman. Wie het prachtige knipsel heeft gemaakt, weten we evenmin.

afb. 5, anoniem, ca 1810

afb. 6, Jan de Prentenknipper, na 1815

De slag bij Waterloo in 1815 betekent het einde van de Franse overheersing en de val van Napoleon. Jan de Prentenknipper heeft er zo’n twintig jaar later een heel levendig tafereel van geknipt (afb. 6). We zien allerlei onderdelen, infanteristen, cavaleristen, artillerie van Engelsen, Pruisen en Nederlanders die tegen de Franse legers optrekken. In de gevechten vallen veel doden.

Ook over de invasie van de Engelsen op Walcheren in 1809 maakt hij een prent. Jan heeft later ook wel boekenleggertjes geknipt met wapentuig….

Jan Joseph Jöbsis uit Limburg is infanterist. Tijdens de Tiendaagse Veldtocht tegen de opstandige Belgen (1831) maakt hij portretjes van zijn kameraden in uniform, meestal samen met hun geliefden thuis.  Hier is afgebeeld Martin J. Magnin en tegenover hem Hinderkje A. Bouwers (afb. 7). Over hen hebben we geen verdere gegevens gevonden. Jöbsis wordt daarna gelegerd in Nijmegen en trouwt er met de dochter van zijn sergeant. Jöbsis heeft verder veel godsdienstige onderwerpen geknipt.

afb. 7, J.J. Jöbsis, ca 1831

De Nederlanders van die tijd zijn maar wat trots op die Tiendaagse. Daarvan getuigt een letterknipsel door H. de Heide (afb. 8). De krullen zijn zo weelderig dat de tekst slechts met moeite te lezen is: “Hollands Eer en Roem Gehandhaafd te Hasselt en Leuven door den Prins van Oranje, Veld Maarschalk en Opperbevelhebber van het Nederlandsche Leger, Op den 8 en 12 Augustus 1831”. Intussen is de expeditie een flop en België scheidt zich af. Van De Heide weten we ook niets en we kennen geen ander knipwerk van hem.

afb.8. H. de Heide, ca 1831

Tenslotte, de Tweede Wereldoorlog. De schimmensnijder Frans ter Gast snijdt in de hongerwinter een aantal platen, die in 1946 worden gedrukt in een bundel Sage en Feit uit Oorlogstijd. Hij beeldt de levensomstandigheden tijdens de bezetting uit en maakt politieke karikaturen, o.a. van de collaborateurs. Afb. 9 toont de N.S.B.-er cadetten, “de nieuwste soort marionetten, alleen maar laarzen en petten. Men moet er geen tronie in zetten.”

afb. 9, Frans ter Gast, 1946

Zou er ooit iemand een knipsel hebben gemaakt over de U.N. Vredesmacht in Libanon, de Balkan, of over het Nederlandse leger in Afghanistan?

Joke en Jan Peter Verhave

Een schaarse kunstenares, Knip-Pers 1989-3

Dit voorjaar was er in het Teylers Museum te Haarlem een tentoonstelling “Portrettisten van Flora”, over Haarlemse schilderessen in de vorige eeuw. Een van hen was Elisabeth Johanna Koning, geboren in 1816, die ook vaardig blijkt te zijn geweest met de schaar. We ontdekten het te laat, maar haar verhaal is toch opmerkelijk genoeg om door te geven.

Dat knippen was zo bijzonder niet, want meisjes uit betere kringen moesten zich op hun taak in het leven voorbereiden en allerlei handvaardigheden oefenen. Men vond dit soort van geknutsel overigens typisch iets voor meisjes. Hildebrand, de Haarlemse schrijver van de “Camera Obscura”, probeerde de overbezorgde moeders ervan te overtuigen dat ze hun jongens niet zo tuttig moesten opvoeden: “gij laat hem doosjes leren plakken en nuffige knipsels maken”. Dat was misschien nog iets voor een bleekneuzig enig zoontje met blauwe kringen onder de ogen, maar niets voor een Hollandse jongen!

Bij Betsie was er toch wel iets bijzonders aan de hand: ze was gehandicapt geboren, met een gedeeltelijk ontwikkelde rechterarm, zonder hand. Toch was ze een gezonde meid, die zich goed kon handhaven tussen haar zeven broertjes en zusjes en ‘t liefst in jongenskleren aan de spelletjes meedeed. Met haar linkerhand werd ze ongelofelijk handig en als meisje van 15 richtte ze haar eigen album met knip- en plakwerk in. *)

Aanvankelijk waren het traditionele landschapjes uit wit papier op een zwarte ondergrond; later versierde zij ze met kleine stukjes gekleurd papier. Ze beeldde bekende stadgenoten uit en noemde die haar “plakpoppetjes”. Haar leeftijdgenoot Nicolaas Beets kwam bij de familie aan huis en toen hij, als Hildebrand, zijn “Camera Obscura” had geschreven, beeldde Betsie de figuren uit. De schrijver kreeg er een cadeau, wat hij altijd als een dierbaar aandenken heeft bewaard. Het plakboek is, veel later, zelfs gebruikt als voorbeeld voor de costuums in een toneelstuk over de familie Kegge, bekende figuren uit de Camera!

afb. 1, Met de “vier” uit toeren, uit de Camera Obscura.

Betsies vader, “monsieur Koning”, die een particuliere school voor jongens had, heeft haar zelf onderwijs gegeven; samen met de jongens kreeg ze aan een eigen lessenaar tekenles. Hij ontdekte dat zijn dochter meer in haar mars had en deed haar in de leer bij een schilderes, Henriëtte Knip (!). Ze leerde bloemen en dieren tekenen en schilderen en dat deed ze zo goed, dat ze haar producten naar tentoonstellingen stuurde. Ze kreeg opdracht de zeldzame bloemen in de kassen van Haarlemse kwekers uit te beelden. Haar werk viel in de prijzen en ze verkocht zelfs een schilderij aan Koning Willem II. Het Haarlems tekencollege “Kunst zij ons doel” (zoiets als een knipkring) accepteerde haar als lid en in 1845 werd Betsie zelfs lid van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Ze ging veel reizen en begon aan andere dames tekenles te geven. In 1851 bezocht ze de Wereldtentoonstelling in Londen en vier jaar later die in Parijs. Dat gereis was ook een beetje om het verdriet te vergeten over haar overleden verloofde. In 1859 trouwde Betsie met de koopvaardijkapitein Stapert en maakte met hem een reis naar Indië, waar ze een groot aantal aquarellen van bloemen, vruchten en insecten maakte. Toen het gezin later in Groningen en Rotterdam woonde heeft ze zich ook daar steeds met de kunst bezig gehouden, naast de zorg voor haar man en kinderen.

