Categoriearchief: publicatie

Kleine en grote geschiedenis, Knip-Pers 2008-2

De lustrumviering was voor ons heel bijzonder. Van velen kregen we een compliment over onze voordracht en we ontvingen diverse leuke reacties op ons boek, geschreven en zelfs geknipt! Na 8 maart eindelijk rust? Gelukkig niet, want er komen al aanvullingen binnen op vragen die we stelden. En nu alweer een artikel inleveren voor de Knip-Pers…

We kozen dit keer voor een oude bekende: Jan de Prentenknipper. Is na het boek over hem nog wel iets nieuws te vertellen? Hij blijft in ieder geval de mensen boeien. Op Zeeuwse veilingen worden regelmatig kleinere en grotere prenten van Jan aangeboden. En voor de hoogste bieder is het een gevoel van voldoening om een echte Jan te bezitten, al is het maar een kerkboekprentje.

In onze voordracht vertelden we over een knipsel dat we gekocht hebben ter gelegenheid van de 65ste verjaardag van Jan Peter. Het stelt een beeld- en rijmverhaal voor van een boer uit Schore (Zuid-Beveland), die trouwt en kinderen krijgt; bij de geboorte van het elfde kind overlijdt de vrouwe en de boer blijft alleen achter. Op dat moment kwam Jan langs en geroerd door het verhaal maakte hij het knipsel. Het bleef ongekleurd (afb. 1).

afb. 1, Jan de Prentenknipper

Toen wij het onderzoek deden naar het leven van Jan en bij veel particulieren binnen kwamen om het verhaal te horen en een foto te maken, waren we ook in Schore. En daar kwam dit knipsel uit de linnenkast. De eigenaar vertelde dat het vroeger opgerold lag in een krant en dat de kinderen er wel eens mee speelden. Omdat daardoor de rand beschadigd werd, had hij het in laten lijsten. We maakten een foto en prezen de eigenaar voor zijn zorg om dit cultuurbezit.

Maar zoals dat gaat, als blijkt dat het bezit staat afgebeeld in een boek, zal het ook wel wat waard zijn. Jaren later heeft de eigenaar het aangeboden aan een veilinghuis in Middelburg en op een verzamelaarsbeurs in Utrecht ontmoetten we een standhoudster die enthousiast vertelde dat zij de koopster was. Ook zij verkocht het weer door, nu aan een bevriende antiquair. Bij hem zagen we het staan. “Kijk mevrouw, een interessant verhaal; moet u die fijn uitgewerkte boerenkarren en paardjes eens zien; en een gedicht…” “Laat u maar, we kennen het van voren naar achteren….” We waren verkocht en je wordt maar een keer 65.

Het is een vroeg werkstuk van Jan. Voor wie zijn biografie [1] niet heeft, heel kort: Jan was militair en moest twee jaar brommen vanwege een licht vergrijp. Waarschijnlijk heeft hij de kunst in het tuchthuis geleerd. Toen hij vrij kwam, heeft hij deze prent gemaakt voor de boer die hem onderdak gaf. Militaire acties uit het verleden spraken hem aan. Zo heeft hij minstens drie keer de invasie van het Engelse leger op Walcheren uitgebeeld (afb. 2). Dat was in 1809 geweest: 40.000 man werden ontscheept, met cavalerie en artillerie. Veere werd gebombardeerd. De Engelsen wilden de Schelde afsluiten, zodat de Franse bezetters niet meer vanuit Antwerpen konden handel drijven. Die hele onderneming werd een debacle: de militairen werden massaal ziek, bijna de helft kreeg de Zeeuwse koorts en 4000 stierven aan wat later bleek buiktyfus te zijn. Maar dat heeft Jan niet afgebeeld.

afb. 2, Jan de Prentenknipper, het Engelse leger op Walcheren

Vier keer heeft Jan de Aanlanding geknipt omstreeks 1830 (“Anlandige”, “Landdege”). De omlijsting lijkt heel erg op die van de prent uit Schore. Tot ongeveer 1835 heeft Jan in deze stijl geknipt. Later, toen hij als marskramer door Zeeland trok, maakte hij ook veel eenvoudiger werk, gedurende de winters. Dat is vaak meer van ’t zelfde.

Jan liet nooit zijn naam in de prenten achter. Pas twijfelde een kunstkenner of de Aanlandingen en het Schore knipsel wel door Jan de Prentenknipper waren gemaakt. Ze zijn zo anders en ook de letters zijn nogal verschillend. Maar we twijfelen niet: als je details vergelijkt, zie je de overeenkomsten, de tulpenbomen in sierpotten, de slang met een pijlpuntige tong, de wapens, de leeuw, de kroon, de paarden, die komen precies zo voor in zijn latere prenten.

afb. 3, Jan de Prentenknipper, Slag bij Waterloo

Onlangs liet iemand weten een knipsel te bezitten en of we er iets over wisten te vertellen. Helemaal verrast waren we, want het was ons meteen duidelijk en twijfel hadden we niet: Jan had een historisch knipsel gemaakt ter herinnering aan de slag (“Betalie”) van Waterloo (1815) (afb. 3). Napoleon met zijn Franse leger werd overwonnen door internationale legers, waaronder een Nederlandse eenheid onder de Prins van Oranje-Nassau. We zien allerlei onderdelen, cavalerie met gesneuvelde paarden en ruiters, “hoezaren”, artillerie en charges met gevelde bajonetten. Vier Belgische (?) plaatsen staan afgebeeld: “Sintenie, Falensyn, Waterloo en Doorenniek op de grenze v. Braband” (het verband begrijpen we nog niet helemaal). In ’t midden KAT BRA (de slag bij Quatre Bras, die aan Waterloo vooraf ging) en NPL op d berg (die berg staat er nog). ’t Is een prachtig stuk volkskunst (36 x 47 cm)!

Maar er was een probleem… de prent kwam niet uit Zeeland; hij was overgeërfd in een familie die altijd in Tull en ’t Waal had gewoond, een dorpje aan de Lek tussen Vianen en Houten. Altijd lastig als een deel van de gegevens niet klopt met je veronderstelling. De oplossing stond al in ons boek over hem: Jan was na zijn tuchthuisperiode gaan werken als arbeider bij het graven van het Kanaal van Gent naar Terneuzen. Toen dat werk klaar was, in 1827, vertrok hij naar Wijk bij Duurstede om grondverzet aan de Lekdijk te verrichten. Hij kreeg met zijn Constantia en hun kind onderdak bij een boer in de buurt van Schalkwijk, 4 km ten oosten van Tull en ’t Waal (misschien was dat wel de voorvader van de huidige bezitster!). Steeds was dat voor een half jaar; ’s winters gingen ze terug naar Zeeland. Heel bijzonder dat naast de informatie uit archieven, nu ook een tastbaar bewijs van zijn verblijf aan de Lek beschikbaar is.

Alleen het familieverhaal, dat de prent gemaakt was door een oude knecht, die de Slag bij Waterloo nog had meegemaakt, klopt niet. Jan Huiszoon was geboren in 1798 en werd in 1817 als infanterist ingelijfd. Jan, die toen nog niet de bijnaam van “de Prentenknipper” had, heeft de prent omstreeks 1830 gemaakt als een herinnering aan die historische slag, en uit dankbaarheid voor het onderdak.

