Auteursarchief: admin

Wiecher Lever als silhouettist, Papyria 7

Vanaf de zomer van 1950 was Wiecher Lever werkzaam als professioneel papierknipkunstenaar. Kort voordat hij deze gewaagde stap maakte schreef Het Vrije Volk daarover [1] “Zelf noemt hij het nu nog liefhebberij. Zijn eigenlijk beroep is immers reiziger. Maar aanstonds zal hij noodgedwongen in de knipkunst zijn bestaan moeten zoeken. Lever heeft er nu niet bepaald een hard hoofd in, maar toch de kunst wordt niet meer zo rijk beloond en ook al is hij met zijn knipsels beslist niet duur, de guldentjes zijn dat tegenwoordig wel. En daarom zal hij nog meer lezingen gaan houden, nog meer gaan exposeren en bovendien lesgeven“.

Lever had natuurlijk de nodige ervaring. Hij knipte al sinds zijn jeugd, gaf vanaf 1946 demonstraties in het Openluchtmuseum in Arnhem en op diverse (hobby)beurzen. Daar verkocht hij ook werk en kwam in contact met bezoekers die knipkunst thuis hadden. Dat laatste deed zich ook voor bij zijn beroep als reiziger/vertegenwoordiger: “Als vertegenwoordiger kwam Wiecher Lever in tientallen woningen, waar hij oude knipsels vond, die ter gelegenheid van een huwelijk of een geboorte waren gemaakt, en ook andere uitingen van deze oude volkskunst. Hij merkte al gauw, dat deze mensen bijzonder op deze wandversieringen waren gesteld. Wanneer ze die niet wilde afstaan, ging vertegenwoordiger Lever ze copieëren en ontwikkelde zo meteen zijn talent, Hij ontdekte dat hij tamelijk gemakkelijk portretten kon knippen en in zijn vrije tijd ging hij naar tentoonstellingen en knipte voor twee kwartjes het silhouet van baardige schippers, zorgzame huismoeders, schooljongens, burgemeesters en bankdirecteuren”[2].

Uit dit citaat blijkt dus dat Lever kennelijk reeds voor 1950 niet alleen het papierknippen goed beheerste, maar ook op het gebied van silhouetknippen al de nodige ervaring moet hebben gehad. Alleen voorbeelden van dat vroege werk hebben we tot nu toe niet onder ogen gehad, en we hebben ook geen foto’s gezien waarop hij voor 1950 als portretknipper bezig is. Hoe goed hij hierin inmiddels was in juli 1950 wordt duidelijk uit enige krantenknipsels die voorkomen in een plakboek dat hij samenstelde van april 1946 tot mei 1956. We zien silhouetten geknipt op “Scheppende Handen”. Het silhouet van de Commissaris der Koningin kunnen we vergelijken met de foto waarop Lever knippend bezig is dat portret te maken. Het lijkt zeer geslaagd. Verder de portretten van de fotograaf en de verslaggever van de krant [3].

  

Lever knipte meestal de schrijvers van kranten- en tijdschriftenartikelen, vele ervan lieten hun portret afbeelden bij hun artikel over de vaardige knipper en zijn werk. Meestal ging het om een goed profielportret, maar een aardige karikatuur werd door sommigen ook gewaardeerd. Zo noteerde Gabriel Smit over zijn portret: “Een zwart stukje papier, het bekende knipgeluid, dertig, veertig seconden en “Kijk daar bent u. Inderdaad een keurig silhouet. Maar een caricatuur is nog aardiger. Dat maak ik ook. U bent zeker van de krant? Kan ik zien, altijd haast, vliegen, vliegen. Ik zal proberen of ik dat uitdrukken kan. Ja, het gaat wel, denk ik. Zo daar bent u…Kijk maar” [4] (afb 3 en 4).

 

Journalisten, Lever had er veel mee te maken en hij had ze nodig, zoals hij zou zeggen “om propagandistische redenen”, Hij pakte ze graag in met smakelijke verhalen, die we dan ook steeds weinig verschillend van elkaar in bewaarde artikelen tegen komen, of met een snel geknipt silhouet. Nog een voorbeeld van deze Lever aanpak.’ “Dag meneer, kom d’r in! U bent van de krant vanzelf. Ja, ja dat kan ik zien. Ik zie het aan uw neus, meneer. Ik heb in mijn leven al honderden journalisten op bezoek gehad en zodoende haal ik ze overal uit. Heus ik kan het zien…“[5]. Lever portretteerde deze journalist van het Vrije Volk niet alleen, hij vertelde hem ook trots over zijn knipprestaties: “In Amsterdam heb ik laatste in een avond 127 portretten geknipt en enige tijd later knipte ik er 1700 In 9 dagen”. Dat moet ongetwijfeld op de Huishoudbeurs zijn gebeurd, die hij jarenlang met veel succes bezocht.

 

 

Het knippen van grote reeksen silhouetten, Lever was er een meester in. Hij kon (zie het portret van de Commissaris der Koningin in 1950) dat zeer goed en door een profiel eenvoudiger uit te voeren kon hij veel meer portretten per uur knippen. Daarvoor gebruikte hij de methode die hij beschreef in het concept van een tweede boekje over knipkunst dat hij in 1954 samenstelde. Hij schreef:  “Dan wordt met een paar knippen het geheel (= het silhouet, HvA) afgesneden. Zie bijgevoegde illustratie. Algemeen wordt vaak een boord er dan bijgeknipt, door op deze plaats het portret open te werken, eerst deed ik het ook maar kwam hiervan terug, omdat het silhouet schaduwbeeld wil zijn, en daarnaast omdat boord en das afleiden van de hoofdzaak in een silhouet, n.l. de gevoeligheidsuitdrukking in en om de mond. Wel knip ik er steeds een bril uit. Silhouetknippen is vooral werk van ritme, die bij veel knippers vanzelf verkregen wordt”.

 

Opgemerkt moet daarbij worden dat zo’n, bewust beperkt gehouden, silhouet een groot voordeel kent. Er kon sneller worden geknipt, zodat per optreden een grotere productie worden behaald. De door Lever zelf aangereikte aantallen maken duidelijk dat hij door gebruik van deze methode en zijn enorme vaardigheid dit ook daadwerkelijk kon realiseren. Bij een evenement als de Huishoudbeurs of een andere manifestatie, waarbij voor een broodknipper goed geld te verdienen was, was dat natuurlijk een groot voordeel. Dat gold ook bij het portretteren van grote gezelschappen, bijvoorbeeld in zijn museum of bij optredens in opdracht.

Een prachtig voorbeeld daarvan konden we kort voor de verhuizing van onze stichting naar Zuidhorn in Rasquert bekijken. Een dorpsgenote liet ons haar huwelijksalbum zien met een grote reeks, door Lever vervaardigde, silhouetten. Anne Marie van Helsdingen trouwde op zaterdag 13 juni 1964 in de stad Groningen. De receptie werd gehouden op het adres Praediniussingel 25. Daar legde Lever bruidspaar en gasten vast en profil. Het bruidspaar beeldde hij af met corsage en dit paar staat vanzelfsprekend centraal in het album. Er omheen op verschillende pagina’s portretten van 115 gasten, waarvan één in caricatuur. De reeks wordt afgesloten met het zelfportret van de knipkunstenaar, zijn handtekening en vermelding van de datum van de feestelijke bijeenkomst.

  

  

Door Henk van Ark

Noten

1, [K. Schwieters], “Wiecher Tjeerd Lever-de tovenaar met het schaartje”, Het Vrije Volk, 18 maart 1950.

  1. “Knipkunstenaar Lever schiep Knipmuseum in Roden”, Friesch Dagblad, 5 juni 1963; ook gepubliceerd in: Harener Weekblad (31 mei 1963) en De Rotterdammer (8 juni 1963).
  2. Kollummer Courant, 14juli 1950.
  3. G(abriël) S(mit), “Dat ben ik, geiaagd en wel”, De Volkskrant, 2 september 1950.
  4. “W. Tj. Lever op expositie “Zes van ‘t Singel (…)“, Het Vrije Volk, 14 maart 1963.
  5. “Kant- en knipwerk op de huishoudbeurs”, De Volkskrant, 27 maart 1953.
  6. Het manuscript (1954) had als titel “Knippen als Volkskunst”. Het was bedoeld als Levers tweede lesboekje (na “Op nieuwe wijs, naar oude trant” (1952)). Hierin wordt de Lever methode van silhouetknippen beschreven. Zie ook: Henk van Ark, Wiecher Tjeert Lever (1917-1982). Een kunstenaarsleven in knipsels, Rasquert 2010, p. 46-51.

Physognomie en profielknipkunst, Papyria 7

Tot de verzameling van de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Utrecht behoort het boekje “Phisiognomische Almanach voor de beminnaars der gelaatkunde voor ‘t jaar 1781(. . .)“. Deze uitgave verscheen bij Arend Stubbe die in Utrecht een boekwinkel op de Oude Gracht bij de Hamburgerbrug had, maar ook wel eens met een kraam op de jaarmarkt (1789) stond [1]. De publicatie van deze Almanak, die in drie jaargangen is verschenen was een teken van de groeiende populariteit van de psysiognomiekunde vanaf 1775. Die physiognomiekunde werd enorm gestimuleerd door het werk van de Zwitserse theoloog Johann Caspar Lavater (1741-1801).

Hij publiceerde in vier delen zijn “Physiognomische Fragmente zur Beforderung der Menschenkenntniss und Menschenliebe” (1775-1778), een uitgave die de waardering voor de gelaatkunde bij de meeste Duitse (en andere) intellectuelen radicaal deed omslaan. Dat kwam mede omdat Lavater in een tijd van veel interessante wetenschappelijke ontwikkelingen zijn physiognomie presenteerde als de allesomvattende menswetenschap waarop men zo lang had gewacht. Maar, zo stelt Schoonenboom [2] Lavaters fysiognomiek zou nooit die graad van populariteit hebben behaald als zijn persoon bij velen niet zo tot de verbeelding zou hebben gesproken. Hij was een charismatische held voor de jonge Goethe, Jacobus Bellamy en Willem Bilderdijk. Deze “vrienden” behoorden tot zijn grote Europese netwerk. Aan invloedrijke contacten werd hij ook geholpen door hooggeplaatste dames, ook in Nederland, die vaak gastvrouwen van salons waren, waar intellectuelen elkaar konden ontmoeten. Voor dat publiek waren de kostbare “Physiognomische Fragmente” in de eerste plaats bedoeld.

De eerste plaatsen waar men volgens Lavateriaans concept elkaar “physiognomeerde” waren de selecte gezelschappen van internationaal georiënteerde geleerden, literatoren en kunstenaars, Al rond 1774 ontstonden, al weer volgens Schoonenboom, onder de Nederlandse elite heuse Lavaterkringen, zoals bij het literaire genootschap Dulces in Utrecht en in het kasteel van barones Margriet van Essen. Ook in gerenommeerde geleerdengenootschappen als Felix Meritis en Concordia et Libertate werden regelmatig lezingen over de gelaatkunde gehouden. De physiognomiekunde vond door die genootschappencultuur in de Republiek een brede verspreiding. Via gezelschappen kwam de fysiognomiek onder de aandacht van de “gewone man”. Zo werd door een groot aantal leesgezelschappen de uitgave “Over de physiognomie” collectief aangeschaft. Hiermee hoopten de leden -conform het Verlichtingsideaal- zich geestelijk te verheffen en de maatschappij te verbeteren. Zo werd de gelaatkunde meer en meer onderdeel van het dagelijkse sociale verkeer van veel mensen, en dat dus al heel snel na de uitgave van de “Fragmente” van Lavater.

  

Dat blijkt niet alleen uit het publiceren van de “Physiognomische Almanach” in 1781 en daarna, maar ook uit de “Handleiding tot de Physiognomiekunde (2 delen, A. en Zoon, Dordrecht 1780-1782) en “Over de Physiognomie”(4 delen, Johannes Allart, Amsterdam, 1781-1784). De twee delen van de “Handleiding” konden we in de jaren negentig aankopen op een boekenveiling in Haarlem. Deel 1 (in tweede druk) van de Allartuitgave verkregen we op de veiling van het voormalige Nederlands Museum van Knipkunst in Amsterdam (7 november 1988). In Amsterdam konden we toen ook -geheel onverwacht een reeks mooie silhouetportretten van Schmetterling en het bijzondere boekje over de wederwaardigheden van een silhouettist in handen krijgen.

