Auteursarchief: admin

LiIy Eisendorn, Knip-Pers 1991-2

 

afb. 1 Lily Eisendorn, Het bevrijdingsfeest. Het silhouetportretje aan de wand (rechtsboven) spreekt zo voor zichzelf, dat elke nadere aanduiding overbodig is.

Het eenvoudigst denkbare materiaal -een velletje luchtpostpapier en een schaartje- is alles wat de jonge Amsterdamse Lily Eisendorn nodig heeft voor het vervaardigen van de opmerkelijk levendige voorstellingen, die wij op deze pagina’s reproduceren. Haar vaardige vingers spelen met de ragfijne papierdraadjes, draaien het werkstuk om en om, terwijl het schaartje de grillige bochten van haar fantasie volgt en wij zijn bijna geneigd even de ogen te sluiten, als zij op een punt is gekomen, waar het voortbestaan van het knipsel afhangt van een fractie van een millimeter. Maar wij ademen weer vrijer, wanneer wij zien hoe beheerst zij werkt en hoe onfeilbaar haar handen zich bewegen.

De knipkunst is al zeer oud, doch telt slechts weinig beoefenaren meer. Het is mogelijk, dat de gejaagdheid van het hedendaagse levenstempo ons te onrustig heeft gemaakt. Innerlijke rust is inderdaad een onmisbare voorwaarde voor dit delicate werk. De nauwkeurige beschouwing van producten van silhouetkunst wekt associaties aan een aandachtig gebogen hoofd bij een kaarsvlam, met op de achtergrond het ijle gepingel van een spinet.

Lily Eisendorn is reeds op jeugdige leeftijd begonnen met het bewijs te leveren, dat de knipkunst nog lang niet dood is, zoals ten onrechte wel eens wordt gedacht. Gaandeweg is zij er zelfs toe gekomen een geheel eigen stijl te ontwikkelen door de toepassing van wat haar opvatting van de moderne vlakvulling is. Op een leeftijd, waarop de meeste kinderen blij zijn met een pop of een ander stuk speelgoed, kreeg zij een sigarenschaartje cadeau! Haar moeder kon haar rustig op het strand van haar geboorteplaats Balikpapan (Borneo) neerzetten; zij zou niet weglopen, als zij haar instrument maar bij zich had en voorzien was van een behoorlijke voorraad papier. Een van haar eerste werkstukken was de natuurgetrouwe afbeelding van een verlaten toko op palen en toen reeds openbaarde zich haar bijzondere gave, de voorwerpen om zich heen als silhouet te zien.

afb. 2, Lily Eisendorn, Men neme eens even de tijd om dit werkstuk tot in details te beschouwen. De afwerking is tot in finesses verantwoord.

Zij was dertien jaar, toen zij voor de voltooiing van haar schoolopleiding naar Nederland kwam. Er stond toen nog niets omtrent haar toekomstige loopbaan vast, want merkwaardig genoeg bewogen haar talenten zich zowel op het gebied van het tekenen als op dat der muziek.

afb. 3, Lily Eisendorn knipt Indonesië

Op het Kennemer Lyceum te Bloemendaal werd Anton Pieck haar tekenleraar en het is stellig niet gewaagd te beweren, dat mede zijn invloed ten slotte haar richting bepaalde. Zonder haar liefhebberij op te geven – als méér beschouwde zij toen het experimenteren met haar gave niet – legde zij zich na het eindexamen toe op het behalen van de middelbare tekenakte. Zij studeerde, onder anderen onder leiding van Jan van Tongeren, aan het Instituut voor Tekenleraren te Amsterdam en verwierf in 1948 op het door de Academie voor Beeldende Kunsten te ‘s Gravenhage afgenomen staatsexamen de akte MB, die de bevoegdheid verleent tot het geven van tekenlessen op middelbare scholen.

Hoewel de tekenstift en ook de piano voortdurend haar aandacht bleven vragen, behield zij toch een voorkeur voor de silhouetkunst. Zij vervaardigde figuren en taferelen met anecdotische inslag, zowel als knipprenten, waarin vooral de speelsheid en liefelijkheid treffen. Haar schoonste inspiratie vond zij onzes inziens in voorstellingen uit haar geboorteland en het mag zeer zeker een merkwaardigheid worden genoemd, dat haar Indonesische knipsels geheel uit haar herinnering werden gemaakt.

afb. 4 en 5, Lily Eisendorn, hoewel de jonge kunstenares sinds haar dertiende jaar niet meer in Indonesië is geweest, weet zij tafereeltjes uit haar geboorteland tot in de kleinste onderdelen juist weer te geven. De houding der figuren van mensen en dieren treft door natuurlijkheid.

Karakteristiek voor dit soort werk is, dat slechts voor het knippen van zeer ingewikkelde werkstukken een vluchtige compositieschets wordt opgezet. “Het vooraf tekenen van wat ik wil knippen legt mij te veel beperkingen op”, deelde zij ons mede, “en ik geloof trouwens, dat mijn methode precies dezelfde is, die in vroeger eeuwen en ook thans nog door enkele collega’s wordt gevolgd’.

afb. 6, Lily Eisendorn. Een grappig geboortekaartje, dat werd gedrukt naar het geknipte ontwerp.

Haar figuren munten uit door natuurlijkheid van houding en meermalen worden wij getroffen door een bepaald lijntje of bochtje, waaruit een aangeboren gevoel voor expressie spreekt. Zij ziet direct een kenmerkend gebaar of uiterlijk en legt dit al knippende vast. In de loop van de jaren heeft haar artistiek uitingsvermogen zich voortdurend ontwikkeld, doch ook haar producten uit wat wij met een groot woord haar experimentele periode zouden willen noemen, hebben alle reeds iets van het verfijnde, het gracieuze en het raak getypeerde van haar tegenwoordig werk. Moet men het knippen zelf het voornaamste noemen, er volgt daarna nog een oneindig geduldwerkje, als de figuren worden opgeplakt. Nadat zij eerst uit een stukje papier van enkele vierkante centimeters met verbazingwekkende snelheid een koelie had geknipt, die aan een juk twee korven draagt, en vervolgens een randje met een bloemmotief had gemaakt, bevestigde zij op een stuk glas een zwart velletje papier. Dat was de ondergrond .Dit zwarte papier, met plakband op zijn plaats gehouden, werd met een dunne oplossing van kleefpasta bestreken, waarna zij met behulp van een fijn penseeltje de knipsels ging opplakken. De tere motiefjes, die soms met minder dan een zijden draad aan elkaar hangen, moeten uiterst voorzichtig worden behandeld, vooral als zij vocht hebben opgenomen.Het geheel wordt tenslotte op natuurlijke wijze gedroogd.

afb. 7, Lily Eisendorn. Zo maar een vignetje, maar met een maximum aan voorstellingsvermogen.