Het knipwerk was jeugdwerk gebleven. Jammer, want als ze het was blijven doen, had ze het met haar talenten zeker boven het dilettantistische uit kunnen tillen. De typische figuurtjes uit het album, samengesteld uit strookjes, snippertjes en puntjes van gekleurd papier, zien er zo gracieus en levendig uit. De mensen in hun modieuze kleren bewegen zich natuurlijk; zo klein als ze waren, had elk een eigen gezicht gekregen. Ook de dravende paarden, met of zonder koets, zijn uitstekend weergegeven. Opvallend is een kerstman, met zijn door een hert getrokken slee.

afb. 3, Schommelende kinderen

Maar papierknippen was toen, en wordt nog steeds hoogstens als kunstig beschouwd. Betsie is zich gaan wijden aan tekenen en schilderen; nu liggen haar bloemportretten in mappen in museumdepôts. Onlangs werden ze weer eens tevoorschijn gehaald. Was dat omdat ze een vrouw was, gehandicapt bovendien, of om haar kunst? In ieder geval was Betsie Stapert-Koning iemand met doorzettingsvermogen, die plezier had in wat ze deed voor zichzelf, in een tijd dat vrouwen werden geacht hun talenten te wijden aan hun gezinnen.

Joke en Jan Peter Verhave

*) Het knipselalbum wordt bewaard in het Gemeente Archief, Haarlem, waar het als handschrift 206 op verzoek ingezien kan worden.

Om verder te lezen: Reuske Jellema, Het opmerkelijke leven en oeuvre van een Haarlemse kunstenares: Elisabeth Johanna Koning (1816-1887), Teylers Magazijn 22, winter ‘89.

Een verrassing I, Knip-Pers 1989-4

Soms sta je ineens voor een verrassing, iets onverwachts! Dat kán iets negatiefs zijn, maar ook iets moois of merkwaardigs. In mijn geval was het iets moois én merkwaardigs.

Toen ik ergens in Nederland mijn gebruikelijke lezing met dia’s gaf over “de Papierknipkunst van vroeger tot nu”, kwam er in de pauze een dame naar mij toe, die mij vroeg of zij mij wat oude witte knipseltjes mocht laten zien. Zij hield een boekje van ± 18 x 12 cm in haar hand en ik zag in één oogopslag een grauw kaftje om bladzijden van oud blauw papier (afb. 1).

afb. 1

En waarom werd ik alleen bij het zien daarvan al opgewonden en wist ik dat dit iets bijzonders zou zijn? Omdat ik mij herinnerde wat ik ooit in een artikel over “de Historie der papiersnij- en knipkunst” geschreven had, in het jaarboek van 1968 (35e bundel) van het Historisch Genootschap “Oud West-Friesland”:

Op blz. 105 onderaan schreef ik daar:
“De 17de eeuw heeft in ons land zeer veel aanhangers van de schaarkunst gekend. In aanzienlijke kringen werd het soms als een gezelschapsvermaak bedreven. Men knipte toen hoofdzakelijk van wit papier. In het buitenland, waar de knipkunst ook bedreven werd, stond Holland hoog aangeschreven voor dit zgn. “witwerk”, hetgeen een combinatie was van knip- en snijwerk.”

Naar aanleiding van dit artikel was mij toen voor het eerst ook onder ogen gekomen het boekje: “Konstig en Vermaakelijk Tijdverdrijf der Hollandsche Jufferen of onderricht der Papieren Snijkonst”. Uitgegeven te Amsterdam, anno 1686! Hierin stond allerlei gereedschap beschreven wat je hier zoal voor nodig had (waar over later misschien meer). Waar het nu om gaat was, dat er geschreven werd over

(ik citeer) “Veluws papier, dat is witter dan het Franse. Dit papier moet vast, dat is welgelijmt zijn, hetwelk men kan beproeven als men de tong, een weynig nat zijnde, op het papier strijkt, indien het nat niet door het papier slaat, soo is het goed, anders niet. Het papier moet glad en niet bulterig of met knobbelen zijn; want dat is quaad voor de schaartjes”.

Vervolgens staat er geschreven:”Eyndelijk moet men ook een blaauw Boekje hebben, gemaakt van Suykerbakkers blaauw Papier, om daar in eenige gesneeden dingen te bewaren, of enige Modellen in te leggen. Dit blaauw Papier moet géén Speldemaakers blaauw Papier zijn: omdat dat geverft is op één zijd, en door de minste vochtigheyd gaat’er de verf. af,waar door het wit gesneeden werk soude konnen besmet worden. Dit.ïs meede te koop zoals achterin sal gemeld worden”.

En, dáár stond ik toen, met ZO’N. boekje voor mijn ogen!

In de pauze van mijn lezing, met véél dames om mij heen, die wachtten tot ik zou demonstreren. Wat deed ik …? .. Ik zag dat het blauwe, papieren binnenwerk vól lag met LOSSE witte beeldschone knipseltjes, en … ik gaf het hele boekje ijlings terug aan de mevrouw!! Waaróm? Wel, omdat het veel te bijzonder was om tussen al die mensen éventjes in te zien. En ik vroeg haar om een afspraak, zo dat ik het bij haar. thuis in alle rust mocht komen bekijken.

En zo kunnen jullie nú meekijken.

Wat bleek? Het was zo’n oud boekje, van het zogenoemde “suykerbakkers blaauw papier”. Hetzelfde papier als vroeger, om de witte suikerbroden gevouwen werd. (In antieke kruidenierswinkeltjes in musea nog te zien.)

