Categoriearchief: publicatie

Tola Steinhage, veelzijdig kunstenares, Knip-Pers 2016-1

afb 1

We kregen bericht dat Tola afgelopen oktober is overleden in Frankrijk, 98 jaar oud.

Zij was in de vijftiger jaren een bekende knipster (psaligrafe) van rooms-katholieke afbeeldingen
en sprookjes; ook illustreerde ze kinderboeken met haar knipsels. Zij is nooit lid
geworden van onze Vereniging en ook had ze geen contact met andere knippers.

Toch willen we nog eens bij haar persoon en werk stilstaan (we schreven al eens over
haar in de Knip-Pers van maart 1989). We doen dat nu aan de hand van Line Huizenga-
Onnekes, die Tola in 1949 bezocht en over haar schreef in haar onuitgegeven boek over
de knipkunst en in het Hengelo’sch Dagblad van 11 februari 1956. Hoe het leven en werk
van Tola zich nadien ontwikkeld heeft, weten we niet.

Tola Steinhage is geboren in 1919 in het stadje Lügden bij Pyrmont. Haar liefhebberij was van klein kind af knippen. Haar ouders zagen met lede ogen dat bijna niets anders haar belangstelling had. Met de schaar toverde zij uit een stukje zwart papier allerlei
sprookjesfiguren.

Toen het gezin naar Essen verhuisde, stonden hare ouders haar toe de Kunstacademie te Düsseldorf te bezoeken. Daar ging een nieuwe wereld voor haar open. Ze zag daar beeldhouw-, schilder-, teken-, en naaldwerk en dikwijls zal ze in stilte gedacht hebben: “maar zó kan ik het  ook”, want Tola is ongelofelijk handig en kunstzinnig. Ze is een begenadigde kunstenares. Haar verblijf te Düsseldorf duurde niet lang. Tola’s vader was redacteur-uitgever van het nti-nazi-orgaan, “Der Deutsche Weg”. Het gezin moest naar Nederland vluchten.

Op het nippertje kregen zij nog hun eigendommen over de grens. Ze vestigden zich in Oldenzaal. Een nieuwe periode begon en Tola ging door met haar werk en richtte een eigen atelier in. Ze knipte nu niet alleen, maar schilderde, boetseerde, maakte vloerkleden en wandkleden, naar eigen ontwerp.

Ze vond zelfs een nieuwe werkwijze uit waardoor ze ook hare overgebleven eindjes wol in
prachtige kleurencombinaties verwerkte. Maar de oorlog brak uit. Haar ouders moesten onderduiken. Een zoon en een dochter konden helaas niet tijdig wegkomen. Ze werden opgepakt en naar een concentratiekamp vervoerd. Ik behoef niemand te vertellen wat men dan doormaakt. Tola zelf kreeg oproep na oproep om voor de Duitsers te werken, maar ze negeerde de dreigementen. Toen ze er tenslotte niet meer onderuit kon, wierp ze zich een pan kokend water over de voeten waardoor zij niet zou kunnen werken. Na de oorlog werd het gezin Steinhage herenigd, maar Tola kon het in Oldenzaal niet meer uithouden. Ze vertrok naar
Utrecht in 1947. Daar heb ik haar opgezocht. Ik zag van haar knipsels, tekeningen, poppen,
kleedjes, ja wat niet, het een al mooier dan het ander. Ik kwam ogen te kort. Ze kreeg opdrachten voor kleden in de basiliek te Oldenzaal en voor het illustreren van kinderboeken. Alle illustraties zijn zwart-wit knipwerk, want “daarmee kun je veel meer doen, dan met tekenwerk”, zegt ze.

afb 2

Dit knipwerk is van een verfijning en zo vol uitdrukking zo karakteristiek. Dit bereikt men met tekenen nooit. Ze knipte o.m. een Rozenkranskruistocht voor de jeugd. Het is specifiek Roomse
kunst in eigen compositie, en heeft dus met volkskunst niets te maken. Tola was een overgevoelig kind dat droomde, dat leefde uit een wereld in zich, maar dat vaak door de harde werkelijkheid werd wakker geschud. Ze gaf het niet op, maar zette hare dromen om in SCHADUWEN. Dit was het wat haar steeds weer trof, maar waar geen LICHT is, daar is ook
geen schaduw en daarom was dit de reflex van haar eigen ziel. Uit het een kwam het ander voort.

afb 3

Het is wonderlijk gegaan met haar werk. Zou men hier van Leiding kunnen spreken ? De dromen uit haren kinderjaren zijn werkelijkheid geworden. Ze heeft zich reeds een uitstekende naam op kunstgebied verworven. Zonder leed en tegenslag heeft ze dit echter niet bereikt. In Utrecht kon ze leven van haar kunst, maar toen haar ouders hulpbehoevend werden vertrok
Tola weer naar Oldenzaal. Daar heb ik haar nog eens opgezocht en het blijkt dat ze in Twente niet de erkenning kan vinden waar ze recht op heeft. Toch gaat ze door, met nieuwe ideeën en technieken. Zo blijft haar kunstenaarsziel groeien.

Joke en Jan Peter Verhave

Een Knip Ster van 300 jaar, Knip-Pers 2015-2

afb 1. Portrettekening door Jacob Arnolds Houbraken (naar een schilderij dat verloren is gegaan)

Janneke Koerten was een Amsterdams meisje dat met haar handige handjes van alles kon maken. Ze tekende, schilderde, borduurde en maakte de mooiste dingen. Zo was dat in de zeventiende eeuw: meisjes die opgroeiden in gezinnen die wat te makken hadden hoefden niet te werken, maar ze mochten ook niet stilzitten. Want, zoals het spreekwoord luidt: ‘ledigheid is des duivels oorkussen’.

Nu kwam er in 1686 een boekje te koop over papierknippen. Het had als titel: Konstig en vermaakelijk tyd-verdryf, der Hollandsche jufferen, of onderricht der papiere sny-konst. Het was een leerboekje waaruit meisjes (!) aanwijzingen konden halen hoe ze met een scherp mesje of een schaartje allerlei mooie figuren uit papier kon toveren. Dat ging natuurlijk niet zo maar, je moest wel je best doen en veel oefenen, en als je een beetje talent had kwamen er de kunstigste dingen uit je handen. Maar ook als je niet zo’n kunstzinnige aanleg had, was het
snijden of knippen van figuren of letters een leuk tijdverdrijf.

Janneke bleef lang ongetrouwd en pas toen haar moeder en stiefvader gestorven waren kreeg ze een aanzoek, van Adriaan Blok. Hij zat net als haar stiefvader in de textielhandel en ze waren van dezelfde kerk (de Doopsgezinde gemeente op het Singel, waar zij zich had laten dopen toen ze negentien jaar was). Het stel kreeg geen kinderen en Janneke, die nu Joanna werd genoemd,
waagde zich aan het papierknippen. Zij had mooie resultaten, hoewel van haar vroege werk niet veel bewaard is. Het werd steeds meer en mooier: ze knipte gravures en schilderijen na en zo ontstond er een hele verzameling. Adriaan vond het prachtig en ze richtten een kamer in voor haar knipwerken: Bijbelse voorstellingen, zeegezichten met zeilschepen, landschappen, meest uit een plat vel, maar ook bewerkte ze het papier zodat er reliëf in kwam (‘opwerk’).

afb 2. Boeket in vaas; ‘Ut flos vita nostra’, zoals een bloem in ons leven, Psalm 103 (sinds 1948 onvindbaar)

Het knipkunstkabinet werd het bezichtigen waard. En al gauw kregen ze bezoek, mensen van hun kerk, deftige Amsterdammers onder wie burgemeester Six en geleerden en dichters uit het hele land.

