Categoriearchief: publicatie

Een verrassing I, Knip-Pers 1989-4

Soms sta je ineens voor een verrassing, iets onverwachts! Dat kán iets negatiefs zijn, maar ook iets moois of merkwaardigs. In mijn geval was het iets moois én merkwaardigs.

Toen ik ergens in Nederland mijn gebruikelijke lezing met dia’s gaf over “de Papierknipkunst van vroeger tot nu”, kwam er in de pauze een dame naar mij toe, die mij vroeg of zij mij wat oude witte knipseltjes mocht laten zien. Zij hield een boekje van ± 18 x 12 cm in haar hand en ik zag in één oogopslag een grauw kaftje om bladzijden van oud blauw papier (afb. 1).

afb. 1

En waarom werd ik alleen bij het zien daarvan al opgewonden en wist ik dat dit iets bijzonders zou zijn? Omdat ik mij herinnerde wat ik ooit in een artikel over “de Historie der papiersnij- en knipkunst” geschreven had, in het jaarboek van 1968 (35e bundel) van het Historisch Genootschap “Oud West-Friesland”:

Op blz. 105 onderaan schreef ik daar:
“De 17de eeuw heeft in ons land zeer veel aanhangers van de schaarkunst gekend. In aanzienlijke kringen werd het soms als een gezelschapsvermaak bedreven. Men knipte toen hoofdzakelijk van wit papier. In het buitenland, waar de knipkunst ook bedreven werd, stond Holland hoog aangeschreven voor dit zgn. “witwerk”, hetgeen een combinatie was van knip- en snijwerk.”

Naar aanleiding van dit artikel was mij toen voor het eerst ook onder ogen gekomen het boekje: “Konstig en Vermaakelijk Tijdverdrijf der Hollandsche Jufferen of onderricht der Papieren Snijkonst”. Uitgegeven te Amsterdam, anno 1686! Hierin stond allerlei gereedschap beschreven wat je hier zoal voor nodig had (waar over later misschien meer). Waar het nu om gaat was, dat er geschreven werd over

(ik citeer) “Veluws papier, dat is witter dan het Franse. Dit papier moet vast, dat is welgelijmt zijn, hetwelk men kan beproeven als men de tong, een weynig nat zijnde, op het papier strijkt, indien het nat niet door het papier slaat, soo is het goed, anders niet. Het papier moet glad en niet bulterig of met knobbelen zijn; want dat is quaad voor de schaartjes”.

Vervolgens staat er geschreven:”Eyndelijk moet men ook een blaauw Boekje hebben, gemaakt van Suykerbakkers blaauw Papier, om daar in eenige gesneeden dingen te bewaren, of enige Modellen in te leggen. Dit blaauw Papier moet géén Speldemaakers blaauw Papier zijn: omdat dat geverft is op één zijd, en door de minste vochtigheyd gaat’er de verf. af,waar door het wit gesneeden werk soude konnen besmet worden. Dit.ïs meede te koop zoals achterin sal gemeld worden”.

En, dáár stond ik toen, met ZO’N. boekje voor mijn ogen!

In de pauze van mijn lezing, met véél dames om mij heen, die wachtten tot ik zou demonstreren. Wat deed ik …? .. Ik zag dat het blauwe, papieren binnenwerk vól lag met LOSSE witte beeldschone knipseltjes, en … ik gaf het hele boekje ijlings terug aan de mevrouw!! Waaróm? Wel, omdat het veel te bijzonder was om tussen al die mensen éventjes in te zien. En ik vroeg haar om een afspraak, zo dat ik het bij haar. thuis in alle rust mocht komen bekijken.

En zo kunnen jullie nú meekijken.

Wat bleek? Het was zo’n oud boekje, van het zogenoemde “suykerbakkers blaauw papier”. Hetzelfde papier als vroeger, om de witte suikerbroden gevouwen werd. (In antieke kruidenierswinkeltjes in musea nog te zien.)

Maar … de witte knipseltjes – ongeveer tussen de 8 en 10 cm groot, waren van wat latere datum. Meestal tast je dan in het duister wat het jaartal of de tijd betreft. Maar, wát was het eerste knipsel? Een weelderige omlijsting van het woord “BEGIN”, met daaronder zowaar het jaartal: 1742 (afb. 5).

afb. 5

En verder veel allegorische en huiselijke tafereeltjes, cupidootjes, Nederlandse leeuwwapens, twee huwelijksknipseltjes zonder naam of jaartaL erin. De eigenares van het boekje had het als kostbaar kleinood van haar schoonmoeder geërfd, die het ook weer van háár moeder had. Doch zij wist geen naam van eventuele knipper of knipster; overigens wil zijzelf ook graag anoniem blijven. Toch zou het huwelijksknipsel wel de aanleiding van het jaartal 1742 en alle andere knipsels kunnen zijn, die vrijwel alle door prachtige kadertjes omgeven zijn, in de toen heersende ”rococostijl”, de cultuurperiode in Europa tussen 1720-1775. Ter oriëntatie van het tijdbeeld: In 1742 verkeert de toen “Nederlandse Republiek” nog in het 2de Stadhouderloze tijdperk. Het is evenwel vlak vóórdat dan in 1747 Willem IV Stadhouder van alle Gewesten wordt. Een tijd die zich hier verder niet spectaculair onderscheidde. In Frankrijk daarentegen komt dan tien jaar later – in 1757 – de ons bekende “Baron Etienne de Silhouette” (1709 – 1767) als minister van Financiën van Lodewijk XV in beeld, die sinds 1750 de schaduwportretten, de naar hem genoemde “Silhouetten” daar in de mode brengt, die van zwart papier geknipt worden. Daarmee wordt de witwerkperiode gaandeweg gevolgd door zwarte knipsels.

Maar, kijken wij nu nog naar ons beschreven boekje waarin zich nog meer, ook mooie Bijbelse voorstellingen bevinden, die zeer illustratief de teksten waarbij zij behoren uitbeelden. (afb. 3)

afb. 3

Ik geef een opsomming in vogelvlucht: De slang verleidt Eva in het Paradijs (Gen. 3:1-7); Kaïn doodt zijn broeder Abel (Gen.4:8-10); Abraham’s offer (links onder, Gen.22:l-19); Jozef’s vlucht voor de verleiding door de vrouw van Potifar (links boven, Gen.39:12); Jozua en Kaleb, de verspieders van het land Kanaän (midden rechts, Num.13:1-24); Bileam tegenover de Engel der Heren (rechts boven, Num.22:23-33); David en Goliath (links boven, I Sam.17:45); Koning Saul wil David doden (rechts boven, I Sam.l8:10-11l); De dood van Absalom (rechts onder, 2 Sam.18:9-14; Salomo’s wijze rechtspraak (midden onder, 1 Kon.3:16-28).

Aan het eind van het boekje lag er een engel met een bazuin (afb. 2). Laten wij zeggen dat die jullie allen het Kerstgebeuren wil laten beleven; een ieder op zijn eigen wijze: Zalig, goed, gezegend of vrolijk Kerstfeest.!

afb. 2

En geheel als slot van het boekje lag daar het knipsel “EYNDE”, waarmee wij jullie allen een Zalig uiteinde en een Goed begin van 1990 toewensen (afb. 5). Waarin het kwaad in onszelf en in de wereld overwonnen moge worden! Bier uitgebeeld door Sint. Joris, die de draak overwint (afb. 4).

afb. 4, Sint Joris en de draak

To van Waning-Mijnlieff

Symbolen in silhouet, Knip-Pers 2009-1

Onze wereld zit vol met symbolen. We hebben er behoefte aan om orde te scheppen door beeldtaal. Een beeld staat ergens voor en we begrijpen het in een oogopslag.

Als verliefden een brief eindigen met  ♥♥♥ dan weet iedereen wat dat betekent. En een  † achter iemands naam is ook duidelijk. Als antwoord op de vraag “hoe gaat het?” kun je terugmailen ☺. De computer zit vol met beelden, icons. Dat woord is afgeleid van ikoon, het beeld van een heilige dat de Oosterse Christenen gebruiken in hun huizen en kerken. Kerk en religie zijn vol van symbolen, maar velen van ons leven daar niet meer mee. Zo verdwijnen ook allerlei godsdienstige symbolen uit ons collectief geheugen. Weet u bijvoorbeeld nog wat de combinatie van kruis, hart en anker betekent? (afb. 1. Antwoord elders)

Ook op straat vragen symbolen onze aandacht. Zo zijn verkeersborden allemaal beelden met een betekenis. Soms is zo’n beeld zo traditioneel, dat het door de tijd helemaal is ingehaald. Denk maar aan het waarschuwingsbord voor een spoorwegovergang: een ouderwetse stoomlocomotief.

afb. 1, anoniem, 16 x 21 cm

Een figuur, die we in moderne afbeeldingen en krantenadvertenties weinig meer zien, is de hoorn van overvloed, het symbool van zegen en rijkdom. Het begrip komt uit de Griekse mythologie: een geit zoogde de oppergod Zeus en zo schonk de hoorn alles wat een mens zich begeerde. Het Latijnse woord cornucopia is samengesteld uit cornu (hoorn) en copia (voorraad). In de knipsels zien we meestal bloeiende planten uit de hoorn komen (afb. 2). In Geknipt! kunt u verschillende voorbeelden vinden (afbeeldingen 38, 89, 72, 73, 179). Bloemschikkers maken nog wel eens gebruik van een cornucopia bij een oogstfeest; er komt dan allerlei fruit uit rollen. Overigens doet het schoenzetten bij Sinterklaas ook aan een vruchtbare oogst denken!

afb. 2, anoniem

De Nederlandse Leeuw is natuurlijk wel bekend (afb. 3). Weet u waarom hij zeven pijlen in zijn ene poot draagt?

afb. 3, anoniem

De dood wordt vaak verhuld in symbolen (afb. 4). Wij zien vijf beelden van de dood in afb. 4, u ook? ook spreuken (zie Geknipt! afb. 45, 234). Een hele aardige uitspraak kwamen we tegen in de tentoonstelling over Erasmus in Rotterdam. Hij zei: “Homo bulla”, wat zoveel betekent als “de mens is een zeepbel”. Dat symbool komt ook in Geknipt! voor (waar?).

