Categoriearchief: publicatie

Curiöse von papier geschnittene sachen III, Nieuwsbrief 1995-4

Von Uffenbach’s aantekeningen over Nederlandse papierknipkunst in 1710-1711.

Later in december bezoeken de Von Uffenbach’s in Den Haag de priester Allardus Titsingh (ca.1667-1713), in de “Merkwürdige Reisen” aangeduid als Dissing. Deze Titsingh was volgens Von Uffenbach een grote, drukke en opgewekte man die een liefhebber was van een goed glas wijn. Hij beschikt over een grote verzameling schetsen en tekeningen van Italiaanse, Hollandse en Duitse meesters. De priester heeft die collectie geërfd van zijn familielid Johannes van Achelom, een schilder die onder de naam “Signor Giovanni” het tot kamerheer bij de Groothertog van Toscane zou hebben gebracht. Na het overlijden van Titsingh is deze verzameling in 1713 geveild ten huize van Adt. Johan Adam Hooft in Den Haag. Maar Titsingh heeft in 1710 het Duitse gezelschap nog ander interessant werk te bieden: papierknipsels. Von Uffenbach schrijft erover: “…Er hatte auch ungefehr acht Stück sehr zart mit der Scheer in Papier geschnittene Landschaften und Schlachten von seinem Vetter, darunter die letztere ganz unvergleichlich, ob sie gleich kaum das Quart von einem Zolle gross waren, so waren doch die Figuren wohl proportionirt, und nach der Zeichnung seher schön, so dass diese Arbeit weit curibser, als die, so wir in Amsterdam und Roterdam von geschnittenen Sachen gesehen. Dannenhero obgleich diese kleine Figuren ganz flach ausgeschnitten, waren sie doch gegen jener Arbeit als Mignatur gegen groben und slechten weiss Pinssler-Arbeit anzusehen…”.

Deze beschrijving is niet mis, in feite heeft Von Uffenbach bij de Haagse priester het in zijn ogen beste Nederlandse papierknipwerk mogen bekijken. Waar die stukken zijn gebleven is niet bekend, maar van Johannes van Achelom kennen we wel ander en waarschijnlijk vroeger werk. Dat komt voor in een door Gesina ter Borch familieplakboek. Gesina (1631-1690) begon dit boek in 1660, in de jaren zeventig werd het opnieuw ingebonden.

afb. Rijksmuseum

afb. Rijksmuseum

Het boek bevatte in eerste instantie waterverftekeningen en lofdichten, maar later veranderde Gesina’s kunstboek in een soort plakboek omdat zij er ook krantenknipsels, tekeningen, kopieën en papierknipsels in plakte. Die knipsels zijn de laatst gedateerde (1685) bijdragen aan het boek.

Gesina ter Borch

gebroeders Schellinger

gebroeders Schellinger

Ze zijn gemaakt door Gesina zelf haar neefjes Cornelis en Gerrit Schellinger en Johannes van Achelom.

Van zijn hand zijn twee knipwerkjes: een grafmonument in een door Gesina geschilderde bloemenkrans en een tafeltje met daaraan twee theedrinkende figuren en rechts een bediende

Van Achelom werd in 1668 door Cosimo III de Medici in dienst genomen tijdens zijn bezoek aan Amsterdam. Hij vertoonde het Italiaanse gezelschap daar zijn imponerende knipkunst (“…Giovanni Achelem que ritaglia in carta profili sottilissimi di figure, paesi et animali d’ogni sorte con singolar maestria, senza alcuna sorte di precedente disegno o manifattura”.) en liet verder zien dat hij ook uitstekend kon schaatsen. Bekend is dat hij nog in 1688 in hofdienst te Florence was en dat er door hem vervaardigde schilderijen zijn vermeld in oude inventarissen. Deze vermeldingen maken natuurlijk dat we graag meer zouden te weten willen komen over deze kunstzinnige Johannes.

Het laatste papierknipwerk dat Zacharias von Uffenbach en de zijnen op hun rondreis hebben bekeken is gemaakt door de Amsterdamse knipster Johanna Koerten-Blok (1650-1715).

Op 24 februari 1711 wordt haar atelier bezocht: “…Nachdem giengen wir zu der Mennonistin Johanna Coerten Block, in de nieuwen Dyck gegen unserm Wirthshaus Uber in de Black, um die schöne geschnittene papierne Sachen zu sehen…“. Johanna heeft volgens Zacharias 32 knipsels te bekijken, sommige ervan heeft de vorige maal (dus op zijn reis in 1705) niet gezien, die zijn nieuw voer hem. Het meeste werk van Koerten bestaat uit portretten, zo schrijft hij, stukken die zij eerst heeft getekend en vervolgens uitgeknipt. Dan worden ze tussen twee glasplaten geplaatst en zo ontstaat een bijzonder effect: “…Die schwarze Bretter der Thüren, so hinten davor sind, geben den Schatten durch die ausgeschnittene Lücken, dass es scheinet, als ware alles mit der Feder gerissen…“. Ook heeft Koerten enige reliëfstukken (“erhabener Arbeit”), vergelijkbaar werk hebben de Duitse reizigers in Rotterdam gezien maar deze knipsels zijn beter van kwaliteit. Von Uffenbach vindt een van haar mooiste stukken een bloemenvaas met de tekst “Vita nostra ut flos”, een knipsel dat ons bekend is uit de voormalige collectie Van Ommeren.

Meer over het werk van Johanna Koerten is te lezen in de nieuwsbrief van december 1994. Met deze opmerking besluiten we de aantekeningen van Zacharias von Uffenbach over Nederlandse papierknipkunst in 1710/1711. Een nieuwe serie artikelen over een ander interessant onderwerp uit de geschiedenis van de Nederlandse papierknip- en snijkunst zal worden opgenomen in de nieuwsbrieven van volgend jaar.

 

 

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-4 van Stichting W. Tj. Lever.

Curiöse von papier geschnittene sachen II, Nieuwsbrief 1995-3

Von Uffenbach’s aantekeningen over Nederlandse papierknipkunst in 1710-1711. Deel 2

Gerard van Spaan schrijft dat Rijberg zowel werk “in ‘t plat” als “in ‘t verheve” maakte. Ook vermeldt hij de waardering voor de knipsels van de Rotterdamse kunstenares: “…Deze dogter iets voor den Keurvorst van den Palts gesnede hebbende/ wierd vereert met dit volgende soort van goed; vier zilvere vergulde bekers met deksels /daar eenige Roomse Keizers op gedreven stonden; nog een klein zilver serviesje met het Keurvorstelijk Wapen daarop…“. Johann Wilhelm (1658-1716), keurvorst van de Palts bezocht Rotterdam in 1696. Van Spaan noemt in zijn “Beschryvinge der Stad Rotterdam”, waarvan de eerste druk twee jaar na het bezoek van de keurvorst verschijnt, nog een andere Rotterdamse papierkunstenaar: Gilles/Gillis van Vliet. Van Vliet (ca.1635/40-1701) was een wijnkoopman en azijnmaker die aan de Bierhaven, hoek Oranjestraat in de Maasstad heeft gewoond en gewerkt. Hij is in 1701 overleden, zijn tweede vrouw Cornelia Bras sterft enige jaren erna in 1706. De knipactiviteiten van Van Vliet zijn voor Von Uffenbach door diverse buitenlandse bezoekers beschreven. Zo schrijft Richard Chiswell in 1696: “…Wij bleven om iets van de stad te gaan zien en van haar bezienswaardigheden, onder andere papieren snijwerk, ingelijst net als schilderijen, schepen voorstellende, bloemen, enz. Bijzonder knap werk en te meer te bewonderen, omdat er nooit vroeger iets van dien aard gemaakt is, terwijl dit het merkwaardig bedenksel is van een zeer welgesteld heer (maar een melancholisch mensch); zoodat men groote sommen heeft geboden om deze dingen te koopen, doch tevergeefs…“ En Thomas Bowrey noteert in 1698: “…Hier zijn 2 of 3 plaatsen, waar heel mooi knippapierwerk gemaakt wordt. Het mooiste bij een meneer Van Vliet, die dit voor eigen tijdverdrijf vervaardigde; hij heeft een tiental stukken achter glas en omlijst; huizen, tuinen, landschappen, zeegezichten, bloemen en kantwerk. Dit kantwerk is met het bloote oog niet van echt kantwerk te onderscheiden. Die stukken zijn niet meer dan 2,5 voet lang en enkele hebben een waarde van ongeveer 1000 gulden. Maar die heer verkoopt er geen en vraagt ook geen geld voor de bezichtiging…’ In het testament van Cornelia Bras staat te lezen dat het knipwerk van Gilles van Vliet bij verschillende personen terecht is gekomen: Jan Sloten, Cornelia Bouwens, Anna Blommendaal, Pieter de Bricqueny, Franco Bouwens, Dirk van Ypen, Johanna de Bricqueny en Gerardus Vogel. Die Gerard Vogel is de schoonzoon van Van Vliet; hij heeft diens wijnkoperij en azijnmakerij aan de Bierhaven voortgezet. Bij hem ziet Zacharias von Uffenbach in 1710 het knipwerk van Gilles van Vliet.