Joke en Jan Peter Verhave

[1] J & JP Verhave, Jan de Prentenknipper. Zeeuwse volkskunst langs ’s Heeren wegen 1798-1870. Goes, De Koperen Tuin, 1993

Psaligrafie van Pasen, Knip-Pers 1989-1

afb. 1, Tola Steinhage

Katholieke ouders met jonge kinderen worden in de vastentijd bepaald hij de eerste communie. Het kind neemt zo nu en dan een schrift van school mee naar huis, waarin over het laatste paasmaal van Jezus met zijn leerlingen wordt verteld met een praatje en een plaatje. En de ouders worden door onderwijzer en pastor aangespoord om met hun kind te praten over de betekenis van de komende feestdagen. Een ouder van het vriendinnetje van onze jongste dochter liet ons zo’n schrift zien van zijn eigen communie in 1953. Het werd een noveen (=9) genoemd: “Nog negen keer slapen”. Het was rijk versierd met knipsels van Tola Steinhage, die haar knipwerk “psaligrafie” noemde, een woord dat we niet kenden. Van Dale hielp ons niet, maar wel het Prisma Vreemde Woordenboek. Het komt van de griekse woorden psalis voor schaar en grafo voor schrijven en tekenen.
Tola was een begaafde kunstenares, die vanaf haar kinderjaren knipte. Haar ouders moesten uit Duitsland vluchten voor de nazi’s en hier in Nederland heeft deze gevoelige vrouw veel knipsels gemaakt als illustratie voor kinderboeken en katholieke prenten. Dromen omzetten in schaduw, dat bleef haar boeien; met knipwerk kon ze veel meer effect bereiken dan met tekenen. Tola signeerde altijd met TS en een schaartje. Ze zou nu bijna 70 jaar oud moeten zijn.

We laten “het laatste avondmaal” uit het noveen zien en enkele paasprenten uit een zogenaamde Rozenkrans kruistocht voor de jeugd (1954) (afb. 1 en 3).
Als contrast het werk van twee onbekende knippers uit de vorige eeuw, die ook het paasverhaal hebben uitgebeeld. Het Zijn voorbeelden van tijdloze, naïeve volkskunst, in tegenstelling tot het werk van Tola Steinhage, dat veel meer figuratief en illustratief is en past in de katholieke sfeer van de jaren vijftig.

afb. 2, anoniem, 20ste eeuw

Het eerste knipsel (afb. 2) is een van een stel uit de verzameling Lever, dat nu in bezit gekomen is van het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem. Het beeldt Palmpasen uit (de intocht van Jezus op een ezel in Jeruzalem); daarnaast de uitdrijving van de kooplieden uit de tempel (op de grond ligt een schaar!); onderaan is het laatste avondmaal weergegeven. Wat op de afbeelding wegvalt is dat alle gezichten van de primitieve figuren met potlood zijn ingetekend. In ons verhaal over Noach hebben we al eens een werkstuk van deze knipper afgedrukt (Knip-Pers 1988-3).

afb. 3 Tola Stenhage

Het werk van de andere knipper (afb. 2 en 4) kennen we ook al (Knip-Pers 1985-4). Deze keer het lijdens- en paasverhaal: de intocht, de gevangenneming, de kruisweg, de kruisiging op Golgotha, de opstanding en de hemelvaart van Jezus, zoals het in de evangeliën staat beschreven. Ondanks de nadrukkelijke aureolen, waarmee Jezus werd onderscheiden van de andere figuren, zijn beide knippers vermoedelijk protestant geweest.

afb. 4, anoniem, 20ste eeuw

Pasen is een hoogfeest en veel dramatischer dan het kerstverhaal; het heeft veel christelijke kunstenaars geïnspireerd (zie Schaarkunst blz. 95, Jantje de Knipper van Urk, blz. 104 en 105, Willem Collart uit Antwerpen; Knip-Pers 1986-4, Jan Joseph Jöbsis uit Nijmegen). Gelukkig blijft het verhaal ook knippers van nu boeien (Schaarkunst II, blz. 39, Carien Carton en op blz. 47 Nolly Diekman).

Probeer zelf eens om Goede Vrijdag of Pasen af te beelden. Het zich inleven in lijden en opstanding van Jezus kan een geweldige ervaring worden. Het werkt als een geloofsbelijdenisl
Een blij Paasfeest gewenst.

Joke en Jan Peter Verhave

Paradijselijke motieven, Knip-Pers 1988-2

In een land waar vroeger iedereen met de Bijbelse verhalen opgroeide en vertrouwd was, is het geen wonder als ook kunstenaars daar hun inspiratie uit putten. Sommige verhalen zijn altijd favoriet geweest.

Er wordt wel eens gezegd dat protestanten meer hielden van het oude testament, en katholieken het nieuwe testament (en de apocriefe boeken) meer waardeerden. Natuurlijk zijn er veel uitzonderingen. Van de meeste knippers is de naam niet bekend, laat staan hun kerkelijke achtergrond. Daarom wagen we ons niet aan uitspraken maar willen een aantal voorbeelden geven van veel voorkomende motieven. Om te beginnen: de schepping en het Paradijs. Niet als een idylle, maar als waarschuwend verhaal van verleiding en ontrouw.

Bij ons artikel over Frederik Hendrik van Voorst (Antiek 1986) staat een perkament snijdsel afgebeeld uit 1721, dat zes taferelen van het scheppingsverhaal bevat (pag. 458). Onlangs stuurde iemand ons een kopie van een ander scheppingsverhaal door Van Voorst (fig. 1), gemaakt omstreeks 1700. Het is veel eenvoudiger van opzet; de verhalen zijn in een soort landschap gerangschikt, waarin we onder de schepselen zelfs een draak en een eenhoorn kunnen onderscheiden. Als vervolg op de verdrijving uit het Paradijs zien we de doodslag van Abel door zijn broer Kaïn.

afb. 1, Scheppingsverhaal, F.H. van Voorst, 1721, 18 x 29 cm

Van Voorst was (toen nog) katholiek, wat te merken is aan het Christus medaillon (redder van de zondige mens). In potjeslatijn staat er “Adam de eerste mens heeft de eeuwen verdoemd door een appel. Voor een enkele appel zijn allen een ongelukkig mens”.

Het afbeelden van de opvolgende Paradijs scenes in reeksen of strips was vooral populair in het noorden en oosten. Een voorbeeld staat afgebeeld in Schaarkunst, pag. 27. Andere bevinden zich in het Fries Museum in Leeuwarden (1846) en in het Almeloos museum (1807, door Lucas Hagedoorn). Al die knipsels hebben gemeen dat Adam en Eva heel vormloos zijn weergegeven, terwijl de bekende dieren, oa1s paarden, koeien en herten goed van verhoudingen zijn. Alleen de vreemde dieren, kamelen en olifanten, blijven vreemd.

afb. 2, anoniem, 37 x 45.5 cm

Heel anders is de voorstelling van Adam en Eva naast de boom der kennis van goed en kwaad (omstreeks 1735, maker onbekend). Ze zijn ondanks de wat onbeholpen manier van “arceren” toch echte mensen. Ook de dieren zijn gearceerd, maar vreemd van vorm (afb. 2).

afb. 3, het Paradijs, P.W., 1847

Een andere onbekende, P.W., gaf in 1847 vorm aan het Paradijs vóór dat de mens er was; “De Morgen der Schepping”. Hij/zij had gevoel voor perspectief en voor het mooie van de natuur (afb. 3). Een uitzondering, het Paradijsverhaal werd meestal afgebeeld als een spiegel voor de mens, een “Straf der Zonde”, zoals Jan de Prentenknipper uit Zeeland dat noemde (Schaarkunst, pag. 94). Hij heeft rond 1850 talloze paradijzen (PRD) met Adam, Eva en de slang geknipt, gekleurd en verkocht als kerkboekprentjes. En hij wist van zonde, want hij leefde als protestant ongehuwd samen met een katholieke vrouw. Hij voelde zich verantwoordelijk om schoolkinderen door zijn prentjes iets te vertellen, wat hij zijn eigen kinderen niet wijs kon maken. Kleurige tragiek …

ab. 4, S.D. van der Heidem, 1901

Heel simpel is ook het prentje uit 1901, dat Sjoerd Douwes van der Heide uit Oenkerk knipte voor z’n schoonmoeder Trijntje Gurbes Wijnterp. Ons medelid Sadi Huitenga-van der Heide vond het in haar grootmoeders bijbeltje (afb. 4). Je vraagt je af wat haar grootvader aan zijn schoonmoeder heeft willen duidelijk maken “de vrouw die Gij mij gegeven hebt ….“ De slang in de boom is bijna een hart.