Bij huwelijken wordt vaak met rijst gestrooid (vruchtbaarheid), maar dat kan voor stadhuisbodes bezwaarlijk worden. Als alternatief wordt tegenwoordig vaak bellen geblazen naar het bruidspaar, maar daaruit blijkt dat we de oorspronkelijke betekenis helemaal kwijt zijn!

afb. 4, anoniem

Allerlei al of niet gevleugelde figuren zijn in de kunst rijk vertegenwoordigd. Wij zijn al gauw geneigd om ze allemaal engelen te noemen, maar er is een grote verscheidenheid. Als u de tentoonstellingen over engelen in het Catharijne Convent, Utrecht of in het Iconenmuseum, Kampen hebt bekeken, weet u nu vast wel dat er in de Bijbel cherubijnen en serafijnen genoemd worden die Gods lof bezingen, ook gewone en aartsengelen (kent u er een paar bij naam?). Er staat vaak niet bij of ze vleugels hadden en de betekenis van het woord engel, angelos, is gewoon boodschapper (denk maar aan het woord evangelie: eu (goed) angelium (boodschap). Maar hemelse boodschappers waren er ook in andere godsdiensten, gevleugelde dieren, mannen (Hermes, Mercurius) of vrouwen (Nikè, Victoria) en kinderen (Eros of Amor). Kunstenaars hebben alles een beetje door elkaar gemengd. Daarom nog eens een paar mythologische figuren op een rij, die géén engelen waren:

Het Fortuin, een menselijk wezen in de wind, balancerend op een bol, meestal de aarde. U voelt de betekenis vast goed aan, je staat niet stabiel, je bent lang niet altijd fortuinlijk (zeker niet in deze tijd!). In Geknipt! staat een mooi knipsel op afbeelding 76.

Genieën zijn in onze tijd knappe koppen, maar vroeger stelden de goede en de kwade genius de ziel van de mens voor. We zien ze in de (knip-)kunst vaak afgebeeld als dragers van een tekstband of baldakijn (Geknipt! afb. 28, 84, 86, 110).

Famen hebben een toeter, waarmee ze de goede naam en faam van iemand rondbazuinen (Geknipt! afb. 44, 81, 89, 90).

U moet afb. 5 eens goed bekijken (gekleurde afb. 91 uit Geknipt!). Jan de Prentenknipper was een eenvoudig man, maar in zijn knipsels verwerkte hij tal van symbolen. Van boven naar beneden zien we in de hoek het fortuin. Onder de boog de haan (waakzaamheid, vruchtbaarheid, ook het verraad van Petrus); de zeis en een schedel met botten (de dood); dobbelstenen (het lot); een lam (“Zie het Lam Gods”). Daaronder een bepakte ezel een olifant en een zwaan: daarvan ontgaat ons de betekenis. Mogelijk is de olifant een beeld van Christus die met zijn voeten de duivel vertrapt en staat de ezel voor deemoed, geduld en eenvoud. De ezel en de olifant werden pas later in Amerika symbool voor de Democraten en de Republikeinen. De zwaan staat voor zuiverheid.

Dan de leeuw met de hoorn van overvloed. In de cirkel twee bijbelse verhalen: David met harp en strijkinstrument, en Jona onder de wonderboom, in afwachting van de verwoesting van Ninevé met man en muis.

afb. 5, Jan de Prentenknipper

In ’t midden “het alziend oog” in een driehoek: God drie-een. Daaronder een zandloper met gevleugelde wezens (de tijd vliegt) en een weegschaal (het recht). Dan een kroon op twee brandende harten die met pijlen zijn doorboord (de liefde), het anker van de hoop en de duif (liefde, vrede, Geest), geflankeerd met gevleugelde famen. Tenslotte her en der cirkels, die in vieren zijn verdeeld. Misschien duiden die op de vier evangelisten, of het was het oude zonnerad dat boze geesten weert.

Men wat kennis van symbolen kunnen we de betekenis van (knip-)kunst beter begrijpen, maar het is ook vaak zo dat bepaalde vormen door kunstenaars worden toegepast, zonder dat ze de betekenis begrijpen of in een tijd dat de betekenis van een symbool verloren is gegaan en alleen wordt toegepast vanwege de sierlijke vorm.

Joke en Jan Peter Verhave

Antwoorden Symbolen in silhouet

  1. Geloof, hoop en liefde
  2. De zeven provincies van de Republiek der Verenigde Nederlanden
  3. De zeis, doodshoofd, zandloper, treurwilg en het hondje dat de wacht houdt bij het graf van zijn baas
  4. Afbeelding 95
  5. Gabriël, Michael, Uriël, Rafael

Een vroom en vrolijk knipper, Knip-Pers 2008-3

Onlangs werd er een knipsel aangeboden op een veiling, waarin we meteen de hand van Geert Jager uit het Groningse dorp Hellum herkenden. Over deze vaardige knipper is al vrij veel bekend, maar we konden natuurlijk niet alles in ons boek Geknipt! vermelden. Daarom hier een uitgebreider verhaal.

Vlak na de oorlog, toen de papierknipper Wiecher Tjeert Lever als vertegenwoordiger rondreisde, informeerde hij her en der naar knippers en oud knipwerk. Zo kwam hij op het spoor van Geert Jager. Een weduwe Evenhuis te Slochteren bleek een knipsel van hem uit 1851 aan de wand te hebben. Haar grootvader had het van Geert gekregen toen ze samen in het militair hospitaal te Breda hadden gelegen. Geert moet er geruime tijd verpleegd zijn.

Ook ontmoette Lever Geert Jager jr, een kleinzoon van de knipper uit Siddeburen, die twee werkstukken van zijn grootvader had hangen. Verder hingen er twee ingelijst in café Doff in Ten Post. Via de kleinzoon kwam hij bij de rustend landbouwer De Koning in Hellum. Die beiden wisten allerlei bijzonderheden over de knipper te vertellen. Al die verhalen zijn door Lever op schrift gesteld en wij vonden ze in de papieren van Line Huizenga-Onnekes. Zij verwerkte die gegevens in het manuscript van haar boek over de geschiedenis van de papierknipkunst.

Geert werd geboren in 1825 te Schildwolde en overleed in 1916 op 92-jarige leeftijd. Hij was stevig en gezet, met grove handen (“klonterig” op z’n Gronings) en liep iets mank. Waarschijnlijk had hij een mankement aan zijn been uit de diensttijd overgehouden. Zelf vervaardigde hij daarvoor een zalf, die hij ook tegen kostprijs verkocht (en geen kwart cent meer, want dat zou zijn geweten bezwaard hebben), maar hij kon er zichzelf niet mee genezen…

In de zomer werkte hij bij de boer, waar hij door zijn been alleen licht werk verrichtte; bij de winterdag was hij stoelenmatter en mandenmaker. Hij woonde in de Hellumer Delden, een stuk laagland tussen Hellum en het Schildmeer. Als men de kleine woning naderde viel direct de kunstige afwatering van de tuin op. Door dijkjes en kanaaltjes had hij het water zo geleid dat het bezwaar van de lage ligging grotendeels werd opgeheven. Trad men de woning binnen, dan zag men in de eenvoudige kamer ook merkwaardige dingen. Langs de wand hingen enige klokken waarvan de houten kasten door Jager zelf gesneden waren. Onder de tafel in de lemen vloer was een zonnewijzer gekrast; de schaduw van de sponning van het raam gaf de tijd aan en zo kon hij zijn klokken op tijd zetten. Ter weerszijden van de open haard waren twee zerkjes gemetseld, waarvan in de ene 14 en in de ander 12 gebeiteld was. Het waren stenen van de oude kerktoren van Hellum uit 1214, die in Jagers tijd was afgebroken en die hij had meegenomen.

Naast zijn handvaardigheid hield Jager zich bezig met sterrenkunde en hij maakte gedichten.

