Categoriearchief: publicatie

Kroon op het knip werk, Knip-Pers 1990-1

afb. 1, Frans ter Gast, Koningin-Moeder Emma (uit: Appeltjes van Oranje)

Het was eigenlijk wel te verwachten. De Haagse knippers kozen voor de zesde Contactdag, vorig jaar, heel vaak de Gouden Koets, “hun” paleizen en de koningin. Hagenaars léven met het koninklijk huis!
Direct na de oorlog waren de Oranjes natuurlijk een dankbaar onderwerp voor sommige knippers. Frans ter Gast maakte in 1948 een boekje met gedichten en knipsels “Appeltjes van Oranje”. Ook Wiecher Lever toonde in die tijd zijn aanhankelijkheid aan het koningshuis.

In de collectie Lever, die in 1988 werd geveild, bevonden zich een zevental bijzondere Oranjeknipsels. Ze werden in 1877 gemaakt door “Zijne Majesteits getrouwe onderdaan J.E. Hilzer te Neuzen” (Terneuzen). Heel apart is dat de teksten op de achterkant zijn getekend, waardoor de gele, zwarte of rode voorkant van het sitspapier de teksten in spiegelbeeld laat zien. Dat kon toch niet de bedoeling zijn. Wij houden het er op, dat Hilzer (over hem weten we verder nog niets) steeds dubbel papier heeft geknipt en de “goede” teksten heeft opgestuurd aan Koning Willem III.

Ook Arie Tergant uit Westfriesland had in 1840 al een knipwerk aan de Koning (Willem 1) aangeboden. Het werd met vijfentwintig gulden aan de maker teruggestuurd “als wordende soortgelijke voortbrengselen niet meer aangenomen”. Tegenwoordig zou dat ongeveer honderdmaal zoveel zijn, een koninklijke prijs! Curieus is het verhaal, dat de organisatoren van een tentoonstelling over Jan de Prentenknipper in 1967 te Wemeldinge, aan Koningin Juliana bij haar bezoek een origineel knipsel van Jan wilden aanbieden. Uiteindelijk was iedereen ervan overtuigd dat zij het niet boven haar bed zou hangen en kreeg ze een ander origineel cadeau. Maar in de overlevering van een familie die zo’n knipsel bezit, heeft de stellige mening postgevat dat de Koningin zélf er fl 17.000.- voor geboden had. Dat lijkt ons wat ál te royaal…

afb. 2, Frans ter Gast, Cupido, Bernhard en Juliana (uit: Appeltjes van Oranje)

Aan de andere kant van de Zuiderzee maakte Auke Roorda een geweldig groot stuk ter herinnering aan de 7lste verjaardag van Zijne Majesteit Willem III, Koning van Nederland. Voor wie zou hij het bestemd hebben? Nu ligt het, zwaar beschadigd, in het museum It Coopmanshûs te Franeker.

In het Fries Museum te Leeuwarden is ook al een geknipt eerbewijs te vinden; het is een letterknipsel “HULDE aan WILLEM III Koning der Nederlanden, Groot Hertog van Luxemburg enz. enz. enz. Bij gelegenheid van Zijner Majesteits eerste bezoek als Koning, in Friesland. Leeuwarden den 20n April 1852.

Voor Koning Willem II en Koningin Anna Paulowna maakte Hendrik Kuyper uit Noordwolde omstreeks 1842 zijn bewijzen van koningstrouw.

afb. 3, J.E. Hilzer, H.M.Sophia Frederika Mathilda, Koningin der Nederlanden, Geel, 22 x 26 cm, Particulier bezit

Weer terug naar Noord-Holland. Koninklijke bezoeken waren in die tijd evenementen, die men zich nog lang heugde. Toen Koning Willem I Wijde Wormer en Purmerend bezocht in 1842, maakte Neeltje Prijs, de vrouw van Huibert Eenhoorn in de 3 tot 6 jaren daarna twee enorme applicaties van gekleurd papier, die tot in de kleinste details feestelijke optochten langs versierde grachten en markten laten zien, Het museum van Edam heeft er een, die ondanks de deplorabele staat de moeite van het bekijken waard is.

afb. 4, Anoniem, Viva Oranje 1815, 13 x 10,5 cm, Particulier bezit

Maar ook in een eenvoudig hart met “Viva Oranje” uit 1815 kon een onbekende zijn of haar blijdschap uitdrukken over de terugkeer van Willem, de eerste Koning der Nederlanden, na het vertrek van de Fransen.

 

 

 

 

 

Oranje is altijd actueel geweest. Dus, knippers van Nederland, de schaar in de aanslag: Cora van Mora is geknipt als prinses!

afb. 6, Hendrikus Wilhelmus Kuyper, Koning Willem II, 19 x 12 cm en Koningin Anna Paulowna, 18.5 x 11 cm, Fries Museum.

Joke en Jan Peter Verhave

Snippers van knippers, Knip-Pers 1989-4

In ons boekje Schaarkunst noemen we als een achttiende-eeuwse knipper David van Freney, belastingambtenaar te Hasselt bij Zwolle.

Zijn naam hebben we te danken aan wijlen Mr. Steenbergen, die afstamde van een zus van Davids echtgenote. Het echtpaar Freney had zelf geen kinderen gehad en Davids broer erfde zijn bezittingen, waaronder zich een Statenbijbel bevond. En daarin vond meneer Steenbergen een viertal knipsels, waarvan hij omstreeks 1955, op grond van een geschreven aantekening achterop een van die knipsels, meende dat David de maker was. Nu hebben wij meerdere knipsels van dezelfde hand ontdekt; een daarvan was gedateerd 1752, de andere 1771, terwijl David (officieel David Lambertus van Ferney) pas in 1776 was geboren (Schaarkunst blz. 44, 86—89).

afb. 1, Wapenknipsel Van Ferney. Zeeuws, toegeschreven aan Jacobus JansenHij kan dus niet de knipper zijn geweest; maar zo gemakkelijk als het lijkt is het niet. Want David, een niet onverdienstelijk tekenaar en dichter, had een veel jongere halfbroer, Johannes Kornelis van Ferney, griffier en vrederechter te Hasselt en vanaf 1838 kantonrechter te Ootmarsum. En deze Johannes had met schaar en mes uit papier een groot tempelachtig bouwwerk gemaakt, met acht taferelen uit het leven van Jezus. Dit wordt bewaard in het gemeentehuis van Hasselt, samen met nog andere van zijn bavelaarachtige knipsels (afb. 3).

afb. 3, Bavelaartjes met het leven van Jezus, gevat in een classicistische tempel. Gesigneerd: J. van Ferney, Stadhuis Hasselt.

Maar ja, het feit dat de ene broer een handige knutselaar was, maakt de ander nog niet tot knipper. De knipsels moeten dus op een of andere manier in de familie Ferney gekomen zijn. Ze zijn gemaakt voor bruiloften in Doopsgezinde koopmansfamilies in Noord-Holland. Een verband tussen die families hebben we tot nu toe niet kunnen ontdekken.