Dat werk valt Von Uffenbach, die vermeldt dat de Franse reiziger François Misson daar zo lovend over heeft geschreven (1691), erg tegen: “…Wir fanden aber die Arbeit an diesen Stück- en lange nicht so schön, und sauber, als die bey der Jungfer Ryberg, ob er (= Vogel, red.) wohl die beste zehen Stücke, wie er versicherte in Erbtheilung bekommen. Die zwey besten stellten Schiffe vor, daran aber nichts als simple Blumenkrüge ganz flach, auf Apotheker-Art ausgeschnitten, und aufgeklebt, da hingegen der Jungfer Ryberg alle erhaben und natürlich war…”.

Of Von Uffenbach bij Vogel ook echt de beste stukken van Van Vliet heeft kunnen bekijken kan, gezien de vermeldingen van knipwerk in het testament van Cornelia Bras, worden betwijfeld. Vogel beschikte maar over een deel van het werk van zijn schoonvader en mogelijk waren dat niet de beste stukken. Gelukkig kunnen we sinds kort ons zelf een oordeel vormen over het knipwerk van de Rotterdamse wijnkoopman. Het Westfries Museum kocht enige jaren geleden een knipsel met een maritieme voorstelling, gemaakt door Van Vliet, aan.

Gillis van Vliet, collectie Westfries Museum

Bekijken we dit mooie stuk dan komen we tot de overtuiging dat de lovende opmerkingen over het werk van de knippende wijnkoper beslist niet overdreven waren. De Von Uffenbach’s bezoeken op 26 november 1710 ook nog de schrijnwerker Balten Gessing die in de Hoogstraat bij de Franse Kerk woont.

Hij toont zijn bezoek onder andere een “Perspectiv-Stück, die grosse Kirche zu Delft vorstellend, von van Vliet, davor er sechsig Gulden forderte…”. Er is wel verondersteld dat het hierbij zou hebben kunnen gaan om een reliëfknipsel van Van Vliet, maar veel aannemelijker is het dat Gessing een perspectiefschilderij van de Delftse schilder Hendrick Cornelisz. van Vliet in zijn bezit had. Dit schilderij is de Duitse reizigers echter te duur, ze bieden veertig gulden maar voor die prijs wil Gessing het niet van de hand doen. Later, in Delft, kan Johann Friedrich toch een perspectiefstuk van de Oude Kerk kopen gemaakt door Cöserman, hij betaalt daarvoor dan veertien gulden. Zacharias koopt daar een portret van Erasmus voor slechts drie gulden.

 

 

 

Die schilderijen komen uit het bezit van de Delftse chirurgijn Johannes van den Boogert (Boogaert) (1659-1731) die zij op 3 december 1710 hebben bezocht. Deze chirurgijn heeft ook papierknipwerk gemaakt. Von Uffenbach schrijft over hem: “… So ungeschickt er mit der Zunge ist (indem er entsezlich stottert) so geschickt ist er mit der Hand. Dann er schnitt erstlich gar sauber in Papier, wie wohl nur flach, davor er uns etliche Stück zeigte, so schön waren, als wir sie in Rotterdam gesehen. Vors die Vögel gar schön ausbalgen, und aufsetzen.. .“. Van den Boogert heeft een grote verzameling opgezette dieren, zoals vogels, insecten, vlinders, spinnen en schorpioenen. Het Duitse gezelschap koopt van hem enige exemplaren, voor het knipwerk heeft men minder belangstelling. Dat is plat uitgevoerd en lang niet zo mooi als het werk dat zij in Rotterdam hebben gezien. Chirurgijn van den Boogert is waarschijnlijk afgebeeld op het schilderij “De anatomische les van Dr. Abraham Cornelisz. van Bleiswijk” uit 1727 gemaakt door Thomas van der Wilt (1659-1733) voor het Delftse “Theatrum Anatomicum”.

De anatomische les van Abraham Cornelisz van Bleyswijck

Boogert

Knipwerk van de stotterende chirurgijn is niet bekend, al is het verleidelijk te veronderstellen dat een knipseltje voorkomend op een blad uit de verzameling van de Delftse medicus, schepen en burgemeester Hendrik d’Acquet (1632-1706) wel eens door Van den Boogert kan zijn gemaakt. D’Acquet had een mooie collectie van vooral naturalia die hij documenteerde door (ingekleurde) tekeningen. Ook liet hij afbeeldingen van exemplaren die hij niet in eigen verzameling had bij andere verzamelaars copieëren. Op een van de bladen komt een eenvoudig plat knipseltje voor: een dubbelgeknipt hart met vogeltjes. Iets van de hand van Van den Boogert of zou dit knipwerk pas veel later op het blad zijn aangebracht?

 

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-3 van Stichting W. Tj. Lever.

Haarlemse silhouetten, Nieuwsbrief 1995-3

Van de heer J. van Lieshout ontvingen we het artikel “Het Silhouet in Haarlem” uit het dubbelnummer over Haarlem van het tijdschrift GENS NOSTRA uit april/mei 1995. In dit artikel bespreekt de heer B. Sliggers Haarlemse silhouetten gemaakt door de profilisten Matthias van Geuns (1758-1839), Arnoldus Martinus Penninck Hoofd (1780-1818), Jacob Loos van Westerkappel (1772-1854) en Gerrit Jan Michaëlis.

afb. Gens Nostra

Met name het eerste gedeelte van het artikel verraste ons want daaruit bleek dat de schrijver op zoek was naar de twee silhouettenalbums van Ds. Van Geuns. En die bevinden zich sinds enige tijd in langdurig bruikleen in het Westfries Museum in Hoorn, we hebben dat de auteur natuurlijk laten weten. Van Geuns was dus al bekend als silhouettist, maar erg interessant zijn ook de portretten van Penninck Hoofd. Dat zijn profiels die, net als bij het werk van Van Geuns, zijn geknipt/gesneden uit wit papier en op een zwarte ondergrond zijn geplakt. Verschillende van de door Penninck Hoofd geportretteerde figuren komen ook in de Van Geuns-albums voor, zodat ze met elkaar vergeleken kunnen worden. De silhouetten van Loos van Westerkappel en Michaëlis zijn getekend met oostindische inkt en stellen de leden voor van het dichtlievende genootschap Democriet. Al met al is dit GENS NOSTRA-artikel erg informatief, een aanrader voor liefhebbers van de silhouetkunst.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-3 van Stichting W. Tj. Lever.