Eenvoudig getuigend was ook Jantje de Knipper van Urk. Zijn paradijzen zijn heel simpel, maar de boom der kennis heeft een trillend aureool, als een soort uitstraling (Schaarkunst, pag. 21). Jantje verwijst in zijn tekst naar de tweede Adam, die de weg, de waarheid en het leven is. Hoeveel toeristen zouden voor de oorlog zo’n prent van hem gekocht hebben en die vervolgens achteloos ergens opgerold in een la opgeborgen?

afb. 4, W.T. Lever

Het ging bij de geknipte paradijzen om de boodschap en niet om de vorm. Het verhaaltje van W.T. Lever over hoe je Adam en Eva kunt knippen uit dubbelgevouwen papier (eerst twee Eva’s en twee slangen, daarna wegknippen) kent geen historische achtergrond (fig. 5) In Schaarkunst 2 zien we dat Janna van Zuijlen (nr. 273) deze plastische chirurgie ook heeft toegepast.

 

 

 

Een andere Paradijs scene is geknipt door Evert Root. Bij hem is het verhaal weer een dramatisch gebeuren: “eruit jullie, je bent het niet waard!” (afb. 6).

afb. 6, Evert Root

Probeert u ook eens dit Genesis verhaal uit te beelden en laat u niet verleiden door mooie lijven. Leg iets van de spanning in uw voorstelling: het verschuilen, de schaamte, het elkaar de schuld geven, werken in zweet en baren in pijn. Een werkstuk dat met weeën tot stand komt, heeft een boodschap!

Joke en Jan Peter Verhave

Kind onder ’t mes, Knip-Pers 1988-4

afb.1. Abrahams offer, door/voor Jacob Harttung 1767, detail

Met Kerst denken we aan een geboorte bij een verloofd stelletje, onder erbarmelijke omstandigheden en zonder hulp, een zaak van leven op dood. Ze kwamen er door vanwege een Belofte over dit kind, ze hoorden van een engelenschaar en mensen in wie God een welbehagen heeft. Maria overwoog al die woorden en bewaarde ze in haar hart. Misschien heeft ze toen ook wel gedacht aan de oude verhalen van haar volk over andere kinderen, die in gevaar verkeerden.

Voor onze voorouders waren die Bijbelse verhalen ook heel belangrijk in ‘t dagelijks leven. Knippers hebben twee geschiedenissen verbeeld, die buitengewoon populair waren: Abrahams offer en Salomons rechtspraak.

In beide verhalen gaat het om een kind als slachtoffer, goed voor een Kerstvoorbereiding aan de hand van de knipsels uit vorige eeuwen.

In Genesis 22 wordt verteld hoe aartsvader Abraham op de proef werd gesteld. Hij ging bidden met zijn zoon Izäak, maar nam het benodigde offerdier niet mee. God zou er wel in voorzien …. Bij ogenschijnlijk gebrek aan beter bond hij zijn zoon en pakte het mes. Op dat moment was er de reddende stem uit de hemel en een ram, met zijn horens verward in het struikgewas. Dat dramatische moment, het is of alle knippers daarop gewacht hebben. Ze beeldden het, elk op zijne wijs, uit. De een stijfjes en statig, de ander speels en beweeglijk, maar steeds met het altaar, de vuurpot, het opgeheven mes, de engel en de bok. Het is of ze allemaal wilden zeggen aan degene voor wie het knipsel bedoeld was: zo ga je misschien ook eens met je kind een weg die je niet wilt, een kind ten dode opgeschreven. Misschien maak je je kind het leven onmogelijk omdat jij als ouder een stem meent te horen. Maar dan is er een reddende engel die roept dat er een ander kind geboren is, dat als offer heeft gediend, in plaats van het jouwe; het Kerstkind.

afb. 3. Salomons Recht, anoniem Gronings, 12 x 15 cm, detail

 

Het tweede verhaal staat in 1 Koningen 3. Twee prostituees met een bedrijfsongeval, elk een kind. De een overkwam een ongeluk bij een ongeluk, haar baby stikte omdat ze in haar slaap op hem was gaan liggen. In wanhoop verwisselde ze het hare met dat van de andere moeder. Die ontdekte het bedrog en sleepte haar collega voor de rechter, in dit geval de jonge koning Salomo.

afb. 4. Salomons Gerigte, door Dato Scholtens 1780

Voor hem kwam het er nu op aan: hij had immers een “opmerkzaam hart gevraagd, om het volk te richten door te onderscheiden tussen goed en kwaad. “Snijd het levende kind in tweeën” beval hij, speculerend op het gevoel van de echte moeder. En het werkte!
Zijn eigen volk en alle generaties   na hem hebben met ontzag over dit Salomons oordeel gesproken.

In 1721 verwerkte Frederik Hendrik van Voorst dit verhaal in een groot perkamenten snijwerk voor het Stadsbestuur van Nijmegen. Het is alsof hij zeggen wilde: Hoge Heren, verwacht uw wijsheid van Boven.

afb. 5 Salomons Regt, door Lucas Hagedoorn 1810, 23 x 14 cm

Vele andere knippers hebben “Salomons Gerichte” of “Salomons Eerste Regt” gemaakt om te zeggen waar het op aan komt als ons de wijsheid ontbreekt: een op merkzaam hart. Gelukkig hoeven we niet allemaal zo wijs te zijn als Salomo. Daarom voor Kerst maar een iets minder cru knipsel rondgestuurd? Een moederhart bijvoorbeeld, een hartelijke Maria die verwonderd is over wat haar overkomt. Toch krijgt ook zij te horen dat er een zwaard door haar hart zal gaan vanwege dit kind. En ze gaan op de vlucht voor een koning die alle babyjongetjes aan stukken laat hakken. Kerst heeft veel kanten: Knip het met wijsheid!

Joke en Jan Peter Verhave

Literatuur en Afbeeldingen:
J.en J.P. Verhave, Schaarkunst (1983), pag. 16 en 27
J. en J.P. Verhave, Konststucken van snijden (1986), Antiek 20, pag. 457
Christie’s catalogus (1988), pag. 42 en 63

De visserij geknipt, Knip-Pers 1987-3

O ja, het wordt een fleurige, poëtische, toverachtige guirlande van herinneringen. Papieren scheepjes, papieren rozen, papieren poppetjes, slingers, confetti, lampions, vliegers. Je associeert het allemaal met feest en met vergankelijkheid en misschien is het juist daarom zo mooi en blijft het in je herinnering leven.
Scheepjes van papier. Een hele vloot witte scheepjes van papier, keurig opgetuigd met zeilen en wimpels…
Clare Lennart 1962.

