Auteursarchief: admin

Schaarkunst in Nederland, Knip-Pers 1983-1

Sinds 1945 hebben diverse mensen zich beziggehouden met de historie van de papierknipperij in Nederland. De heer W. Tj. Lever is., geboeid door het knippen, gaan verzamelen. Zoveel, dat hij in Roden en later in Westerbork zijn Nederlands Museum van Knipkunst had, dat een schat aan materiaal laat zien. Jammer genoeg bekijken we het museum nu zonder de verhalen en de kennis van de heer Lever, die niet aan opscnrijven is toegekomen. Desalniettemin spreekt de verzameling boekdelen.

Van anderen zijn gelukkig neerslagen van hun interesse en onderzoek in artikelen of boeken gepubliceerd. Ik noem een aantal publicaties van na de oorlog, die bij een goede bibliotheek ingezien kunnen worden:

Dr. C.C. van de Graft, Papieren Knipwerk* Historia lIde jrg. 1946 pp.l45-155.
Dr. C.C. van de Graft, Geknipte Familiewapenen Historia 11, 1946, pag. 193,194.
Dr. C.C. van de Graft, Papieren Knip- en snijkunst,vroeger en nu, Historia l3de jrg. 1948 pp. 145-149.
Schwencke, Portretten in Silhouetten Wereldbibliotheek 1966.
E,J. Huizenga-Onnekes,  Knipsels in Groningerland, Oud Nederland 1950,p.33-37.
Hil Bottema, Portretschets van een volkskunstenaar, Bijdragen en Mededelingen van het Openluchtmuseum nr. 23, pag. 38-45.
Hil Bottema, Jantje de prentenknipper, de welbekende onbekende van Zeeland, Antiek 2, 1967 p. 80-91.
I.G. Kerp-Schlesinger, Leer knippende zien, Cantecleer, De Bilt 1977.
C.A. van Waning-Mijnlieff. Uit de historie der papieren Snij- en Knipkunst, West Friesland 0ud en Nieuw 35, 1968, p. 102-109.
B. van der Linden-Nijdam, Papierknipsels, Antiekrevue, november 1977, p.15-19.

Hil Bottema heeft, naast publicaties, knipwerk verzameld voor het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, waar zij werkzaam was. Zij heeft veel onder verricht. Ook zij heeft niet de tijd gekregen haar aantekeningen tot een “groter overzicht” over de geschiedenis van het papierknippen in Nederland te verwerken.

Een overzicht van al deze knipstudies komt in een boekje (rijk geïllustreerd), dat binnenkort verschijnt.

Een steeds weer herhaalde theorie hoe Nederland tot het papierknippen is gekomen, is het kontakt met de Oriënt. Tot deze gedachte draagt bij het feit dat China het land. is, waarvan we weten dat er al sinds mensenheugenis papier gemaakt wordt. Men maakt er knipsels en snijdsels om er het huis mee te versieren. Ik kan me niet van de gedachte losmaken dat in ieder huisgezin waar een stukje papier en een schaar waren, men op een gegeven moment ook zonder die link met het Oosten, het materiaal ging uitproberen en figuurtjes ging knippen.

De oudste -ons bekende- Nederlandse knipsels zijn van Anna Maria van Schurman (17de eeuw), die worden bewaard In het Coopmashuis te Franeker. In deze tijd was het knippen een bezigheid voor de gegoede burgerij; zij waren in het bezit van papier. De dames vermaakten zich ermee tijdens theevisites.

In 1686 gaf Johannes ten Hoorn een praktische handleiding voor het papierknippen uit, met suggesties voor materiaal, onderwerpen en modellen. Als het waren schriftelijk onderwijs. Helaas bestaat er nog maar een exemplaar van, dat bewaard wordt in het Rijksmuseum te Amsterdam.

In veel musea in Nederland worden wel een paar papierknipsels bewaard, soms zijn ze in de geëxposeerde collectie opgenomen. Het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem heeft een prachtige verzameling papierknip- en snijwerk!

Het is heel verheugend dat men besloten heeft om een groot deel daarvan dit seizoen te exposeren. In kunt zien hoe geletterde en ongeletterde mensen zich vermaakt hebben met papier en schaar/mes. Heel eenvoudige “boompjes-beestjes”, knipsels en kleedjes, naast ingewikkelde toestanden. Soms weet men in het museum bij een knipsel een heel verhaal; vaker bij veel knipsels van een hand, niets. De meeste knipsels dragen namelijk noch naam van de maker, noch jaartal.

Ter gelegenheid van deze tentoonstelling verschijnt, zoals opgemerkt, eind. april een boekje: “Schaarkunst”. Hierin wordt de geschiedenis van het papierknippen in Nederland verteld en het geëxposeerde materiaal beschreven.Het zal ca. fl17,50 kosten en veel foto’s bevatten.
Het is goed om ons te realiseren dat wij een 300 jaar lange rijke “traditie” van knippen achter ons hebben waarin we, ten opzichte van het buitenland, beslist geen slecht figuur slaan!

Joke Verhave

De tentoonstelling wordt gehouden van 1 april – 30 september 1983
de openingstijden zijn ma. t/m za, 9-17.00 u, zo. 10-1700 u.
In een van de huizen in de “Zaanse buurt” van het Nederlands 0penluchtmuseum te Arnhem.

Kezen knippen, Knip-Pers 2007-1

afb1. Kees met vrijheidshoed. 3.5 x 4 cm (prive bezit)

De keeshond kennen we als een pittige hond met een dikke vacht en een spitse snuit, oplettend, levendig en aanhankelijk, een goede waakhond. Eind achttiende eeuw wordt hij op allerlei manieren in ons land afgebeeld en ook geknipt! (afb 1)  Hij blijkt dan het herkenningsbeeld te zijn voor een politieke partij, die van de Patriotten. Maar komt het door zijn eigenschappen, dat hij zo bij de Patriotten paste? Nee, daar zit een ander verhaal achter.

Eerst maar eens verkennen, hoe de politieke verhoudingen lagen, zo omstreeks 1780. Het was de late pruikentijd en in de Republiek regeerde Stadhouder Willem V. Dat was nu niet direct een krachtig figuur, maar hij had een fikse vrouw, prinses Wilhelmina van Pruisen. Onder de intellectuele bovenlaag van de bevolking ontstond een progressieve hervormingsbeweging die zich tegen de macht van de Stadhouder en zijn regenten keerde. Bovendien waren we in oorlog met Engeland en dat liep niet goed af. De Dordtse bestuurder Cornelis de Gijselaer, zelf een aristocraat, werd de leider van de Patriottische beweging, die tegen Engeland en voor Frankrijk was. Binnenslands streefden ze naar een opleving van de Republiek, in cultureel, politiek en economisch opzicht. Naar hun voorman Cornelis of Kees werden zij de Kezen genoemd. Althans, dat is een van de verklaringen; eigenlijk weet men niet precies waar die naam vandaan komt. Ook gaat het verhaal dat de kapitein van het Delfts exercitiegenootschap veel op een Keeshond leek. (afb 2) Hoe het zij, de Patriotten hebben die scheldnaam aangenomen als een erenaam.

afb 2. Kees met vrijheidsboom in bloemenrand 8 x 4 cm (prive bezit)