Adriaan legde een boek klaar, waarin de bezoekers hun handtekening konden zetten. Niet alleen handtekeningen, maar er kwamen ook rijmpjes bij, zelfs hele gedichten.
Joanna ging zich nu toeleggen op het maken van portretten. Eerst maakte ze een tekening met streepjes voor de schaduwen en de plooien. Al die honderden arceringen haalde ze met haar schaar uit het papier, een monnikenwerk! Maar het resultaat was ernaar, zeker als ze de knipsels inlijstte en er een kaars achter zette. De bezoekers keken hun ogen uit, naar raadspensionaris Johan de Wit, naar stadhouder-koning Willem III, naar de dominee ‘leraar’
van hun gemeente, Galenus Abrahams de Haan, die ook dokter was. Rond 1700 was er veel aandacht voor de antieke wereld en de mythologie, en zo werd Joanna de ‘Schaar-Minerve’ genoemd, naar een Romeinse godin, Minerva, de beschermster van de kunsten en vrouwelijke handwerken. Joanna speelde op die mode in en maakte een bijzonder knipwerk dat ‘De Romeinse Vrijheid’ werd genoemd. Het stelt een gebeeldhouwde godin voor op een troon, omgeven door portretjes van twaalf keizers, zoals die waren afgebeeld op Romeinse munten. Die keizers in Rome waren een voorbeeld voor de regenten van de Republiek.

afb 3. De Romeinse vrijheid, met aan haar voeten de wolvin die volgens de Romeinse legende de broertjes Romulus en Remus opvoedde

Adriaans vriend, de kunstschilder Arnold Houbraken, maakte een tekening met Joanna op
een kunsttroon, met schaar en palet. Ook ruimde hij zestien bladzijden in voor Joanna in
zijn boek ‘De groote Schouburgh der Nederlandsche kunstschilders en schilderessen’, met haar portret. Heel bijzonder was dat zij in haar tijd, als vrouw in een door mannen beheerste maatschappij, zeer hoog werd geacht.

afb 4. Joanna op de kunsttroon, met schaar en palet; tekening en gedicht door Arnold Houbraken

Joanna ontving haar bezoekers altijd hartelijk en liet alles in haar kabinet zien, haar gereedschap incluis, en: ‘trof zy zomwylen iemand aan, waarin zy eenigen zucht tot de Konst
bespeurde, die bood zy de behulpzame hand en zoo hy (!) reeds eenige ondernemingen
had gemaakt, zy spoorde hem verder aan’. Maar de meeste leerlingen konden het geduld niet
opbrengen en haakten af.

Behalve deftige Amsterdammers kreeg ze ook bezoek van buitenlandse kunstkenners en
vorsten; geregeld stonden er deftige koetsen voor huize Blok op de Nieuwe Dijk. Keurvorst
Johan Willem van de Palts wilde wel een paar stukjes van haar kopen. Hij bood duizend
gulden, maar Joanna had er zoveel werk aan gehad, dat ze er geen afstand van wilde nemen.
Tsaar Peter kwam kijken in 1698 maar kocht niets. Later knipte Joanna zijn portret.

Joanna overleed drie eeuwen geleden in 1715. De weduwnaar wilde haar in herinnering
houden en gaf opdracht aan enkele tekenaars om portretten te maken van de mensen die
haar bezocht hadden. Bij het handtekeningenboek groeide nu een hele verzameling van tekeningen en gedichten, staaltjes van schoonschrift en andere kunstuitingen. Ieder die zichzelf belangrijk vond, probeerde in dat vriendenboek een plaatsje te veroveren.

Adriaan hertrouwde met Maria van Arkel en ook Maria spande zich in om het zogenaamde
Stamboek en het knipkabinet van Joanna toonbaar te houden, ook toen Adriaan was overleden. Ongeveer 20 jaar na het overlijden van Joanna erfde een achternichtje van Adriaan alles. Zij was getrouwd met Pieter Testas de Jonge, een kunsthandelaar. Die maakte een catalogus en probeerde alles te verkopen. Helaas viel de verzameling uiteen en nu is er maar heel weinig van Joanna’s knipkunst bewaard. Gelukkig weten we door de catalogus uit 1736 wat ze gemaakt  heeft. Wie weet duikt er nog eens iets van haar op.

We kunnen wel zeggen dat het Stamboek heeft bijgedragen aan de beroemdheid van Joanna, tot lang na haar dood. Zij was een van de eerste papierknippers in onze geschiedenis; in de achttiende eeuw kwamen er steeds meer beoefenaars van dit ambacht (meest mannen!)
en in de negentiende eeuw werd het ook een kunst voor mensen op het platteland. Van september tot november wordt er aandacht aan Joanna en haar knipkunst besteed in
een tentoonstelling in het Museum Willet Holthuysen, op de Keizersgracht in Amsterdam.
Er is ook veel ander knipwerk te zien uit de tijden na Joanna, waaruit blijkt dat de knipkunst heel gevarieerd is en dat de traditie van dit ambacht niet bij het oude blijft, maar steeds nieuwe wegen zoekt.

Wij, als knippers van nu, maken deel uit van die traditie, ook al worden we geen schaargodinnen of knip-sterren genoemd. Maar we zijn wel benieuwd wie van ons een knipkabinetje heeft ingericht, waar anderen naar mogen komen kijken.

Joke en Jan Peter Verhave

Papieren dieren, Knip-Pers 2015-1

Dieren zijn in de geschiedenis niet zo vaak gekozen als onderwerp voor knipsels. Maar als knippers dieren hebben uitgebeeld, is dat altijd in een ondergeschikte rol aan de mens. Dieren waren dienstbaar, niet dierbaar, zoals wij bv. onze katten uitbeelden in ‘Kattenfonie’.

afb 1, De Morgen der Schepping, door P.W. 1847

afb 2. Adam en Eva met de slang; onbekende maker, plm. 1700

Alles begint natuurlijk in het Paradijs. De dieren in de ‘Morgen der Schepping’ leven harmonieus samen. Dan komt daar nog een soort bij, die de andere beesten bij hun namen noemt.
Maar het vermogen om te denken en te praten brengt risico’s mee. Ze kunnen de verleiding niet weerstaan en gaan over de gestelde schreef. De dieren staan er omheen en hebben geen idee dat zij door de ongehoorzaamheid van hun medebewoners tot onderhorigen worden gemaakt.

afb 3. De slagerij; onbekende maker, 1778,14 x 22,5 cm.

De mens moet werken ‘in het zweet zijns aanschijn’. En voor dat werk schakelt hij dieren in,
hij temt ze en maakt er rijdieren, trekdieren en huisdieren van. Hij leert de huid te gebruiken als
kleding, en de melk, de wol, het vlees als voedsel, dus moet er geslacht worden.

afb 4. De jacht; onbekende maker, plm. 1850, 10 x 14,5 cm

afb 5, De vos steekt een arendsnest in brand; onbekende maker, plm. 1750, 8 x 10,5 cm

En dan zijn er nog de ontembare dieren, waar hij jacht op kan maken. Dieren zijn net als mensen: leer om leer, de arend had de welpen van de vos gestolen en nu steekt de vos het nest in brand, zodat de kuikens er uit vallen; een fabel van Aesopus, Grieks dichter).
Hoge heren en politieke partijen hebben zich een dier als symbool aangemeten. De Keizer met een arend, de Patriotten met een keeshond.  Koningen maken indruk met gevaarlijke dieren, zoals een leeuw in het familiewapen of zelfs in een leeuwenkuil.

afb 6, Pieter Reynders, Daniel in de leeuwenkuil, plm. 1800

In de 17e eeuw maakt men goede sier met kleurrijk en exotisch pluimvee: het bekijken waard.
Melchior d’ Hondecoeter schilderde veel van zulke menagerieën.

afb 7, Pluimvee; onbekende maker, naar d’Hondecoeter, plm. 1680 Dit knipwerk is recent geschonken aan Museum Westerbork.