Voor verwante Zaanse families zijn in dezelfde tijd en stijl knipsels gemaakt door een ándere kunstenaar, die onder voorbehoud H. van Winter genoemd is. Over hem weten we verder ook niets (zie Schaarkunst bl. 59-60, 70-71). Hij zou ook Nicolaas Jut (omstreeks 1755) kunnen heten, die was Doopsgezind. Misschien was er maar een knipper, die zowel slordig seriewerk als fijn snijwerk maakte (afb.2).

afb. 2, Wapenknipsel (families onbekend), toegeschreven aan H. van Winter. 29 x 19 cm Foto Nederlands Openluchtmuseum. Particuliere verzameling

Om het nog ingewikkelder te maken: een derde knipper met overeenkomstige stijl vinden we terug in Zeeland, nota bene weer in verband met de familie Ferney. Het geslacht was Zeeuws: eerder genoemde broers David en Johannes waren geboren in Middelburg en in 1795, resp. 1810 verhuisd naar Hasselt. Hun moeder was een Sohier en háár twee zussen trouwden met de gebroeders Serlé. Uit de familie Serlé dook op een veiling onlangs een zogenaamd “scrapboek” op, een plakboek met allerlei dierbaarheden. Daarin onder andere twee geknipte of gesneden heraldische stukken; het ene is het familiewapen van Ferney (afb. 1). Het andere wapen bleek op het Centraal Bureau voor Genealogie niet bekend. Wel herkennen we de stijl van de maker: een ander snijdsel van hem (of haar) staat in Schaarkunst op blz. 25 afgebeeld, dat in 1722 gemaakt werd voor het éénjarige meisje Elisabeth Cornelia Plevier, dochtertje van een predikant uit Zierikzee. Jacobus Jansen Dzn. schreef er met pen een opdracht in; zou hij de knipper zijn, of heeft hij een ons onbekende kunstenaar opdracht gegeven om iets moois te maken? Elisabeth trouwde later met een Jacobus van Ferney, neef van de grootvader van David en Johannes, de broers die we al eerder noemden.
Kunt u het nog volgen?

De Zeeuwse knipper heeft onder meer ook het wapensnijdsel gemaakt voor de Vlissingse burgemeester Jacob Winkelman (omstreeks 1735); dat is vorig jaar uit de collectie Lever aangekocht door het Westfries Museum.

Het leek ons aardig om eens een voorbeeld te geven van een ingewikkelde legpuzzel. We hebben te maken met twee of drie knippers uit de eerste helft van de achttiende eeuw, met een vergelijkbare stijl, in de omgeving van het Zeeuwse geslacht Van Ferney en rond Haarlem. Hun werk is bekend, maar hun naam niet. We blijven zoeken, want alleen met een naam kunnen we meer bijzonderheden te weten komen.

afb. 4, Naamsnijdsels voor een bruiloftsdiner. (Zie ook Knip-Pers 1984-1, 1986-1). Vroeger toegeschreven aan David L. van Ferney. Foto Nederlands Openluchtmuseum.

Joke en Jan Peter Verhave

Een verrassing III, Knip-Pers 1990-2

Als ik over ouderwetse knipsels schrijf kan ik met een ouderwets woord beginnen:
“Wederom” zijn hier eerst nog enige knipsels uit 1742 aan de orde, die tot de serie behoren waarover ik in twee voorgaande afleveringen van de Knip-Pers heb geschreven. Er waren daarbij geen namen bekend, en ook de hier afgebeelde wapens kende men niet in de familie.

Als anekdote zal ik echter het volgende vertellen:

Toen ik het boekje waar de knipseltjes in lagen voor het eerst doorkeek, was ik zeer benieuwd of er enige naamsaanduidingen te vinden waren. Doch alleen het wapen, waarin de leeuw over twee ankers geplaatst was (afb. 1), vertoonde drie hoofdletters “P”.

afb. 1, anoniem

Wie schetste echter mijn verbazing toen ik achterin het boekje nu niet direct een wapentje, maar wel twee engelen boven een naamschildje zag, met het opschrift P. Salm (zoals ik las). Ik was dáárom zo verbaasd omdat ik een aangetrouwde neef heb, die Pierre Salm heet en dus met P. Salm ondertekent. Zo vroeg ik aan de eigenares van de knipsels of die naam soms in haar familie bekend was. Waarop zij smakelijk lachend tegen mij zei: “Nou, die had dan zeker een vrouw die Gé Zang heette!!” En ik aanvankelijk nóg niets in de gaten. Jullie wel? – Kijk, er staat achter die P geen punt. Dus staat er gewoon het woord “Psalm”. En met “Gé Zang”, zoals mevrouw zei, bedoelde zij dus “Gezang”. (afb. 4)

 

afb. 2 anoniem

afb. 3, anoniem

Dan was er nog het prachtige knipseltje van “Mercurius” (afb. 3), in de Romeinse oudheid de God van de Handel. Volgens de Griekse mythologie heet hij Hermes. Ook hier gold hij als de God van de Handel, maar tevens als de boodschapper der goden, en als de God van de Slaap en de Dromen. Met zijn toverstaf (caduceus genoemd) opende en sloot hij de ogen. Zijn staf is een tak van een olijfboom, met banden versierd en omwonden door twee slangen, die aan weerszijden van de staf hun koppen naar de top brengen, waarop een zonneschijf met twee vleugels prijkt.

afb. 4, anoniem

Hermes wordt altijd met vleugeltjes aan zijn helm en schoeisel afgebeeld en meestal -zo ook hier- met een geldbuidel in zijn hand.

 

 

 

 

 

In aansluiting op eerdergenoemde wapenknipsels wil ik nog wat aanhalen hetgeen over dit onderwerp geschreven staat in “Het Konstig en Vermaakelijk Tijdverdrijf der Hollandsche Jufferen” – uit 1686, waaruit ik in voorgaande artikelen ook reeds citeerde. En waarover ik al zei, dat het zo uitzonderlijk jammer is dat de bijbehorende patroonbladen nergens meer zijn. Bij het hoofdstuk over het knippen van stads- en andere wapens wordt namelijk overal verwezen naar het honderdtal patroonbladen, die hierop betrekking heb ben. Een paar gedeeltes, zoals die oorspronkelijk stonden afgedrukt, vindt u hier in de Knip-Pers. En ik heb er, waar mogelijk, enkele wapens bij gezocht waarop deze gegevens van toepassing zou den kunnen zijn. Hierdoor krijgen jullie in ieder geval dan ook een reeks verschillende wapenleeuwen en kroontjes te zien.

 

Tot slot staat hieronder nog blz. 36 uit “‘t Konstig Tijdverdrijf” afgedrukt, en wel “Het dertiende Hooftstuk, Van de Hondert Tallen der Modellen” geheten. En dit, om te laten zien hoe vreselijk jammer het is dat deze NEGENHONDERD patroonbladen, die vol stonden met afbeeldingen, nérgens meer zijn.

Het zou een geweldige verrassing zijn als hier wat van boven water kwam. Net zo toevallig als mijn vondst van de oude knipsels van 1742, die per slot van rekening ook per ongeluk bij het opruimen van een zolder opdoken.

Na deze derde aflevering van “Een Verrassing” zou dát dan een geweldig sluitstuk zijn!

Overgenomen uit:
De afbeeldingen van wapenleeuwen en -kroontjes van verschillende plaatsen, zijn Overgenomen uit:
“De Gemeente Wapens van Nederland”, door Kl. Sierksema. Uitg. ‘t Spectrum, Utrecht.

Een handig boekje om bij een bibliotheek eens in te kijken, omdat er veel afbeeldingen in staan die men voor knipsels benutten kan: zwaantjes, ooievaars, koetjes, hazewindhonden, paarden, bomen, letters enz., die in de wapens voorkomen.