Dat Lily Eisendorn tevens verdienstelijk met olieverf weet om te gaan en goed aquarelleert, is ons gebleken tijdens het bezoek, dat wij haar brachten. Het spijt haar daarom enigszins, dat het knipwerk haar zo weinig vrije tijd over laat, zodat de schildersezel meestal opgevouwen in een hoekje van haar kamer moet blijven staan. Ook op dit gebied heeft zij echter plannen en ideeën genoeg en er is daarom alle reden om haar ontwikkeling als schilderes met belangstelling te blijven gadeslaan. Wat zij evenwel is begonnen, toen zij een schaar nog een nip-nip noemde, blijft de grootste aan trekkingskracht op haar uitoefenen. Steeds zoekt zij naar nieuwe uitdrukkings- en toepassingsmogelijkheden. Verscheidene werkstukken van Lily Eisendorn ver sieren reeds de wanden van liefhebbers, en voor al haar Indonesische voorstellingen hebben aftrek genoten. Haar prestaties verdienen ongetwijfeld een warme en ruime belangstelling en wij hebben dan ook met genoegen een keuze uit haar collectie gemaakt, in de verwachting, dat onze lezers onze zienswijze zullen delen.

Hans Verhoeven
Uit: Panorama-Libelle Kerstboek 1949, weinig beoefende kunst

afb. 8, Lily Eisendorn maakte in 1945 de gedeeltelijke evacuatie van Bloemendaal mee en haar schaar kwam onmiddellijk in actie

De vorige generatie knippers, Knip-Pers 1991-2

afb. 1, Gertud Janusewski, Madonna

Hoe bleven de naoorlogse knippers, die niet zo’n klankbord hadden als wij, enthousiast voor schaar en papier en wat stimuleerde hen om door te gaan of te stoppen met hun knipactiviteit?
Sommigen van hen zijn nog in leven en uit de brieven die ze schreven aan Line Huizenga-Onnekes komt naar voren wat hen bewoog. Eén van het is Gertrud Janusewski; haar werk uit de vijftiger jaren willen we wat nader bekijken.

Op de Contactdag in Driebergen bezorgde iemand ons een paar artikelen over knipsters van vroeger: Een “In memoria voor Gretha Zijl (in ‘t Fries) uit 1977 en twee artikelen over Lily Eisendorn uit 1949.

In het vorige nummer van de Knip-Pers voerden wij Hankie Struyk ten tonele, die door Line Huizenga-Onnekes als een veel belovende knipster werd beschouwd. We kregen geen enkele reactie en kennelijk weet dus niemand meer van haar bestaan of activiteiten als knipster. Nu hoeft dat natuurlijk niet vreemd te zijn; ook binnen de gelederen van onze vereniging zijn er mensen die een tijd knippen en het daarna voor gezien houden.

afb.2, Gertud Janusewski

Toch zijn die naoorlogse jaren interessant. De knippers van toen hadden niet zo’n klankbord als wij: geen vereniging, geen knipkringen, geen blad. Zij moesten het zélf doen, zoals dat vóór die tijd eigenlijk altijd het geval is geweest. Eerlijk gezegd zijn wij als knippers van nu voor het eerst in een bijzondere situatie! Onze vraag aan de vorige generatie is: Hoe bleven ze enthousiast voor schaar en papier en wat stimuleerde hen om door te gaan of te stoppen met hun knipcreativiteit?

Sommigen van hen zijn nog in leven: Tola Steinhage, Lily Eisendorn, Marie-Thérèse Bruning; wat hen bewoog komt duidelijk naar voren uit brieven die ze schreven aan Line Huizenga-Onnekes. Met hun ogen willen we deze keer het werk uit de vijftiger jaren van Gertrud Januszewski, nu een dame van 80, wat nader bekijken.

Gertrud Januszewski
Als enig kind van Poolse ouders is Gertrud in 1911 in Berlijn geboren. Haar vader was tuinarchitect, een man met smaak en grote liefde voor de natuur. Gertrud tekende altijd veel en in 1930 begon ze te knippen, maar een artistieke opleiding heeft ze niet gehad. In die tijd werkte ze in Beieren en Zwitserland, illustreerde kindertijdschriften, versierde boekbanden, maakte kerstkaarten en kerst-triptieken en plaatjes voor de Heilige Communie. In 1938 werkte ze voor Polen en daarna is ze in ons land terecht gekomen, waar ze de oorlog doorbracht bij de Zusters van Bethanië in Oploo (N.Br.). Haar ouders in Oost-Berlijn heeft ze nooit meer kunnen bezoeken; dat gaf haar veel verdriet.

Later is Gertrud gaan wonen in het Gemma klooster te Sittard, waar ze naast de huishouding en portiersdienst tijd vond voor het knippen. Ook boetseerde ze wel eens, onder andere een Kruisweg voor de kloosterkapel. Ze tekende het ontwerp voor haar knipsels in grove trekken, “maar er komt in de regel altijd wat anders tevoorschijn dan het getekende”.

Haar religieuze knipsels, de Madonna, de Apostelen of de Heilige Franciscus getuigen van een gevoel voor ritme en elegante. De ragfijne knipsels, die bijna niet te hanteren waren, plakte ze liever niet op, maar plaatste ze tussen glas, zodat de schaduwwerking op de Witte achtergrond de charme verhoogt. De persoonlijke uitdrukking van haar figuren gaat niet diep, maar de melodieuze gratie van haar knipwerk vergoedt dat ruimschoots.

Ook hield Gertrud van sprookjes en knipte graag spelende kinderen in een pittoresk landschap. Het eenvoudige en bevallige lag haar en er gaat van haar werk een meditatieve schoonheid uit.

afb. 3, Gertrud Januszewski, Apostel Johannes

In haar tijd was ze een kunstenares van groot formaat, wier werk op tentoonstellingen voor nieuwe religieuze kunst zeer gunstig beoordeeld werd. Zelf vond ze zich maar een eenvoudig meisje (1953!), dat zou willen weergeven wat in haar om gaat en door haar werk anderen blij maken. Eigenlijk had ze graag van de opbrengsten van haar knipwerk willen leven (“ik heb er voor 7.50, 10.-, 20.- en meer..”) en op zichzelf willen wonen in een eigen kamertje … “maar, het leven maakt alles anders. Toch komt het altijd goed!”

 

 

 

Line Huizenga zag haar knippen met een klein schaartje in dun, zwart papier en zij vertelde: “Het schijnt alsof onder het knippen al het zware, al het leed waaronder de wereld gebukt gaat, van haar afvalt. Gertrud is een innig-vrome vrouw, die troost en steeds nieuwe inspiratie vindt in haar godsdienst. Zij weet dat uit het leed weer nieuw zaad geboren wordt voor haar werk, en het wordt bevrucht”.

Joke en Jan Peter Verhave

Snijdsels van een schimmenspeler, Knip-Pers 1991-4

Een silhouet roept een beeld op dat we herkennen aan de omtrek van een voorwerp met ruimtelijke afmetingen, bijvoorbeeld ons eigen gezicht. Maar als onze eigen schaduw op een scheef vlak valt, lijkt het een misvorming van wat we echt zijn. Door knip- en snijwerk, dat op zichzelf een profiel is van de werkelijkheid, te beschijnen, kunnen we opnieuw een schaduw afbeelden op een vlak. Zulke schaduwbeelden of schimmen kun je laten bewegen en dan heb je de mogelijkheid om een verhaal te maken. Zo werkt in Indonesië de wajang en onlangs trad in Amsterdam en Utrecht een groep schaduwspelers uit Cambodja op met manshoge, uit leer gesneden poppen. Ook in India en Turkije leeft deze traditie van schaduwtheater en in ons land speelde men in de vorige eeuw met de “Chinese schimmen”.

We werden bij schaduwbeelden bepaald door een boekje dat Marie Thérèse Bruning ons leende, met gesneden platen door Frans ter Gast.