Zijn knipsels getuigen van een bezonkenheid maar ook van poëtische speelsheid. Bovendien is het een diepe godsdienstigheid die in al zijn werk tot uiting komt.” Tot zover een samenvatting van Wiecher Tjeert Levers bevindingen, die daarover ook een artikel schreef in de Nieuwe Provinciale Groninger Courant.

Via internet (Google en Genlias) hebben wij nog wat meer gegevens over Geert Jager en degenen voor wie hij zijn knipsels gemaakt heeft, kunnen verzamelen. We laten acht knipsels de revue passeren. Geert is op 16 mei 1825 geboren als zoon van Reinder Geerts Jager en Elsien Holhuis en hij overleed op 2 jan. 1917 in Hellum, 91 jaar oud. Hij trouwde op 21 mei 1856 te Slochteren met Wypke Jurjens Janssens (1828-1902) die ook in Hellum was geboren en weduwe was van Roelf van der Veen. In acten van 1893 en 1895 worden Geert en Wypke dagloner en dagloonster of dagloonersche genoemd. Het echtpaar kreeg negen kinderen van wie er (minstens) vijf als baby of op kleuterleeftijd overleden.

Omstreeks 1860 woonde het gezin korte tijd in Hellum op de boerderij aan de Hoofdweg 170  en ze verhuisden daarna naar de Hellumer Delden. Hun opvolgers waren Wybe Abrahams Mulder en Jeltje Luitjens de Vrede. Zij waren landbouwers, afkomstig van Veendam en kochten de boerderij met 42  ha voor f 12100. Voor hen maakte Geert in 1863 een knipsel  waarop ze staan met twee kinderen, hun zoontje Abraham van drie jaar en het baby’tje Elsina Henderika (afb. 1, het stuk van de veiling). In de rand knipte hij een tekst uit Psalm 37 vers 2 (Geert  maakte hier een foutje, het was vers 3-4). In de boog boven het gezin staat een tekst uit Spreuken 10 vers 22. Het leven van Wybe en Jeltje bleef niet zo gezegend als de tekst wil doen geloven. Er werden nog tien kinderen geboren, van wie er naast de twee oudsten maar drie overleefden. In 1874 verkochten ze (waarschijnlijk na veel zwoegen) hun bezit en vertrokken weer naar Veendam. Daar werd nog hun dertiende kind geboren dat gelukkig bleef leven.

afb. 1, Geert Jager, Abrahams Mulder en Jeltje Luitjens de Vrede, 1863

In 1850 en 1851 maakte Geert twee knipsels voor Albert Dreise die leefde van 1824-1904 (afb. 2) en zijn bruid Jantje Willems Reinders, geb. 15 jan. 1821 (afb. 103 in Geknipt!). Zij woonden in Schildwolde, dus vlak bij Hellum. Albert kreeg als tekst mee “Dat ’s Heeren zegen op u daal”, een Psalmvers (134) dat vaak bij huwelijken werd gezongen. De gekroonde cirkel heeft de tekst uit Psalm 100: DIENT den Heer met blijdschap…en de boogtekst is uit Spreuken 10 vers 9. In de randtekst voor Jantje staat Psalm 19 vers 4 en in de boog Psalm 100 vers 2. In de bekroonde cirkel heeft Geert het offer van Abraham afgebeeld, met als tekst Spreuken 14 vers 26. In beide knipsels is Vrouwe Justitia afgebeeld, met weegschaal en zwaard. Beide knipsels zijn vererfd via Alberts dochter Jacobje Dreise, die trouwde met Willem Doff te Ten Boer; na diens overlijden in 1900 hertrouwde ze met haar zwager Freerk Doff. Willem en Freerk waren “ververs” (schilders). Een zoon van Jacobje had later een café in Ten Post (gem. Ten Boer) dat bekend stond als café Doff. Daar hingen beide knipsels zoals Lever ze heeft gezien.

afb. 2, Geert Jager, Albert Dreise en Jantje Willems Reinders, 1851

Veel later, in 1871 kreeg Geert de opdracht om een knipsel te maken voor de gouden bruiloft van de ouders van Albert, Johannes Frederiks Dreise en Jantje Steernberg te Schildwolde (afb. 99 in Geknipt!). Het echtpaar staat hand in hand onder een papieren kroon en op een trap zijn de elf kinderen uitgebeeld, elk met het attribuut van zijn of haar beroep of bezigheid. De randtekst uit Psalm 127 gaat over de kinderzegen. Inderdaad zijn in dit gezin alle kinderen: Frederik, Albert, Grietje, Lauwrens, Jacob, Hilko, Harm, Evert, Johannes, Anje en Klaas volwassen geworden, een bijzonderheid in die tijd. De ouders van Johannes kwamen uit het Duitse Saxen-Gotha en waren molenmakers. Johannes oefende hetzelfde beroep uit in Schildwolde en ook enkele zoons en kleinzoons zetten die traditie voort en waren tegelijk timmerman of molenaar.

In 1851 had Geert nog een knipsel gemaakt, voor Jelte J. Laninga (afb 78 in Geknipt!). Hij was de vriend uit zijn diensttijd (geb. 24 okt. 1813). Waarschijnlijk was hij schoenmaker en trouwde met Grietje Remkes Dekker, geboren te Hellum. Verder hebben we over hem niet veel gegevens kunnen vinden. Het stuk draagt geen randschrift, alleen een tekst uit Psalm 25 in de boog, waaraan een gordijn met ringetjes is opgehangen. De zeven deugden zijn afgebeeld: Matigheid, Sterkte, Wijsheid, Gerechtigheid, Liefde, Hoop en Geloof.

In 1886 maakte Geert een knipsel voor hemzelf en zijn vrouw Wypke ter gelegenheid van hun dertigste huwelijksverjaardag (afb. 3). Er spreekt dankbaarheid uit, ondanks hun eenvoudige leven en het verdriet dat ze hebben gehad over de vijf kinderen die vroeg overleden. In de cirkel de bekende tekst uit Psalm 103, vers 2 “LOOF de Heere mijn ziel en vergeet geene van zijne weldaden”. Per ongeluk knipte hij Ps. 303, 2. In de cirkel een man die een vrucht plukt; verder is de opzet gelijk aan zijn stuk voor Albert Dreise. Het was in de tijd van Lever in bezit van kleinzoon Geert, evenals het volgende knipsel.

afb. 3, Geert Jager, 30jarig Huwelijk Geert Jager en Wypke Jurjens

Geert jr. was een zoon van Jurjen Geerts Jager en Annechien Jansema, die trouwden in 1893 en voor wie de oude Geert in 1897 nog een knipsel maakte (afb. 4). Lever heeft dit nageknipt en hij schreef: “Het is of [de knipper] er zijn ganse overtuiging in legt. Of hij in zijn eenvoudige afbeelding van Mozes en Christus met verwijzing naar Joh. 1:17 ‘Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen’, wil wijzen naar de kern van het geloof. Of hij zijn  kinderen een toevlucht wil wijzen door de woorden ‘De naam des Heeren is een sterke toren Sp[reuken] 18’ en hen op hun plicht wil wijzen door het randschrift, met de woorden van Ps 37:2.”

afb. 4, Geert Jager, Jurjen Geerts Jager en Annechien Jansema, 1897

Al in 1892 had Geert een knipsel gemaakt voor Jans F. Zuur en Aafke Harms Kuipers. Zij waren in 1889 getrouwd en woonden in het nabije Harkstede, gem Slochteren. Jans was dienstknecht, dagloner en landbouwer, Aafke was dagloonersche. Ook daar had hij Mozes en Jezus afgebeeld, onder twee bogen, met de Spreukentekst “In de vreeze des Heeren is een sterk vertrouwen”; voor der andtekst gebruikte hij weer Psalm 37. Geert verwerkte zijn initialen GJ in de middelste pilaar. Bovenin staan Geloof, Hoop en Liefde afgebeeld.

In de bijna vijftig jaar dat Geert zijn knipsels maakte, zien we steeds eenzelfde opzet met een randspreuk en een boog met nog een tekst. Waar hij als jong vrijgezel de kunstzinnige inspiratie vandaan had, valt niet na te gaan, mogelijk vanuit zijn tijd als militair of in de ziekenbarak. Behalve dat hij de Bijbel kende, moet Geert ook in de Christelijke afbeeldingen thuis zijn geraakt. Hij kende bijvoorbeeld de zeven christelijke deugden die hij -zoals gebruikelijk- als vrouwenfiguren afbeeldde; hij moet dus veel gelezen hebben of plaatjes gekeken. Mozes is op de klassieke manier weergegeven: zijn gezicht straalde, toen hij met de wetstafels van de berg kwam. In verschillende stukken verwerkte hij in de hoeken harten, versierd met sterren (het lijken een soort vliegers). Line Huizenga vond dat het werk van Geert volkskunst was van de goede soort, maar ietwat zwaar en somber van levensernst: het luchtige, fijne en vrolijke ontbrak volgens haar. Lever was rechtzinniger in zijn geloof en stond wat dat betreft dichter bij Geert dan Line. Als wij Geerts keuze van bijbelteksten op ons in laten werken, stellen we vast dat hij toch vooral blije en moedgevende wensen meegaf in zijn werkstukken.