De visserij geknipt

In de Knip-Pers 3e jaargang nr 3 schreef Toos Dietz over een énig prentenboek Van twee Vissehertjes. Het is een verhaal over twee Scheveningse jongens, geïllustreerd met knipsels die het vissersleven op zee en aan de wal uitbeelden. *)
Door dat boekje en het eigen bezit aan knipsels in het Schevenings Museum groeide de idee voor een tentoonstelling over geknipte schepen. Er moest in ons vissend en zeevarend land toch wel het een en ander aan knipwerk gemaakt zijn over dit onderwerp. Toos Dietz heeft zich beijverd om zoveel mogelijk bijeen te brengen en het resultaat valt tot 5 december 1987 in het Schevenings Visserijmuseum te bewonderen.

afb. 1, Johannes Kopper, Iconografisch Bureau Den Haag

‘t Penceel wist menig menech d’onsterflijkheid t’ ontrukken
De stift kan ieder ding op ‘t fraaist in ‘t koper drukken
Doch KOPPERS schaar alleen wist met een edele zwier
De gantsche Waereld nate bootsen van papier.
S.

Wij doken in de geschiedenis en de oogst viel niet mee! We lazen van een paar Rotterdammers: Gillis van Vliet (± 1674 – 1701) sneed een vloot of batalje van schepen, een zeegezicht, een strandgezicht en oorlogsschepen op stille en holle zee. Elisabeth Rijberg (± 1721) maakte diorama’s met de haringvangst en een gezicht op Scheveningen vanaf de zee, heel kunstig, met kleine figuurtjes. Ook Johannes Kopper (1713 – 1788) was in zijn tijd bekend als kunstknipper van schepen en complete zeeslagen (afb. 1). Zo liet hij zich afbeelden door de schilder Muys en na zijn overlijden maakte Roosing daar een prent van die gedrukt en verspreid kon worden. Helaas is er van al dit werk vrijwel niets overgebleven.
In het eigen bezit van het museum is een “Gezigt van het uitzeylen der haringschuyten van Scheeveningen de 15 September 1783”. Een prachtig stuk, waarvan het papier is bewerkt met fijne sneedjes en reiëf, een techniek die we nu niet meer beheersen. De naam van de maker is tot nu toe onleesbaar.

Ook fraai is een hartebrief, gemaakt door een zeeman wiens schip in 1781 op weg van St. Eustatius naar huis werd gekaapt door een Engelse piraat. Harteknipsels die ingevouwen worden bewaard in een hartvormig foudraal, zijn er in Nederland niet zo veel gemaakt en de onbekende kunstenaar heeft zich méér met pen en penseel dan met de schaar verdienstelijk gemaakt.

Uit de vorige eeuw hangen er twee stukken van de Groningse kunstknipper Röemelé (1791 – 1833). Hij had bekende gravures van kustgezichten als voorbeeld van zijn reliëfknipsels genomen (Schaarkunst, pag. 66 en 67). (afb. 3)

afb. 3, Röemelë, Gezicht op het Eiland Walcheren 1832

 

Ook Jan de Prentenknipper, Huijszoon (1798 – 1870) uit Zeeland is met een paar stukken vertegenwoordigd, waarop schepen en het verhaal van Jonas (Schaarkunst, pag. 29, 40 en 62).

Zij waren zeker geen zeelui en hun schepen waren van een vroegere tijd. Zo knipten ook Johannes Jongejan in 1806 en Jan David Patijn uit Rotterdam hun zeilschepen of ruimtelijke zeegezichten in miniatuur (1800) voor hun plezier. Wel moeten er rond Dordrecht in de vorige eeuw een paar (oud)zeelui geweest zijn, die prachtige zeilschepen tot in de kleinste details geknipt hebben. Ook een onbekende visser in deze eeuw maakte aardige knipsels van haringschepen uit Vlaardingen en Maassluis, die hij inkleurde en decoreerde met ankers, netten, windrozen en boeien. Twee voorbeelden zijn op de tentoonstelling te zien en een derde (afb. 2) is hier afgebeeld.

afb. 2, Haringscrhepen en attributen uit Maassluis in hart, 1913, 20 x 14 cm, Gemeentemuseum Maassluis inv.nr 492.

Natuurlijk moet ook de Urker Jantjen de Knipper genoemd worden, die vaak de hem zo vertrouwde vissersschuiten, de kerk en de vuurtoren van ‘t eiland heeft geknipt. (afb. 4)

afb. 4, Jantjen de Knipper (Visscher). privébezit Urk

Tenslotte hangt er op de tentoonstelling werk van enkele hedendaagse knipsters, die zich aan het uitbeelden van schepen hebben gewaagd: Jantje (III) de Jong- Brouwer, met een geestige ark van Noach, Jona en de vis, en Meerminnen. Lily Kok uit Noordwijk knipt nauwkeurig de vissersboten uit haar eigen havenplaats. Käty Kuiper uit Krommenie vindt aanleiding in plaatselijke spreekwoorden, ambachten en voorvaders om de zeevaart uit te beelden in zwaar, gekleurd papier, dat ze bewerkt met schaar en mes. Soms doet haar werk denken aan dat van Röemelé.

Geschiedenis is in ieder geval een rijke bron van inspiratie, dat laten haar Oostinjevaarders, walvisjagers en bomschuiten goed zien.

We keren nog even terug naar de maakster van het Scheveningse boekje “Voor Klein en Groot, met rijmpjes en knipsels door J.E.”, uit 1913. Er bestaat een dergelijk boekje van haar, “Buiten bij Kaatje! Een vertelseltje met versjes en knipsels”, gedrukt voor 1910 op hetzelfde formaat. Het gaat helemaal niet over de visserij, maar als aanvulling is het toch het noemen waard.
Navraag bij de uitgever Scheltema & Holkema leverde haar volledige naam niet op maar in Scheveningen heeft men die toch weten te achterhalen: Jacqueline Enderlein. Behalve in Den Haag, heeft ze ook in Hilversum en Rotterdam gewoond, maar verder weten we (nog) niets! Het zou ons niet verbazen als bleek dat ze onderwijzeres is geweest. Een leuke uitdaging voor iemand, om meer over haar te weten te komen!

Van het hele Visschertjesboekje is door het museum een mooie kopie gemaakt, die voor fl 15.- daar te koop is.
Al met al een heel aardige tentoonstelling in een (kind)vriendelijk museum, van knippers die schepen uitbeeldden, gewoon omdat ze ze mooi vonden en hun fantasie de vrije loop lieten of een voorbeeld kozen in een schilderij of prent. Opvallend weinig knippende varensgezellen zijn er geweest, als je ziet hoeveel scheepsmodellen van ánder materiaal, in of buiten de fles door kunstnijvere vissershanden in elkaar zijn gezet. De beste knippers staan kennelijk aan wal!

Joke en Jan Peter Verhave

*) Het boek is gekopieerd en gebundeld voor fl 17.- (14.50 + 2.50 portokosten) te bestellen hij het Schevenings Museum, Neptunusstraat 92, 2586 GT ‘s-Gravenhage, tel. 070-500830.

 

 

Verknipte knipsels, Knip-Pers 1987-2

De meesten van ons zullen al wel eens een afbeelding gezien hebben van werk van Jan Visscher van Urk (1855-1938). Hij knipte van zwart of gekleurd sitspapier bijbelteksten en vissersbootjes of andere dingen om zich heen, die hij belangrijk vond.