In de Knip-Pers is over het werk van ter Gast nog niet zoveel geschreven en wij zijn te rade gegaan bij wat Line Huizenga-Onnekes in 1956 had geschreven over haar tijdgenoot, de schimmenspeler Frans ter Gast:

“Misschien is hij op het ogenblik de enige in ons land, die zich met de edele kunst van het maken en vertonen van schimmen ophoudt. Hij snijdt zijn schimmen, knipt ze niet, omdat zijn vingers te dik zijn voor de kleine schaarogen. Zelf vindt hij dat hij daardoor scherper en pittiger lijnen krijgt, wat het werk een persoonlijk cachet geeft.

Hij bezocht de Kunstnijverheidschool te Amaterdam en Haarlem, werkte drie jaar in het buitenland en vestigde zich in Den Haag als decorateur, afficheontwerper en sierkunstenaar. Hij illustreerde boeken, gebruikte silhouetten voor reclamedoeleinden en maakte een silhouetfilm. Ruim 25 jaar is het ontwerpen van schimmenspelen zijn grote “hobby”, waarvan een dertigtal spelen het resultaat zijn. Ze duren ongeveer anderhalf uur en er zijn er bij waarin ruim 500 figuren voor komen. Tot zijn repertoir behoren “De Legende van Beatrijs”, “Zwerftochten van Odysseus”, “Blauwbaard” en “De Noord van Raamsdonk”. En zo zien we dat de knipper en snijder van silhouetten nog heden ten dage vele mogelijkheden heeft”.

Met bewegende schimmen kon men dus hele verhalen samenstellen en het publiek boeien door een combinatie van schaduwen, vertellingen en liedjes. Soms werkte men met een heel team van spelers, sprekers en aangevers “achter het scherm”. Het is inderdaad een kunst, waaraan wij, knippers, ons best wel eens mogen wagen, als vermaak voor het gezin of een partijtje in kleine kring!

In het boek “Schiinmenspel en het spelen met schaduwen”, door Hetty Paërl (Wereldbibliotheek 1979) lezen we verder over Frans ter Gast en zijn beweegbare schimfiguren vol scharnieren en touwtjes. Soms verwerkte hij dun gekleurd papier in zijn figuren en projecteerde ze met een felle lamp. “Erik van Godfried Bomans maakte hij zo tot een kleurig schimmenspel; andere stukken waren de “Baron van Münchhausen” en “Meneer Prikkebeen”. Ter Gast heeft zich ervoor beijverd dat de schimtraditie werd voortgezet en inspireerde jonge spelers. In 1970 is hij over leden.

Al eerder hebben we enkele afbeeldingen uit het boekje “Appeltjes van Oranje” geplaatst, waarvoor ter Gast in 1948 de silhouetten maakte. Hij hield veel van de vaderlandse geschiedenis en het Oranjehuis. Het bovengenoemde boekje, “Sage en Feit uit Oorlogstyd” uit 1946, behandelt het leven in de oorlog en gedichtjes van Jan Ubink begeleiden de platen van ter Gast. In de inleiding lezen we:

“Frans ter Gast, de snijder van bekoorlijke schimmenspelen sneed in de winter van 1944-45 een paar platen naar aanleiding van de brandstoffennood. De reeks werd groot genoeg om een boek te vormen … Het gesneden zwart-wit beeld heeft, ook wanneer het niet op het witte doek wordt geprojecteerd, een eigen bekoring. De strakke scherpte van de lijnen en de beperkingen, waartoe de techniek onmiddellijk voert, geven het een karakter, die het van ieder andere kunstuiting onderscheidt”.

We vinden beide boekjes de moeite waard om door onze vereniging heruitgegeven te worden!

Joke en Jan Peter Verhave

Wat grootmoeder vertelde, Knip-Pers 1990-4

“Cornelis, ik weet zeker dat mijn grootmoeder het over Cornelis had.”

afb. 1 en 2, Cornelis Leek, Particuliere Collectie

Een zin uit een gesprek met een papierknipkunstbezitster uit Winkel, tijdens het onderzoek naar de papierknipper Arie Tergant  (1773-1852). Hiermee begon de speurtocht naar de makers van enige anonieme knipwerken, gedateerd 1778-1805, en verschillende bidprentjes. Qua indeling en verwerkte motieven lijken vooral de bidprentjes op het werk van Arie Tergant, maar kniptechnisch zijn ze anders. Veel scherper en wat houteriger (afb. 3). Cornelis, het zou de vader van Arie Tergant geweest kunnen zijn, die heette ook Cornelis. Maar dat gegeven was snel achterhaald toen bleek dat Cornelis Tergant in 1776 te Alkmaar was overleden. Onderzoek bracht ons niet verder en Cornelis bleef een onbekende. Tot enige maanden geleden twee papierknipsels ter onderzoek aan ons museum werden aangeboden. Twee knipsels met Bijbelse voorstellingen en met initialen C.L. (afb.1 en 2).

afb. 3 Cornelis Leek

Volgens overlevering zijn deze knipsels gemaakt door Cornelis Leek uit Niedorp, die leefde in de periode 1800-1870 (afb. 4). Een eerste archiefonderzoek bracht aan het licht dat Cornelis Leek werd geboren op 26 of 27 augustus te Noord Schermer en zich vanuit Heerhugowaard in Niedorp vestigde. Hij was arbeider van beroep en getrouwd met Antje Bas uit Haringcarspel.

afb. 4, bidprentje, toegeschreven aan Cornelis Leek, Particuliere Collectie

Vergelijking van de bidprentjes met de twee knipsels met de initialen maakt duidelijk dat ze door eenzelfde hand geknipt kunnen zijn. Grootmoeder had waarschijnlijk gelijk.

afb.4, bidprentje, toegeschreven aan Cornelis Leek, Particuliere Collectie

Een knippende Cornelis in de tijd dat Arie Tergant leefde en die tevens de maker van de bidprentjes was. Verder onderzoek naar Cornelis Leek zal het antwoord moeten geven.

Tonny Jurriaans

afb.5, bidprentje, toegeschreven aan Cornelis Leek, Particuliere Collectie

Schaarse orangisten, Knip-Pers 1990-2

Na de koninklijke Oranjes zijn nu hun prinselijke voorouders aan de beurt. Ook in de tijd vóór 1800 hebben knippers politieke kleur bekend, maar hoe langer geleden, hoe schaarser voorbeelden daarvan nog te vinden zijn.

afb. 1, Johanna Koerten, Wilhelmus Brittannicus Rex (Museum Lakenhal Leiden, 23 x 27cm)

Veel van onze ruim 900 knippers hebben op Koninginnedag weer een kraampje opgezet, om hun kunst en nijverheid aan de scharen te tonen. Zo krijgen ze vast wel eens te horen van een voorbijganger, dat die iets ouds thuis heeft. Het is dan zaak om vriendelijk te vragen of dat eens bekeken mag worden! Gelukkig raken steeds meer knippers geïnteresseerd in de geschiedenis van hun hobby. Onlangs gebruikten twee van hen hun ogen heel goed op de kijkdag van een veiling in Hilversum. In februari zou een knipsel van Prins Willem III worden geveild. We kregen de tips door, een prettig gevoel om met elkaar samen te werken.