To van Waning-Mijnlieff

Een verrassing II, Knip-Pers 1990-1

In de voorgaande aflevering van de Knip-Pers, 1989-4, hebben jullie kunnen lezen over de witte knipsels anno 1742, die ik op het spoor was gekomen. Daarbij haalde ik gedeelten aan uit het oude boekje -anno 1686- “t Konstig en Vermaakelijk tijd-verdrijf der Hollandsche Jufferen”. En ik beloofde daar meer uit te citeren; Zo gaat het in hoofdstuk twee: “Over de kennis en verkiesing der werktuigen en stoffen”:

“Het gereedschap is een groote schaar; om het papier dubbeld te snyden, en twee kleyne, om in enkeld papier te snyden: en een scherppuntig mesje om papier mee te snyden. De schaaren moeten subtijle en scharpe punten hebben, die wel over malkanderen koomen, gelijk van lengte, die wel koomen te sluyten, die niet gaapen of van malkanderen staan; de schaaren moeten wel in ‘t harden getempert zijn. Het eene kleyn schaartje sal men besonderlijk houden, om eenige fijne dingen meede te knippen; en het andere om alles enkeld te snyden. Men moet’er op letten dat de punten van de schaartjes door vallen of steeken niet koomen te bederven of breeken, of stomp of scheef worden. Jaa, men moet de schaaren alleen tot dit snygebruyk houden en bewaaren; sonder dat men daar eenige linnen, draden, of dik papier meede doorsnyd.

De oogen der schaartjes moeten bewonden zijn met eenige sije of saije draaden, opdat de teedere Jufferen, door het gedurig of veel snyden geen eeldt of plekken aan de vingeren krijgen; ‘t welk aan haar vingeren een mis of ongemak soude veroorsaaken, en wel licht den lust in de Konst uytbluschen. By de schaartjes moet men dikwijl ook gebruyken de punt van een kleyn mesje; om eenige sneeden te maaken, daar men met de punten der schaartjes niet kan by komen. Doch dit snyden met het mesje moet niet geschieden op alderley hout: maar alléén op een glad geschaaft Lindenboomen bortje; welk Lindenhout sacht is, en de mesjes sullen daardoor niet breeken of verderven; indien ‘t met voorsichtigheyd geschied, ander hout is’er te hard toe. Hiertoe behoort dan noch 2 bordtjes “waagenschot” glad geschaaft, om daartussen ‘t gesneeden werk te perssen.

Eenige naalden moet men ook hebben, van verscheyden punten in dikte, om hier of daar een gaatje in te steeken, na het vereysch van ‘t werk. Het was wel niet van nooden te vermaanen, dat men moet schoon gewasschen handen hebben; om wit papier te snyden; dewijl de jufferen gemeyn haar handen schoon houden; maar de handen moeten ook niet besweet zijn soo, omdat daar door de schaartjes roesten, als omdat het papier bemorst word; want wit is lichtelijk besmet.”

En dan gaat het in het begin van het derde hoofdstuk over: “Het snyden in ‘t gemeen”.

“Eer ik tot verder onderwijs koome; soo moet ik eerst seggen,.dat het snyden verscheyden is, in verscheyden opsichten. Eerstelijk, ten aansien van de handeling; soo is het snyden onderscheyden, in draijen en in knippen.
DRAIJEN is, als men in ‘t of onder het snyden, het papier draayd, soo dat het gesneden beeld, of de sneed rond of rondachtig word; ‘t welk meest te pas koomt. Dit maakt alles glad, swierig en çierlijk; deese draay-sneede kan ons een goed schrijimeester met een pen-trek niet naavolgen, noch ook een schilder met sijn penceel; soo in lichtigheyd van werk, als in losheyd en subtijlheyd. KNIPPEN is, als men korte sneeden snyd, en de schaar tot aan de punt toekoomt; soo dat men spitsen en punten maakt. Al wat men kan door draaysneeden doen, sal men door geen knipsneeden snyden.

“Hooftstuk: Van het groot snyden” Het is vooral van nooden, dat die eerst begint te leeren snyden, het in het groot geschiede maer niet terstont in ‘t kleyn: want soo wie sulx doet, sal tot geen volkomentheyd geraaken. De reden hiervan is, dat men alle misslagen beter in ‘t groot kan sien, dan in ‘t kleyn, door dien de kleynheyd de misgreepen verdonkert.
Alle die dan het snyden soeken te leeren uyt dit boekje, sonder meester ‘t welk gemakkelijk kan geschieden; die moeten een groote lust en yver hebben, met een naarstigheyd sonder verdriet, want lusteloosheyd en traagheyd is een vijandin van alle goede konsten en weetenschappen. Indien iemant konde wat teykenen, dit soude al wat meede helpen. Doch soo iemant die niet teykenen en konde, die behoeven sich daarom van dese konst niet te laaten afschrikken, doordien ik selfs eerder iets fraays konde snyden als teykenen. Ja, het snyden in sijn grond aangemerkt, is niet anders als een teykenkonst, die in sijn omtrek alleen bestaat. Suyverder en Reijnder geschied dit, met een schaar of mesje, als het morssen met hout-kool, rood-aard en pot-loot. Ik ben selfs seer licht en gemakkelijk door de snykonst tot de teykenkonst gekomen.

Men mag door dese knipkonst veele fraayigheden maken, en bedenken: voor Heeren en Jufferen, die haar tijd in een vermaakelijk en welleevend geselschap soeken te besteeden. Welk nuttig en eerlijk vermaak niemant kan misprijsen of verachten, of het most een blok van een mensch zijn, die alle menschelijke wellevendheyd had uytgetrokkenl!”

Wij moeten hierbij wel duidelijk vermelden dat bij dit oude boekje uit 1686 iets van wel 300 patroonbladen hebben behoord, die er niet meer zijn en waar in alle hoofdstukken telkens naar ver wezen wordt. Hierdoor is het boekje natuurlijk voor het grootste deel zeg maar gewoon ontoegankelijk. Helaas, helaas!!

In het “sevenste hoofdstuk”, dat onder meer gaat over “Het enkeld snyden”, staat bijvoorbeeld “En gelijk wy nu geleert hebben door het verhaal van de 100 modellen om dubbeld in ‘t groot te leeren snyden, soo vereyste de order wel dat wij beginnen wederom met een 100 tal Modellen in ‘t groot, om alle boomen, blaaden, bloemen, gebouwen, menschen, en beesten te leeren maaken.”

Bij punt zeven staat:

“Alle beesten, als haasen, konynen, vossen, eekhoorntjes, verkens, herten en vogeltjes; moet men géén oogen maaken, door een punt van een dikke naald; géheel geen oogen, wel te verstaan, als men die in ‘t kleyn snyd, want, de oogen gauw te groot zijn naa proportie van ‘t lichaam.”

Punt acht:

“Paarden, ossen, koeyen, ezels en soo voort, moet men niet maaken, tenzij dat men die wel snyden kan; want die qualijk gesneeden, sullen als een fout in ‘t werk zijn.”

En onder “de besondere Reegulen” staat verder:

  1. Den mensch die is, als het hooft en meesterstuk van God in de Schepping booven alle andere dieren. Daarom moet men met sonderlinge opmerkinge die maaken, soo om de verscheyden actien, als om de verscheydenheyd van sexe, drachten en ouderdom. Om dit te bekoomen s00 gebruykt men eerst eenige modellen die gesneeden te koop zijn.
  2. Men moet letten als men een mannetje snyd, dat het hoofd of tusschen de beyde beenen koomen, of booven één been, anders soo valt het mannetje. Let maar op de proportie van het lijf, ‘t welk vereyscht word, meede in ‘t snyden ook van dieren. Hier moet men letten op alles ‘t geen de teykenkonst in sijn om trek heeft.
  3. Het paard dat men niet al te wel in ‘t kleyn kan navolgen, moet men soodanig maaken, dat er een gelijkheyd of proportie zij in al sijn deelen, anders is ‘t lam en onaangenaam voor ‘t oog. Dat de 2 beenen die een paard in ‘t gaan oplicht wél gesneeden worden! Selden siet men se wel fijn gemaakt. Jaa ook bij de teykenaars siet men dikmaal daaraan misgreepen begaan. Hier diende men de çieraden (soo noem ik het,) als de maanen, staart en klaauwen niet te vergeeten.
  4. De achterste beenen van een hert, wi haas, hond en vos die zijn alleens, met geen of weynig onderscheyd; hetzy dat d’ dik of dunder beenen heeft als d’ander. De staart van den haasenwind en moet niet te lang of te dik zijn, noch de ooren te groot of te lang, het lijf rank, de beenen lang en dun, soo meede den haas.
  5. Alsoo kan men dan door naaldpunt of door het punt van een ysere stift verbeelden wol der schapen en haar van koejen en bokken.”