Vooral de kerk van Urk heeft hij vaak gemaakt en het is altijd weer imponerend als je je indenkt hoe groot die knipsels zijn: als een krantenpagina!

afb. 1, Jan Visscher, 83 x 48 cm

De kerk is “doorzichtig”, je ziet al het meubilair en de ramen in het schip en van de toren. Hij staat “op” het kerkhof, dat is aangegeven door een hek met symmetrisch geknipte boompjes, een poort en een knekelhuisje. De hekken en de boompjes zijn samen met de kerk als de opstaande wanden van een nog ongebruikte taartdoos neergeklapt. Voor wie vroeger op de HBS-B beschrijvende meetkunde heeft gehad, een “logische” oplossing. Voor Jantjen een heel eigen vinding, uit eenvoud geboren. Zijn teksten getuigen ook van een kinderlijke manier van spellen. Zo staat er “Dit is de Hrvormde (of ervormde) Kark van Urk” en op de poort “Laaste Rustplaas”. Hij rolde zijn knipsels op in een oude krant en verkocht ze voor een paar kwartjes of guldens aan toeristen, die met de boot van Enkhuizen kwamen.

Wat zou het interessant zijn om iets meer over de techniek van Jantjen de Knipper te weten!
Hij deed het als een “ware knipper” direct uit papier en zonder voortekenen, schreef Wim Kuyper die Jantjen in 1932 nog ontmoet heeft. Het mag dan misschien gelden voor de eenvoudige versieringen; voor zijn scheepjes en de kerk was dat zeker NIET het geval. Er zijn duidelijk potloodschetsen op de achterzijde te vinden!

Op de Zuiderzeevisserij tentoonstelling in 1930 te Enkhuizen heeft Jantjen zitten knippen en de directeur van het Nederlands Openluchtmuseum maakte een foto van hem, maar hóe het knippen ging, daar heeft hij geen bijzonderheden over vastgelegd. Wel moet er op een film over de Zuiderzee uit 1930 nog een opname van hem voorkomen. Wie hem ook gezien heeft, op nog oudere leeftijd, was Cruys Voorbergh,die in zijn boek “Erfenis van Eeuwen” een boeiend relaas geeft van een ontmoeting met het toen al niet meer knippende mannetje. De schaar kreeg hij nog wel te zien: “een verroeste koei van een schaar”.

Je vraagt je af hoe hij ‘t met dat instrument klaarspeelde om zo’n groot stuk papier in één keer te bewerken.
Het antwoord daarop kregen wen dankzij een opdracht uit Urk, om drie knipsels te restaureren. Twee daarvan waren de “nederlanse ervormde kerk”; ze hadden een halve eeuw opgerold gelegen en er viel wel het een en ander recht te zetten! Op de afbeelding zijn de kreukels nog enigszins te zien in het dak van de kerk. En als je er dan met je neus bovenop zit en probeert de verfrommelde gedeelten weer een beetje in fatsoen te krijgen, dan zie je dat er eigenlijk helemaal geen fatsoen in zit. Het zwarte sits zit letterlijk vol met honderden vouwen, omdat bijna elk onderdeel dubbel geknipt werd.

Maar dan wordt ook meteen duidelijk hóe hij al de spijltjes van het hek, de ruitjes van de kerkramen en de orgelpijpen heeft kunnen maken met die grote schaar. Hij knipte de sleuven uit het dubbelgevouwen papier en hoefde zo nooit van binnen uit te werken! Maar toch, zo’n groot stuk papier en al die boompjes en andere details in verschillende richtingen?

Toen zagen we opeens, tot onze stijgende verbazing en verrassing, dat de boompjes een voor een los geknipt waren. Ook het hek was in gedeelten geknipt en aan elkaar geplakt. Zelfs de bolpuntige pieken op het hek waren er apart op gestoken. Kijken we naar de kerk, dan blijkt dat die als geraamte, zonder inventaris is geknipt, alleen de preekstoel zit vast. Maar het orgel, de stoelen, kroonluchters, gaslampen, de scheepjes en de ramen, allemaal zijn ze los geknipt en er in vastgeplakt. De twee kerken bestaan welgeteld uit 59 en 61 grotere en kleinere losse stukjes, die tot een geheel zijn samengevoegd! Zelfs het achtergrondpapier heeft hij uit meerdere stukken van verschillende afmeting en kwaliteit aan elkaar geplakt…

afb. 2, Jan Visscher, 21 x 15,5 cm

Cruys Voorbergh schreef: “Een natuurlijk gevoel voor het sierkunstige heeft zijn keuze geleid bij het schikken van vlakverdelingen en randversieringen om een hoofdmotief ….“.
Wim Kuyper schreef,dat van zijn (aan de muur geplakte) knipsels op Urk op ‘t laatst de lijstjes uit elkaar vielen en de lijm losliet, zodat ze werden weggegooid. Opmerkingen die pas begrijpelijk zijn, nu we weten dat de knipsels uit vele delen opgebouwd waren.

Hil Bottema schreef 22 jaar na de dood van Jantjen een portretschets, blij als ze was met de ongeveer 15 knipsels van zijn hand in de verzameling van het Nederlands Openluchtmuseum. Zij had ontdekt, dat de opschriften afzonderlijk waren geknipt en opgeplakt. Maar verderop veronderstelde zij, dat Jantjen voor zijn kerk een heel groot vel sitspapier nodig gehad zou hebben, dat hij telkens weer anders heeft moeten vouwen om de boompjes op het kerkhofje, de haag en het hek tweezijdig te kunnen knippen. Hil heeft dus de knipsels van het Museum niet héél goed bekeken. Dat is wel vreemd, want ze heeft een rood glacé kerkenknipsel in 1961 zelf gerestaureerd en opnieuw opgeplakt. Het is overigens helemaal vlak en kreukloos opgezet, zodat er van het “slordige’ karakter iets is verloren gegaan.

‘t Zijn zeker niet alleen de kerkenknipsels, die zo waren samengeknutseld. Het derde knipsel uit Urk heeft Jantjen bij een heel bijzondere gebeurtenis gemaakt: de strenge winter van 1929, toen Urk alleen over het Zuiderzeeijs bereikbaar was. We zien rijen van 6 automobielen, 19 schaatsers met pandjesjassen, 7 vliegende hollanders en 2 paardesleeën met brood, allemaal over het ijs op weg naar het eiland. Ook in dit vertederend simpele tafereel is de rand met stekelige ornamenten (kribbige spinnekoppen noemde Cruys Voorbergh ze) één geheel, maar alle onderdeeltjes zijn los geknipt. Zelfs alle wielen van de voertuigen, 26 in getal, zijn apart en dubbelgevouwen geknipt.

Bij het samenstellen en opplakken kwam het allemaal niet zo nauw. We vonden zelfs visschubben achter het sitspapier verborgen! Wij zijn vaak teleurgesteld als we in verkeerde knip maken en ons werkstuk is niet meer één geheel; en we zijn erg ontevreden als onze knipsels na het opplakken hobbels en ribbels vertonen. Misschien is het een troost te weten dat anderen veel minder kritisch kijken naar het resultaat van ons worstelen met vormen en letters en behangselplak, dan we zelf doen. En we zijn opnieuw enthousiast over het werk van Jantjen, als een uiting van naïeve volkskunst, die uniek is en een voorbeeld van de veelvormigheid waarmee in ons land de knipkunst is bedreven.

Wij hebben bij het restaureren de vouwen en scheef geplakte onderdelen maar laten zitten, om te laten zien hoe de knipsels eruit zagen, zoals Jantjen (II zelf ze afleverde.

Joke en Jan Peter Verhave.

afb. 3, Winter.zaksoen.van.1929, Jan Visscher, 39 x 48 cm

De gebruikte literatuur staat in “Schaarkunst” vermeld; op de pagina’s 21, 95, 96 en 104 staan afbeeldingen van knipsels van Jantjen de Knipper.