Curiöse von papier geschnittene sachen I, Nieuwsbrief 1995-2

Von Uffenbach’s aantekeningen over Nederlandse papierknipkunst in 1710-1711. Deel 1

Van 1709-1711 maakte Zacharias Conrad von Uffenbach (1683-1734) met zijn jongere broer Johann Friedrich een reis door Noord-Duitsland, de Noordelijke Nederlanden en Engeland. Een verslag van die reis is te lezen in het postuum verschenen boek “Merkwürdige Reisen durch Niedersachsen, Holland und Engelland uit 1754. De Duitse reizigers ondernamen een gedegen studiereis, Zacharias was een kenner van kunst en vooral een groot boekenverzamelaar, men bezocht in de genoemde landen vele bekende personen en verzamelingen.

afb. British Museum

Von Uffenbach was al eens eerder in de Nederlanden geweest, in 1705 maakte hij een rondreis met zijn zuster en enige andere verwanten. Aantekeningen moet hij op een bijzondere manier hebben vastgelegd, hij kon schrijven op papier of in een boekje dat zich tijdens de bezoeken in zijn broek- of jaszak bevond, zodat niet al te opzichtig gegevens en bijzonderheden konden worden genoteerd. Op zijn tweede reis bezocht Zacharias vele personen, een aantal daar van hield zich bezig met de kunst van het papierknippen (Rijberg, Van den Boogaart, Koerten), anderen beschikten over een collectie papierknipsels (Vogel, Titzing). De notities van Von Uffenbach hier over geven ons een indruk over kunstenaars en knipwerk uit de eerste hand en zijn daarom zeer waardevol voor het in kaart brengen van de geschiedenis van de Nederlandse papierknip- en snijkunst.

Na een reis door het noorden van Duitsland gaat het Duitse gezelschap op 4 april 1710 via Embden naar Delfzijl. Men bezoekt Groningen, Dokkum, Leeuwarden en Franeker. In de laatste stad gaan de Von Uffenbach’s naar een koffiehuis waar ze een papierknipsel gemaakt door Roelof van Duiden, een kok of pasteibakker uit Harlingen, zien.

In het artikel “Aanteekeningen van Z.C. von Uffenbach gedurende zijn verblijf in Friesland in 1710” geschreven door Mr. J. Dirks in de Vrije Fries, deel VI van 1853 wordt dit voor val natuurlijk vermeld, maar helaas worden daarin geen nadere mededeling en gedaan over de papierknipper. Tot nu toe is het niet gelukt verder iets te weten te komen over Van Duiden zijn knipsel, voorstellend een portret van Johan Willem Friso van Nassau-Dietz (1687-1711), was vermoedelijk gemaakt uit wit papier en naar alle waarschijnlijkheid vervaardigd naar voorbeeld van een portretprent. De Friese stadhouder zou in het knipsel zijn afgebeeld ten voeten uit, met aan zijn voeten een veldslag en aan beide zijden de wapens van Friesland en Nassau en verdere decoratieve elementen. Precies zo’n portret is niet bekend, wel komt het aardig in de richting van een in prent uitgegeven portret naar een schilderij van H. Qui(t)ter.

afb. British Museum

 

Von Uffenbach schrijft dat dit knipsel veel goedkoper was dan het knipwerk dat hij eerder te Amsterdam (Koerten) en in Rotterdam (Rijberg) had kunnen bekijken, maar dat werk was wel veel beter van kwaliteit. Na deze korte, hernieuwde kennismaking met de Nederlandse knipkunst reizen Von Uffenbach en zijn gezelschap door naar ondermeer Utrecht, Amsterdam en Den Haag. Op 21 juni arriveren ze te Rotterdam, de dag erna vertrekt men naar Engeland. Op 14 november keert men terug in de Maasstad om daar verschillende bezoeken af te leggen. Op 19 november volgt een ontmoeting met Elisabeth Rijberg die Von Uffenbach ook al in 1705 had bezocht. Bij haar gaat het gezelschap “curiöse von Papier geschnittene Sachen” bekijken. Opmerkelijk is volgens Von Uffenbach het bord op/boven de deur van het huis van de knipster. De tekst op dat bord is in het Nederlands en Frans gesteld.

De Duitse reiziger gaat er in zijn verslag niet verder op in, maar de (Nederlandse) tekst staat vermeld in Gerard van Spaan’s “Beschryvinge der Stad Rotterdam” uit 1698. Die zou hebben geluid:
“Ik snijde van papier al wat het oogestreeld,
Of wat een geestig brein ons na de kunst afbeeld:
Al brult de bitze nijd met opgesparde kaken,
Mijn kunst en zal niet ligt daar door in ’t voetzand raken”.

Wie er verantwoordelijk zou zijn voor die bitse nijd wordt uit het verhaal niet duidelijk, het voetzand heeft echter wel degelijk toegeslagen. Op dit moment is er geen bewaard gebleven werk van Elisabeth Rijberg bekend, maar dat kan, net als bij Gilles van Vliet, natuurlijk nog veranderen. Het bezoek aan Rijberg moet Von Uffenbach dit keer wat zijn tegengevallen. Zij kan hem in het geheel slechts elf knipsels laten zien, waarvan hij er negen reeds in 1705 heeft kunnen bekijken.

De twee nieuwe zijn in 1709 gemaakt en stellen voor een gezicht op stad en strand van Scheveningen en een haringvangst. Het zijn, zo schrijft de kunstkenner, mooi gemaakte stukken met vele kleine menselijke figuren en fraaie schepen. Hij acht de zee- en bloemstukken van Rijberg het best van kwaliteit, vooral het kantknipwerk in de randen van de bloemenknipsels kan hij erg waarderen. Maar, Rijberg is duur, ze durft voor het minst goede stuk uit de serie nog zeshonderd gulden te vragen. En dat is, ook voor Von Uffenbach, “…vor Papier, ob es gleich noch so künstlich ausgeschnitten, gewiss gar viel Geld…”. Van de Rotterdarnse papierknipster Elisabeth Rijberg is weinig bekend. Zij woont in 1698, volgens Van Spaan, “op ’t Nieuw Oost-Indisch Huis”, dus in de buurt van het van 1695-1698 gebouwde nieuwe onderkomen van de Kamer der Oost-Indische Compagnie aan de Boompjes. In 1721 zou zij zijn overleden. Wat we weten van haar werk is afkomstig van de beschrijvingen van Von Uffenbach en Van Spaan en uit enige archiefstukken. Rijberg heeft papieren schepen, landschappen (met gebouwen), portretten en bloemstuk ken vervaardigd, onderwerpen die ook bij andere knipkunstenaars geliefd waren.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-2 van Stichting W. Tj. Lever.

Schimmen van Acket, Nieuwsbrief 1995-1

“Haarlem”, zo schrijft Hetty Paërl in haar boek “Schimmenspel’, ‘was wel een gezegende stad voor liefhebbers van het schimmentheater”. Ko Doncker was er werkzaam (tot 1917) en omstreeks 1920 dook daar opnieuw een speler op, Pieter van Gelder. Maar al eerder moet in de Spaarnestad een andere maker hebben rondgelopen: ene Acket. Hij maakte de schimafbeeldingen die zijn op genomen in het 31 pagina’s tellende boekje “Met de Eerste Compagnie op Mobilisatie” dat van tekst werd voorzien door J.B.S.