In de 19e eeuw paradeert men met een prachtig span paarden in een sjees; en om een paard te kopen, moet men in zijn bek kijken.

afb 8, Pieter Reynders, Een span, nog een span en een hondje, plm. 1810, 18 x 25 cm.

afb 9. Willem Roemelé, De inspectie, plm. 1830, 16 x 20 cm

Tenslotte worden tortelende duiven tot een teken van liefde voor bruidsparen.
In deze tijd hebben we meer oog voor de schoonheid van onze medeschepselen en dieren zijn meer dan ooit het afbeelden waard; denk ook maar aan vlinders, kevers, vissen, kikkers.
Het thema voor het museum in Westerbork is zomer: maak er een dierlijke zomer van!

afb 10 Cornelis van Oostrum, voor het huwelijk van zijn broer, 1744, 18 x 17,5 cm

Joke en Jan Peter Verhave

Een speurtocht naar knipkunst, Knip-Pers 2015-4

In 1667 bezocht prins Cosimo de’Medici uit Florence de Nederlandse Republiek. Hij was geïnteresseerd in havenwerken en in kunst. Dankzij de verslagen van die reis was bekend dat een Amsterdamse katholieke jongeman Joannes van Achelom, die mooi kon knippen, zijn kunsten vertoonde voor de prins. Ook gaf hij een demonstratie van zijn schaatskunst op de bevroren Keizersgracht.  De prins nodigde hem uit naar het Florentijnse hof. Dat deed Joannes, begin 1668, en hij is nooit meer terug geweest. Kort daarop volgde de prins zijn overleden vader op als groothertog Cosimo III.

In het plakboek van de Zwolse tekenares Geeske ter Borch staan twee knipseltjes met de naam Johannes van Achelom. Die moeten dus voor 1668 zijn gemaakt. Hoe die twee elkaar kenden is niet duidelijk.

Nu kregen we enkele jaren geleden een knipwerkje te zien, waarop o.a. een antieke ruïne staat afgebeeld (afb. 1).

Afb. 1 Mannen bij een ruïne (8,3 x 11,2 cm) Particuliere verzameling

We dachten onwillekeurig aan Italië, maar verder kwamen we niet. Totdat we de details vergeleken met twee kleine sieraden, hangers met knipseltjes tussen glas, die in Londense musea worden bewaard. Het ene stelt Maria met het kind Jezus en zijn neefje Johannes (de latere Doper) voor (afb. 2).

Afb 2, Maria met haar zoontje Jezus en zijn neefje Johannes, 1703 (7 x 5,7 cm). Tekstband: “Geen enkele glans of schittering is zo mooi als die van de luisterrijke Maagd”. Victoria and Albert Museum Londen

Het ander de katholieke heilige Antonius van Padua, met het kind Jezus op zijn arm en een lelietak in de hand (afb. 3).

Afb. 3 Sint Antonius van Padua met het kind Jezus op zijn arm (10,7 x 8,1 cm). British Museum Londen

In het rijke geboomte waren allerlei vogels en dieren te zien, waaronder uiltjes en, heel verbazend, aapjes. En precies eendere dieren komen ook in afb. 1 voor. Laat dat knipwerk nu ook uit Engels bezit afkomstig zijn…

Een van die miniaturen werd vroeger toegeschreven aan Joanna Koerten, maar dat bleek onjuist. In de beschrijving van die kleinoden verwijzen de conservatoren naar Italië of Nederland (of Portugal, zie verderop). Zouden we hier met werk van de geëmigreerde Joannes, alias Giovanni te maken hebben? Het vermoeden kreeg meer vorm toen we een afbeelding van een derde achtzijdige hanger vonden. Ook daarin een kersttafereel (de aanbidding van de herders) en met een Latijnse tekst die betekende dat het was gemaakt voor de groothertog Cosimo III in 1702 (afb. 4).

Afb 4, Aanbidding met herders

Nieuwsgierig of onze kunstenaar in Florence ook verder gegaan was met zijn knipkunst, vonden we op het internet een inventaris van de kunstverzameling van de groothertog uit 1753. Die inventaris was natuurlijk in het Italiaans, maar met de zoekfunctie vonden we een aantal malen de naam Achelom of iets dat daarop leek, samen met de voornaam Giovanni (Johannes). Dus moesten we een kenner van het Italiaans in de arm nemen om de teksten van de betreffende inventarisnummers te vertalen. Daaruit bleek overduidelijk dat de kunstenaar met de schaar uit wit papier allerlei voorstellingen had gemaakt.

Dus planden we een verblijf in Florence. Het begon met een bezoek aan het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis in die stad, waar Nederlandse studenten de Italiaanse kunst bestuderen. De directeur gaf ons een introductie mee voor de diverse musea en we gingen op weg. Eerst bezochten we het archief van Florence en daar vonden we dat Giovanni kamerheer of adjudant van de groothertog was en aan het hof leefde. We hebben met een hele reeks van conservatoren en directeuren gesproken, onder meer die van het rijke Uffizi Museum, maar helaas, niemand wist iets van die knipsels uit de inventaris. We hebben op onze speurtocht veel mooie kunst gezien en veel geleerd, maar het doel van de reis bleef onvervuld.

Intussen vonden we dat Van Achelom zich bekommerd heeft om de katholieke priesters en studenten die naar Rome op weg waren of terug reisden.  Hij verschafte ze onderdak in Florence. Details vonden we in het aartsbisschoppelijk archief in Utrecht. Een van die priesterstudenten was zijn neefje Allardus Titsingh. Toen Allard priester in Den Haag was geworden erfde hij de kunstverzameling die zijn oom tijdens zijn leven in Florence had opgebouwd: ongeveer 500 tekeningen van beroemde Italiaanse kunstenaars, onder wie Michelangelo en Titiaan. Dat weten we, omdat de Duitse kunstkenner Zacharias von Uffenbach in 1711 bij de priester op bezoek ging en de collectie bewonderde en beschreef. Er zaten ook acht miniatuur knipwerken bij, van de hand van Van Achelom. Hij omschreef ze als landschappen en veldslagen, goed van verhoudingen, veel bijzonderder dan en onvergelijkbaar met de papierknipkunst die hij had gezien in Rotterdam [Elisabeth Rijberg en Gillis van Vliet] en in Amsterdam [Joanna Koerten]. De priester wilde er eigenlijk 5000 gulden voor hebben, maar door de overlast van al die bezoekers zou hij tevreden zijn met 4000. Zijn bezoeker meldde nog dat meneer Titsingh een dikke, vrolijke man was, die graag een goed glas wijn dronk en heel hoffelijk en beschaafd was. Maar tot verkoop kwam het niet; de priester overleed in 1713 en de verzameling werd per stuk verkocht. Zo is alles verspreid geraakt en niet meer te herleiden. Ons vermoeden is dat de drie knipwerkjes  door een Engelse kunstkenner zijn gekocht.

Maar ook in Nederland of elders kan een Achelom knipwerk opduiken. Een conservatrice van het Brits Museum bezocht tien jaar terug, op vakantie, het Museum voor Antieke Kunst in Lissabon. Daar zag zij een kunstwerkje, dat erg veel weg had van het knipsel St. Antonius in haar eigen museum. Daarom dacht ze dat dit ook wel uit Portugal zou stammen. Op onze navraag bij de conservator van het museum in Lissabon kregen we een foto van een knipsel, gemonteerd in een zilveren houder, het stelt de aankondiging door de engel Gabriel aan Maria voor (afb. 5a).

Afb 5a, De Annunciatie. In zilveren staande montuur. Museo de Arte Antiqua, Lissabon

Het knipsel was afkomstig van een kunstverzamelaar, maar de eerdere herkomst is onbekend; het is ongetwijfeld van dezelfde maker.

afb 5b, De Annunciatie. In zilveren staande montuur. Museo de Arte Antiqua, Lissabon

Ons verhaal over Joannes van Achelom heeft dit jaar een plaats gekregen in het vooraanstaande tijdschrift voor kunstgeschiedenis, Oud Holland. Heel eervol. We hopen maar dat dit bijdraagt aan een grotere waardering voor de knipkunst onder kunsthistorici. Hun erkenning van ons ambacht, de papierknipkunst, is heel welkom, ook al gaat de technische verfijning van Joannes van Achelom ons begrip en kunnen ver te boven.