Voor ons betekende de aankoop van de door Schmetterling gemaakte silhouetten en de verschillende boeken niet alleen een mooie aanwinst, maar ook de aanleiding om ons ook meer te gaan richten op de geschiedenis van de silhouetkunst in Nederland Hetzelfde gold overigens ook voor de vroege aankoop van enige papieren bavelaars en reliëfknipwerk. Ook dit, in onze visie, wat onderbelichte onderdeel van de algemene geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst kwam daardoor sterker in onze belangstelling te staan. Voeg daarbij nog de succesvolle schimmententoonstelling in Atelier Tobia Lever in 1988 en de verwerving van een compleet schimmenspel van Frans ter Gast begin jaren negentig en het programma voor tentoonstellingen, onderzoek en publicaties van de stichting en later ons museum stond in grote lijnen vast.

Terug naar het silhouetteren. Zoals al geschreven, de uitgave van de “Physiognomische Almanach” toonde al aan dat het physiognomeren en silhouetteren niet meer voorbehouden was aan een intellectuele elite. Nee, de gelaatkunde was onderdeel geworden van het dagelijks verkeer van veel mensen. Schoonenboom [5] verwoord dat aldus: het “physiognomeren” was de straat op gegaan. De theorie was in de “Almanach” beperkt, het ging vooral om de toepasbaarheid in trekschuit of koffiehuis. Tussen de aankondigingen van markten, de vertrektijden van schepen, enz. werden enkele praktijkvoorbeelden gegeven, bijvoorbeeld hoe men een boer van een “fatsoenlijke” man kon onderscheiden. Heel geschikt waren daarvoor ook kleine boekjes waarmee snel het physiognomeren kon worden beoefend.

  

Alleen al in Frankrijk bestonden een twaalftal titels, zoals “Le Lavater portatif’, “Le Lavater Moral” en “Le Lavater des Dames”, elk in een groot aantal drukken. Ter uitbreiding van onze collectie kochten we in 1992 een exemplaar van “Le Lavater portatif’ (6e druk, Parijs 1815) in 1999 gevolgd door “Le Lavater des Dames (5de druk, Parijs 1831). Beide boekjes zijn uitvoerig geillustreerd met profiels in stippelgravure, ingekleurd met de hand.

  

Met deze toevoeging aan de collectie was het mogelijk samen met de al beschikbare nieuwere silhouetten een afdoend verhaal over de silhouetkunst aan museumbezoekers (individueel of in groepsverband) te vertellen. Daarbij werd natuurlijk Etienne de Silhouette, de naamgever van de zwarte profielportretten, niet vergeten. (afb. 9-11).

  

De gelaatkunde verdween in de negentiende eeuw niet. De physiognomiek speelde samen met de schedelleer een rol in de ontwikkeling van de opkomende psychiatrie, criminologie (Lombroso!) en fysiologische antropologie aanvankelijk nog wel een rol, al snel werd het (laten) maken van silhouetten een goedkope manier een goedgelijkend portret te produceren, dat kon worden bewaard als herinnering of toegestuurd aan familie en/of kennissen. De opkomst van het toerisme en het houden van vele belangrijke tentoonstellingen vanaf het eind van de 19de eeuw bevorderden dit gebruik ten zeerste.

  

Door Henk van Ark

Noten

  1. Jeroen Salman, “Over omlopers, liedjeszangers en marktkramers: drukwerk in de straten van Utrecht in de zeventiende en achttiende eeuw”, in: Marco van Egmond e.a., Bijzonder Onderzoek Een ontdekkingsreis door de Bijzondere Collecties van de Universiteits Bibliotheek Utrecht, Utrecht 2009, p. 62-65.
  2. Merlijn Schoonenboom, “De neus als bron van zelfkennis. Over de wonderlijkste episode in de geschiedenis van het gezicht”, in: Patrick Allegaert, e.a., Het hoofd ten voeten uit, Utrecht/Gent 2009, p. 79-123.
  3. Afgebeeld in: Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt voor Papier, Zutphen 2007, p. 64., afb. 39.
  4. [G. Paape} Beknopt en duidelijk Onderwijs in het Silhouëtteeren, Dordrecht 1792, zie: Henk van Ark, “Portretten en Schimmen bij Gerrit Paape”, in: Uit het Wonderrjk der Schimmen, Rasquert 2012, p. 43-49.
  5. Merlijn Schoonenboom, “Het leesbare lichaam of: Hoe men tussen 1800 en 1850 probeerde het karakter te ontdekken via het lichaam”, in: Ronald de Leeuw, e.a., Meesters van de Romantiek Nederlandse kunstenaars 1800-1850, Zwolle 2005, p. 30-32.

Een papieren monument voor een gesneuvelde patriot, Papyria 7

 

C.G. Visscher, afbeelding CMU

Op dit moment (april 2014) is in het Centraal Museum in Utrecht een interessant papieren monument te bekijken. Het is een papieren bavelaar die getoond wordt in het kader van de tentoonstelling “Dit is het Centraal Museum. Topstukken uit vijf collecties”, die loopt tot 29 september 2012. De kennismaking met dit geëxposeerde werk was voor ons een aangename verrassing. We kenden het kunstwerk, gemaakt door Jan van Kerchem, wel uit de vermelding ervan in “Geknipt”[1], maar waarschijnlijk is het de eerste keer dat het wordt tentoongesteld. Toch behoort het al lange tijd tot de collectie van het Utrechtse museum. Het is een schenking van voor 1878, die in diverse oude museumcatalogi is opgenomen [2].

Frans Grijzenhout gebruikt in zijn vermelding van het stuk de beschrijving die aanwezig is in de Catalogus van de Historische Afdeling (nr.275) [3], Tijdens het schrijven van zijn bijdrage (1987) was het monument echter onvindbaar in het museumdepot. Inmiddels is het dus opgeduikeld en wordt het zelfs gepresenteerd als “topstuk” uit de verzameling. De beschrijving is als volgt:
“In een nis staat de graftombe, waarachter zich een pyramide verheft, beide versierd met krijgstropheeën en symbolen van den dood; links een knielende figuur met opgeheven handen en het familiewapen van Visscher. Op de pyramide hangt een medaillon met de naam Visscher. Op de voorzijde van de tombe het volgende vers van de hand van MC. van Hall: “Bataven! Ziet en schreyt… ‘t is Visscher die hier Rust. Door ‘t lood der dwingelandy te vroeg ter aarde ontd[r]aagen. De Dood heeft, tot uw Smart, zijn levenslamp gebluscht. Opdat hij voor Gods throon Tyrannen aan zou klagen; Volgt hem in ‘t helden Spoor…: hy stierf een dood zoo vry. Leeft als Bataven past!… Sterft eens zoo grootsch als hy!” De nis is ter weerszijde met krijgstropheeën behangen en van boven bekroond met een guirlande “.

Het papieren monument is een gedenkstuk voor Mr. Cornelis Govert Visscher (1764-1787) die als patriot lid was van de revolutionaire vroedschap in de stad Utrecht en kapitein- luitenant van de schutterscompagnie Turkyen. Visscher sneuvelde, samen met kanonnier Robertus van der Vlerk, in een treffen dat op 9 mei 1787 aan de Vaartse Rijn bij Juthaas plaatsvond met het Staatse regiment van graaf Van Efferen. Deze gebeurtenis is de geschiedenis in is gegaan als de “Slag bij Vreeswijk” een gevecht dat door de patriotten en ook in latere publicaties daarover behoorlijk is opgeklopt [4].

 

Na afloop van het treffen werden de persoonlijke eigendommen van de gesneuvelden op het slagveld verzameld en als relikwieën meegenomen. Deze voorwerpen, nu in bezit van het Centraal Museum, (patriotten insignes, een vrijheidshoed, met bloed besmeurde sjerpen, draagbanden met het Utrechtse stadswapen, de pluim van een steek, zijden linten, haarlokken en een kruithoorn) zijn in het Utrechtse stadhuis tentoongesteld. Beide slachtoffers kregen een heldenbegrafenis, waarbij een lange stoet van rouwkoetsen door de stad trok.

Grijzenhout is van mening dat deze gebeurtenis in de geschiedenis van het Utrechtse patriottisme misschien niet het belangrijkste, maar wel het spectaculairste moment is geweest. Dat er van patriotse zijde slachtoffers waren gevallen maakte diepe indruk in de Republiek. Al snel verschenen diverse portretten in gravure en gedrukte allegorieën.

 

Kanonnier Van der Vlerk werd “met de gewone militaire honneurs” begraven in de Weeskerk, Visscher werd begraven in de Buurkerk. In zijn begrafenissstoet liepen leden van de vroedschap, commissarissen van het van het defensiewezen, de schutters, artilleristen van de stad en vele anderen mee.

De begrafenis van mr. Cornelis Govert Visscher

De raad van Utrecht besloot een penning te laten vervaardigen ter herinnering aan de triomf hij Vreeswijk. Verschillende tekeningen hiervoor werden aan de vroedschap voorgelegd waaruit een keuze werd gemaakt. Maar men vond dat niet voldoende. Daags na de slag werd al besloten dat op stadskosten “een monument met eene gepaste inscriptie” te laten vervaardigen en te doen plaatsen bij de grafkelder van Visscher en een inscriptie op een bord bij de begraafplaats van Van der Vlerk. Enige weken later werd in de raad meegedeeld dat de familie van de overleden Visscher een aanbod had geaccepteerd van de Franse marquisin de Chatenai, om een monument “ten haarer kosten ter eere van dien ongelukkig gesneuvelden vaderlander by deszelfs graf te laten vervaardigen”. Toch meende de vroedschap dat men van stadswege “ook eenig monument, ofschoon niet even kostbaar als het bovengenoemden, behoorde te laten in gereedheid brengen “. En het gedachtenisbord voor Van der Vlerk kwam er, dat lag anders bij het Visschermonument.

In zijn artikel probeert Grijzenhout te duiden wie de opdrachtgeefster van het privé monument, markiezin de Chatenai, geweest zou kunnen zijn. Het zou kunnen gaan om Albertine Elisabeth die in 1779 huwde met Jean Louis Quentin de Richebourg, markies de Champcenetz. Echter, noch van een monument betaald door de markiezin, noch dat van stadswege is iets terecht gekomen. Ook weten we niet of er daadwerkelijk ontwerpen zijn gemaakt voor deze monumenten. In de catalogus van het Centraal Museum en op de nu lopende expositie wordt de bavelaar van Van Kerchem genoemd: “Ontwerp van het grafmonument van Mr. C. G. Visscher”. Grijzenhout, die het papieren kunststuk destijds niet zelf heeft kunnen bekijken merkt op: “de uitvoerigheid van de beschrijving laat desondanks wel ruimte tot de conclusie dat dit ontwerp -als het al een ontwerp is en niet een gefantaseerd grafmonument zoals er in die jaren ook zo vele in gravure verschenen- als zodanig bedoeld was”. De twijfel van de onderzoeker is te begrijpen. Van een ontwerp dat vrij snel moest worden gemaakt en beoordeeld zou eerder een tekening kunnen worden verwacht. Het kan natuurlijk ook zijn dat, nadat was gebleken dat het mede door de verandering van de politieke situatie het niet van een monument zou komen, de oorspronkelijke opdrachtgeefster of de familie ter herinnering dan maar een monument op kleine schaal in papierreliëf heeft laten maken. In dat geval is het papieren kunststuk goed te vergelijken met werk van Johannes Reygers (1767-1849). Deze leraar en leermeester tekenkunde aan de Middelburgse Teekenacademie is bekend van vele papieren monumentale gedenkstukken en ook een maritieme voorstelling. Een goed voorbeeld in dit verband is de tombe die hij maakte voor Johanna Carolina Vieman (1809).

De maker van het Visscher monument was Jan van Kerchem, een ons niet geheel onbekende papierkunstenaar, waarvan we helaas tot nu toe maar weinig weten. Al in 1990 voerden we een kort literatuuronderzoek uit om meer gegevens over deze knipper te achterhalen. Dit naar aanleiding van de aankoop van een prachtige bavelaar met maritieme voorstelling door het Westfries Museum in Hoorn.

Maar het leverde weinig op, Van Kerchem bleek de stiefvader te zijn van Gerardus Wiggers van Kerchem (1767-1872), die eveneens knipte. Maar dat was het dan ook. Voor Van Kerchem geldt, net zoals dat op gaat voor vele andere papierkunstenaars uit het verleden, dat we gezien de kwaliteit van hun kunstwerken graag veel meer zouden willen weten over hun leven en werk. Om dat te realiseren is daarvoor echter veel meer onderzoek en onderzoekstijd nodig, tenzij toevallige treffers nog eens wat op zullen leveren. Met name door lokaal onderzoek zouden wellicht nog nieuwe gegevens kunnen worden opgespoord.