Dit boekje werd door ons in 1988 aangekocht op de veiling van de collectie van Levers Nederlands Museum van Knipkunst. De inhoud van het boekje moet de herinnering weergeven aan het St. Nicolaasfeest dat in 1915 op het Galgenveld bij Huisduinen is gevierd.

Het is verleidelijk om te denken dat het schimmenspel bij die gelegenheid is opgevoerd en, na gebleken succes, later is uitgegeven. Hetzelfde is gebeurd met enige spelen van Frans ter Gast. Zeker is dit niet want de tekst begint met de mededeling van J.B.S. : “Ik heb de eer u voor te stellen, niet een pas benoemd officier,/maar een serie van platen,/Die in den vorm van schimmen voor u zullen passeeren”.

Het verhaal begint met het afscheid van schimmenmaker Acket van zijn vrouw, oudste zoon en vader en moeder. De eerste compagnie van het 21e bataljon van de Landweer arriveert vervolgens te Hilversum. De staart van de groep wordt gevormd door oudere mannen van de lichting negentienzeven.

   

Het schimmenverhaal geeft daarna allerlei (komische) gebeurtenissen weer en haalt bij voorkeur opvallende compagniestypen naar voren. Na een week in Hilversum vertrekt de groep naar Brabant en komt te recht in de niet geheel frisse schuur van boer Klomp en zijn vrouw.


‘Zes dagen bij de boer, dat was zes dagen te veel,
Rrrrrt- toen was het weer: verandering van toneel!
Nu bij pastoor BEER in de Hasselt te gast.”

 

 

 

Het onderkomen met een rood dak was daar ‘-‘Erica” en er brak een tijd aan van “tirailleeren en marcheeren”. Er viel niet aan te ontkomen, de overste te paard zorgde daar wel voor.

“Ja”, verzucht de schrijver, “in Tilburg heeft de Compie wat ’n kilometers gevreten./’t Leek wel, of de menschen van loopkoorts waren bezeten.”

Ook sanitaire problemen blijven in het verhaal niet onvermeld en de verplaatsingen van de compagnie blijven doorgaan. Van Tilburg gaat men naar Hilvarenbeek, maar blijft daar slechts een week.

 

 

Er wordt alarm geblazen en het legeronderdeel rukt op naar Reusel waar men Belgen moet interneren en oog in oog komt te staan met een Duitse patrouille.

Reusel was ver van een station afgelegen, zo’n 25 kilometer. Die afstand moest worden gelopen of er kon een jan plezier worden gehuurd. In het plaatsje Vessem had men uitstekende kontakten met dikke Marie (“…Nergens in Brabant dronk men meer bier/Dan in dit Vessemsche kwartier…“). Over Oisterwijk:”…den naam slechts te noemen/Beteekent zoveel als het plaatsje te roemen…“. In het “zaaltje van MEIJS” kon prima worden gemusiceerd. Daar kwamen ook Sint en Piet opdraven die buitengewoon veel weg hadden van de compagniefiguren DE KANTER en SCHALEKAMP. Vele andere voorvallen passeren de revue, het verhaal wordt besloten met een voorzichtige vooruitblik naar de terugkeer van de Landweer naar huis en gezin.

“… Menschen, vrinden, ik wou niet veel,/Maar bij ‘t zien van dit taf’reel/Denk ik: liever nog vandaag dan morgen/was ACKET zóó zonder zorgen!/Och! ware eind’lijk toch de natie/Weer bevrijd van de mobilisatie…”. Tenslotte wordt overste WAGTENDONK bedankt (“Hij is bij eiken Landweerman/Zoo populair, als het maar kan”) voor de bewezen diensten.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-1 van Stichting W. Tj. Lever.

Een schimmenspel van Ko Doncker, Nieuwsbrief 1995-1

We vonden tussen een grote voorraad silhouetkaarten acht kaarten waarop figuren in silhouet staan afgebeeld met een korte begeleidende tekst.

De achterzijde van de kaarten maak te duidelijk waarom het precies ging.  Deze kaarten maakten deel uit van het door Ko Doncker vervaardigde “paedagogisch schimmenspel” met de titel ‘Rookt nooit te vroeg”.

De firma Salm uit Haarlem gaf de kaarten uit bij (schimmenspel) sigaren. In ieder kistje van 100 stuks zaten twee kaarten, in een kistje van 50 stuks één exemplaar. Het hele spel bestond uit 27 silhouetfiguren (nrs. 1-27), en er was verder een scherm (nr. 28) en een vers met handleiding (nr. 29). De maker van dit spel, Ko Doncker, was een van Nederlands bekendste schimmenschuivers. Een aardige passage over hem is te lezen in het door Otto van Tussenbroek geschreven deel “Speelgoed, marionetten, maskers en schimmenspelen” in de reeks “Toegepaste Kunsten in Nederland” (oorspr. uitgave 1925, 2e ge wijzigde druk 1979):

“KO DONCKER (1875-1917) is het geweest, die op dit gebied ten onzent als het ware school heeft gemaakt. Zijn werk sloot zich onmiddellijk bij dat der fransche meesters aan. Hij was, zooals hij zich zelf noemde volbloed schimmenschuiver. Er was eene groote opgewektheid in hem, welke echter altijd een ondergrond had van diepe melancholie:
Ik zie de schinimen van den dood
in het mistig avondrood
gloedrood
zijn de schimmen van den dood…

Zoo schreef hij eens in een brief aan een zijner vrienden en men wist eigenlijk nooit recht of hij gekheid maakte of dat het hem ernst was. Grotesk, clownesk, dat kon hij zijn in hooge mate; zijn kop en gansche uiterlijk had iets van den clown ,,in politiek” en zijn heen gaan, zoo plotseling, neervallend van zijn rijwiel door hartverlamming op den smallen Zuid-Schalkwijkerweg aan het Spaarne bij Haarlem, was eigenlijk, hoe verdrietig ook, volkomen in zijn lijn.

Daar, in Zuid-Schaikwijk had hij zijn aardige huis en zijn tuin, waarin hij zoo naar hartelust kon scharrelen, tomaten kweekte en eens een zeer makken reiger hield en waar het ten allen tijde goed was te toeven. Maar ook het verhaal van Doncker’s hoed, gevonden door een aan de jaaglijn van zijn schuitgaande schipper, die zijn versleten pet in het Spaarne wierp en met den hoed van den schiminenspeler op den kop moeizaam voortschreed, zooals dat later door een ooggetuige is gedaan, hoezeer past het volkomen in het kader van diens diepste wezen, waarin altijd weer plaats was voor den lach en den traan en waarin ook altijd het lachen en het schreien nauwer aan elkaar verwant waren dan menig een wel kon vermoeden. Hij was… een groot kind.