Lever bespeurde een overeenkomst met de knipsels van een tijdgenoot van Geert, de Zeeuwse Jan de Prentenknipper. Beiden hebben ze pilaren in hun knipsels verwerkt (de tempel van Jeruzalem had twee pilaren, Jachin en Boaz genaamd) en beiden waren vrome christenen. Of Geert, net als zijn Zeeuwse collega een vergoeding kreeg voor zijn werk, weten we niet.

Wat betreft het papier dat Geert Jager gebruikte, dat was oorspronkelijk wit en gemaakt volgens het in die tijd nieuwe procédé waarbij pulp van houtvezels werd gebruikt. Nu zijn ze bruin verkleurd en bros, waardoor niet ingelijste stukken gemakkelijk verbrokkelden (zie afb. 99 in Geknipt!). De enige manier om ze voor verder verval te behoeden is, om het strokarton uit de lijst te vervangen door zuurvrij museumkarton en het knipsel zo mogelijk te ontzuren.

Hopelijk bevinden de diverse knipsels zich nog steeds bij de nakomelingen van degenen voor wie ze gemaakt zijn. Maar het is ook mogelijk dat die er weinig waarde in zien en het ter verkoop aanbieden, zoals het geval was met het knipsel van Wybe Mulder en Jeltje de Vrede dat de aanleiding was voor dit verhaal. Waarschijnlijk bestaan er nog wel meer werkstukken van Geert bij mensen wier voorouders in de gemeente Slochteren hebben gewoond.

Joke en Jan Peter Verhave

Knipsels uit een kunstzinnige familie, Knip-Pers 2007-2

In de Knip-Pers van juni 2001 vroeg de organisator van een Duits museumproject voor knipkunst in Schloss Lichtenwalde bij Chemnitz informatie over een paar Nederlandse knipsels uit de achttiende eeuw. Het ene draagt de uitgeknipte naam “Hillegonda Josina van Orsoy van Winter” (afb. 1) en de andere de initialen P.v.W. en A.L.v.d.P en de naam Lucretia Johanna van Winter (afb. 2). In onze eigen verzameling hebben we ook een knipsel met de uitgeknipte naam “HJ van Orsoy” en een buitenhuis met een juffertje in achttiende eeuwse dracht (afb. 3), door dezelfde knipper.

afb. 1, Hillegonda Josina van Orsoy-van Winter

afb 2, P.W. en A.L.V.P.

We zijn een speurtocht begonnen. Tegenwoordig is het internet via Google een onuitputtelijke bron van informatie. Lucretia blijkt een rijke Amsterdamse dame die een grote verzameling van schilderijen en kunstvoorwerpen had (1785-1845); ze trouwde in 1822 met Jhr. Mr. Hendrik Six, heer van Hillegom, eerste controleur der posterijen en raadslid van Amsterdam. We zijn dus in deftig gezelschap!
De initialen in de andere knipsels waren niet meer moeilijk te duiden: het zijn Lucretia’s ouders, Pieter van Winter en Anna Louisa van der Poorten. Ook dat echtpaar behoorde tot de hoogste stand in Amsterdam: Pieter van Winter was koopman in indigo en verfwaren en commissaris van de weeskamer te Amsterdam en hij was een verzamelaar van kunst (1745-1807). Kennelijk heeft dochter Lucretia die verzameling geërfd. Pieter had verder een uitstekende kennis van klassieke talen (dat was gebruikelijk in de deftige kringen van die tijd) en vertaalde Horatius en Virgilius.

afb. 3, Hillegonda van Orsoy

Pieters vader, Nicolaas van Winter was ook makelaar in verfstoffen en dichter. Zijn vrouw Johanna Muhl stierf toen Pieter een peuter was en Nicolaas hertrouwde in 1768 met Lucretia Wilhelmina van Merken (1721-1789). Ook zij was in haar tijd een niet onbekende dichteres. Dit huwelijk bleef kinderloos en zij voedde haar stiefzoon Pieter op.

Maar wie was nu Hillegonda Josina van Orsoy van Winter? We vonden wèl dat Cornelia Christina van Orsoy, een stiefdochter van Pieter van Winter, trouwde met Mr. Dr. David Jacob van Lennep. Ook hij was een dichter! Bovendien zijn er gedrukte verzen op de bruiloft van het stel bewaard, gedicht door de wederzijdse vaders, Pieter van Winter en Cornelis van Lennep (1 januari 1800). David Jacob (1774-1853) werd hoogleraar in de klassieke talen en geschiedenis aan het Athenaeum Illustre te Amsterdam. Hij en Cornelia Christina werden de ouders van de grote schrijver Mr. Jacob van Lennep (1802-1868), die o.a. Ferdinand Huijck en De Roos van Dekama schreef. Ook heeft Jacob een levensgeschiedenis van zijn grootvader en vader geschreven. Daarin vertelt hij van grootvader Cornelis van Lennep, dat deze achter zijn rug een gelijkend silhouet van iemand kon knippen. Een hele familie van taalkundigen, waarin ook geknipt werd!

De oplettende lezer heeft gemerkt dat Cornelia Christina van Orsoy, Ceetje in de wandeling, een stiefdochter van Pieter van Winter was. Hier hebben we nu het verband tussen beide familienamen. En in het Gemeentearchief van Amsterdam konden we de puntjes op de i zetten:
Hillegonda Josina werd gedoopt op 10 mei 1775  als dochter van Christiaen van Orsoy en Anna Louisa van der Poorten. Zij had een jonger broertje Christiaen en zusje Ceetje, dat later met David van Lennep zou trouwen.
Na het overlijden van hun vader hertrouwde de moeder met Pieter Nicolaesz. van Winter in 1780. En zij bracht dus drie kinderen Van Orsoy mee uit haar eerste huwelijk. Nu werd het opeens heel begrijpelijk dat Hillegonda Josina haar naam knipte, een keer als Van Orsoy, en een andere keer als Van Orsoy van Winter.
Pieter en Anna Louisa kregen samen nog een jongen en een meisje. Men woonde ’s winters in Amsterdam en ’s zomers op het buiten Voorland in de Diemermeer.

Wat eerste een ingewikkeld raadsel leek, blijkt toch tamelijk eenvoudig: het gezin van Pieter en Anna Louisa bestond uit kinderen “van anderen bedde”, en kinderen van het echtpaar samen. Zulke samengestelde gezinnen waren door de hoge sterfte in die tijd een heel gewoon verschijnsel.

Toen we dit alles hadden ontdekt, kwamen we in contact met de nieuwe conservator oude kunst van het Valkhofmuseum te Nijmegen, Ruud Priem. Tot onze verrassing bleek dat hij over Lucretia en haar verzameling een groot artikel had geschreven[1], waarin we nog veel meer informatie vonden en als we het eerder hadden gelezen, was onze zoektocht niet nodig geweest! Daaruit nog wat meer details:

Het gezin van Pieter van Winter woonde ’s winters in huize Saxenburg aan de Keizersgracht. Achter dat deftige en dure huis had Pieter galerijen met zijn schilderijen verzameling ingericht. Rembrandt, Vermeer, Jan Steen en alle belangrijke schilders uit de Gouden Eeuw waren vertegenwoordigd. Een twintigtal was afkomstig van de overleden Christiaan van Orsoy, de eerste man van Anna Louisa die een bemiddeld bankier was geweest. Pieter was steenrijk en bleef verzamelen. Toen hij stierf, werd de collectie van 180 stuks gewaardeerd door de kunstmakelaar Hendrik de Winter (op hem komen we aan ’t eind nog terug) en verdeeld tussen Lucretia en Anna Louisa Agatha, die Annewies werd genoemd. Hun halfzus Hillegonda Josina, of Gonne kreeg geen schilderijen maar een ander deel van de erfenis. Zij zorgde voor het huishouden, eerst in Saxenburg, later in Voorland. Dat prachtige buitenhuis heeft Gonne dus getekend en daarna uitgeknipt. Daarbij nemen we aan dat zij zelf de maakster was.

Uiteindelijk kocht Lucretia een eigen huis aan de Herengracht en nodigde Gonne en Annewies uit om met haar samen te wonen. Ceetje was toen al met David van Lennep getrouwd. Gonne is ongehuwd gebleven en woonde bij haar overlijden op 15 april 1830 aan de Reguliersdwarsstraat bij de Vijzelstraat.

Lucretia is laat getrouwd en heeft in vijftien jaar als ondernemende juffrouw haar erfdeel aan schilderijen en prenten met 53 stuks uitgebreid. Daaronder “Het Melkmeisje” van Vermeer. Het was de mooiste en meest waardevolle particuliere verzameling in die tijd. Na haar huwelijk kwamen de schilderijen in de familie Six terecht en binnen enkele generaties viel de collectie geleidelijk uiteen. Met het erfdeel van Annewies ging het nogal spectaculair: de familie van haar man, Jhr. Willem van Loon verkocht de hele boel aan de Franse kunsverzamelaar Rothschild. Zo verdween een groot deel van Nederlands kunstbezit naar het buitenland.

