Auteursarchief: admin

Bomen over Diny Hooyman, Knip-Pers 2019-2

Zelfportret A4; Boom knipsel waarin zij de inkniptechniek van haar eerste kniples moest toepassen, 15 x 15 cm; Duiventil A4 knipkring opdracht

De aanleiding om over Diny Hooyman te schrijven is eigenlijk niet positief: ik ontving haar rouwkaart. Ze overleed op 13 februari 2019, bijna 91 jaar oud.

Chrysant A5, Diny werkte veel in dit formaat; Kraanvogels; Uitnodiging met de voorletters van alle knipsters

Diny was een kordate vrouw met een groot gezin, die goed kon organiseren. Ze volgde een knipcursus van mij bij het NIVON in Arnhem in het najaar van 1979. In 1981 gaf ik een cursus in Wolfheze met o.a. als deelnemers Magda Helms, Atie Willemse en Netty Zweers. Daar werd het initiatief genomen om een knipkring op te richten voor de regio Arnhem/Ede/Bennekom. Ik belde diverse oud-cursisten in Arnhem, waardoor Diny, Mien Schaminee en enige anderen mee wilden doen. Door de cursussen van To van Waning, Atie en mij kwamen er steeds meer deelnemers, zodat er gesplitst moest worden. Diny werd contactpersoon van knipkring Arnhem.

Pinguin en ei A4; Pinguin met ei net uit A4; Pinguin met jong A4

In 1983 heeft Diny geholpen, de oprichtingsvergadering in van de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst te organiseren en bestuursleden te zoeken; zij vond Mien Schaminee bereid voorzitter te worden. Lies Markus begon met ons contactblad, Diny Hooyman heeft ook even in de redactie gezeten.

Ze was heel actief in de organisatie van de landelijke Contactdag 1988 in de Westerkerk in Arnhem, bijna naast het station. Na de lunch werden alle deelnemers met bussen naar het Nederlands Openlucht Museum vervoerd om de grote kniptentoonstelling daar te kunnen zien. Knipkring Arnhem heeft vele jaren bestaan, we kwamen ongeveer iedere zes weken bij elkaar, waarvan ook eenmaal per jaar bij de leden in Hengelo en Winterswijk. Nadat vier knipsters waren overleden en twee afvielen door een nieuwe baan, besloot Diny om de knipkring op te heffen, maar ieder jaar een uitje te organiseren met een ‘knipdoel’. Na enige jaren lukte dat niet meer, maar we bleven contact houden. Diny knipte vaak groot, in het begin wel symmetrisch, maar later bijna niet meer. Vaak maakte ze een portret of een voorstelling binnen een cirkel. Natuurlijk nam ze ook deel aan de regio- contactmiddagen, die inmiddels landelijk bekend zijn. Ze deed mee aan regio- tentoonstellingen in Wolfheze in Ede en bezoekerscentrum De Watermolen in Arnhem in 1989, aaneen Kersttentoonstelling in Winterswijk en aan een tentoonstelling van onze knipkring in Westervoort in 2001.

Door Suus Houtman

Bijenkorf 1979 symmetrisch; knipsel Vleermuizen A4, symmetrisch; knipsel Paraplu, symmetrisch knipsel 19 x 19 cm

Blauw bloed, erfgoed, Knip-Pers 2021-4

Koning Willem III
In het vorige nummer van de Knip-Pers stond het portret van koning-stadhouder Willem III afgebeeld. Dat is voor een deel geknipt of gesneden: de versieringen om het portret en de bef. De maker heeft een prent naar een schilderij van Godfried Kneller als uitgangspunt gebruikt. Zie maar eens hoe hij een eigen invulling heeft gegeven aan het portret. Knipsel en prent zijn beide bewaard, dus het was makkelijk om de overeenkomst  te ontdekken.

Niet gesigneerd, maar waarschijnlijk A. Henrix (?), Koning-Stadhouder Willlem III

onbekende graveur, Koning-Stadhouder Willem III

Filips V
Ooit kreeg ik een afbeelding van het portret van koning Filips V van Spanje opgestuurd; ik was het bijna vergeten. Tot mijn verrassing is dat portret op dezelfde manier met uitbundig snijwerk versierd, inclusief de pruik, de bef en de ketting van de orde van het Gulden Vlies en het Spaanse wapen met in het midden de Bourbonse lelies (valt weg op de foto). Ik heb de eigenaar opgezocht, kreeg het stuk van 41 x 34 cm in handen en kon het tegen het licht houden. Ongelofelijk, wat knap! Ook hier was een gedrukte prent, in dit geval van de prentmaker Cornelis Huyberts, het voorbeeld van de kunstenaar die met een zilverstift de afbeelding op perkament had nagetekend en met een mes versierd.

A. Henrix, gesigneerd, Filips V

Cornelis Huyberts, Filips V

Waarschijnlijk was de kunstenaar Arien Henrix, ruiter in het garnizoen van de graaf van Nassau te Bergen op Zoom, die beide koningsportretten heeft gemaakt. Hij heeft bedacht de kanten beffen uit te werken en bij Filips V ook de pruik en het gezicht. Het is subliem werk en de naam van de maker staat erin: A. Henrix. Filips V was geen afstammeling van de Spaanse Filips II, maar een telg uit het Franse Huis van Bourbon. De lijn van de Spaanse Habsburgers was uitgestorven en daarom maakten zowel Filips V als aartshertog Karel uit de Oostenrijkse lijn Habsburgers aanspraak op de Spaanse troon. Het gevolg was een hevige oorlog, de Spaanse Successieoorlog, die in 1713 bij de Vrede van Utrecht, ten gunste van Filips V zou worden beslist.

Onbekende maker, Aartshertog Karel als Carolus Tertius, ca. 1710 (snijwerk uit perkament)

Van aartshertog Karel bezit het Rijksprentenkabinet een uit perkament gesneden ruiterportret. Ook in dit snijwerk is het wapen van Spanje opgenomen, maar nu met een schild van de Habsburgers in het midden en, vooruitlopend op de uitslag van de strijd, had hij zich de naam Carolus Tertius Rex (koning Karel III) van Spanje aangemeten. Zover is het dus niet gekomen. Hij werd later wel als Karel IV keizer van Oostenrijk. Ook dit ruiterportret is mogelijk door een Nederlandse kunstenaar gemaakt.

Joanna Koerten
Omdat de Republiek haar aandeel had in de oorlog, is het begrijpelijk dat van al die elkaar bevechtende royalties hier afbeeldingen circuleerden. Een van hen was stadhouder en koning van Engeland, Willem III. In Amsterdam knipte Joanna Koerten diens portret. Ook daaraan lag een prent ten grondslag, namelijk die van Jan Verkolje. Joanna heeft niet de prent verwerkt, zoals de kunstenaar hierboven.

Joanna Koerten, Koning-Stadhouder Willem III

Zij kon immers knippen als geen ander. Joanna heeft wel haar eigen stijl toegepast. De houding is hetzelfde (zie de twee vingers die naar de kroon wijzen), evenals de keten van de Engelse Orde van de Kouseband (‘Honi soit qui mal y pense’) met daaraan Sint-Joris en de draak. Alleen de scepter heeft ze Willem in de andere hand gegeven. Wanneer heeft Joanna dit portret geknipt? Willem werd in 1689 koning van Engeland en Jan Verkolje stierf in 1693. De vermenigvuldigde prent is op de markt gebleven en kan zo door Joanna gekocht zijn. Zij heeft een Latijns onderschrift geknipt, dat door een vriend, professor Petrus Francius is geschreven. In de onderste regel staat: gemaakt met de schaar (forfice).

Jan Verkolje, Koning-Stadhouder Willem III

Het onderschrift geeft geen aanwijzing dat Willem toen al was overleden (hij stierf in het voorjaar van 1702). Joanna moet het portret gemaakt hebben tussen 1689 en 1702;  aanwijzingen voor een preciezere datering heb ik niet gevonden. Francius, die in 1704 overleed, heeft de totstandkoming van het portret ongetwijfeld meegemaakt. Dezelfde vragen passen ook bij Joanna’s portret van tsaar Peter. Hij bezocht haar in 1697 en vervolgens heeft zij Peters’ portret gemaakt. Waarschijnlijk ook naar een gravure, die ik tot nu toe niet gevonden heb. Ook voor dit portret heeft Francius een Latijnse tekst geschreven, waarin de schaar wordt genoemd. Zij moet er dus al vóór 1704 mee bezig zijn geweest. De vorst is het knipwerk in 1718, drie jaar na Joanna’s  overlijden, komen bekijken; gekocht heeft hij het niet. Zo is het in Nederlands bezit gebleven.