Het veilinghuis was zo vriendelijk ons een polaroidkiekje te sturen en we zagen in een prachtig uitgesneden, houten lijst een ovaal snijdsel, met de Stadhouder-Koning te paard. Weliswaar staat er geen jaartal op, maar iedereen herinnert zich nog wel dat kort geleden het “William & Mary” jaar is gevierd: door zijn huwelijk met de Engelse prinses Mary Stuart, werd stadhouder Willem III koning van Engeland in 1688. Het moet dus kort na die tijd gemaakt zijn.

R.V. Purde (?), Ingelijst knipsel met Willem III, ca. 1690, (Amsterdam Museum)

De “Dutch King” joeg zijn katholieke schoonvader Jacobus II op de vlucht en versloeg de Fransen ter Zee. Koning Lodewijk XIV erkende zijn koninklijk gezag in 1697 bij de vrede van Rijswijk. Willem was een staatsman van Europees formaat. Iets daarvan vinden we terug in het rijmpje onder dit snijdsel:

Dit’s Koning Willems beeld, de schrik van Lodewijk
die dwingelanden dwingt te ruymen ‘t Konigrijk
De Wereld waagd ‘er van doorluchtig zijn de blijcken
Tot het de Vorst gekroond tot Koning van drie Rijken
Wat Prins in Duyzend Jaar, was dees Monarch gelijk
Zoo dienstig voor de Kerk, zoo … voor ‘t Kristenrijk.

In 1702 viel Willem van zijn paard en overleed. De maker heeft zijn eigen naam in het ruitersnijdsel gezet, maar die is op de foto moeilijk te ontcijferen; R.J. Purden (7) probeerde de veilinghouder. Het deed ons even denken aan J. Koerten, die immers ook een Willem, “der Britten Vorst” heeft gesneden, en wel met een dergelijke techniek van in- en uitgekerfde lijntjes, als was het een gravure (afb. 1). Tijdgenoten uit Rotterdam, E. Rijberg en Gillis van Vliet, hebben ook de Koning en de Koningin van Engeland uitgesneden; de eerste sloeg een aanbod van
fl 1000.- voor de portretten af! Van Gillis’ vele snijdsels, die we alleen bij naam kennen, onder andere ook de vloot waarmee Willem naar Engeland overstak, is er onlangs een “opgedoken”!

afb. 4, Snijwerk ca. 1850, maker onbekend. Uitbeelding van de moord op Prins Willem 1 (1584) in een koepel waarop zinnebeeldige figuren, midden op justitia, Collectie Nederlands Openluchtmuseum, 25 x 20 cm

Van eerdere Oranjes zijn geen knipsels bekend. De afbeelding van de moord op Willem de Zwijger (afb. 4) is waarschijnlijk in de vorige eeuw gemaakt, toen de “roemruchte” vaderlandse geschiedenis weer werd opgepoetst.

afb. 5, Willem IV en Anna, Museum Sypesteyn, Nieuw Loosdrecht, 44 x 57 cm

Een mooi knipsel is dat met de portretten van stadhouder Willem IV en prinses Anna (door een onbekende, 1734 of iets later, afb. 5). Van hun oudste dochter, prinses Carolina, en haar man vorst Karel Christiaan van Nassau-Weilburg, bestaan witte (!) silhouetten (ca. 1784); op de achterkant een aardige toelichting: “Dit zijn de Silouettes van de Prins en Princes van Weilburg, door de Princesse toen HH (harer hoogheids) gemaal Gouverneur van Maastricht was aan mijn vader (dominee) Js. van Dijk gegeeven, om te zien of het zijn Ed(ele) mogelijk zou zijn daar na een portrait van de Prins te maaken, alzoo zijn H(hoogheid) nooit zijn portret had willen laaten maaken – het vertrek van hunne HH (hoogheden) kort daarna naar hunne Duitsche Staaten verijdelde dit plan.”

afb. 6, Pieter Dingenom, Vievat Oranje, Oranjeboom 1767 voor huwelijk prins Willem V met prinses Frederika Wilhelmina, 24.5 x 26, 5 cm, Particuliere collectie

Voor haar broer Willem V en prinses Frederika Sophia Wilhelmina van Pruisen maakte Pieter Dingenom uit de Zaan in 1767 een huwelijksknipsel (afb. 6). Het is een gekleurde oranjeboom met veel krulletters. De prinses staat erin als Frederika, terwijl ze bij ons juist als Wilhelmina bekend is geworden (u weet wel, van Goejanverwellesluis). Stadhouder Willem V is verder door Willem Roels in 1768 gesneden, met veel bijwerk (versieringen) en ook van een andere, onbekende knipper is een prinsenknipsel bekend, vol zinnebeelden en “Willem de V is de Vader des Vaderlands”.

afb. 2 en 3, A.D. Schreuder, PWDV (Museum Flehite, Amersfoort, 25 x 24 cm; foto W. Wesse

Anna Dorathea Schreuder maakte verscheidene politieke knipsels. Twee tonen ruiters, de Nederlandse Maagd en de pijlenbundel van de Republiek (afb. 2 en 3). De geknipte teksten luiden:

D NEDERLMJDSCHE MAAGT SCHENKT HIER AAN WILLEM CARELZOON OP ZYN GEBOORTEDAG VOL VRUIGT EEN EERE KROON. VIVAT PW OM DIT T BEWAARE HEB IK ALLES ONDERGAAN ORANIE ZAL BLOE ZOLANG DE WERELT STAAT. 1788 WDVPVO


afb. 7, Anna Dorathea Schreuder, politiek knipsel (Historisch Museum der gemeente Rotterdam, 18 x 22 cm[/caption]

Ook lieten de oranjegezinden zich niet onbetuigd in aardewerken sierschotels met PWD5 en oranjebomen met VVOR (Vivat Oranje). Misschien geven deze tekenen van aanhankelijkheid juist de tanende polulariteit van de stadhouder aan. Hij vluchtte naar Nijmegen, liet zich daar silhouetteren (achterglas-schildering) in 1787 door C.T. Köhler, als geschenk voor zijn zuster Carolina, om in haar “mooye kamer” te hangen en liet verder zijn vrouw de politieke kastanjes uit het vuur halen. De patriotten moesten niets van hem hebben en hún embleem, de Keeshond, verscheen op allerlei knipsels. Tenslotte vluchtte hij naar Engeland. Toch werden er in de Franse tijd “verborgen silhouetten van het prinselijk paar gemaakt (vaak in een andere techniek uitgevoerd).

Joke en Jan Peter Verhave.

Literatuur:
Henk van Ark (1987), “Zeer Uitstekende Kurieuze Stukken van Papier”. Uitg. Atelier Tobia Lever Rotterdam.
Staring (1964), De silhouette In Nederland. Catalogus Groningen/Rotterdam.

Dit artikel is in september 2022 aangevuld met een extra afbeelding.

Kroon op het knip werk, Knip-Pers 1990-1

afb. 1, Frans ter Gast, Koningin-Moeder Emma (uit: Appeltjes van Oranje)

Het was eigenlijk wel te verwachten. De Haagse knippers kozen voor de zesde Contactdag, vorig jaar, heel vaak de Gouden Koets, “hun” paleizen en de koningin. Hagenaars léven met het koninklijk huis!
Direct na de oorlog waren de Oranjes natuurlijk een dankbaar onderwerp voor sommige knippers. Frans ter Gast maakte in 1948 een boekje met gedichten en knipsels “Appeltjes van Oranje”. Ook Wiecher Lever toonde in die tijd zijn aanhankelijkheid aan het koningshuis.