Onder de Kezenpartij mengde zich al gauw allerlei volk dat gewoon ontevreden was en wel in voor een vechtpartij. In 1786 waren de spanningen tussen de gewapende vrijkorpsen of exercitiegenootschappen van de Patriotten en de Prinsgezinden zo hoog opgelopen, dat naar de wapens werd gegrepen. De Patriotten wilden macht en waren de onderhandelingen en beloftes van de Prins en zijn conservatieve medestanders zat. (afb 3)  Op verschillende plaatsen kwam het tot een ware burgeroorlog. In april 1787 joegen de Patriotten in Amsterdam en Rotterdam de regenten weg en namen het bestuur in handen. De oranjegezinde marktkoopvrouw Kaat Mossel werd in Rotterdam gevangen gezet en verdedigd door advocaat en dichter Willem Bilderdijk.

afb 3. Vrijheidsboom in hekje 5 x 4 cm (prive bezit)

Intussen had de stadhouderlijke familie zich teruggetrokken in Nijmegen en de Prins wilde verder naar Duitsland. Dat nam Prinses Wilhelmina niet en ze reisde naar Den Haag om met de Staten Generaal te spreken. Op 28 juni 1787 werd ze echter bij Goejanverwellesluis tegengehouden (dichtbij Gouda). Woedend was ze over deze zware belediging en ze vroeg onmiddellijk haar broer, koning Frederik Willem ll van Pruisen, om haar te hulp te komen. Deze stuurde in september 1787 een leger van 20.000 man naar de Republiek en herstelde het gezag van de Stadhouder en de Oranjepartij. Vele patriotten vluchtten naar het buitenland, onder hen de bekende schrijfster Betje Wolff-Bekker (die als meisje van 12 nog een knipsel had gemaakt met “Viva de Prins”, 1750) en ook Gerrit Paape, die een boekje schreef over het silhouetteren (1792).

Die hele periode bestookten de Kezen en de Oranjegezinden elkaar over en weer met pamfletten en karikaturen. Bilderdijk dichtte een lied met de titel “De Scheldnaam Kees bij de Patriotten voor een Eernaam aangenomen”. De plateelbakkers maakten overuren met de productie van kleurige sierbordjes met de afbeelding van Willem en Wilhelmina. Ook knippers lieten zich niet onbetuigd. We zien de keeshond, poot in poot met de Franse haan en ook steeds de Vrijheidsmaagd, in losse kledij, speer met de vrijheidshoed in de vuist. (afb 4)

afb 4. Anti – Patriottisch knipsel 18 x 22 cm (Verz. Hist. Museum Rotterdam)

Ze lijkt verdacht veel op de Franse Marianne! Overigens werd de Kees ook wel als een getrimde poedel afgebeeld. (afb 5 ).

afb 5 Poedel met vogelkooi  18 x 14 cm (prive bezit)

Die Hollandse Maagd werd al in de zestiende eeuw als symbool gebruikt en de puntmuts op de lans was een Romeins symbool: de vrijgekochte slaven droegen die Phrygische muts. Vandaar ook dat de Nederlandse Maagd ook door de Orangisten werd gebruikt als symbool van de vrije Republiek. Een aardig voorbeeld is het politieke knipsel van Anna Doratea Schreuder uit 1787; zij woonde in de Amsterdamse Vijzelstraat. Het toont het profiel van Prins Willem de Vijfde (PWDV), maar ook de Hollandse Maagd en de Nederlandse Leeuw. De andere afkortingen zijn onduidelijk, evenals de strekking van het gedichtje:

Wel Adelaar wat is dat ’t zegge
Hebt gy die Schreeuwert genoome uyt zyn hegge
En gebrogt by de Leeuw
Help Kees riep hy met een groot geschreeuw.

De adelaar slaat waarschijnlijk op de Koning van Pruisen; de schreeuwert lijkt aan de kant van de Kezen te staan.

Anna maakte het jaar daarna nog twee knipsels, waarvan een met de tekst “Oranje zal bloeie zolang de werelt staat, WDVPVO.”

De Patriotten steunden de Franse inval in de Republiek in 1794 en toen was voor de vluchtelingen de kust weer vrij. Men danste rond de vrijheidsboom en de Oranjeklanten moesten zich een tijdlang rustig houden. Toch durfde Gerrit Konsé het in 1798 aan om portretten van Willem en Wilhelmina te maken “konstig in Papier uitgewerkt”. Na verloop van tijd hadden echter veel Patriotten hun bekomst van de Fransen.

Joke en Jan Peter Verhave

afb, 6, extra foto

Gesneden beeste beelden, Knip-Pers 1988-3

In het Paradijsverhaal geeft Adani de dieren hun namen. Door de hele Bijbel heen blijven allerlei dieren een rol spelen en vaak zetten die dieren de mens op z’n nummer. Knippers hebben van zulke verhalen met graagte gebruik gemaakt. Vooral Jan Huyszoon, de Prentenknipper uit Zeeland, heeft veel met dieren opgehad. Een aantal populaire verhalen zullen we de revue laten passeren.

afb. 1 “Van Adani tot Noach”, anoniem, 18e eeuw?, afmeting onbekend, Museum Assen

Na Adam was Noach degene die het beheer over veel dieren had (Genesis 6-8). Het werkstuk van een onbekende is als afb. 1 afgebeeld.

Jan de Prentenknipper heeft zijn veevervoer geknipt en gekleurd en van een wat verfomfaaide tekst voorzien: DE HRK NOAG (op) DEN BERG ERAP (Ararat). Ook Lucas Hagedoorn uit Almelo heeft in 1807 De Zuntvloed geknipt (Schaarkunst, pag. 17, zie ook pag. 27).

Heel bekend is het verhaal van de eigenzinnige profeet Jona, die wegliep van zijn opdracht en in een grote vis tot bezinning kwam (Jona 1-2). Jan de Prentenknipper heeft talloze keren een groen monster afgebeeld, dat JONAS uitspuwt (Schaarkunst voorpagina en pag. 86, 90). Je ziet hem er als het ware uit wegrennen.

Afb. 2, Lucas Hagedoorn, detail van bijbeiknipsel “De raven brengen Elias brood”. Almelo 1810, Museum Almelo.

Een andere profeet op de vlucht was Elia, die na het aanzeggen van een grote droogte bij een beek door de raven werd onderhouden. Ze brachten hem ‘s morgens en ‘s avonds brood en vlees, tot de beek was uitgedroogd (1 Koningen 17). Evenals Lucas Hagedoorn (afb. 2) gebruikte Jan de Prentenknipper ook hier de oude spelling ELIAS (afb. 3) (zie Schaarkunst voorpagina en pag. 86, 90).

afb. 3 Jan de Prentenknipper, bijbellegger met Elia door de raven gevoed en Jonas met de grote vis, gekleurd, 19e eeuw, afm. 10 x 6.5 cm

 

 

 

Arnoldus van Sprang knipte in 1710 een mooie Elia (afb. 4) en ook Pieter Reijnders maakte er een omstreeks 1800, in licht reliëf (Schaarkunst, pag. 78). het verhaal is zo aantrekkelijk vanwege de goddelijke zorg om de mens, via de dieren. Om die reden was ook het verhaal van Daniel het uitbeelden waard. Hij wilde aan Darius, de koning van Babel, geen goddelijke eer geven en volgens de wet van Meden en Perzen werd hij voor de leeuwen geworpen (Daniel 6). De hongerige dieren hadden respect voor deze moedige mens en de koning kreeg eerbied voor de God van Daniel (Schaarkunst, voorpagina en pag. 90).