Joanna Koerten, Tsaar Peter

Francius schreef nog een Latijnse tekst voor Joanna Koerten. Onder het geknipte portret van keurvorst Frederik III van Brandenburg eindigt Francius met ‘Factus JOANNAE forfice COURTENIAE’ (is gemaakt door Joanna Courten met de schaar). Voor dit knipsel geldt eenzelfde datering als voor het portret van de tsaar. Frederik was een kleinzoon van stadhouder Frederik Hendrik en mocht zich daarom prins van Oranje noemen. Het heeft er zelfs even op geleken dat hij, na het overlijden van de kinderloze Willem III stadhouder in de Republiek zou worden. In januari 1701 had Frederik zichzelf al tot koning van Pruisen gekroond. Het koninklijk echtpaar is op 26 juli 1702 op bezoek geweest in Amsterdam en ze hebben daar waarschijnlijk Joanna Koerten bezocht. Ook dit portret werd niet verkocht en bleef in Joanna’s bezit (en later in dezelfde collectie als dat van tsaar Peter). Zo was het goed om al dat blauwe bloed eens langs te zien komen, wel verwarrend al die namen, maar toch genieten van hun pracht en praal.

Joanna Koerten, Frederik III van Brandenburg

Door Jan Peter Verhave

Met dank aan Ronald Reinke van Museumslandschaft Hessen Kassel, Schloß Wilhelmshöhe; Acanthus Antiquariaat, Utrecht; Rijksmuseum, Amsterdam; Koninklijk Oudheidkundig Genootschap,  Amsterdam.

Grote aanwinst Westfries Museum, Knip-Pers 1988-4

Belangrijke knipselcollectie voor Nederland behouden

Dezer dagen is de befaamde knipselverzameling van wijlen W.Tj.Lever bij Christie’s Amsterdam geveild. Hiermee dreigde de unieke destijds in het “Museum van Knipkunst” te Westerbork te bezichtigen collectie voor Nederland verloren te gaan. De Stichting W.Tj.Lever uit Rotterdam en het Westfries Museum te Hoorn hebben daarop de handen ineen geslagen en een aantal fondsen benaderd. De Stichting Lever heeft meer dan royale steun gevonden bij het Prins Bernhardfonds. Het Westfries Museum verwierf gelden via: J.C.Ruigrok Stichting, Stichting Dr. Hendrik Muller’s Vaderlandsch Fonds en de Stichting Fonds voor de geld- en effectenhandel.

Met dit geld kon een zeer belangrijk deel van de geveilde collectie worden aan gekocht. De Stichting Lever is er in geslaagd een zeer groot deel van de werken van wijlen de heer Lever en enige historische stukken waarmee de heer Lever een band heeft gehad, te verwerven. Terwijl het Westfries Museum via schenking van de Stichting Lever en door de hierbovengenoemde fondsen een zeer aanzienlijk deel van de 18de, 19de en 20ste eeuwse stukken heeft kunnen bemachtigen. Dankzij een vooraf gevoerd overleg tussen de Stichting, het Westfries Museum en andere Nederlandse musea en partikulieren zijn de belangrijkste stukken voor Nederland behouden gebleven.

Het Westfries Museum dat reeds een belangrijke knipselverzameling bezat, is nu in staat een breed overzicht te geven van de knipkunst in Nederland vanaf het begin van de 18de eeuw tot heden. Onder de recente aanwinsten bevinden zich stukken zoals religieuze voorstellingen door Pieter van Haaren, landschapjes van Maria Elizabeth van den Brink, een vroeg 19de eeuws huwelijksknipsel, een geknipt gedicht van Ten Kate en werk van de befaamde Jantjen de Knipper.

Vanaf 9 december 1988 is een deel van de recente aanwinsten te zien in het Westfries Museum, tegelijkertijd wordt in de Tuinzaal van dit museum een expositie gehouden met het werk van de verzamelaar en knipper W.Tj. Lever, samengesteld door de Stichting W.Tj.Lever. Ook in deze expositie zullen belangrijke nieuw verworven stukken aanwezig zijn.

Uit het persbericht van het Westfries Museum te Hoorn, Rode Steen 1.

Pieter van Haaren, 70 x 58 cm.

Ontdekking: twee knipsels van Pieter van Haaren, Nieuwsbrief 1998-2

Groot was onze verbazing toen op de zondagse taxatiemiddag van het Nationaal Museumweekend twee bezoeksters met elk een knipsel van Pieter van Haaren onder de arm het museum binnenstapten. Op de veiling van de Westerborkcollectie in 1988 waren twee vergelijkbare werken uit 1805 dé topstukken, ze gingen voor een (te) forse prijs naar het Westfries en het Nederlands Openluchtmuseum. De ons getoonde werken, met scènes uit het leven van Christus, waaronder Kruisiging en Hemelvaart, zijn echter duidelijk slechter van kwaliteit, onder andere door beschadigingen en vochtvlekken. Bovendien zijn delen gehoogd met witte verf, die vervolgens weer ten dele is afgebladderd, waardoor een wat rommelige indruk ontstaat. Restauratie dus gewenst.

Artistic inheritance of a learned woman

In 2017 Nella Kennedy invited Anne Larsen of Hope College and me to share our knowledge about the seventeenth-century scholar and artist Anna Maria van Schurman (1607-1678) with students and colleagues. Van Schurman was a phenom in language, philosophy, and theology, as well as in embroidery, music, drawing, engraving, and paper cutting. My late wife, Joke (1945-2020), and I included many of Van Schurman’s paper cuttings in our book Onbekend en ontroerend erfgoed: Tijdsbeelden geknipt door anonieme kleinkunstenaars (Journey Press, 2017).

Anna Maria van Schurman as a young woman

A book of paper cuts compiled by Joke and Jan Peter Verhave

Anna Maria’s skill was evident when, as a mere child of six, she could make complicated cutouts of many types of figures. Her friend, the poet Cats, does not mention her craft in his extensive account of her many abilities in his Trou-Ringh (wedding ring) of 1637, so we know hers must have been just an occasional pursuit. Only once in her own writing does she mention a paper-cut that she had made herself (noted below).

Anna Maria is a noted pioneer in paper cutting in the Netherlands because some of the papercut specimens in her estate -many of which were gifted to her- have survived over the centuries. One of them is a fine heraldic piece cut for a member of the Van Schurman family. We could prove that it was not made by -or for- Anna Maria but rather by a second cousin who managed her estate; this specimen must have slipped into her inheritance. We discovered some ten other heraldic miniatures in the same style, made around 1700 for dignitaries in the Dutch republic.
Another delicate piece that was kept represents a stylized bush with the letters A and M and a hexagram. We think it was made as a present for her because she was called “the Star of Utrecht,” and one would not honor oneself with such a laurel. It may have been made by a French admirer, Marie Forget, who had it sent to professor Salmasius in Leyden, with the request to forward it to Anna Maria in 1639. Salmasius described it as “une decoupure fort delicate faite à la pointe de ciseau” (a very delicate cut made with scissor point). Salmasius was hesitant to contact the learned mademoiselle because he did not know her. Eventually, he sent her a letter, presumably with the paper cut enclosed, and subsequently, Anna Maria visited him and his family. Appreciating their hospitality, she sent “un petit essay de ma Muse, et de mon ciseau” (a small token of my Muse and of my scissors, 1648).

An intricately cut bush, with the letters A and M, top and bottom, and a hexagram in the center

A third cut, tucked away in her private album, is a magic-or endless- knot, cut from twice-folded paper. In it is a poem written in German, with four verses, each with a refrain. The intent of it can be explained by Anna Maria’s unmarried state. When she was sixteen, her father had asked her on his deathbed not to marry. She promised him, kept her maiden status, and assumed the motto, “My love is crucified,” borrowed from church father Ignatius of Antioch. The poem seems to embrace this view of life, as if Anna Maria were a religious sister. But this poem was actually published in 1649 by German linguist Filip von Zesen, under his own name; he had spent several years in Holland and had come to admire Anna Maria. She was at that time at the height of her activities as a savant and did not tell anybody about this poetic gift. Filip may have cut the paper labyrinth as well; such love knots were at the time common in northern Germany and Denmark but not in the Netherlands. Moreover, we discovered another paper-cut love knot with a worldly poem, written and signed by Von Zesen, in Amsterdam, in 1647. This paper cut, kept in her estate, was, therefore, also made for her, not by her.

An endless love knot

Long after Von Zesen’s death, the four-verse poem, with its refrain, “Then, though worldly desire may drive me, my crucified Love prevails,” was recognized as a hymn and incorporated into many hymnbooks in eighteenth- and nineteenth-century Germany. Organists wrote melodies for it, and recently, it was discovered that even J. S. Bach had composed a beautiful choral arrangement for this hymn. Organists, interested in a transcription of Bach’s choral arrangement (no BWV) may request a copy from me at jpverhave@hotmail.com.

By Jan Peter Verhave, Annual Report 2021, p. 55-59.

Mevrouw T.J.A.P. Glas-Glas uit Hoogwoud, Knip-Pers 1997-4

Afgelopen zomer was er in de Museum Boerderij ‘West Frisia’ in Hoogwoud N.H. een expositie ‘Sierknipkunst’ van zowel oude als eigentijdse knipsels, georganiseerd door de Knipkringen ‘Spanbroek’ en ‘Lindehof’. Behalve het werk van de Knipkringen was er knipwerk te zien van de befaamde Arie Tergant uit Winkel (1773-1852) en de in Hoogwoud bekende mevrouw T.J.A.P. Glas-Glas (1904- 1982).