Door Henk van Ark

Noten

  1. Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt! (…), Zutphen 2008, Lexicon, p. 184; P.A.Scheen Lexicon NBK 1750-1880. ‘s-Gravenhage 1981, 583-584.
  2. Catalogus van het Museum van Oudheden, (1878) nr. 171. Catalogus van het Museum van Oudheden, 1904, nr. 3331; Catalogus van het Historisch Museum der Stad, z.j., nr. 275
  3. Frans Grijzenhout, “De Utrechtse patriottenbeweging en de kunst”, in: T. J. Hoekstra, e.a. “O. Vrijheid! Onverveerbaar pand. Aspecten van de patriottenbeweging in stad en gewest Utrecht”, Jaarboek Oud Utrecht (1987), p. 78-114.
  4. W.J.Angenent, “Het gevecht bij Vreeswijk 9 mei 1787”, Jaarboek Oud Utrecht (1987), p. 156-188.
  5. Henk van Ark, “Papieren gedenkstukken voor Lodewijk Napoleon”, Welkom in Papyria, 6 (2013), p. 26, noot 3.
  6. Zie noot 1.

Uit kleine arbeid, grote roem, Papyria 7

In het plakboek met kranten- en tijdschriftknipsels dat Wiecher Lever heeft bijgehouden van 1946 tot 1955 bevinden zich drie artikelen uit het jaar 1949. Het grootste daarvan komt uit het Fries Dagblad (19 oktober 1949) en is geschreven door Kl. v.d. Veen.

Als kop heeft dit stuk “Oude schaarkunst herleefd/Uit kleine arbeid groote roem/De heer LEVER uit Muntendam weet er van mee te knippen”. Aan het einde van het artikel schrijft Van der Veen: “Door verschillende kunstcritici wordt de heer Lever’s knipwerk ten voeten uit geprezen, ja zelfs, de grootste knipkunstenaar van deze tijd genoemd. Dat is ook geen wonder. Onze waardering voor zijn werk steeg naarmate hij ons meer van zijn werken liet zien. In tenui labor, attenui non gloria. Uit kleine arbeid grote roem staat er boven dit artikel. In tenui labor, attenul non gloria. Zo is het. Een paar gewone mensenhanden, een paar scherpe ogen. Daarbij een heel klein, scherp geslepen schaartje. Schaarkunst. De geschiedenis heeft bewezen, dat de knipkunst een grote plaats in het mensenhart heeft ingenomen. Zij is het waard. Evenals haar beoefenaars het waard zijn. Niet voor niets schreef eens Maria Garnier aan “het schaartje van Juffrou Johanna Blok, gebooren Koerten: Sneedig schaartje, scherp geslepen,/waar mee ‘t meer geslepen brein,/Grote wondren doet in het klein“.

Journalist V.d. Veen heeft de tekst “Uit kleine arbeid, grote roem” ongetwijfeld ontleend aan het artikel “Papieren snijkunst, vroeger en nu”, dat een jaar ervoor was gepubliceerd door Catharina van de Graft.

 

Mogelijk kende hij dat artikel al, meer voor de hand ligt dat Wiecher Lever hem hierop heeft gewezen. Die had namelijk de drie nummers van het tijdschrift “Historia”, waarin drie artikelen over knipkunst zijn verschenen, in zijn bezit [1]. Boven het artikel van Van de Graft is een tekening van Jan Goeree (1670-1731) in de vorm van een vignet afgebeeld voorkomend onder een gedicht van predikant Johannes Vollenhove, dat opgedragen is aan Johanna Koerten-Blok.

Van de Graft heeft deze afbeelding van de titel “het kabinet van een knipprentenverzamelaar” voorzien, maar in 1997 heeft Robert-Jan te Rijdt duidelijk gemaakt dat het hier geleerden betreft die opgezette insecten bestuderen, de kleinste maar daardoor tevens meest wonderlijke creaties van de Schepper [2], Te Rijdt stelt echter dat deze (en een andere) tekening van Goeree geen verwijzing naar de knipsels van Joanna Koerten bevat, maar indirect is dat natuurlijk wel zo. De kleine insecten staan als het ware voor het kleine, ragfijne knipwerk van Koerten en zij wist hiermee grote roem te bereiken. Dat geleerde heren in antieke gewaden dit nauwkeurig en bewonderend bestudeerden was hoe Joanna en haar man Adriaan Blok het graag zagen.

Het artikel van Van de Graft uit 1948 is het laatste van drie stukken die zij aan knipkunst wijdde in het tijdschrift “Historia”,

Van huis uit was Cornelia Catharina van de Graft (1874-1969) geen kunsthistorica, maar neerlandica [3].

Zij promoveerde in 1904 bij prof. Jan te Winkel op een studie over Middeleeuwse historieliederen, maar ze is vooral bekend geworden als volkskundige. Al in 1910 verscheen haar publicatie “Palmpaasch, een folkloristische studie van palmzondaggebruiken in Nederland”.Verder had zij grote belangstelling voor de pemmatologie, het onderzoek van brood- en gebaksvormen, en Vondel, wat leidde tot diverse publicaties, waaronder de voor de geschiedenis van de knipkunst interessante uitgave “A Block, Vondels nicht en vriendin” (1943).
Van de Graft, afkomstig uit het Zeeuwse Tholen, woonde vanaf 1900 in Utrecht waar zij een belangrijke en geziene figuur in het culturele leven werd.
In 1933 werd zij lid van de afdeling Utrecht van de soroptimisten, waar zij jonkvrouwe Dr. C.H.de Jonge van het Centraal Museum ontmoette. Voor het Centraal Museum organiseerde zij in 1946 de tentoonstelling “Papieren Knipwerk”. Gesuggereerd is dat Van de Graft geïnteresseerd raakte in het onderwerp knipkunst door haar studie van Agnes Block, die behalve een befaamd plantenkweekster ook papierknipster was. Maar aangetoond is dat niet, het kan goed zijn dat Van de Graft door belangstelling voor volkskunde en volkskunst hiervoor al veel eerder interesse heeft opgevat. Zo verschenen er reeds in de jaren tien (1910, 1915) enige interessante artikelen over het onderwerp, waarvan zij bij het schrijven van haar stukken voor “Historia” gebruik heeft gemaakt. Het belangrijkste daarvan is het stuk van Van Dokkum over Koerten en andere knipkunstenaars [4]. Van Dokkum was net als Van de Graft woonachtig in Utrecht en maakte evenals haar deel uit van het culturele leven aldaar. Hij was vooral muziekliefhebber/kenner. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat zij elkaar hebben gekend. Hoe dan ook, in haar eerste artikel voor “Historia” wordt nog helemaal niet geschreven over een aanstaande tentoonstelling in het Utrechtse museum.

In dat artikel “Papieren Knipwerk” verzucht de schrijfster aan het einde van het stuk: “…Hoe verheugend zou het zijn als de resultaten van dit onderzoek genoeg opleverden om nu eens een groote tentoonstelling van knipwerk te organiseeren… “. In het tweede artikel van Van de Graft (“Geknipte Familiewapenen” (afb. 8)) wordt zo’n tentoonstelling echter al aangekondigd en er wordt een beroep op de lezers gedaan om gegevens over vooral knipwerk in particulier bezit beschikbaar te stellen. In ieder geval moet de beslissing over het organiseren van de expositie nog maar kort voor oktober zijn genomen, mogelijk in de zomer van 1946. Die tentoonstelling was ook geen op zichzelf staand project maar een toevoeging aan de expositie “Het Nederlandsche Boek in den loop der eeuwen”. Er verscheen geen catalogus, gelukkig is wel een getypte lijst van geëxposeerde werken gewaard gebleven, die echter niet op alle punten volledig en betrouwbaar is.

De tentoonstelling “Papieren Knipwerk” besteedde aandacht aan Nederlandse papierknipkunst uit vier eeuwen [5]. Er was dus ook werk van enige eigentijdse knippers te zien zoals Cruys Voorbergh, Tola Steinhage en Lex Barten. Opvallend is dat Wiecher Lever, in die tijd al behoorlijk actief met het knippen bezig, ontbreekt. De vondst van enige brieven in het archief van het Centraal Museum maakte duidelijk wat hiervan de reden was, Het werk van Lever uit Muntendam werd De Jonge aanbevolen door Mr. W. P. A. Smit, conservator van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem in een brief van 20 september 1946. Lever had in de zomer van 1946 net enige dagen demonstraties papierknippen in dit museum verzorgd. Smit schrijft: “…Zijn knipsels behooren wel niet tot het allerbeste op dit gebied, maar zijn toch als volkskunst niet zonder verdienste… “. Op zich geen onjuist oordeel, want Lever stond in die tijd nog aan het begin van zijn ontwikkeling als knipkunstenaar. Het museum heeft hem kennelijk direct een briefje met circulaire toegestuurd, want Lever bevestigde in een brief van 28 september de ontvangst van een circulaire. Hij wilde graag meedoen aan de expositie maar “Het komt onverwachts en daarom wilde ik gaarne met afzending der knipsels wachten tot het begin der komende week daar ik gaarne met iets nieuws kom… “. En: “… Had ik de circ, 1 maand eerder ontvangen, waarschijnlijk was ik met grooter collectie uitgekomen… “. In dezelfde brief meldde Lever tegen het exposeren van knipwerk op zondag te zijn, hij verzocht daarom “…mijn werk ‘s Zondags weg te nemen… “. Op 2 oktober stuurt hij vervolgens zes, niet ingelijste knipsels naar het Centraal Museum. Zonder lijst versturen vond hij het makkelijkst en bovendien: “…No 6 is een familieplaat die verouderd is doordat een 4e kleine bijgekomen is, waarom deze plaat nooit ingelijst geworden is.., “.

Aardig is dat we dit knipsel nog kennen uit een artikel gepubliceerd in “Het Noorden in Woord en Beeld” van 3 mei 1957. Het museum heeft Lever daarop bericht dat het knipwerk toch op zondag zou worden tentoongesteld, een op zich wel begrijpelijke reactie. De kunstenaar reageerde daarom op 12 oktober kort maar krachtig: “… Uw mededeling omtrent onmogelijkheid, om mijn knipwerk des Zondags niet te exposeeren, tot mijn verwondering ontvangen. Aangezien het hier een geloofsovertuiging betreft heeft deze zaak geen nadere overweging. U bij voorbaat voor Uw moeite dankend, zie ik retourzending der 6 knipsels tegemoet… “. Levers knipwerkjes zijn dus om die reden niet te zien geweest, maar er waren voldoende andere stukken natuurlijk wel aanwezig. En dat is ook het belang van deze tentoonstelling geweest. Het was – een kleine expositie in Haarlem in 1912- even buiten beschouwing latend- de eerste echte tentoonstelling over de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst. Door de informatieve artikelen van Van de Graft in “Historia” werd de waarde van dit goede initiatief nog verder versterkt.

Jakobus Houbraken, Anna Maria Schurman en Joanna Koerten

In 1996 was het vijftig jaar geleden dat de Utrechtse expositie werd gehouden, we wijdden er daarom een reeks van artikelen in onze Nieuwsbrief aan. In haar artikel “Papieren Knipwerk”, dat dus voorafgaande aan de tentoonstelling in het Centraal Museum in het juninummer van “Historia” werd gepubliceerd, schrijft Van de Graft uitvoerig over de 17de eeuwse papierknipkunst. Ze begint met Anna Maria van Schurman (1607-1678), bespreekt het aan haar toegeschreven werk in het museum in Franeker en plaatst terecht kritische vragen over bepaalde vermeldingen van haar biograaf ds. Schotel in 1853. Vervolgens passeert Joanna Koerten (1650-1715) de revue. Van de Graft bespreekt werk van haar hand, belicht het bestaan van het zgn. Stamboek en toont een aardig dubbelportret van Van Schurman en Koerten in rood krijt, gemaakt door Jakob Houbraken.

Zeer veel aandacht krijgt het boekje “Konstig en Vermaakelijk Tyd-Verdryf (…)“ dat in 1686 bij J. ten Hoorn in Amsterdam is verschenen.

J. D. C. van Dokkum maakte al gewag van deze uitgave in zijn artikel “Hanna de Knipster en haar concurrenten (…)“ uit 1915, maar had daar zelf geen exemplaar van kunnen bekijken. Van de Graft wist echter dat zich sinds 1930 zo’n boekje in de bibliotheek van het Rijksmuseum bevond en citeert daar rijkelijk uit, In het artikel “Papieren knip- en snijkunst, vroeger en nu” (1948) schrijft Van de Graft over enige stukken die op de tentoonstelling te zien zijn geweest.

