Auteursarchief: admin

Schimmenspel en knipkunst, Nieuwsbrief 2008-2

In de maart-nieuwsbrief is de verschijning van het boek “Geknipt, Geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland” gemeld. Voor deze uitgave zijn door medewerkers van onze stichting (Atty Broer en Henk van Ark) diverse artikelen en korte stukjes geschreven. Een belangrijk deel hiervan is in “Geknipt!” terecht gekomen, maar in de eindredactie zijn sommige delen ingekort, gewijzigd of niet opgenomen. Soms heel begrijpelijk, niet alle details zijn bijvoorbeeld voor de meer algemene lezer interessant of ze moeten in stijl passen bij andere gedeelten, maar soms ook jammer omdat bepaalde verhalen eigenlijk een wat uitvoeriger aandacht verdienen. In voorgaande nieuwsbrieven zijn al onze bijdragen over geknipte portretten en reliëfknipsels (overigens zonder noten) gepubliceerd. Het is aardig die eens te vergelijken met de definitieve tekst(en) in het boek. Helaas zijn in de verschillende bijdragen ook de verwijzingen naar hedendaagse ontwikkelingen verdwenen. Zo worden aan het einde van het stuk over schimmenspel enige voorbeelden (dus zonder de pretentie van volledigheid) van hedendaagse schimmenspelers/makers genoemd, in het boek komen deze niet voor.

Hierbij daarom onze kijk op schimmenspel en knipkunst, waarvoor de basis werd gelegd door Willem Bax. Hij schreef voor de stichting W.Tj.L ever de “Notities over schimmenspel in Nederland” die in brochurevorm door ons in 1985 zijn uitgegeven.

Het schimmenspel lijkt in West-Europa betrekkelijk autonoom te zijn ontstaan, hoewel er -tot nu toe tevergeefs- diverse pogingen zijn ondernomen het westerse schimmenspel in de oude traditie van Klein-Azië en het Nabij en Verre Oosten te plaatsen. Voor de hand ligt te veronderstellen dat iedere cultuur het fenomeen zelf heeft ontdekt. Waar licht is, is schaduw en waar schaduw wordt gemanipuleerd door mensenhanden is in principe het schimmenspel geboren. In Nederland zou de invloed van het wajangspel uit Indonesië verwacht kunnen worden, echter dit is nooit aangetoond. Dat geldt ook voor Frankrijk, waar in de 18de eeuw, wordt gesproken over Ombres Chinoises, maar Chinese invloed nooit is bewezen. Wel staat het schimmentheater daar in relatie tot de kunst van het bewegende silhouet (genoemd naar de Franse minister Etienne de Silhouette), in dit geval het geknipte of gesneden profielportret (1).  In Nederland vinden we een prachtig voorbeeld van deze relatie beschreven.
  

In zijn boekje “Beknopt en Duidelijk Onderwijs in het silhouëtteeren” van 1792 [1] beschrijft Gerrit Paape over een opmerkelijke combinatie van schimmen- en silhouetportretten. Hij vermeldt hoe diep geroerd hij werd door de aanblik van kleine bewegende schaduwbeelden in een soort Optica (kijkdoos), waarin een scherm van geolied papier was aangebracht, waardoor hij zijn “Vader en Moeder (reeds verscheiden jaaren dood zijnde), zo natuurlijk zag verschijnen, dat op het eerste gezigt ik een luide gil gaf, en de traanen mij in menigte uit de oogen sprongen”. De jeugdige kunstenaar die deze beelden vertoonde, had de omtrekken van Paapes ouders in het klein gebracht en op kaartpapier geplakt en uitgesneden, “in diervoegen, dat de lippen, de hals en de armen beweeglijk waren (…) en de allernatuurlijkste beweegingen mijner ouders nabootsten”.(2)

Het schimmenspel past heel goed in de toenemende belangstelling voor het spelen met licht en schaduw (silhouetteerstoelen, illuminatiekasten, toverlantaarns) [2] vanaf het laatste kwart van de 18de  eeuw. Al zijn er in Nederland wel eerdere vermeldingen van schimmenvoorstellingen door schilder Pieter Barbiers. Hij gebruikt onderwerpen voor zijn voorstellingen die zouden zijn ontleend aan het programma van Séraphin dat in 1770 in Versailles is geopend en in 1784 naar de Port Royal in Parijs wordt overgeplaatst. Barbiers en Séraphin lijken echter te hebben geput eenzelfde traditie, waarschijnlijk een vast repertoire dat in de 18de  eeuw door rondtrekkende theaters werd gespeeld.(3)

Dominique Séraphin Francois (1747-1800) is een voormalige circus- en kermisartiest die stukken vertoont in een schimmentheater in de tuin van Launoin in Versailles. Aan hem wordt veel invloed toegeschreven op het Nederlandse schimmentheater dat zich voornamelijk op kermissen en huiskamers afspeelt. Het schimmenspel ontwikkelt zich van theatervorm en kermisvermaak aan het einde van de 19de  eeuw tot kunstenaarscabaret: het cabaret-artistique. Als inspiratiebron wordt met name het laat 19de  eeuwse cabaret “Le Chat Noir” genoemd. Dit cabaret, dat in 1881 zijn deuren opent in het kunstenaarscafé van Rudolphe Salis, is een verzamelpunt van dichters, zangers, musici en chansonniers. Hier beginnen ook in 1885 de eerste experimenten met schimmentheater door Henri Somm eerst met “ombres strictement chinoises”, later door Henri Rivière ontwikkeld tot waarlijke “féeries lumineuses”, waarbij gebruik gemaakt kan worden van een sterke lamp, rijen gasvlaxnmen, toverlantaarns en grote gekleurde glazen platen, bediend door een uitgebreide staf van medewerkers.(4)
Het schimmenspel is dan het domein geworden van de beeldende kunstenaars en in die richting zal zich het verder in Nederland ook ontwikkelen. Er lijkt zich een samenhang af te gaan tekenen tussen de beeldende kunstopvattingen en -stromingen en de uiting daarvan in het schimmenspel. Kenmerk van al die spelers is dat ze voortkomen uit beeldend kunstenaarskringen waarin enige kernen zijn te onderscheiden. In Haarlem het genootschap Kunst Zij Ons Doel, het Museum voor Kunstnijverheid en de School voor Bouwkunde, Versierende kunsten en Kunstambachten. Tot K.Z.O.D. behoren Ko Doncker (1874-1917), Herman Kruyder, Frans Smit jr. en de Waagspelers. Belangrijke figuur is Otto van Tussenbroek (1882-1957), directeur van het museum voor Kunstnijverheid, die Pieter van Gelder terug naar Haarlem haalt, contact heeft met Albert Roelofs en goed bevriend is met Henri Rivière.(5)