In de collectie Lever, die in 1988 werd geveild, bevonden zich een zevental bijzondere Oranjeknipsels. Ze werden in 1877 gemaakt door “Zijne Majesteits getrouwe onderdaan J.E. Hilzer te Neuzen” (Terneuzen). Heel apart is dat de teksten op de achterkant zijn getekend, waardoor de gele, zwarte of rode voorkant van het sitspapier de teksten in spiegelbeeld laat zien. Dat kon toch niet de bedoeling zijn. Wij houden het er op, dat Hilzer (over hem weten we verder nog niets) steeds dubbel papier heeft geknipt en de “goede” teksten heeft opgestuurd aan Koning Willem III.

Ook Arie Tergant uit Westfriesland had in 1840 al een knipwerk aan de Koning (Willem 1) aangeboden. Het werd met vijfentwintig gulden aan de maker teruggestuurd “als wordende soortgelijke voortbrengselen niet meer aangenomen”. Tegenwoordig zou dat ongeveer honderdmaal zoveel zijn, een koninklijke prijs! Curieus is het verhaal, dat de organisatoren van een tentoonstelling over Jan de Prentenknipper in 1967 te Wemeldinge, aan Koningin Juliana bij haar bezoek een origineel knipsel van Jan wilden aanbieden. Uiteindelijk was iedereen ervan overtuigd dat zij het niet boven haar bed zou hangen en kreeg ze een ander origineel cadeau. Maar in de overlevering van een familie die zo’n knipsel bezit, heeft de stellige mening postgevat dat de Koningin zélf er fl 17.000.- voor geboden had. Dat lijkt ons wat ál te royaal…

afb. 2, Frans ter Gast, Cupido, Bernhard en Juliana (uit: Appeltjes van Oranje)

Aan de andere kant van de Zuiderzee maakte Auke Roorda een geweldig groot stuk ter herinnering aan de 7lste verjaardag van Zijne Majesteit Willem III, Koning van Nederland. Voor wie zou hij het bestemd hebben? Nu ligt het, zwaar beschadigd, in het museum It Coopmanshûs te Franeker.

In het Fries Museum te Leeuwarden is ook al een geknipt eerbewijs te vinden; het is een letterknipsel “HULDE aan WILLEM III Koning der Nederlanden, Groot Hertog van Luxemburg enz. enz. enz. Bij gelegenheid van Zijner Majesteits eerste bezoek als Koning, in Friesland. Leeuwarden den 20n April 1852.

Voor Koning Willem II en Koningin Anna Paulowna maakte Hendrik Kuyper uit Noordwolde omstreeks 1842 zijn bewijzen van koningstrouw.

afb. 3, J.E. Hilzer, H.M.Sophia Frederika Mathilda, Koningin der Nederlanden, Geel, 22 x 26 cm, Particulier bezit

Weer terug naar Noord-Holland. Koninklijke bezoeken waren in die tijd evenementen, die men zich nog lang heugde. Toen Koning Willem I Wijde Wormer en Purmerend bezocht in 1842, maakte Neeltje Prijs, de vrouw van Huibert Eenhoorn in de 3 tot 6 jaren daarna twee enorme applicaties van gekleurd papier, die tot in de kleinste details feestelijke optochten langs versierde grachten en markten laten zien, Het museum van Edam heeft er een, die ondanks de deplorabele staat de moeite van het bekijken waard is.

afb. 4, Anoniem, Viva Oranje 1815, 13 x 10,5 cm, Particulier bezit

Maar ook in een eenvoudig hart met “Viva Oranje” uit 1815 kon een onbekende zijn of haar blijdschap uitdrukken over de terugkeer van Willem, de eerste Koning der Nederlanden, na het vertrek van de Fransen.

 

 

 

 

 

Oranje is altijd actueel geweest. Dus, knippers van Nederland, de schaar in de aanslag: Cora van Mora is geknipt als prinses!

afb. 6, Hendrikus Wilhelmus Kuyper, Koning Willem II, 19 x 12 cm en Koningin Anna Paulowna, 18.5 x 11 cm, Fries Museum.

Joke en Jan Peter Verhave

Snippers van knippers, Knip-Pers 1989-4

In ons boekje Schaarkunst noemen we als een achttiende-eeuwse knipper David van Freney, belastingambtenaar te Hasselt bij Zwolle.

Zijn naam hebben we te danken aan wijlen Mr. Steenbergen, die afstamde van een zus van Davids echtgenote. Het echtpaar Freney had zelf geen kinderen gehad en Davids broer erfde zijn bezittingen, waaronder zich een Statenbijbel bevond. En daarin vond meneer Steenbergen een viertal knipsels, waarvan hij omstreeks 1955, op grond van een geschreven aantekening achterop een van die knipsels, meende dat David de maker was. Nu hebben wij meerdere knipsels van dezelfde hand ontdekt; een daarvan was gedateerd 1752, de andere 1771, terwijl David (officieel David Lambertus van Ferney) pas in 1776 was geboren (Schaarkunst blz. 44, 86—89).

afb. 1, Wapenknipsel Van Ferney. Zeeuws, toegeschreven aan Jacobus JansenHij kan dus niet de knipper zijn geweest; maar zo gemakkelijk als het lijkt is het niet. Want David, een niet onverdienstelijk tekenaar en dichter, had een veel jongere halfbroer, Johannes Kornelis van Ferney, griffier en vrederechter te Hasselt en vanaf 1838 kantonrechter te Ootmarsum. En deze Johannes had met schaar en mes uit papier een groot tempelachtig bouwwerk gemaakt, met acht taferelen uit het leven van Jezus. Dit wordt bewaard in het gemeentehuis van Hasselt, samen met nog andere van zijn bavelaarachtige knipsels (afb. 3).

afb. 3, Bavelaartjes met het leven van Jezus, gevat in een classicistische tempel. Gesigneerd: J. van Ferney, Stadhuis Hasselt.

Maar ja, het feit dat de ene broer een handige knutselaar was, maakt de ander nog niet tot knipper. De knipsels moeten dus op een of andere manier in de familie Ferney gekomen zijn. Ze zijn gemaakt voor bruiloften in Doopsgezinde koopmansfamilies in Noord-Holland. Een verband tussen die families hebben we tot nu toe niet kunnen ontdekken.