De bewaarde cataloguslijst laat ons zien wat de expositie bezoekers op 17de eeuws gebied heeft geboden.

Allereerst knipsels van Koerten, te beginnen met werken uit de verzameling van J. J. de Flines (nu de familiestichting De Flines): de portretten van Peter de Grote en Frederik III van Brandenburg en de liereman, Ook was het portret van koning-stadhouder Willem III uit de collectie van museum De Lakenhal te Leiden te bekijken.

        

In 1946 gebruikte Van de Graft dit knipsel om in te gaan op de termen opwerk en platwerk: “…De groote kunstwerken van het opwerk werden in lijsten gevat, die aan de achterkant deurtjes hadden. Waarschijnlijk werden deze opengezet om het licht door het werk te laten schijnen. Von Uffenbach verhaalt dat bij doorspelend licht de sneetjes of knipjes schaduwen vormden, zoodat het geheel op een prentwerk geleek, wat in de ogen van Johanna’s tijdgenoten voor een groote verdienste gold. In elk geval werd de voorstelling door het opwerk sterk geaccentueerd…”.

Het werk van Anna Maria van Schurman was op de tentoonstelling slechts vertegenwoordigd met een foto. De getypte lijst vermeldt onder nummer 15 “Familiewapens. O.a. het wapen der fam. Schurman”, Dit zal wel een foto van het wapenknipsel in Museum Martena (voorheen Coopmanshûs) in Franeker zijn geweest. Terug naar Koerten: onder nummer 17 van de lijst vinden we de vermelding van een foto van het titelblad van een boek over “Papieren Snijkunst”, ingezonden door Van de Graft zelf. Niet aangegeven wordt of het hier de versie van Joanna’s lofdichten uit 1735 of 1736 betrof. Onder de nummer 4 t/m 14 vinden we knipsels en Stamboekbladen uit de verzameling van prof. J. Q. van Regteren Altena, waarover in 1994 een interessante bijdrage in de Knip-pers verscheen. Maar dat werk was al vanaf het begin van de 20ste eeuw bekend, Van Dokkum schrijft al over deze knipseltjes in 1915 en veronderstelt dat het vermoedelijk om jeugdwerk van Koerten zou kunnen gaan. Van de Graft bespreekt in haar artikel de geëxposeerde Stamboekbladen, waaronder het exemplaar met het gedicht van Vollenhove met het fraaie vignet door Goeree getekend. Ook moet op de tentoonstelling een schaartje van Joanna Koerten zijn tentoongesteld. Op de cataloguslijst staat dat niet vermeld, maar we zien dat wel op een bewaard bruikleenformulier van mevr. E. van Dockum, waarop ook de door haar ingezonden albumpjes met knipwerk (nr. 57 van de lijst) staan genoemd. Op grond daarvan schreven we in 1996 dat we verwachten dat in de toekomst nog wel het nodige over Koerten zou kunnen opduiken. Die veronderstelling werd eerder bewaarheid dan we konden bevroeden. In 1999 werd Koertens beroemdste knipsel op in veiling in Haarlem aangeboden en konden wij dit unieke kunstwerk (“De twaalf keizers”) voor onze museumverzameling verwerven.

De tentoonstelling in het Centraal Museum toonde veel 18de eeuws knipwerk. De cataloguslijst telt 38 nummers (nr.18 t/m 55, nr.19 is niet ingevuld). Van sommige knipwerken was slechts een foto aanwezig, zoals die van het snijwerk voor de Hoornse familie Carbasius uit het Westfries Museum.

Otto van Voorst, familiewapen van deHoornse familie Carbasius, Westfries Museum

Merkwaardig is dat het familiewapen Ockert/Bredehoff, dat het Utrechtse museum al jaren lang in bruikleen had en waarover Van de Graft schrijft in haar artikel “Geknipte Familiewapenen”, niet voorkomt op de bewaarde expositielijst, tenzij het niet ingevulde nr. 19 hiervoor bedoeld was. Dat het toen niet werd tentoongesteld is nauwelijks voor te stellen. Frappant is dat dit kunstwerk ons ten tijde van het schrijven van de Nieuwsbriefartikelen te koop werd aan geboden. Zo konden we in de Nieuwsbrief met het laatste stuk over de tentoonstelling laten weten dat we dit prachtige kunstwerk aan onze museumcollectie hadden weten toe te voegen.

In ieder geval zijn de in het artikel van Van de Graft afgebeelde en besproken wapenknipsels Van Teylingen/Van Foreest en Van de Berg/Van Teylingen  wel op de expositie te zien geweest.

Onbekende maker, voor Nicolaas Ockerse, met familiewapens voorouders, vóór 1736

Het tweede knipsel, gemaakt in 1722, is van de hand van Frederik Hendrik van Voorst (ca. l660). Ook interessante werken uit Museum Sypesteyn waren aanwezig: “Venus en Adonis met Amor” en het portret uit wit papier van Willem IV en prinses Anna.

J. N. Bastert, conservator van museum Boymans, leverde veel bruiklenen uit eigen bezit en zorgde ook voor twee stukken uit het voormalige Museum van Oudheden: een geboorteknipsel uit 1790 en een bloemenmand in een sierschild.

 

Uit Zaandijk en omgeving kwamen verschillende kunstwerken, zoals het knipsel gemaakt voor Barbertje Taan door J. Walrecht uit 1768 (Zaans Historisch Museum) en het huwelijksknipsel voor Cornelis Honig en Aagje Breet in 1793 (Nederlands Openluchtmuseum).

  

De Alkmaarse doopsgezinde predikant Jan de Bleyker (1707-1783) was op de tentoonstelling vertegenwoordigd met de huwelijksknipsels Huurkamp van der Vinne/Van der Schaft en Koekebakker/Kok, beide uit 1761. Met deze en andere stukken kon de expositie een goede indruk geven van de Nederlandse papierknipkunst en de kwaliteit daarvan in de 18de eeuw.

J. Bleyker

Het 19de eeuwse gedeelte van de tentoonstelling omvatte, tenminste volgens de cataloguslijst, 40 nummers. Ook dit deel van de tentoonstelling was gevarieerd van opzet. Zo waren er een bavelaartje van Anna Strenge-de Frémery en albumpjes met klein knipwerk, maar eveneens gedenkstukken, gemaakt voor Lodewijk Napoleon, van J. H. Reygers (met urn) en C. Schoon (bloemenvaas) uit het Rijksmuseum.

 

Tot de bruiklenen uit het Nederland Openluchtmuseum behoorde eveneens een huwelijksknipsel met de initialen IVA en GBB uit 1805.

Interessant is het stuk, opgedragen aan het genootschap Teyler, waarbij op de cataloguslijst geen maker vermeld staat.

Thomas de Jongh

Dit knipwerk is vervaardigd door Thomas de Jong (1818-1881), wat op ons verzoek werd bevestigd door een onderzoek in de archieven van het Haarlemse genootschap.

J. A. Stompff

Andere 19de eeuwse stukken op de tentoonstelling waren knipsels van J. A. Stompff,

C.S., 1807

het gedenkstuk aan de ontploffingsramp in Leiden te 1807 door C. S.; en het onderstaande knipsel gemaakt voor de Friese landbouwer Piersma door Adam H. de Boer.

Adam Hotzes de Boer

Als nummer 88 en 89 werden knipsels vermeld uit het Stedelijk Museum van Zutphen, werk van Jan Willemsen en R. Koopmans. Dat laatste stuk is echter gemaakt door de kunstenaar die het werk maakte dat tot voor kort werd toegeschreven aan L. Schroeder van Kolk.

Waarschijnlijk gemaakt door Jan Krijgsman voor Rombertus Koopmans

Het 20ste eeuwse deel van de Utrechtse expositie was nogal beperkt. Behalve werk van Cruys Voorbergh waren er knipsels te zien van Jan Visscher, Tola Steinhage, Lex Barten en Gertrud Januszewski. We hebben al vermeld waarom Wiecher Lever uiteindelijk geen bijdrage aan de tentoonstelling wenste te leveren. De cataloguslijst kent nog een aanvulling met vier nagekomen werken, waaronder een knipsel van Roemelé uit het Fries Museum. Catharina van de Graft kijkt in haar artikel “Papieren knip- en snijkunst, vroeger en nu” terug op de tentoonstelling. Zij schrijft: “Een onderzoek naar wat in ons land nog aan papieren knipwerk aanwezig is, bracht ons met onvermoed aantal verzamelingen in aanraking. Veel belangrijker was echter de ontdekking, dat deze oude sierkunst nog altijd met liefdevolle toewijding wordt beoefend. Zelfs in de jongste tijd is een groep van jongeren opgestaan, die deze oude schaarkunst weer tot nieuwe bloei wil brengen”.

En dat bleek inderdaad enige jaren later in 1950 waar op een tentoonstelling in het Coopmanshûs in Franeker al veel meer eigentijdse knippers met werk aanwezig waren. Dit keer ook Wiecher Lever, die zich daar als schaar-hercuul, de Hercules van de knipkunst, wist te presenteren.

Door Henk van Ark

Noten

  1. Catharina van de Graft, “Geknipte Familiewapenen”, Historia, jrg. 11 (1946), p. 113-197; Catharina van de Graft, “Papierknip- en snijkunst, vroeger en nu”; C. Catharina van de Graft, “Papieren knipwerk”, Historia, jrg. 11 (1946) p. 145-155; Historia, jrg. 13 (1948), 145-149.
  2. R. J. A. te Rijdt, “Jan Goeree, het stamboek van Joanna Koerten en de datering ervan”, Delineavit et Sculpsit, 17 (1997), p. 54.
  3. A.T. van der Zeijden, “Cornelia Catharina van de Graft (1874-1969). Volkskundige”, in: J.Aalbers e.a. (red), Utrechtse biografieën, Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Utrechters, Amsterdam/Utrecht (1996) p.67-71; P. J. Meertens, “Cornelia Catharina van de Graft (…)”, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1971-1972,
  4. 143-149; Marie J. Baak, “Aanleg en Arbeid VI. De Vrouw en de studie der Letteren”, De Vrouw en haar Huis, jrg. 22 (1928), p. 194.
  5. Zie hiervoor het artikel “Van Dokkum over Koerten en andere knipkunstenaars”, in: Welkom in Papyria (8).
  6. Deze tentoonstelling is besproken in de Nieuwsbrief (1996 en 1997).

Silhouetten, geknipt op bijzondere tentoonstellingen, Papyria 6

Twee tentoonstellingen uit het verleden trokken dit jaar onze bijzondere aandacht. Dat heeft te maken met onze silhouettencollectie waarin zich enige profielportretten bevinden die op deze exposities zijn gemaakt. Het gaat om de “Indische Tentoonstelling” in Den Haag (1932) en de tentoonstelling “De Vrouw 1813-1913” (1913).

Over de “Indische Tentoonstelling”, die in 1931 werd vooraf gegaan door de “Exposition Coloniale” in Parijs, schreven we al eens in onze nieuwsbrief. Drie silhouetten, één van een heer en twee van een paar, in onze verzameling zijn geknipt op de Parijse tentoonstelling (afb. 1-3). Het laatste paar bezocht kennelijk ook de tentoonstelling in Den Haag, want hun dubbelprofiel komt ook voor op de kaart “Herinnering aan de Indische Tentoonstelling-Den Haag 1932” (afb. 4).

Alle silhouetten zijn gemaakt door Paul Krüger, van wie wij ook een Nenijto profiel in de collectie hebben (afb. 5).
De Haagse tentoonstelling kwam voor ons weer in beeld door een oproep in het tijdschrift “Genealogie”. Daarin werd aangekondigd dat het project “Sporen van Smaragd” het Nederlands-Indische erfgoed in Den Haag uit de periode 1853-1945 in kaart gaat brengen. In dit kader verschenen er in 2013 al een Indische stadskaart en werden er diverse activiteiten georganiseerd, waaronder tentoonstellingen en een publiekssymposium. Eén van die tentoonstellingen was een expositie over “Een onvergetelijk evenement: de Indische Tentoonstelling in het Westbroekpark in 1932” die te bekijken was van 22 mei t/m 2 juni op de Tong Tong Fair op het Haagse Malieveld.

Op die expositie zouden historisch beeldmateriaal uit het Haags Gemeentearchief en bewaard gebleven souvenirs van de tentoonstelling te zien zijn. Het in “Genealogie” opgenomen persbericht van “Sporen van Smaragd” wordt afgesloten met een oproep materiaal voor deze presentatie beschikbaar te stellen.