Voor de geschiedenis van de knipkunst is Doncker het meest interessant. Hij is nu vooral bekend van het paedagogisch schimmenspel “Rookt nooit te vroeg” dat hij in opdracht voor de firma Salm Sigaren in Haarlem vervaardigt. Kopers van sigaren konden dit spel sparen, ieder kistje van 50 stuks bevat een schimmenkaart, bij honderd stuks krijgt men er twee. Door de silhouetfiguren uit te knippen kan men een heel schimmenspel samenstellen (fig.1-27), verder was er ook een scherm (fig.28) en een vers met handleiding (fig.29). Ger Boonstra reconstrueert dit spel in 1977 en gebruikt het voor opvoeringen met zijn eigen schimmentheater.(6)

In Den Haag speelt schimmenspel een rol bij de Haagse Kunstkring en Pulchri. Willem Roelofs (de broer van Albert) volgt daar de naturalistische opvatting van Chat-noir. met assistentie van onder meer Willem van Konijnenburg. Hij treedt met als bijnaam de Nederlandse Chat-noir op in Pulchri Studio. Ook treedt later daar Frans Ter Gast op en er zijn opvoeringen door Vilmos Huszâr en J.R.B.de Roos.(7) [4]

Frans ter Gast (1880-1970) wordt algemeen beschouwd als Nederlands belangrijkste schimmenspeler van de 20ste eeuw. Met tenminste 41 schimmenspelen, vervaardigd in de periode 1924-1966, is hij zeer productief. Het maken van de spelen en zijn zeer sprekende figuren lag hem meer dan de opvoering ervan, al hoort dit natuurlijk ook bij de schimmenschuiverij. Ter Gast werkt met gesneden projectieschimmen [5] die door middel van een projectiekoker op het witte scherm konden worden vertoond. Dit in tegenstelling tot de contactschimmen die direct achter het scherm worden opgehouden.


Zijn respectabele lijst van stukken omvat sterk uiteenlopende voorstellingen qua thema en uitwerking. Voor een aantal heeft hij zelfde teksten verzorgd, zoals “Het Rijden door alle Tijden”, maar voor de meeste stukken sluit hij aan bij het werk van bekende schrijvers (Andersen, Charivarius, Wilde, Streuvels).(8) Overigens verkocht Ter Gast ook losse gesneden (schim)voorstellingen, zoals de fraaie pinquïns in de collectie van het Westfries Museum.
Cabaret en schimmenspel vinden elkaar later in kringen rond Hamdorff in Laren (met Chiel de Boer als centrale figuur) en Lou ten Bosch in Dordrecht. Ten Bosch maakt in de jaren zestig enige experimentele tentoonstellingen met ultraviolet licht met Albert Winsemius en beginnend beeldend kunstenaar Ger Boonstra. Boonstra richt het schimmentheater Ultra op, dat later overgaat in het Schoonhovens Schimmentheater. Behalve het opzetten van eigen spelen speelt hij een belangrijke rol in het documenteren van de geschiedenis van het schimmenspel. Zo heeft hij contacten met Pieter van Gelder, Chiel de Boer en vooral Frans ter Gast en is hij betrokken bij de oprichting van het Poppenspelcentrum in Dordrecht. Daar is hij verantwoordelijk voor de totstandkoming van een belangrijke collectie schimmen, die nu is ondergebracht in Rotterdam. Naast eigen spelen, na 1980 vaak gemaakt in samenwerking met Marijke de Vos, maakt Boonstra ruim gebruik van oude repertoire stukken, zoals le pont cassé, en coptografische figuren.(9) Meer dan de voorgaande figuren zou Joop Koevoets (1920-1995)(10) verbindingen moeten hebben met de wereld van de knipkunst, sterker nog hij oefende tegelijk de vrije beroepen van schaarkunstenaar, theaterspeler, voordrachtskunstenaar en stemleraar uit, na een opleiding als illustratief tekenaar. Maar hoe goed zijn werk ook aansluit bij het werk van knipkunstenaars, actief contact heeft hij met hen nooit gehad, wel met schimmenspelers als Frans ter Gast.

Dit geeft goed de verhouding tussen schimmenspel als (beroeps)theatervorm en het maken (en opvoeren) van schimmen zoals bekend in de knipkunst aan. Er is eigenlijk altijd een scheiding geweest tussen het professioneel maken en opvoeren van schimmen en het vervaardigen van schimfiguren als onderdeel van knipkunst, die (te) vaak als hobby-isme is gezien. De gebruikte techniek van het maken (knippen, snijden) is hetzelfde, de uitgevoerde praktijk anders. Er is in feite sprake van gescheiden werelden. Ook op ander gebied zien we dat. Zo verwaardigt beroepsillustrator en silhouettist Hans Detlev Voss zich niet te reageren op een poging tot contact van Klaas Bakema. (11) Ook beroepsknipper Wiecher Lever krijgt in zijn professionele loopbaan (die hem -merkwaardig genoeg- ook door sommige collega-knippers wordt kwalijk genomen) regelmatig te maken met denigrerende opvattingen van beroepskunstenaars over zijn werk en knipkunst in het algemeen.(12)

Hoe dan ook, Bollebakker verzucht kort geleden: “De in Nederland gewortelde schimmentraditie dreigt op te houden te bestaan: er is nauwelijks nog een beroeps schimmenspeler te vinden”. (13) Bax is optimistischer en positiever. “Het moge zijn, dat de geschiedenis van het Nederlandse schimmenspel zich maar als een smal stroompje door de tijd slingert, het omvat toch een hele periode -van Barok tot en met Abstracte Kunst- en stroomt niet zonder stroomversnellingen. Op het ogenblik lijkt het spel zich grotendeels te hebben teruggetrokken, enerzijds als element in voorstellingen van andere theatervormen, anderzijds in kleinscheepse uitvoeringen, waarbij men bijna weer tussen de schuifdeuren is beland (…) Bij veel van de oude voorstellingen was er sprake van een teveel, een warrig samengaan van de elementen beeld, tekst, muziek en belichting [,] een teveel ook aan humor. Misschien is armoede hier wel een zegen”.(14) Met de huidige beeldcultuur is niet te verwachten dat het schimmenspel weer prominent naar voren zal komen (dat was vroeger overigens ook niet zo, het was steeds een marginaal verschijnsel), maar zoals toen ook het geval was is een tegenreactie in zwart en wit tegen al het kleurengeweld af en toe niet uit te sluiten. Knipkunstenaars blijven inmiddels wel hun bijdrage leveren aan de voortzetting van een sfeervolle traditie. Zo heeft Marjolein Beukeboom schimmen voor poppentheater Aldo gemaakt en Ans Nieuwenburg figuren voor theater “Licht in het donker” vervaardigd. Meer voorbeelden zijn ongetwijfeld te vinden. En,Willem Bax heeft ruimschoots zijn bijdrage geleverd aan het maken van “schuifdeurvoorstellingen” en de vastiegging daarvan in brochurevorm.(15) [6]