Maar, dan staat er onder punt 12 hoe hij vindt dat je letters moet knippen. En dan zeg je toch wel, van ja kom zeg, zó kan ik het ook! Hoor maar:

“Soo jemant geneegen is om letters te snyden, soo soud ik hem raaden, hij hij papier koope, dat sonder inkt gedrukt is, vol van alderhande A.B.C. Men sal dan die letteren elk besonder (apart) uyt snyden, en dan uytgesneeden hebbende, die wederom te vervoegen tot een woord, en van woorden tot spreuken en naamen. Want anders moet men doch 25 letteren eerst teykenen, en voor sich leggen, om naa te snyden, het welk meer en onseekerder werk is, als gedrukte letteren -sonder inkt naa te snyden: dewijl het bijnaa onmogelijk is, alle letteren in goede proportie naa te snyden. Hierin is gemak een çieraad.”

To van Waning-Mijnlieff

Wiecher Tjeert Lever, kunstenaar met papier en schaar, Knip-Pers 1983-2

afb. 1

In de jaren veertig, toen er over de in vergetelheid geraakte knipkunst meerdere publicaties begonnen te verschijnen, kon mijn vader zich gerichter in de geschiedenis van de knipkunst gaan verdiepen. Voor hem waren deze publicaties zeer welkom, omdat hij reeds in de jaren voor de Tweede Wereld Oorlog in zijn vertegenwoordigerschap, oud knipwerk was gaan verzamelen, dat hij vaak in de noordelijke provincies tegenkwam. Als klein jongetje was hij al begonnen met het knippen van poppetjes en kleedjes als tijdverdrijf op het turfschip van zijn ouders, tijdens de vaart.

In die jaren werd de knipkunst niet gezien als een beroep waarmee je in je onderhoud kon voorzien; daardoor beoefende mijn vader het tot in 1949 als hobby. In de jaren tot 1949 stelde hij zijn beroep hem in staat on het grootste gedeelte van de dag door te brengen in de vrije natuur. De afstanden die hij iedere dag moest afleggen om bij zijn klanten te komen, werden gefietst. Hij had altijd een zakboekje bij zich en een potlood en stapte regelmatig van zijn fiets om dieren en planten in een schets vast te leggen. Kwam hij ’s avonds thuis en was niet te moe, dan legde hij deze schetsen voor zich neer op de tafel en knipte ze uit de vrije hand terug. Omdat hij zijn werk aan zijn klanten liet zien, werd er meer en meer de aandacht op hem gevestigd en verschenen er in 1946 reeds allerlei artikelen over zijn werk in kranten en tijdschriften.

Voor het tijdschrift Hobby [1] schreef hij een artikel waarin hij de techniek van de papierknipkunst uitlegt aan de hand van enkele illustraties; één daarvan is het werk van zijn leerlinge Antje Pronk. In dit artikel schrijft hij onder andere: “Poppetjes is nog eenvoudiger (dan kleedjes). Als we een stuk papier dubbel vouwen en de vouwlijn als lichaam-as gebruiken, is het gemakkelijk het overtollige zo weg te knippen, dat we een half figuurtje overhouden. Bij openvouwen hebben we dan een mannetje of vrouwtje, dat er als het ware om vraagt, een rondedansje te beginnen. Door het blad nogmaals te vouwen en voor zover de papierdikte dit toelaat nog enkele, kunnen we de kring naar verlangen vergroten. We werken steeds met de vouwlijn in de linkerhand”. Hieruit blijkt wel duidelijk dat hij van het begin af aan zijn publiek heeft proberen te interesseren voor het beoefenen van de knipkunst, als was het op no zo’n eenvoudige manier.

afb. 2 poppetjes knippen

De uitgave van zijn handleiding “Op nieuwe wijs naar oude trant” in 1952, was hier een logisch uitvloeisel van. Deze wordt nu nog altijd in een herziene uitgave als werkmap uitgegeven.

Mijn vaders bezetenheid voor de knipkunst en de natuur werd hem niet altijd in dank afgenomen. Zijn vader verweet hem, dat hij niet met zijn handen wilde werken en dat hij altijd “alle vogeltjes zag vliegen”. Hij zag er toen duidelijk geen brood in en volgens hem zou het nooit wat met hem worden. Ook in zijn eigen gezin had hij het er vaak moeilijk mee en werden in het begin zijn schaartjes nog wel eens verstopt,

Ondanks deze negatieve reacties zette hij toch door en kon hij zijn ware aard niet verloochenen. In 1949 durfde hij het aan om van zijn hobby zijn beroep te maken en lukte het hem door keihard en lang te werken er zijn gezin van te onderhouden. Hij reisde nu door heel Nederland met schaar en papier en kocht bij vele antiquairs het knipwerk op. Dit kon toen nog voor weinig geld, omdat het oude knipwerk nog door velen als niet waardevol werd gezien, en het daardoor vaak achteloos tussen allerlei prullaria te recht kwam. Zelfs al kon hij zijn geld er eigenlijk niet aan uit geven, toch kocht hij veel knipwerk aan. Zijn verzameling origineel knipwerk en het door hem gekopieerde werk, was in 1960 zo groot ge worden, dat hij besloot een museum te stichten. Zoals bekend had de gemeente Roden, ook met het oog op toerisme, er veel belangstelling voor en werd in januari 1961 door hem het Nederlands Museum van Knipkunst gesticht, dat nu in Westerbork is gevestigd en sinds zijn dood door zijn tweede vrouw wordt voort gezet.

afb. 3

Dat mijn vader zoveel met zijn knipkunst heeft bereikt, is te danken aan het feit dat hij elk schaars vrij uurtje in de natuur probeerde door te brengen om nieuwe inspiratie op te doen. Het is ook altijd de natuur geweest, die hij het liefst uitbeeldde.

Naast het knippen van portretten was het uitbeelden van dieren en planten zijn sterkste kant, [2]

 

 

 

 

Tobia Lever.

Noten:
[1] W.Tj.Lever, “Over knipsels en hun vervaardiging”, Hobby jrg.1. (1946), p. 191 -193.
[2] W.Tj.Lever, “knipprenten als Volkskunst”,  Hobby jrg.1. (1946), p. 206 – 207.

Voor een exactere levensbeschrijving verwijs ik naar een verschenen artikel in het Roder Journaal van 24 maart 1983, met daarin de door mij verstrekte gegevens.

 

 

De romantische dood, Knip-Pers 1986-3

Vanaf 1 november 1986 tot 6 januari 1987 wordt in het Westfries Museum te Hoorn de tentoonstelling “De Romantische Dood” gehouden.Tegelijkertijd verschijnt bij uitgeverij Unieboek het boek “De dood onder ogen”.