Voor verwante Zaanse families zijn in dezelfde tijd en stijl knipsels gemaakt door een ándere kunstenaar, die onder voorbehoud H. van Winter genoemd is. Over hem weten we verder ook niets (zie Schaarkunst bl. 59-60, 70-71). Hij zou ook Nicolaas Jut (omstreeks 1755) kunnen heten, die was Doopsgezind. Misschien was er maar een knipper, die zowel slordig seriewerk als fijn snijwerk maakte (afb.2).

afb. 2, Wapenknipsel (families onbekend), toegeschreven aan H. van Winter. 29 x 19 cm Foto Nederlands Openluchtmuseum. Particuliere verzameling

Om het nog ingewikkelder te maken: een derde knipper met overeenkomstige stijl vinden we terug in Zeeland, nota bene weer in verband met de familie Ferney. Het geslacht was Zeeuws: eerder genoemde broers David en Johannes waren geboren in Middelburg en in 1795, resp. 1810 verhuisd naar Hasselt. Hun moeder was een Sohier en háár twee zussen trouwden met de gebroeders Serlé. Uit de familie Serlé dook op een veiling onlangs een zogenaamd “scrapboek” op, een plakboek met allerlei dierbaarheden. Daarin onder andere twee geknipte of gesneden heraldische stukken; het ene is het familiewapen van Ferney (afb. 1). Het andere wapen bleek op het Centraal Bureau voor Genealogie niet bekend. Wel herkennen we de stijl van de maker: een ander snijdsel van hem (of haar) staat in Schaarkunst op blz. 25 afgebeeld, dat in 1722 gemaakt werd voor het éénjarige meisje Elisabeth Cornelia Plevier, dochtertje van een predikant uit Zierikzee. Jacobus Jansen Dzn. schreef er met pen een opdracht in; zou hij de knipper zijn, of heeft hij een ons onbekende kunstenaar opdracht gegeven om iets moois te maken? Elisabeth trouwde later met een Jacobus van Ferney, neef van de grootvader van David en Johannes, de broers die we al eerder noemden.
Kunt u het nog volgen?

De Zeeuwse knipper heeft onder meer ook het wapensnijdsel gemaakt voor de Vlissingse burgemeester Jacob Winkelman (omstreeks 1735); dat is vorig jaar uit de collectie Lever aangekocht door het Westfries Museum.

Het leek ons aardig om eens een voorbeeld te geven van een ingewikkelde legpuzzel. We hebben te maken met twee of drie knippers uit de eerste helft van de achttiende eeuw, met een vergelijkbare stijl, in de omgeving van het Zeeuwse geslacht Van Ferney en rond Haarlem. Hun werk is bekend, maar hun naam niet. We blijven zoeken, want alleen met een naam kunnen we meer bijzonderheden te weten komen.

afb. 4, Naamsnijdsels voor een bruiloftsdiner. (Zie ook Knip-Pers 1984-1, 1986-1). Vroeger toegeschreven aan David L. van Ferney. Foto Nederlands Openluchtmuseum.

Joke en Jan Peter Verhave

Een verrassing III, Knip-Pers 1990-2

Als ik over ouderwetse knipsels schrijf kan ik met een ouderwets woord beginnen:
“Wederom” zijn hier eerst nog enige knipsels uit 1742 aan de orde, die tot de serie behoren waarover ik in twee voorgaande afleveringen van de Knip-Pers heb geschreven. Er waren daarbij geen namen bekend, en ook de hier afgebeelde wapens kende men niet in de familie.

Als anekdote zal ik echter het volgende vertellen:

Toen ik het boekje waar de knipseltjes in lagen voor het eerst doorkeek, was ik zeer benieuwd of er enige naamsaanduidingen te vinden waren. Doch alleen het wapen, waarin de leeuw over twee ankers geplaatst was (afb. 1), vertoonde drie hoofdletters “P”.

afb. 1, anoniem

Wie schetste echter mijn verbazing toen ik achterin het boekje nu niet direct een wapentje, maar wel twee engelen boven een naamschildje zag, met het opschrift P. Salm (zoals ik las). Ik was dáárom zo verbaasd omdat ik een aangetrouwde neef heb, die Pierre Salm heet en dus met P. Salm ondertekent. Zo vroeg ik aan de eigenares van de knipsels of die naam soms in haar familie bekend was. Waarop zij smakelijk lachend tegen mij zei: “Nou, die had dan zeker een vrouw die Gé Zang heette!!” En ik aanvankelijk nóg niets in de gaten. Jullie wel? – Kijk, er staat achter die P geen punt. Dus staat er gewoon het woord “Psalm”. En met “Gé Zang”, zoals mevrouw zei, bedoelde zij dus “Gezang”. (afb. 4)

 

afb. 2 anoniem

afb. 3, anoniem

Dan was er nog het prachtige knipseltje van “Mercurius” (afb. 3), in de Romeinse oudheid de God van de Handel. Volgens de Griekse mythologie heet hij Hermes. Ook hier gold hij als de God van de Handel, maar tevens als de boodschapper der goden, en als de God van de Slaap en de Dromen. Met zijn toverstaf (caduceus genoemd) opende en sloot hij de ogen. Zijn staf is een tak van een olijfboom, met banden versierd en omwonden door twee slangen, die aan weerszijden van de staf hun koppen naar de top brengen, waarop een zonneschijf met twee vleugels prijkt.

afb. 4, anoniem

Hermes wordt altijd met vleugeltjes aan zijn helm en schoeisel afgebeeld en meestal -zo ook hier- met een geldbuidel in zijn hand.

 

 

 

 

 

In aansluiting op eerdergenoemde wapenknipsels wil ik nog wat aanhalen hetgeen over dit onderwerp geschreven staat in “Het Konstig en Vermaakelijk Tijdverdrijf der Hollandsche Jufferen” – uit 1686, waaruit ik in voorgaande artikelen ook reeds citeerde. En waarover ik al zei, dat het zo uitzonderlijk jammer is dat de bijbehorende patroonbladen nergens meer zijn. Bij het hoofdstuk over het knippen van stads- en andere wapens wordt namelijk overal verwezen naar het honderdtal patroonbladen, die hierop betrekking heb ben. Een paar gedeeltes, zoals die oorspronkelijk stonden afgedrukt, vindt u hier in de Knip-Pers. En ik heb er, waar mogelijk, enkele wapens bij gezocht waarop deze gegevens van toepassing zou den kunnen zijn. Hierdoor krijgen jullie in ieder geval dan ook een reeks verschillende wapenleeuwen en kroontjes te zien.

 

Tot slot staat hieronder nog blz. 36 uit “‘t Konstig Tijdverdrijf” afgedrukt, en wel “Het dertiende Hooftstuk, Van de Hondert Tallen der Modellen” geheten. En dit, om te laten zien hoe vreselijk jammer het is dat deze NEGENHONDERD patroonbladen, die vol stonden met afbeeldingen, nérgens meer zijn.

Het zou een geweldige verrassing zijn als hier wat van boven water kwam. Net zo toevallig als mijn vondst van de oude knipsels van 1742, die per slot van rekening ook per ongeluk bij het opruimen van een zolder opdoken.

Na deze derde aflevering van “Een Verrassing” zou dát dan een geweldig sluitstuk zijn!

Overgenomen uit:
De afbeeldingen van wapenleeuwen en -kroontjes van verschillende plaatsen, zijn Overgenomen uit:
“De Gemeente Wapens van Nederland”, door Kl. Sierksema. Uitg. ‘t Spectrum, Utrecht.

Een handig boekje om bij een bibliotheek eens in te kijken, omdat er veel afbeeldingen in staan die men voor knipsels benutten kan: zwaantjes, ooievaars, koetjes, hazewindhonden, paarden, bomen, letters enz., die in de wapens voorkomen.