afb. 4 Arnoldus van Sprang, “Elia en de raven”, 1710, 14 x 14 cm, Museum de Lakenhal Leiden

In Daniel 4 staat het verhaal van    voorganger, koning Nebukadnezar, die zijn stad in ogenschouw nam en vol trots zei: “Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb”. Zijn hoogmoed kwam voor de val en in verstandsverbijstering leefde hij tussen de koeien op het land, at gras en verwilderde. Jan de Prentenknipper knipte dit verhaal als een waarschuwing om eenvoudig te blijven en hij kortte eenvoudigweg af NBKNZ of NKNZAR (Schaarkunst, voorpagina en pag. 90). Tenslotte, en we blijven bij Jan die zo thuis was in zijn bijbel, een minder bekend maar al even boeiend verhaal in Numeri 22. De Israëlieten waren op hun zwerftocht dichtbij het beloofde land gekomen en de benarde koning van Moab huurde een vreemde profeet Bileam om de indringers te vervloeken. Maar de ezel van Bileam werkte niet mee omdat die méér zag dan zijn baas. In blinde woede sloeg Bileam erop los en werd toen door zijn dier verwijtend toegesproken (zie Schaarkunst pagina 90 BLA). Een onbekende knipper beeldde dit verhaal in het groot af, met het rijmpje:

“Heeft Gods bevel op ‘t hart geen klem,
Hij straft het door eens beesten stem.”

Dit knipsel was vorig jaar te zien op de tentoonstelling in het Schevenings Museum.
De knippers hebben deze dierenverhalen vast en zeker aangegrepen, omdat ze zo veelzeggend zijn. Medeschepselen, die het redden waard zijn, die zich inzetten, (fig. 3) die zich beheersen, die ons vernederen of tot inkeer brengen. De prentjes waren niet bedoeld om als de votionalia vereerd te worden. Het tweede gebod is daarin duidelijk genoeg geweest: Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken van wat boven in de hemel is, noch van wat onder op de aarde is, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen …

Ze kunnen je wel bepalen bij je taak als mens en als kunstenaar!

Joke en Jan Peter Verhave

Arie Tergant, Papierknipper uit Winkel, Knip-Pers 1989-2

Arie Tergant (1773-1852)

De papierknipsels van Arie Tergant vormen een uniek voorbeeld van de knipkunst in Noord-Holland in de eerste helft van de l9de eeuw.

afb. 1, Papierknipsel toegeschreven aan Arie Tergant, ca. 1811, Tekst: “Jij Bobeldijk, onderwijser der jeugd.” Jakob Bobeldijk, onderwijzer te Winkel, zoon van Arien Bobeldijk afm. ca. 21 x 26 cm, zonder lijst.

Door het grote aantal bewaard gebleven knipwerken van zijn hand, maar vooral door de in bijna al zijn knipwerken verwerkte teksten, is het mogelijk niet alleen de persoon Tergant te belichten maar ook zijn mede dorpsbewoners en de sociaal-economische achtergronden van een typisch Westfries plattelandsdorp in die periode. Arie Tergant woonde en werkte het grootste deel van zijn leven in Winkel, een dorp vier uur gaans van de stad Alkmaar waar hij op 10 juni 1773 werd gedoopt. Nadat zijn broers en zusters allen het ouderlijk huis hadden verlaten en zijn moeder in 1805 toestemming kreeg Alkmaar te verlaten, vertrok Arie naar Winkel. Zijn leven was niet gemakkelijk. Hij was “gehandicapt” en had grote moeite de eindjes aan elkaar te knopen..

afb. 2, Knipsel door Arie Tergant, anno 1829, gesigneerd, 30 x 35 cm. Deze knipseltjes werden nooit gesigneerd of gedateerd aangetroffen. Ze zijn wel allemaal in bijbels van dorpsgenoten van Arie Tergant teruggevonden, vandaar de naam “kerkboekprentjes”. Afmetingen tussen de 15 en 10 cm.

Hij heeft dan ook om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien, buiten de door hem uitgeoefende beroepen, papierknipsels vervaardigd.

Arie Tergant maakte geboorte-, naam-, huwelijks- en spreukenknipsels. Maar ook knipte hij kleine “kerkboekprentjes”. Zijn eerste, gedateerde knipsels maakte hij in 1811. In deze “vroege” knipsels is de door hem ontwikkelde stijl al volledig aanwezig. Door een vaste indeling en de steeds terugkerende motieven zijn zijn knipwerken direct herkenbaar. Ze vertonen de kenmerken van de Biedermeierstijl, hoewel duidelijk de sporen van de voorafgaande stijlperioden terug te vinden zijn: de bazuin- houdende engelen uit de Empireperiode, de vazen, medaillons en guirlandes in de Lodewijk XVI-stijl. De door hem in zijn latere knipsels verwerkte strikken zijn typische voorbeelden uit de Biedermeierperiode.

Afb. 3a, Twee “kerkboekprentjes”, toegeschreven aan Arie Tergant

Relaterend aan de door Tergant uitgeoefende beroepen van beeldsnijder en timmerman, zijn de door hem verwerkte motieven. We treffen ze nu nog aan als onderdeel van de huissierkunst uit het eind van de l8de eeuw in de Zaanstreek. In West-Friesland werden en worden de zwanen verwerkt in de zogenaamde “uileborden”. Maar ook als uithangtekens van herbergen waren ze geliefd. Een “Tergant-vogeltje” is gebeeldhouwd in de preekstoel van de kerk te OosterBlokker, maar staat ook in stof gedrukt op de omslag van een liedjesboekje uit 1818. Arie Tergant heeft vele knipsels in opdracht vervaardigd, maar zijn kerkboekprentjes kon men, volgens overlevering, voor één dubbeltje kopen. Om een idee te hebben wat dat ene dubbeltje, dus zo’n knipseltje waard was: een timmermansknecht verdiende in Winkel in 1819 fl 0.95 per dag.

Wat Arie Tergant voor zijn grotere knipsels rekende hebben we niet kunnen achter halen. Wel weten we dat hij in 1840 een knipsel heeft gemaakt voor Koning Willem I. Het knipsel werd hem door de minister van binnenlandse zaken terug gezonden, omdat “…als wordende soortgelijke voortbrengselen niet meer aangenomen”. De minister sloot een bedrag van fl 25.- bij.

afb. 3, Huwelijksknipsel door Arie Tergant, anno 1844. Jb Pluister was een rijke boer, hij had steeds twee dienstbodes en een knecht in dienst. Aan de gemeente Winkel leende hij in 1856 fl 2.459.- voor bestrating van wegen. 35 x 45 cm Foto Nederlands Openluchtmuseum Arnhem.

Arie Tergant zijn opdrachtgevers waren veelal de “grote” boeren uit Winkel en de directe omgeving.
Het is ook in deze periode dat de grotere knipsels van Arie Tergant bijna uniform werden. Hij knipte boven de middenmedaillons spreukbanden en liet meestal de strikken weg. De famen komen nog incidenteel voor.

afb. 4, “Pieter Strijker En Neeltje Kamp In Den Echt Verbonden Te Winkel Den 30 April A. 1824.” Pieter en Neeltje behoorden tot de zeer welgestelden van het dorp Winkel.

Knipsels en zeker spreukenknipsels, Arie Tergant heeft ze in groten getale gemaakt, waren geliefd bij onze voorouders.