   

We besloten de tentoonstelling op de Tong Tong Fair te bezoeken en namen het geïllustreerde artikel uit onze nieuwsbrief mee. Deze bijdrage werd door de Organisatie enthousiast ontvangen. Begrijpelijk omdat de tentoonstelling eigenlijk nogal teleurstellend van inhoud was. De presentatie bestond voornamelijk uit enige, op groot formaat geprinte foto’s en de vertoning van filmpjes over het koninklijk bezoek aan de tentoonstellingen in Parijs en Den Haag. Gelukkig werd dit ten dele goedgemaakt door een mooi stuk over de Westbroekparkexpositie in de glossy “Smaragd. Indisch Erfgoed in Den Haag”. Daarin goede afbeeldingen van het tentoonstellingsaffiche, ingang van de expositie, een overzichtsplan en diverse kramen en gebouwen (afb. 6-12). Of de oproep van “Sporen van Smaragd” nog andere zaken heeft opgeleverd vernemen we wellicht nog te zijner tijd. In ieder geval zullen we de activiteiten van deze stichting blijven volgen.

  

   

    

De tentoonstelling “De Vrouw 1813-1913” is in 1913 te Amsterdam gehouden in het kader van de viering Honderd Jaar Koninkrijk der Nederlanden. Ook hierover kwamen we een bericht tegen in “Genealogie” en wel in de column van Els Kloek. Zij schreef daarin onder andere over het werk van vormgeefster Willy Drupsteen (1880-1966), die veel voor deze tentoonstelling heeft betekend. Bij haar stuk werd de fraaie tentoonstellingscatalogus afgebeeld (afb. 13).

afb. 14

In onze collectie hebben we een Vrij groot silhouet dat op deze tentoonstelling is geknipt (afb. 14). De maker is helaas onbekend, vergelijkbare silhouetten hebben we tot nu toe niet onder ogen gehad.

Door Henk van Ark

 

 

 

 

Noten

1.” “Sporen van Smaragd”op de Tong Tong Fair”, Genealogie. Tjjdschrijft voor Familiegeschiedenis, jrg. 19, nummer 1 (maart 2013), p. 6-7.
2. “Kennismaking met Insulinde. Tentoonstellingen en Pasars in Den Haag”, Smaragd. Indisch Erfgoed in Den Haag, Den Haag 2013, p. 20-23.
3. Els Kloek, “Vrouwen en kinderen eerst. Geld en Roem”, Genealogie. Tijdschrift voor Familiegeschiedenis, jrg. 18, nummer 4 (december 2012), p. 36.

Hendrick Berck, een creatieve behanger uit Dordrecht, Papyria 6

In het meestal interessante AVRO tv programma “Tussen Kunst en Kitsch” duikt af en toe weleens een knipsel of een papieren bavelaar op. Dat was ook het geval in de aflevering die werd opgenomen in het MAS (Museum aan de Stroom) in Antwerpen. Dit programma is voor het eerst uitgezonden op 21 november 2012. Getoond werd een grote papieren bavelaar uit particulier bezit, het ging om een prachtige voorstelling van de Amsterdamse Jan Roodenpoorttoren (afb. 1).

afb. 1, Hendrik Berck, detail van de Jan Roodenpoorttoren

De maker van dit kunstwerk was Hendrik Berck, geboren te Dordrecht op 15 december 1792 en aldaar overleden op 19 mei 1876. In de bijdrage die wij over Berck schreven voor het boek “Geknipt” hebben we deze Berck tweemaal vermeld [1]. Allereerst in de opsomming van kunstenaars die vanaf het einde van de 18de eeuw papierreliëfstukken hebben gemaakt. Verder gaven we in dit stuk aan dat Berck een van de weinige kunstenaars is geweest die tot in de jaren zeventig van de 19de eeuw kijkkastjes of driedimensionale papieren voorstellingen hebben gemaakt. Helaas ontbreekt Berck in het kunstenaarslexicon van “Geknipt” [2]. Onze museummedewerkster Atty Broer besteedde in haar brochure van 2002 gelukkig aan Berck al ruime aandacht [3]. Zij deed daarvoor archiefonderzoek, bezocht het depot van Museum van Gijn en bekeek bij particulieren werk van Berck.

Berck bleek een behanger, die in zijn vrije tijd -meestal in de wintermaanden als er weinig werk was- papieren bavelaars vervaardigde. Hij maakte daarbij gebruik van een in onze ogen bijzondere techniek, die door een achterneef van Berck, een kleinzoon van zijn broer Petrus (Pieter) is beschreven. Deze vermeldde namelijk in een schrijven aan jonkheer E. W. C. Six:
“Hij maakte deze schilderijen van gekauwd Hollandsch papier. Dit was liefhebberjiwerk, alleen voor de familie en niet voor de handel“. De deskundige van “Tussen Kunst en Kitsch noemde deze kauwtechniek in zijn bespreking van de getoonde bavelaar. Dit leidde tot enige hilariteit, waarbij de presentatrice van hét programma, zoals wel vaker, komisch bedoelde opmerkingen meende te moeten plaatsen. Toch is dit gegeven voor ons van veel belang omdat rond het maken van papierreliëfwerk nog vele onduidelijkheden bestaan. Tot nu toe was eigenlijk alleen het zogenaamde opwerken (aan de achterzijde opbollen of drijven), het aanbrengen van ribbeltjes en steek- en prikwerk om ruimtelijkheid te suggereren en het natmaken en vormen van papier bekend [4].

Ten tijde van Atty’s onderzoek beschikte het museum in Dordrecht over vijf bavelaars in de collectie. Het ging om een voorstelling met schepen, waaronder een grote driemaster, drie bavelaars van de Spuipoort (afb. 2 en 3) en omgeving en de beschieting door de Fransen in 1813.

afb. 4, Hendrik Berck

Twee andere stukken bevonden zich in particulier bezit: een klein winterlandschap (afb. 4) en de in het tv programma getoonde Jan Roodenpoorttoren. De eigenares was een rechtstreekse nakomeling van Berck. Net als bij andere bavelaars (Broer heeft dat in haar brochure overtuigend aangetoond) moet Berck zich voor deze voorstelling hebben gebaseerd op een tekening of prent. Zij vond een tekening van Jan de Beyer (1703-1785) die een grote overeenkomst heeft met Berck’s bavelaar (afb. 5). De toren is overigens in 1829 al afgebroken wegens bouwvalligheid. De tekening van De Beyer -of een vergelijkbare afbeelding- zal ongetwijfeld in prent zijn omgezet en kon zo door de Dordtse behanger voor het maken van deze fraaie Amsterdamse toren uit papier worden gebruikt.

afb. 5, Gezicht op de Janroodenpoortstoren uit de Atlas van Fouquet

We begonnen dit artikel als reactie op de tv uitzending, maar tijdens het schrijven deden zich nieuwe, verrassende ontwikkelingen voor. Er meldde zich een bewoonster uit Dordrecht bij Museum van Gijn met een tot nu toe onbekende Berck (afb 6).

Verder bleek een in Brussel woonachtige Nederlandse kunstenares de tv uitzending gezien te hebben, waardoor zij werd gefascineerd door de techniek van het kauwen van papier. Zij ontwikkelde een multimediaal project dat in 2014 in Utrecht te zien en te beluisteren moet zijn. En er was sprake van nog meer onbekende Bercken in museumbezit.
Afsluiten met concrete resultaten kunnen we nog niet, maar we kunnen met recht zeggen: wordt vervolgd!

Door Henk van Ark

  1. Henk van Ark, “Reliëfwerk en papieren bavelaars”, Nieuwsbrief jrg. 20, nr. 3 (september 2007), [p. 4 en 7].
  2.  Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt! (…), Zutphen 2008.
  3. Atty Broer, Papiereliëfwerk en bavelaars in de collectie van Simon van Gijn, museum aan huis te Dordrecht, Schoonhoven 2002, [p. 12-24]
  4. Geknipt!, p. 144-145.

Papieren gedenkstukken voor Lodewijk Napoleon, Papyria 6

In de zomer van 2012 is in het Paleis op de Dam in Amsterdam een tentoonstelling over Lodewijk Napoleon gehouden. Deze expositie (29 juni tm 16 september) paste volledig in de groeiende belangstelling voor (cultuur)historische ontwikkelingen in Nederland aan het einde van de 18de en het begin van de 19de eeuw. Vooral de patriottentijd, maar ook instelling van de monarchie krijgen steeds meer aandacht. We bezochten de tentoonstelling met de stille hoop dat we twee papieren kunstwerken, gemaakt voor Lodewijk Napoleon, zouden kunnen bewonderen, maar dat bleek helaas niet het geval. Het was voornamelijk (empire)goud wat er in Amsterdam blonk. Ook in een grote studie over Lodewijk Napoleon en de kunsten [1] worden deze stukken niet vermeld. Voor informatie over deze kunstwerken moeten we daarom terug naar een aflevering van de publicaties van het Genootschap voor Napoleontische Studieën uit 1961 [2]. Van Luttervelt beschrijft hierin de twee stukken:

afb. 1, Johannes Hubertus Reygers, gedenkstuk opgedragen aan koning Lodewijk Napoleon, 1807 papierwerk, h 63,5cm × b 54,5cm × d 13cm

“Een ander souvenir aan Lodewijk Napoleon is een 48 bij 39 centimeter groot “gedenkstuk” van papierknipwerk achter glas (afb. 1). In het midden staat, in een halfcylindervormige, licht blauw gekleurde nis, als hoofdmotief een witte urn of vaas van gedraaid hout, die met gouden banden versierd is. Zij is aan de antieke grafgebruiken ontleend, maar werd door het classicisme overmatig veel, te pas en dikwijls te onpas, als versiering aangewend. Op de buik van de vaas prijkt een door stralen omgeven zonne-hoofd; op het lichaam is een trofee van allerlei krijgstuig bevestigd. Andere trofeeën hangen links en rechts op de witte omlijsting van de nis. Deze omlijsting is gevat in een smalle gouden parelrand. De lichtblauwe kooflijst daarbuiten is gevuld met, aan weerskanten, vier bij vier, de wapens van het koninkrijk Holland…en van de zeven provinciën der voormalige Republiek (niet die van de nieuwe departementen!), alle wit en in reliëf uitgevoerd. Bovenaan wordt het volledige wapen van de koning van Holland, met mantel, kroon, ordeketenen, enz. geflankeerd door twee ovalen schilden, waarop met inkt de initialen van het vorstelijk paar zijn aangebracht, links LN (ineen), rechts EHB (Eugénie Hortense de Beauharnais). Beneden, op een rechthoekig tablet, in inkt het opschrift:

AAN ZYNE MAJESTEIT!
DEN KONING VAN HOLLAND!
Word dit Gedenkstuk met alle Hoogachting door
deszelfs Onderdanige en Gehoorzame dienaar
J.H. Reygers. Eerbiedig aangeboden.

Links en rechts hiervan takken. In de hoeken van de kooflijst zijn ten slotte witte gestyleerde palmbladen bevestigd. Het stuk is rechts onder de vaas gesigneerd: “J. H. Reygers, te Middelburg in Zeeland”. Van deze man is overigens niets bekend [3]. Was hij een oprecht vereerder van de koning van Holland, dan wel een knutselaar die naar onderwerpen zocht om werk voor zijn nijvere handen te vinden? In elk geval is zijn activiteit beloond geworden:

Zijne Majesteit heeft, nadat het “gedenkstuk” hem was aangeboden, dit bij Koninklijk Besluit van 30 maart 1808 no. 31, voor de toenmaals niet geringe som van 400 gulden laten aankopen ter plaatsing in het Koninklijk Museum. In 1887 werd het naar het Nederlandsch Museum overgebracht; met de collecties daarvan kwam het in het Rijksmuseum.

afb. 2, C. Schoon, bloemvaas onder portiek gewijd aan Lodewijk Napoleon, ca. 1806 – ca. 1810 papierwerk, h 66,7cm × b 60,6cm × d 22,8cm

Even kunstvaardig, doch minder “zinbetekend”, is een bloemenvaas onder een portiek van papier en hout (afb. 2) waarvan het basement het opschrift draagt: TOEGEWYD AAN Zijne MAJESTEIT LODEWIJK NAPOLEON, KONING van HOLLAND, CONéTABLE van FRANKRIJK”. De architectuur van hoge, gladde zuilen, waarop Korintische kapitelen rusten en een gebogen architraaf, vertoont de trant van Otten Husley, Zocher en dergelijke Nederlandse architecten van het classicisme; de vaas vol bonte bloemen -rozen, de parkiettulp, vergeet-mij-nietjes, een iris, een papaverkop, enz.- is in de stijl van de gedistingeerde, toenmaals nog steeds bijzonder hooggeschatte bloemstillevens van Jan van Huysum. Vooral het kleine vogelnestje met vier minuscule geelwitte eitjes, dat links aan de voet van de vaas ligt, herinnert sterk aan diens werk. Het geheel weerkaatst in een spiegel, die tegen de achterwand is aangebracht. Dit “gedenkstuk” is gesigneerd op een klein stukje papier, dat tegen de binnenzijde van de rechterwand geplakt is: “C. Schoon”. Ook van deze trouwe onderdaan van de koning valt niets naders te vertellen.