Maar … de witte knipseltjes – ongeveer tussen de 8 en 10 cm groot, waren van wat latere datum. Meestal tast je dan in het duister wat het jaartal of de tijd betreft. Maar, wát was het eerste knipsel? Een weelderige omlijsting van het woord “BEGIN”, met daaronder zowaar het jaartal: 1742 (afb. 5).

afb. 5

En verder veel allegorische en huiselijke tafereeltjes, cupidootjes, Nederlandse leeuwwapens, twee huwelijksknipseltjes zonder naam of jaartaL erin. De eigenares van het boekje had het als kostbaar kleinood van haar schoonmoeder geërfd, die het ook weer van háár moeder had. Doch zij wist geen naam van eventuele knipper of knipster; overigens wil zijzelf ook graag anoniem blijven. Toch zou het huwelijksknipsel wel de aanleiding van het jaartal 1742 en alle andere knipsels kunnen zijn, die vrijwel alle door prachtige kadertjes omgeven zijn, in de toen heersende ”rococostijl”, de cultuurperiode in Europa tussen 1720-1775. Ter oriëntatie van het tijdbeeld: In 1742 verkeert de toen “Nederlandse Republiek” nog in het 2de Stadhouderloze tijdperk. Het is evenwel vlak vóórdat dan in 1747 Willem IV Stadhouder van alle Gewesten wordt. Een tijd die zich hier verder niet spectaculair onderscheidde. In Frankrijk daarentegen komt dan tien jaar later – in 1757 – de ons bekende “Baron Etienne de Silhouette” (1709 – 1767) als minister van Financiën van Lodewijk XV in beeld, die sinds 1750 de schaduwportretten, de naar hem genoemde “Silhouetten” daar in de mode brengt, die van zwart papier geknipt worden. Daarmee wordt de witwerkperiode gaandeweg gevolgd door zwarte knipsels.

Maar, kijken wij nu nog naar ons beschreven boekje waarin zich nog meer, ook mooie Bijbelse voorstellingen bevinden, die zeer illustratief de teksten waarbij zij behoren uitbeelden. (afb. 3)

afb. 3

Ik geef een opsomming in vogelvlucht: De slang verleidt Eva in het Paradijs (Gen. 3:1-7); Kaïn doodt zijn broeder Abel (Gen.4:8-10); Abraham’s offer (links onder, Gen.22:l-19); Jozef’s vlucht voor de verleiding door de vrouw van Potifar (links boven, Gen.39:12); Jozua en Kaleb, de verspieders van het land Kanaän (midden rechts, Num.13:1-24); Bileam tegenover de Engel der Heren (rechts boven, Num.22:23-33); David en Goliath (links boven, I Sam.17:45); Koning Saul wil David doden (rechts boven, I Sam.l8:10-11l); De dood van Absalom (rechts onder, 2 Sam.18:9-14; Salomo’s wijze rechtspraak (midden onder, 1 Kon.3:16-28).

Aan het eind van het boekje lag er een engel met een bazuin (afb. 2). Laten wij zeggen dat die jullie allen het Kerstgebeuren wil laten beleven; een ieder op zijn eigen wijze: Zalig, goed, gezegend of vrolijk Kerstfeest.!

afb. 2

En geheel als slot van het boekje lag daar het knipsel “EYNDE”, waarmee wij jullie allen een Zalig uiteinde en een Goed begin van 1990 toewensen (afb. 5). Waarin het kwaad in onszelf en in de wereld overwonnen moge worden! Bier uitgebeeld door Sint. Joris, die de draak overwint (afb. 4).

afb. 4, Sint Joris en de draak

To van Waning-Mijnlieff

Symbolen in silhouet, Knip-Pers 2009-1

Onze wereld zit vol met symbolen. We hebben er behoefte aan om orde te scheppen door beeldtaal. Een beeld staat ergens voor en we begrijpen het in een oogopslag.

Als verliefden een brief eindigen met  ♥♥♥ dan weet iedereen wat dat betekent. En een  † achter iemands naam is ook duidelijk. Als antwoord op de vraag “hoe gaat het?” kun je terugmailen ☺. De computer zit vol met beelden, icons. Dat woord is afgeleid van ikoon, het beeld van een heilige dat de Oosterse Christenen gebruiken in hun huizen en kerken. Kerk en religie zijn vol van symbolen, maar velen van ons leven daar niet meer mee. Zo verdwijnen ook allerlei godsdienstige symbolen uit ons collectief geheugen. Weet u bijvoorbeeld nog wat de combinatie van kruis, hart en anker betekent? (afb. 1. Antwoord elders)

Ook op straat vragen symbolen onze aandacht. Zo zijn verkeersborden allemaal beelden met een betekenis. Soms is zo’n beeld zo traditioneel, dat het door de tijd helemaal is ingehaald. Denk maar aan het waarschuwingsbord voor een spoorwegovergang: een ouderwetse stoomlocomotief.

afb. 1, anoniem, 16 x 21 cm

Een figuur, die we in moderne afbeeldingen en krantenadvertenties weinig meer zien, is de hoorn van overvloed, het symbool van zegen en rijkdom. Het begrip komt uit de Griekse mythologie: een geit zoogde de oppergod Zeus en zo schonk de hoorn alles wat een mens zich begeerde. Het Latijnse woord cornucopia is samengesteld uit cornu (hoorn) en copia (voorraad). In de knipsels zien we meestal bloeiende planten uit de hoorn komen (afb. 2). In Geknipt! kunt u verschillende voorbeelden vinden (afbeeldingen 38, 89, 72, 73, 179). Bloemschikkers maken nog wel eens gebruik van een cornucopia bij een oogstfeest; er komt dan allerlei fruit uit rollen. Overigens doet het schoenzetten bij Sinterklaas ook aan een vruchtbare oogst denken!

afb. 2, anoniem

De Nederlandse Leeuw is natuurlijk wel bekend (afb. 3). Weet u waarom hij zeven pijlen in zijn ene poot draagt?

afb. 3, anoniem

De dood wordt vaak verhuld in symbolen (afb. 4). Wij zien vijf beelden van de dood in afb. 4, u ook? ook spreuken (zie Geknipt! afb. 45, 234). Een hele aardige uitspraak kwamen we tegen in de tentoonstelling over Erasmus in Rotterdam. Hij zei: “Homo bulla”, wat zoveel betekent als “de mens is een zeepbel”. Dat symbool komt ook in Geknipt! voor (waar?).

