Jan Joseph Jöbsis, Vaals 25 september 1803- 26 maart 1855 Nijmegen
Hij is wever in Zuid-Limburg. Hij gaat van 1827-1833 in vrijwillige krijgsdienst als infanterist, o.a. tijdens de Tiendaagse veldtocht. Daarna ligt hij in garnizoen in Nijmegen en krijgt ontslag met metalen kruis. Hij trouwt met dochter Hendrika van de sergeant-majoor van Tuyll, sticht een gezin en begint een winkel “Van Sinkel” in Nijmegen. Hij is van katholiek protestant geworden. Ze krijgen een dochter en twee zoons. Het gezin lijdt een armoedig en moeizaam bestaan; Jan verdient wat bij door met zijn knipsels de huizen langs te gaan. Ze weerspiegelen zijn religieuze achtergrond: protestantse eenvoud, met een vleugje roomse sier (onder andere de “Arma Christi”, verzameling Nederlands Openluchtmuseum), de evangelisten met hun embleem. Drie Bijbelse stukken zijn via een familielid in Amerika beland en geschonken aan het Metropolitan Museum of Art in New York.
Hij heeft verschillende maten uit de Tiendaagse met hun geliefden geknipt. Het afgebeelde stuk (Magnin-Brouwer) komt uit Noordbroek (Groningen) en was onderdeel van de tentoonstelling “Volkskunst uit Groninger particulier bezit” in 1968. Een stuk dat een schoenmakerswerkplaats voorstelt, met G.J.D. 1835 is overgeleverd in een Groninger schoenmakersgeslacht Schuil (GJD is niet te vinden). Een ander knipwerk, “Adam en Eva” in Knipkunstmuseum Westerbork, is gekocht door een belastingconsulent te Groningen, van een gevangene in Winschoten.
De stijl is herkenbaar aan de siervazen, sprieterige omlijsting, uitwerking van de takken en guirlandes en de wat stijve houding van de menselijke figuren.
Jan is de zoon van Leonard Jöbsis en Sophia Elisabeth Schneiders. Hij trouwt op 8 september 1836 in Vaals met Hendrika van Tuijl. Ze krijgen drie kinderen.
| Collectie |
|
| Literatuur |
|
![]()