Zo schrijven de heren Van Lennep en Ter Gouw in hun in 1869 verschenen “Boek der Opschriften”: “Ook vond men vroeger algemeen en vindt men nog in menig burger- of boerewoning spreuken, niet op eenig meubelstuk of gebruiksvoorwerp gesteld, maar op zich zelve, ter versiering van ‘t vertrek. Wij bedoelen die, welke, doorgaans twee in getal, uit wit papier geknipt en op blaauw papier geplakt achter glas in zwarte of vergulde lijstjes in de pronkkamer tegen de wand hingen of nog hangen. Van de 100 malen is 99 malen de ene spreuk: Gedenk te sterven . .”
Het is dan ook deze spreuk waarmee Arie Tergant in 1829 zijn eerste spreukenknipsel maakte.
Omdat zedenspreuken, voortgekomen uit de “Emblemataboeken” cultuurhistorisch een belangrijke rol hebben gespeeld en in de tijd van Arie Tergant tot gemeengoed ge worden waren, zullen de spreukenknipsels een apart thema binnen de tentoonstelling vormen.

Aan de hand van voorwerpen, archiefstukken, prenten, knipwerken van andere knipkunstenaars en vroeg l9de eeuwse foto’s worden leven en werken van Tergant, zijn mededorpsbewoners en het dorp Winkel belicht.

In dit beknopte artikel is geprobeerd een indruk te geven van wat er op de tentoonstelling in het Westfries Museum te zien zal zijn. Het Westfries Museum dankt de redactie van de Knip-Pers voor de medewerking en de beschikbaar gestelde ruimte.

Tonny Jurriaans.

De tentoonstelling in het Westfries Museum te Hoorn is van 27 mei tot 28 augustus 1989.
Op Lappendag, maandag 21 augustus, is het museum gesloten.
Knipdemonstraties worden tijdens de duur van de tentoonstelling gegeven op de woensdagen en zondagen door Jantje III pseudoniem mevrouw J. de Jong-Brouwer.

afb. 5, Arie Tergant

Kopieerkunst van het dagelijks leven, Knip-Pers 1989-2

Zo werd een beetje geringschattend de richting in de kunst genoemd, die in het begin van de vorige eeuw het “huisje-boompje-beestje” wilde afbeelden. Het gevoel van vrijheid, gelijkheid en broederschap in de Franse tijd had afgerekend met de tentoongestelde weelde van de rijken met hun faniliewapens en hun protserige graftombes. Het alledaagse van de gewone man, met zijn ambacht, huishouden en dorpse activiteiten werd het afbeelden waard Maar een ding bleef, het afbeelden naar bestaan de afbeeldingen; omdat men behoefte had schilderijen en portretten te kunnen vermenigvuldigen werden er gravures gemaakt. Op hun beurt werden die gedrukte gravures weer afgebeeld, onder andere in de (beroeps-) knipperij.

Illustraties uit de bijbel werden soms gebruikt en rond 1830 maakte Röemelé in Groningen knipsels naar voorbeeld van gravures van Hollandse zeehavens (Schaarkunst blz. 66-67). Door zijn papier wat te bollen bereikte hij het effect van ruimtelijkheid.

afb. 1, Pieter Reijnders (omstreeks 1800), Dorpsgezicht met ijspret, (afm. onbekend)

Voor hem was Pieter Reijnders in zijn knipatelier druk bezig geweest met het maken van stads- en dorpsgezichten. Hoewel we daarvoor geen bewijs hebben, heeft ook hij vermoedelijk naar voorbeelden van bestaande platen gewerkt. Maar Reijnders had meer in zijn mars, want talrijk zijn zijn plattelandstafereeltjes net rijtuigen, ganzenhoedsters, varkenskopers, haantjes, koetjes, bokkenwagens; allemaal zeer levendig weergegeven. Hij maakte zijn papier nat, bolde het op en voorzag het van ribbeltjes en groefjes waardoor het geheel eruit ging zien als wit reliëf net de suggestie van ruimte. Jammer genoeg is die techniek verloren gegaan, maar al zouden we willen, ons moderne papier leent zich er niet meer voor. Het is te kort van vezel en te houterig.

afb. 2, Cornelis Bavelaar sr. De Zijilpoort te Leiden, hout, 17 x 24-5 cm

Er waren ambachtslieden die verder gingen in het maken van ruimtelijke tafereeltjes. Dat waren vader en zoon Bavelaar uit Leiden. Vader Cornelis was beeldhouwer en leefde van 1747-1830. Hij maakte van been en hout allerlei dorpsgezichten, soms maar van 5 x 10 cm, die hij vatte in een diepliggende lijst. Speciaal onderscheidde hij zich in het nabouwen van prenten van Leidse stadspoorten in een ruimtelijk geheel. Zijn zoon en naamgenoot Cornelis junior (1777-1831) werd timmerman en trad later in vaders voetspoor; hij noemde zich in 1825 voor ‘t eerst “kunstwerker”. Toen kon hij er kennelijk van leven.

afb. 3, A. Delfos, 1762. Zijlpoort. kopergravure

Voor zover ongesigneerd, zijn de werkstukken van vader en zoon niet gemakkelijk te onderscheiden. Omdat ze dezelfde naam hadden en vlak na elkaar overleden, werd het later een kunstenaar Cornelis Bavelaar en de ruimtelijke miniatuurtjes kregen de naam “Bavelaartjes”.

Dat achternamen soortnamen worden, was misschien al wel bekend. In de knipperij kennen we de silhouetten, genoemd naar de zuinige minister van financiën in Frankrijk, Etienne de Silhouette. Een latere stadgenoot van de Bavelaars was de fotograaf Kiek, wiens naam in het kiekje voortleeft.

Het gebruik van het begrip bavelaartje betekent natuurlijk dat ook de ruimtelijke werkstukken van andere “kunstwerkers” zo genoemd werden. In Schaarkunst (blz. 110-114) staan er een paar afgebeeld en ook in deze tijd vinden mensen er hun plezier in om kijkkastjes te bouwen.

De “echte” bavelaars blijven bij verzamelaars erg geliefd. Kregen de makers er vroeger ongeveer fl 10.- voor, nu gaan ze voor fl 4000.-. De unieke diorama’s met echt Nederlandse onderwerpen en vaak heel geestige details vonden veel aftrek bij Engelse kopers. Er zijn er nog zo’n 350 bekend, maar vader en zoon hebben er samen mogelijk wel 1500 gemaakt. Is het kunst? In ieder geval kunstig hoe met een platte prent als voorbeeld een stadsgezicht weer diepte kreeg, maar ook origineel hoe het dagelijks leven verbeeld werd in miniatuur.

afb. 4, Cornelis Bavelaar sr. of jr. Binnenhuisje, hout, 7 x 12 cm

Intussen heeft een bavelaar weinig met papierknippen van doen. Als genre konden de papierreliëfs van Reijnders zich ruimschoots meten met de bavelaars. Waarom we dan toch aandacht aan die ruimtelijke knutselwerkjes besteedden? Toos Dietz vertelde ons op de Contactdag over haar bezoek aan het Leidse Museum De Lakenhal met de verzameling bavelaars. Bij het voorbereiden van de tentoonstelling in Scheveningen had ze gemerkt dat de bavelaartjes en hun makers ook in onze kring best wat meer bekendheid waard zijn.

Wie meer over de bavelaars wil weten, raden we de mooi geïllustreerde catalogus aan “Leven in Miniatuur”, die niet voor de “Slegtste” prijs in de tweedehands boekhandel te koop is (de afb. 2-4 zijn hieruit overgenomen).