Bij huwelijken wordt vaak met rijst gestrooid (vruchtbaarheid), maar dat kan voor stadhuisbodes bezwaarlijk worden. Als alternatief wordt tegenwoordig vaak bellen geblazen naar het bruidspaar, maar daaruit blijkt dat we de oorspronkelijke betekenis helemaal kwijt zijn!

afb. 4, anoniem

Allerlei al of niet gevleugelde figuren zijn in de kunst rijk vertegenwoordigd. Wij zijn al gauw geneigd om ze allemaal engelen te noemen, maar er is een grote verscheidenheid. Als u de tentoonstellingen over engelen in het Catharijne Convent, Utrecht of in het Iconenmuseum, Kampen hebt bekeken, weet u nu vast wel dat er in de Bijbel cherubijnen en serafijnen genoemd worden die Gods lof bezingen, ook gewone en aartsengelen (kent u er een paar bij naam?). Er staat vaak niet bij of ze vleugels hadden en de betekenis van het woord engel, angelos, is gewoon boodschapper (denk maar aan het woord evangelie: eu (goed) angelium (boodschap). Maar hemelse boodschappers waren er ook in andere godsdiensten, gevleugelde dieren, mannen (Hermes, Mercurius) of vrouwen (Nikè, Victoria) en kinderen (Eros of Amor). Kunstenaars hebben alles een beetje door elkaar gemengd. Daarom nog eens een paar mythologische figuren op een rij, die géén engelen waren:

Het Fortuin, een menselijk wezen in de wind, balancerend op een bol, meestal de aarde. U voelt de betekenis vast goed aan, je staat niet stabiel, je bent lang niet altijd fortuinlijk (zeker niet in deze tijd!). In Geknipt! staat een mooi knipsel op afbeelding 76.

Genieën zijn in onze tijd knappe koppen, maar vroeger stelden de goede en de kwade genius de ziel van de mens voor. We zien ze in de (knip-)kunst vaak afgebeeld als dragers van een tekstband of baldakijn (Geknipt! afb. 28, 84, 86, 110).

Famen hebben een toeter, waarmee ze de goede naam en faam van iemand rondbazuinen (Geknipt! afb. 44, 81, 89, 90).

U moet afb. 5 eens goed bekijken (gekleurde afb. 91 uit Geknipt!). Jan de Prentenknipper was een eenvoudig man, maar in zijn knipsels verwerkte hij tal van symbolen. Van boven naar beneden zien we in de hoek het fortuin. Onder de boog de haan (waakzaamheid, vruchtbaarheid, ook het verraad van Petrus); de zeis en een schedel met botten (de dood); dobbelstenen (het lot); een lam (“Zie het Lam Gods”). Daaronder een bepakte ezel een olifant en een zwaan: daarvan ontgaat ons de betekenis. Mogelijk is de olifant een beeld van Christus die met zijn voeten de duivel vertrapt en staat de ezel voor deemoed, geduld en eenvoud. De ezel en de olifant werden pas later in Amerika symbool voor de Democraten en de Republikeinen. De zwaan staat voor zuiverheid.

Dan de leeuw met de hoorn van overvloed. In de cirkel twee bijbelse verhalen: David met harp en strijkinstrument, en Jona onder de wonderboom, in afwachting van de verwoesting van Ninevé met man en muis.

afb. 5, Jan de Prentenknipper

In ’t midden “het alziend oog” in een driehoek: God drie-een. Daaronder een zandloper met gevleugelde wezens (de tijd vliegt) en een weegschaal (het recht). Dan een kroon op twee brandende harten die met pijlen zijn doorboord (de liefde), het anker van de hoop en de duif (liefde, vrede, Geest), geflankeerd met gevleugelde famen. Tenslotte her en der cirkels, die in vieren zijn verdeeld. Misschien duiden die op de vier evangelisten, of het was het oude zonnerad dat boze geesten weert.

Men wat kennis van symbolen kunnen we de betekenis van (knip-)kunst beter begrijpen, maar het is ook vaak zo dat bepaalde vormen door kunstenaars worden toegepast, zonder dat ze de betekenis begrijpen of in een tijd dat de betekenis van een symbool verloren is gegaan en alleen wordt toegepast vanwege de sierlijke vorm.

Joke en Jan Peter Verhave

Antwoorden Symbolen in silhouet

  1. Geloof, hoop en liefde
  2. De zeven provincies van de Republiek der Verenigde Nederlanden
  3. De zeis, doodshoofd, zandloper, treurwilg en het hondje dat de wacht houdt bij het graf van zijn baas
  4. Afbeelding 95
  5. Gabriël, Michael, Uriël, Rafael

Een vroom en vrolijk knipper, Knip-Pers 2008-3

Onlangs werd er een knipsel aangeboden op een veiling, waarin we meteen de hand van Geert Jager uit het Groningse dorp Hellum herkenden. Over deze vaardige knipper is al vrij veel bekend, maar we konden natuurlijk niet alles in ons boek Geknipt! vermelden. Daarom hier een uitgebreider verhaal.

Vlak na de oorlog, toen de papierknipper Wiecher Tjeert Lever als vertegenwoordiger rondreisde, informeerde hij her en der naar knippers en oud knipwerk. Zo kwam hij op het spoor van Geert Jager. Een weduwe Evenhuis te Slochteren bleek een knipsel van hem uit 1851 aan de wand te hebben. Haar grootvader had het van Geert gekregen toen ze samen in het militair hospitaal te Breda hadden gelegen. Geert moet er geruime tijd verpleegd zijn.

Ook ontmoette Lever Geert Jager jr, een kleinzoon van de knipper uit Siddeburen, die twee werkstukken van zijn grootvader had hangen. Verder hingen er twee ingelijst in café Doff in Ten Post. Via de kleinzoon kwam hij bij de rustend landbouwer De Koning in Hellum. Die beiden wisten allerlei bijzonderheden over de knipper te vertellen. Al die verhalen zijn door Lever op schrift gesteld en wij vonden ze in de papieren van Line Huizenga-Onnekes. Zij verwerkte die gegevens in het manuscript van haar boek over de geschiedenis van de papierknipkunst.