In vergelijking met al die schilderijen van beroemde kunstenaars vallen de knipsels in het niet, maar ze geven wel aan, dat men zich, ook in deftige kringen bezig hield met de papierknipkunst. Misschien heeft Lucretia er wel iets over in haar dagboeken geschreven… Hoe die knipsels in de verzameling van de Duitse onderzoekster Johanne Müller († 1992) terecht zijn gekomen, is ons niet bekend.

afb. 4, anoniem, ca 1730

Het leek ons leuk om eens te laten zien hoe een speurtocht naar een knipper kan verlopen. Er zijn erg veel knipsels waarvan we geen idee hebben wie de maker is geweest! In ons boekje Schaar-Kunst (1983) noemden we de naam van Hendrik de Winter, als mogelijke knip- of snijkunstenaar van mooie huwelijksstukken en familiewapens. Hij was tekenleraar en kunstmakelaar (zie hierboven), net als de Van Winters doopsgezind, maar geen familie. In de kringen van de Mennonieten werd veel geknipt. We weten nu dat Hendrik geen knipkunstenaar is geweest, maar wie het wel was die o.a. bijgaand knipwerk heeft gemaakt omstreeks 1730? (afb. 4). Zo blijven we puzzelen en het nieuwe boek over papierknipkunst, dat volgend jaar verschijnt, zal vol staan met nieuw ontdekte knipsels, die ons voor raadsels stellen.

Enkele keren hebben we meer geluk en krijgt een knipsel een verhaal; in dit geval van Gonne en Lucretia is bovendien een nog onbekend aspect in het leven van de kunstminnende familie Van Winter naar voren gekomen.

Joke en Jan Peter Verhave

[1] R.C.J.J. Priem, “The ‘Most Excellent Collection’ of Lucretia Johanna van Winter: the years 1809-1822, with a catalogue of the works purchased.” Simiolus 25 (1997), 103-234.

De Papierknipster Hill Bottema, Knip-Pers 1983-1

afb. 1, Hil Bottema, nieuwjaarskaart 1950

Aanvankelijk waren er na de oorlog, in ons land meer mensen die de knipkunst beoefenden, maar vermoedelijk slechts twee personen, die niet alleen lezingen over de historie van de knipkunst hielden, maar ook cursussen in het papierknippen gaven. Deze twee waren Hil Bottema, geboren in 1913 en helaas in 1968 overleden en Mevrouw Kerp-Schlesinger, die nu op hoge leeftijd nog steeds actief is.

Hil Bottema was voorstandster van het decoratieve-, gestyleerde-, symmetrische-knippen, kenmerken die men veel in de Volkskunst en bij oud-Hollandse knipprenten aantreft. Hieruit heeft zij haar eigen sprekende stijl ontwikkeld.

In tegenstelling hiermee knipt Mevrouw Kerp vrijer, althans zelden symmetrisch, in een sprookjesachtige stijl.
Beiden hadden echter één ding gemeen: het weer doen herleven van de oude Knipkunst en de mensen de vreugde van het scheppend bezig zijn te laten ervaren, waarvoor de schaarkunst uitermate geschikt is.

Hil Bottema’s voorliefde ging uit naar Volkskunst. Zij heeft veel gedaan om de mensen hiervoor weer begrip te doen krijgen, en om de oude Volksgebruiken te doen herleven. Zij registreerde, documenteerde en maakte tekeningen en foto’s door het gehele land. Zij kon dit mede doen, door dat zij in 1942 aangesteld was als artistiek leidster hij het Rijksmuseum voor Volkskunde – het Nederlands Openluchtmuseum – te Arnhem. Het was daarom ook niet verwonderlijk, dat men haar in 1961 vroeg de kinderpostzegels te ontwerpen, voor het toen 35-jarig bestaan van deze actie. Hil deed dit dan ook, door knipprenten te maken van verschillende volksgebruiken; Palmpasen, De Pinksterbruid, Sint Maarten, Sinterklaas en Driekoningen.

Wat Hil onder Volkskunst verstond, vatte zij samen door te zeggen:
“De zuivere Volkskunst is datgene, wat mensen op het gebied van scheppend, meestal versierend werk maken, zonder vooropleiding en onbeïnvloed door beroepskunstenaars en stijlperioden”. Zij was, zoals gezegd, voorstandster van het symmetrische-, decoratieve- knipwerk, en vond dit bij uitstek passend voor de. schaarkunst. Dit geeft een gebondenheid, maar tevens een zekere rust, evenwicht en harmonie aan het werk, mits de vlakverdeling goed is. Echte volkskunstenaars hebben hier een soort aangeboren gevoel voor, zoals bijvoorbeeld het werk van de in 1939 overleden visser: “Jan de Prentenknipper” uit Urk.

Het is of ik het Hil nog hoor zeggen: “De silhouetkunst is de kunst van het platte vlak. Wie dus graag voorstellingen met diepte werking wil maken, gaat tekenen of schilderen”.(Uitzonderingen bevestigen echter ook bij haar wel eens de regel.)

Nog een uitspraak van Hil Bottema luidt: “Knipwerk kent twee bestanddelen, meer niet. De vlakken welke zijn blijven staan of werden weggeknipt (zie rand). De verhouding tussen deze beide uitersten en de vormen daaraan gegeven zijn bepalend voor de zuivere stijl van knipwerk. Papierknippen is niet alleen einddoel, maar ook middel, om gevoel voor vlakwerking te ontwikkelen”.
Hier doelde zij bijvoorbeeld op het knippen als middel, om te komen tot stofdruk ontwerpen.

Hil was een veelzijdige vrouw, die zowel kinderen (onder andere bij de Padvinderij) als volwassenen geweldig geïnspireerd heeft op allerlei creatief terrein, en zéker bij ons aller papierknipkunst!!

Toen Hil in 1968 (op 55 jarige leeftijd) overleed, vermaakte zij mij haar knipwerk, nadat zij mij reeds in 1963 het geven van cursussen en lezingen over de papierknipkunst had overgedragen. Omdat Hil ook haar enthousiasme op mij heeft overgedragen, doe ik dit werk nog steeds met het grootste plezier.

To van Waning-Mijnlieff, Arnhem, maart 1983.

afb. 2, Hil Bottema

 

Schaarkunst in Nederland, Knip-Pers 1983-1

Sinds 1945 hebben diverse mensen zich beziggehouden met de historie van de papierknipperij in Nederland. De heer W. Tj. Lever is., geboeid door het knippen, gaan verzamelen. Zoveel, dat hij in Roden en later in Westerbork zijn Nederlands Museum van Knipkunst had, dat een schat aan materiaal laat zien. Jammer genoeg bekijken we het museum nu zonder de verhalen en de kennis van de heer Lever, die niet aan opscnrijven is toegekomen. Desalniettemin spreekt de verzameling boekdelen.

Van anderen zijn gelukkig neerslagen van hun interesse en onderzoek in artikelen of boeken gepubliceerd. Ik noem een aantal publicaties van na de oorlog, die bij een goede bibliotheek ingezien kunnen worden:

Dr. C.C. van de Graft, Papieren Knipwerk* Historia lIde jrg. 1946 pp.l45-155.
Dr. C.C. van de Graft, Geknipte Familiewapenen Historia 11, 1946, pag. 193,194.
Dr. C.C. van de Graft, Papieren Knip- en snijkunst,vroeger en nu, Historia l3de jrg. 1948 pp. 145-149.
Schwencke, Portretten in Silhouetten Wereldbibliotheek 1966.
E,J. Huizenga-Onnekes,  Knipsels in Groningerland, Oud Nederland 1950,p.33-37.
Hil Bottema, Portretschets van een volkskunstenaar, Bijdragen en Mededelingen van het Openluchtmuseum nr. 23, pag. 38-45.
Hil Bottema, Jantje de prentenknipper, de welbekende onbekende van Zeeland, Antiek 2, 1967 p. 80-91.
I.G. Kerp-Schlesinger, Leer knippende zien, Cantecleer, De Bilt 1977.
C.A. van Waning-Mijnlieff. Uit de historie der papieren Snij- en Knipkunst, West Friesland 0ud en Nieuw 35, 1968, p. 102-109.
B. van der Linden-Nijdam, Papierknipsels, Antiekrevue, november 1977, p.15-19.

Hil Bottema heeft, naast publicaties, knipwerk verzameld voor het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, waar zij werkzaam was. Zij heeft veel onder verricht. Ook zij heeft niet de tijd gekregen haar aantekeningen tot een “groter overzicht” over de geschiedenis van het papierknippen in Nederland te verwerken.

Een overzicht van al deze knipstudies komt in een boekje (rijk geïllustreerd), dat binnenkort verschijnt.