 

 

Willem Bax

Door Henk van Ark.

noten:

  1. Hans Bollebakker, Ger Boonstra, schimmenspeler, Rotterdam 2003. Zie ook: Rico Bulthuis, Geschiedenis van het schimmenspel in Nederland, Amsterdam 1970; [H. Bollebakker] “Nederlands
    schimmen enkele hoofdlijnen
    ”, in: Theater uit handen, Rotterdam 1992, p.98-122; Hetty Paerl, Schimmenspel en het spelen met schaduwen, Amsterdam 1979; W. Bax, Notities over
    schimmenspel in Nederland, [Schoonhoven] 2005.
    2. Henk van Ark, “Onderwijs in het silhouetteren” Nieuwsbrief, jrg.8 (1995),nr. 1, [p. 12-17]
    3. W. Bax, Notities, p. 11
    4. Bollebakker, Boonstra, p. 11-13; Bax, Notities, p. 19.
    5. Bollebakker, Boonstra, p. 13
    6. Paerl, Schimmenspel, p. 72-73; Kees de Raadt, Ko Doncker (1874-1917), Tekenaar-schrijver schimmenschuiver, Haarlem 1994.; Henk van Ark, “Een schimmenspel van Ko Doncker’ Nieuwsbrief, jrg. 8 (1995), [p. 18-21].
    7. Bollebakker, Boonstra, p. 15; Bax, Notities, p. 19-25; p. 31-13.
    8. Bax, Notities, p. 41 -45; Bollebakker, Nederlands Schimmenspel (…), p. 120-122; Bulthuis, Geschiedenis, p. 45-51.
    9. Bollebakker, Boonstra, p. 15-19.
    10. Joke en Jan Peter Verhave, “Joop Koevoets, een man met twee beroepen“, Knip-pers, jrg. 17 (2000), p. 3-5; Riny van Beek, “Schimmentheater Joop Koevoets (..)” Knip-pers, jrg. 19 (2002), nr 2, p. 15.
    11. Henk van Ark, “De silhouettenknipper Klaas Bakema (2)“, Nieuwsbrief, jrg.20 (1997), nr. 1, [p. 3]
    12. Henk van Ark, Wiecher Tjeert Lever (1917-1981), een kunstenaarsleven in knipsels, Rasquert 2008.
    13. Bollebakker, Boonstra, p. 23.
    14. Bax, Notities, p. 53.
    15. Henk van Ark, “Over schimmen en silhouetten”, Nieuwsbrief, jrg.19 (2006), nr.3, [p. 8-10]

Sponsor maakt aankoop papieren Bavelaar mogelijk, Nieuwsbrief 1990-2

Door een financiële bijdrage van Reformhuis W. van Mastrigt in Rotterdam, een sponsor die al eerder enige aankopen op de veiling van Christie’s mogelijk maakte, is de stichting W.Tj. Lever in staat gesteld een zogenaamde papieren bavelaar voor de verzameling aan te kopen. Het betreft een zwart kastje van klein formaat (13×17 cm) waarin zich een geknipte voorstelling bevindt bestaande uit een huisje met figuren, een jager met hond in geboomte, een kudde met hoedster en als achtergrond een rivier met aan de overzijde een dorpje. Het kastje is gemaakt door Anna P.C. Strenge-de Frémery (1779-1854) uit het Brabantse Grave. Ze heeft het stuk gemaakt in de periode 1824-1854 de tijd dat zij weduwe was. Ongetwijfeld zal deze knipster veel meer van dit soort kijkkastjes hebben vervaardigd, maar wij kennen slechts twee exemplaren van dezelfde hand. Eén bavelaar bevindt zich in de collectie van het Openluchtmuseum in Arnhem (afgebeeld. in “Schaarkunst”, nr. 133), het andere is kort na de oorlog te zien geweest op een tentoonstelling over papierknipkunst in het Centraal Museum in Utrecht.

Door Henk van Ark.

Verrassing in drievoud, Knip-Pers 1996-1

De volgelîngen van George Engelhard en Evert Root Sr.

Van de ‘dubbele verrassing’, een artikel in het septembernummer verleden jaar over de knipper George Engelhard, hadden wij nog iets in petto gehouden en beloofd daarop in dit maartnummer terug te komen omdat het ondermeer paasknipsels betrof.

Door zijn zuster, mevrouw T.J. Engelhard in Arnhem, op het spoor gezet kregen wij gelegenheid kennis te maken met deze knipper en zijn werk. En passant werd daarbij ook zijn omvangrijke verzameling knipsels van Evert Root ontdekt, zodat het een dubbele verrassing werd.
Maar nu het surplus van deze successtory.
De heer Engelhard was in leven een geboren onderwijsman, die de ontwikkeling van creativiteit bij zijn leerlingen hoog in het vaandel had staan. Door zijn studie Pedagogie in Amsterdam kwam hij bij zijn omzwervingen door de stad in contact met de daar wonende knipper Evert Root. Van hem leerde hij de fijne kneepjes van het papierknippen, die hij later overbracht op zijn leerlingen. Zeer tot tevredenheid van Evert Root, die dit proces met grote belangstelling volgde. De doelstelling van de heer Engelhard was: Maak kinderen gevoelig voor kunst en al het mooie wat de wereld biedt en vergeet niet het ‘scheppend’ kind daarin te begeleiden. Aan het einde van een schooljaar organiseerde hij een ‘creativiteitstentoonstelling’. waarin ook het knipwerk van de kinderen een ruime plaats innam. Omdat hij de knipsels opplakte is niet meer te zien of ze (door de leerlingen) zijn voorgetekend.

Behalve bij het ronde, anoniem geëxposeerde knipwerkje – misschien van hemzelf of van een andere leerkracht – staan de namen van de leerlingen erbij. Als we deze knipsels naast het knipwerk van de heer Engelhard in het septembemummer leggen geldt, zoals zo vaak in de geschiedenis, dat de (knip)stijl van de meester terug te vinden is in het werk van zijn volgelingen. De invloed van meester Engelhard en het resultaat van zijn leerlingen bezorgen ons een vrolijk Pasen!