Als lid van dameskoor ‘Het Lindenkoor’, stuurde mevrouw Glas haar medekoorlid mevrouw Wiltenburg in de periode van 1974 tot 1981 regelmatig geknipte kerst-, paas- of beterschapskaarten. Na het overlijden van mevrouw Wiltenburg gaf haar dochter in Wageningen de knipselkaarten aan buurvrouw Riet van Dreven. Verrast door de aankondiging van de tentoonstelling in de Knip-Pers heeft Riet van Dreven contact gezocht met Knipkring-contactpersoon Agaat Poland, voor meer informatie over mevrouw Glas-Glas. Op uitnodiging hebben Riet en haar buurvrouw toen de mooi verzorgde expositie bewonderd met uitleg van de dames Poland en Goudriaan. Mevrouw Glas was een banketbakkersdochter en werd huishoudster bij de heer Glas, met wie zij op latere leeftijd trouwde. Waarschijnlijk is zij pas na het overlijden van haar man gaan knippen. Zij maakte kleine, fijne knipsels in allerlei effen kleuren, soms bontgekleurde of in zilver, voor familie en kennissen. Enkele daarvan, in hoogte variërend tussen de 9 en 5.5 cm zijn hierbij afgebeeld.

Over Wiecher Lever, deel 4, Nieuwsbrief 2008-4

Wiecher Lever werkte aan de uitgave van een boek over knipkunst mee, zoals hij later schrijft “om propagandistische redenen“. Die opmerking moet genuanceerd worden want Lever was ook wel degelijk erg geïnteresseerd in de geschiedenis van de knipkunst en de levensloop van allerlei bijzondere knippers. Maar, heel begrijpelijk, hij kon iedere aandacht voor knipkunst goed gebruiken en wat was beter dat die vanuit onverdachte hoek werd aangezwengeld? Maar de uitgave bleef, onder andere om financiële redenen (er kwam geen subsidie van het betreffende ministerie af), uit en Lever besloot daarom zijn eigen uitgave, die overigens in het artikel van Huizenga-Onnekes in 1947 als “kleine uitgave” reeds wordt aangekondigd, uit te gaan brengen. Er zijn verschillende, geïllustreerde concepten bewaard gebleven, maar uiteindelijk verscheen in 1952 een bescheiden brochure: “Op nieuwe wijs, naar oude trant”. Het is een uitgave die verschillende drukken heeft beleefd. Opvolger was de succesvolle lesmap “Spelend knippen” met vier bladen met voorbeelden en een tekstvel. Op nieuwe wijs, naar oude trant kent vijf hoofdstukjes: I. Om kinderen bezig te houden en zelf routine te verwerven; II. Ontwikkel uw fantasie!; III Hartvorm in de knipkunst; IV. Vrije vormgeving en V. De antieke rand. De inhoud is een combinatie van eigen ontwerpen en uit oude knipsels ontleende elementen. Uit het boekje blijkt duidelijk dat Lever dit niet alleen als lesboekje aanprijst, maar ook reclame voor eigen werk maakt: “Voor uw geschenk keurig ingelijst knipwerk. Voor een gezellige leerzame avond, een lezing over vier eeuwen knipkunst, aan de hand van origineel historisch knipwerk, aangevuld met demonstratie van fijn knipwerk, portret knippen en gezamenlijk knippen. Voor buurthuizen, speeltuinverenigingen enz. expositie van een collectie historisch knipwerk aangevuld met hedendaags Nederlands, Zwitsers, Pools en Chinees knipwerk”. En tenslotte: “Inlichtingen omtrent Oud Nederlands knipwerk worden gaarne ingewacht, bij de schrijver en uitgever van dit leerboekje”. Dit was “W. Tj. Lever Atelier “De Meeuw”- Muntendam”. De kosten voor het boekje bedragen 90 cent.

In het kerstnummer van de Vriend des Huizes schrijft J.H. Kruizinga een groot artikel over “De tovenaar van Muntendam”, waarbij hij Jozef Grobner, een Saksische officier, citeert: “Het geduld en de onverzettelijke volharding der Nederlanders moet ook zelfs de oppervlakkigste waarnemer deze natie allerduidelijkst in het oog vallen. Door geduld en volharding alleen weet zij de zwaarste ondernemingen ten einde te brengen”. Kruizinga stelt: “…Indien deze 18e eeuwse journalist in onze dagen zijn indrukken over de vrijetijdsbesteding zou willen vastleggen, dan zou hij over de knipkunst waarschijnlijk niet gesproken hebben. Of hij zou verwezen moeten worden naar de beste knipkunstenaar van Nederland: Wiecher Tjeerd Lever, de Muntendamse “tovenaar met de schaar”…“.

Het jaar 1953 begint voor Lever goed. In de “skouromte” van de F.A.F. toont hij bij de expositie “Vier eeuwen knipkunst” zijn creatieve kunnen. Mooie artikelen in het Fries Dagblad (27 januari 1953), De Friese Koerier (27 januari 1953), de Leeuwarder Courant (27 januari 1953) en het Vrije Volk (28 januari 1953) zijn het gevolg. De expositie wordt goed beoordeeld. De artikelen zijn algemeen van inhoud, maar soms lukt het Lever een favoriet statement af te leveren: “…De heer Lever acht het illustratieve werk geen echte knipkunst, het is te veel uitgeknipte tekening en voor een goede knipkunstenaar bestaat er haast geen potlood. Hij beschouwt de natuur, ontleent er zijn motieven aan en werkt ze uit in zijn frêle knipwerk, dat langzaam groeit en naarmate het vordert steeds kwetsbaarder wordt en met steeds meer omzichtigheid moet worden behandeld. Is het knipsel klaar, dan wordt het op een contrasterende kleur papier geplakt, wit op zwart en zwart op wit…“. Lever grijpt natuurlijk de gelegenheid aan om zijn credo te laten horen: “…Maar al te vaak wordt er bewust naar volkskunst gestreefd, men wil bepaalde, vroeger in de volkskunst gebruikte motieven terugroepen en opnieuw ingang doen vinden. Fout, zegt de heer Lever. Er is bijna geen echte volkskunst meer en kunstmatig kan men die niet terugkeren en veel dat volkskunst wordt genoemd is het niet. Maar in de oude knipsels vindt men de echte volkskunst nog terug. Hier zijn mensen aan het werk geweest, die in de dingen om zich heen, in het gezin (huwelijk, geboorte), in de natuur (dieren en planten), in de ambachten hun motieven vonden voor de met veel liefde en toewijding gewrochte knipkunstproducten…“. (Leeuwarder Courant 27januari)

In hetzelfde jaar is Lever ook aanwezig op de Huishoudbeurs in Amsterdam, verslagen daarvan zijn te vinden in De Telegraaf (25 maart 1953) en De Volkskrant (27 maart 1953). Ook een stand op de Voorjaarsbeurs voor de Vrouw in Haarlem levert de nodige publiciteit op. Ene N.d.B. schrijft een groot artikel voor de Verenigde Noord Hollandse Kranten, Alkmaar (20 maart 1953) onder de titel: “Knipkunst ging bijna geheel verloren/De heer Lever uit Muntendam blies oude volkskunst nieuw leven in”.

In Na Vijven van september 1953 (“Toen de knipkunst VOLKS-kunst was”) pakt Wiecher weer als vanouds, maar ook kwetsbaar, uit: “Trouwens, de beste werkers met de schaar waren zij, die in de dagelijkse omgang vertrouwd waren met ‘t schone van de natuur, en daarvan de ontroering ondergingen -wat hun een bezonken natuur gaf Hun knipsels, soms ogenschijnlijk ruw, zijn monumentaal en tegelijk teer en gevoelig De knipkunst, voortkomende uit de volksziel, kende geen vaste vormen, zij het dat b. v. bij huwelijksknipsels steeds hart en kroon gebruikt werden. Dit werk kan ook heden met vrucht in dezelfde geest beoefend worden. In de geest van het verleden, echter niet in de huid van het verleden. Men moet namelijk niet trachten vóór zijn tijd te leven. Het is niet zo, dat men volkskunst beoefent door met een bepaald gereedschap bepaalde motieven weer te geven: dat is mijn bezwaar tegen de zogenaamde volkse motieven, als levensboom, Saksische paarden, uileborden enz. Op zijn plaats, op geveltop, in koekplank waar dit bepaald de gewoonte is, accoord. Maar niet door el/war gaan haspelen wat op merklap, geveltop of aardewerk eertijds versiering was, en dan met de verkregen modellen denken “volkskunst te spelen “. Wil de knipkunst weer toekomst hebben, dan moet ze weer oorspronkelijk worden. Weer groeien in eigen omgeving, uit eigen overtuiging…”.

Voorafgaande aan dit artikel is in het plakboek een afbeelding opgenomen van een geknipte reclame voor De Gruyter, De Koffie en Theezaak, Sinds 1818, waarbij Lever gebruik heeft gemaakt van plant-en vaasmotieven die veel lijken op het werk van Grootenhuis. Een voor een broodknipper ongetwijfeld belangrijke opdracht, gepubliceerd in De Tijd van 2 juni 1953.