Aldus was het alsof hij met zijn  kartonnen poppen ,,speelde” en daarin zijn grootste geluk en ontspanning vond. De meest bekende stukken die hij gemaakt heeft en in Haarlem  en later ook in andere steden van ons land vertoonde zijn wel ,,De liefde door alle tijden”; ,,De geschiedenis der schilderkunst” en ,,De geschiedenis der kritiek.” Hij haalde alles erbij, gansch de wereidhistorie van af den eersten tot den laatsten mensch op aarde, Samson en Dalila, Jozef en Potifar; de Koningin van Saba en Koning Salomo; het beleg van Troje en den Sabijnschen maagdenroof, ja wat al niet en het was altijd weer in woord en beeld en passende muziek, een volkomen, vlot loopend en vloeiend geheel. Dat was de groote deugd! Het was alles zoo ongeposeerd en zoo echt en terwijl Doncker dan met zijn geestigen zeggingstrant de door hem gemaakte gedichten voordroeg en tegelijkertijd de voor stelling leidde, waren twee van zijn helpers bezig met de schimmen, welke zij langs het fel verlichte witte doek voortbewogen, terwijl de anderen musiceerden. Het orkest bestond in Doncker’s ,,b!oeitijd” uit piano, guitaar, viool, fluit, trom en bekkens. Alles paste als een bus. En als dan tegen hoog entrée de Haarlemsche beau-monde het smalle trapje opstommelde van het atelier, daar in het oude poortje aan de Heulstraat en de laatst binnenkomende bezoeker het kaarsje op den trap had uitgeblazen en anderen ,,in de zaal” hetzelfde ver donkerend ritueel hadden verricht, dan kon het spel beginnen en was Doncker, in het donker, in zijn element. Na hem zijn vele anderen gekomen, geen heeft hem overtroffen! Dat ligt in hoofdzaak hierin dat Doncker zelf den tekst verzorgde en aldus ontstond er een onverbrekelijk verband tusschen het te vertoonen stuk en het gedicht en de te snijden schimmen.”

In haar boek ‘ Schimmenspel en het spel met schaduwen” (1979) besteedt Hetty Paërl ruime aandacht aan het schimmenspel van Doncker. Ze schrijft: “Erg leuk is het schimmenspel op rijm dat hij voor een sigarenfabrikant maakte: Rook nooit te vroeg. Jantje van der Plas kaapt stiekem sigaren uit het kistje van zijn vader. De jongen rookt zoveel, dat hij helemaal versuft is van de nicotine en op school als domoor voor de klas staat. Eindelijk neemt de dokter hem onder handen, maar Jan kan het roken niet meer laten. En dan volgt de moraal:
Door zijn vreeselijke trek;
Leest, wat akelig gebrek
Uit het rooken voort moet vloeien,
Kleine Jan wil niet meer groeien.

Deze antireclame was nu echt een grap voor Ko Doncker. De fabrikant bezat kennelijk voldoende gevoel voor humor en verpakte het schimmenspelletje met de figuren bij zijn sigaren…“. In het boek van Paërl is ook een gereconstrueerde weergave van het volledige schimmenspel afgebeeld.

Onlangs is in het Historisch Museum Zuid-Kennemerland te Haarlem een tentoonstelling gehouden over leven en werk van Ko Doncker. Ter gelegenheid daarvan verscheen een informatief boekje waarin auteur Kees de Raadt schrijft over de schimmenactiviteiteit van Doncker maar ook over de (reclame)tekeningen en geschriften van de Haarlemse schimmenschuiver. Over “ons” schimmenspel is in deze uitgave (“Haarlemse Verkenningen nr.12) te vinden dat het ook kon worden uitgeknipt en in een album geplakt. Het spel was zo succesvol dat de fabrikant het liet vergroten tot poppen van ca. 60 cm hoog. Die poppen werden voorzien van slangetjes zodat ze konden roken. Er zijn plannen gemaakt om het spel met die poppen (contactschimmen) op te voeren, maar dit schijnt maar een keer te zijn gebeurd (maart 1917 in Groningen). De plotselinge dood van Ko Doncker heeft verdere uitvoeringen verhinderd.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-1 van Stichting W. Tj. Lever.

Silhouettist Ds. Johannes Hoek, Nieuwsbrief 1995-1

In het jaarboek 1992 van het Centraal Bureau voor Genealogie en het Iconografisch Bureau vonden we enige tijd geleden de vermelding van twee albums met silhouetten.

Deze profielportretten (maar liefst 93 stuks) zijn gemaakt door ds. Johannes Hoek (1813-1893). Hoek, geboren in Engelen in 1813, ontving een op leiding aan het gymnasium in Kampen. In 1830 trad hij in dienst bij de vrijwillige schutte rij en als 2e luitenant nam hij deel aan de Tiendaagse Veldtocht in 1831.

De silhouetten dateren uit de periode 1830-1839, het zijn portretten van medestrijders van de schutterij en van familieleden en kennisssen.

In een van de albums is een zelfportret van de silhouettist opgenomen. Een gegraveerd silhouet van ds. Hoek werd in 1853 door de weduwe Brabiers in Zwolle uitgegeven.

Hoek studeerde theologie in utrecht en werd na zijn studie predikant in achtereenvolgens Giethoorn, Oudeschoot en Kampen. In de laatste plaats werkte hij tot zijn emeritaat in 1890; Hoek overleed er in 1893. In het jaarboek CBG/IB werd geschreven dat de verzameling portretten als collectie Hoek was ondergebracht in het Gemeentearchief Rotterdam, maar dit is niet juist. Wel is het de bedoeling dat de albums uiteindelijk in het Rotterdamse archief terecht komen. De heer C. Hoek beheert deze en andere stukken en was zo vriendelijk ons de twee albums te laten zien. Het gaat om silhouetten die uit wit papier zijn geknipt en vervolgens met diverse kleuren verf zijn gehoogd. We konden een goede indruk van de manier van werken van Johannes Hoek krijgen omdat ook verschillende niet ingekleurde portretten en zijn schaartje bewaard zijn gebleven. We lazen verder een deel van de geschreven autobiografie van Hoek, een werkstuk dat in ongeveer 1890 is opgesteld. Hieruit bleek dat ds. Hoek aanvankelijk (omstreeks 1827) werkte met een camera obscura, maar door het zien van werk van Casparus Haanen (1778-1849) over is gegaan op het knippen van silhouetten uit wit papier. Zo leidde de eenvoudige vermelding van enige silhouetten in een jaarboek tot de ontdekking van stukken (de albums, de witte silhouetten en de schaar en de autobiografie) die erg interessant zijn in verband met de geschiedenis van de Nederlandse silhouetkunst en die bijzonder goed zouden passen in een expositie over dit onderwerp.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-1 van Stichting W. Tj. Lever.

Onderwijs in het silhouetteren, Nieuwsbrief 1995-1

In het museum in Schoonhoven was in een van de vitrines het boekje “Beknopt en duidelijk onderwijs in het silhouëtteeren” te bekijken. Het is een uitgave verschenen bij De Leeuw en Krap in Dordrecht, de schrijver wordt in het boekje niet genoemd. Die is echter wel bekend, deze handleiding in het silhouetteren is geschreven door Gerrit Paape (1752-1803)

Paape vermeldt zijn werk in het autobiografische geschrift “Mijne vrolijke wijsbegeerte in mijne ballingschap” dat in 1792 is verschenen bij dezelfde Dordtse uitgeverij.