Joke en Jan Peter Verhave.

Kleine en grote geschiedenis, Knip-Pers 2008-2

De lustrumviering was voor ons heel bijzonder. Van velen kregen we een compliment over onze voordracht en we ontvingen diverse leuke reacties op ons boek, geschreven en zelfs geknipt! Na 8 maart eindelijk rust? Gelukkig niet, want er komen al aanvullingen binnen op vragen die we stelden. En nu alweer een artikel inleveren voor de Knip-Pers…

We kozen dit keer voor een oude bekende: Jan de Prentenknipper. Is na het boek over hem nog wel iets nieuws te vertellen? Hij blijft in ieder geval de mensen boeien. Op Zeeuwse veilingen worden regelmatig kleinere en grotere prenten van Jan aangeboden. En voor de hoogste bieder is het een gevoel van voldoening om een echte Jan te bezitten, al is het maar een kerkboekprentje.

In onze voordracht vertelden we over een knipsel dat we gekocht hebben ter gelegenheid van de 65ste verjaardag van Jan Peter. Het stelt een beeld- en rijmverhaal voor van een boer uit Schore (Zuid-Beveland), die trouwt en kinderen krijgt; bij de geboorte van het elfde kind overlijdt de vrouwe en de boer blijft alleen achter. Op dat moment kwam Jan langs en geroerd door het verhaal maakte hij het knipsel. Het bleef ongekleurd (afb. 1).

afb. 1, Jan de Prentenknipper

Toen wij het onderzoek deden naar het leven van Jan en bij veel particulieren binnen kwamen om het verhaal te horen en een foto te maken, waren we ook in Schore. En daar kwam dit knipsel uit de linnenkast. De eigenaar vertelde dat het vroeger opgerold lag in een krant en dat de kinderen er wel eens mee speelden. Omdat daardoor de rand beschadigd werd, had hij het in laten lijsten. We maakten een foto en prezen de eigenaar voor zijn zorg om dit cultuurbezit.

Maar zoals dat gaat, als blijkt dat het bezit staat afgebeeld in een boek, zal het ook wel wat waard zijn. Jaren later heeft de eigenaar het aangeboden aan een veilinghuis in Middelburg en op een verzamelaarsbeurs in Utrecht ontmoetten we een standhoudster die enthousiast vertelde dat zij de koopster was. Ook zij verkocht het weer door, nu aan een bevriende antiquair. Bij hem zagen we het staan. “Kijk mevrouw, een interessant verhaal; moet u die fijn uitgewerkte boerenkarren en paardjes eens zien; en een gedicht…” “Laat u maar, we kennen het van voren naar achteren….” We waren verkocht en je wordt maar een keer 65.

Het is een vroeg werkstuk van Jan. Voor wie zijn biografie [1] niet heeft, heel kort: Jan was militair en moest twee jaar brommen vanwege een licht vergrijp. Waarschijnlijk heeft hij de kunst in het tuchthuis geleerd. Toen hij vrij kwam, heeft hij deze prent gemaakt voor de boer die hem onderdak gaf. Militaire acties uit het verleden spraken hem aan. Zo heeft hij minstens drie keer de invasie van het Engelse leger op Walcheren uitgebeeld (afb. 2). Dat was in 1809 geweest: 40.000 man werden ontscheept, met cavalerie en artillerie. Veere werd gebombardeerd. De Engelsen wilden de Schelde afsluiten, zodat de Franse bezetters niet meer vanuit Antwerpen konden handel drijven. Die hele onderneming werd een debacle: de militairen werden massaal ziek, bijna de helft kreeg de Zeeuwse koorts en 4000 stierven aan wat later bleek buiktyfus te zijn. Maar dat heeft Jan niet afgebeeld.

afb. 2, Jan de Prentenknipper, het Engelse leger op Walcheren

Vier keer heeft Jan de Aanlanding geknipt omstreeks 1830 (“Anlandige”, “Landdege”). De omlijsting lijkt heel erg op die van de prent uit Schore. Tot ongeveer 1835 heeft Jan in deze stijl geknipt. Later, toen hij als marskramer door Zeeland trok, maakte hij ook veel eenvoudiger werk, gedurende de winters. Dat is vaak meer van ’t zelfde.

Jan liet nooit zijn naam in de prenten achter. Pas twijfelde een kunstkenner of de Aanlandingen en het Schore knipsel wel door Jan de Prentenknipper waren gemaakt. Ze zijn zo anders en ook de letters zijn nogal verschillend. Maar we twijfelen niet: als je details vergelijkt, zie je de overeenkomsten, de tulpenbomen in sierpotten, de slang met een pijlpuntige tong, de wapens, de leeuw, de kroon, de paarden, die komen precies zo voor in zijn latere prenten.

afb. 3, Jan de Prentenknipper, Slag bij Waterloo

Onlangs liet iemand weten een knipsel te bezitten en of we er iets over wisten te vertellen. Helemaal verrast waren we, want het was ons meteen duidelijk en twijfel hadden we niet: Jan had een historisch knipsel gemaakt ter herinnering aan de slag (“Betalie”) van Waterloo (1815) (afb. 3). Napoleon met zijn Franse leger werd overwonnen door internationale legers, waaronder een Nederlandse eenheid onder de Prins van Oranje-Nassau. We zien allerlei onderdelen, cavalerie met gesneuvelde paarden en ruiters, “hoezaren”, artillerie en charges met gevelde bajonetten. Vier Belgische (?) plaatsen staan afgebeeld: “Sintenie, Falensyn, Waterloo en Doorenniek op de grenze v. Braband” (het verband begrijpen we nog niet helemaal). In ’t midden KAT BRA (de slag bij Quatre Bras, die aan Waterloo vooraf ging) en NPL op d berg (die berg staat er nog). ’t Is een prachtig stuk volkskunst (36 x 47 cm)!

Maar er was een probleem… de prent kwam niet uit Zeeland; hij was overgeërfd in een familie die altijd in Tull en ’t Waal had gewoond, een dorpje aan de Lek tussen Vianen en Houten. Altijd lastig als een deel van de gegevens niet klopt met je veronderstelling. De oplossing stond al in ons boek over hem: Jan was na zijn tuchthuisperiode gaan werken als arbeider bij het graven van het Kanaal van Gent naar Terneuzen. Toen dat werk klaar was, in 1827, vertrok hij naar Wijk bij Duurstede om grondverzet aan de Lekdijk te verrichten. Hij kreeg met zijn Constantia en hun kind onderdak bij een boer in de buurt van Schalkwijk, 4 km ten oosten van Tull en ’t Waal (misschien was dat wel de voorvader van de huidige bezitster!). Steeds was dat voor een half jaar; ’s winters gingen ze terug naar Zeeland. Heel bijzonder dat naast de informatie uit archieven, nu ook een tastbaar bewijs van zijn verblijf aan de Lek beschikbaar is.

Alleen het familieverhaal, dat de prent gemaakt was door een oude knecht, die de Slag bij Waterloo nog had meegemaakt, klopt niet. Jan Huiszoon was geboren in 1798 en werd in 1817 als infanterist ingelijfd. Jan, die toen nog niet de bijnaam van “de Prentenknipper” had, heeft de prent omstreeks 1830 gemaakt als een herinnering aan die historische slag, en uit dankbaarheid voor het onderdak.