Een goed vormgegeven artikel (“Een broos, maar rijk erfdeel”) wordt afgedrukt in Beatrijs van 28 augustus 1953. Met uitstekende foto’s van werk van Lever (demonstratiewerk, familiestamboom, maar ook knipsels van Liesje Lever) en oude stukken (bloemenvaas 1760, bijbelse voorstelling 1828 en schoenmakerswerkplaats 1835). Hierna een gedrukte knipcursus voor de Vrouwenpost in zes delen. De onderwerpen zijn: I. Kerstranden; II. Poppetjes knippen; III. Nogmaals poppetjes knippen; IV Paasmotieven; V Kastrandjes en VI. Taartranden.

Voor Het Landbouwhuishouden maakt Lever het artikel “Knipkunst als volkskunst”, (15 juli 1954) met daarin afbeeldingen van de inmiddels bekende schoenmakers werkplaats, een Twents huwelijksknipsel (naar Grootenhuis) en knipseltjes van zijn kinderen jan (6 jaar) en Liesje (9 jaar) Lever. J. Kruizinga besteedt nogmaals aandacht aan Lever met het artikel “Kunstig knipwerk” (Het Kind januari 1954).
Aan het einde van plakboek 1 blijken Levers activiteiten in het hele land. Er zijn artikelen uit de Rijn en Gouwe (“Op nieuwe wijs, naar oude trant”, 28 april 1955), “‘n Knipvirtuoos” (Het Binnenhof 28 juni 1955), “Zwart op wit” (Zwolse Courant 22 juli 1955) en “Van het feestfront” (Overijsels Dagblad 25 juli 1955).

Het plakboek wordt besloten met een discussie tussen Lever en de toenmalige directeur van het Groninger Museum W. Jos de Gruyter in het Nieuwsblad van het Noorden (9 mei 1955 e.v.) over een kunstnijverheidstentoonstelling in het museum. Lever vindt het geëxposeerde maar vreemde kunstnijverheid, te weten verfijnd Duits fabriekswerk. En dat terwijl er in het Noorden en Oostfriesland genoeg kunstnijveraars zouden zijn die aandacht voor hun werk en een expositie in het belangrijkste museum van Noord Nederland maar al te goed konden gebruiken. De Gruyter weerlegt de kritiek van Lever scherp: tentoongesteld zijn vooral unica van vooraanstaande Duitse pottenbakkers, er is derhalve geen sprake van fabrieksmatig werk. In een slotreactie probeert Lever daar een punt aan te breien door de meubelkunst er bij te slepen en te stellen dat het hem vooral ging om het tonen van “de zuiverste vorm van kunstnijverheid uit eigen omgeving”.

Een goede indruk van Levers werkzaamheden krijgen door bewaarde losse knipsels. zoals: “De hobby viert feest in Rotterdam” (Elseviers Weekblad 29 mei 1954), ‘Knipkunst als Volkskunst” (Ons Platteland 23 juli 1954), “Knipkunstenaar Lever in de Klokstraat “(Het Vrije Volk 29 januari 1955), “W.Tj. Lever doet met schaar en papier wonderen” (Het Nieuwe Land 2 maart 1957), ‘W.Tj. Lever laat eeuwenoude kunst glorieus herleven” (Nieuwsblad van het Noorden 20 januari 1956), “Kunstzinnige expositie van ‘Noordelijk Scheppend Ambacht’ in ‘t Voorhuys” (De Noordoostpolder 1 maart 1957), “Derde ‘Snufjesparade’ begon haar vierdaagse” (Fries Dagblad 20 maart 1958), “Kunst met Schaar en Papier/W.Tj. Lever in Muntendam levert veredelde volkskunst” (Leeuwarder Courant 1 oktober 1958), “Grote portrettenprijsvraag van de Gooise Koerier” (Gooise Koerier 29 december 1959) en “Zuidelijk Westerkwartier etaleert” (Nieuwsblad van het Noorden 5 juli 1960).

Het werkgebied van Lever was nu duidelijk heel Nederland, hoewel de knipsels uit Noordelijke kranten nog steeds het meest voorkomen. Ook grote artikelen in landelijke bladen bleven niet uit. We zien: “(…)Wiecher Tjeerd Lever: tovenaar met het schaartje” en in het kerstnummer van de Wereldkroniek van M.E. Schwitters en “(…) Hij knipt mensen zonder bloed te laten vloeien” van Bas den Oudsten in De Spiegel (1959)

Apart vermeld moet worden het artikel “Een Veendams Schippersgeslacht” in Gens Nostra van augustus 1958. Wiecher publiceert hierin na uitvoerig genealogisch onderzoek een verhaal over een Veendammer familie van schippers en zeelieden, de familie Gort. Een knipsel gemaakt voor het huwelijk van Jan Jans. Gort en Janna Egberts. Kistenkast in 1816 had Lever enige jaren geleden [HvA} gerestaureerd. Voor zijn eigen verzameling maakte hij een geknipte kopie ervan. Op dit voorbeeld, dat hing in “Het oude zeemanshuis” aan het Beneden Verlaat in Veendam (knipsel 4 juni 1955), had Lever al jaren ervoor zijn eigen familieknipsels gebaseerd. Lever veronderstelde dat Jan Jans Gort het knipsel zelf had vervaardigd “die in zijn strijd op leven en dood met de natuurelementen nog de tijd vond dit fijne knipwerk te maken”.

De grote stukken en het Gens Nostra artikel waren niet zo geschikt om in een plakboek op te nemen, maar niet duidelijk is waarom Lever niet in een nieuw boek gewoon met inplakken van artikelen doorging. Mogelijk had hij, omdat hij voor zijn werk veel van huis was, daar gewoon de tijd niet voor of kreeg hij pas veel later deze artikelen in handen. Hoe dan ook het tweede plakboek wordt begonnen bij het starten van Levers tweede grote onderneming: de oprichting van een museum.

Door Henk van Ark

Over Wiecher Lever, deel 3, Nieuwsbrief 2008-3


Het derde deel van het verhaal over Wiecher Tjeert Lever beginnen we met zijn opmerkingen over volkskunst in het artikel “Knipprenten als Volkskunst” in het tijdschrift Hobby van juli 1947:

“…Zoals met iedere kunst het geval is, stond ook de mijne sterk onder de invloed van mijn omgeving, het Groningse platteland. Niet, dat ik mij ooit met het grote landschap heb bezig gehouden. Het waren stoolwalletjes, de kanaalomlijsting van riet en lisdodden en de daarbij aansluitende sierlijke lijnen van eenden, de over het water scherende zwaluwen, die reeds in mijn jeugd een deel van mezelf werden en daardoor het eerst werden nageknipt. Welke jongen houdt niet van duiven? Ook deze dienden tot voorbeeld en thans nog houd ik sierduiven als pauwstaarten en meeuwtjes, om door de dagelijkse omgang met deze dieren hun schone vormen in het geheugen vast te leggen. Anderen zullen zich meer bezig houden met grotere dieren in hun rijke vormvariaties; voor velen vormen schepen met hun verschillende tuigage aan aantrekkelijk onderwerp en… zo moet het ook, ieder moet zich naar eigen innerlijke drang uiten. Dit zal de knipkunst de breedte geven, die ze nodig heeft om zich te handhaven en dit zal tegelijk voorkomen, dat verdorring of verstarring intreedt. We willen de knipkunst ook als volkskunst bezien. Volkskunst is die kunst die door overlevering of uit innerlijke drang ontstaat, zonder enige leermeester en uitsluitend uit behoefte iets te maken of te scheppen. Wil iemand knippen in oude symbolische voorstellingen of in historisch gegroeide vormen, het zal hem vreugde geven, indien hij in deze dingen ook inderdaad thuis is. Wie er een voorbeeld aan neemt zonder er mee vergroeid te zijn, gaat iets doods formeren. Wat hij bereikt is een imitatie van volkskunst. Men wete dus, volkskunst kan niet beoefend worden, hij moet ontstaan, groeien uit het innerlijk van het individu. Mogelijk dat de maker in eigen kring lof oogst: maar hij was geen schepper, slechts een imitator, een ideeënrover. Volkskunst moet spontaan zijn. Het moet een uiting zijn die opborrelt uit innerlijke schoonheidsdrang; die door spontane zelfontwikkeling het aanschijn heeft gekregen. Dat brengt al mee, dat ze zich naar de natuur richt en dat overlevering vaak oorzaak is van verstarring. De lezer houde mij deze ontboezeming ten goede, het is een reactie op de valse volkskunst van de moderne tijd…“.
Deze overtuiging van Lever komen we in de jaren hierna nog -in wat aangescherpte vorm- tegen in verschillende publicaties, met name kranteninterviews. Het wordt tot ongeveer 1955 bijna een actiemiddel om te fulmineren tegen de valse volkskunst en de opvattingen van Hil Bottema en het Nederlands Openluchtmuseum. Zijn mening liet Lever echter al een jaar voor zijn directe conflict met Bottema in Hobby weten. Het moet hem dus ook toen al behoorlijk dwars hebben gezeten, hoewel hij in zijn plakboek wel een foto opneemt van knippende dames die naar zijn schrijven “ware kunststukken” met volkskunst-achtige onderwerpen maken tijdens knipcursussen die in het Openluchtmuseum (ANP foto, 6 juni 1947) plaats vonden.