Na de papieren kunstwerken bespreekt Van Luttervelt nog een door Coosje en Mijntje Dondorp geborduurde spreuk om te besluiten met:
“De tijdgenoten hebben dergelijk dilettanten werk beter weten te waarderen dan wij het tegenwoordig kunnen. In elk geval karakteriseert het de gevoelens, waarmee althans vele Hollanders hun koning tegemoet traden. Maar evenzeer is het typerend voor de smaak van de tijd: te midden van het strengste classicisme bloeide de romantische zin voor allerhande snuisterijen en -waarom het niet te zeggen?- voor prullaria reeds op; naast de hoog opgevoerde eisen, die aan de kunst van de degelijk geschoolde vakman gesteld werden, was er plaats voor de kunstvaardigheid van de liefhebber, ook in de openbare musea”.

Dat tijdgenoten het werk van Reygers wisten te waarderen blijkt wel uit zijn overlijdensbericht, waarin het stuk voor Lodewijk Napoleon expliciet wordt genoemd. Men schrijft: “Niet alleen zijne geestige en weldoordachte teekeningen, bestaande meerendeels in voorstellingen van schepen en afbeeldingen van land- en stadsgezichten, bij de liefhebbers gezocht, maar ook inzonderheid, maakte hij zich beroemd door het vervaardigen van kunstig snij- en boetseerwerk in papier, als bas-relief opgewerkt, en die voortreffelijk schoon en rijk van ordonnantie zijn, en waarvan al de voorwerpen met de grootste naauwkeurigheid en bewonderswaardigen smaak bewerkt zijn; waarvan niet alleen alhier zoowel als in andere Zeeuwsche plaatsen uitmuntende proeven voorhanden zijn, maar ook in publieke en particuliere kunstverzamelingen in Holland en elders gevonden worden; getuige onder anderen het zeer uitvoerige monument, hetwelk zich in het koninklijk kabinet van zeldzaamheden te ‘s Hage bevindt”.

Door Henk van Ark

Noten

  1. Eveline Koolhaas Grosfeld/Herman Roodenburg, Lodewijk Napoleon en de kunsten in het Koninkrijk Holland, 2007.
    2. R. van Luttervelt, “Herinneringen aan de Bonapartes in het Rijksmuseum”, Publicaties van het Genootschap voor Napoleontische Studiën, aflevering 13, Den Haag september 1961, p. 549-550.
  2. Een onbegrijpelijke opmerking van deze conservator van de afdeling geschiedenis van het Rijksmuseum. Ook in 1961 waren in diverse kunstenaarslexica gegevens te vinden over Reygers. Johannes Hubertus Reygers (1767-1849) was huisleraar en volgde tekenlessen aan de Middelburgse Teekenacademie. Werd daar vervolgens meester tekenkunde tot 1845. Zie ook: Atty Broer, “Zeeuwse knippers en hun werk (2)”, Nieuwsbrief Stichting W. Tj.Lever/ Nederlands Museum van Knipkunst, jrg. 17, nummer 4, (december 2004), [p. 7-10].
  3. Middelburgse Courant, 11 maart 1849.

Een knippende stotteraar in de 17de eeuw, Papyria 6

afb. 1

In een bijdrage voor “Welkom in Papyria (2)”schreven we al over Von Uffenbach’s aantekeningen over papierknipkunst [1]. Zacharias von Uffenbach reisde met zijn gezelschap door de Nederlanden en kwam zo in aanraking met bezitters van knipwerk en knipkunstenaars (afb. 1). Eén van hen was Johannes van den Boogert (1659-1731), die hij na Rotterdam -waar hij werk had gezien van Gillis van Vliet en Elisabeth Rijberg– in Delft bezocht op 3 december 1710 [2] (afb. 2).

afb. 2

Zijn beschrijving van het naturaliënkabinet van deze chirurgijn wordt in een publicatie over Delftse verzamelaars [3] als volgt samengevat:

“Allereerst vermeldt hij dat de man vaardig met zijn handen was. Deze beheerste de papierknipkunst niet onverdienstelijk en prepareerde dieren. Uffenbach kocht van hem twee heel kleine West-Indische vogeltjes, vermoedelijk kolibries. In een kamer (“Stube” schrijft Uffenbach heel neutraal) bevonden zich ongeveer vijftig grote vogels, waarvan een aantal op voetstukken stond en de overige met uitgespreide vleugels aan de zoldering waren bevestigd. Vervolgens werden curieuze gedroogde vissen getoond en twee grote slangen die vermoedelijk eveneens aan de balken hingen. De andere slangen waren “in spiritu vini” gedaan: natte preparaten in potten die ongetwijfeld in een kast of op een schap stonden. De man had wel dertig dozen met vlinders, voor het merendeel inheems, “doch zum Theil ungemein schon“. In een schuiflade lagen eieren, waarop de chirurgijn steeds de bijbehorende vogel had geschilderd. Een vondst naar mening van Uffenbach, omdat men wel beschikt over de eieren maar niet altijd over de vogels in natura. Meer dan naturalia (spinnen, schorpioenen en schelpen worden speciaal genoemd) vermeldt Uffenbach niet [4] (afb. 3 en 4). Wel had de verzamelaar enige schilderijen in huis en was hij niet ongenegen die van de hand te doen. Uffenbachs broer kocht voor veertien gulden een interieur van de Oude Kerk te Delft door Johannes Coestermans, Uffenbach zelf kocht een goed geschilderd portretje van Erasmus voor slechts drie gulden. Uit dit verslag kan worden opgemaakt dat de chirurgijn aan zijn preparaten een bijverdienste heeft gehad -Uffenbach kocht ook nog eens twee zeeduivels- hetgeen niet wil zeggen dat de verzameling om die reden was aangelegd”.

afb. 3, Musei Wormiani, British Museum

afb. 4 Ritratto Museo FerranteImperato, wikimedia commons

Deze beschrijving is op zich accuraat, maar besteedt, zoals meestal in publicaties het geval is, te weinig aandacht aan het fenomeen papierknipkunst. Van de vaak aanbevolen multidisciplinaire aanpak bij onderzoek [5] is helaas vaak geen sprake als het om dit onderwerp gaat. Von Uffenbach schrijft letterljk over het knipwerk van Van den Boogert: “Nachmittags giengen wir zu den Chirurgo, Van den Bogard. Er ist ein Mann von fünfzig Jahren. So ungeschickt er mit der Zunge ist (indem er entsetzlich stottert) so geschickt is er mit der Hand. Dann er schneidet gar sauber in Papier, wiewohl nur flach, davon er uns etliche Stück zeigte, so jedoch nicht so schön waren, als wir in Rotterdam gesehen” [6]. Van de Boogert heeft de Duitse reizigers dus diverse knipsels van zijn hand getoond, maar men had, volgens Von Uffenbach, wel mooier werk in Rotterdam gezien. Aangezien het daarbij ging om alleen vlakwerk zouden dat knipsels van Elisabeth Rijberg, maar meer nog van Gillis van Vliet geweest kunnen zijn. Bij Van Vliet’s schoonzoon Vogel zag Von Uffenbach niet alleen geknipte schepen, maar vooral ook “simple Blumen-Krüge ganz flach, auf Apothecker-Art ausgeschnitten und aufgeklebt” [7]. Dat knipwerk verwijst wellicht naar knipwerk dat apothekers wel maakten om labels voor flessen en potten te decoreren. Later werd in het medische bedrijf soms gebruik gemaakt van gestansde exemplaren [8] (afb. 5 en 6).

afb. 5

Van den Boogert zou zulk werk kunnen hebben gemaakt, maar voor een meer waarschijnlijker voorbeeld van zijn werk moeten we naar een andere verzamelaar uit Delft: Hendrik d’Acquet (1632-1706) [9]. Deze stadsmedicus (hij is onder andere deken van het chirurgijnsgilde geweest) en regent was de belangrijkste verzamelaar van naturalia in de 17de eeuw in Delft. Hij opereerde in hetzelfde circuit als Nicolaas Witsen, Frederik Ruysch, Levinus Vincent en Simon Schijnvoet. Het hoogtepunt van d’Acqet’s verzamelwoede lag tussen 1680 en 1700. Meestal lieten eigenaars van een verzameling een handgeschreven of gedrukte inventaris opstellen, maar in 1703 heeft d’Acquet verklaard dat er daarvan bij hem geen sprake was. Wel liet hij zijn bezittingen tekenen door de Delftse kunstenaars NVO (N. van Overmeer?) en AVL (Adriaen van Lee?). Eén van die bewaarde bladen is een tekening van een tuinbalsemien die te zien is geweest op een expositie in 1992 [10] (afb. 7). Op dit blad is een klein knipsel uit zwart papier geplakt, voorstellend een dubbelgeknipt hart met daarop en daarin watervogels.

Een portret van chirurgijn Van de Boogert is waarschijnlijk aanwezig op het schilderij “De anatomische les van Dr. Abraham Cornelisz. Van Bleiswijk” uit 1727, gemaakt voor het bekende Delftse “Theaterum Anatomicum” (afb. 8).

afb. 8, Thomas van der Wilt, “De anatomische les van Dr. Abraham Cornelisz. Van Bleiswijk” 1727

De maker van dit werk is Thomas van der Wilt (1659-1733) [11]. Van den Boogert is afgebeeld op de achterste rij, vierde van links. Hoewel het verder mogelijk niets te maken heeft met de knippende Delftse chirurgijn is het toch aardig te melden dat schilder/tekenaar Van der Wilt in de wereld van de knipkunst niet helemaal een onbekende is. Samen met Nicolaas Verkolje (1673-1746) maakte hij in opdracht van Adriaan Blok in ca. 1720-25 uit olieverf op papier een portret van de landbouwerdichter Hubert Cornelis Poot met allegorisch bijwerk. Deze tekening was bedoeld voor het Stamboek van Joanna Koerten-Blok.

Door Henk van Ark

Noten
Afkortingen
– Van Ark: Henk van Ark, “Von Uffenbach’s curiöse von Papier geschnittene Sachen, in: “Welkom in Papyria (2)”, Rasquert 2011.
– Schatten in Delft: Ellinoor Bergvelt e.a., Schatten in Delft. Burgers verzamelen 1600-1750, Zwolle/Delft 2002.

  1. Van Ark, p .41-45.
  2. Idem, p. 49-51.
  3. Jaap van der Veen, “Delftse verzamelingen in de zeventiende en de eerste helft van de achttiende eeuw”, in: Schatten in Delft (…), p. 62-63.
  4. Zacharias von Uffenbach, Merkwürdige Reisen (…), Ulm 1734, III, p. 345-349. Afbeeldingen van Nederlandse kabinetten zijn niet of nauwelijks bekend. De hierbij getoonde prenten tonen (geïdealiseerde?) kabinetten van de Deense medicus en filoloog Ole Worm [3] en een illustratie uit Ferrante Imperato “Dell Historia Naturale (1599)” [4] overgenomen uit Eric Jorink, Het Boeck der Nature. Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods schepping 1575-1715, Leiden 2007, af. 58 en 59.
  5. Ellinoor Bergvelt, “Verantwoording”, in: Schatten in Delft, p. 20.
  6. Van Ark, p. 49.
  7. Idem, p. 47-49.
  8. D. A. Koning, Het etiket in de apotheek, Amsterdam 1984. Zie ook: Geknipt!, p. 155, afb. 210.
  9. Eric Jorink, “Alle bedenckelijke curieusheden. Delftse verzamelingen en de ontwikkeling van de natuurwetenschap in de 17de eeuw”, in: Schatten in Delft, p. 112-120 en bijlage 1, nr. 16.
  10. Afgebeeld in : Ellinoor Bergvelt/Renée Kistemaker, De wereld binnen handbereik, Nederlandse kunst en rariteitenverzamelingen 1585-1735, Amsterdam 1992, cat. nr. 261c.
  11. 0.a. afgebeeld in I. V. T. Spaander/R. A. de Leeuw, De stad Delft, III, Cultuur en maatschappij van 1667 tot 1813, p. 173 en afb.161.
  12. P. Knolle/E. Korthals Altes, Nicolaas Verkolje 1673 -1746. De fluwelen hand. Zwolle/Enschede, 2011, p. 126, catalogus tekeningen nr. 3.