De romantische reactie in de 19de eeuw op het realisme van de 18de eeuw uitte zich uiteraard ook bij zaken van dood en rouw. De begraafplaatsen die werden aan gelegd nadat het begraven in de kerken was verboden, waren parken met monumenten, treurwilgen en kronkelende laantjes waar alle gelegenheid was om te mijmeren over de vergankelijkheid van het leven. Kleding en sieraden boden volop mogelijkheid om uiting aan rouw te geven. De herinnering aan de doden werd op de begraafplaatsen levend gehouden met monumenten en thuis met haarwerken, bidprentjes en knipsels.

Het Westfries Museum bezit een anoniem knipsel ter nagedachtenis aan een zekere Pieter Vader, overleden in 1839, met een rand van takjes en bloemen en bazuinblazende engeltjes (afb 1). Een Westfries knipsel uit particulier bezit is gewijd aan Alida Groot uit Wadwaay, overleden in 1902. Hier is de hartvormige voorstelling voorzien van een crucifix.

afb. 1, Rouwknipsel met de tekst Pieter Vader, Overleden 1839, Den 13 D Z Rer. Anoniem. sterk vergroot.

Daarnaast zijn er de “Gedenk te sterven” knipsels zoals dat van Arie Tergant (Alkmaar 1773 – Winkel 1852) in het Westfries Museum. Het knipsel is gesigneerd en gedateerd 1829. Het met veel krullen geknipte Gedenk te Sterven, wordt omgeven door de tekst:

“0 Mensch Gedenk U Dood Daar Gy Nog Heden Staat Want Eenmaal Naakt De Tyd Dat Ook IJ Sterfuur Slaat”.

Een soortgelijk knipsel van Tergant met de toevoeging; “Wie Gy Zyt Let Op De Tyd”, wordt bewaard in het museum Betje Wolff. De Zaanse Oudheidkamer bewaart een knipsel van de Alkmaarder knipper De Jongh uit het derde kwart van de 19de eeuw met de waarschuwing: “Zie toe waakt en bidt want gy weet niet wanneer de tyd is”.

De in rouwknipsels gebruikte symbolen zijn dezelfde als die op grafmonumenten en vanitas stillevens. Zij houden verband met de tijdelijkheid en vergankelijkheid, bijvoorbeeld een zandloper die soms gevleugeld is, want: De tijd vliegt. Een bellen blazend kind betekent vergankelijkheid: Het leven is als een zeepbel. Een symbool betreffende de eeuwigheid is Ourobores, de slang die zichzelf in de staart bijt. Op verrijzenis uit de dood en reïncarnatie wijzen onder meer graanhalmen en vlinders. Van het graan zegt de bijbel dat het sterft, waarna de korrels in de aarde opnieuw vrucht dragen. De vlinder ontstaat uit een rups die schijnbaar dood als pop in een cocon zit. Bovendien betekent het Griekse woord psyche zowel ziel als vlinder.

Onder invloed van de 18de eeuwse opgravingen werd de Romeinse urn populair. Terwijl de op begraafplaatsen veel voorkomende treurwilg zich uitstekend leent voor rouwknipsels.

afb. 2 Rouwknipsel door Arie Tergant (1829) “Gedenk te Sterven”, het in calligrafieletters geknipte middenstuk is los van de rest van het knipsel en ligt op een blauw fond. De opengeknipte dubbeltjesrand op verkleurd goudpapier en het resterende deel op een zwart fond.

Nauw verwant aan de knipkunst was het werken met haar. Deze uit Engeland overgewaaide rage was bij uitstek geschikt om de herinnering aan een geliefde levend te houden. In Penelope, een populair damesblad dat in de eerste helft van de 19de eeuw verscheen, stonden tal van tips voor het maken van kunstwerkjes in haar. Allereerst werd aangeraden toch vooral geen haar uit handen te geven. Men was dan immers nooit zeker of dat haar niet werd vervangen door dat van iemand anders.

afb. 3, Portret van de in 1898 overleden Margaretha Eijken, geheel omgeven door haarwerk. Collectie Westfries Museum.

Men gebruikte als ondergrond voor een medaillon, broche of hanger een stukje glas of ivoor. Glas had het voor deel dat het voorbeeld eronder kon worden gelegd. Op ivoor moest men rechtstreeks tekenen en plakken. Voorbeelden werden afgebeeld in tijdschriften, maar er waren ook speciale boekjes vol kleine gravures in de handel. Het makkelijkst was het werken met ragfijn gesneden haar. De schaduwpartijen en lijntjes van een prentje werden stuk voor stuk nagetrokken met lijm en dan bestrooid met haar. Vervolgens werd een andere kleur haar daarover aangebracht om contrasten te vormen. De omtrekken werden nagetrokken met oostindische inkt. Voor bloemblaadjes werden kleine stukjes bladgoud of perkament geknipt waarop een toefje haar werd geplakt, na drogen onder een plankje of persje werd het blaadje even opgekruld boven een warme stoof en dan op de glazen of ivoren ondergrond geplakt.

Voor grotere vlakken vlocht men “matjes” van verschillende kleuren haar zodat een dambordpatroon ontstond. De matjes werden in de gewenste vorm geknipt en dan bevestigd. Om het haar zo veerkrachtig mogelijk te laten blijven schreef Penelope voor:

“Men legt dan deze haren, glad gekamd zijnde, tamelijk uitgespreid op eenen neteldoekschen lap, legt er eenen andere over, en rijgt het haar tusschen dezelve ruitsgewijze vast. Nu werpt gij wat assche in een pannetje; daarop het matrasje met haar, en vervolgens water. Dit laat gij omtrent een uur koken; neemt het dan uit het water, spoelt het ter degen, en drukt het tusschen de handen uit; laat het drogen, nog in den lap zittende. Eindelijk neemt men het er uit, kant en borstelt het, tot het geheel zuiver van alle asch en weer glanzend is, en bewaart het dan tot gebruik”.

Grafstenen, urnen en dergelijke werden van bladgoud gemaakt. Bij de goudsmid waren kleine lettertjes en cijfers te verkrijgen om initialen en sterfdata aan te geven. Kransen werden gevlochten van gouddraad en tenslotte werd er gebruik gemaakt van miniscule pareltjes, kraaltjes en stukjes edelmetaal.

Als de dames aan het werk waren werden omstanders geweerd en de vensters gesloten, want een kleine beweging of een zuchtje wind was voldoende om het werk van uren verloren te doen gaan.

R.J. Spruit, Directeur Westfries Museum

Broodknipper of bijbaantje, Knip-Pers 2009-3

Deze begrippen geven de indruk dat mensen altijd knipten om geld in de knip te krijgen. De werkelijkheid is gelukkig anders, zoals we allemaal weten. Want wat is er aardiger dan om iemand te verrassen met iets dat je zelf gemaakt hebt. Toch zijn er onder ons ook knippers die in opdracht werken, bijvoorbeeld voor een bruidspaar of een nieuwgeborene. En een enkeling komt in contact met een galeriehouder en samen bepaalt men dan de verkoopprijs. Het hangt er natuurlijk heel sterk vanaf hoe kunstzinnig of vernieuwend het knipwerk is. Durf, techniek en vormgeven in de ruimste zin bepalen de aantrekkelijkheid van een stuk papierkunst en of de koper het gevraagde bedrag ervoor overheeft. Wij zetten de uren die we aan een stuk besteden meestal niet om in een uurloon, het plezier van het maken is onze verdienste.