Maar een bladzijde verder toont hij afbeeldingen van “alles zogenaamde levensbomen” van Gertrud Wyss die in Nederland lesgaf aan Nederlandsche volkshoge scholen nadat Hil Bottema Zwitserland bezocht. Daaronder een symmetrische voorstelling met hanen en een dubbelgeknipte bloem met de tekst “Veel Heil” uit het nationaal-socialistische blad “Hamer”, een zegenwens voor de overgang van het jaar 1941 naar 1942. Het is duidelijk welke associaties hierdoor bij Lever (en bij hem niet alleen) werden opgeroepen.

Het plakboek van Lever bevat tot maart 1950 nog mooie artikelen als “Knipkunst met de Schaar” van W.J. Eelssema in het Nieuws en Advertentieblad voor Oost Groningen (28 november 1947), “Knipkunst bloeide in de Gouden Eeuw” (Rotterdams Parool, 7 april 1949), “Wonderen met schaar en papier/De Oud-Hollandse Knipkunst wordt nog beoefend (…)“ (De Eemsbode 3 mei 1949), “Oude schaarkunst herleefd/Uit kleine arbeid groote roem/De heer LEVER uit Muntendam weet er van mee te knippen” (Fries Dagblad 19 oktober 1949), ‘Wiecher Tjeerd Lever-de tovenaar met het schaartje/Muntendammer deed de knipkunst weer opleven” (Het Vrije Volk 18 maart 1950). Ongetwijfeld van groot belang voor zijn loopbaan zijn mooi geïllustreerde artikelen geweest in Het Noorden in Woord en Beeld (“De kunst van het KNIPPEN/ Eenvoudige hulpmiddelen: een schaar en wit papier”) door A.B. op 3 mei 1947 en de Vizier (“Tjeerd, de knipkunstenaar”) van 8 februari 1947. We zien daarin diverse knipsels afgebeeld maar ook fraaie foto’s van de jeugdig ogende Lever aan het werk. Hij legt onder andere zogenaamd de laatste hand aan zijn oorlogsgedenkstuk, omgeven door zijn vier, nieuwsgierig toekijkende en vertederend poserende kinderen.

Van 1950 tot 1960
Door middel van een brief neemt silhouettenknipper Klaas Bakema ( 6 april 1950) contact op met Wiecher Lever. Uit het antwoord van Lever blijkt dat hij dan net aan zijn loopbaan als professioneel knipper is begonnen. Dit contact leidt tot een uitvoerige correspondentie die loopt tot 1952. Bakema deelt de, in zijn ogen, Groningse nieuweling van alles mee over zijn ervaringen als knipper en raad hem af beroepsmatig bezig te gaan: “…Mjjnheer Lever een goede raad, als men het in de wereld tot een betrekkelijke onbezorgde bestaan wil brengen, begin dan nooit met iets dat men zelf moet maken (..). Een verkoper van schilderijen verdient meer als de schilder er van. Denkt u er aan… ?“. (brief 11 april 1950)
Klaas Bakema geeft in een van zijn brieven ook een beschrijving van zijn bezoek aan Franeker waar in augustus en september een belangrijke knipkunsttentoonstelling werd gehouden. Voor Wiecher Lever bij uitstek een mogelijkheid zijn werk te promoten. Door knipsels beschikbaar te stellen voor de expositie en zijn knipwerk te demonstreren. In zijn plakboek bevindt zich een artikel van Gabriël Smit in de Volkskrant van 2 september 1950 over deze tentoonstelling: “Kostelijk “Coopmanshuys” vol sierlijke knipkunst/In het voetspoor van Anna Maria Schuurman”. Niet alleen een aardige impressie van het oude Franeker, het kostelijke museum, de geschiedenis van de knipkunst en de tentoonstelling met ook werk van hedendaagse knippers, maar ook met een komische beschrijving van het werk van Lever.

Opgehangen aan een karikaturaal silhouet dat Lever van de gejaagde journalist (altijd onderweg!) Smit. Eerst knipt Lever een gewoon silhouet: “… Sinds een jaar knip ik ook portretten. gaat u maar staan. Zo even stil…. “Een zwart stukje papier, het bekende knipgeluid, dertig, veertig seconden en: “Kijk, daar bent u”. En inderdaad, een keurig silhouet. “maar een caricatuur is nog aardiger. Dat maak ik ook. U bent zeker van een krant? Kan ik zien-ik leer knippend de mensen kennen. Gejaagd beroep, altijd haast, vliegen, vliegen. Ik zal proberen of ik dat uitdrukken kan. Ja, het gaat wel, denk ik Zo-daar bent u… Kijk maar: [ portret]. Dat ben ik dan, gejaagd en wel. Met tegenwind blijkbaar. Maar in Franker had ik dan toch óók de wind mee: ik had er prachtige uren. Ik ontdekte er een oude, jonge kunst. Charmant, gezellig, zonder de zwarigheden van het drukkende ogenblik Een eigen wereld van stilte en geduld, liefde en fijne kunstvaardigheid. Nergens ordinair, nergens belast met de zware problemen die haast alle kunst tegenwoordig zo verlammen. Heel eenvoudig, wit papier en een schaar. “Het zit in de schaar, nergens anders“. Gelukkige mensen, die zo eenvoudig kunnen beelden”. Aldus “G.[abriël] S[mit]“, die met dit commentaar niet alleen de knipkunst en de beoefening ervan roemt, maar tevens kritiek uitoefent op de moderne kunst van die tijd.

Het artikel in de Volkskrant wordt gevolgd door een prachtig geïllustreerde publicatie in de Panorama (8 september 1950) over “Schaarkunst, vier eeuwen knip virtuositeit in Franekers Coopmanshûs”. Vanzelf in tekst en fotografie, aandacht voor het werk van Anna Maria van Schurman en oude knippers als Adelaar en Roemelé. Hedendaags knipwerk is afgebeeld van Kerp, Eisendorn en Lever. Op de foto zien we hem, met een postzegel op de voorgrond om het formaat aan te geven, een karakteristiek landschapje vrij uit de hand knippen. Op de achtergrond het ex libris dat hij maakte voor Theunis Broekstra.
Uit de tekst blijkt dat Levers demonstratie op de tentoonstelling, die veel bezoekers trok, indruk heeft gemaakt: “…Deze “schaar-hercuul” wekt stille bewondering met zijn miniatuur-landschapjes of.. lachorkanen, als hij in enkele seconden de caricatuur van een van zijn bezoekers gereed heeft. Vroeger kolenhandelaar en vertegenwoordiger hanteert deze man nu behendig de schaar om er zijn brood mee te verdienen. Sinds enige maanden is hij knipper van beroep… en hij ziet er gezond uit!…“.

Het tijdschrift “De Schilder” (21 juli 1951) stelt Lever in staat de historie van de knipkunst kort te belichten maar vooral hedendaagse knippers voor te stellen. Hij schrijft onder de titel “Nederland knipt weer! …19 April 1946 bracht het “Nieuwsblad van het Noorden” een artikel over mijn arbeid. Dit was de herleving van onzen knipkunst, of beter gezegd: de openbaring van hetgeen reeds lang aanwezig was. Nog geen twee weken later meldde iemand aan het bureau van dat blad, dat een onderwijzeres uit Appingedam ook nog knipte [is Gretha Zijl, HvA]. Kort daarop schreef mij Mevr. Bruning uit Nijmegen, dat haar dochter ook de schaar hanteerde. Op een demonstratie werd mij op de producten van Mej. Commerell, thans Mevrouw Vierkens, gewezen en op de tentoonstelling “Gouden Handen” in 1948 te Ede gehouden, ontmoette ik Mej. Eisendorn, die daar exposeerde en demonstreerde…

Lever noemt geen onbekenden, ze kwamen al voor -mede dankzij zijn mededelingen- in de artikelen van Huizenga-Onnekes in het Groninger Dagblad en Hobby. Maar, zo meldt hij wat parmantig: “…Geleideljk aan ontwikkelt zich nu, wat ik “een eigen school” durf te noemen. Een tweetal vrienden, de heren Broekstra en Kloosterhuis, ontmoette ik in 1948 tijdens een demonstratie. De eerste, in Vrije tijd een voortreffelijk houtsnijder, de tweede tekende. In dit voorjaar zijn beiden gaan knippen en hun bekroningen rechtvaardigen de hoop op hun toekomst.

Vervolgens de 17-jarige Antje Pronk welke ik op 13-jarige leeftijd enige handleiding gaf. Het boven reeds genoemde 8-jarige dochtertje [Liesje,  HvA], dat binnen een jaar 3 prijzen won, nl. een medaille als 1e prjjs in de groep jeugd tot 14 jaar noordelijke drie provincies; een diploma goed en een diploma uitmuntend. Ten tenslotte de laatste leerlinge, een onderwijzeres uit Arnhem, die na twee lessen reeds verrassend goed werk levert…“. Natuurlijk was Lever trots op deze resultaten van zijn navolgers, maar het was voor hem ongetwijfeld ook een middel om zijn aanpak te verdedigen en te promoten. Hij noemde niet knippers die inmiddels ook al een zekere bekendheid genoten zeker sinds de expositie in Franeker, zoals Kerp en Bakema. Om van ene Hil Bottema (en haar navolgers) maar te zwijgen. Voor beginnende knippers heeft hij een advies: “…De beoefening van het knippen is zeer verschillend. Men kan het papier dubbel vouwen, vooraf op de achterzijde een schets aanbrengen, of direct uit het papier te knippen. Uit één stuk vervaardigen, of uit gedeelten om later samen te plakken. Een ieder handelt naar eigen aanleg. Het gaat tenslotte om het eindproduct. Toch geef ik er de voorkeur aan dat de beginneling niet vouwt, niet tekent, maar direct de schaar in het papier zet. Dit dwingt tot grotere vaardigheid…“.