Voorvechtster voor de kniptraditie en -erfgoed: Irma Kerp, Knip-Pers 2019-1

afb. 1 Irma Kerp

Mensen die een belangrijke rol hebben gespeeld, mogen niet zomaar uit onze herinnering verdwijnen. Irma Gladys Lucie Kerp-Schlesinger was zo iemand voor de papierknipperij. Velen van ons hebben Irma’s boekje ‘Leer knippende zien’ gebruikt. Zij legde het fundament voor onze Vereniging.
Irma werd geboren in een Joods gezin in Leipzig, in 1900. Ze vertrok naar Spanje en ontmoette daar de niet-joodse landgenoot Gustaf Wilhelm Ernst Kerp, die net als zij genoeg had van de Duitse politiek. Ze trouwden in Madrid en daar werd Eva, hun eerste dochter, geboren. Gustaf kreeg de mogelijkheid zijn functie uit te oefenen in een ander land en zo kozen ze voor Nederland in 1930, waar Inge werd geboren.

De oorlog was natuurlijk een moeilijke tijd. Hij werkte voor een Duitse firma in Amsterdam en ze waren lid van een kerkgemeenschap waarvan de voorganger nazisympathieën had, die zij niet deelden. Bovendien herbergden ze onderduikers. Anders dan verschillende van Irma’s familieleden, overleefde het gezin de oorlog, mede door het moedige optreden van Gustaf tegen zijn militaire landgenoten.

Knippen deed Irma al in haar meisjesjaren: toen ze lang werd verpleegd in een ziekenhuis begon ze uit zwarte stukjes röntgenpapier figuurtjes te knippen.

afb. 2

Daarna liet ze het liggen, bang dat het niets zou voorstellen en pas in 1949 vatte ze het knippen weer op. De eerste ambachtsgenoot die ze tegenkwam, was Kees Bakema, de oude silhouettenknipper die nauwelijks kon rondkomen. Ze pleitte er bij verschillende instanties voor dat hij een plaatsje kon krijgen als portretknipper bij evenementen.
In 1950 nodigde het Franeker Museum Irma uit om werk in te sturen. Ze realiseerde zich dat zij en Bakema twee van de zes knippers waren die Nederland telde, een schril contrast met al het mooie dat uit vroeger eeuwen tentoon werd gesteld (de andere knippers waren: Greta Zijl, Wiecher Lever, Hil Bottema en Gertrud Januszewski).
Wetend dat rond 1920 in Duitsland de knipkunst bloeide, moest ze constateren dat die
in ons land bijna dood was.
Door het voorbeeld van de kordate directrice van het Franeker museum, die in haar eentje de tentoonstelling had georganiseerd én door de waardering die Irma voor haar werk kreeg, vatte ze moed en begon ‘causerieën’ te geven voor allerlei vrouwengroepen en scholen en aan volksuniversiteiten. Ze waarschuwde van te voren dat ze het Nederlands met een accent sprak. Haar uitgesproken mening en gedachtespinsels – die niet beperkt bleven tot het papierknippen – brachten haar met velen in contact en dat kleurde haar levensverhaal. Vrouwen, meende ze, moeten iets hebben naast het huishouden en vrije tijd voor zichzelf opeisen!

Zelf vond ze dat wie niet kon tekenen, best wel kon knippen,en ze wees er steeds op dat de uitkomst minder belangrijk was dan het plezier van het doen, een haast geestelijke belevenis. Dat gaf ze ook door in interviews en in haar eigen artikelen in allerlei bladen, jaar in jaar uit. Intussen had zich een hele schaar knippers rond Irma verzameld, die elk weer het enthousiasme op anderen overdroegen. Met knipsters buiten Bussum, o.a. Suus Houtman, To Mijnlieff (die later onder haar mansnaam bekend werd: van Waning), Hil Bottema en Joke Verhave had ze geregeld contact.

 

afb. 3

Irma had een eigen knipkamer, waar ze alles wat ze maakte en verzamelde bij elkaar had. Ze legde mappen aan met de teksten van haar lezingen en de plaatjes die ze erbij liet zien met een platenprojector. Ook nam Irma het initiatief voor de tentoonstelling ‘Pronken met Papier’ van de papierfirma Bührmann in Amsterdam in 1965, met veel mooi werk uit voorbije eeuwen.

Haar inspanningen om de knipkunst weer aan de gang te krijgen, leidden tot de uitnodiging van uitgeverij Cantecleer om een boekje te schrijven. ‘Leer knippende zien’ verscheen in 1971 en beleefde vier herdrukken en ook een Duitse editie in 1979 met herdruk in 1983. Haar contacten met de uitgevers en de diverse rekeningen hield ze nauwgezet bij. In 1968 mocht ze de passagiers op een boot van de Holland Amerika Lijn vermaken met haar voordrachten, demonstraties en praktische oefeningen met schaar en papier.

afb 5

En toen kwam de grote dag in 1982, waarop dertig van haar leerlingen hun werk konden laten zien tijdens de tentoonstelling in ‘t Spant te Bussum. Het was duidelijk dat zij de kniptaal hadden geleerd aan de hand van de grammatica van hun lerares. En voortvarend waren ze ook, de dames. Onder leiding van Lies Markus werd de Vereniging geboren en op de eerste Contactdag van de leden in Haarlem in 1984 was Irma, voor velen nog steeds mevrouw Kerp, nietbetalend gast van het bestuur.

In 1985 kreeg Irma Kerp, 84 jaar oud, een Koninklijke Onderscheiding uit handen van de burgemeester van Bussum. Veel knipsters waren daarbij aanwezig. Ze voelde zich beschaamd: “Ik heb het niet verdiend. Ik heb het kind alleen gebaard. Lies en anderen hebben het verzorgd en opgevoed”.

afb. 5

Voor de Knip-Pers schreef ze zo nu en dan een bijdrage, o.a. in 1987 over Joods knipwerk. Daarvoor verdiepte zij zich in de manier van uitdrukken van haar voorouders en zelf maakte ze ook wel eens een knipsel met Joodse symboliek. Helaas kon ze haar museale stukken niet aan een Nederlands museum kwijt en daarom schonk ze haar collectie aan het Museum voor Etnografie in Haifa, Israël.

afb. 6

In 1988 werd Irma als eerste het erelidmaatschap van de Vereniging aangeboden.

Haar reactie: “Ik keek naar de zaal, naar de honderden mensen van wie ik nauwelijks twee tientallen kende en ik wist: wat hier tot stand is gebracht, dat hebben anderen gedaan, niet ik. Het is waar: het fundament had ik gelegd. Lies Markus was de architect. Lezers, vergeet ’t niet, ons gebouw moet blijven: meldt u als er een beroep op u wordt gedaan ter vervanging van bestuursleden¹)”.

En bij een ingesloten knipseltje: “Indien u het afdrukt, schrijf erbij: met trillende handen en een blind oog geknipt – dat geeft andere gehandicapten moed”.

Op 23 november 1988 overleed ze. In het decembernummer van dat jaar schreef Magda Helms, de redactrice met wie ze zoveel ideeën had uitgewisseld, een gevoelig In Memoriam.

Joke en Jan Peter Verhave

¹) Wat scherp gezien! Onze Duitse zustervereniging heeft zichzelf in januari 2019 opgeheven bij gebrek aan nieuwe bestuursleden. Laten wij zorgen dat dit met onze vereniging niet gebeurt!