Hij schrijft hierin: “…Om u, mijn waarde Vriend!, door dit boekgewurm, eens vooral, heen te helpen, zal ik hier die Werken van smaak, (en niet mijne patriottische, welken thans, (in ‘t begin van 1792) op de pers zijn, ten minsten, in de handen der Heeren Boekverkoopers zijn, laaten volgen. Onderwijs in het Silhouëtteeren…“. Over de inhoud merkt Paape op: “… In dit kleine stukje heb ik eenige weinige gevallen van een goed Vriend voor de mijnen aangenomen, om het te veraangenamen…”. De schrijver laat dus weten voor een deel uit te zijn gegaan van ervaringen van een vriend, maar kon ook terugvallen op eigen werkzaam heden op silhouetteergebied. De in beide genoemde boekjes opgenomen silhouetten zijn ongetwijfeld het werk van Paape zelf, bovendien is bekend dat hij zich al sinds 1779 met het beschilderen van waaiers en het vervaardigen van silhouetten heeft beziggehouden, nadat hij ontslagen was bij de plateelbakkerij in Delft waar hij vanaf zijn dertiende jaar had gewerkt. Dat werk, voor eigen rekening, leverde echter te weinig op om van te kunnen leven zodat hij in 1781 al weer een betaalde baan (bij de Kamer van Charitaaten in Delft) moest aanvaarden. In die functie werd hij nadrukkelijk geconfronteerd met de armoede in die tijd. Paape werd nu echt actief op patriottistisch ge bied en nam in 1785 ontslag om zich volledig te gaan wijden aan de politiek, waarbij hij aansluiting zocht bij de linkervleugel van de radicale burgerpatriotten, die invloed van de burgerij op het stads- en landsbestuur nastreefde. Het gaat te ver hier een uitvoerige levensbeschrijving van Paape te laten volgen, een zeer leesbare biografische schets is te vinden in P.J. Buijnsters’ uitgave van “Het leven en sterven van een hedendaags aristocraat” van Paape uit 1798. (Amsterdam 1985). Verder schreef C. Postma over het silhouettenboekje van Paape in het artikel ‘Silhouetteren, een vergeten kunst” (Oud Nederland IV (1950), pp.21-24), hij gaat daarin echter niet in op een, zoals in het navolgende duidelijk zal worden, zeer interessant gedeelte van dit boekje. Hoewel Paape zelf geen knipper, maar tekenaar van silhouetten was is zijn uit gave “Beknopt en duidelijk onderwijs” toch van betekenis voor de geschiedenis van de geknipte portretten en het schimmenspel. Van daar de aandacht voor dit boekje in dit speciale nieuwsbriefnummer. “Onderwijs in het silhouetteeren” telt 52 pagina’s en heeft een inleiding gevolgd door de hoofdstukken “Noodige aanmerkingen’, “Kunstbehandeling”, “Gemaklijke wijze, om de silhouëtten in een zo klein formaat te brengen als men begeert”, “Om de silhouëtten, in het klein, tot volkomenheid te brengen” en “Beweegbare silhouëtten te maaken”.

In de inleiding behandelt de auteur het ontstaan van het silhouetmaken (“Een schaduwomtrek, het zij dan van een Minnaar of een Schaap (want de geschiedenis noemt beiden)”). Hij roemt de “nuttigheid, die de Phisiönomiekunde, uit Silhouëtten of schaduwbeelden, ontleend, is, uit den bekenden arbeid van den beroemden Lavater ten overvloede waereldkundig”. Eigen ervaringen bij het aanschouwen van levensgrote siihouetten van vrienden en bekenden en de kennismaking met “een soort Optica” waarin een vriend beweegbare schaduwbeelden vertoonde van vader, moeder en vriendin worden beschreven. Van die vriend kreeg de schrijver dat merkwaardige schimmen/schaduwspel ten geschenke. Het stimuleert hem “de samenstelling deezer liefhebberij” de lezer verderop in het boekje precies uit de doeken te doen. Een silhouet kan, zo schrijft Paape, levensgroot worden uitgevoerd en daarna worden ingekleurd met zwart of gekleurde verf of inkt, maar het kan natuurlijk ook worden verkleind zodat het past in kleine lijsten, een horlogekast of een ring.

In het hoofdstukje “Noodige aanmerkingen” volgen de zeer herkenbare belevenissen van de oprechte silhouetteur die veelal de herkenbaarheid van het silhouet door de geportretteerde zelf en familie en kennissen betreffen. Ook al is een profiel, objectief gezien, zeer goed getroffen, toch zullen er altijd twijfels over de juiste weergave van het profiel worden opgeroepen. Paape noemt als oorzaak hiervoor dat niet iedere beschouwer een “tekenkundig oog” bezit en dus eigenlijk niet goed over het resultaat kan oordelen. Sterker nog, hij schrijft: “…Dikwijls heb ik lieden van jaaren aangetroffen, die zo stom en onvatbaar voor de edele tekenkunde waren, dat zij geen menschenhoofd van een Saterskop konden onderscheiden. Wanneer dezulken gelijkenis in een Silhouët vinden, is het louter toevallig, en hun oordeel doet niets af, wanneer zij, integendeel, het als niet gelijkende verwerpen…“. Ook moet de beschouwer de geportretteerde vanuit hetzelfde standpunt als de maker bekijken, alleen zo kan een profiel goed worden beoordeeld. Hoe men anders de fout in kan gaan toont Paape,aan met het volgende voorbeeld: “…Eens iemand gesilhouëtteerd hebbende, die verbaazende dikke, uitpuilende wangen had, velde een Stadspredikant er dit vonnis over: Het gelijkt er niets na; want men ziet niets van de dikke koonen…“. Mensen zien graag een goed gelijkend, maar tevens wat geflatteerd portret. Te opvallende gezichtsdelen (bv. een “wanstaltige neus in al zijn lelijkheid”) moeten bij voorkeur worden gecamoufleerd. Paape beschrijft treffend hoe een mevrouw die zo “voordelig” was geportretteerd een negatief commentaar op haar silhouet wist te voorkomen door tegen iedere bekijker van het stuk te roepen: “…Dat ben ik! Ik ben immers uitsteekend wel getroffen?…“. Maar ook de silhouettist kan foutief te werk gaan door er onvoldoende op te letten of het model te geforceerd poseert waardoor een onnatuurlijk eindresultaat ontstaat. In het hoofdstuk “Kunstbehandeling” beschrijft Gerrit Paape het aftekenen van een silhouet op de wand. Het hoofd van de geportretteerde kan daarbij worden gesteund door middel van kokers, een nogal ingewikkelde methode om stabiliteit te verkrijgen. Om te voorkomen dat men in de lach schiet bij het af tekenen van het portret kent de silhouettist een effectief trucje: “…een lelijk Silhouët te maaken, en hen zulks te vertoonen, als hun eigen beeltenis wanneer zij niet ongedwongen en stil zitten…”. Is de omtrek van het gelaat afgetekend dan knipt men het profiel uit het papier los. Vervolgens wordt dit op een ander vel papier gelegd en nagetekend. Daarna kan het worden zwart gemaakt of ingekleurd. In het hoofdstuk “Gemaklijke wijze.. .(. . .)“ spreekt de schrijver zijn voorkeur uit voor het gebruik van een camera obscura bij het verkleinen van een silhouet. “…Een werktuig, bij de kunstenaars onder den naam van Aap…“ bekend (tekenaap of pantograaf) acht hij vaak onbetrouwbaar. Paape beschrijft uitvoerig hoe de camera door de liefhebber zelf kan worden omgebouwd tot een, in zijn ogen, ideaal verkleiningsapparaat. Het verder afwerken (“tot volkomenheid brengen”) van de silhouetten wordt in het hoofdstuk erna belicht. Voor een eenvoudig zwart silhouet kan men gebruiken: “…gemeene schrijfinkt, oost-indische inkt en zwartsel…“.“.. .Zulk eene wijze om Silhouëtten te maken heeft zekerlijk een menigte genoegens, welken wij allen niet kunnen opnoemen: geen der minsten daarvan is deeze, dat men Zijne Ouders, Kinderen of andere dierbaare Naastbestaanden, Vrienden en Vriendinnen, met weinig moeite, in hunne waare gedaanten verkrijgen en bewaaren kan, -dat men ze aan anderen, bij wien zij insgelijks op hoogen prijs staan, ten geschenke kan geeven…“. Er is echter ook een maar: “…het eenvoudige behaagt niet aan allen en altoos…“. Dus het silhouet kan verder worden uitgewerkt door middel van detaillering in het kapsel en het aanbrengen van hoofddeksels. Bij het gebruik van zwartsel kan men een profiel met wit hogen om meer details aan te geven. Met oost-indische inkt ligt het anders: “…Wanneer men het Silhouët flaauw met oost-indische inkt wascht, kan men het vervolgens met kleuren opmaaken; mits zorgdraagende, om alles in het donkere te doen vallen, en vooral het gelaat niet enkel zwart te laaten…”. In het laatste hoofdstuk van Paape’s boekje wordt het maken van beweegbare silhouetten beschreven.