Geert werd geboren in 1825 te Schildwolde en overleed in 1916 op 92-jarige leeftijd. Hij was stevig en gezet, met grove handen (“klonterig” op z’n Gronings) en liep iets mank. Waarschijnlijk had hij een mankement aan zijn been uit de diensttijd overgehouden. Zelf vervaardigde hij daarvoor een zalf, die hij ook tegen kostprijs verkocht (en geen kwart cent meer, want dat zou zijn geweten bezwaard hebben), maar hij kon er zichzelf niet mee genezen…

In de zomer werkte hij bij de boer, waar hij door zijn been alleen licht werk verrichtte; bij de winterdag was hij stoelenmatter en mandenmaker. Hij woonde in de Hellumer Delden, een stuk laagland tussen Hellum en het Schildmeer. Als men de kleine woning naderde viel direct de kunstige afwatering van de tuin op. Door dijkjes en kanaaltjes had hij het water zo geleid dat het bezwaar van de lage ligging grotendeels werd opgeheven. Trad men de woning binnen, dan zag men in de eenvoudige kamer ook merkwaardige dingen. Langs de wand hingen enige klokken waarvan de houten kasten door Jager zelf gesneden waren. Onder de tafel in de lemen vloer was een zonnewijzer gekrast; de schaduw van de sponning van het raam gaf de tijd aan en zo kon hij zijn klokken op tijd zetten. Ter weerszijden van de open haard waren twee zerkjes gemetseld, waarvan in de ene 14 en in de ander 12 gebeiteld was. Het waren stenen van de oude kerktoren van Hellum uit 1214, die in Jagers tijd was afgebroken en die hij had meegenomen.

Naast zijn handvaardigheid hield Jager zich bezig met sterrenkunde en hij maakte gedichten.

Zijn knipsels getuigen van een bezonkenheid maar ook van poëtische speelsheid. Bovendien is het een diepe godsdienstigheid die in al zijn werk tot uiting komt.” Tot zover een samenvatting van Wiecher Tjeert Levers bevindingen, die daarover ook een artikel schreef in de Nieuwe Provinciale Groninger Courant.

Via internet (Google en Genlias) hebben wij nog wat meer gegevens over Geert Jager en degenen voor wie hij zijn knipsels gemaakt heeft, kunnen verzamelen. We laten acht knipsels de revue passeren. Geert is op 16 mei 1825 geboren als zoon van Reinder Geerts Jager en Elsien Holhuis en hij overleed op 2 jan. 1917 in Hellum, 91 jaar oud. Hij trouwde op 21 mei 1856 te Slochteren met Wypke Jurjens Janssens (1828-1902) die ook in Hellum was geboren en weduwe was van Roelf van der Veen. In acten van 1893 en 1895 worden Geert en Wypke dagloner en dagloonster of dagloonersche genoemd. Het echtpaar kreeg negen kinderen van wie er (minstens) vijf als baby of op kleuterleeftijd overleden.

Omstreeks 1860 woonde het gezin korte tijd in Hellum op de boerderij aan de Hoofdweg 170  en ze verhuisden daarna naar de Hellumer Delden. Hun opvolgers waren Wybe Abrahams Mulder en Jeltje Luitjens de Vrede. Zij waren landbouwers, afkomstig van Veendam en kochten de boerderij met 42  ha voor f 12100. Voor hen maakte Geert in 1863 een knipsel  waarop ze staan met twee kinderen, hun zoontje Abraham van drie jaar en het baby’tje Elsina Henderika (afb. 1, het stuk van de veiling). In de rand knipte hij een tekst uit Psalm 37 vers 2 (Geert  maakte hier een foutje, het was vers 3-4). In de boog boven het gezin staat een tekst uit Spreuken 10 vers 22. Het leven van Wybe en Jeltje bleef niet zo gezegend als de tekst wil doen geloven. Er werden nog tien kinderen geboren, van wie er naast de twee oudsten maar drie overleefden. In 1874 verkochten ze (waarschijnlijk na veel zwoegen) hun bezit en vertrokken weer naar Veendam. Daar werd nog hun dertiende kind geboren dat gelukkig bleef leven.

afb. 1, Geert Jager, Abrahams Mulder en Jeltje Luitjens de Vrede, 1863

In 1850 en 1851 maakte Geert twee knipsels voor Albert Dreise die leefde van 1824-1904 (afb. 2) en zijn bruid Jantje Willems Reinders, geb. 15 jan. 1821 (afb. 103 in Geknipt!). Zij woonden in Schildwolde, dus vlak bij Hellum. Albert kreeg als tekst mee “Dat ’s Heeren zegen op u daal”, een Psalmvers (134) dat vaak bij huwelijken werd gezongen. De gekroonde cirkel heeft de tekst uit Psalm 100: DIENT den Heer met blijdschap…en de boogtekst is uit Spreuken 10 vers 9. In de randtekst voor Jantje staat Psalm 19 vers 4 en in de boog Psalm 100 vers 2. In de bekroonde cirkel heeft Geert het offer van Abraham afgebeeld, met als tekst Spreuken 14 vers 26. In beide knipsels is Vrouwe Justitia afgebeeld, met weegschaal en zwaard. Beide knipsels zijn vererfd via Alberts dochter Jacobje Dreise, die trouwde met Willem Doff te Ten Boer; na diens overlijden in 1900 hertrouwde ze met haar zwager Freerk Doff. Willem en Freerk waren “ververs” (schilders). Een zoon van Jacobje had later een café in Ten Post (gem. Ten Boer) dat bekend stond als café Doff. Daar hingen beide knipsels zoals Lever ze heeft gezien.

afb. 2, Geert Jager, Albert Dreise en Jantje Willems Reinders, 1851

Veel later, in 1871 kreeg Geert de opdracht om een knipsel te maken voor de gouden bruiloft van de ouders van Albert, Johannes Frederiks Dreise en Jantje Steernberg te Schildwolde (afb. 99 in Geknipt!). Het echtpaar staat hand in hand onder een papieren kroon en op een trap zijn de elf kinderen uitgebeeld, elk met het attribuut van zijn of haar beroep of bezigheid. De randtekst uit Psalm 127 gaat over de kinderzegen. Inderdaad zijn in dit gezin alle kinderen: Frederik, Albert, Grietje, Lauwrens, Jacob, Hilko, Harm, Evert, Johannes, Anje en Klaas volwassen geworden, een bijzonderheid in die tijd. De ouders van Johannes kwamen uit het Duitse Saxen-Gotha en waren molenmakers. Johannes oefende hetzelfde beroep uit in Schildwolde en ook enkele zoons en kleinzoons zetten die traditie voort en waren tegelijk timmerman of molenaar.

In 1851 had Geert nog een knipsel gemaakt, voor Jelte J. Laninga (afb 78 in Geknipt!). Hij was de vriend uit zijn diensttijd (geb. 24 okt. 1813). Waarschijnlijk was hij schoenmaker en trouwde met Grietje Remkes Dekker, geboren te Hellum. Verder hebben we over hem niet veel gegevens kunnen vinden. Het stuk draagt geen randschrift, alleen een tekst uit Psalm 25 in de boog, waaraan een gordijn met ringetjes is opgehangen. De zeven deugden zijn afgebeeld: Matigheid, Sterkte, Wijsheid, Gerechtigheid, Liefde, Hoop en Geloof.