Afb. 1.  F.H. van Voorst, vaandrig. Wapen Goes, met legerattributen (detail), 1727

Nu zijn er binnen de vereniging heel weinig knippers met een kunstzinnige opleiding. Laat staan dat wij van de knipkunst kunnen leven. In Zwitserland is dat wel anders. Daar hebben talloze opgeleide kunstenaars zich met schaar en mes op het papier gestort. Aanvankelijk waren er nog velen die de traditionele opzet van hun negentiende eeuwse landgenoten Hauswirth en Saugi volgden, maar tegenwoordig zijn de Zwitserse knippers vooral vormgevers die prachtige werkstukken maken en er prijzen voor vragen die er niet om liegen. Onze Hogescholen voor de kunst houden zich helaas niet met vormgeven in papier bezig. Ook op de tweejaarlijkse Papierbiënnale zijn het vooral buitenlandse papierkunstenaars die hun werk tentoon stellen!

In het recente verleden was er een knipper die wel van zijn werk kon leven: Wiecher Tjeert Lever. Naast inkomsten uit zijn museum in Westerbork knipte hij silhouetten, ook op zakelijke feesten. En ’s winters maakte hij honderden kleine knipseltjes die hij inlijstte en ’s zomers verkocht.

afb. 3. Jan de Prentenknipper, marskramer. Kerkboekprentjes, Salomo’s Eerste Regt (en Abrahams Offer); Doet Regt, plm 1850

Ook Jan de Prentenknipper maakte omstreeks 1850 zijn voorraden in de winter en ventte die uit op zijn tochten over de Zeeuwse eilanden, van huis naar deurtje. Die paar centen waren net genoeg om in leven te blijven, maar ’s winters moest hij een beroep doen op de diaconie voor brood en turf.

Zijn tijdgenoot in Noord-Holland, Arie Tergant was timmerman. Hij maakte veel tekstprenten in een mooie stijl en kreeg daar ongetwijfeld voor betaald. Voor een prent die hij naar de koning stuurde kreeg hij f.25.-. dat was toen een half maandloon. Maar aan de opdrachtgevers in zijn directe omgeving zal hij waarschijnlijk niet veel meer dan een dagloon gevraagd hebben.

afb. 3. Jan de Bleijker, predikant. Bijbelse voorstellingen, plm. 1750

In Rotterdam woonde Johannes Kopper, die bakker was. Door zijn succes met het knippen van -vooral- schepen op zee, gaf hij zijn bedrijf er aan en kon hij omstreeks 1770 leven van zijn schaar. Een tijdgenoot was dominee Jan de Bleijker in Alkmaar. Hij maakte vooral huwelijksprenten en kon zo zijn honorarium aanvullen.

Zo’n vijftig jaar eerder weten we iets van de prijzen die Frederik Hendrik van Voorst kreeg. Daar waar hij grote stukken perkament bewerkte voor stadsbestuurders van Nijmegen, Tiel en Goes kreeg hij 50 tot 100 gulden. Dat hing af van de grootte en voornaamheid van betreffende stad. Van Voorst was vaandrig, waarschijnlijk een soort erebaantje in een legereenheid, en omdat hij van (lage) adel was, zal hij ook wel op het familiekapitaal hebben kunnen teren.

En er was ook nog een huisvrouw, Johanna Coerten, getrouwd met Adriaan Blok. Omstreeks 1700 waren haar geknipte  portretten en sierstukken zeer gewild bij voorname bezoekers. Zij vroeg en kreeg prijzen waar Rembrandt jaloers op zou zijn! Maar omdat zij er zolang aan werkte, wilde ze haar werk eigenlijk niet verkopen. Dat was ook niet nodig want haar man verdiende als lakenhandelaar immers de kost.

afb. 4. Cornelis Moojen, onderwijzer. Kinderen, dieren en bloemen, plm. 1950

Zo zijn er in de loop van de geschiedenis allerlei voorbeelden te vinden van ambachtslieden die het knippen als bijbaantje hadden: vader en zoon de Jongh – huisschilders in Alkmaar en Haarlem, Jannes Grootenhuis – kleermaker in Overijssel, Johannes Stompff, leerlooier te Haarlem, Jacobus Verhoeve, hortulanus te Rotterdam, Cornelis Moojen, onderwijzer te Amsterdam en winkelier Evert Root, ook in Amsterdam. Wat zij voor hun knipwerk kregen, vermeldt de historie niet. Ongetwijfeld hebben zij, net als wij plezier in hun creatieve werk gehad. We blijven ons steeds verbazen dat zij, zonder contact met elkaar en zonder een stimulerende vereniging zulke heel eigen kunststukken maakten en daarmee geschiedenis hebben geknipt.

Joke en Jan Peter Verhave

Geknipt voor de koning van Groningen, Knip-Pers 2010-3

In Groningen staat een huis,
en in dat huis woonde een Heer.
Het staat op de Ossenmarkt en de Heer was Jan Albert Sichterman, een steenrijk koopman halverwege de achttiende eeuw. Hij had als jong officier eens in een duel om de gunst van een jonge dame zijn rivaal doodgestoken. Duelleren mocht toen alleen nog zonder de tegenstander te doden. Nu moest hij zich uit de voeten maken, monsterde aan bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en vertrok naar Indië en daarna naar Bengalen. Dat is nu een provincie van India en het aangrenzende Bangla-Desh. Hier maakte hij carrière en verzamelde een fortuin.

En die Heer die had een Vrouw,  Sybilla Volkera Sadelijn, rijke dochter van de directeur van Bengalen. Sichterman volgde zijn schoonvader op. Na 28 jaar keerde de familie terug naar Groningen, met een kostbare huisraad, waarvoor twee zeeschepen nodig waren. Daaronder een levend neushoorntje, Clara genoemd, dat tot vermaak van de gasten vrij mocht rondlopen. Toen het dier te groot werd, verkocht Sichterman het en de nieuwe eigenaar trok er heel Europa mee door. Meerdere kunstenaars hebben Clara vereeuwigd.

De familie had het breed en liet het breed hangen. Naast al het oriëntaalse moois, breidde het echtpaar zijn kunstcollectie, schilderijen, serviezen steeds verder uit. Ze lieten zich in een rijtuig met zes paarden vervoeren, met “donkere negers” op de bok. Sichterman strooide elke week geld vanaf zijn bordes naar de paupers. Hij was een rokkenjager en had het vooral op domineesvrouwen gemunt…en er was wel meer dat het daglicht niet kon verdragen, zeker op financieel gebied. Maar bij zijn dood in 1763 bleek hij op te grote voet geleefd te hebben en een groot deel van de inboedel moest worden geveild. Uiteindelijk heeft het Groninger Museum een mooie verzameling voorwerpen, die ooit van “De koning van Groningen” waren, in haar bezit gekregen.

En de Vrouw die had een kind, wel meerdere, maar één meisje is belangrijk in ons verhaal. Zij trouwde met een Schotse edelman en nam een aantal dierbare stukken uit de boedel mee naar Schotland. Daaronder een knipwerk. En dat werd onlangs door een verre nakomeling uit Schotland te gelde gemaakt. Het Groninger Museum kocht het voor een lief prijsje van een kunsthandelaar; na 250 jaar was het terug in Stad.