Voor de vertoning ervan kan een illuminatiekast worden aangeschaft of men maakt zelf “…een soort toneel van bordpapier, dat men met wit papier beplakt, en naar welgevallen beschilderd…“. In dat geheel wordt een glas voorzien van enigszins doorzichtig vloeipapier geplaatst en “…hier agter moeten nu de beweegbaare Silhouëtten ten toneele treden…“. De portretten worden gemaakt op de in het voorgaande beschreven manier, daarna worden ze van de nodige lichaamsdelen (tot het middenlijf) voorzien. “…Om dit Silhouët beweegbaar te maaken heeft men niet anders te doen, dan zelfde kunstgreep te volgen, die men bezigt in de papiere, geschilderde man netjes, welken, wanneer men aan een draadje trekt, armen en voeten, enz. beweegen. In steede echter, dat men, zo als bij deeze mannetjes geschied, een draadje gebruikt om de beweeging door te trekken te veroorzaaken, gebruikt men een breinaald, aan de eene punt haaksgewijze omgeboogen: met welk haakje men de begeerde beweeging maakt, door aan de lusjes of oogjes te trekken, die bij elk lid geplaatst moeten worden. Men begrijpt ligtelijk, dat men hals, armen, enz. bij stukken aan het Silhouët moet zetten, met een enkel draadje, en indiervoegen, dat zij zig naar onzen wil beweegen kunnen, als mede, dat al deeze draadjes en oogjes niet bedekt hoeven te zijn, zo als bij de gemelde mannetjes geschieden moet…”. Het is zo mogelijk een zeer persoonlijk getint schimmenspel te vertonen, de kijker ziet zo Tot zijn uiterste verbaazing (…) hem bekende persoonen die of reeds lang gestorven, of verre afweezig zijn. Hij ziet, wanneer de kunstenaar zijn zaaken wel verrigt, deeze perzoonen in hunne gewoone hou dingen, bedrijven, enz…“. En met deze beschrijving en een slotwoord wordt “Beknopt en duidelijk onderwijs” waardig afgesloten.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-1 van Stichting W. Tj. Lever.

Silhoutteer”machines”, Nieuwsbrief 1995-1

In onze verzameling bevindt zich sinds de aankoopaktie van 1988 het boekje “Der Silhuetteur”, uitgegeven in Kassel in 1853. De schrijver van het werkje is E.W. Rübling die lithograaf, silhouetteur, daguerreotypist, schilder en tekenaar moet zijn geweest. Het is een typisch midden 19de eeuwse uitgave. Met de opkomst van de fotografie rond 1840 nam de belangstelling voor het maken van onder andere profielportretten geleidelijk aan af. Toch zullen er nog lange tijd vaklieden zijn geweest die op allerlei manieren (profiel)portretten zijn blijven maken, Rübling was daar een van. Zijn boekje beschrijft een apparaat dat geschikt was als hulpmiddel bij het vervaardigen van silhouetten: de camera obscura.

Met behulp van deze camera en speciaal bewerkt papier konden portretten gemakkelijk in het klein worden afgetekend, een verkleiningsapparaat hoefde niet te worden gebruikt. Dat niet iedere silhouettist met het apparaat goed uit de voeten kon blijkt wel uit het verhaal van Johannes Hoek, elders in dit nummer. Hij werkte eerst met een camera maar besloot later over te gaan op het vrij uit de hand knippen van silhouetten uit wit papier. “Der Silhuetteur” van Rübling staat aan het einde van een lange rij apparaten die vanaf het einde van de 18de eeuw zijn ontwikkeld om het (machinaal) vervaardigen van silhouetten mogelijk te maken. Aan het begin staat de silhouetteerstoel, toegeschreven aan Lavater maar al eerder in een publicatie vermeld, waarmee een profiel op ware grootte kon worden afgetekend.

Zo’n profiel kon met een pantograaf of tekenaap worden verkleind en verder worden ingetekend, ingekleurd of uitgeknipt. Vooral in Engeland is veel geëxperimenteerd met deze en nog veel ingewikkelder apparaten, zoals de ‘Limomachia” van Raphaël Pinion

of de profielmachine van C. Schmalcalder.

Beschrijvingen van vele van die apparaten zijn te vinden in “Silhouettes, A History and Dictionary of Artists” van E. Neville-Jackson (1938,1981) en “British Silhouette Artists and their work 1760-1860” van S. McKechnie (1978). Ook Nederland werd door kunstenaars voor zien van profielapparaten bezocht. Zo meldt de Rotterdamsche Courant van 7 juni 1814: “. . . De Kunstteekenaar Stubbs heeft de Eer het Rotterdamsch Publyk kennis te geven, dat hij uit Engeland gearriveerd is met een nieuwe geïnventeerde Silhouetteermachine, allergeschikts om de Gelykenis in Profiel op de naauwkeurigste wijze te treffen, zelfs in het kleinst Formaat, om in Ringen geplaatst te worden. Een groot aantal Proeven en Voorbeelden zijn daarvan voorhanden, en ter bezichtiging in deszelfs apartementen ten huize van den heer Michel, bij de Beurs, alwaar hij daaglijks van 10 uren ‘s morgens tot 5 uren ‘s avonds te spreken is. De wijze, waarop deze Machine is samengesteld en werkt, stelt den voormelden Teekenaar in staat, om de Profiels op eene zoo naauwkeurige en elegante wijze te vervaardigen, als te voren hier te Lande nooit bekend geweest, en daarbij tevens voor zoo matige prijzen, dat hij niet twijfelt of een en ander zal zijnen kunstarbeid recommanderen. Yder Profiel kost van drie tot vijf Guldens en tien stuivers. De tijd die men behoeft te zitten, is niet meer dan eene minuut…”.

Deze advertentie geeft erg goed weer hoe het silhouetteren werd gepropageerd. De profielmachine was immer nieuw geïnventeerd en wat hij kon was nog nooit vertoond. Men behoefde slechts korte tijd te poseren en het uiteindelijke resultaat, het profielportret, was altijd schappelijk in prijs.

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1995-1 van Stichting W. Tj. Lever.

Vier achttiende-eeuwse knipkunstkabinetten IV, Nieuwsbrief 1994-4

Portretgravure J. Koerten door J.Houbraken en het titelblad catalogus Testas/de Leth, ca.1744

Joanna Koerten (1650-1715)

In 1735 brengt Pieter de la Rue (1695-1770) een bezoek aan het kabinet van papieren snijkunst van Joanna Koerten in Amsterdam. Hij schrijft daarover: “Ruim zozeer bezienswaardig is de alomvermaarde Papiere Snykunst, en daaruit ontsprooten heerlyk Stamboek der beroemde juffrouwe Johanna Koerten, eerste huisvrouwe van Adriaan Blok, by wiens laatste huisvrouw, en (1735) woonagtig in d’ utrechtse straat, dat beide nog te zien is.