In 1886 maakte Geert een knipsel voor hemzelf en zijn vrouw Wypke ter gelegenheid van hun dertigste huwelijksverjaardag (afb. 3). Er spreekt dankbaarheid uit, ondanks hun eenvoudige leven en het verdriet dat ze hebben gehad over de vijf kinderen die vroeg overleden. In de cirkel de bekende tekst uit Psalm 103, vers 2 “LOOF de Heere mijn ziel en vergeet geene van zijne weldaden”. Per ongeluk knipte hij Ps. 303, 2. In de cirkel een man die een vrucht plukt; verder is de opzet gelijk aan zijn stuk voor Albert Dreise. Het was in de tijd van Lever in bezit van kleinzoon Geert, evenals het volgende knipsel.

afb. 3, Geert Jager, 30jarig Huwelijk Geert Jager en Wypke Jurjens

Geert jr. was een zoon van Jurjen Geerts Jager en Annechien Jansema, die trouwden in 1893 en voor wie de oude Geert in 1897 nog een knipsel maakte (afb. 4). Lever heeft dit nageknipt en hij schreef: “Het is of [de knipper] er zijn ganse overtuiging in legt. Of hij in zijn eenvoudige afbeelding van Mozes en Christus met verwijzing naar Joh. 1:17 ‘Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen’, wil wijzen naar de kern van het geloof. Of hij zijn  kinderen een toevlucht wil wijzen door de woorden ‘De naam des Heeren is een sterke toren Sp[reuken] 18’ en hen op hun plicht wil wijzen door het randschrift, met de woorden van Ps 37:2.”

afb. 4, Geert Jager, Jurjen Geerts Jager en Annechien Jansema, 1897

Al in 1892 had Geert een knipsel gemaakt voor Jans F. Zuur en Aafke Harms Kuipers. Zij waren in 1889 getrouwd en woonden in het nabije Harkstede, gem Slochteren. Jans was dienstknecht, dagloner en landbouwer, Aafke was dagloonersche. Ook daar had hij Mozes en Jezus afgebeeld, onder twee bogen, met de Spreukentekst “In de vreeze des Heeren is een sterk vertrouwen”; voor der andtekst gebruikte hij weer Psalm 37. Geert verwerkte zijn initialen GJ in de middelste pilaar. Bovenin staan Geloof, Hoop en Liefde afgebeeld.

In de bijna vijftig jaar dat Geert zijn knipsels maakte, zien we steeds eenzelfde opzet met een randspreuk en een boog met nog een tekst. Waar hij als jong vrijgezel de kunstzinnige inspiratie vandaan had, valt niet na te gaan, mogelijk vanuit zijn tijd als militair of in de ziekenbarak. Behalve dat hij de Bijbel kende, moet Geert ook in de Christelijke afbeeldingen thuis zijn geraakt. Hij kende bijvoorbeeld de zeven christelijke deugden die hij -zoals gebruikelijk- als vrouwenfiguren afbeeldde; hij moet dus veel gelezen hebben of plaatjes gekeken. Mozes is op de klassieke manier weergegeven: zijn gezicht straalde, toen hij met de wetstafels van de berg kwam. In verschillende stukken verwerkte hij in de hoeken harten, versierd met sterren (het lijken een soort vliegers). Line Huizenga vond dat het werk van Geert volkskunst was van de goede soort, maar ietwat zwaar en somber van levensernst: het luchtige, fijne en vrolijke ontbrak volgens haar. Lever was rechtzinniger in zijn geloof en stond wat dat betreft dichter bij Geert dan Line. Als wij Geerts keuze van bijbelteksten op ons in laten werken, stellen we vast dat hij toch vooral blije en moedgevende wensen meegaf in zijn werkstukken.

Lever bespeurde een overeenkomst met de knipsels van een tijdgenoot van Geert, de Zeeuwse Jan de Prentenknipper. Beiden hebben ze pilaren in hun knipsels verwerkt (de tempel van Jeruzalem had twee pilaren, Jachin en Boaz genaamd) en beiden waren vrome christenen. Of Geert, net als zijn Zeeuwse collega een vergoeding kreeg voor zijn werk, weten we niet.

Wat betreft het papier dat Geert Jager gebruikte, dat was oorspronkelijk wit en gemaakt volgens het in die tijd nieuwe procédé waarbij pulp van houtvezels werd gebruikt. Nu zijn ze bruin verkleurd en bros, waardoor niet ingelijste stukken gemakkelijk verbrokkelden (zie afb. 99 in Geknipt!). De enige manier om ze voor verder verval te behoeden is, om het strokarton uit de lijst te vervangen door zuurvrij museumkarton en het knipsel zo mogelijk te ontzuren.

Hopelijk bevinden de diverse knipsels zich nog steeds bij de nakomelingen van degenen voor wie ze gemaakt zijn. Maar het is ook mogelijk dat die er weinig waarde in zien en het ter verkoop aanbieden, zoals het geval was met het knipsel van Wybe Mulder en Jeltje de Vrede dat de aanleiding was voor dit verhaal. Waarschijnlijk bestaan er nog wel meer werkstukken van Geert bij mensen wier voorouders in de gemeente Slochteren hebben gewoond.

Joke en Jan Peter Verhave

Knipsels uit een kunstzinnige familie, Knip-Pers 2007-2

In de Knip-Pers van juni 2001 vroeg de organisator van een Duits museumproject voor knipkunst in Schloss Lichtenwalde bij Chemnitz informatie over een paar Nederlandse knipsels uit de achttiende eeuw. Het ene draagt de uitgeknipte naam “Hillegonda Josina van Orsoy van Winter” (afb. 1) en de andere de initialen P.v.W. en A.L.v.d.P en de naam Lucretia Johanna van Winter (afb. 2). In onze eigen verzameling hebben we ook een knipsel met de uitgeknipte naam “HJ van Orsoy” en een buitenhuis met een juffertje in achttiende eeuwse dracht (afb. 3), door dezelfde knipper.

afb. 1, Hillegonda Josina van Orsoy-van Winter

afb 2, P.W. en A.L.V.P.