Interessant is het artikel “Een schaar en een stukje papier” in de Vrouwenpost van april 1952. Hierin wordt namelijk het knipwerk van Geert Jager vermeld en is er sprake van dat Lever een tentoonstelling “Westeuropese knipkunst” voorbereidt. Over Geert Jager, het eerste echte voorbeeld op papier van zijn onderzoekswerk, schrijft Wiecher in dezelfde maand een mooi artikel voor de Nieuwe Provinciaal Groninger Courant.(15 april 1952) met als titel “Geert Jager/De knipkunstenaar”. Lever waagt daarin aandacht voor de knipkunst in Groningen en noemt Antje “Knipke” v.d.Veen uit Noordbroek en Geert Jager (1823-1916) uit Hellum. Aan de hand van drie afbeeldingen beschrijft hij het werk van deze “merkwaardige man”. Van deze knipper had Lever tenminste een werk in zijn verzameling en ook knipte hij verschillende kopieën van het werk van een knipper die hij bewonderde. De vermelding over een tentoonstelling die Lever voorbereidde is ongetwijfeld juist. Die was (onder andere) te zien op de expositie “Vier eeuwen knipkunst” in januari 1953 te Leeuwarden op verzoek van de Vereniging “Friese Volkskunst” Die tentoonstelling moet waarschijnlijk gezien worden als een eerste aanzet tot de oprichting van een museum voor knipkunst.

Het dagblad “Trouw’ vertelt op 5 juni 1952 wederom het verhaal over Levers ontwikkeling: “Van turfschipper tot knipkunstenaar”.  Belangrijk in dit artikel is de opmerking: “Wiecher Lever is thans bezig aan het samenstellen van een boek, in collaberatie met mevr. E.J. Huizinga-Onnekes”. Een niet geheel juiste vermelding. Lever had al jarenlang contact met Huizenga, verschillende brieven (lopend van 17 maart 1947 tot 5 januari 1956) van Huizinga aan Lever zijn bewaard gebleven. Het schrijven van een boek dat onder de titel “Juweeltjes van Knipkunst” had moeten verschijnen was echter haar initiatief. Lever leverde er wel de geknipte omslag voor en droeg er vele gegevens aan bij.
Eilina (Line) Johanna Huizenga-Onnekes (1883-1958) was in Groningen een bekend folkloristisch onderzoekster, al werd haar werkwijze en vooral haar interpretatie van gegevens in wetenschappelijke kring niet door iedereen hoog ingeschat. Ze was vooral bekend door de verhalen van “Trijntje Soldaats”, “Het Boek van Minne Koning” en publicaties als “Groninger Volksverhalen” en “Het Menschelijk Leven in ‘t Groninger Land”. Publicaties van voor 1940. Na die tijd richtte zij zich onder andere op de knipkunst met als uitgangspunt knipsels uit haar eigen familieverzameling en het Groninger land. Zo verschenen na de artikelen van haar hand in 1947 (Groninger Dagblad, Hobby), artikelen als “Knipsels in Groninger Land” (Oud Nederland 1950) en een verhaal over knipper ds. Jan de Bleyker in De Speelwagen (1953)

slot volgt in december

Door Henk van Ark

Over Wiecher Lever, deel 1, Nieuwsbrief 2008-1

Een van de doelstellingen van de stichting W.Tj. Lever was het streven naar de samenstelling van een studie over leven en werk van knipkunstenaar Lever. Tijdens zijn leven en na zijn overlijden is al veel over hem geschreven. In de periode 1940 tot 1960 was er vooral aandacht voor zijn belevenissen als beginnend en reizend knipper, hierna stonden de meeste artikelen in het teken van zijn Nederlands Museum van Knipkunst. Na zijn dood in 1981 verschenen er diverse korte biografische schetsen, maar tot een meer uitvoerige studie of biografie is het nooit gekomen. De afgelopen twee jaar is er aan gewerkt te komen tot een studie die vooral in zal gaan op Levers activiteiten als papierknipper, verzamelaar en museumdirecteur, een echte biografie wordt dat dus niet. Het is de bedoeling dat die in brochurevorm uitkomt eind 2008. In deze Nieuwsbrief en de komende nummers vindt u een voorpublicatie van de uitgave die de titel “Wiecher Tjeert Lever (1917-1981). Een kunstenaarsleven in knipsels” zal krijgen.

De jonge papierknipper
“Knipverkeerd” was helemaal geen goede naam voor dat jongetje…” is de kop van de kinderrubriek van het Vrije Volk op 18 november 1952. Ene Manke schrijft in “Het Vrije Volkje”: “Er was eens een kleine Groningse jongen, die met z’n vader en moeder op een vrachtschip woonde, dat de grappige naam “Nooit Volmaakt” had. Toen de jongen een jaar of zes was, voer de “Nooit Volmaakt” geregeld door de kanalen van de Groningse veenkoloniën, waar de baas van het schip grote voorraden turf van de ene plaats naar de andere bracht. De moeder van het jongetje hielp de vader altijd mee, want een turfschipper heeft een druk leven. Zo kwam het dat het jongetje dikwijls alleen in de roef van her schip zat, waar -als het donker begon te worden- een grote petroleumlamp brandde. Die lamp had zo ‘n ouderwetse kap met een rand van kralen eraan en die kralen konden prachtige schaduwen maken op de wand van het roef]e. Het jongetje zat dikwijls naar die schaduwen te kijken en opeen avond dacht hij: als ik een schaar neem en figuurtjes uit zwart papier knip en die figuurtjes dan weer op wit papier plak of omgekeerd, dan moeten dat net zulke leuke schaduwbeelden worden, als ik nou op die muur zie. En hij nam schaar en papier en hij begon te knippen en kijk, van dat ogenblik af is hij nooit meer met knippen opgehouden. Het jongetje begon met poppetjes. Poppetjes die elkaar de hand gaven, je kent ze wel, zo’n hele rij dansende figuurtjes. Maar hij ontdekte al gauw, dat je uit oude schoolschriften, treinen en stoomboten kon knippen. Lijm was er niet op het schip, maar hij nam draad en naald en naaide z’n figuren van papier aan elkaar. Hij hield veel van de natuur en hij begon dieren en bloemen uit te knippen, die zo goed lukten, dat hij er boekenleggers van maakte, die hij aan de meisjes gaf die hij aardig vond. Want hij was toen al niet zo’n héél klein jongetje meer. Thuis waren ze wel eens kwaad over al dat geknip. Want de snippers vielen op de cocosmatten, die de vloer van het roefje bedekten en ‘t was een heel geveeg om ze er weer af te krijgen. Daarom gaven zijn ouders hem de bijnaam ”Knipverkeerd” Maar in hun hart waren ze maar wat trots op dat zoontje “Knipverkeerd”, dat steeds mooiere dingen ging maken. Toen het Jongetje twintig jaar was, en dus een man, hield hij een tijdje met knippen op. Niet omdat hij er genoeg van had, maar omdat hij dacht, dat anderen zouden zeggen: kijk hem nou eens, een man die plaatjes knipt, nou zeg, dat is toch echt een meisjeswerkje. Op het ogenblik is hij al lang getrouwd, hij heeft zelfs al zes “Knipverkeerdjes”. Z’n oudste dochtertje Liesje, die negen, en Rika, die zeven jaar is knippen net zo graag als hun vader. Want je moet niet denken dat “Knipverkeerd” niet meer knipt! Hij geeft het goede voorbeeld in z’n huis en zijn kinderen vinden het prachtig en kijken hem de kunst af. Liesje heeft zelfs al een medaille met haar knipsels gewonnen toen ze zeven jaar was en daarna nog een heleboel eerste prijzen. Als de vader het merkt, dat z’n kinderen zijn figuurtjes naknippen, verscheurt hij ze: ze moeten alles zelf bedenken! En nu moet ik jullie nog vertellen, hoe dat jongetje in werkelijkheid heette: Wiecher Tjeerd Lever. Hij woont op het ogenblik in Muntendam en hij is een van de weinige knipkunstenaars, die er in ons land wonen. Soms knipt hij wel eens op tentoonstellingen, waar iedereen hem op de vingers kan kijken. En hij heeft een boekje geschreven, dat “Op nieuwe wijs, naar oude trant” heet en dat iedereen maar eens moet lezen, die de fijne kneepjes van de knipkunst machtig wil worden (…)“

Hoewel in het stuk de naam van Wiecher Tjeert Lever op twee plaatsen verkeerd is gespeld, wordt in dit artikel goed beschreven hoe de jonge Lever als kind al met papierknippen is begonnen. Lever is op 7 september 1917 in Hoogezand geboren als zoon van Harm Lever en Annette de Vries. Op 3 april 1941 trouwt hij met Hermanna de Boer (1914-1998). Uit dit huwelijk zijn zes kinderen geboren: Anette (1941), Elisabeth (1942), Harm (1944), Henderika (1945), Jan (1947) en Tobia (1952).
Lever scheidt en hertrouwt op 17 maart 1976 met Meintje Jonker. Zij had uit een eerder huwelijk een zoon: Jacobus (1954). Wiecher Lever overleed op 2 oktober 1981.
Hij werkt na zijn lagere schooltijd in de brandstoffenhandel van zijn vader, volgde de handelsavondschool en besloot op zijn 21ste  jaar een eigen loopbaan te beginnen. Hij heeft diverse baantjes en wordt uiteindelijk vertegenwoordiger in drogisterijartikelen bij de firma Ten Doesschate. Vanaf eind 1949/begin 1950 is hij knipkunstenaar van beroep.