Joke en Jan Peter Verhave

Gissen naar de knipper, Knip-Pers 2014-4

In de loop van de tijd hebben bezitters van oud knipwerk gevraagd aan het Knipmuseum Westerbork of aan ons, of er meer bekend was over hun bezit. Nu hebben we een groot bestand aan foto’s en kopieën en soms kunnen we een knipsel dat niet gesigneerd is, toch thuisbrengen. Over een drietal knippers die voor mensen in hun omgeving herinneringsstukken maakten schreven we onlangs een artikel in het blad voor familiegeschiedenis en genealogie, Gen (september 2014). Maar veel vaker krijgen we afbeeldingen van knipsels onder ogen, heel kunstige of eenvoudige, waarvan we de stijl niet met die van een ander knipwerk in verband kunnen brengen. Vaak gaat het om een bruiloft of een geboorte. Als de namen er voluit in staan, kunnen we zoeken naar de woonplaats, via internet. Een datum met jaartal helpt daarbij. Hier vertellen we iets over een aantal van de knipsels waarvan we een goede afbeelding mochten ontvangen, maar waarvan we de makers niet kennen en waarvan we soms ook de afmetingen niet weten.

Het eerste is gemaakt voor Mejuffrouw H.J. Wicherts, geboren den XVIII van Herfstmaand, anno MDCCLI. Dat is dus 18 september 1751 (afb 1). In het midden een zogenaamd spiegelmonogram. De eigenaar in Oosterwolde had zelf al tevergeefs gezocht en ook wij vonden geen aanknopingspunt.

afb 1, 14 x 11,5 cm

Uit Twente komt een eenvoudig knipsel voor Carolina Berhardina Racer, geboren 28 oktober 1778 (afb 2). Dat meisje konden we wel thuisbrengen. Zij was geboren in Oldenzaal als dochter van de rechtsgeleerde Mr. J.W. Racer. Ze trouwde in 1799 met dominee Johannes Palthe te Oldenzaal uit een oud domineesgeslacht. Ze kregen drie zonen, o.a. toen ze in Etersheim woonden, een gehucht met een kerk aan de Noord-Hollandse kust van de Zuiderzee. Maar al snel was het gezin terug in het vertrouwde Oldenzaal, waar Carolien overleed in 1857.

Een prachtig stuk knipkunst (afb 3) is gemaakt voor het echtpaar Rhijnvis Feith en Ockje Groeneveld, getrouwd in 1772, collectie Van Sandick Stichting. Toen ze vijf jaar getrouwd waren hadden ze vier kinderen: Pieter Rutger, Octavia Bellina, Elsabé Machteld, Catharina en Henriette Engelina, geboren oktober 1777; daarna volgden nog vijf kinderen, de eerstvolgende in 1778.
Dus werd het knipsel gemaakt kort na de geboorte van Henriette. Het gezin woonde in Zwolle en vader Rhijnvis was een schrijver van sentimentele gedichten en tamelijk welgesteld.
We gaan ervan uit dat de knipper ook in Zwolle woonde. Behalve de teksten is het stuk dubbelgevouwen gesneden en vervolgens zijn de bloemen en bladeren opgebold.
De getalenteerde kunstenaar moet ongetwijfeld veel meer geknipt hebben, dus wie weet duikt er nog een werkstuk van hem of haar op, in of rond Zwolle.

afb 3, 21,5 x 27,5 cm

Twee hartvormige knipwerkjes zijn gedateerd 1773 en in bezit van iemand in Harlingen (afb 4). Het ene draagt de naam Hendrik Reessen en het andere Albertus Gerbrand Reesen, de ene achternaam met ss en de andere met één s. Het zouden broers kunnen zijn, maar AGR hebben we niet kunnen vinden. Wel vonden we een Hendrik Reesen die suikerraffinadeur was in Amsterdam en in 1759 een dochter kreeg. Maar het is geen bewijs dat deze Hendrik dezelfde was als die voor het ene knipwerkje.

afb 4

Aardig is een knipwerk van iemand uit Rijssen (afb 5). In een rechthoek met eenvoudige randversiering een hart tussen twee levens-bomen en daarboven de godin Fortuna met haar sluier en wiebelend op een bol, het fortuin is nooit zeker! Ook hier initialen van een bruidspaar RIvdB en GMGvD. Kom er maar eens uit; het jaar 1843 helpt ook niet. Wel heeft de maker zijn letters verwerkt WvD, dus mogelijk een broer van de bruid..

afb 5
Van een Nederlander die nu in Amerika woont, kregen we de vraag of we iets konden zeggen over een knipsel (6) dat in een familiebijbel uit Groningen was bewaard. De wilde randversiering is heel apart. De vliegende engel duidt waarschijnlijk op een Bijbelverhaal, maar we konden het niet thuisbrengen. Het ontbreken van tekst maakt de identificatie van de maker haast  onmogelijk.

afb 6, 7,5 x 11,5 cm

Tenslotte kregen we als reactie op ons artikel in Gen een afbeelding van een knipsel, in bezit van iemand in Zeeland (afb 7). Het is gemaakt voor Cornelia Dobbelaar, geboren op 27 maart 1744. We kregen er de volgende gegevens bij: Cornelia is op 21 februari 1800 in Middelburg overleden als echtgenote van de geneesheer Samuel de Wind (1742-1803) met wie ze in 1765 trouwde. Ook van de stijl van dit knipsel en de famen met hun toeters en carnavalachtige hoofddeksels, kennen we geen tweede voorbeeld.

afb 7
Het is maar een keus uit een veelheid van anonieme knipsels. In onze ambachtelijke knipgeschiedenis vond men het vaak niet nodig om de eigen naam te vermelden. Met een beetje geluk kunnen we hun woonplaats veronderstellen en hun periode van activiteit bepalen. Hoe meer we zien, hoe beter de traditie kan worden beschreven en knippers op naam gebracht worden.

Joke en Jan Peter Verhave

Groninger knippers, Knip-Pers 2014-3

Wonderlijk dat er in de provincie Groningen nog maar vier knippers wonen, die lid zijn van de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst (36 in Friesland!), en dat terwijl er in het verleden in die provincie zoveel geknipt is. In 1987 exposeerden 13 Groningers hun knipwerk in Leens! En in Middelstum was later zelfs een knipkring. Er ligt dus een taak voor de Vereniging!
We hebben al vaker Groninger knippers als onderwerp gekozen. C. Koster met een stuk voor ‘de koning van Groningen’ (Knip-Pers 2010-3). Dato Scholtens knipte allerlei geestige werkjes (Knip-Pers 2006-2; Geknipt! afb. 22, 34, 36 en 240).

Afb1 Afina Annetta Riekels. 22,5 x 17 cm

Willem Roemelé noemde zich kunstknipper en silhouetteur (Knip-Pers 2009-2). Het was ons nog niet duidelijk hoe hij vanuit Den Haag in het hoge noorden verzeild raakte: we weten nu dat hij in 1825 benoemd werd als commies in het Rijksopvoedingsgesticht te Norg en hij woonde in Peize, vlak bij Groningen-Stad (Geknipt! afb. 40). Over een andere Groninger schreven we ook al eerder: Geert Jager te Hellum (Geknipt! afb. 78, 99, 103). De aanleiding is deze keer dat we onlangs een knipwerk te zien kregen, dat kwam uit de nalatenschap van de Groningse ouders van de verkoper (afb.1). Op de achterkant staat geschreven: ‘Knipwerk met bloemenmotief, afkomstig van Arion. Gemaakt door de vrouw (of zuster) van Burgemeester Riekels uit Baflo’.

We dachten meteen aan Afina Riekels omdat die meer bloemstukken heeft geknipt. Inderdaad was ze een zuster van Willem Georg Riekels, burgemeester van Baflo in de periode 1856-1862. Arion was de naam van een boerderij in de Noordpolder, ten noorden van Warffum; mogelijk hadden de voorouders van de bezitter daar gewoond.