We zijn een speurtocht begonnen. Tegenwoordig is het internet via Google een onuitputtelijke bron van informatie. Lucretia blijkt een rijke Amsterdamse dame die een grote verzameling van schilderijen en kunstvoorwerpen had (1785-1845); ze trouwde in 1822 met Jhr. Mr. Hendrik Six, heer van Hillegom, eerste controleur der posterijen en raadslid van Amsterdam. We zijn dus in deftig gezelschap!
De initialen in de andere knipsels waren niet meer moeilijk te duiden: het zijn Lucretia’s ouders, Pieter van Winter en Anna Louisa van der Poorten. Ook dat echtpaar behoorde tot de hoogste stand in Amsterdam: Pieter van Winter was koopman in indigo en verfwaren en commissaris van de weeskamer te Amsterdam en hij was een verzamelaar van kunst (1745-1807). Kennelijk heeft dochter Lucretia die verzameling geërfd. Pieter had verder een uitstekende kennis van klassieke talen (dat was gebruikelijk in de deftige kringen van die tijd) en vertaalde Horatius en Virgilius.

afb. 3, Hillegonda van Orsoy

Pieters vader, Nicolaas van Winter was ook makelaar in verfstoffen en dichter. Zijn vrouw Johanna Muhl stierf toen Pieter een peuter was en Nicolaas hertrouwde in 1768 met Lucretia Wilhelmina van Merken (1721-1789). Ook zij was in haar tijd een niet onbekende dichteres. Dit huwelijk bleef kinderloos en zij voedde haar stiefzoon Pieter op.

Maar wie was nu Hillegonda Josina van Orsoy van Winter? We vonden wèl dat Cornelia Christina van Orsoy, een stiefdochter van Pieter van Winter, trouwde met Mr. Dr. David Jacob van Lennep. Ook hij was een dichter! Bovendien zijn er gedrukte verzen op de bruiloft van het stel bewaard, gedicht door de wederzijdse vaders, Pieter van Winter en Cornelis van Lennep (1 januari 1800). David Jacob (1774-1853) werd hoogleraar in de klassieke talen en geschiedenis aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam. Hij en Cornelia Christina werden de ouders van de grote schrijver Mr. Jacob van Lennep (1802-1868), die o.a. Ferdinand Huijck en De Roos van Dekama schreef. Ook heeft Jacob een levensgeschiedenis van zijn grootvader en vader geschreven. Daarin vertelt hij van grootvader Cornelis van Lennep, dat deze achter zijn rug een gelijkend silhouet van iemand kon knippen. Een hele familie van taalkundigen, waarin ook geknipt werd!

De oplettende lezer heeft gemerkt dat Cornelia Christina van Orsoy, Ceetje in de wandeling, een stiefdochter van Pieter van Winter was. Hier hebben we nu het verband tussen beide familienamen. En in het Gemeentearchief van Amsterdam konden we de puntjes op de i zetten:
Hillegonda Josina werd gedoopt op 10 mei 1775  als dochter van Christiaen van Orsoy en Anna Louisa van der Poorten. Zij had een jonger broertje Christiaen en zusje Ceetje, dat later met David van Lennep zou trouwen.
Na het overlijden van hun vader hertrouwde de moeder met Pieter Nicolaesz. van Winter in 1780. En zij bracht dus drie kinderen Van Orsoy mee uit haar eerste huwelijk. Nu werd het opeens heel begrijpelijk dat Hillegonda Josina haar naam knipte, een keer als Van Orsoy, en een andere keer als Van Orsoy van Winter.
Pieter en Anna Louisa kregen samen nog een jongen en een meisje. Men woonde ’s winters in Amsterdam en ’s zomers op het buiten Voorland in de Diemermeer.

Wat eerste een ingewikkeld raadsel leek, blijkt toch tamelijk eenvoudig: het gezin van Pieter en Anna Louisa bestond uit kinderen “van anderen bedde”, en kinderen van het echtpaar samen. Zulke samengestelde gezinnen waren door de hoge sterfte in die tijd een heel gewoon verschijnsel.

Toen we dit alles hadden ontdekt, kwamen we in contact met de nieuwe conservator oude kunst van het Valkhofmuseum te Nijmegen, Ruud Priem. Tot onze verrassing bleek dat hij over Lucretia en haar verzameling een groot artikel had geschreven[1], waarin we nog veel meer informatie vonden en als we het eerder hadden gelezen, was onze zoektocht niet nodig geweest! Daaruit nog wat meer details:

Het gezin van Pieter van Winter woonde ’s winters in huize Saxenburg aan de Keizersgracht. Achter dat deftige en dure huis had Pieter galerijen met zijn schilderijen verzameling ingericht. Rembrandt, Vermeer, Jan Steen en alle belangrijke schilders uit de Gouden Eeuw waren vertegenwoordigd. Een twintigtal was afkomstig van de overleden Christiaan van Orsoy, de eerste man van Anna Louisa die een bemiddeld bankier was geweest. Pieter was steenrijk en bleef verzamelen. Toen hij stierf, werd de collectie van 180 stuks gewaardeerd door de kunstmakelaar Hendrik de Winter (op hem komen we aan ’t eind nog terug) en verdeeld tussen Lucretia en Anna Louisa Agatha, die Annewies werd genoemd. Hun halfzus Hillegonda Josina, of Gonne kreeg geen schilderijen maar een ander deel van de erfenis. Zij zorgde voor het huishouden, eerst in Saxenburg, later in Voorland. Dat prachtige buitenhuis heeft Gonne dus getekend en daarna uitgeknipt. Daarbij nemen we aan dat zij zelf de maakster was.

Uiteindelijk kocht Lucretia een eigen huis aan de Herengracht en nodigde Gonne en Annewies uit om met haar samen te wonen. Ceetje was toen al met David van Lennep getrouwd. Gonne is ongehuwd gebleven en woonde bij haar overlijden op 15 april 1830 aan de Reguliersdwarsstraat bij de Vijzelstraat.

Lucretia is laat getrouwd en heeft in vijftien jaar als ondernemende juffrouw haar erfdeel aan schilderijen en prenten met 53 stuks uitgebreid. Daaronder “Het Melkmeisje” van Vermeer. Het was de mooiste en meest waardevolle particuliere verzameling in die tijd. Na haar huwelijk kwamen de schilderijen in de familie Six terecht en binnen enkele generaties viel de collectie geleidelijk uiteen. Met het erfdeel van Annewies ging het nogal spectaculair: de familie van haar man, Jhr. Willem van Loon verkocht de hele boel aan de Franse kunsverzamelaar Rothschild. Zo verdween een groot deel van Nederlands kunstbezit naar het buitenland.