Door Magda HeIms

Trappen des ouderdoms, Knip-Pers 1991-1

De trap des ouderdoms is een in de 16e eeuw in de prentkunst opduikend thema. De indeling in fasen van het menselijk leven komt voort uit de klassieke oudheid, maar vooral uit de wetenschap van de bouw van het heelal. Een associatie valt te maken met bijvoorbeeld de twaalf maanden of de vier seizoenen. De trap des ouderdoms is door de eeuwen heen afgebeeld op glazen, schilderij en, gravures, tegels en merklappen.
Adriaan Doesjan (1740-1817 Hoorn) maakte zijn levenstrap uit papier in een periode dat het thema vooral een moralistische funktie had. Het is een stuk vol symboliek en gemaakt van geknipte en gesneden stukken, van gedreven papier en papiermaché.

Trappen des Ouderdoms, door Adriaan Doesjan, ca. 1805. Afmetingen: hoogte 32.5 x lengte 43.3 x diepte 10 cm. Collectie Westfries Museum Hoorn.

Doesjan, waarschijnlijk een afstammeling van de Franse hugonoot Duchamp, was streng calvinistisch. In zijn werken, hij was amateurtekenaar, verwerkte hij dan ook vele bijbelteksten. Zo ook in zijn trap des ouderdoms. “Immers Wandeld de Mensch als in een Beeld”, Ps. 39 vs 7 en “Wij brengen onze Jaren door als een Schaduw”, Ps. 90 vs 9.

Dat Doesjan meer van dergelijke uit papier gemaakte voorstellingen heeft vervaardigd werd door een advertentie in de Hoornsche Courant maart 1806 bevestigd. “A Doesjan, te Hoorn, presenteert alle liefhebbers ter verloting aan: Een Konststuk, zynde een TEMPEL met een ORGEL en HARPENAAR, met toepasselijke Psalmspreuke, Muziek-Instrumenten etc. alles uitgevoerd door gevormd uitgedreven papier, als wit marmer, konstig ‘t zaam gesteld. Is dagelyks te zynen Huize te zien; de verloting zal zyn den 20 augustus 1806. ‘t Lot kost 6 gulden.”

Doesjan was van beroep boekhouder, maar werd in 1793 wegens zijn prinsgezinde sympathieën ontslagen en was in 1806 nog steeds werkeloos. Economisch ging het Hoorn erg slecht in die tijd, de helft van de bevolking kon geen werk vinden en zo verging het Adriaan ook. Waarschijnlijk, omdat hij besefte dat het door hem gemaakte Tempelstuk niet te verkopen was, hield hij een verloting in de verwachting dat dat meer op zou brengen. Hoe het verder met de Tempel van Doesjan is gegaan en waar het stuk gebleven is, is onbekend.

Door Tonny Jurriaans, Westfries Museum
Dit artikel verscheen eerder in de Knip-Pers 1991-1

Opduikend thema
De trap des ouderdoms duikt door de eeuwen heen en zelfs in ons redaktie-archief op. We lichten er twee uit. Het eerste werd ons verleden jaar toegestuurd door Corrie van Schaik-Noorderhoek. Afmeting 17 x 21 cm.

Corrie van Schaik-Noorderhoek

Het tweede (hieronder) in ditzelfde thema is van Julia Feiner-Wiederkehr (1901-1991) uit Zwitserland. Deze afbeelding is de laatste uit het met haar knipsels geïllustreerde boek “Lebensbild der Julia Feiner-Wiederkehr”, dat in 1981 verscheen in ver band met haar 80e verjaardag. Op pagina 35 vindt u het overlijdensbericht van Julia Feiner, dat wij zojuist ontvingen.

Julia Feiner

Kees de Bruïne Hebt u dat nou eerst getekend? Knip-Pers 1993-2

Strijk en zet horen wij die vraag als mensen ons knipwerk bekijken. Vinden wij het prettig als die vraag gesteld wordt? Sommigen hebben er geen moeite mee. Ze zeggen triomfantelijk: “Nee hoor, ik kan niet eens tekenen!” En de ongelovige blik van de vrager die de sierlijke bloem- en bladmotieven en de fraaie vorm bewondert, vervult het hart van de knipper of knipster met trots. Zó maar uit het blote hoofd rechtstreeks uit papier geknipt, zonder één hulplijntje! – Dat is nog eens wat!
Soms wordt de indruk gewekt dat dit de ideale vorm van knipkunst is, dat het zó eigenlijk hoort. En degene die van te voren wat heeft getekend durft zulks haast niet te bekennen. Het is alsof er een soort taboe op rust. Ik ga nu maar openlijk bekennen: Ik teken. Zo, het is er uit.
Ik tekende als klein kind al; en pas in de zestiger jaren ben ik, na een boeiende correspondentie met Hil Bottema, met knippen begonnen. Ik dacht, wat je met potlood en krijt kunt, dat kun je ook met een schaar – al bleek mij al gauw dat de schaar een geheel eigen expressiemogelijkheid biedt. Zo ben ik begonnen en zo werk ik nog steeds. Knipsels van enige omvang en complexiteit ontstaan aan de hand van tientallen tekeningen, die steeds gedetailleerder worden, Op de ‘eindtekening’ kleur ik heel nauwkeurig het zwart in, zodat ik alvast een indruk heb van het visuele effekt. Dan wordt die tekening overgebracht op de achterkant van het papier waaruit geknipt wordt – ik wil immers geen potloodsporen op de voor kant. Daar dient zich een probleem aan. Als ik de prent zonder meer overbreng op de achterkant van het knippapier, krijg ik een spiegelbeeld, en dat is vooral voor letters en cijfers, maar toch ook voor de gehele prent, niet de bedoeling.

Daar heb ik wat op gevonden. Je kunt een carbonpapier neerleggen met de zwarte kant boven. Daarop leg je het papier waaruit geknipt gaat worden, en daarop de uitgewerkte tekening. Nu neem je een potlood met een scherpe punt en trekt de lijnen van de schets na. Dit proces werkt natuurlijk alleen als het knipsel van wit papier is, of donker papier met een witte achterkant. Bezwaar van carbonpapier is dat de lijnen niet meer weg te gummen zijn als je nog wat wilt veranderen in de tekening. Beter is het daarom om geen carbonpapier te gebruiken maar gewoon wit papier dat je met zacht grafiet potlood hebt zwart gekrast. De lijntjes die langs deze weg op het knippapier komen, zijn gemakkelijk weg te gummen, zodat de uiteindelijke tekening geheel naar wens kan worden bijgewerkt én in spiegelbeeld!