Een steeds weer herhaalde theorie hoe Nederland tot het papierknippen is gekomen, is het kontakt met de Oriënt. Tot deze gedachte draagt bij het feit dat China het land. is, waarvan we weten dat er al sinds mensenheugenis papier gemaakt wordt. Men maakt er knipsels en snijdsels om er het huis mee te versieren. Ik kan me niet van de gedachte losmaken dat in ieder huisgezin waar een stukje papier en een schaar waren, men op een gegeven moment ook zonder die link met het Oosten, het materiaal ging uitproberen en figuurtjes ging knippen.

De oudste -ons bekende- Nederlandse knipsels zijn van Anna Maria van Schurman (17de eeuw), die worden bewaard In het Coopmashuis te Franeker. In deze tijd was het knippen een bezigheid voor de gegoede burgerij; zij waren in het bezit van papier. De dames vermaakten zich ermee tijdens theevisites.

In 1686 gaf Johannes ten Hoorn een praktische handleiding voor het papierknippen uit, met suggesties voor materiaal, onderwerpen en modellen. Als het waren schriftelijk onderwijs. Helaas bestaat er nog maar een exemplaar van, dat bewaard wordt in het Rijksmuseum te Amsterdam.

In veel musea in Nederland worden wel een paar papierknipsels bewaard, soms zijn ze in de geëxposeerde collectie opgenomen. Het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem heeft een prachtige verzameling papierknip- en snijwerk!

Het is heel verheugend dat men besloten heeft om een groot deel daarvan dit seizoen te exposeren. In kunt zien hoe geletterde en ongeletterde mensen zich vermaakt hebben met papier en schaar/mes. Heel eenvoudige “boompjes-beestjes”, knipsels en kleedjes, naast ingewikkelde toestanden. Soms weet men in het museum bij een knipsel een heel verhaal; vaker bij veel knipsels van een hand, niets. De meeste knipsels dragen namelijk noch naam van de maker, noch jaartal.

Ter gelegenheid van deze tentoonstelling verschijnt, zoals opgemerkt, eind. april een boekje: “Schaarkunst”. Hierin wordt de geschiedenis van het papierknippen in Nederland verteld en het geëxposeerde materiaal beschreven.Het zal ca. fl17,50 kosten en veel foto’s bevatten.
Het is goed om ons te realiseren dat wij een 300 jaar lange rijke “traditie” van knippen achter ons hebben waarin we, ten opzichte van het buitenland, beslist geen slecht figuur slaan!

Joke Verhave

De tentoonstelling wordt gehouden van 1 april – 30 september 1983
de openingstijden zijn ma. t/m za, 9-17.00 u, zo. 10-1700 u.
In een van de huizen in de “Zaanse buurt” van het Nederlands 0penluchtmuseum te Arnhem.

Kezen knippen, Knip-Pers 2007-1

afb1. Kees met vrijheidshoed. 3.5 x 4 cm (prive bezit)

De keeshond kennen we als een pittige hond met een dikke vacht en een spitse snuit, oplettend, levendig en aanhankelijk, een goede waakhond. Eind achttiende eeuw wordt hij op allerlei manieren in ons land afgebeeld en ook geknipt! (afb 1)  Hij blijkt dan het herkenningsbeeld te zijn voor een politieke partij, die van de Patriotten. Maar komt het door zijn eigenschappen, dat hij zo bij de Patriotten paste? Nee, daar zit een ander verhaal achter.

Eerst maar eens verkennen, hoe de politieke verhoudingen lagen, zo omstreeks 1780. Het was de late pruikentijd en in de Republiek regeerde Stadhouder Willem V. Dat was nu niet direct een krachtig figuur, maar hij had een fikse vrouw, prinses Wilhelmina van Pruisen. Onder de intellectuele bovenlaag van de bevolking ontstond een progressieve hervormingsbeweging die zich tegen de macht van de Stadhouder en zijn regenten keerde. Bovendien waren we in oorlog met Engeland en dat liep niet goed af. De Dordtse bestuurder Cornelis de Gijselaer, zelf een aristocraat, werd de leider van de Patriottische beweging, die tegen Engeland en voor Frankrijk was. Binnenslands streefden ze naar een opleving van de Republiek, in cultureel, politiek en economisch opzicht. Naar hun voorman Cornelis of Kees werden zij de Kezen genoemd. Althans, dat is een van de verklaringen; eigenlijk weet men niet precies waar die naam vandaan komt. Ook gaat het verhaal dat de kapitein van het Delfts exercitiegenootschap veel op een Keeshond leek. (afb 2) Hoe het zij, de Patriotten hebben die scheldnaam aangenomen als een erenaam.

afb 2. Kees met vrijheidsboom in bloemenrand 8 x 4 cm (prive bezit)

Onder de Kezenpartij mengde zich al gauw allerlei volk dat gewoon ontevreden was en wel in voor een vechtpartij. In 1786 waren de spanningen tussen de gewapende vrijkorpsen of exercitiegenootschappen van de Patriotten en de Prinsgezinden zo hoog opgelopen, dat naar de wapens werd gegrepen. De Patriotten wilden macht en waren de onderhandelingen en beloftes van de Prins en zijn conservatieve medestanders zat. (afb 3)  Op verschillende plaatsen kwam het tot een ware burgeroorlog. In april 1787 joegen de Patriotten in Amsterdam en Rotterdam de regenten weg en namen het bestuur in handen. De oranjegezinde marktkoopvrouw Kaat Mossel werd in Rotterdam gevangen gezet en verdedigd door advocaat en dichter Willem Bilderdijk.

afb 3. Vrijheidsboom in hekje 5 x 4 cm (prive bezit)

Intussen had de stadhouderlijke familie zich teruggetrokken in Nijmegen en de Prins wilde verder naar Duitsland. Dat nam Prinses Wilhelmina niet en ze reisde naar Den Haag om met de Staten Generaal te spreken. Op 28 juni 1787 werd ze echter bij Goejanverwellesluis tegengehouden (dichtbij Gouda). Woedend was ze over deze zware belediging en ze vroeg onmiddellijk haar broer, koning Frederik Willem ll van Pruisen, om haar te hulp te komen. Deze stuurde in september 1787 een leger van 20.000 man naar de Republiek en herstelde het gezag van de Stadhouder en de Oranjepartij. Vele patriotten vluchtten naar het buitenland, onder hen de bekende schrijfster Betje Wolff-Bekker (die als meisje van 12 nog een knipsel had gemaakt met “Viva de Prins”, 1750) en ook Gerrit Paape, die een boekje schreef over het silhouetteren (1792).

Die hele periode bestookten de Kezen en de Oranjegezinden elkaar over en weer met pamfletten en karikaturen. Bilderdijk dichtte een lied met de titel “De Scheldnaam Kees bij de Patriotten voor een Eernaam aangenomen”. De plateelbakkers maakten overuren met de productie van kleurige sierbordjes met de afbeelding van Willem en Wilhelmina. Ook knippers lieten zich niet onbetuigd. We zien de keeshond, poot in poot met de Franse haan en ook steeds de Vrijheidsmaagd, in losse kledij, speer met de vrijheidshoed in de vuist. (afb 4)

afb 4. Anti – Patriottisch knipsel 18 x 22 cm (Verz. Hist. Museum Rotterdam)

Ze lijkt verdacht veel op de Franse Marianne! Overigens werd de Kees ook wel als een getrimde poedel afgebeeld. (afb 5 ).

afb 5 Poedel met vogelkooi  18 x 14 cm (prive bezit)

Die Hollandse Maagd werd al in de zestiende eeuw als symbool gebruikt en de puntmuts op de lans was een Romeins symbool: de vrijgekochte slaven droegen die Phrygische muts. Vandaar ook dat de Nederlandse Maagd ook door de Orangisten werd gebruikt als symbool van de vrije Republiek. Een aardig voorbeeld is het politieke knipsel van Anna Doratea Schreuder uit 1787; zij woonde in de Amsterdamse Vijzelstraat. Het toont het profiel van Prins Willem de Vijfde (PWDV), maar ook de Hollandse Maagd en de Nederlandse Leeuw. De andere afkortingen zijn onduidelijk, evenals de strekking van het gedichtje:

Wel Adelaar wat is dat ’t zegge
Hebt gy die Schreeuwert genoome uyt zyn hegge
En gebrogt by de Leeuw
Help Kees riep hy met een groot geschreeuw.

De adelaar slaat waarschijnlijk op de Koning van Pruisen; de schreeuwert lijkt aan de kant van de Kezen te staan.

Anna maakte het jaar daarna nog twee knipsels, waarvan een met de tekst “Oranje zal bloeie zolang de werelt staat, WDVPVO.”

De Patriotten steunden de Franse inval in de Republiek in 1794 en toen was voor de vluchtelingen de kust weer vrij. Men danste rond de vrijheidsboom en de Oranjeklanten moesten zich een tijdlang rustig houden. Toch durfde Gerrit Konsé het in 1798 aan om portretten van Willem en Wilhelmina te maken “konstig in Papier uitgewerkt”. Na verloop van tijd hadden echter veel Patriotten hun bekomst van de Fransen.