To van Waning-Mijnlieff

Een verrassing II, Knip-Pers 1990-1

In de voorgaande aflevering van de Knip-Pers, 1989-4, hebben jullie kunnen lezen over de witte knipsels anno 1742, die ik op het spoor was gekomen. Daarbij haalde ik gedeelten aan uit het oude boekje -anno 1686- “t Konstig en Vermaakelijk tijd-verdrijf der Hollandsche Jufferen”. En ik beloofde daar meer uit te citeren; Zo gaat het in hoofdstuk twee: “Over de kennis en verkiesing der werktuigen en stoffen”:

“Het gereedschap is een groote schaar; om het papier dubbeld te snyden, en twee kleyne, om in enkeld papier te snyden: en een scherppuntig mesje om papier mee te snyden. De schaaren moeten subtijle en scharpe punten hebben, die wel over malkanderen koomen, gelijk van lengte, die wel koomen te sluyten, die niet gaapen of van malkanderen staan; de schaaren moeten wel in ‘t harden getempert zijn. Het eene kleyn schaartje sal men besonderlijk houden, om eenige fijne dingen meede te knippen; en het andere om alles enkeld te snyden. Men moet’er op letten dat de punten van de schaartjes door vallen of steeken niet koomen te bederven of breeken, of stomp of scheef worden. Jaa, men moet de schaaren alleen tot dit snygebruyk houden en bewaaren; sonder dat men daar eenige linnen, draden, of dik papier meede doorsnyd.

De oogen der schaartjes moeten bewonden zijn met eenige sije of saije draaden, opdat de teedere Jufferen, door het gedurig of veel snyden geen eeldt of plekken aan de vingeren krijgen; ‘t welk aan haar vingeren een mis of ongemak soude veroorsaaken, en wel licht den lust in de Konst uytbluschen. By de schaartjes moet men dikwijl ook gebruyken de punt van een kleyn mesje; om eenige sneeden te maaken, daar men met de punten der schaartjes niet kan by komen. Doch dit snyden met het mesje moet niet geschieden op alderley hout: maar alléén op een glad geschaaft Lindenboomen bortje; welk Lindenhout sacht is, en de mesjes sullen daardoor niet breeken of verderven; indien ‘t met voorsichtigheyd geschied, ander hout is’er te hard toe. Hiertoe behoort dan noch 2 bordtjes “waagenschot” glad geschaaft, om daartussen ‘t gesneeden werk te perssen.

Eenige naalden moet men ook hebben, van verscheyden punten in dikte, om hier of daar een gaatje in te steeken, na het vereysch van ‘t werk. Het was wel niet van nooden te vermaanen, dat men moet schoon gewasschen handen hebben; om wit papier te snyden; dewijl de jufferen gemeyn haar handen schoon houden; maar de handen moeten ook niet besweet zijn soo, omdat daar door de schaartjes roesten, als omdat het papier bemorst word; want wit is lichtelijk besmet.”

En dan gaat het in het begin van het derde hoofdstuk over: “Het snyden in ‘t gemeen”.

“Eer ik tot verder onderwijs koome; soo moet ik eerst seggen,.dat het snyden verscheyden is, in verscheyden opsichten. Eerstelijk, ten aansien van de handeling; soo is het snyden onderscheyden, in draijen en in knippen.
DRAIJEN is, als men in ‘t of onder het snyden, het papier draayd, soo dat het gesneden beeld, of de sneed rond of rondachtig word; ‘t welk meest te pas koomt. Dit maakt alles glad, swierig en çierlijk; deese draay-sneede kan ons een goed schrijimeester met een pen-trek niet naavolgen, noch ook een schilder met sijn penceel; soo in lichtigheyd van werk, als in losheyd en subtijlheyd. KNIPPEN is, als men korte sneeden snyd, en de schaar tot aan de punt toekoomt; soo dat men spitsen en punten maakt. Al wat men kan door draaysneeden doen, sal men door geen knipsneeden snyden.

“Hooftstuk: Van het groot snyden” Het is vooral van nooden, dat die eerst begint te leeren snyden, het in het groot geschiede maer niet terstont in ‘t kleyn: want soo wie sulx doet, sal tot geen volkomentheyd geraaken. De reden hiervan is, dat men alle misslagen beter in ‘t groot kan sien, dan in ‘t kleyn, door dien de kleynheyd de misgreepen verdonkert.
Alle die dan het snyden soeken te leeren uyt dit boekje, sonder meester ‘t welk gemakkelijk kan geschieden; die moeten een groote lust en yver hebben, met een naarstigheyd sonder verdriet, want lusteloosheyd en traagheyd is een vijandin van alle goede konsten en weetenschappen. Indien iemant konde wat teykenen, dit soude al wat meede helpen. Doch soo iemant die niet teykenen en konde, die behoeven sich daarom van dese konst niet te laaten afschrikken, doordien ik selfs eerder iets fraays konde snyden als teykenen. Ja, het snyden in sijn grond aangemerkt, is niet anders als een teykenkonst, die in sijn omtrek alleen bestaat. Suyverder en Reijnder geschied dit, met een schaar of mesje, als het morssen met hout-kool, rood-aard en pot-loot. Ik ben selfs seer licht en gemakkelijk door de snykonst tot de teykenkonst gekomen.

Men mag door dese knipkonst veele fraayigheden maken, en bedenken: voor Heeren en Jufferen, die haar tijd in een vermaakelijk en welleevend geselschap soeken te besteeden. Welk nuttig en eerlijk vermaak niemant kan misprijsen of verachten, of het most een blok van een mensch zijn, die alle menschelijke wellevendheyd had uytgetrokkenl!”

Wij moeten hierbij wel duidelijk vermelden dat bij dit oude boekje uit 1686 iets van wel 300 patroonbladen hebben behoord, die er niet meer zijn en waar in alle hoofdstukken telkens naar ver wezen wordt. Hierdoor is het boekje natuurlijk voor het grootste deel zeg maar gewoon ontoegankelijk. Helaas, helaas!!

In het “sevenste hoofdstuk”, dat onder meer gaat over “Het enkeld snyden”, staat bijvoorbeeld “En gelijk wy nu geleert hebben door het verhaal van de 100 modellen om dubbeld in ‘t groot te leeren snyden, soo vereyste de order wel dat wij beginnen wederom met een 100 tal Modellen in ‘t groot, om alle boomen, blaaden, bloemen, gebouwen, menschen, en beesten te leeren maaken.”

Bij punt zeven staat:

“Alle beesten, als haasen, konynen, vossen, eekhoorntjes, verkens, herten en vogeltjes; moet men géén oogen maaken, door een punt van een dikke naald; géheel geen oogen, wel te verstaan, als men die in ‘t kleyn snyd, want, de oogen gauw te groot zijn naa proportie van ‘t lichaam.”

Punt acht:

“Paarden, ossen, koeyen, ezels en soo voort, moet men niet maaken, tenzij dat men die wel snyden kan; want die qualijk gesneeden, sullen als een fout in ‘t werk zijn.”