Afina Annetta Riekels werd geboren in 1825 te Warffum, een buurdorp van Baflo, als dochter van Hindrik Rengers Rijkels (of Riekels) en Hendrika Willem Georg Nuitz. Hindrik was koopman en winkelier en Hendrika was de dochter van Willem George Nuitz, medicinae doctor, of te wel praktiserend geneesheer in Warffum. In die tijd droeg men als tweede voornaam die van zijn of haar vader. Afina heeft het knippen van haar geleerde grootvader geleerd, maar die stierf toen zij acht jaar oud was, dus heeft ze haar eigen stijl ontwikkeld. Dat weten we door het onderzoek dat de Groningse folkloriste Line Huizenga-Onnekes indertijd heeft gedaan. Eind veertiger jaren bracht zij een bezoek aan een oude dame, Henderika Riekels, dochter van de burgemeester, dus tantezegster van Afina en evenals haar tante ongehuwd gebleven. [1]

Zij heeft veel knipwerk geërfd, omdat Afina inwoonde bij het burgemeestersgezin (hopelijk worden die knipsels nog steeds bewaard door een familielid). Henderika vertelde dat grootvader Willem, die uit Duitsland afkomstig was, heel mooi kon knippen, maar van hem is er geen werk overgebleven. Het knipsel van Afina is van mooi wit papier, waaruit de bloemen en bladeren fijn zijn uitgewerkt. Ze bracht soms ook reliëf aan, o.a. door prikwerk, waar ze een fluwelen kussentje voor gebruikte. Bij de foto van Afina schreef Line: “mijn oog viel onmiddellijk op haar fraai gevormde handen met de lange, slanke vingers”. Zou daarin het geheim schuilen?

In de kerk van het dorp Thesinge worden twee knipsels bewaard, die gemaakt zijn door de onderwijzer Eppo Reint Brongers (1751-1808). Eppo kwam van ‘Winschoot’ en werd in 1777 schoolmeester in Thesinge. Later werd hij daar ook diaken en koster van de kerk.

Afb 2 Eppo Brongers. 18 x 23 cm

Het ene werkstuk is gemaakt in 1786 ter gelegenheid van de herbouw van de kerk en het andere, uit 1802 laat een mooi stukje ‘pennekonst’ zien, beide omgeven met een geknipte rand van forse bloemen. Eppo maakte in 1791 ook een knipsel voor Beerta Clara Wichers, geboren in 1749 (afb. 2) Zij trouwde in 1776 met dominee Antonius Driessen en ze gingen wonen in Noorddijk (nu een wijk aan de oostkant van de Stad). De aanleiding voor dit knipsel met haar meisjesnaam is niet duidelijk (haar echtgenoot overleed in 1808).
Andere knipsels van meester Eppo zijn niet bekend, maar hij was kunstzinnig en zal best meer geknipt hebben. Wie weet, duikt er nog eens iets op.

Eén Gronings knipsel was vol raadsels en een uitdaging voor ons als speurders naar de namen en bijzonderheden van knippers (afb. 3)

Afb 3 Johannes Heijen. 19 x 31 cm

Het is een weergave van twee bijbelverhalen, initialen van twee personen als spiegelmonogrammen (JJ en GJ ?), en het jaartal 1828. De verhalen beelden uit: Koning Ahasveros met Esther, en prins Absalon, die op de vlucht met zijn haren in een boom blijft hangen en gedood wordt. Geen enkel verband. De figuren zijn tamelijk eenvoudig, haast kinderlijk weergegeven, alsof ze zo waren weggelopen uit de armelijke streek Westerwolde. De afbeelding is voorgetekend en de bladeren en vogels in de bomen zijn verlevendigd met kerfjes en prikjes. Al eerder hadden deskundigen zich het hoofd gebroken over dit vreemde knipwerk.

Lever kreeg het in bezit en ontdekte dat de naam van een meisje uit het dorpje Wedde, Trijntje Hiddes Werda er mee verbonden was, maar er is alleen een godsdienstige tekst van haar uit 1828 op een papier in de lijst bewaard. Trijntje was in 1828 nog maar zes jaar en kon al wel zondagsschoolversjes schrijven, maar ze kan niet de maakster van dit knipsel zijn geweest. Ze verhuisde na haar trouwen in 1840 naar Oude Pekela en het knipwerk bleef in Wedde, bij een dochter van haar broer. Deze Gepke Werda wist later uit familieoverlevering te vertellen dat het gemaakt was door een zekere Heyes of Heijer, voor zes stuivers en een spint (5 liter) bruine bonen.

Line Huizenga zocht en vond in Wedde: Johannes Joan Heijen, smidsknecht uit Sappemeer, die trouwde als 37-jarige op 9 mei 1829 te Wedde met een dienstmeid uit die plaats, Catharina Georgia Zwale, die volgens de acte niet kon schrijven.
Dat deze Heijen de maker was, is hiermee natuurlijk niet bewezen, maar toen we de acte via internet konden zien, viel de handtekening van de bruidegom op door de zwierige letters.

En toen viel een kwartje: de monogrammen stellen JH en CG voor: het paar, kort voor hun trouwen. Het andere kwartje, het verband van de twee Bijbelverhalen, is nog niet gevallen.
En er is nog iets: er waren twee dezelfde exemplaren, dat van Lever komt uit de familie Werda, bij wie de bruid mogelijk in dienst was geweest (nu in de collectie Westfries Museum); het andere werd geveild in 1965 te Groningen, uit de collectie van Minze van den Akker te Wetsinge, een verzamelaar van aardewerk en volkskunst. Onlangs is dit tweede exemplaar (in een keer geknipt uit twee lagen papier) weer opgedoken.
Er is dus nog veel te ontdekken in Groningen. Zeker is dat Groninger knippers in de voorbije tijden heel verschillend en origineel werk maakten. Dat talent zal er nog steeds wel zijn in Stad en Ommelanden, maar het moet weer aangewakkerd worden.
Misschien is er eens een knippersdag in Warffum met het mooie openluchtmuseum ‘Het Hoogeland’ te organiseren; in de collectie zijn meerdere knipsels. ’t Is wel ver, maar ja, er gaat niets boven Groningen!

Joke en Jan Peter Verhave

[1] E.J. Huizenga-Onnekes, Knipsels in Groningerland. Oud Nederland 4 (1950), 3, 33-37

Graven in de knipgeschiedenis, Knip-Pers 2014-2

Betje Bekker was een beetje ondeugend geweest. Ze had al eens een knipseltje gemaakt voor het zoontje van de burgemeester van Vlissingen, maar dat was onschuldig: zij was in 1750 twaalf jaar oud en hij zes (Geknipt!, afb. 166). Maar als twintigjarige had ze het aangelegd met een matroos in Vlissingen. Om de schande te verdoezelen stemde ze hals over kop in om te trouwen met een weduwnaar, dominee Adriaan Wolff, die meer dan twee keer zo oud was als zij. Voordat ze elkaar voor ’t eerst zouden ontmoeten had Wolff zijn silhouet gestuurd, waarop Betje ‘een afbeeldsel van haer welgemaekt wezen’ had teruggestuurd. En zo is ze de geschiedenis ingegaan, als Elisabeth Wolff, wonend in de pastorie van Midden-Beemster. Daar was voor de onstuimige en vrijzinnige domineesvrouw weinig te beleven. In 1776 kwam ze in contact met de suikerraffinadeur Jan Everhard Grave en zijn gezin, aan de Lauriersgracht in Amsterdam. Aan deze amateurdichter ‘Graafje’ zou ze de vriendschap met Aagje Deken danken. Maar eerst iets over het gezin Grave, want in het Nederlands Openluchtmuseum wordt een albumpje bewaard met een 30-tal knipsels en we vroegen ons af of Betje daarmee in verband gebracht kon worden.

afb 1, Jacobs droom, ø 4 cm

Jan (Joan) Everhard Grave en zijn vrouw Maria Elisabeth waren iets ouder dan Betje; ze trouwden in 1753 en kregen zeven kinderen. Het gezin en de voorgaande geslachten Grave, hoorden tot de Lutherse kerk. Grave gaf in 1776 een proeve uit van een nieuwe Psalmberijming, maar die heeft nooit ingang gevonden. Hij was ook een van de oprichters van het kunstgenootschap Felix Meritis. Maar komt die kunstzinnigheid ook naar voren in het album? Laten we eens een paar voorbeelden geven (we verwijzen voor verschillende afbeeldingen naar ons boek Geknipt!)