          

De snykonst hangt in eene Kamer byeen, en bestaat in plat en opwerk Het opwerk hebbe ik veel fraaier te Rotterdam gezien, dog het platwerk is zeer fraai niet alleen, maar zoo het waarlyk met eene schaare gesneeden is, verwonderlyk kunstig. Het vertoont zig als net geschaduwd printwerk en bestaat de schaduw alleen in zeer fyne sneedjes of knipjes, zooals men mids die stukken tusschen twee spiegelglazen hangen, tegen het doorspeelend ligt, zien kan. De voornaamste dier nog overig zynde kunststukken zyn (hangende als schilderytjes van verscheidene grootte in zwarte lystten) Twee zeer uitvoerige landgezichten Het Ygezigt naar eene Schildery van Stork [en] Een keurlyk bloemstuk met een’ afhangenden spinnekop. Voorts de Portraiten van Czaar Peter, Koning Willem III, prof Plancius Balth.Bekker, in zyne studeerkamer, zeer uitvoerig. Galenus Abrahamsen met een Grieksch testament en de Raadspens. J. de Witt dog dit is wat geschonden. Haar zoogenaamd Stamboek zal, als ‘t met alle zyne fraaijigheden saamgebonden is (zooals ‘t voorneemen van A. Blok was, en nu nog van zyne weduwe schynt te weezen) naar gissing uitmaaken drie groote folianten. Het bestaat uit origineele handschriften van hooge persoonalien [ keizeren, koningen, prinsen, graaven [,] edelen [,] enz. 2. uit gedigten van meer en min beroemde digteren met eigene hand geschreeven. 3 uit zeer heerlyke zinnebeelden, gezigten, portraiten en bloemstuk ken zoo getekend als in water- en olyvervye geschilderd, door de voornaamste kunstenaars en kunstenaaressen. 4 en eindelyk uit d’ allerkeurlykste staaltjes van schryfkunste door Gadelle, Krama, enz. s’ anderdaags zond ik aan de Bezitster ook eene geschreeven Rym, slaande op al dat fraai. ‘t staat onder myne gedigten.”

De la Rue geeft in zijn beschrijving dus aan dat er bij zijn bezoek sprake was van een verzameling papierknipkunst gemaakt door Joanna Koerten en afzonderlijk daarvan het Stamboek dat heeft bestaan uit handschriften, lofdichten, tekeningen, aquarellen en kalligrafische bladen.

catalogus Testas/de Leth

Een onderscheid dat ook is te vinden in de catalogus die omstreeks 1750 is opgemaakt door makelaar Hendrik de Leth voor Pieter Testas de Jonge die het kabinet van papieren snijkunst en het stamboek van Koerten bezat en dat wilde verkopen. Van diverse tekeningen die hebben behoord tot het Stamboek is de verblijfplaats in middels bekend. Vele lofdichten en gekalligrafeerde bladen bevinden zich in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam en een particuliere collectie in de hoofdstad. In diezelfde particuliere verzameling zijn ook enige kleine knipsels aanwezig die door Koerten kunnen zijn gemaakt.

graftombe J. Koerten met allegorische figuren; tekening L.F. Dubourg, 1723

Apotheose van J. Koerten; tekening door M. Terwesten, 1723

de Amstel en het IJ bij de graftombe van Koerten; tekening door L.F.Dubourg, 1722

Joanna Koerten, in 1691 gehuwd met de doopsgezinde lakenhandelaar Adriaan Blok, was in haar tijd en nog lang erna een papierknipster die een grote bekendheid genoot. Bezoekers aan de stad Amsterdam, aanzienlijke figuren en kunstliefhebbers bezochten haar atelier om het knipwerk te bewonderen en vereerden haar met handtekeningen, geschriften en lofdichten. Al van jongsaf zou zij slim en ijverig zijn geweest en haar ouders moeten haar hebben gestimuleerd om zich met creatieve bezigheden als borduren, musiceren, graveren en papierknippen bezig te houden. Na haar dood in 1715 heeft Adriaan Blok haar Stamboek verder uitgebreid met getekende of geschilderde allegorieën op haar persoon en kunst, vervaardigd door verschillen de kunstenaars. Zo groeide het Stamboek van Koerten uit tot een verzameling bladen die, blijkens de aantekeningen van De la Rue, uiteindelijk samengebonden zouden moeten worden tot drie grote folianten. Daar is het nooit van gekomen. Blok overleed in 1726, zijn tweede vrouw Maria van Arckel, die Stamboek en verzameling papierknipkunst bijeen hield, in 1737. Waarschijnlijk kwam het geheel hierna in handen van Pieter Testas die de volledige collectie enige jaren later te koop aanbood. Er zijn veilingen van de verzameling (of delen ervan) bekend uit 1762 (Amsterdam) en 1765 (Haarlem).

veilingcatalogus Bosch, Burgvliet, Arrenberg, 1766

 

Drie knipsels van Joanna Koerten: Portret Willem III, boemstuk en de Liereman

 

 

 

 

In 1766 werden tien papieren kunstwerken en zes konstboeken uit de verzameling van koopman Michiel Oudaan verkocht. Zo is het knipkunstkabinet van Koerten en haar Stamboek geleidelijk aan gesplitst en verspreid geraakt.
Is de verblijfplaats van verschillende bladen (tekeningen, handschriften en kalligrafie) bekend, van het knipwerk van Joanna Koerten weten we veel minder. We kennen tot nu toe mogelijk twaalf knipsels uit vooral particuliere collecties, om een verdere indruk van haar werk te krijgen moeten we ons baseren op de vermeldingen in de verschillende catalogi. Ervan uitgaand dat Testas inderdaad het volledige kabinet van papieren snijkunst heeft bezeten en ook heeft verkocht moet dit hebben bestaan uit 36 knipsels en enig on gespecificeerd werk, opgenomen in een omslag. Dat knipwerk is te verdelen in portretten, religieuze voorstellingen, landschappen, maritieme voorstellingen, diorama’s, teksten, allegorische voorstellingen, een bloemstuk en een wapenknipsel. Van de knipsels die in de catalogus Testas/de Leth (waarvan meerdere versies bestaan) worden beschreven zijn tot nu toe bekend de portretten van Czaar Peter de Grote, stadhouderkoning Willem III, Frederik III, de keurvorst van Brandenburg en de predikant Galenus Abrahamsz. Het bloem stuk daarin genoemd is wellicht het knipsel uit de voormalige collectie Van Ommeren en de liereman en andere kleine knipsels zouden dan deel uit hebben gemaakt van het wel genoemde, maar ongespecificeerde werk. Hebben we hierdoor een idee van de inhoud van Joanna’s kabinet van papierknipkunst, hoe dat er precies heeft uitgezien weten we niet. Mogelijk een impressie ervan kunnen we krijgen door een tekening die Jan Goeree maakte voor een van de Stamboekbladen. Onder dit vignet is de tekst “Uit kleine arbeit grote roem” te lezen.
Afgebeeld zijn drie voorname heren in klassieke gewaden die knipwerk bestuderen. Een van hen houdt voor het raam een knipsel tegen het licht om met een soort loupe het fijne werk (misschien het door De la Rue vermelde “opwerk” met sneedjes) goed te bekijken. De andere twee. bekijken knipsels die zijn ondergebracht in ronde dozen op en voor de tafel. Rechts is een deel van een fraai ladenkabinet te zien. Deze afbeelding is soms genoemd het kabinet van een knipprentenverzamelaar. Waarschijnlijk is het echter een zeer geïdealiseerde weergave van het kabinet van papieren snijkunst van Joanna Koerten en de droom van haar man Adriaan Blok.

“uit kleine arbeit grote roem”; tekening Jan Goeree

1 Joanna Koerten en Anna Maria van Schurman; tekening rood krijt door J. Houbraken
2 Portret J. Koerten; mezzotint door P. Schenk naar D. v.d. Plas

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in Nieuwsbrief 1994-4 van Stichting W. Tj. Lever.