Daar doet zich een verrassend feit voor. Een potlood is tóch iets anders dan een schaar. Het is de schaar die het werk moet doen, die de laatste beslissingen moet nemen, en die heel vaak korte metten maakt met de charmante onzekerheden van de potloodstreepjes. Je kunt n66it klakkeloos een tekening uitknippen: het knippen is en blijft het belangrijkste onderdeel van het scheppend proces. Dit alles neemt niet weg dat het steeds opnieuw een vreugde is om zomaar uit een stuk papier iets te knippen zonder tekening, eenvoudige prentjes zonder ingewikkelde compositorische of ‘letterkundige’ eisen. Hier wil ik een raad geven die voor de hand lijkt te liggen, maar die voor veel mensen nog nieuw blijkt te zijn. Hebt u die knipster ook zo bewonderd die op een knipdemonstratie het een na het andere prachtige zwaantje, kerstengeltje, bloemenvaasje of versierd hartje tevoorschijn toverde? Dat is niet vanzelf gekomen. Als je een zwaantje uit de vrije hand wilt knippen, moet je dat al tientallen malen voor jezelf geoefend hebben voordat de eerste zwanenhals de vereiste sierlijke kromming heeft, ja voordat het beest überhaupt op een zwaan lijkt. Het is de oefening die de kunst baart, dat is een oude wijsheid die door de ervaring bevestigd wordt. Al kan de vleug artistieke inspiratie niet gemist worden!

Door Kees de Bruïne

Illustraties
1. ‘Pasen’, geknipt met behulp van een tekening. Ware grootte.
2. ‘Uit spelevaren’, het eerste knipsel dat Kees de Bruine spontaan en uit de vrije hand knipte. Ware grootte.

Kees de Bruïne, verteller met een Schaartje Knip-Pers 1984-2

Ik ben pas met knippen begonnen, toen ik een jaar of veertig was. En dat is nu weer twintig jaar geleden. Ja, tekenen doe ik al heel lang. Vanaf mijn prilste jeugd. Doe ik nog. Maar met knippen begon ik eigenlijk zo maar eens, omdat wij – mijn vrouw en ik – altijd zelf kerstkaarten maken. En om ze niet allemaal te hoeven tekenen, dat is erg tijdrovend, had ik wat geknipt om daarmee spatwerk te kunnen maken. Toen merkte ik hoe aardig het knippen op zichzelf was.

Les heb ik er nooit in gehad. In 1967 las ik in de Libelle een interview met Hil Bottema, die toen net met knipwerk kinderpostzegels had ontworpen. Ik schreef haar en stuurde wat werk op. Ik kreeg een erg aardige brief terug met enkele aanwijzingen. Bijvoorbeeld over het papier en de schaar die ik moest gebruiken. In een tweede brief schreef ze me over de techniek van het opplakken. Helaas is ze kort daarna overleden. De oudste knipper in Nederland ben ik dus niet.

Aan het woord is Kees de Bruïne, veelzijdig knipper, zoals hij trouwens op vele gebieden een veelzijdig mens is. Toen hij van de middelbare school kwam, stond hij in dubio wat hij wilde gaan doen en hij aarzelde tussen beeldende kunst of muziek, want sinds zijn 8ste jaar speelt hij viool. Maar het werd theologie en hij is, na een bewogen leven als jeugdwerkleider in Twente, dorpspredikant, vloot predikant, studentenpredikant, grote stadspredikant, nu ziekenhuispredikant aan het Heemsteedse Diakonessenhuis. Maar de kunst speelt in zijn leven een grote rol. Het knippen is daarvan eigenlijk maar een deel.

Overal waar hij gewerkt heeft liet hij een spoor achter van door hem geschreven en gecomponeerde musicals, kerst- en andere spelen. Ook gedichten heeft hij ge maakt en uitgegeven. Het weekblad Hervormd Nederland telt hem tot de vaste mede werkers. Af en toe heeft hij er een column in. En dan gaat het allerminst over kunst, maar over actuele maatschappelijke en geestelijke zaken. Dit beeld zou tenslotte niet compleet zijn als we niet ook vermeldden, dat hij twee boeken over skieën vertaald heeft, want hij is steeds een enthousiast (winter) sporter geweest.

Maar we zouden het hebben over de knipkunst. Wat vindt Kees de Bruïne eigenlijk het verschil met tekenen dat hij ook nog actief doet? Er is een belangrijk verschil, meent hij. Het effect is geheel verschillend. Het spannende van knippen is gelegen in het haast meedogenloze contrast tussen zwart en wit. Dat geeft een geweldige zeggenskracht. Voor knippen moet je vormgevoel hebben. Je moet de sierlijke lijn zien. Er zijn, zegt hij, mensen die van zichzelf vinden dat ze niet kunnen tekenen, maar die wel kunnen knippen. Met tekenen bedoelen ze dan mensen en dieren tekenen. Maar er is zoveel meer dat ze wel kunnen. Zelf kan Kees weer wel portrettekenen, maar niet portretknippen. Aan werken met kleur, schilderen, aquarelleren is hij van tijd tot tijd begonnen, maar het resultaat is nooit naar zijn zin geworden.

Knippen en tekenen gaan bij hem wel hand in hand. Bij grote knipsels maakt hij eerst een tekening als basis voor het knipwerk. Het boeit hem te ontdekken waar de grenzen van beide kunstuitingen liggen. Waar knipwerk ophoudt en tekenen begint..,waar b.v. de specifieke contouren van de knipkunst liggen, zodat je hiermee iets beter kunt uitdrukken dan met een tekening. In zijn opvattingen is De Bruïne niet dogmatisch (en hier is dan bedoeld: zijn opvattingen als knipper en niet zozeer die van predikant). Alles mag! Als het maar bijdraagt tot het resultaat. Hij accepteert dus ook dat knipsel uit losse stukken kan bestaan, die later bij elkaar gemonteerd worden.

Heeft hij bepaalde motieven in zijn knipwerk?

Kees de Bruïne: Knippen is voor mij vertellen met het schaartje. Al wil ik aller eerst dingen maken, die gewoon mooi zijn op zichzelf., dan toch wil ik bijna al tijd iets vertellen. De meeste van mijn knipsels hebben een anecdotische inhoud. Soms is het de verbeelding van een spreekwoord, soms iets anders. Het is niet zo verwonderlijk dat ik bijbelverhalen vaak als motief neem. Niet om daarmee mensen te bepreken, maar omdat ze me bezig houden. Het zijn verhalen die de zingeving van het leven beogen. Bijbelse vertellingen vormen trouwens al een oud motief in de knipkunst.