Geportretteerd als papierknipper (Elisabeth Rijberg), Papyria 6

Gezicht op de Boompjes in westelijke richting rond 1700, Stadsarchief Rotterdam

Ter voorbereiding van de uitgave van de brochure “Zeer uitstekende kurieuze stukken van papier” bekeken we in het voorjaar van 1987 de collectie papierknipsels van het Historisch Museum Rotterdam [1]. Dit museum beschikte over een mooie verzameling knipwerk dat voor een deel afkomstig was van het Rotterdamse Museum van Oudheden, maar meestal toch door schenkingen later daar terecht is gekomen. Op zich had en heeft het verzamelen van knipwerk voor dit museum geen prioriteit. Na 1987 bleef met het museum contact bestaan. Zo bekeken we, op verzoek, een papieren model van de St. Laurenskerk, dat moest worden gerestaureerd, en probeerden we te duiden wie een aardige papieren bavelaar van het Schielandhuis zou kunnen hebben gemaakt.

Nicolaas Juweel, Portret van een papierknipster, mogelijk Elisabeth Rijberg, Museum Rotterdam

Eind 1990 werd ons gevraagd een advies uit te brengen over de mogelijke aankoop van een schilderij met een papierknipster als voorstelling. Dit kleine kunstwerk (29 x 25 cm) werd aangeboden als werk van een Duitse navolger van Frans van Mieris de Jonge, op een veiling van Sotheby’s-Mak van Waay [2] (afb. 1 en 2) De vraag van de toenmalige directeur aan ons was: is dit werk de moeite waard om aan te kopen? Het schilderij toonde een vrouw (waarschijnlijk een knipster) die een soort mobile van twee geknipte/gesneden bollen ophield. Rechtsonder op de voorgrond was het gereedschap dat zijn voor dit kunstzinnige werk moet hebben gebruikt afgebeeld. Een bij figuur links benadrukte de status van de kunstenares en de door haar gemaakte papierkunst. In de ronde vormen van de bollen waren mooie details te zien en in de bovenste bol was de naam “Joanna van Verwinde” te lezen. In de onderste bol, volgens het museum, de naam “Nicolaas Sywe” (wij zagen er toen meer Nicolaas van Weel in). In deze bol waren ook plaats en jaar aangegeven: “Rotterdam 1696”[3] (afb. 3 en 4). Na de kijkdag adviseerden we het museum zonder meer tot aankoop over te gaan en we suggereerden dat de papierknipster wel eens Elisabeth Rijberg zou kunnen zijn Zij was immers rond 1696 in Rotterdam werkzaam geweest, maar een bewijs voor deze opvatting ontbrak. Het museum kocht dit unieke schilderij voor 7500 gulden en kon het enige tijd later al tonen op een tentoonstelling van Rotterdamse Meesters, mét vermelding van de naam van de schilder.

Want er had zich een nieuwe ontwikkeling voorgedaan. Het Rijksbureau voor Kunsthistorisch Documentatie verraste het Rotterdamse museum met een foto waarop waarschijnlijk dezelfde knipster, maar dan enige jaren jonger was afgebeeld. Dit schilderij, waarvan de verblijfplaats nu helaas onbekend is, werd in 1946 in Rotterdam geveild. Het was gemaakt, zo bleek uit de signatuur, door Nicolaas Juweel [4] (afb. 5).

afb. 5 Nicolaas Juweel

Deze Juweel (ca. 1639-1704), een kleine Rotterdamse meester, kwam bij ons weer in beeld in het kader van het onderzoek voor de serie “Portretten van knipkunstenaars”, die in onze Nieuwsbrief is verschenen [5]. Atty Broer probeerde voor dit onderzoek uit te vinden wat Juweel met de afgebeelde Joanna van Verwinde/Van der Winden te maken zou kunnen hebben gehad. Dat leverde uiteindelijk een heel goed resultaat op. Zij ontdekte dat de Rotterdamse schilder Juweel in knipperskringen niet geheel onbekend was. Zo maakte hij voor de bekende plantenkweekster en ook knipster Agnes Block aquarellen van haar bijzondere plantencollectie. Hij trouwde in 1664 met de Rotterdamse Ariaentie Cornelis. Een van hun kinderen was Nicolaas Juweel jr. Deze -j.m. van Rotterdam, wonend Vissersdijk- huwde in 1695 met Johanna van der Winden, wonend Valksteeg. Waarschijnlijk was de hanger met dubbele bollen met daarin hun namen een huwelijksaandenken (“per memo”). In Rotterdam was toen naar ons weten maar een papierkunstenares werkzaam -Elisabeth Rijberg-, die hier dus moet zijn afgebeeld.

Wat we over Rijberg weten -er is helaas geen bewaard werk van haar bekend- is grotendeels ontleend aan de beschrijvingen van Van Spaan en Von Uffenbach. Gerard van Spaan meldt in 1698 dat de kunstzinnige wijnkoopman Gillis van Vliet en Elisabeth Rijberg “zeer uitstekende kurieuze stukken van papier” maakten. Het werk van Rijberg bestond uit schepen en jachten, Iusthuizen, geboomten, verschieten en portretten.

Voor knipwerk dat zij maakte voor de Keurvorst van de Palts ontving zij zilverwerk (vier bekers en een klein serviesje). Bijzonder was dat zij boven de huisdeur (zij woonde in de buurt van het nieuwe Oost-Indisch huis aan de Boompjes) een bord met een tekst in het Nederlands en Frans had. Die luidde:
“Ik snij de van papier alles wat het ooge streeld,
Of wat een geestig brein ons na de konst afbeeld:
Al brult de bitse nijd met opgesparde kaken,
Mijn konst en zal niet ligt daar door in ‘t voetzand raken”. (afb. 6)

afb. 6

Von Uffenbach had Rijberg op zijn eerste reis in 1705 al bezocht, in 1710 ging hij weer bij haar langs en zag toen elf kunstwerken uit papier. Slechts twee ervan waren nieuwe stukken, de negen andere had hij ook in 1705 reeds kunnen bekijken. De twee nieuwe kunstwerken stelden voor het strand met een gezicht op Scheveningen en een haringvangst.

Men zou verwachten dat Elisabeth Rijberg op de expositie ”1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis” in 2012 wel met het unieke bollenschilderij vertegenwoordigd zou zijn. Dat was echter niet het geval en het raadplegen van het boek van Kloek en de website maakte duidelijk waarom. In het boek zijn de bekende gegevens over Rijberg gepubliceerd zonder vermelding van schilderij en zonder literatuuropgave. Die laatste is wel te vinden op de website en hieruit bleek dat de samenstelster van het lemma niet gebruik heeft gemaakt van het boek “Geknipt” (2008), waarin uitvoerig aandacht aan Rijberg en de twee bollenschilderijen is besteed. Zij raadpleegde slechts “Schaarkunst” uit 1983. Maar samenstelster Marja Volbeda komt wel met een veronderstelling die ons tot nu toe onbekend was. Uitgaande van de door Von Uffenbach gebruikte zinsnede “billig zu bewundern” trekt zij de conclusie dat Rijberg voor het bezichtigen van haar werk geld moet hebben gevraagd. Of dit juist is hangt sterk af van de interpretatie van het woord “billig”. Is haar veronderstelling juist dan is dit in de geschiedenis van de knipkunst een opmerkelijk gegeven. Vooralsnog houden wij het erop dat de aantekening van Von Uffenbach -ook al omdat hij zijn verslag niet direct begint met het vermelden van de toch opmerkelijke “entreeprijs”- iets anders betekent. “Billig zu bewundem” zou in onze visie ook kunnen inhouden, al is dat dus niet de letterlijke vertaling, dat het werk van Rijberg (door de kwaliteit) gemakkelijk/eenvoudigweg te bewonderen was. Maar misschien wordt ook dit Rijberg raadsel nog eens opgelost.

Door Henk van Ark

Noten

  1. Henk van Ark, Zeer uitstekende kurieuze stukken van papier. Rotterdamse papierknip- en snijkunst 1600-1900, Atelier Tobia Lever, Rotterdam, 1987.
  2. Catalogus veiling Sotheby ‘s- Mak van Waay, Amsterdam, 14-11-1990, nr. 541.
  3. Henk van Ark, “De papierknipsters van Juweel”, Nieuwsbrief; jrg. 7, nummer 3 september 1994), [p. 10]
  4. 4. Idem.
  5. Atty Broer, “Portrtretten van knipkunstenaars (4), Nieuwsbrief, jrg. 19, nr. 3 (september 2006), [p. 1-7].
  6. Zie ook: [Henk van Ark], “Het papieren bollenraadsel” in: Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt!(..) ,Zutphen 2008 p. 16.
  7. Atty Broer, op.cit.
  8. Gehouden in de expositieruimte van de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam; Els Kloek (samenstelling): 1001 Vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis, Nijmegen 2013, nr. 351, p. 490-91; Digitaal Vrouwen Lexicon, lemma Elisabeth R(h)ijberg.

In 2022 is geconcludeerd dat de afgebeelde knipster Aleijda Juweel is.

De onmisbare catalogus, Papyria 5

Eind jaren negentig verschenen er twee publicaties die voor ons Joanna Koerten onderzoek een belangrijke stimulans betekenden [1]. Michiel Plomp schreef een artikel over “De Portretten uit het Stamboek voor Joanna Koerten (1650-1715)” [2].  R. J. A. te Rijdt “Jan Goeree, het stamboek van Joanna Koerten de de datering ervan” [3]. In beide artikelen komt de catalogus Testas de Jonge uitvoerig aan de orde. Die uitgave is de “Catalogus van een overheerljk Konstkabinet papiere SNYKONST door wylen Mejuffrouw Johanna Koerten, Huisvrouw van wylen den Heer Adriaan Blok, met de schaar in papier gesneeden: benevens de relatieve Stamboeken, waar in zyn extra fraajje teekeningen, portraiten, miniaturwen en prenten, alle voorname Meesters. Overheerlyke geschreven geschriften, door de voornaamste Schryfmeesters. Handtekeningen van Keizers, Koningen, Prinsen en Vorsten, etc. Waar van geen weerga bekend is” De catalogus bevindt zich (als bruikleen van het Koninklijk Oudheidkundige Genootschap) in het Rijksprentenkabinet (boeknummer 321 E 11).

In zijn verhaal verwijst Plomp naar groepen tekeningen nog niet zolang geleden tevoorschijn waren gekomen in het Teylers Museum en het Gemeente Archief van Amsterdam [4] en zijn ontdekking van de, naar men dacht, zoekgeraakte catalogus van het stamboek van Koerten. Dit laatste kwam door de heer M. D. Haga die deze catalogus “toevalligerwijs”op tafel bracht [5]. Een merkwaardige mededeling omdat Plomp in zijn stuk verwijst naar een typescript van C. J. Kaldenbach dat hij kort voor de deadline van zijn artikel onder ogen had gekregen [6]. Hij verwijst zelfs in een voetnoot naar een tekening die Kaldenbach in zijn opstel vermeld (“landschap met ruine en graftombe” van A.Rademaker) [7] dus hij heeft goed kennisgenomen van het werk van Kaldenbach, maar “vergeet” te vermelden dat Kaldenbach al gebruik heeft gemaakt van de catalogus die hij, Plomp, dankzij Haga, zou hebben herontdekt.

Tuin met een tombe ter nagedachtenis aan Johanna Koerten Blok door Abraham Rademaker, Rijksmuseum

Ongezien bleef Kaldenbachs vermelding van de bewuste catalogus daarna ook al niet, Conny Bogaard schrijft daar in haar doctoraal scriptie over Koerten reeds over [8]. Maar goed, Plomp noemt ook een Franstalige versie van de Testas catalogus, en daarin is hij -naar nu bekend- wel de eerste [9].

Wat wel duidelijk is geworden dat de catalogus van Koertens “Overheerlyk Kostkabinet” zeer lang uit het zicht van onderzoekers is gebleven. Belangrijke auteurs over Koerten, zoals Van Dokkum en Wijnman [10] moesten melden dat zij bekend waren met het bestaan maar niet een exemplaar van deze belangrijke uitgave hadden kunnen bekijken. In vroegere publicaties over levens van kunstenaars (bijvoorbeeld Van der Aa en Kramm) wordt de catalogus (met titel en al genoemd), maar de eerste gedrukte bron is toch Johan van Gool. Deze heeft Koerten collectie (knipsels en Stamboek) zelf kunnen bekijken en deelt de volledige titel van de Testas catalogus mee [11].