Joke en Jan Peter Verhave

afb, 6, extra foto

Gesneden beeste beelden, Knip-Pers 1988-3

In het Paradijsverhaal geeft Adani de dieren hun namen. Door de hele Bijbel heen blijven allerlei dieren een rol spelen en vaak zetten die dieren de mens op z’n nummer. Knippers hebben van zulke verhalen met graagte gebruik gemaakt. Vooral Jan Huyszoon, de Prentenknipper uit Zeeland, heeft veel met dieren opgehad. Een aantal populaire verhalen zullen we de revue laten passeren.

afb. 1 “Van Adani tot Noach”, anoniem, 18e eeuw?, afmeting onbekend, Museum Assen

Na Adam was Noach degene die het beheer over veel dieren had (Genesis 6-8). Het werkstuk van een onbekende is als afb. 1 afgebeeld.

Jan de Prentenknipper heeft zijn veevervoer geknipt en gekleurd en van een wat verfomfaaide tekst voorzien: DE HRK NOAG (op) DEN BERG ERAP (Ararat). Ook Lucas Hagedoorn uit Almelo heeft in 1807 De Zuntvloed geknipt (Schaarkunst, pag. 17, zie ook pag. 27).

Heel bekend is het verhaal van de eigenzinnige profeet Jona, die wegliep van zijn opdracht en in een grote vis tot bezinning kwam (Jona 1-2). Jan de Prentenknipper heeft talloze keren een groen monster afgebeeld, dat JONAS uitspuwt (Schaarkunst voorpagina en pag. 86, 90). Je ziet hem er als het ware uit wegrennen.

Afb. 2, Lucas Hagedoorn, detail van bijbeiknipsel “De raven brengen Elias brood”. Almelo 1810, Museum Almelo.

Een andere profeet op de vlucht was Elia, die na het aanzeggen van een grote droogte bij een beek door de raven werd onderhouden. Ze brachten hem ‘s morgens en ‘s avonds brood en vlees, tot de beek was uitgedroogd (1 Koningen 17). Evenals Lucas Hagedoorn (afb. 2) gebruikte Jan de Prentenknipper ook hier de oude spelling ELIAS (afb. 3) (zie Schaarkunst voorpagina en pag. 86, 90).

afb. 3 Jan de Prentenknipper, bijbellegger met Elia door de raven gevoed en Jonas met de grote vis, gekleurd, 19e eeuw, afm. 10 x 6.5 cm

 

 

 

Arnoldus van Sprang knipte in 1710 een mooie Elia (afb. 4) en ook Pieter Reijnders maakte er een omstreeks 1800, in licht reliëf (Schaarkunst, pag. 78). het verhaal is zo aantrekkelijk vanwege de goddelijke zorg om de mens, via de dieren. Om die reden was ook het verhaal van Daniel het uitbeelden waard. Hij wilde aan Darius, de koning van Babel, geen goddelijke eer geven en volgens de wet van Meden en Perzen werd hij voor de leeuwen geworpen (Daniel 6). De hongerige dieren hadden respect voor deze moedige mens en de koning kreeg eerbied voor de God van Daniel (Schaarkunst, voorpagina en pag. 90).

afb. 4 Arnoldus van Sprang, “Elia en de raven”, 1710, 14 x 14 cm, Museum de Lakenhal Leiden

In Daniel 4 staat het verhaal van    voorganger, koning Nebukadnezar, die zijn stad in ogenschouw nam en vol trots zei: “Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb”. Zijn hoogmoed kwam voor de val en in verstandsverbijstering leefde hij tussen de koeien op het land, at gras en verwilderde. Jan de Prentenknipper knipte dit verhaal als een waarschuwing om eenvoudig te blijven en hij kortte eenvoudigweg af NBKNZ of NKNZAR (Schaarkunst, voorpagina en pag. 90). Tenslotte, en we blijven bij Jan die zo thuis was in zijn bijbel, een minder bekend maar al even boeiend verhaal in Numeri 22. De Israëlieten waren op hun zwerftocht dichtbij het beloofde land gekomen en de benarde koning van Moab huurde een vreemde profeet Bileam om de indringers te vervloeken. Maar de ezel van Bileam werkte niet mee omdat die méér zag dan zijn baas. In blinde woede sloeg Bileam erop los en werd toen door zijn dier verwijtend toegesproken (zie Schaarkunst pagina 90 BLA). Een onbekende knipper beeldde dit verhaal in het groot af, met het rijmpje:

“Heeft Gods bevel op ‘t hart geen klem,
Hij straft het door eens beesten stem.”

Dit knipsel was vorig jaar te zien op de tentoonstelling in het Schevenings Museum.
De knippers hebben deze dierenverhalen vast en zeker aangegrepen, omdat ze zo veelzeggend zijn. Medeschepselen, die het redden waard zijn, die zich inzetten, (fig. 3) die zich beheersen, die ons vernederen of tot inkeer brengen. De prentjes waren niet bedoeld om als de votionalia vereerd te worden. Het tweede gebod is daarin duidelijk genoeg geweest: Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken van wat boven in de hemel is, noch van wat onder op de aarde is, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen …

Ze kunnen je wel bepalen bij je taak als mens en als kunstenaar!

Joke en Jan Peter Verhave

Arie Tergant, Papierknipper uit Winkel, Knip-Pers 1989-2

Arie Tergant (1773-1852)

De papierknipsels van Arie Tergant vormen een uniek voorbeeld van de knipkunst in Noord-Holland in de eerste helft van de l9de eeuw.

afb. 1, Papierknipsel toegeschreven aan Arie Tergant, ca. 1811, Tekst: “Jij Bobeldijk, onderwijser der jeugd.” Jakob Bobeldijk, onderwijzer te Winkel, zoon van Arien Bobeldijk afm. ca. 21 x 26 cm, zonder lijst.

Door het grote aantal bewaard gebleven knipwerken van zijn hand, maar vooral door de in bijna al zijn knipwerken verwerkte teksten, is het mogelijk niet alleen de persoon Tergant te belichten maar ook zijn mede dorpsbewoners en de sociaal-economische achtergronden van een typisch Westfries plattelandsdorp in die periode. Arie Tergant woonde en werkte het grootste deel van zijn leven in Winkel, een dorp vier uur gaans van de stad Alkmaar waar hij op 10 juni 1773 werd gedoopt. Nadat zijn broers en zusters allen het ouderlijk huis hadden verlaten en zijn moeder in 1805 toestemming kreeg Alkmaar te verlaten, vertrok Arie naar Winkel. Zijn leven was niet gemakkelijk. Hij was “gehandicapt” en had grote moeite de eindjes aan elkaar te knopen..

afb. 2, Knipsel door Arie Tergant, anno 1829, gesigneerd, 30 x 35 cm. Deze knipseltjes werden nooit gesigneerd of gedateerd aangetroffen. Ze zijn wel allemaal in bijbels van dorpsgenoten van Arie Tergant teruggevonden, vandaar de naam “kerkboekprentjes”. Afmetingen tussen de 15 en 10 cm.

Hij heeft dan ook om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien, buiten de door hem uitgeoefende beroepen, papierknipsels vervaardigd.

Arie Tergant maakte geboorte-, naam-, huwelijks- en spreukenknipsels. Maar ook knipte hij kleine “kerkboekprentjes”. Zijn eerste, gedateerde knipsels maakte hij in 1811. In deze “vroege” knipsels is de door hem ontwikkelde stijl al volledig aanwezig. Door een vaste indeling en de steeds terugkerende motieven zijn zijn knipwerken direct herkenbaar. Ze vertonen de kenmerken van de Biedermeierstijl, hoewel duidelijk de sporen van de voorafgaande stijlperioden terug te vinden zijn: de bazuin- houdende engelen uit de Empireperiode, de vazen, medaillons en guirlandes in de Lodewijk XVI-stijl. De door hem in zijn latere knipsels verwerkte strikken zijn typische voorbeelden uit de Biedermeierperiode.

Afb. 3a, Twee “kerkboekprentjes”, toegeschreven aan Arie Tergant

Relaterend aan de door Tergant uitgeoefende beroepen van beeldsnijder en timmerman, zijn de door hem verwerkte motieven. We treffen ze nu nog aan als onderdeel van de huissierkunst uit het eind van de l8de eeuw in de Zaanstreek. In West-Friesland werden en worden de zwanen verwerkt in de zogenaamde “uileborden”. Maar ook als uithangtekens van herbergen waren ze geliefd. Een “Tergant-vogeltje” is gebeeldhouwd in de preekstoel van de kerk te OosterBlokker, maar staat ook in stof gedrukt op de omslag van een liedjesboekje uit 1818. Arie Tergant heeft vele knipsels in opdracht vervaardigd, maar zijn kerkboekprentjes kon men, volgens overlevering, voor één dubbeltje kopen. Om een idee te hebben wat dat ene dubbeltje, dus zo’n knipseltje waard was: een timmermansknecht verdiende in Winkel in 1819 fl 0.95 per dag.