In de eerste plaats is er een aantal knipsels uit stevig papier, met harten, bloemenranden en namen van Johan Grave, Sara Grave, AMG en nog andere. Verder zijn er de bekende tafereeltjes van koffie of thee drinkende echtpaartjes in een theekoepel, gevleugelde Amortjes met een jachthoorn en tuiltjes bloemen (Geknipt!, afb. 82 en 130). Ook is er een Jacobsladder die tot in de wolken reikt (afb 1). De meeste zijn tamelijk eenvoudig, maar enkele zijn meer uitgewerkt, onder meer een wandelende dame met een hondje (afb 2); dat verraadt een geoefende kniphand.

afb 2, dame met hondje 2, 11 x 9 cm

We weten niet wie ze maakte en wanneer precies. Gezien het verschil in stijl kunnen knipsels van meerdere leden van de familie in het album verzameld zijn, maar het kan ook zijn dat een van hen ze heeft gemaakt over een langere tijd, waarmee de artistieke ontwikkeling te volgen is.

Jan Everhards twintig jaar jongere zusje Johanna maakte deel uit van zijn gezin. Voor haar is er in het album een knipsel met het jaar 1774 (afb 3); ze was in dat jaar 25 geworden. ‘Hansje’, zoals ze genoemd werd, was voor Betje Wolff heel aantrekkelijk, ‘engelachtig’ zelfs. De vraag is: knipte er iemand in het gezin van JE? Daarvoor moest heel wat genealogisch spitwerk verricht worden en het resultaat is negatief. Maar er zijn wel andere aanwijzingen. Johanna trouwde met Jan Pollack en zij kregen een dochter Susanna Elisabeth in 1784.

afb 3, Johanna Grave, ø 12 cm

Voor SEP zijn twee knipseltjes in het album bewaard, een daarvan toen ze 2 jaar was, dus in 1786 en een toen ze 5 was. Vanwege de kinderlijke stijl zouden ze door een ouder zusje of broertje kunnen zijn gemaakt. Met dezelfde versieringen is er ook een voor JP (de vader) en voor CG (grootvader of oom/tante).
Een knipsel, door iemand anders gemaakt voor Mejuffrouw Johanna Grave is een plaatsaanduiding voor een familiediner (een veelvoorkomend gebruik in die tijd).

 

afb 4, Anna Maria Grave, ø 12 cm

Jan Everhard had geen dochter Sara, maar zijn één jaar jongere zus heette wel zo (in 1730 geboren). Daarmee zitten we dus in de voorgaande generatie, namelijk die van de ouders Cornelis Grave en Haesje van Rijn, met 13 kinderen, van wie er zes overleefden.

Maar er is ook een knipsel met de initialen AMG. Geen van de kinderen van Cornelis en Haesje heette zo. Daarvoor moeten we naar een broer van Cornelis, Lourens Grave, getrouwd met zijn nicht (van moederskant), Anna Keerwolf. Zij hadden vier kinderen, onder wie Anna Maria (1745) en Sara (1747). Voor wie van de twee nichtjes Sara Grave het knipsel is gemaakt, weten we niet (Geknipt!, afb. 155). Het knipsel AMG komt sterk overeen met dat voor Johanna uit 1774 (afb 4). Het album Grave is een van de vele aanwijzingen dat papierknippen in de achttiende eeuw een veel beoefende activiteit was.

Terug naar Betje Wolff. Zij was gewaagd aan haar gastheer Jan Everhard Grave en ze lazen elkaars rijmwerk. Maar er ontspint zich ook een relatie met Aagje Deken, en Grave speelt een beetje de koppelaar. Als dan Betjes goede oude dominee overlijdt in 1777 trekt Aagje bij Betje in en zo ontstaat het schrijversduo. In hun boeken zijn verschillende verwijzingen naar knipwerk te vinden, o.a. naar silhouetten. In 1782 lieten beide vriendinnen hun profielen trekken door dominee Matthias van Geuns (Geknipt!, afb 145).
In het Museum Betje Wolff te Midden-Beemster wordt een mooie verzameling oud knipwerk bewaard en nog steeds is Noord-Holland het kloppend hart van de Nederlandse Papierknipkunst.

Joke en Jan Peter Verhave

De kleur geknipt, Knip-Pers 2013-3

We bezochten deze zomer een tentoonstelling van het knipwerk van Henri Matisse. U weet
vast wel dat deze Franse schilder op zijn oude dag knipkunst is gaan maken, heel kleurrijk en
bijna abstract. Het komt vaker voor dat een kunstenaar op gevorderde leeftijd een nieuwe manier van uitdrukken probeert. Matisse raakte in een rolstoel toen hij 72 was en begon  opnieuw. Later werkte hij zelfs vanaf zijn bed. Hij gebruikte papier dat door assistentes was geverfd in de kleuren naar zijn keuze. Dan knipte hij, soms met een grote kleermakersschaar, maar ook wel met kleinere scharen; zelfs borduurschaartjes gebruikte hij, afhankelijk van het formaat van wat hij wilde maken. Vaak liet hij de assistente grote uitgeknipte vormen vastprikken op een muur van zijn kamer, precies daar waar hij dat wilde. Beetje naar rechts, iets naar boven. Hij was niet snel tevreden. “Ik vind het interessant om de kleur geboren te laten worden in de beperking van een omtrek en daarmee een speciaal dessin te maken.

Ik bedekte mijn muren met die vormen van studie, zonder een verdere bedoeling.” De assistentes poseerden ook voor hem en zo ontstond een hele serie  blauwe naakten, waarin ook weer te zien is hoe hij uitgeknipte stukken blauw papier rangschikte en vervolgens liet opplakken. De balans tussen vormen en kleuren, daar ging het hem om. Ook in klein
werk, omslagen van boeken en tijdschriften, zat hij alsmaar te puzzelen op de juiste verhoudingen, om “de grootste emotionele uitdrukking te bereiken, zelfs zonder onderwerp.” Maar er waren ook projecten met een onderwerp, soms gigantisch van omvang.

Naakt, 103 x 77 cm

Uit zijn herinnering putte hij vormen die hij ooit had gezien op een reis langs Polynesische eilanden. Waterleven, met vissen, kwallen en zeewier, of vogels in de lucht. Dan weer een ontwerp voor een tapijt, of een glas-in-loodraam. Kinderlijke vormen, op ’t eerste gezicht, maar voor hem een uiterst serieuze manier van nieuwe kunst. Zijn laatste grote
project was het interieur van een kleine kapel in zijn woonplaats Vence, bij Nice. Glas-in-loodramen met
levensbomen en gestileerde tekeningen die op tegels werden uitgevoerd.

Polynesia, de zee, 196 x 314 cm

Daarbij ontwierp hij met schaar en papier ook de versiering op een aantal kazuifels (mouwloze opperkleden) voor de priesters die in de kapel dienst deden. In zijn tijd waren die vormen heel gedurfd, en nu, na een halve eeuw is Matisse met zijn knipkunst nog steeds zijn tijd ver vooruit.
In zijn geboorteplaats Le Cateau- Cambrésis bij Lille, in Noord Frankrijk, is een museum aan zijn schilder-en knipkunst gewijd. Er worden nu onbekende knipsels getoond die nooit tot een kunstwerk waren gecombineerd. Probeersels, snippers, die hij bewaarde als een reserve, om ze ooit nog eens te gebruiken.