Kramm schrijft ook over de catalogus, maar voegt een bijzonder detail toe: “In mijn exemplaar (bedoeld wordt de Lofdichten versie uit 1735) is als zeer merkwaardig te beschouwen de daarachter ingebonden Catalogus van hare nalatenschap, met den titel Catalogus van een overheerlyk Kunstkabinet Papiere snyjkunst, door wylen Mejuffrouw JOHANNA KOER TEN enz. (…) bevattende 216 Nommers”[12].

Deze combinatie (lofdichten + catalogus) is mogelijk het exemplaar dat voortkomt in het archief van de Stichting Familie de Flines. Via een artikel over Tobia Lever in het blad “Druck Doende” kwamen we in 1987 in contact met de heren G. en A. Q. de Flines, toen medebeheerders van dat archief. Het leidde tot een interessante briefwisseling en uitwisselen van gegevens, waaronder in 1989 de Testas catalogus in kopievorm [13]. Zoals in het Joanna Koerten nummer van onze Nieuwsbrief in 2000 is aangegeven wijkt deze catalogus af van het exemplaar dat zich in het Rijksprentenkabinet bevindt [14]. Een extra pagina heeft als titel “Vervolg van de Catalogus en Overgeslagene Rariteiten”. Hierdoor is het uit vermeldingen bekende werk van Koerten met nog een aantal knipsels toegenomen.

Voor het samenstellen van de Testas catalogus is het werk van Joanna Koerten en de inhoud van haar Stamboek met name bekend uit beschrijvingen van bezoekers (Von Uffenbach, De la Rue) [15] en levensbeschrijvingen van kunstenaars (Houbraken, Weyerman) [16]. De catalogus is in 1750 opgemaakt omdat Pieter Testas Koertens Konstkabinet wilde verkopen. De catalogus meldt: “Dit heerlyk Kabinet is berustende by de Heer Pieter Testas, de Jonge, tot Amsterdam, en word den Liefhebbers der Konsten aangeboden om uit de hand te Verkopen, zynde nader onderrichting daar van te bekomen by de Makelaar HENDRIK de LETH, Op de Beurssluys in de Visscher”

Voor de vorming van Koertens Kunstkabinet was haar echtgenoot Adriaan Blok verantwoordelijk. Hij zorgde ervoor dat de knipwerken van zijn vrouw bij elkaar bleven en dat uit het handtekeningenboek van bezoekers en losbladige bijdragen, zoals tekeningen en schoonschriflen, na haar dood in 1715 een waar papieren monument (het Stamboek) voor zijn vrouw werd gecreëerd. Blok overleed in 1726, maar zijn tweede vrouw, Maria van Arckel, met wie hij in 1717 hertrouwd was, zette zijn werk voort. Mogelijk op haar instigatie is de Lofdichten versie van 1736 verschenen [17] (tien jaar na Adriaans dood) en zij ontving in 1735 de Zeeuwse letterkundige Pieter de la Rue. Die beschreef het kunstkabinet en liet weten dat het de bedoeling was dat het Stamboek in drie grote folianten zou worden ingebonden. Dit is niet gebeurd, waarschijnlijk omdat Maria kort erna (in 1737) overleed. Toch is de collectie hierna bij elkaar gebleven en mogelijk al in 1739 in bezit gekomen van Pieter Testas. In dat jaar vond namelijk de “Auctie van de Wed.van Adriaan Blok” plaats, waarvan helaas geen veilingcatalogus bekend is [19]. Hoe dan ook, Testas wilde op een gegeven moment van het geheel af en er verscheen een catalogus.

De “Catalogus van het eenig en overheerlyk KONST-KABINET” bestaat uit een aantal onderdelen. Begonnen wordt met “Letter A t/m D”, dit zijn schilderijen. Vervolgens is er de rubriek “SNEYWERK”, bestaande uit 32 nummers, maar de nrs. 31 en 32 hiervan zijn geen knipsels maar borduurwerk en een tekening. Dan is er het “STAMBOECK, waar in zyn Capitaale TEEKENINGEN en PORTRAITEN van diverse brave Meesters, Relatif tot de Snykonst”. Dit Stamboek blijkt te zijn ondergebracht in twee kunstboeken en twee omslagen, genummerd van A t/m D. Kunstboek A telt 74 nummers; kunstboek B heeft 52 nummers, waarbij de nummers 11 en 12 tweemaal voorkomen. Hierna komt de opgave van een omslag met letter C met 71 nummers. Omslag D is niet in nummers uitgewerkt, maar een algemene tekst beschrijft de inhoud: “Waar in zig bevind, verscheidene Geknipte Geschriften, eenige Pourtraiten, Tekeningen, Vinjetjes etc. door differente en brave Meesters, en een groote kwantiteit uitmuntende en overheerlyke Geschriften, van diverse Meesters en Liefhebbers, als ook een grote menigte Handschriflen, van Keyzers, Koningen en Vorsten, alle Relatif op de Stamboeken, tot vereeuwiging van Juffrouw Johanna Koerten Block, die in twee Boeken vervat zijn, waar van de Gedigten voor het grootste gedeelte in een gedrukt groot Quarto Werk uitgaan, en daar annex zyn. En dan is er het “Vervolg van de CATALOGUS en Overgeslagene RARITEITEN”, die voorkomt in het de Flines exemplaar, maar in de Rijksprentenkabinet versie ontbreekt. Hierin worden de maten van de onder letter A t/m D vermelde schilderijen opgegeven en zijn er vier “Overgeslagene SCHILDERYEN, TEEKENINGEN en SNYWERK. Vervolgens 3 nummers “SNYKONST” en 3 nummers “TEEKENINGEN”. In totaal 10 toevoegingen.

Plomp beschrijft in zijn artikel hoe het verder met de Koertencollectie moet zijn gegaan. Bij Testas zijn in 1750 kennelijk geen serieuze gegadigden verschenen, want in 1762 is de collectie weer te Amsterdam te koop aan geboden, en drie jaar later (1765) nogmaals te Haarlem. Een verklaring hiervoor is problematisch want tot nu toe zijn geen catalogi van deze veilingen achterhaald [20]. Toch moet de Rotterdamse verzamelaar Michiel Oudaen op een van deze twee veilingen een deel, mogelijk de helft, van Koertens Overheerlyk Konstkabinet gekocht hebben want dit deel komt, uit zijn bezit, in 1766 al weer ter veiling, nu in Rotterdam. Daar koopt kunsthandelaar Jan Yver voor f 500,- zes “Konstboeken” aan en via zijn winkel zullen de zich daarin bevindende tekeningen en overige bladen verspreid zijn geraakt. Met de andere helft van de inhoud van het Konstkabinet zal dat enige jaren daarvoor reeds gebeurd zijn [21].

Door het beschikbaar komen van de catalogus van Koertens Konstkabinet weten we nu veel meer over het werk van Koerten en in de inhoud van het aan haar opgedragen Stamboek. Kaldenbach en Plomp hebben zich beijverd om tekeningen in verschillende collecties te koppelen aan het Stamboek, voor ons onderzoek betekent dit, vooral door de De Flines versie van de Catalogus, dat we een veel beter beeld hebben gekregen van de toch wel indrukwekkende knipselproductie van de beroemde Amsterdamse Schaar-Minerve [22].
Inderdaad, een onmisbare catalogus.

Door Henk van Ark

Noten

gebruikte aflortingen
Plomp: Michiel Plomp, “De Portretten uit het Stamboek voor Joanna Koerten (1650-1715), Leids Kunsthistorisch Dagboek, 8 (1989), p. 323-344.
Te Rijdt: R. J. A. te Rijdt, “Jan Goeree, het stamboek van Joanna Koerten en de datering ervan”, Delineavit et Scuipsit, 17 (maart 1997), p. 48-56.
Van Ark: Henk van Ark, De knipsels van Joanna Koerten”, Nieuwsbrief; jrg. 13, nr.4 (december 2000), p. 17-18.

  1. Dit onderzoek begon in 1983 met het bijeen brengen van basisinformatie over Koerten (met dank aan de bibliotheek van het Maritiem Museum, Rotterdam) en we kregen contact met de Stichting Familie De Flines, die beschikt over enige knipsels van Koerten, boeken, prenten en veel documentatie (1987). Eerste hoogtepunt was de vrij onverwachte verwerving van de Lofdichtenversies op Koerten van 1735 en 1736 de veiling van Levers Westerborkcollectie in 1988. Ruim tien jaar later gevolgd door de aankoop van Koertens befaamdste knipsel “De Twaalf Keizers”. Ondanks het vele werk voor ons museum in Schoonhoven bleef het onderzoek niet stil staan. In december 2000 verscheen het Joanna Koerten nummer van de Nieuwsbrief en we zochten contact met de wetenschapswinkel van de Universiteit Utrecht. Barbara de Hoop, studente bij Els Kloek, bleek bereid voor het museum een onderzoek naar Koerten te verrichten, maar werd al snel ernstig ziek en overleed enige maanden na afsluiting van de onderzoeksovereenkomst. Haar werk werd afgemaakt door medestudent Richard Stolzenburg. De resultaten werden opgenomen in het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland. In de reeks “Portretten van knipkunstenaars” (2006) verscheen een bijdrage over Koerten en verder werkten we mee aan uitgaven als een artikel van Michiel Roscam Abbing in Amstelodamum (2007) en “Geknipt!” (2008). De tentoonstellingen “Doopsgezind” en “Nicolaas Verkolje” (beide in 2011) zorgden voor nieuwe zin om door te gaan met het bestuderen van leven en werk van Nederlands beroemdste papierknipster uit het verleden.
  2. Plomp.
  3. Te Rijdt.
  4. M. Plomp, De Schaar-Minerve: Joanna Koerten (1650-1715)”, Teylers Museum Magazine, 11 (1986), p.10-113; B. Bakker e.a., De Verzameling Van Eeghen. Amsterdamse tekeningen 1600-1950, Zwolle 1988.
  5. 5. Plomp, p. 323 en 325 en noot 16.
  6. Plomp, p. 340, noot 4; C. J. Kaldenbach, Tekeningen uit het album amicorum (Stamboek) van Joanna Koerten Blok (1650-1 715), een overzicht met index, Amsterdam 1988 (typecript, Gemeentearchief Amsterdam). Over het werkstuk van Kaldenbach schrijft Plomp wat zuinigjes: “het voegt weinig toe aan wat hier te vinden is”.
  7. Plomp, p. 341, noot 15.
  8. Conny Bogaard, De Schaar-Minerva Johanna Koerten (1650-1 715) en de waardering voor de ‘ snykonst” (doctoraal scriptie kunstgeschiedenis, Rijksuniversiteit Utrecht 1989).
  9. Plomp, p.341, noot 16. Deze uitgave bevindt zich in Parijs (Bibliothèque Nationale; cote 8° V36 10564).
  10. J. D. C. van Dokkum, “Hanna de Knipster en haar concurrenten. Een studie over oud-Hollandsche schaarkunst”, Het Huis Oud en Nieuw, 13 (1915), p. 346; [ H.F.] Wijnman, “Koerten”, Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, X, p. 480.
  11. J. van GooI, De Nieuwe Schouburg der Nederlantsche kunstschilders en schilderessen, (Den Haag 1750-1751), 1, p. 553, 392-397, 458.
  12. Chr. Kramm, De levens en werken der Hollandse en Vlaamsche kunstschilders (…), Amsterdam 1860, 1, p. 898.
  13. Archief Stichting Familie de Flines, nr. 123; De uitgave werd tentoongesteld op de expositie Tentoongestelde voorwerpen uit het archief van de Stichting Familie de Flines en van elders, Vlaams Cultureel Centrum, Amsterdam 1987, cat.nr. 23.
  14. Van Ark
  15. Z. C. von Uffenbach, Merkwürdige Reisen (..), Ulm 1754, III, p. 554-555; Pieter de la Rue, Mengeling van Aantekeningen (..),UBA, Hs. XIV G 1 t/m 5, Deel 111= Derde Stuk, Tiende Honderd, nr. 8, p. 5-6.
  16. A. Houbraken, De groote Schouburgh der Nederlandsche kunstschilders en schilderessen, Amsterdam 1718-1721, III, p. 293 e.v.; J. C. Weyerman, De levensbeschrjving der Nederlandsche konstschilders, ‘s-Gravenhage (1729), III, p.142.
  17. Plomp.
  18. zie noot 16.
  19. Plomp. p. 342, noot 19. Plomp heeft geen familiebanden van Maria van Arckel met Pieter Testas kunnen vinden.
  20. Plomp, p.328 en noot 20.
  21. Plomp, p. 328 en noot 21.
  22. Van Ark.