En onder “de besondere Reegulen” staat verder:

  1. Den mensch die is, als het hooft en meesterstuk van God in de Schepping booven alle andere dieren. Daarom moet men met sonderlinge opmerkinge die maaken, soo om de verscheyden actien, als om de verscheydenheyd van sexe, drachten en ouderdom. Om dit te bekoomen s00 gebruykt men eerst eenige modellen die gesneeden te koop zijn.
  2. Men moet letten als men een mannetje snyd, dat het hoofd of tusschen de beyde beenen koomen, of booven één been, anders soo valt het mannetje. Let maar op de proportie van het lijf, ‘t welk vereyscht word, meede in ‘t snyden ook van dieren. Hier moet men letten op alles ‘t geen de teykenkonst in sijn om trek heeft.
  3. Het paard dat men niet al te wel in ‘t kleyn kan navolgen, moet men soodanig maaken, dat er een gelijkheyd of proportie zij in al sijn deelen, anders is ‘t lam en onaangenaam voor ‘t oog. Dat de 2 beenen die een paard in ‘t gaan oplicht wél gesneeden worden! Selden siet men se wel fijn gemaakt. Jaa ook bij de teykenaars siet men dikmaal daaraan misgreepen begaan. Hier diende men de çieraden (soo noem ik het,) als de maanen, staart en klaauwen niet te vergeeten.
  4. De achterste beenen van een hert, wi haas, hond en vos die zijn alleens, met geen of weynig onderscheyd; hetzy dat d’ dik of dunder beenen heeft als d’ander. De staart van den haasenwind en moet niet te lang of te dik zijn, noch de ooren te groot of te lang, het lijf rank, de beenen lang en dun, soo meede den haas.
  5. Alsoo kan men dan door naaldpunt of door het punt van een ysere stift verbeelden wol der schapen en haar van koejen en bokken.”

Maar, dan staat er onder punt 12 hoe hij vindt dat je letters moet knippen. En dan zeg je toch wel, van ja kom zeg, zó kan ik het ook! Hoor maar:

“Soo jemant geneegen is om letters te snyden, soo soud ik hem raaden, hij hij papier koope, dat sonder inkt gedrukt is, vol van alderhande A.B.C. Men sal dan die letteren elk besonder (apart) uyt snyden, en dan uytgesneeden hebbende, die wederom te vervoegen tot een woord, en van woorden tot spreuken en naamen. Want anders moet men doch 25 letteren eerst teykenen, en voor sich leggen, om naa te snyden, het welk meer en onseekerder werk is, als gedrukte letteren -sonder inkt naa te snyden: dewijl het bijnaa onmogelijk is, alle letteren in goede proportie naa te snyden. Hierin is gemak een çieraad.”

To van Waning-Mijnlieff

Wiecher Tjeert Lever, kunstenaar met papier en schaar, Knip-Pers 1983-2

afb. 1

In de jaren veertig, toen er over de in vergetelheid geraakte knipkunst meerdere publicaties begonnen te verschijnen, kon mijn vader zich gerichter in de geschiedenis van de knipkunst gaan verdiepen. Voor hem waren deze publicaties zeer welkom, omdat hij reeds in de jaren voor de Tweede Wereld Oorlog in zijn vertegenwoordigerschap, oud knipwerk was gaan verzamelen, dat hij vaak in de noordelijke provincies tegenkwam. Als klein jongetje was hij al begonnen met het knippen van poppetjes en kleedjes als tijdverdrijf op het turfschip van zijn ouders, tijdens de vaart.

In die jaren werd de knipkunst niet gezien als een beroep waarmee je in je onderhoud kon voorzien; daardoor beoefende mijn vader het tot in 1949 als hobby. In de jaren tot 1949 stelde hij zijn beroep hem in staat on het grootste gedeelte van de dag door te brengen in de vrije natuur. De afstanden die hij iedere dag moest afleggen om bij zijn klanten te komen, werden gefietst. Hij had altijd een zakboekje bij zich en een potlood en stapte regelmatig van zijn fiets om dieren en planten in een schets vast te leggen. Kwam hij ’s avonds thuis en was niet te moe, dan legde hij deze schetsen voor zich neer op de tafel en knipte ze uit de vrije hand terug. Omdat hij zijn werk aan zijn klanten liet zien, werd er meer en meer de aandacht op hem gevestigd en verschenen er in 1946 reeds allerlei artikelen over zijn werk in kranten en tijdschriften.

Voor het tijdschrift Hobby [1] schreef hij een artikel waarin hij de techniek van de papierknipkunst uitlegt aan de hand van enkele illustraties; één daarvan is het werk van zijn leerlinge Antje Pronk. In dit artikel schrijft hij onder andere: “Poppetjes is nog eenvoudiger (dan kleedjes). Als we een stuk papier dubbel vouwen en de vouwlijn als lichaam-as gebruiken, is het gemakkelijk het overtollige zo weg te knippen, dat we een half figuurtje overhouden. Bij openvouwen hebben we dan een mannetje of vrouwtje, dat er als het ware om vraagt, een rondedansje te beginnen. Door het blad nogmaals te vouwen en voor zover de papierdikte dit toelaat nog enkele, kunnen we de kring naar verlangen vergroten. We werken steeds met de vouwlijn in de linkerhand”. Hieruit blijkt wel duidelijk dat hij van het begin af aan zijn publiek heeft proberen te interesseren voor het beoefenen van de knipkunst, als was het op no zo’n eenvoudige manier.

afb. 2 poppetjes knippen

De uitgave van zijn handleiding “Op nieuwe wijs naar oude trant” in 1952, was hier een logisch uitvloeisel van. Deze wordt nu nog altijd in een herziene uitgave als werkmap uitgegeven.

Mijn vaders bezetenheid voor de knipkunst en de natuur werd hem niet altijd in dank afgenomen. Zijn vader verweet hem, dat hij niet met zijn handen wilde werken en dat hij altijd “alle vogeltjes zag vliegen”. Hij zag er toen duidelijk geen brood in en volgens hem zou het nooit wat met hem worden. Ook in zijn eigen gezin had hij het er vaak moeilijk mee en werden in het begin zijn schaartjes nog wel eens verstopt,

Ondanks deze negatieve reacties zette hij toch door en kon hij zijn ware aard niet verloochenen. In 1949 durfde hij het aan om van zijn hobby zijn beroep te maken en lukte het hem door keihard en lang te werken er zijn gezin van te onderhouden. Hij reisde nu door heel Nederland met schaar en papier en kocht bij vele antiquairs het knipwerk op. Dit kon toen nog voor weinig geld, omdat het oude knipwerk nog door velen als niet waardevol werd gezien, en het daardoor vaak achteloos tussen allerlei prullaria te recht kwam. Zelfs al kon hij zijn geld er eigenlijk niet aan uit geven, toch kocht hij veel knipwerk aan. Zijn verzameling origineel knipwerk en het door hem gekopieerde werk, was in 1960 zo groot ge worden, dat hij besloot een museum te stichten. Zoals bekend had de gemeente Roden, ook met het oog op toerisme, er veel belangstelling voor en werd in januari 1961 door hem het Nederlands Museum van Knipkunst gesticht, dat nu in Westerbork is gevestigd en sinds zijn dood door zijn tweede vrouw wordt voort gezet.

afb. 3

Dat mijn vader zoveel met zijn knipkunst heeft bereikt, is te danken aan het feit dat hij elk schaars vrij uurtje in de natuur probeerde door te brengen om nieuwe inspiratie op te doen. Het is ook altijd de natuur geweest, die hij het liefst uitbeeldde.

Naast het knippen van portretten was het uitbeelden van dieren en planten zijn sterkste kant, [2]

 

 

 

 

Tobia Lever.

Noten:
[1] W.Tj.Lever, “Over knipsels en hun vervaardiging”, Hobby jrg.1. (1946), p. 191 -193.
[2] W.Tj.Lever, “knipprenten als Volkskunst”,  Hobby jrg.1. (1946), p. 206 – 207.

Voor een exactere levensbeschrijving verwijs ik naar een verschenen artikel in het Roder Journaal van 24 maart 1983, met daarin de door mij verstrekte gegevens.