De bundel, 294 x 350 cm

Toen hij overleed in 1954 waren het er bijna duizend. Ze werden door zijn familie zuinig bewaard, hoewel hij zelf had gewild dat ze vernietigd zouden worden. En nu, twee generaties
later heeft de familie er afstand van gedaan. De ene helft ging naar het Matisse museum
waar wij waren en de andere helft, naar zijn andere museum in Nice, Zuid-Frankrijk, zo eerlijk mogelijk verdeeld naar motief en kleur.

Het was bijzonder om al die vormen en fragmenten, in allerlei kleuren, stuk voor stuk ingelijst, te mogen zien. Natuurlijk waren er ook veel werken te zien die al in het bezit van het museum waren. Een feest van kleur en vorm (zie ook blz. 19). Het zette ons aan ’t denken. Zelfs als je oud bent kun je nog iets nieuws uitproberen, zelfs met snippers. Spelen met allerlei kleuren en vormen die steeds minder lijken op het origineel. Matisse vertelt hoe hij een huisjesslak bekeek, en in gedachten die spiraalvorm uit elkaar haalde. En toen nam hij een schaar en een stuk papier…

Joke en Jan Peter Verhave

Een boom opzetten, Knip-Pers 2013-1

In het nummer van september 2012 riep Janna van Zuijlen op om voor het aanstaande lustrum
een ‘Hollandse levensboom’ te knippen. Ze noemde dit ‘van volkskunst naar eigentijdse
levenskunst’. In zo’n levensboom zou een hart en een tulp verwerkt kunnen worden, symbolen die verwijzen naar vruchtbaarheid en levenskracht.

Afb.1 De Boom van Kennis in het Paradijs. Onbekende knipper uit Schoorl. Afm. onbekend. Museumboerderij Vreeburg, Schoorl

Maar wat is een levensboom eigenlijk? In het Paradijsverhaal is al sprake van een Boom des
Levens, maar ook in niet-christelijke culturen worden bomen met levenskrachtige betekenis vaak afgebeeld. Denk maar aan de heilige boom die Bonifacius omhakte, of aan de bomenliefde van Prinses Irene.

Een heel bijzondere was de omgehakte boom van Jesse of Isai, waaruit een twijgje groeide, de beloofde Messias (Jesaja 11,1). Jesse was de vader van koning David en dus stamvader van het hele koningshuis van Juda, waaraan een ‘eind’ kwam in de ballingschap. In middeleeuwse kunst komt die levensboom of stamboom van Jesse veel voor, met op zijn takken al die koningen en
tenslotte Jezus, helemaal bovenin.

In de Europese volkskunst en kunstnijverheid komen levensbomen veel voor, vaak als versierend ornament. Over de betekenis denken mensen meestal niet meer na. Dat brengt de vraag mee, hoe je zulke afbeeldingen of gebruiken nu nog, of weer, zinvol kunt gebruiken. Of wel, hoe gaan we met tradities om, hoe geven we die door en hoe geven we er een nieuwe, eigentijdse vorm aan. Halloween en Valentijnsdag zijn allebei nog niet zo lang geleden uit Amerika overgewaaid. Welke verhalen zitten daar achter en nu ze eenmaal hier geaccepteerd zijn, hoe vieren wij zulke vrolijke tradities? Dat is de vraag die het VIE (Stichting Volkscultuur en Immaterieel Erfgoed) zich stelt en die wij ons voor de knipperij ook stellen. Als je een levensboom knipt, wat voor betekenis leg je er dan in, en als je die voor een ander knipt, begrijpt de ontvanger dan wat je er mee zeggen wilt?

Het is een onderwerp van discussie dat regelmatig opduikt, ook onder knippers. Na de oorlog
organiseerde Hil Bottema van het Nederlands Openluchtmuseum een zogenaamde
‘mooimakersweek’, waarbij ze de deelnemers het museumterrein opstuurde om symbolen te
ontdekken en die op eigen manier te verwerken: zwanen op de Friese boerderij, levensbomen in bovenlichten van de deuren, harten op houtsnijwerk en andere uitingen van kunstnijverheid. Een van haar leerlingen was To Mijnlieff, die onlangs op hoge leeftijd overleed. Ook ons lid Meta Bardet heeft als student een mooimakersweek meegemaakt en bewaarde haar boekje met schetsen.

Afb. 2 Kring van “mooimakers”. Links Hil Bottema, rechts Wiecher Lever (?). Fotodocumentatie Nederlands Openluchtmuseum

Maar het nadoen van oude symbolen, het steeds maar kopiëren op een manier waarbij de betekenis verloren gaat, wordt een karikatuur: dode volkskunst kun je niet kunstmatig tot leven wekken. Omgekeerd vond Bottema Lever’s werk niet geslaagd omdat het volgens haar een ‘historische lijn miste’. Lever nam het hoog op en er ontstond een conflict. Zij zegde in 1952 het contact met hem op, maar Lever bleef op zijn punt terugkomen. Dat we nog weten van dit conflict danken we aan Line Huizenga-Onnekes, een ‘folkloriste’, die zich in de geschiedenis van de papierknipkunst verdiepte. Samen met Lever, die intussen een mooie verzameling oud knipwerk had opgebouwd in zijn privé museum te Muntendam, zou Line een boek gaan schrijven en daarin paste natuurlijk een hoofdstuk over het papierknippen als volkskunst.

Afb. 3 Levensboom: Nieuwjaarswens 1954 door Hil Bottema

Al corresponderend kwam ook de relatie met Hil Bottema aan de orde. Line legde de vraag over volkskunst aan Hil voor: zij antwoordde “Of knipkunst volkskunst is? Net zo veel en net zo weinig als naaldwerk, schilderwerk, snijwerk, enz. Er is volkskunst en er is uiterst bedreven ambachtswerk in papier- en snijwerk te vinden.” Line was intussen herhaaldelijk bij Hil op bezoek geweest en moest al haar tact opbrengen om Lever niet tegen zich in het harnas te jagen. Nu was Lever door het leven gevormd en gebruikte soms nogal krachtige termen. Hij bleef bij zijn oordeel en de reacties van de veel zachtmoediger Line konden hem niet bewegen tot een houding, waarbij hij ieder zijn mening en werkwijze gunde.

Lever schreef: “Hil’s werk staat buiten het volk en probeert kunstmatig in te dringen in de volksgemeenschap en zal toch los van de volksgeest blijven. Zij nadert van buiten af en is kunstmatig gevormd” (Waarschijnlijk bedoelde hij dat ze kunstzinnig gevormd was; inderdaad had ze een 5-jarige opleiding aan de Haagse Kunstacademie gehad; Lever zelf was een autodidact en daar wrong één van de schoenen).

Afb. 4 Ni mesme la mort, Zelfs de dood niet. Onbekende knipper, 18e eeuw. 2,5 cm. Part. Bezit Spreuk begin 17e eeuw: “De dood neemt de wijnrank niet weg van de plataan, en zo neemt de laatste dag, die al het andere wegneemt, onze liefde niet weg”

Over levensbomen schreef hij: “Volgens mij kent de spontane volkskunst deze levensbomen niet. Voor mij blijft het dat op de massa wel eens iets gevonden wordt dat in die richting gelijkenis toont.
Maar juist het dubbel knippen doet dit gemakkelijk ontstaan. Maar wie kan verklaren wat de vervaardiger bedoelde. Wordt het een levensboom genoemd, de ontwerper zal niet meer tegenspreken.” En hij ging verder: “Het gevaar van Hil Bottema is dat het landelijk in onderwijskringen zijn navolging heeft. Hil noemt zich artistiek leidster Nederlandse Volkskunst. Maar waar is nu de practische destilatie van de werk methode getrokken uit het werk van ‘knippers uit het verleden’? Voor dit alles is iets eigenzinnigs in de plaats gekomen. Voor het eenvoudige is een systeem in de plaats gebracht en dit wordt een vloeken met de werkelijkheid.”