Joke en Jan Peter Verhave

[1] J & JP Verhave, Jan de Prentenknipper. Zeeuwse volkskunst langs ’s Heeren wegen 1798-1870. Goes, De Koperen Tuin, 1993

Psaligrafie van Pasen, Knip-Pers 1989-1

afb. 1, Tola Steinhage

Katholieke ouders met jonge kinderen worden in de vastentijd bepaald hij de eerste communie. Het kind neemt zo nu en dan een schrift van school mee naar huis, waarin over het laatste paasmaal van Jezus met zijn leerlingen wordt verteld met een praatje en een plaatje. En de ouders worden door onderwijzer en pastor aangespoord om met hun kind te praten over de betekenis van de komende feestdagen. Een ouder van het vriendinnetje van onze jongste dochter liet ons zo’n schrift zien van zijn eigen communie in 1953. Het werd een noveen (=9) genoemd: “Nog negen keer slapen”. Het was rijk versierd met knipsels van Tola Steinhage, die haar knipwerk “psaligrafie” noemde, een woord dat we niet kenden. Van Dale hielp ons niet, maar wel het Prisma Vreemde Woordenboek. Het komt van de griekse woorden psalis voor schaar en grafo voor schrijven en tekenen.
Tola was een begaafde kunstenares, die vanaf haar kinderjaren knipte. Haar ouders moesten uit Duitsland vluchten voor de nazi’s en hier in Nederland heeft deze gevoelige vrouw veel knipsels gemaakt als illustratie voor kinderboeken en katholieke prenten. Dromen omzetten in schaduw, dat bleef haar boeien; met knipwerk kon ze veel meer effect bereiken dan met tekenen. Tola signeerde altijd met TS en een schaartje. Ze zou nu bijna 70 jaar oud moeten zijn.

We laten “het laatste avondmaal” uit het noveen zien en enkele paasprenten uit een zogenaamde Rozenkrans kruistocht voor de jeugd (1954) (afb. 1 en 3).
Als contrast het werk van twee onbekende knippers uit de vorige eeuw, die ook het paasverhaal hebben uitgebeeld. Het Zijn voorbeelden van tijdloze, naïeve volkskunst, in tegenstelling tot het werk van Tola Steinhage, dat veel meer figuratief en illustratief is en past in de katholieke sfeer van de jaren vijftig.

afb. 2, anoniem, 20ste eeuw

Het eerste knipsel (afb. 2) is een van een stel uit de verzameling Lever, dat nu in bezit gekomen is van het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem. Het beeldt Palmpasen uit (de intocht van Jezus op een ezel in Jeruzalem); daarnaast de uitdrijving van de kooplieden uit de tempel (op de grond ligt een schaar!); onderaan is het laatste avondmaal weergegeven. Wat op de afbeelding wegvalt is dat alle gezichten van de primitieve figuren met potlood zijn ingetekend. In ons verhaal over Noach hebben we al eens een werkstuk van deze knipper afgedrukt (Knip-Pers 1988-3).

afb. 3 Tola Stenhage

Het werk van de andere knipper (afb. 2 en 4) kennen we ook al (Knip-Pers 1985-4). Deze keer het lijdens- en paasverhaal: de intocht, de gevangenneming, de kruisweg, de kruisiging op Golgotha, de opstanding en de hemelvaart van Jezus, zoals het in de evangeliën staat beschreven. Ondanks de nadrukkelijke aureolen, waarmee Jezus werd onderscheiden van de andere figuren, zijn beide knippers vermoedelijk protestant geweest.

afb. 4, anoniem, 20ste eeuw

Pasen is een hoogfeest en veel dramatischer dan het kerstverhaal; het heeft veel christelijke kunstenaars geïnspireerd (zie Schaarkunst blz. 95, Jantje de Knipper van Urk, blz. 104 en 105, Willem Collart uit Antwerpen; Knip-Pers 1986-4, Jan Joseph Jöbsis uit Nijmegen). Gelukkig blijft het verhaal ook knippers van nu boeien (Schaarkunst II, blz. 39, Carien Carton en op blz. 47 Nolly Diekman).

Probeer zelf eens om Goede Vrijdag of Pasen af te beelden. Het zich inleven in lijden en opstanding van Jezus kan een geweldige ervaring worden. Het werkt als een geloofsbelijdenisl
Een blij Paasfeest gewenst.

Joke en Jan Peter Verhave

Paradijselijke motieven, Knip-Pers 1988-2

In een land waar vroeger iedereen met de Bijbelse verhalen opgroeide en vertrouwd was, is het geen wonder als ook kunstenaars daar hun inspiratie uit putten. Sommige verhalen zijn altijd favoriet geweest.

Er wordt wel eens gezegd dat protestanten meer hielden van het oude testament, en katholieken het nieuwe testament (en de apocriefe boeken) meer waardeerden. Natuurlijk zijn er veel uitzonderingen. Van de meeste knippers is de naam niet bekend, laat staan hun kerkelijke achtergrond. Daarom wagen we ons niet aan uitspraken maar willen een aantal voorbeelden geven van veel voorkomende motieven. Om te beginnen: de schepping en het Paradijs. Niet als een idylle, maar als waarschuwend verhaal van verleiding en ontrouw.

Bij ons artikel over Frederik Hendrik van Voorst (Antiek 1986) staat een perkament snijdsel afgebeeld uit 1721, dat zes taferelen van het scheppingsverhaal bevat (pag. 458). Onlangs stuurde iemand ons een kopie van een ander scheppingsverhaal door Van Voorst (fig. 1), gemaakt omstreeks 1700. Het is veel eenvoudiger van opzet; de verhalen zijn in een soort landschap gerangschikt, waarin we onder de schepselen zelfs een draak en een eenhoorn kunnen onderscheiden. Als vervolg op de verdrijving uit het Paradijs zien we de doodslag van Abel door zijn broer Kaïn.

afb. 1, Scheppingsverhaal, F.H. van Voorst, 1721, 18 x 29 cm

Van Voorst was (toen nog) katholiek, wat te merken is aan het Christus medaillon (redder van de zondige mens). In potjeslatijn staat er “Adam de eerste mens heeft de eeuwen verdoemd door een appel. Voor een enkele appel zijn allen een ongelukkig mens”.

Het afbeelden van de opvolgende Paradijs scenes in reeksen of strips was vooral populair in het noorden en oosten. Een voorbeeld staat afgebeeld in Schaarkunst, pag. 27. Andere bevinden zich in het Fries Museum in Leeuwarden (1846) en in het Almeloos museum (1807, door Lucas Hagedoorn). Al die knipsels hebben gemeen dat Adam en Eva heel vormloos zijn weergegeven, terwijl de bekende dieren, oa1s paarden, koeien en herten goed van verhoudingen zijn. Alleen de vreemde dieren, kamelen en olifanten, blijven vreemd.

afb. 2, anoniem, 37 x 45.5 cm

Heel anders is de voorstelling van Adam en Eva naast de boom der kennis van goed en kwaad (omstreeks 1735, maker onbekend). Ze zijn ondanks de wat onbeholpen manier van “arceren” toch echte mensen. Ook de dieren zijn gearceerd, maar vreemd van vorm (afb. 2).