In vergelijking met al die schilderijen van beroemde kunstenaars vallen de knipsels in het niet, maar ze geven wel aan, dat men zich, ook in deftige kringen bezig hield met de papierknipkunst. Misschien heeft Lucretia er wel iets over in haar dagboeken geschreven… Hoe die knipsels in de verzameling van de Duitse onderzoekster Johanne Müller († 1992) terecht zijn gekomen, is ons niet bekend.

afb. 4, anoniem, ca 1730

Het leek ons leuk om eens te laten zien hoe een speurtocht naar een knipper kan verlopen. Er zijn erg veel knipsels waarvan we geen idee hebben wie de maker is geweest! In ons boekje Schaar-Kunst (1983) noemden we de naam van Hendrik de Winter, als mogelijke knip- of snijkunstenaar van mooie huwelijksstukken en familiewapens. Hij was tekenleraar en kunstmakelaar (zie hierboven), net als de Van Winters doopsgezind, maar geen familie. In de kringen van de Mennonieten werd veel geknipt. We weten nu dat Hendrik geen knipkunstenaar is geweest, maar wie het wel was die o.a. bijgaand knipwerk heeft gemaakt omstreeks 1730? (afb. 4). Zo blijven we puzzelen en het nieuwe boek over papierknipkunst, dat volgend jaar verschijnt, zal vol staan met nieuw ontdekte knipsels, die ons voor raadsels stellen.

Enkele keren hebben we meer geluk en krijgt een knipsel een verhaal; in dit geval van Gonne en Lucretia is bovendien een nog onbekend aspect in het leven van de kunstminnende familie Van Winter naar voren gekomen.

Joke en Jan Peter Verhave

[1] R.C.J.J. Priem, “The ‘Most Excellent Collection’ of Lucretia Johanna van Winter: the years 1809-1822, with a catalogue of the works purchased.” Simiolus 25 (1997), 103-234.

De Papierknipster Hill Bottema, Knip-Pers 1983-1

afb. 1, Hil Bottema, nieuwjaarskaart 1950

Aanvankelijk waren er na de oorlog, in ons land meer mensen die de knipkunst beoefenden, maar vermoedelijk slechts twee personen, die niet alleen lezingen over de historie van de knipkunst hielden, maar ook cursussen in het papierknippen gaven. Deze twee waren Hil Bottema, geboren in 1913 en helaas in 1968 overleden en Mevrouw Kerp-Schlesinger, die nu op hoge leeftijd nog steeds actief is.

Hil Bottema was voorstandster van het decoratieve-, gestyleerde-, symmetrische-knippen, kenmerken die men veel in de Volkskunst en bij oud-Hollandse knipprenten aantreft. Hieruit heeft zij haar eigen sprekende stijl ontwikkeld.

In tegenstelling hiermee knipt Mevrouw Kerp vrijer, althans zelden symmetrisch, in een sprookjesachtige stijl.
Beiden hadden echter één ding gemeen: het weer doen herleven van de oude Knipkunst en de mensen de vreugde van het scheppend bezig zijn te laten ervaren, waarvoor de schaarkunst uitermate geschikt is.

Hil Bottema’s voorliefde ging uit naar Volkskunst. Zij heeft veel gedaan om de mensen hiervoor weer begrip te doen krijgen, en om de oude Volksgebruiken te doen herleven. Zij registreerde, documenteerde en maakte tekeningen en foto’s door het gehele land. Zij kon dit mede doen, door dat zij in 1942 aangesteld was als artistiek leidster hij het Rijksmuseum voor Volkskunde – het Nederlands Openluchtmuseum – te Arnhem. Het was daarom ook niet verwonderlijk, dat men haar in 1961 vroeg de kinderpostzegels te ontwerpen, voor het toen 35-jarig bestaan van deze actie. Hil deed dit dan ook, door knipprenten te maken van verschillende volksgebruiken; Palmpasen, De Pinksterbruid, Sint Maarten, Sinterklaas en Driekoningen.

Wat Hil onder Volkskunst verstond, vatte zij samen door te zeggen:
“De zuivere Volkskunst is datgene, wat mensen op het gebied van scheppend, meestal versierend werk maken, zonder vooropleiding en onbeïnvloed door beroepskunstenaars en stijlperioden”. Zij was, zoals gezegd, voorstandster van het symmetrische-, decoratieve- knipwerk, en vond dit bij uitstek passend voor de. schaarkunst. Dit geeft een gebondenheid, maar tevens een zekere rust, evenwicht en harmonie aan het werk, mits de vlakverdeling goed is. Echte volkskunstenaars hebben hier een soort aangeboren gevoel voor, zoals bijvoorbeeld het werk van de in 1939 overleden visser: “Jan de Prentenknipper” uit Urk.

Het is of ik het Hil nog hoor zeggen: “De silhouetkunst is de kunst van het platte vlak. Wie dus graag voorstellingen met diepte werking wil maken, gaat tekenen of schilderen”.(Uitzonderingen bevestigen echter ook bij haar wel eens de regel.)

Nog een uitspraak van Hil Bottema luidt: “Knipwerk kent twee bestanddelen, meer niet. De vlakken welke zijn blijven staan of werden weggeknipt (zie rand). De verhouding tussen deze beide uitersten en de vormen daaraan gegeven zijn bepalend voor de zuivere stijl van knipwerk. Papierknippen is niet alleen einddoel, maar ook middel, om gevoel voor vlakwerking te ontwikkelen”.
Hier doelde zij bijvoorbeeld op het knippen als middel, om te komen tot stofdruk ontwerpen.

Hil was een veelzijdige vrouw, die zowel kinderen (onder andere bij de Padvinderij) als volwassenen geweldig geïnspireerd heeft op allerlei creatief terrein, en zéker bij ons aller papierknipkunst!!

Toen Hil in 1968 (op 55 jarige leeftijd) overleed, vermaakte zij mij haar knipwerk, nadat zij mij reeds in 1963 het geven van cursussen en lezingen over de papierknipkunst had overgedragen. Omdat Hil ook haar enthousiasme op mij heeft overgedragen, doe ik dit werk nog steeds met het grootste plezier.

To van Waning-Mijnlieff, Arnhem, maart 1983.

afb. 2, Hil Bottema