De periode 1946-1950
In het artikel “Over knipsels en schaduwbeelden “(Groninger Dagblad 15 en 22 maart 1947) van E.J. Huizenga-Onnekes wordt Lever, naast Gretha Zijl, genoemd als knipper “in onzen tijd”. Zij schrijft: “…Een kunstenaar op dit gebied in de heer W. Tj.Lever van Muntendam. Hij is de zoon van een turfschipper en als jongetje van een jaar of negen kwam hij bij een oudtante in huis om onderwijs te kunnen volgen. In haar bijbel had die tante een oud, eenvoudig knipsel. Het was een duivenhokje met duiven en een paar hondjes. “Dat kan ik ook wel’ dacht de kleine jongen en inderdaad hij kon het. Toen knipte hij meer, b.v. een anker in een hart. Toen zei zijn broer: “Dat anker deugt niet”: Hij had geen aanleg voor knippen, maar hij had schippersbloed in de aderen en hij zag dat het anker verkeerd was. Hij knipte het anker beter dan zijn broer, die van ankers geen verstand had. Toe zei zijn moeder: “Je moet er nog een kruis bovenop zetten, dan het je geloof hoop en liefde. Er kwam een tijd, waarin hij vooral voor meisjes geloof hoop en liefde, maar ook andere knipsels vervaardigde. Zij vonden het prachtig en dat moedigde hem aan. Hierop volgde een periode, waarin hij niet knipte, omdat het toch eigenlijk meisjeswerk was. Hij schaamde zich ervoor. Ook dit ging voorbij. In de oorlog begon hij knipsels te maken met betrekking tot gebeurtenissen van dien tijd. Met één prentje had hij zooveel succes dat hij er 300 stuks van verkocht. Nu gaat zijn werk zelfs naar Amerika, komt op tentoonstellingen en in boeken en kranten wordt erover geschreven…”.

Van turfschipper tot knipkunstenaar. Diverse malen is Levers ontwikkeling treffend beschreven, onder andere in de Rotterdammer (8 juni 1963) en het Friesch Dagblad (5 juni 1963). Het zijn artikelen over Levers museum in Roden.

“Lever werd op 8 september 1917 aan boord van het 80-tons binnenschip “Nooit Volmaakt” geboren en leerde in latere jaren spelenderwijs het vak van z’n vader: de turfschipper. Hij kreeg als klein kereltje al belangstelling voor de knipkunst, die vroeger veel door schippers werd beoefend. Zijn eerste knipsels maakte hij in de roef van de “Nooit Volmaakt”, wanneer vader en moeder Lever het schip door eindeloos lange kanalen loodsten. Wiecher ging er mee door, toen hij zelf turfschipper en kolenhandelaar werd. Wanneer hij met turf of kolen onderweg was, zocht hij vaak naar mooie bloemen of maakte vluchtige schetsjes van wegschietende waterhoentjes en overvliegende reigers, om ze thuis te kunnen naknippen. Op 21- jarige leeftijd ging hij van boord en werd vertegenwoordiger, hetgeen vader Lever deed zuchten: “Als dat maar goed gaat met die jongen. Hij wil niet met de handen werken “. Als vertegenwoordiger kwam Wiecher Lever in tientallen woningen, waar hij oude knipsels vond, die ter gelegenheid van een huwelijk of een geboorte waren gemaakt, en ook andere uitingen van deze oude volkskunst. Hij merkte al gauw dat de mensen bijzonder op deze wandversieringen waren gesteld Wanneer ze ze niet wilden afstaan, ging vertegenwoordiger Lever ze kopiëren en ontwikkelde zo meteen z’n talent. Hij ontdekte, dat hij tamelijk gemakkelijk portretten kon knippen en in z’n vrije tijd ging hij naar tentoonstellingen en knipte voor twee kwartjes het silhouet van baardige schippers, zorgzame huismoeders, schooljongens, burgemeesters en bankdirecteuren. De belangstelling was enorm…

De belangstelling voor het knipwerk van Wiecher Lever begon publicitair met een artikel in het Nieuwsblad van het Noorden van 15 april 1946. Lever had zelf de redactie benaderd met de vraag: “Zou u niet eens iets willen schrijven over een oude volkskunst, die geheel verloren is gegaan, maar die in vroeger eeuwen in ons land veel werd beoefend, namelijk de knipkunst?“. Volgens de schrijver van dit stukje toonde Lever een aantal van zijn vele producten van zijn knipkunst, maar kon hij over “den bloei van de knipkunst in vroeger tijden” weinig vertellen. De Openbare Leeszaal in Groningen bood uitkomst en zocht enkele boeken op die “onzen eenmaal gewekten weetlust betreffende dit onderwerp konden bevredigen”. Gegevens over de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst zijn vooral ontleend aan het artikel “Schaarkunst” van C. van Son in Elseviers Maandschrift van 1910. Daarin worden knippers genoemd als Joanna Koerten, Willem Eigeman, Elisabeth Rijberg, Gilles van Vliet en Otto van Voorst.

Met dit artikel bereikte Lever wat hij wilde. Hij kreeg aandacht voor zijn werk: “…Het feit, dat deze oude kunst, die eens zoo sterk heeft gebloeid, in onze provincie nog levend wordt gehouden, zij het ook door een enkeling, was te interessant om het niet grootere bekendheid te geven…“. Onder het mom van levend houden van een oude (volkskunst) hebben later vele knippers dezelfde methode toegepast om hun werk onder de aandacht te brengen. En, hij plaatste zijn knipwerk in een aloude traditie. Lever was als het ware de navolger van vele beroemdheden in de knipkunst. Kort daarna ging Lever ook internationaal. Hij kreeg na demonstraties in Arnhem een opdracht voor een knipsel voor Amerika (Noord-Ooster, 15 februari 1947) en niet veel later konden ook bestellingen uit Zuid-Afrika worden gemeld (Winschoter Courant 25 juni 1947 e.v.).

Niet duidelijk is of Lever, toen dus nog vertegenwoordiger en pas enige jaren getrouwd met inmiddels drie kinderen (een knipsel van deze huwelijkssituatie is bij het artikel afgebeeld), voor ogen had dat hij op den duur van het knippen zijn beroep zou gaan maken. Alles wijst er echter op dat dit zo was, al wordt in het Vrije Volk van 18 maart 1950 geschreven dat hij aanstonds noodgedwongen in de knipkunst zijn bestaan zal moeten zoeken. Optimistisch klinkt het niet: “Lever heeft er nu bepaald niet een hard hoofd in, maar toch -de kunst wordt niet meer zo rijk beloond en ook al is hij met zijn knipsels beslist niet duur, de guldentjes zijn dat tegenwoordig wel. En daarom zal hij nog meer lezingen gaan houden, nog meer gaan exposeren en bovendien les geven. Dat laatste zal misschien wat moeilijkheden opleveren, want hij bezit geen diploma van een “handenarbeidschool”. “De natuur geeft geen diploma’s”, zegt hij. Nee, diploma’s geven doet Moeder Natuur niet. Maakte ze maar eens een uitzondering”.

wordt vervolgd

Door Henk van Ark.

Over Wiecher Lever, deel 2, Nieuwsbrief 2008-2

In de zomer van 1946 (augustus), dus waarschijnlijk in zijn vakantieperiode, geeft Lever demonstraties papierknippen in het Nederlands Openluchtmuseum. Op een mooie foto in zijn plakboek zien we hem zitten, knippend bij een tafel in een van de huisjes (mogelijk de Zaanse Schans) van het museum. Met knipwerk op tafel en ingelijst staand zijn knipsel van het oorlogsmonument in de vorm van een kruis. Aan de wand ingelijst verschillende oude stukken, die hij inmiddels had verzameld, waaronder knipseltjes uit een Groningse familiebijbel.

Ook het jaar daarna demonstreert hij in het Arnhemse museum. De Arnhemse Courant van 13 augustus vermeldt hierover: “nu zit er in het jaar 1947 in het Openluchtmuseum Lever en draait het blanke papier spelenderwijze tussen zijn vingers, terwijl de schaar nu eens flink toehapt, dan weer nauwelijks zichtbaar haar kaken beweegt. Engelse en andere buitenlandse bezoekers, om van de vele landgenoten maar te zwijgen, zijn enthousiast. Onafgebroken dwarrelen de snippers, bijna onafgebroken praat deze man ook met zijn bezoekers, wijzende, uitleggende. Hij vouwt vrijwel nimmer, ontwerpt nooit: het is alsof een patroon zich compleet in zijn verbeelding heeft vastgezet. Vlakverdeling, symmetrie, het schijnt hem geen hoofdbrekens te kosten. Hij verkoopt aardige dingen, boekenleggers bijvoorbeeld, en geeft daar binnen de minuut een persoonlijke noot aan door uit een papiertje ragfijn naam of initialen te “graveren”. Deze beschrijving geeft goed het talent van Lever aan. Niet alleen was hij -ook toen al- een vaardig knipper, hij wist zijn werk ook goed te verkopen. Een onmisbare kwaliteit voor het bestaan als beroepskunstknipper.