Afb. 5 Vruchtboom met engelen en kinderen. Onbekende Zeeuwse knipper, 18e eeuw. Afm. 7×10 cm. Part. Bezit

De werkelijkheid was niet zo scherp in te delen als ever deed. Line schreef hem: “Als Hil en anderen er plezier in hebben of wanneer uit hun lessen goede knipsters of knippers voortkomen, dan heeft het z’n nut. Ook van hun werk kan een zekere bekoring uitgaan. U bent niet erg gemoedelijk Meneer Lever. Geef anderen de ruimte. Er moeten ook knutselaars zijn. Men kan knippen of men kan het niet. Die het kunnen noem ik kunstenaars en die andersoortig werk leveren zou ik rangschikken onder kunstnijveraars. En waar ligt de grens tussen kunst en volkskunst?”

Line Huizenga en Wiecher Lever zijn nooit tot een gezamenlijk boek gekomen. Line is overleden voordat haar eigen manuscript naar een uitgever ging. Gelukkig is het bewaard, en heel veel van de vondsten van hen beiden is verwerkt in ons boek Geknipt!

Wat kunnen wij uit dit verschil van inzicht leren?

  • Ruzie over verschil van werken (tekenen, of niet; dubbelvouwen of niet; oude vormen of vrije vormgeving) leidt tot niets. Gelukkig is dat in de 30 jaar van onze vereniging ook niet voorgekomen!
  • Wel proberen we elkaar op te voeden om een eigen stijl te ontwikkelen en verder te gaan dan naknippen (zie het artikel van Wies Palma in de vorige Knip-Pers).
  • We leren ook van kunstzinnig geschoolde knippers, zoals Geertje Aalders, Connie Riemers, Henk Kapitein, Jeanet Willems en anderen.
  • Geschiedenis van de knipkunst is een blijvende inspiratie. Wij maken huwelijks- en
    geboorteknipsels, silhouet portretten, net als onze voorgangers, maar op onze eigen manier.
  • Over de oproep om levensbomen te knippen voor het lustrum: boom er maar lustig op los. Intussen doet het bestuur haar best om erkenning te krijgen van het VIE: de papierknipkunst als immaterieel erfgoed in Nederland.

Joke en Jan Peter Verhave

Bronnen:
Archief Line Huizenga-Onnekes
Henk van Ark, Wiecher Tjeert Lever (1917-1981)
Een kunstenaarsleven in knipsels. Rasquert,
Stichting W.Tj. Lever, 2008/2010

Een Eeuw Openluchtmuseum, Knip-Pers 2012-2

Een interessante episode uit die honderd jaar is de Tweede Wereldoorlog. In 1944 heeft er een evacuatie plaatsgevonden van burgers tijdens de strijd om Arnhem. De bewoners van het  gevechtsgebied werden ondergebracht op het terrein van het Nederlands Openluchtmuseum. Over die periode (30 september 1944 tot 3 augustus 1945) is een knipsel gemaakt, dat Joke, die als vrijwilligster de papierknipcollectie van het Nederlands Openluchtmuseum beheert, binnenkreeg. Dit verhaal gaat over dat knipsel, de maakster en degenen voor wie zij het knipte. Vorig jaar kwam met de post op het Nederlands Openluchtmuseum een knipsel voor het echtpaar Glazema ter herinnering aan hun  werkzaamheden voor het Nederlands Openluchtmuseum. Het knipsel is gesigneerd door Hil Bottema, 1945, maar ook zonder deze ondertekening is de stijl van Hil herkenbaar.

Hil Bottema: herinneringsknipsel voor het echtpaar Glazema

Als interim directeur voor het Nederlands Openluchtmuseum werd in die tijd benoemd Pieter Glazema, wetenschappelijk assistent Monumentenzorg. Hij ging in de Zaanse buurt wonen met zijn vrouw Jeanne van Altena. Het echtpaar had geen kinderen en beiden waren druk met de organisatie van een zo goed mogelijk onderkomen en levensbehoeften voor de evacués en voor de bescherming van de eigendommen van het Nederlands Openluchtmuseum. Er werd gezorgd dat er ook een dokter op het terrein woonde. Elke dag kwam een kampkrant uit met de mededelingen waar je eten kon halen, waar op zondag de protestantse kerkdienst was en waar de rooms katholieke. Pieter en Jeanne hebben beiden een dagboek bijgehouden, waardoor er veel over deze periode bekend is.

Het knipsel is eigenlijk een collage, gemaakt met gekleurd of door Hil geverfd papier. Centraal staat de Zaanse buurt waar de Glazema’s in het koopmanshuis woonden. Links en rechts van een stralende zon twee famen die op een tekstband toeteren: ‘vivat Pieter’ en de andere ‘vivat Jeanne’. In een cartouche staat het volgende gedichtje:

Hier in Arnhem aan de Zaan
woonden Pieter en zijn Jeanne
die terwijl de oorlog woedde,
’t Openluchtmuseum hoedden.
Hier kwam ’t eind der zware tijden
Toen de Tommies hen bevrijdden.
En by ’t eind der Tyrannij:
Hergaven ’t NOM aan Neerland zij

Er onder staat het echtpaar Glazema met hun zes honden afgebeeld. Op de achterkant is een gedichtje over de honden geschreven:

Hier de hondjes zes in tal
Die je niet vergeten zal
Want zij staan als elke held
In ’t museeannaal vermeld

Het was in het museum niet bekend dat Hil Bottema ter herinnering aan deze periode voor Pieter en Jeanne een knipsel had gemaakt.

Zij organiseerde voor museumbezoekers ‘mooi-makers’-weken waarin iedere dag een andere vorm van volkskunst aan de orde kwam, zoals strovlechten, tekenen, houtsneden, zandtapijt strooien … en ook papierknippen. Zij stuurde de deelnemers het museumterrein op om motieven te zoeken.

Daarnaast heeft zij actief onderzoek gedaan in het land, door ‘volkskunstenaars’ te bezoeken en hun werkzaamheden te documenteren. Ze deed onderzoek in Zeeland naar Jan de Prentenknipper en bezocht Urk om meer te weten te komen over de knipper Jan Visscher. Die twee noemde zij Jantje I en Jantje II. Een eigentijdse knipster die ze uitnodigde om op het Nederlands Openluchtmuseum te demonstreren, Janna de Jong-Brouwer, noemde ze Jantje III. Ook bezocht ze ‘Hindrik Printsjeknipper’ in Oudega en knipsters van klokkenkleedjes in Noord-Drenthe.

Veel van haar knipwerk (o.a. kerst- en nieuwjaarskaarten) maakte ze in haar vrije tijd. Hil kreeg de eervolle opdracht om de kinderpostzegels van 1961 te ontwerpen: kinderen in streekdrachten tijdens diverse volksfeesten.

Hil is overleden in 1968 toen ze 55 was en tijdens haar lange ziekteproces heeft zij een aantal onderzoeken niet af kunnen ronden. Indertijd hebben wij veel profijt gehad van haar aantekeningen over Jan de Prentenknipper. Joke heeft nog navraag gedaan bij de mevrouw die het knipsel opstuurde. De Glazema’s waren bevriend met hun overburen, het echtpaar Volkers. Toen Willy Beatrice Volkers overleed, verzorgde haar schoonzus de nalatenschap. En zo kwam het als verrassing met de post. Met als begeleidende opmerking van mevrouw Volkers: “misschien is het wat voor het Nederlands Openluchtmuseum; zo niet, doet u er maar mee wat u wil”. Op voorspraak van Joke is het stuk in de collectie opgenomen, want van het vele knipwerk dat Hil Bottema gemaakt heeft is weinig in het Nederlands Openluchtmuseum bewaard. Dit knipwerk past in het museumthema ‘gedenken en museumgeschiedenis’. De conditie van het knipwerk was matig, het is vochtig geweest. Sinds enkele weken is het terug van een papierrestaurator, die ervoor zorgde dat het weer honderd jaar mee kan.

Joke en Jan Peter Verhave