afb. 3, het Paradijs, P.W., 1847

Een andere onbekende, P.W., gaf in 1847 vorm aan het Paradijs vóór dat de mens er was; “De Morgen der Schepping”. Hij/zij had gevoel voor perspectief en voor het mooie van de natuur (afb. 3). Een uitzondering, het Paradijsverhaal werd meestal afgebeeld als een spiegel voor de mens, een “Straf der Zonde”, zoals Jan de Prentenknipper uit Zeeland dat noemde (Schaarkunst, pag. 94). Hij heeft rond 1850 talloze paradijzen (PRD) met Adam, Eva en de slang geknipt, gekleurd en verkocht als kerkboekprentjes. En hij wist van zonde, want hij leefde als protestant ongehuwd samen met een katholieke vrouw. Hij voelde zich verantwoordelijk om schoolkinderen door zijn prentjes iets te vertellen, wat hij zijn eigen kinderen niet wijs kon maken. Kleurige tragiek …

ab. 4, S.D. van der Heidem, 1901

Heel simpel is ook het prentje uit 1901, dat Sjoerd Douwes van der Heide uit Oenkerk knipte voor z’n schoonmoeder Trijntje Gurbes Wijnterp. Ons medelid Sadi Huitenga-van der Heide vond het in haar grootmoeders bijbeltje (afb. 4). Je vraagt je af wat haar grootvader aan zijn schoonmoeder heeft willen duidelijk maken “de vrouw die Gij mij gegeven hebt ….“ De slang in de boom is bijna een hart.

Eenvoudig getuigend was ook Jantje de Knipper van Urk. Zijn paradijzen zijn heel simpel, maar de boom der kennis heeft een trillend aureool, als een soort uitstraling (Schaarkunst, pag. 21). Jantje verwijst in zijn tekst naar de tweede Adam, die de weg, de waarheid en het leven is. Hoeveel toeristen zouden voor de oorlog zo’n prent van hem gekocht hebben en die vervolgens achteloos ergens opgerold in een la opgeborgen?

afb. 4, W.T. Lever

Het ging bij de geknipte paradijzen om de boodschap en niet om de vorm. Het verhaaltje van W.T. Lever over hoe je Adam en Eva kunt knippen uit dubbelgevouwen papier (eerst twee Eva’s en twee slangen, daarna wegknippen) kent geen historische achtergrond (fig. 5) In Schaarkunst 2 zien we dat Janna van Zuijlen (nr. 273) deze plastische chirurgie ook heeft toegepast.

 

 

 

Een andere Paradijs scene is geknipt door Evert Root. Bij hem is het verhaal weer een dramatisch gebeuren: “eruit jullie, je bent het niet waard!” (afb. 6).

afb. 6, Evert Root

Probeert u ook eens dit Genesis verhaal uit te beelden en laat u niet verleiden door mooie lijven. Leg iets van de spanning in uw voorstelling: het verschuilen, de schaamte, het elkaar de schuld geven, werken in zweet en baren in pijn. Een werkstuk dat met weeën tot stand komt, heeft een boodschap!

Joke en Jan Peter Verhave

Kind onder ’t mes, Knip-Pers 1988-4

afb.1. Abrahams offer, door/voor Jacob Harttung 1767, detail

Met Kerst denken we aan een geboorte bij een verloofd stelletje, onder erbarmelijke omstandigheden en zonder hulp, een zaak van leven op dood. Ze kwamen er door vanwege een Belofte over dit kind, ze hoorden van een engelenschaar en mensen in wie God een welbehagen heeft. Maria overwoog al die woorden en bewaarde ze in haar hart. Misschien heeft ze toen ook wel gedacht aan de oude verhalen van haar volk over andere kinderen, die in gevaar verkeerden.

Voor onze voorouders waren die Bijbelse verhalen ook heel belangrijk in ‘t dagelijks leven. Knippers hebben twee geschiedenissen verbeeld, die buitengewoon populair waren: Abrahams offer en Salomons rechtspraak.

In beide verhalen gaat het om een kind als slachtoffer, goed voor een Kerstvoorbereiding aan de hand van de knipsels uit vorige eeuwen.

In Genesis 22 wordt verteld hoe aartsvader Abraham op de proef werd gesteld. Hij ging bidden met zijn zoon Izäak, maar nam het benodigde offerdier niet mee. God zou er wel in voorzien …. Bij ogenschijnlijk gebrek aan beter bond hij zijn zoon en pakte het mes. Op dat moment was er de reddende stem uit de hemel en een ram, met zijn horens verward in het struikgewas. Dat dramatische moment, het is of alle knippers daarop gewacht hebben. Ze beeldden het, elk op zijne wijs, uit. De een stijfjes en statig, de ander speels en beweeglijk, maar steeds met het altaar, de vuurpot, het opgeheven mes, de engel en de bok. Het is of ze allemaal wilden zeggen aan degene voor wie het knipsel bedoeld was: zo ga je misschien ook eens met je kind een weg die je niet wilt, een kind ten dode opgeschreven. Misschien maak je je kind het leven onmogelijk omdat jij als ouder een stem meent te horen. Maar dan is er een reddende engel die roept dat er een ander kind geboren is, dat als offer heeft gediend, in plaats van het jouwe; het Kerstkind.

afb. 3. Salomons Recht, anoniem Gronings, 12 x 15 cm, detail

 

Het tweede verhaal staat in 1 Koningen 3. Twee prostituees met een bedrijfsongeval, elk een kind. De een overkwam een ongeluk bij een ongeluk, haar baby stikte omdat ze in haar slaap op hem was gaan liggen. In wanhoop verwisselde ze het hare met dat van de andere moeder. Die ontdekte het bedrog en sleepte haar collega voor de rechter, in dit geval de jonge koning Salomo.

afb. 4. Salomons Gerigte, door Dato Scholtens 1780

Voor hem kwam het er nu op aan: hij had immers een “opmerkzaam hart gevraagd, om het volk te richten door te onderscheiden tussen goed en kwaad. “Snijd het levende kind in tweeën” beval hij, speculerend op het gevoel van de echte moeder. En het werkte!
Zijn eigen volk en alle generaties   na hem hebben met ontzag over dit Salomons oordeel gesproken.

In 1721 verwerkte Frederik Hendrik van Voorst dit verhaal in een groot perkamenten snijwerk voor het Stadsbestuur van Nijmegen. Het is alsof hij zeggen wilde: Hoge Heren, verwacht uw wijsheid van Boven.

afb. 5 Salomons Regt, door Lucas Hagedoorn 1810, 23 x 14 cm

Vele andere knippers hebben “Salomons Gerichte” of “Salomons Eerste Regt” gemaakt om te zeggen waar het op aan komt als ons de wijsheid ontbreekt: een op merkzaam hart. Gelukkig hoeven we niet allemaal zo wijs te zijn als Salomo. Daarom voor Kerst maar een iets minder cru knipsel rondgestuurd? Een moederhart bijvoorbeeld, een hartelijke Maria die verwonderd is over wat haar overkomt. Toch krijgt ook zij te horen dat er een zwaard door haar hart zal gaan vanwege dit kind. En ze gaan op de vlucht voor een koning die alle babyjongetjes aan stukken laat hakken. Kerst heeft veel kanten: Knip het met wijsheid!

Joke en Jan Peter Verhave

Literatuur en Afbeeldingen:
J.en J.P. Verhave, Schaarkunst (1983), pag. 16 en 27
J. en J.P. Verhave, Konststucken van snijden (1986), Antiek 20, pag. 457
Christie’s catalogus (1988), pag. 42 en 63

De visserij geknipt, Knip-Pers 1987-3

O ja, het wordt een fleurige, poëtische, toverachtige guirlande van herinneringen. Papieren scheepjes, papieren rozen, papieren poppetjes, slingers, confetti, lampions, vliegers. Je associeert het allemaal met feest en met vergankelijkheid en misschien is het juist daarom zo mooi en blijft het in je herinnering leven.
Scheepjes van papier. Een hele vloot witte scheepjes van papier, keurig opgetuigd met zeilen en wimpels…
Clare Lennart 1962.