Een unieke mogelijkheid om zijn werk landelijk te tonen kreeg Lever tijdens de tentoonstelling over knipkunst die onder de titel “Papieren Knipwerk” in 1946 in het Centraal Museum in Utrecht te zien is geweest van 18 oktober tot 10 november. Drijvende kracht achter deze expositie was Cornelia Catherina van de Graft, die niet alleen de tentoonstelling samenstelde, maar die tevens begeleidde met drie, ook nu nog wetenswaardige, artikelen in het blad Historia.
Hoewel bescheiden van opzet -de knipkunsttentoonstelling was slechts een toevoeging aan de expositie “Het Nederlandsche Boek” en daarom waarschijnlijk maar kort van duur- was deze tentoonstelling van groot belang voor de bestudering van de Nederlandse knipkunst en de opleving van de belangstelling voor oud en hedendaags knipwerk. Bij de tentoonstelling verscheen (helaas) geen catalogus, maar er is wel een getypte lijst van geëxposeerde werken bewaard gebleven. We vinden daarop ook eigentijdse knippers als Cruys Voorbergh, Tola Steinhage en Lex Barten vermeld, echter niet Wiecher Lever. Enige brieven in het museumarchief maken duidelijk waarom. Het werk van Lever werd in een laat stadium het Centraal Museum aanbevolen door Mr.W.P.A. Smit, conservator van het Openluchtmuseum, in een brief van 20 september. Lever had daar net in augustus demonstraties knippen verzorgd en Smit schrijft: : “… Zijn knipsels behoren wel niet tot het allerbeste op dit gebied, maar zijn toch als volkskunst niet zonder verdienste…“. Men stuurde Lever direct hierna een circulaire over de tentoonstelling toe waarop hij reageerde (28 september) met: “…Het komt onverwachts en daarom wilde ik gaarne met afzending der knipsels wachten tot begin der komende week daar ik gaarne met iets nieuws kom…“. En, “…Had ik de circ. 1 maand eerder ontvangen, waarschijnlijk was ik met grooter collectie uitgekomen… “ In diezelfde brief laat Lever weten tegen het exposeren van zijn werk op zondag te zijn, hij vraagt daarom: “…werk ‘s Zondags weg te nemen…“. Op 2 oktober stuurt hij vervolgens zes, niet ingelijste, knipsels naar het Centraal Museum. Zonder lijst versturen vond hij het gemakkelijkst en bovendien: “…No 6 is een familieplaat die verouderd is doordat een 4e kleine [Jan, red.] bijgekomen is, waarom deze plaat nooit ingeljjst geworden is…“. We kennen dit knipsel nog uit een artikel gepubliceerd in Het Noorden in Woord en Beeld (3 mei 1947). Het Utrechtse museum heeft Lever daarop bericht dat het knipwerk toch op zondag zou worden tentoongesteld. De kunstenaar reageert op dit bericht kort maar krachtig: “…Uw mededeling omtrent onmogelijkheid, om mijn knipwerk des Zondags niet te exposeeren, tot mijn verwondering ontvangen. Aangezien het hier een geloofsovertuiging betreft heeft deze zaak geen nadere overweging. U bij voorbaat voor Uw moeite dankend, zie ik retourzending der 6 knipsels tegemoet…”.

De gang van zaken bij de Utrechtse expositie laten het karakter van Lever zien: overtuigd van zichzelf; vasthoudend en geen concessies doende aan zijn overtuiging. Verdere consequenties hiervan zouden al snel blijken. Demonstreerde hij in 1946 en 1947 nog in het Nederlands Openluchtmuseum in 1948 kwam het daar niet meer van. Oorzaak daarvan was een conflict met Hil Bottema, toen artistiek leidster (en later conservator) bij het museum en verzorgster van cursussen waarin papierknipkunst was opgenomen. Bottema had bovendien een kunstopleiding en was zelf ook papierknipster. Was de mening in het museum over het werk van Lever (zie de opmerking van Smit) al niet al te positief, Bottema stelde voor de demonstraties in 1948 artistieke eisen. Lever mocht niet zijn nieuwste werken (tegeltableau’s) laten zien, een motief dat hij recent had ontwikkeld, maar slechts bloemen knippen. Lever probeerde Bottema en de directeur van het museum nog te overtuigen op deze beslissing terug te komen, het mocht niet baten. Hij weigerde op deze voorwaarde (Het Vrije Volk, 18 maart 1950) voor het museum te werken. Dit leidde tot een jarenlange vete van Lever met Bottema en het museum, die ook in talloze publicaties werd uitgevochten. Een verschillende opvatting over volkskunst werd aangevoerd als oorzaak, maar feitelijk is deze strijd terug te voeren op dit conflict en ongetwijfeld ook op het wantrouwen van Lever ten opzichte van kunstenaars met een opleiding en zogenaamde (volks)kunstkenners. Ook over andere onderwerpen dan knipkunstgebied zal hij met name in de jaren vijftig zijn mening laten horen.

Dit incident heeft, voor zover bekend, nauwelijks negatieve invloed gehad op de verdere ontwikkeling van Lever als beroepsknipper. Misschien heeft het zelf wel betekend dat hij er extra hard tegenaan is gegaan. Hij bezoekt hobbybeurzen en tentoonstellingen (Anthil, Appingedam; Gouden Handen, Ede; Hobbies, Hengelo) en bereidt zich zo voor op de moeilijke beroepspraktijk. In april 1949 bezoekt hij zelf Rotterdam. In het Rotterdams Parool (7 april 1949) wordt trots geschreven dat de demonstratie van Lever op de Uniek-tentoonstelling bij boekhandel Heijink in Rotterdam-Hillegersberg de eerste sinds tientallen jaren in West-Nederland was. Het ontwikkelen van zijn talent voor het knippen van portretten hoort daarbij. Voor het kunnen leven als beroepsknipper was dit onmisbaar. Ook gaat hij zelf schrijven over knipkunst. De redactie van het tijdschrift Hobby plaatst in juni 1947 het artikel “Over Knipsels en Schaduwbeelden” van Huizenga-Onnekes, dit naar aanleiding van twee door haar geschreven stukjes in het Groninger Dagblad met dezelfde titel. Ze vermeldde daarin Zijl en Lever. De redactie licht in een later nummer (oktober 1947) de belangstelling van het blad voor knipkunst toe. Aanleiding daarvoor waren de artikelen van Van de Graft in Historia, de stukjes van Huizenga, demonstraties van hedendaagse knipkunstenaars in de zomer van 1947 in het Openluchtmuseum en het artikel “Volkskunst” van C.J. Blees Kzn. in de Speelwagen (1947). Blees concludeerde “dat volkskunst nog bij lange na niet heeft afgedaan” wat de redactie van Hobby tot de opmerking bracht dat lezers zelf maar moesten beoordelen of van de volkskunst de knipkunst nog recht van bestaan heeft.

Om discussie daarover te bevorderen worden de beste voortbrengselen van de hedendaagse knipkunst in het artikel “Knipsels” besproken. Gretha Zijl krijgt een ereplaats, haar knipsel van kinderen die de vruchten plukken van de Hobby boom wordt op de voorzijde van het tijdschrift afgebeeld. Ook Lever krijgt ruime aandacht, maar er is ook een kritische opmerking over zijn werk: “De heer Lever verstaat als geen ander de kunst de logische samenhang tussen materiaal en onderwerp aan te voelen. Zou hij er in slagen ook tussen gegeven en uitbeelding zulk een samenhang tot uiting te brengen, dan zou o. i. zijn werk nog aan kracht winnen“. Maar tegelijkertijd noemt men een “in oude stijl geknipte stamboom van zijn familie in drie geslachten” een van zijn inzendingen, een “juweel”. Verder worden besproken knipwerk van M.T. Bruning en Antje Pronk. In haar bijdrage vermeldt Huizenga-Onnekes, na een lovend verhaal over Levers bloemenwerk: “Lever koestert altijd nog de illusie om een kleine handleiding te schrijven, want hij heeft een bepaalde methode om het anderen te leren”. In de maand erna (juli 1947) publiceert Lever in Hobby het korte artikel “Over Knipsels en hun vervaardiging”, een korte cursus papierknippen. Mede bedoeld om lezers van het tijdschrift te stimuleren aan de knipwedstrijd, uitgeschreven in juni met een inzendtermijn die wordt verlengd tot 31 augustus, mee te doen. Op deze bijdrage volgt in augustus “Knipprenten als Volkskunst” waarin Wiecher zijn belangstelling voor bepaalde onderwerpen toelicht.

wordt vervolgd in september

Door Henk van Ark.