Een veelzijdig man, die zich niet snel zal vervelen. Zijn laatste opmerking bij ons gesprek: Als ik met vakantie ga neem ik altijd mijn schaartje mee. Je weet nooit of je een been breekt. En slecht weer in de vakantie is voor mij nooit een straf!

Joop Loeber.

Exlibris en knipkunst over De Bruin, Broekstra en Voss, Papyria 1

De ontvangst van het decembernummer 2010 van het blad Genealogie was geen genoegen. Op pagina 124/125 moesten we lezen dat Daniël de Bruin op 19 oktober onverwacht was overleden [1]. Een korte omschrijving van zijn werk volgde in dit bericht: “De Bruin was autodidact en gespecialiseerd in het heraldisch exlibris. Zijn ontwerpen waren modern en gedurfd. Aanvankelijk werkte hij in een bijna kubistische stijl en werd hij in Nederland niet heel erg opgemerkt. Daar stond tegenover dat hij al snel succes in het buitenland oogstte. Ook in zijn latere, ingetogener maar nog steeds grafische oeuvre, was het werken met gefacetteerde kleurvlakken karakteristiek”.

Daniël de Bruin (1950-2010) was voor ons geen onbekende. Hij bezocht regelmatig het museum in Schoonhoven en was een trouw donateur tot de laatste uitgave van de Nieuwsbrief in 2008. Daniël was met name gefascineerd door het wapenknipsel Ockers/Bredehoff (afb. 1) dat in de vaste opstelling een mooie plaats had gekregen en waarover tijdens rondleidingen regelmatig werd gesproken [2].
Tijdens ons eerste contact bleek De Bruin’s interesse voor heraldiek en kwam naar voren dat hij zelf ontwerpen maakte. Met gepaste trots sloeg hij in het boek “Kleine Prentkunst in Nederland” [3], dat zich in onze handbibliotheek bevond, de pagina’s op waarop werk van hem te zien is.

Twee pagina’s met vier afbeeldingen. Op pagina 63 in kleur, dezelfde, maar in andere volgorde, op pagina 213 in zwart-wit (afb. 2). Als niet echte kenners van het genre werd het ons wel onmiddellijk duidelijk dat dit werk er zowel qua kleur als uitvoering uitsprong tussen het veelal, zwarte exlibris werk, zoals dat veelvuldig in het boek was opgenomen. In vergelijking met de exlibris die in “Kleine Prentkunst” zijn afgebeeld was het werk van Daniël van de jaren kort voor 2005 aanmerkelijk ingetogen en in zekere zin kleurrijker. Verrassend was dat hij papiersnijwerk in zijn ontwerpen was gaan toepassen, het museum ontving van hem daarvan drie gesigneerde voorbeelden (afb. 3).

Het idee ontstond bij gelegenheid een tentoonstelling of presentatie te organiseren, gekoppeld aan oudere voorbeelden van Nederlands knip-of snijwerk uit onze verzameling. Daar is het dus niet van gekomen.
Zo’n tentoonstelling zou dan in de eerste plaats gewijd kunnen zijn aan Daniël de Bruin, zijn werk en zijn heraldische collectie. Want sinds 1973 hield hij zich al bezig met verzamelen van prenten en boeken op heraldisch gebied. In 1981 maakte hij zijn eerste eigen ontwerp (afb. 4).


Maar voor een Museum van Knipkunst zou die opzet waarschijnlijk te beperkt zijn, beter was het zijn werk te plaatsen in de lijn van. twee grafische kunstenaars die in onze collectie goed vertegenwoordigd waren en zijn: Theun Broekstra en Hans Detlev Voss.

 

Voor Theunis Broekstra (1914-1998) knipte Wiecher LeverLever, Wiecher Tjeert in 1948 een exlibris dat we afgebeeld zien in een artikel over een knipkunsttentoonstelling in Franeker [5]. (afb. 5)

In september 1988 zochten we contact met Broekstra, die in 1951 naar Australië emigreerde, vanwege dat exlibris en vermelding van zijn naam in een vroege publicatie van Lever [6]. Het was kort na de oprichting van de stichting W.Tj.Lever en de veiling van de Westerborkcollectie had nog niet plaatsgevonden. Aangezien we niets verwachtten van eventuele resultaten op die veiling (7 november 1988) besloten we de stichting in Atelier Tobia Lever met een tentoonstelling te presenteren [7], te gaan verzamelen en te proberen een reizende expositie samen te stellen. Mede daarvoor hadden we informatie nodig over leven en werk van Wiecher Lever en Broekstra was iemand die bij het begin van zijn professionele knipkunstactiviteiten contact met hem had gehad.

We schreven Broekstra dus aan en een antwoord uit Australië volgde al snel [8]. Broekstra schreef: “(…) in 1948 bezocht ik te samen met een vriend, een tentoonstelling van handenarbeid in Zeegse. Daar ontmoet(t)en wij Wiecher Lever, hij demonstreerde knipwerk en daar ik zelf houtgravure en linosnede beoefende, en mijn vriend [Kloosterhuis,  red.] pentekeningen maakte, waren wij erg geïnteresseerd in zijn zwart-wit werk. Op aanraden van Lever gingen wij het ook proberen, en daar ik verschillende prijzen won op tentoonstellingen, was hij aanmoedig. In 1951 ben ik met mijn gezin naar Australië geïmmigreerd [.] Wel hebben we contact met Lever gehouden, en zo doende heb ik nog enige knipsels van hem aan de muur hangen. Hij heeft voor mij ook een exlibris geknipt, waarvan ik het origineel nog heb. (..) De eerste jaren hier in Australië heb ik nog wel enige knipsels gemaakt, maar gedurende jarten toen we opnieuw moesten beginnen was er geen tijd voor. ik moest een bedrijf voor mijzelf beginnen terwijl ik voor de Staats Electriciy Commission werkte. In 1970 ben ik (fulltime) gaan werken als Screen Printer, in 1980 de zaak verkocht, en toen ben ik weer begonnen met knippen als gevolg van een Chinese tentoonstelling in Melbourne ‘

Het contact met Broekstra is hierna blijven bestaan. Al snel ontvingen we van hem als schenking het door Lever geknipte exlibris [5]. Hij schreef daarover “Het wapen in mijn exlibris stelt voor een Fries wonende in Groningen dus de Friese vlag in het wapen van Groningen. De burijnen beelden mijn liefhebberij voor houtgravures”[9]. In de jaren erna stuurde hij ons regelmatig pakketjes (afb. 6-9) met knipwerk en door hem gezeefdrukte afbeeldingen en hij verstrekte ons een werklijst van zijn knipsels en exlibris. Zijn geknipte tekens van de dierenriem (waarbij hij gebruikt maakte van allerlei gekleurde papiertjes als achtergrond) en enige andere knipsels (waaronder een geisha met textiel aangekleed) maakten deel uit van de vaste opstelling van het.Nederlands Museum van Knipkunst. Enige jaren voor zijn overlijden organiseerden we in het museum een kleine tentoonstelling van zijn werk [10]. Daarop waren diverse van zijn exlibris ontwerpen te zien.
      