De visserij geknipt

In de Knip-Pers 3e jaargang nr 3 schreef Toos Dietz over een énig prentenboek Van twee Vissehertjes. Het is een verhaal over twee Scheveningse jongens, geïllustreerd met knipsels die het vissersleven op zee en aan de wal uitbeelden. *)
Door dat boekje en het eigen bezit aan knipsels in het Schevenings Museum groeide de idee voor een tentoonstelling over geknipte schepen. Er moest in ons vissend en zeevarend land toch wel het een en ander aan knipwerk gemaakt zijn over dit onderwerp. Toos Dietz heeft zich beijverd om zoveel mogelijk bijeen te brengen en het resultaat valt tot 5 december 1987 in het Schevenings Visserijmuseum te bewonderen.

afb. 1, Johannes Kopper, Iconografisch Bureau Den Haag

‘t Penceel wist menig menech d’onsterflijkheid t’ ontrukken
De stift kan ieder ding op ‘t fraaist in ‘t koper drukken
Doch KOPPERS schaar alleen wist met een edele zwier
De gantsche Waereld nate bootsen van papier.
S.

Wij doken in de geschiedenis en de oogst viel niet mee! We lazen van een paar Rotterdammers: Gillis van Vliet (± 1674 – 1701) sneed een vloot of batalje van schepen, een zeegezicht, een strandgezicht en oorlogsschepen op stille en holle zee. Elisabeth Rijberg (± 1721) maakte diorama’s met de haringvangst en een gezicht op Scheveningen vanaf de zee, heel kunstig, met kleine figuurtjes. Ook Johannes Kopper (1713 – 1788) was in zijn tijd bekend als kunstknipper van schepen en complete zeeslagen (afb. 1). Zo liet hij zich afbeelden door de schilder Muys en na zijn overlijden maakte Roosing daar een prent van die gedrukt en verspreid kon worden. Helaas is er van al dit werk vrijwel niets overgebleven.
In het eigen bezit van het museum is een “Gezigt van het uitzeylen der haringschuyten van Scheeveningen de 15 September 1783”. Een prachtig stuk, waarvan het papier is bewerkt met fijne sneedjes en reiëf, een techniek die we nu niet meer beheersen. De naam van de maker is tot nu toe onleesbaar.

Ook fraai is een hartebrief, gemaakt door een zeeman wiens schip in 1781 op weg van St. Eustatius naar huis werd gekaapt door een Engelse piraat. Harteknipsels die ingevouwen worden bewaard in een hartvormig foudraal, zijn er in Nederland niet zo veel gemaakt en de onbekende kunstenaar heeft zich méér met pen en penseel dan met de schaar verdienstelijk gemaakt.

Uit de vorige eeuw hangen er twee stukken van de Groningse kunstknipper Röemelé (1791 – 1833). Hij had bekende gravures van kustgezichten als voorbeeld van zijn reliëfknipsels genomen (Schaarkunst, pag. 66 en 67). (afb. 3)

afb. 3, Röemelë, Gezicht op het Eiland Walcheren 1832

 

Ook Jan de Prentenknipper, Huijszoon (1798 – 1870) uit Zeeland is met een paar stukken vertegenwoordigd, waarop schepen en het verhaal van Jonas (Schaarkunst, pag. 29, 40 en 62).

Zij waren zeker geen zeelui en hun schepen waren van een vroegere tijd. Zo knipten ook Johannes Jongejan in 1806 en Jan David Patijn uit Rotterdam hun zeilschepen of ruimtelijke zeegezichten in miniatuur (1800) voor hun plezier. Wel moeten er rond Dordrecht in de vorige eeuw een paar (oud)zeelui geweest zijn, die prachtige zeilschepen tot in de kleinste details geknipt hebben. Ook een onbekende visser in deze eeuw maakte aardige knipsels van haringschepen uit Vlaardingen en Maassluis, die hij inkleurde en decoreerde met ankers, netten, windrozen en boeien. Twee voorbeelden zijn op de tentoonstelling te zien en een derde (afb. 2) is hier afgebeeld.

afb. 2, Haringscrhepen en attributen uit Maassluis in hart, 1913, 20 x 14 cm, Gemeentemuseum Maassluis inv.nr 492.

Natuurlijk moet ook de Urker Jantjen de Knipper genoemd worden, die vaak de hem zo vertrouwde vissersschuiten, de kerk en de vuurtoren van ‘t eiland heeft geknipt. (afb. 4)

afb. 4, Jantjen de Knipper (Visscher). privébezit Urk

Tenslotte hangt er op de tentoonstelling werk van enkele hedendaagse knipsters, die zich aan het uitbeelden van schepen hebben gewaagd: Jantje (III) de Jong- Brouwer, met een geestige ark van Noach, Jona en de vis, en Meerminnen. Lily Kok uit Noordwijk knipt nauwkeurig de vissersboten uit haar eigen havenplaats. Käty Kuiper uit Krommenie vindt aanleiding in plaatselijke spreekwoorden, ambachten en voorvaders om de zeevaart uit te beelden in zwaar, gekleurd papier, dat ze bewerkt met schaar en mes. Soms doet haar werk denken aan dat van Röemelé.

Geschiedenis is in ieder geval een rijke bron van inspiratie, dat laten haar Oostinjevaarders, walvisjagers en bomschuiten goed zien.

We keren nog even terug naar de maakster van het Scheveningse boekje “Voor Klein en Groot, met rijmpjes en knipsels door J.E.”, uit 1913. Er bestaat een dergelijk boekje van haar, “Buiten bij Kaatje! Een vertelseltje met versjes en knipsels”, gedrukt voor 1910 op hetzelfde formaat. Het gaat helemaal niet over de visserij, maar als aanvulling is het toch het noemen waard.
Navraag bij de uitgever Scheltema & Holkema leverde haar volledige naam niet op maar in Scheveningen heeft men die toch weten te achterhalen: Jacqueline Enderlein. Behalve in Den Haag, heeft ze ook in Hilversum en Rotterdam gewoond, maar verder weten we (nog) niets! Het zou ons niet verbazen als bleek dat ze onderwijzeres is geweest. Een leuke uitdaging voor iemand, om meer over haar te weten te komen!

Van het hele Visschertjesboekje is door het museum een mooie kopie gemaakt, die voor fl 15.- daar te koop is.
Al met al een heel aardige tentoonstelling in een (kind)vriendelijk museum, van knippers die schepen uitbeeldden, gewoon omdat ze ze mooi vonden en hun fantasie de vrije loop lieten of een voorbeeld kozen in een schilderij of prent. Opvallend weinig knippende varensgezellen zijn er geweest, als je ziet hoeveel scheepsmodellen van ánder materiaal, in of buiten de fles door kunstnijvere vissershanden in elkaar zijn gezet. De beste knippers staan kennelijk aan wal!

Joke en Jan Peter Verhave

*) Het boek is gekopieerd en gebundeld voor fl 17.- (14.50 + 2.50 portokosten) te bestellen hij het Schevenings Museum, Neptunusstraat 92, 2586 GT ‘s-Gravenhage, tel. 070-500830.