Het is dan ook niet zomaar een knipseltje. Het is gemaakt voor het zilveren huwelijksfeest van Jan Albert en Sybilla Sichterman-Sadelijn in 1746. De Latijnse tekst “Nil vinclis dulcius illis” luidt: Niets is zoeter dan deze boeien (namelijk die van het huwelijk; maar of die twee zo gelukkig waren samen, valt te betwijfelen, gezien de escapades van Meneer).

afb. 1, J.C. Koster, “Nil vinclis dulcius illis”, 1746, 31 x 36,5 cm

Het stuk is voor een knipwerk bepaald indrukwekkend (31 x 36,5 cm), rijk versierd en zeer fijn uitgewerkt. Het is van lagen wit papier, waarin reliëf is geperst. Tussen de pijlers van een tuinhek zien we een opgetuigd VOC schip voorbij zeilen. Boven de boog van het hek en tussen twee siervazen de putti, of gevleugelde kindengeltjes, die de familiewapens van het echtpaar ophouden (een eekhoorn en een zadel). Die wapens komen nog eens voor op de pijlers, samen met die van de ouders van wederzijdse moeders (“kwartierwapens”).

Rond het hekwerk zijn bloemguirlandes en klimop gedrapeerd. Tegen de pijlers staan de attributen van Mercurius en Neptunus. Deze Romeinse goden en/of hun attributen vertegenwoordigden de handel en scheepvaart, en komen vaak samen voor op gevels van statige huizen in havensteden. De tekst onderin luidt: “Door nutte koopvaardye bloeit Indus maatschappye”. Dat lijkt een nobel motto, maar de VOC had vooral ten doel om De Republiek te laten profiteren van Indië; in ieder geval is Sichterman rijk geworden door handel en zeevaart (dat verbeeldt ook de hoorn van overvloed, rechts).

De kunstenaar moet een begaafd iemand geweest zijn; hij heeft zijn naam, C. Koster Inv & Fec 1746, rechts onder het schip aangebracht (C. kan natuurlijk ook een vrouw zijn geweest).

afb. 1, J.C. Koster, “Nil vinclis dulcius illis”, 1746, detail

En Koster was niet de enige kunstenaars die schepen knipte: lang voor hem in 1685 maakte Gillis van Vliet in Rotterdam mooie schepen (zie Geknipt!, afb. 8). Koster’s tijdgenoot was Jan Kopper, ook uit Rotterdam, die veel schepen en grote zeegezichten knipte (Geknipt!, afb. 212, 213). Een uitdaging was het om die opgetuigde zeilschepen zo fijn mogelijk uit te werken en zulke kunststukken werden dan ook zeer bewonderd.

Maar… Koster is ons onbekend en ook zijn stijl van werken, herkennen we niet in ander knipwerk uit de achttiende eeuw. Toch moet hij (Cornelis?) in zijn tijd bekend zijn geweest en mooi werk hebben gemaakt; zo’n kunstwerk maak je niet zo maar en hij was dus in 1746 al zeer bedreven. Anders zou hij de opdracht van Sichterman niet hebben gekregen. Zo moeten we constateren dat er steeds nieuw knipwerk opduikt, en dat is dan weer aanleiding voor nader onderzoek. In Schaarkunst uit 1983 kenden we 70 knippers uit de geschiedenis bij naam; in 2008 toen Geknipt! uit kwam waren dat er meer dan 200 en die lijst zal nog wel groeien.

Maar waar moeten we zoeken naar deze knipper Koster? In Groningen of misschien in Holland? Dat laatste is niet onwaarschijnlijk, want Sichterman gaf de Haagse hofschilder Philip van Dijk opdracht om in 1745-’46 portretten te schilderen van hem, zijn vrouw en al zijn kinderen. Wellicht is Koster te vinden in de kring van Van Dijk, die ook kunsthandelaar was. We gaan maar eens op zoek in het westen van het land.

Joke en Jan Peter Verhave

Met de scheer in ’t geweer, Knip-Pers 2010-1

Oorlogszuchtig zijn onze knippers niet geweest. Wapentuig en kanongebulder is maar zelden afgebeeld. Nu is de Republiek en later het Koninkrijk der Nederlanden ook niet zo vaak in oorlog geweest. De Tachtigjarige oorlog valt buiten ons bestek, want knipsels van voor 1648 zijn er maar heel weinig. Dan zijn er een aantal Zeeoorlogen met de Engelsen uitgevochten in de 17e eeuw en tegen het eind van de 18e eeuw kwamen de Fransen. In 1831 trok het Nederlandse leger op tegen opstandige Zuiderburen en meer dan een eeuw later werd Nederland bezet door Nazi-Duitsland.

In de Tweede Nederlands-Engelse Oorlog vernietigt Admiraal Michiel de Ruyter de Engelse vloot bij Chatham in 1667. Van dit tafereel op de Thames is omstreeks 1790 een levendig knipwerk gemaakt in papierreliëf, door de Nederlander J.S. d’ Arnaud (afb. 1). Het Britse vlaggenschip “Royal Charles” dat werd buit genomen, is duidelijk te zien.

afb. 1, J.S. d’ Arnaud, ca 1790

Als er geen oorlog was, dan toch nog wel een leger. In 1691 laat Luitenant Kolonel Christoffel van Voorst zijn familiewapen uitsnijden in perkament (afb. 2). Hij was geboren in 1673 en al op zijn zeventiende jaar Majoor van een Infanterie Regiment. In 1693 trouwt hij met Elisabeth van Breugel, en toen zijn hun beider familiewapens door dezelfde kunstenaar, J.C. Grosce, uitgesneden. Het echtpaar vertrekt naar de Kaap, waar Christoffel in de boeken voorkomt, omdat hij in 1695 zijn slaaf Titus verkoopt.afb. 2. J.C. Grosch

We kennen nog een militair die zelf uit perkament heel mooie sierstukken sneed: Frederik Hendrik van Voorst, vaandrig. Afgaand op de heel verschillende familiewapens, waren zij geen familie van elkaar. Kennelijk is vaandrig geen zware baan, want F.H. vervaardigt omstreeks 1720 veel kunstige stukken in opdracht. Zo verdient hij er ook nog wat bij. Voor de burgemeesters en bestuurders van verschillende steden maakt hij grote stukken (afb. 3), waarbij achter het stadswapen allerlei vaandels en kanonnen tevoorschijn komen.

afb. 3, F.H. van Voorst, ca 1720

Dan is er in 1768 de Luitenant der Schutters van de Amsterdamse Gewapende Burgerwacht, in wijk 56, Gerard Adriaan Onderdelinden. Hij leeft van 1748 tot 1787, trouwt met Alida Brouwer en krijgt bij haar zes kinderen. Het knipsel met de mooi gekalligrafeerde letters (afb. 4) is gemaakt na zijn twintigste verjaardag (hij was gedoopt op 12 januari en het knipsel is gedateerd 9 maart). De maker is onbekend.

afb. 3, anoniem, 1768

In de Franse tijd trouwt Jan Roelof Haverman met een meisje Schut. Hij is geboren in 1788 het huwelijk zal wel omstreeks 1810 zijn voltrokken. Hij draagt het gala-uniform van een officier, waarschijnlijk in het Franse leger (afb. 5). We weten verder niets van dit stel, maar het is aardig om te weten dat zijn voornaam 150 jaar later nog steeds voorkomt in de familie Haverman. Wie het prachtige knipsel heeft gemaakt, weten we evenmin.

afb. 5, anoniem, ca 1810

afb. 6, Jan de Prentenknipper, na 1815

De slag bij Waterloo in 1815 betekent het einde van de Franse overheersing en de val van Napoleon. Jan de Prentenknipper heeft er zo’n twintig jaar later een heel levendig tafereel van geknipt (afb. 6). We zien allerlei onderdelen, infanteristen, cavaleristen, artillerie van Engelsen, Pruisen en Nederlanders die tegen de Franse legers optrekken. In de gevechten vallen veel doden.

Ook over de invasie van de Engelsen op Walcheren in 1809 maakt hij een prent. Jan heeft later ook wel boekenleggertjes geknipt met wapentuig….