Oprichtster van de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst, Knip-Pers 2018-4

Lies Markus (-2003) had al een heel leven achter zich, toen ze een knipcursus volgde bij mevrouw Kerp in Bussum. Ze werd enthousiast en merkte dat er veel meer knippers in Nederland waren, die geen contact met elkaar hadden. Geassisteerd door haar man Ted startte ze het Nederlands Informatie-Centrum Knipkunst (NICK), nadat ze begonnen was om een kaartsysteem van knippers op te stellen. Mevrouw Kerp nodigde haar uit lid te worden van een comité dat in 1982 een tentoonstelling over knipkunst organiseerde in Het Spant te Bussum. Lies schreef een verslag over dit ‘overweldigend’ geslaagde evenement. Eens te meer was ze gemotiveerd om knippers met elkaar in contact te brengen. Er werd begonnen met een proefkrantje, de Knip-Pers, waarvan Lies de eindredactie op zich nam. Daarvan verschenen twee nummers. Op 23 april 1983 werd de Vereniging tot bevordering van de Papierknipkunst in Arnhem opgericht, een kroon op het werk van Lies. Of, zoals Irma Kerp het formuleerde: “Lies Markus heeft het ei uitgebroed dat ik heb gelegd”. Niet dat ze zelf zo’n getalenteerde knipster was, maar ze zag de meerwaarde van contacten en kringen en van een blad dat verbond en dat informatie en instructie gaf.

Het NICK bleef aanvankelijk bestaan om te bemiddelen, informatie te geven over tentoonstellingen en om een archief op te zetten, maar al gauw werden die taken door de Vereniging overgenomen. De Knip-Pers werd een kwartaalblad met als eindredactrice Lies Markus. Ze wist anderen om zich heen te verzamelen en al gauw kreeg ze hulp van Atie Willemse, ‘die een huiscomputer had’ en van Magda Helms, ‘een artistieke en ijverige lay-out-vrouw’. In 1986 kwam Rieny van Beek er bij. Een knipster die veel had met het knippen van symbolen. Als eindredacteur schreef Lies niet veel artikelen. Soms nam ze een interview af van een actieve knipper of ze maakte een verslag van haar bezoek aan een knipkring. Knipkringen waren in haar visie de spillen van de Contactdagen. En ze was er natuurlijk bij toen de bekende knipster mevrouw Irma Kerp in 1985 een koninklijke onderscheiding kreeg. Bij de eerste lustrumviering in 1988 kreeg ze samen met Irma Kerp van het bestuur het erelidmaatschap aangeboden ‘vanwege haar initiatief , dat geleid heeft tot oprichting van de Vereniging’. Lies vond het ‘schattig’ dat ze dit had gekregen en vertelde dat ze geen idee had gehad dat de Vereniging zo zou uitgroeien tot 800 leden.

In haar terugblik tijdens het jubileumjaar 1993 tipte ze een pijnlijke ervaring aan: Irma Kerp wilde niet meer met haar praten, omdat Lies haar ‘de Grand old lady van de knipkunst’ had genoemd. Dat schoot Kerp in het verkeerde keelgat: het had moeten zijn ‘de grootmoeder van alle knipsters in Nederland’. Gelukkig maakte Kerp het weer goed en kwam er een eind aan de verkoeling.
Lange tijd bezocht Lies de redactievergaderingen, maar al gauw deed Magda het echte redactiewerk. Na bijna twintig jaar, in 2001, legde ze haar functie neer; het was lichamelijk te zwaar geworden. Ze kreeg een boek vol knipsels uit het hele land aangeboden, waar ze heel blij mee was. Ze dankte Magda Helms, die al 18 jaar de Knip-Pers maakte. Verder stelde ze de vraag: “Wordt het nu niet tijd dat het Ministerie van Kunst en Wetenschappen de knipkunst ook als KUNST erkent, net als in Zwitserland?”
In het jubileumnummer van 2003 schreef ze nog een stukje met een oproep aan de leden actief te zijn in de vereniging. Lies overleed op 6 november 2003, een enthousiast en liefderijk mens, aan wie veel knippers een warme herinnering houden. De vereniging heeft met extra bijdragen van leden een fonds opgericht dat haar naam draagt en waarmee allerlei knipactiviteiten worden mogelijk gemaakt.

Joke en Jan Peter Verhave

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Knip-Pers 2018-4 (bewerkt november 2020)

Een volksknipper uit Overijssel, Knip-Pers 1986-3

In Overijssel heeft onze vereniging nog niet veel leden. Maar geknipt is er zeker in vroeger tijd. Voor we dát goed in de gaten hadden, zijn er heel wat bezoeken aan allerlei musea afgelegd. Langzamerhand ontdekten we dat er een bepaald type forse knipsels was, allemaal met mooie letters en ranken die uit siervazen komen. En elke keer was het: hé, deze lijkt op die en die. In Alkmaar bijvoorbeeld vonden we in het Stedelijk Museum er een met een uitbeelding van het Bijbelse verhaal van de Bruiloft van Kana (afb. 1).

afb. 1, Jannes Grootenhuis, Bruiloft te Kana, Stedelijk Museum Alkmaar

We kijken in een hoge zaal met kroonluchters van goudpapier en grote gordijnen tussen de pilaren. Het feestende gezelschap is van bruin papier geknipt en op de perspectivische tegelvloer geplakt. Er omheen, tussen een oneindige overdaad van krullende ranken een tekst met alle mogelijke typen van letters, zoals in die tijd voor drukwerk gebruikt werden.
Het knipsel blijkt gemaakt voor twee bruidsparen in 1862: een dochter trouwde op de dag dat haar ouders 25 jaar gehuwd waren. In kleine potloodletters staat in de voet van twee siervazen: J. Nuis, Dedemsvaard. Zou hij de maker zijn? Hij was timmerman, die in 1812 te Smilde geboren was en in 1871 te Dedemsvaart overleed.

In het museum Flehite te Amersfoort is een knipsel dat er veel op lijkt. Daarin is het verhaal van de zalving van Jezus door de overspelige vrouw uit Johannes 12 afgebeeld (afb.2). Het is opgedragen “Uit achting aan Pieter van Abs”.

afb. 2, Jannes Grootenhuis, Zalving van Jezus, Museum Flehite

Sprekend daarop lijkt een knipsel dat in plaats van de afbeelding een huwelijksaankondiging draagt van een bruidspaar uit Gramsbergen in 1853. Onderaan een dorpsgezicht en in de hoeken, net als afb. 2 stralende zonnen. Het stuk wordt nog steeds in Gramsbergen bewaard.

In Almelo hangt in het museum voor Heemkunde een aardig knipsel dat Palmpasen uitbeeldt. Ook in particulier bezit te Almelo is zo’n knipsel met hetzelfde onderwerp. De letters zijn los geknipt van verschillende soorten bruin en goud papier (afb. 3).

afb.3, Jannes Grootenhuis. Palmpasen, Museum voor Heemkunde, Almelo Naar een foto van R. Kampman, Almelo

In het Arnhems Openluchtmuseum wordt een stuk van dezelfde kunstenaar bewaard: “Salomons eerste recht”, met de wijze koning die recht spreekt over het moederschap van een levend en een dood kind. Het is afgebeeld in “Schaarkunst”, nr 114 op pagina 105. Ook hier de vele ranken en de stralenfiguren in de hoeken.

Daarop lijkt een ander stuk dat door dit museum is uitgeleend aan het Catharijneconvent in Utrecht: “De bekeering van Paulus”. Saulus die verblind wordt door Goddelijk licht, stort van zijn paard, vlak voor de poort van Damascus. Hier zien we een typisch voorbeeld van volkskunst: Damascus is afgebeeld als een Europese stad met veel (kerk)torens. Iets dergelijks is in de interieurs van de feestzalen uit afbeelding 1 en 2 te zien: koperen kroonluchters zoals de kunstenaar ze kende uit de protestantse kerken. Ook de soldaten rond koning Salomo en Saulus heeft hij fantasieuniformen gegeven.