 

Hans Detlev Voss (1907-1977) (afb. 10) kenden we vooral van Wereldbibliotheek uitgaven [11] die in de jaren tachtig veelvuldig op boeken- en rommelmarkten verkrijgbaar waren. Net zoals de vele boekjes met Illustratief knipwerk van Mance Post konden ze uitstekend gebruikt worden voor tentoonstellingen die we in Atelier Tobia Lever en daarbuiten, met name in bibliotheken, organiseerden. Later konden deze uitgaven worden aangevuld met bijzondere boeken, prenten en exlibris van zijn hand [12]. Deze begaafde graficus mocht zich verheugen in de belangstelling van grafiek- en exlibriskenner Johan Schwencke die niet alleen in 1951 een bibliofiele uitgave (afb. 11) schreef over zijn werk, maar in het meer populaire “Portretten in Silhouetten” ruime aandacht aan diens werk besteedde [13].

De naam Voss duikt in relatie tot Lever op in een brief die silhouettïst en papierknipper Klaas Bakema in 1950 schreef. Bakema had Voss al eerder benaderd, maar deze had niet gereageerd en dat leidde in de correspondentie met Lever tot enige afkeurende opmerkingen over het werk van de Rotterdamse knippende graficus [14].
De uitgave “Het grafische werk van H.D.Voss kent een werklijst van door Voss’ gemaakte exlibris van ca.1923 t/m 1951. In dit boekje, en later ook in “Portretten in Silhouetten” (1966)(afb. 12) en “Kleine Prentkunst in Nederland” (1986)(afb 13) zijn diverse voorbeelden van de exlibris van Voss afgebeeld.

Hans Voss verliet, net als Broekstra, Nederland in 1951; hij vestigde zich in Canada.

In 1999 was in het museum van 10 april tm 30 april de presentatie “Knipsels en grafisch werk van II D Voss (1907-1977)” te bekijken.
Door Henk van Ark
Dit artikel verscheen eerder in Welkom in Papyria 1, 2011.

Noten
gebruikte afkortingen

A.L.: Archief Lever.
Geknipt!: Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt!. Geschiedenis van de papierknIpkunst in Nederland, Zutphen 2008.

1. GenealogIe, Tijdschrift voor familiegeschiedenis, jrg. 16, nr.4 (december 2010), p.124-125.
2. Nu in het Westfries Museum, Hoorn. Het knipsel werd door ons in 1997 uit particulier bezit aangekocht. Het werd al afgebeeld in een artikel van C.Catharina van de Graft ( “Geknipte Familiewapenen”, Historia, jrg.11, nr.9, p.195 (afb.3); Joke en Jan Peter Verhave, “Geschiedenis geknipt en beschreven”, Geknipt!, p.64-67 (afb.69).
3. Tom van Koolwijk en Chris Schiks, Kleine Prentkunst in Nederland in de 20ste eeuw, Zutphen 1986.
4. Heraldic Office The Ermine Dani de Bruin (1950-2010). Resquiescat in pace (http://www.heraldicermine.com!body.htm).
5. ‘ Vier eeuwen knip-virtuositeit in Franekers Coopmanshus”, Panorama, 8 september 1950, p.21.
6. W.Tj.Lever, “Nederland knipt weer!”, De Schilder, 21 juli 1951, p.247.
7. Henk van Ark, Atelier-Stichting-Museum (1985-2005), Rasquert 2010.
8. A.L, dossier Broekstra, brief 1 oktober 1988.
9. idem, brief 9 februari 1989.
10. Van 21 september t/m 30 oktober 1995.
11. Heinrich von Kleist, Michael Kohlhaas, Amsterdam 1940 en E.J.Potgieter, Marten Harpertsz., Amsterdam 1942.
12. Han G.Hoekstra en Victor E. van Vriesland (red.), De Muze op reis, (boeken weekgeschenk 1950); J.R.W.Sinninghe, Geldersch Sagenboek, Zutphen 1943; M.Jansen, Een wei vol bloemen (kinderpoëzie voor de laagste klassen der lagere schooi Groningen 1958; Ontmoetingen met auteurs en boeken, uitgave Voorhoeve & Dietrich Boekverkopers), Rotterdam 1950.
13. Johan Schwencke, Grafisch werk van H.D. Voss, De Getijden Pers, Zaandijk 1951. (nummer 30 van een genummerde oplage van 200); Johan Schwencke, Twee honderd Nederlandse grafische kunstenaars, (uitgave van de Exlibriskring der W.B.Vereniging), Amsterdam 1954; Johan Schwencke, Portretten in Silhouetten, Zaltbommel 1966.
14. A.L. (dossier Bakema), correspondentie Bakema-Lever, 1950-1952.

Reacties van lezers, Nieuwsbrief 1994-1

We ontvingen diverse reakties naar aanleiding van artikelen in de laatste nieuwsbrief van 1993. Mevrouw Jurriaans van het Westfries Museum stuurde ons een afbeelding van een knipsel dat ongeveer vijf jaar geleden bij Christie’s in Amsterdam is geveild.  De randen van dit knipsel komen volledig overeen met de in de decembernieuwsbrief afgebeelde stukken. Het Christie’s knipsel heeft een duidelijk oostfriese voorstelling en heeft als signatuur Theodoor Breeland. Voegen we de nu beschikbare gegevens bij elkaar dan komen we tot de konklusie dat de drie knipsels zijn vervaardigd door Theodoor Breeland, een knipkunstenaar die in Groningen en Oostfriesland werkzaam moet zijn geweest. We hebben daarom kon takt gezocht met enige musea in Oostfriesland om zo te proberen meer over dit knipwerk en de maker, Theodoor Breeland, te weten te komen.