Jan Joseph Jöbsis uit Limburg is infanterist. Tijdens de Tiendaagse Veldtocht tegen de opstandige Belgen (1831) maakt hij portretjes van zijn kameraden in uniform, meestal samen met hun geliefden thuis.  Hier is afgebeeld Martin J. Magnin en tegenover hem Hinderkje A. Bouwers (afb. 7). Over hen hebben we geen verdere gegevens gevonden. Jöbsis wordt daarna gelegerd in Nijmegen en trouwt er met de dochter van zijn sergeant. Jöbsis heeft verder veel godsdienstige onderwerpen geknipt.

afb. 7, J.J. Jöbsis, ca 1831

De Nederlanders van die tijd zijn maar wat trots op die Tiendaagse. Daarvan getuigt een letterknipsel door H. de Heide (afb. 8). De krullen zijn zo weelderig dat de tekst slechts met moeite te lezen is: “Hollands Eer en Roem Gehandhaafd te Hasselt en Leuven door den Prins van Oranje, Veld Maarschalk en Opperbevelhebber van het Nederlandsche Leger, Op den 8 en 12 Augustus 1831”. Intussen is de expeditie een flop en België scheidt zich af. Van De Heide weten we ook niets en we kennen geen ander knipwerk van hem.

afb.8. H. de Heide, ca 1831

Tenslotte, de Tweede Wereldoorlog. De schimmensnijder Frans ter Gast snijdt in de hongerwinter een aantal platen, die in 1946 worden gedrukt in een bundel Sage en Feit uit Oorlogstijd. Hij beeldt de levensomstandigheden tijdens de bezetting uit en maakt politieke karikaturen, o.a. van de collaborateurs. Afb. 9 toont de N.S.B.-er cadetten, “de nieuwste soort marionetten, alleen maar laarzen en petten. Men moet er geen tronie in zetten.”

afb. 9, Frans ter Gast, 1946

Zou er ooit iemand een knipsel hebben gemaakt over de U.N. Vredesmacht in Libanon, de Balkan, of over het Nederlandse leger in Afghanistan?

Joke en Jan Peter Verhave

Een schaarse kunstenares, Knip-Pers 1989-3

Dit voorjaar was er in het Teylers Museum te Haarlem een tentoonstelling “Portrettisten van Flora”, over Haarlemse schilderessen in de vorige eeuw. Een van hen was Elisabeth Johanna Koning, geboren in 1816, die ook vaardig blijkt te zijn geweest met de schaar. We ontdekten het te laat, maar haar verhaal is toch opmerkelijk genoeg om door te geven.

Dat knippen was zo bijzonder niet, want meisjes uit betere kringen moesten zich op hun taak in het leven voorbereiden en allerlei handvaardigheden oefenen. Men vond dit soort van geknutsel overigens typisch iets voor meisjes. Hildebrand, de Haarlemse schrijver van de “Camera Obscura”, probeerde de overbezorgde moeders ervan te overtuigen dat ze hun jongens niet zo tuttig moesten opvoeden: “gij laat hem doosjes leren plakken en nuffige knipsels maken”. Dat was misschien nog iets voor een bleekneuzig enig zoontje met blauwe kringen onder de ogen, maar niets voor een Hollandse jongen!

Bij Betsie was er toch wel iets bijzonders aan de hand: ze was gehandicapt geboren, met een gedeeltelijk ontwikkelde rechterarm, zonder hand. Toch was ze een gezonde meid, die zich goed kon handhaven tussen haar zeven broertjes en zusjes en ‘t liefst in jongenskleren aan de spelletjes meedeed. Met haar linkerhand werd ze ongelofelijk handig en als meisje van 15 richtte ze haar eigen album met knip- en plakwerk in. *)

Aanvankelijk waren het traditionele landschapjes uit wit papier op een zwarte ondergrond; later versierde zij ze met kleine stukjes gekleurd papier. Ze beeldde bekende stadgenoten uit en noemde die haar “plakpoppetjes”. Haar leeftijdgenoot Nicolaas Beets kwam bij de familie aan huis en toen hij, als Hildebrand, zijn “Camera Obscura” had geschreven, beeldde Betsie de figuren uit. De schrijver kreeg er een cadeau, wat hij altijd als een dierbaar aandenken heeft bewaard. Het plakboek is, veel later, zelfs gebruikt als voorbeeld voor de costuums in een toneelstuk over de familie Kegge, bekende figuren uit de Camera!

afb. 1, Met de “vier” uit toeren, uit de Camera Obscura.

Betsies vader, “monsieur Koning”, die een particuliere school voor jongens had, heeft haar zelf onderwijs gegeven; samen met de jongens kreeg ze aan een eigen lessenaar tekenles. Hij ontdekte dat zijn dochter meer in haar mars had en deed haar in de leer bij een schilderes, Henriëtte Knip (!). Ze leerde bloemen en dieren tekenen en schilderen en dat deed ze zo goed, dat ze haar producten naar tentoonstellingen stuurde. Ze kreeg opdracht de zeldzame bloemen in de kassen van Haarlemse kwekers uit te beelden. Haar werk viel in de prijzen en ze verkocht zelfs een schilderij aan Koning Willem II. Het Haarlems tekencollege “Kunst zij ons doel” (zoiets als een knipkring) accepteerde haar als lid en in 1845 werd Betsie zelfs lid van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Ze ging veel reizen en begon aan andere dames tekenles te geven. In 1851 bezocht ze de Wereldtentoonstelling in Londen en vier jaar later die in Parijs. Dat gereis was ook een beetje om het verdriet te vergeten over haar overleden verloofde. In 1859 trouwde Betsie met de koopvaardijkapitein Stapert en maakte met hem een reis naar Indië, waar ze een groot aantal aquarellen van bloemen, vruchten en insecten maakte. Toen het gezin later in Groningen en Rotterdam woonde heeft ze zich ook daar steeds met de kunst bezig gehouden, naast de zorg voor haar man en kinderen.

Het knipwerk was jeugdwerk gebleven. Jammer, want als ze het was blijven doen, had ze het met haar talenten zeker boven het dilettantistische uit kunnen tillen. De typische figuurtjes uit het album, samengesteld uit strookjes, snippertjes en puntjes van gekleurd papier, zien er zo gracieus en levendig uit. De mensen in hun modieuze kleren bewegen zich natuurlijk; zo klein als ze waren, had elk een eigen gezicht gekregen. Ook de dravende paarden, met of zonder koets, zijn uitstekend weergegeven. Opvallend is een kerstman, met zijn door een hert getrokken slee.

afb. 3, Schommelende kinderen

Maar papierknippen was toen, en wordt nog steeds hoogstens als kunstig beschouwd. Betsie is zich gaan wijden aan tekenen en schilderen; nu liggen haar bloemportretten in mappen in museumdepôts. Onlangs werden ze weer eens tevoorschijn gehaald. Was dat omdat ze een vrouw was, gehandicapt bovendien, of om haar kunst? In ieder geval was Betsie Stapert-Koning iemand met doorzettingsvermogen, die plezier had in wat ze deed voor zichzelf, in een tijd dat vrouwen werden geacht hun talenten te wijden aan hun gezinnen.

Joke en Jan Peter Verhave

*) Het knipselalbum wordt bewaard in het Gemeente Archief, Haarlem, waar het als handschrift 206 op verzoek ingezien kan worden.

Om verder te lezen: Reuske Jellema, Het opmerkelijke leven en oeuvre van een Haarlemse kunstenares: Elisabeth Johanna Koning (1816-1887), Teylers Magazijn 22, winter ‘89.