Wat Arie Tergant voor zijn grotere knipsels rekende hebben we niet kunnen achter halen. Wel weten we dat hij in 1840 een knipsel heeft gemaakt voor Koning Willem I. Het knipsel werd hem door de minister van binnenlandse zaken terug gezonden, omdat “…als wordende soortgelijke voortbrengselen niet meer aangenomen”. De minister sloot een bedrag van fl 25.- bij.

afb. 3, Huwelijksknipsel door Arie Tergant, anno 1844. Jb Pluister was een rijke boer, hij had steeds twee dienstbodes en een knecht in dienst. Aan de gemeente Winkel leende hij in 1856 fl 2.459.- voor bestrating van wegen. 35 x 45 cm Foto Nederlands Openluchtmuseum Arnhem.

Arie Tergant zijn opdrachtgevers waren veelal de “grote” boeren uit Winkel en de directe omgeving.
Het is ook in deze periode dat de grotere knipsels van Arie Tergant bijna uniform werden. Hij knipte boven de middenmedaillons spreukbanden en liet meestal de strikken weg. De famen komen nog incidenteel voor.

afb. 4, “Pieter Strijker En Neeltje Kamp In Den Echt Verbonden Te Winkel Den 30 April A. 1824.” Pieter en Neeltje behoorden tot de zeer welgestelden van het dorp Winkel.

Knipsels en zeker spreukenknipsels, Arie Tergant heeft ze in groten getale gemaakt, waren geliefd bij onze voorouders.

Zo schrijven de heren Van Lennep en Ter Gouw in hun in 1869 verschenen “Boek der Opschriften”: “Ook vond men vroeger algemeen en vindt men nog in menig burger- of boerewoning spreuken, niet op eenig meubelstuk of gebruiksvoorwerp gesteld, maar op zich zelve, ter versiering van ‘t vertrek. Wij bedoelen die, welke, doorgaans twee in getal, uit wit papier geknipt en op blaauw papier geplakt achter glas in zwarte of vergulde lijstjes in de pronkkamer tegen de wand hingen of nog hangen. Van de 100 malen is 99 malen de ene spreuk: Gedenk te sterven . .”
Het is dan ook deze spreuk waarmee Arie Tergant in 1829 zijn eerste spreukenknipsel maakte.
Omdat zedenspreuken, voortgekomen uit de “Emblemataboeken” cultuurhistorisch een belangrijke rol hebben gespeeld en in de tijd van Arie Tergant tot gemeengoed ge worden waren, zullen de spreukenknipsels een apart thema binnen de tentoonstelling vormen.

Aan de hand van voorwerpen, archiefstukken, prenten, knipwerken van andere knipkunstenaars en vroeg l9de eeuwse foto’s worden leven en werken van Tergant, zijn mededorpsbewoners en het dorp Winkel belicht.

In dit beknopte artikel is geprobeerd een indruk te geven van wat er op de tentoonstelling in het Westfries Museum te zien zal zijn. Het Westfries Museum dankt de redactie van de Knip-Pers voor de medewerking en de beschikbaar gestelde ruimte.

Tonny Jurriaans.

De tentoonstelling in het Westfries Museum te Hoorn is van 27 mei tot 28 augustus 1989.
Op Lappendag, maandag 21 augustus, is het museum gesloten.
Knipdemonstraties worden tijdens de duur van de tentoonstelling gegeven op de woensdagen en zondagen door Jantje III pseudoniem mevrouw J. de Jong-Brouwer.

afb. 5, Arie Tergant

Kopieerkunst van het dagelijks leven, Knip-Pers 1989-2

Zo werd een beetje geringschattend de richting in de kunst genoemd, die in het begin van de vorige eeuw het “huisje-boompje-beestje” wilde afbeelden. Het gevoel van vrijheid, gelijkheid en broederschap in de Franse tijd had afgerekend met de tentoongestelde weelde van de rijken met hun faniliewapens en hun protserige graftombes. Het alledaagse van de gewone man, met zijn ambacht, huishouden en dorpse activiteiten werd het afbeelden waard Maar een ding bleef, het afbeelden naar bestaan de afbeeldingen; omdat men behoefte had schilderijen en portretten te kunnen vermenigvuldigen werden er gravures gemaakt. Op hun beurt werden die gedrukte gravures weer afgebeeld, onder andere in de (beroeps-) knipperij.

Illustraties uit de bijbel werden soms gebruikt en rond 1830 maakte Röemelé in Groningen knipsels naar voorbeeld van gravures van Hollandse zeehavens (Schaarkunst blz. 66-67). Door zijn papier wat te bollen bereikte hij het effect van ruimtelijkheid.

afb. 1, Pieter Reijnders (omstreeks 1800), Dorpsgezicht met ijspret, (afm. onbekend)

Voor hem was Pieter Reijnders in zijn knipatelier druk bezig geweest met het maken van stads- en dorpsgezichten. Hoewel we daarvoor geen bewijs hebben, heeft ook hij vermoedelijk naar voorbeelden van bestaande platen gewerkt. Maar Reijnders had meer in zijn mars, want talrijk zijn zijn plattelandstafereeltjes net rijtuigen, ganzenhoedsters, varkenskopers, haantjes, koetjes, bokkenwagens; allemaal zeer levendig weergegeven. Hij maakte zijn papier nat, bolde het op en voorzag het van ribbeltjes en groefjes waardoor het geheel eruit ging zien als wit reliëf net de suggestie van ruimte. Jammer genoeg is die techniek verloren gegaan, maar al zouden we willen, ons moderne papier leent zich er niet meer voor. Het is te kort van vezel en te houterig.

afb. 2, Cornelis Bavelaar sr. De Zijilpoort te Leiden, hout, 17 x 24-5 cm

Er waren ambachtslieden die verder gingen in het maken van ruimtelijke tafereeltjes. Dat waren vader en zoon Bavelaar uit Leiden. Vader Cornelis was beeldhouwer en leefde van 1747-1830. Hij maakte van been en hout allerlei dorpsgezichten, soms maar van 5 x 10 cm, die hij vatte in een diepliggende lijst. Speciaal onderscheidde hij zich in het nabouwen van prenten van Leidse stadspoorten in een ruimtelijk geheel. Zijn zoon en naamgenoot Cornelis junior (1777-1831) werd timmerman en trad later in vaders voetspoor; hij noemde zich in 1825 voor ‘t eerst “kunstwerker”. Toen kon hij er kennelijk van leven.

afb. 3, A. Delfos, 1762. Zijlpoort. kopergravure

Voor zover ongesigneerd, zijn de werkstukken van vader en zoon niet gemakkelijk te onderscheiden. Omdat ze dezelfde naam hadden en vlak na elkaar overleden, werd het later een kunstenaar Cornelis Bavelaar en de ruimtelijke miniatuurtjes kregen de naam “Bavelaartjes”.

Dat achternamen soortnamen worden, was misschien al wel bekend. In de knipperij kennen we de silhouetten, genoemd naar de zuinige minister van financiën in Frankrijk, Etienne de Silhouette. Een latere stadgenoot van de Bavelaars was de fotograaf Kiek, wiens naam in het kiekje voortleeft.

Het gebruik van het begrip bavelaartje betekent natuurlijk dat ook de ruimtelijke werkstukken van andere “kunstwerkers” zo genoemd werden. In Schaarkunst (blz. 110-114) staan er een paar afgebeeld en ook in deze tijd vinden mensen er hun plezier in om kijkkastjes te bouwen.

De “echte” bavelaars blijven bij verzamelaars erg geliefd. Kregen de makers er vroeger ongeveer fl 10.- voor, nu gaan ze voor fl 4000.-. De unieke diorama’s met echt Nederlandse onderwerpen en vaak heel geestige details vonden veel aftrek bij Engelse kopers. Er zijn er nog zo’n 350 bekend, maar vader en zoon hebben er samen mogelijk wel 1500 gemaakt. Is het kunst? In ieder geval kunstig hoe met een platte prent als voorbeeld een stadsgezicht weer diepte kreeg, maar ook origineel hoe het dagelijks leven verbeeld werd in miniatuur.

afb. 4, Cornelis Bavelaar sr. of jr. Binnenhuisje, hout, 7 x 12 cm

Intussen heeft een bavelaar weinig met papierknippen van doen. Als genre konden de papierreliëfs van Reijnders zich ruimschoots meten met de bavelaars. Waarom we dan toch aandacht aan die ruimtelijke knutselwerkjes besteedden? Toos Dietz vertelde ons op de Contactdag over haar bezoek aan het Leidse Museum De Lakenhal met de verzameling bavelaars. Bij het voorbereiden van de tentoonstelling in Scheveningen had ze gemerkt dat de bavelaartjes en hun makers ook in onze kring best wat meer bekendheid waard zijn.

Wie meer over de bavelaars wil weten, raden we de mooi geïllustreerde catalogus aan “Leven in Miniatuur”, die niet voor de “Slegtste” prijs in de tweedehands boekhandel te koop is (de afb. 2-4 zijn hieruit overgenomen).

Joke en Jan Peter Verhave.