Aanwinst: papiersnijwerk van J. Brasser, Nieuwsbrief 1991-1

Dankzij financiële bijdragen van de J.E. Jurriaanse stichting en het Anjerfonds in Rotterdam kon enige weken geleden een belangrijke aanwinst aan de collectie papierknipsels van onze stichting worden toegevoegd. Het gaat om een papieren snijwerk te Delft gemaakt omstreeks 1780/90 door J. Brasser. Van dezelfde papierkunstenaar kon het Westfries Museum in Hoorn nog maar korte tijd geleden een knipsel aankopen. Het stuk in Hoorn is gesigneerd als Js. Brasser, zodat de voornaam van de kunstenaar Jacobus of Johannes zou kunnen zijn; het Gemeentearchief in Delft kon echter desgevraagd geen verdere gegevens over een knippen snijder Brasser verstrekken, verder onderzoek is dus nodig. Het aangekochte snijwerk van Brasser stelt voor: “Gesigt der Stad Rotter dam van de zyde der Maas te sien” [1] en het is, zoals veel 18de eeuws knip- en snijwerk, gebaseerd op een gedrukt voorbeeld. [2] Gerrit Sibelius maakte deze prent (ca. 1770) naar een tekening van Cornelis Pronk. Pronk reproduceerde op zijn beurt weer een schilderij van Ludolf Bakhuyzen (1631-1708), een marineschilder die in de 17de en 18de eeuw grote bekendheid genoot. Het “Gesigt der Stad Rotterdam” is een uitstekende aanwinst voor het onderdeel papierreliëfknip- en snijwerk van onze stichtingsverzameling, onze dank gaat daarom uit naar de besturen van de fondsen die deze aankoop mogelijk hebben gemaakt.

Door Henk van Ark.

Hernieuwde Papierknipkunst, Knip-Pers 1990-3

Door een aangenaam toeval kwam het Westfries Museum in aanraking met een twaalftal prachtige knipwerken. Dankzij de medewerking van de eigenaar kunnen we alle twaalf stukken de revue laten passeren. Het meest spectaculaire stuk werd gemaakt in de periode dat verschillende Nederlandse knipkunstenaars tot buiten onze landsgrenzen bekendheid genoten en in de 17e eeuwse reisverhalen en gedichten werden beschreven, zoals Johanna Koerten, Elisabeth Rijberg en Gilles van Vliet.
Van zowel Rijberg als van Van Vliet werd aangenomen dat geen werken bewaard gebleven waren. Wel zijn er beschrijvingen van hun werken bekend. De heer H. van Ark heeft hier onderzoek naar gedaan en daar ruime aandacht aan besteed in zijn brochure “Zeer uitstekende kurieuze stukken van papier”.
Zo maakte Gilles van Vliet uit Rotterdam “schepen, Paleysen, geheele landschappen, bloemen en kantwerk”. Het zijn schepen die in het 17e eeuwse stuk zijn verwerkt. Een zeegezicht met twee schepen op zee, een pinas en een jacht. Het stuk is vervaardigd in de voor de 17e eeuw gebruikelijke technieken, waarschijnlijk met een scherpe ganzeveer gesneden en tot in de kleinste details uitgevoerd. Verrassend is ondanks dat het stuk een ‘platte’ indruk maakt, het op verschillende plaatsen vanuit de achtergrond is opgewerkt, waardoor sommige delen driedimensionaal zijn. Het snijwerk is in verschillende kleuren uitgevoerd. De ‘spiegel’ (achterkant) van het scheepje rechts, is een prachtig voorbeeld van zeer fijn snijwerk en doet denken aan kant. Het schip links draagt de naam “De Faem” en is qua snijwerk eenvoudiger van uitvoering dan het andere schip.

In verschillende reisbeschrijvingen uit die tijd, wordt de 17e eeuwse papierknipkunst beschreven als een bezienswaardigheid. En dit stuk kan dan ook als zo’n bezienswaardigheid gezien worden. De grootste verrassing is echter de signatuur linksonder “G V Vliet, 168(5)”.
Gilles van Vliet, geboren te Rotterdam in ca. 1635-40, beoefende de papierknipkunst als tijdspassering en verkocht zijn stukken niet. Het jaar waarin hij dit zeegezicht gemaakt zal hebben is niet helemaal duidelijk. Het schip “De Faem” blijkt een VOC-schip van de Kamer Amsterdam te zijn en aldaar in 1682 gebouwd. De eerste reis werd in 1683 vanuit Texel ondernomen en voerde naar Batavia en Bengalen. In 1691 vertrok het schip vanuit Bengalen naar Goeree. Gilles van Vliet kende Amsterdam, want hij heeft er korte tijd gewoond. Ook zijn beroep van wijnkoper maakt het aannemelijk dat hij wel eens naar Amsterdam reis de. Maar of hij De Faem ook in werkelijkheid heeft aanschouwd blijft een vraag teken, want hij kan dit werkstuk natuurlijk ook gemaakt hebben naar een reeds bestaande afbeelding. De onduidelijkheid over de juiste datering doet niets af aan het feit dat er én Gilles van Vliet bewaard gebleven is en ons laat zien hoe men in de 17e eeuw snijwerk vervaardigde.

Een ander uniek voorbeeld van de 17e eeuwse snijkunst is een landschap, in 1788 vervaardigd doorBrasser, Jacobus Js. Brasser uit Delft. Het stuk is dus een eeuw later gemaakt, maar vervaardigd volgens de 17e eeuwse technieken. De maker vermeldde aan de achterzijde:
“Dit op ‘t fijnste carton uytgestipt en opgelicht; dog op wat manier, is een geheym”.

Een erg groot geheim is het niet, want in een reisbeschrijving van J.M.Misson, uitgegeven in Duitsland in 1688, staat beschreven hoe zo’n snijwerk tot stand kwam.
Met “uytgestipt” wordt bedoeld het met een zeer fijn gesneden ganzeveer of mesje insnijden van karton, waardoor laagjes ontstaan. Met “opgelicht” wordt bedoeld dat na de insnijding het laagje papier met een punt van een mesje wat wordt opgetild. Waarschijnlijk heeft Brasser na de insnijdingen het stuk direkt geschilderd, waardoor de laagjes wat dikker zijn geworden en dus iets meer om hoog komen. Ook kon hij op die manier de scheiding tussen fond en verhoging wat wegwerken. Door middel van het wegsnijden van een laagje van het karton, verkreeg hij niveauverschillen, waardoor reliëf ontstond. Het landschapje is wit geschilderd, terwijl de achtergrond in blauw is uitgevoerd.

Werkte Js. Brasser met karton, Gilles van Vliet maakte zijn zeegezicht uit pa pier van verschillende diktes. Van Brasser weten we op dit moment nog weinig. We nemen aan dat hij uit de bekende Delftse familie Brasser komt. Naar deze familie is in Delft een straat genoemd.

Door Tonny Jurriaans , Westfries Museum

Afbeeldingen

  1. Zeegezicht door Gilles van Vliet, 1683 of 1688. Collectie antiquair Mark Douma, Amsterdam.
  2. Landschap door Js. Brasser, fecit 1788 te Delft. Collectie Westfries Museum te Hoorn.