In het Museum voor Knipkunst is er een zestal van dezelfde hand. Een is afgebeeld als afbeelding 4; weer een huwelijksknipsel voor een bruidspaar uit Wierden in 1849. Een huis in aanbouw en de landbouw staan afgebeeld.

afb. 4, Jannes Grootenhuis, huwelijksknipsel Wierden, 1849; Uit Vaardige Handen 53

Een “broertje” van dit knipsel heet “Het timmermanswelvaren en de bloeiende landbouw maar het is voor iemand anders gemaakt.

Nog twee huwelijksknipsels hangen er, uit 1836 en 1869 en tenslotte twee Bijbelse voorstellingen van het kerstfeest en het pinksterfeest. De laatste is weer een zaal met pilaren en kandelaars in de trant die we al kennen.

Niet alle zes zijn origineel: Lever heeft, om een goed overzicht te krijgen van deze kunstenaar, enkele stukken die in Overijssel bleven, nageknipt op ware grootte. Het is de moeite waard om dat zelf ook eens te proberen met een oud knipsel dat u erg aanspreekt. Heel leerzaam!

Lever had ook ontdekt wie de onbekende knipper is geweest: Jannes Grootenhuis, geboren in 1842 te Ommen als zoon van een bakker. Zelf was hij kleermaker, dus vaardig met de schaar! Hij naaide zijn dubbelgevouwen, grote stukken, papier aan elkaar om verschuiven tijdens het snijden of knippen te voorkomen.

De naam J. Grootenhuis 1867 komt voor onder een knipsel dat bewaard wordt in het Twents Museum in Enschede. Het is een rebus (afb. 5) met de tekst:
o ZONdig MENS hoor mijn verMAAN
het STERven KAN u nooit ontgaan
dus LEER dan STERven door de TIJD
opdat gij door het STERven u verblijd
LEER dus de WERELD kennen door de TIJD
want RAT en SLANG zijn vol bedrieglijkheid

afb. 5, O zondig mens, Jannes Grootenhuis, Twents Museum

Grappig is dat het oudhollandse spreekwoord “Vat den tijd en leer de wereld kennen” ook door de noordhollandse knipper Arie ter Gant in dezelfde tijd in een rebusknipsel is verwerkt!

Is nu Grootenhuis de knipper geweest of Nuis? We weten het nog niet. En waar hij precies woonde en of hij regionale bekendheid genoot is ook onbekend. In ieder geval is een oogst van 14 knipsels, die verspreid raakten over het hele land, niet gering.

Misschien komen er nog wel neer boven water in het Overijsselse – en dat hij niet de enige was die in die contreien verdienstelijk knipte, staat ook wel vast.

Joke en Jan Peter Verhave.

We willen Aafje Wesseldijk-de Jong en haar man graag bedanken voor de twee foto’s (afb. 1 en 2). Zij ontdekte het knipsel in museum Flehite en ging ook de antecedenten na van Nuis.

Wie van de drie?, Knip-Pers 1986-1

Mijn naam is Jan de Prentenknipper uit Zeeland!

Jan I:
Ik ben een invalide kunstenaar en mijn ware naam is Joseph de Laet. Ik ben vrijgezel en Rooms Katholiek; ik leefde van 1803 tot 1883 in Goes en sommigen zeggen dat ik ‘s winters in het Oude Mannenhuis woonde, maar dat is niet waar. Wel logeerde ik soms langer dan nodig was bij een rijke boer die een prent bij me had besteld.

Jan II:
Ik ben een dikke prentenvent en mijn ware naam is Johan George den Boer. Aanvankelijk dacht men dat ik goudsmid was in Goes, na mijn huwelijk een poos in Rotterdam had gewerkt en later als knipper had rondgezworven in Zeeland. Maar ik blijk in Rotterdam overleden te zijn, vóór ik aan knippen toekwam.

Daarom ben ik een naamgenoot van de goudsmid, kleermaker (dus ook knipper), sjouwer, omroeper, arbeider, bajesklant en ook nog verkoper van Nieuwjaarswensen en prenten, tot ik in 1881 overleed.

Jan III:
Ik ben een rondreizende koopman, geboren in 1799 en te Goes overleden in 1870. Mijn ware naam is Jan Huyssoon, maar dat hoeft niemand te weten. Ik heb vijf kinderen gekregen bij mijn Katholieke huishoudster, met wie ik niet getrouwd was. Ik ben Hervormd en weet dat ik Gods straf verdien voor mijn slechte leven. – Na veel ellende ben ik later nog drie keer wettig getrouwd geweest met niet al te jonge dames. Dat was voor een warme oude dag, maar ik heb jarenlang ook nog om bijstand moeten vragen en ben wel 100 keer verhuisd. Eén troost, ik heb honderden katholieken en protestanten een blijvend aandenken geknipt voor hun gebedenboek of bijbel. (afb. 1) Ik ben niemand iets schuldig dan God, die me hopelijk genadig is.

afb. 1, Jan Huysssoon, Hoop en Liefde, ca. 7 x 10 cm

Eindelijk is nu de ware Jan gevonden, niet door Hil Bottema en Jan I, ook niet door Joke en Jan Peter Verhave met Jan II, maar door Rinus Willemsen en A. Rooze met hun Jan Huyssoon! Het sluitende bewijs was een In Memioriam, geschreven in een Goes’ krantje, kort na zijn overlijden. De oplossing van dit raadsel kon worden bevestigd door aantekeningen over deze man in het Goese archief: plaatsnijder, negociant met een zwervend leven enz.

Proficiat  voor de. twee scherpzinnige amateur historici en “mispoes” voor de ondergetekende twee andere amateurs. Streept u de betreffende passage en het alias Johan George den Boer in “Schaar-kunst” maar door.Het boekje is trouwens om meer dan deze reden aan vernieuwing toe!

afb. 2, Jan Huyssoon, Straf der Zonde

De ontdekking van de echte Jan geeft niet alleen een nieuwe naam, maar ook een heleboel nieuwe gegevens over zijn leven, die we nog niet verklappen. We proberen daarmee een mooi kijk- en leesboek over Jan de Prentenknipper samen te stellen. Wilt u ons daarom een tip geven als u in uw omgeving iemand weet die een knipsel van Jan bezit? Er moeten wel zo’n 200 bezitters zijn, want Jan heeft misschien wel duizend knipsels gemaakt. Het waren vooral veel kerkboekprentjes, die als kleurige doorkijkertjes ruim een eeuw in oude bijbeltjes hebben overleefd. Hoe meer we zien en kunnen fotograferen, hoe mooier het boek zal worden. We zullen al die mensen een vragenformulier toesturen om meer te weten te komen over de herkomst en bijzonderheden van hun knipsel. Misschien kunnen we zo de zwerftochten van Jan ook nauwkeuriger vaststellen. En misschien is er in 1988 dan in liet Museum voor Zuid-  en Noord-Beveland te Goes een overzichtstentoonstelling van zijn werk samen te stellen! Helpt u mee?

Joke en Jan Peter Verhave.

Literatuur:
Bottema (1967) “Jantje de Prentenknipper”, de welbekende onbekende van Zeeland l803?1883?
Antiek 2, 2, 80-91
Joke en Jan Peter Verhave (1982), Jan de Prentenknipper in West- Zeeuws-Vlaanderen
Nehalennia 46, winternr. 33-39
Willemsen (1985), Jantje de Prentenknipper. Zeeland Magazine iS, nr 90, 5-6