Categoriearchief: publicatie

Wie is Jantje III, Knip-Pers 1983-3

Om hier wat beter achter te komen zocht ik haar op.

Geen kleinigheid overigens, want de weg in de Tinga Molenbuurt in Sneek is moeilijk te vinden. Het uithangbord, met de vergulde schaar, bracht uitkomst en wees me de weg naar het knipdomein. Voor ik aanbelde kon ik nog even een blik werpen op het kruidentuintje met een volkskunstmotief van oud Friese gele steentjes rond een oud pompje. Was er geen uithangbord geweest, dan had ik hierin ook een bewijs van de goede weg gezien.

Na een hartelijke begroeting zag ik dat de gangdeuren, die toegang geven tot verschillende vertrekken, van knipsels waren voorzien die uitbeelden wat men er achter zou aantreffen. Bij het toilet mocht ik even om het hoekje kijken en zag daar tot mijn verbazing mooie knipsels hangen. “Waarom hangen die hier? Ruimtegebrek, of vind je dat men juist hier de tijd heeft alles rustig te bekijken?” Haar antwoord was: “Beide!”.

Onder het genot van een kopje koffie en (hoe kan het ook anders) echte Friese kruidkoek kon ik mij verlustigen in verschillende ontwerpen voor een kersttentoonstelling in het volgend jaar, ‘regeren is vooruitzien’ zou hier van toepassing kunnen zijn. Ook knipsels voor een dichterbij liggende tentoonstelling mocht ik zien. Knipsels en prenten die je vrolijk maken als je ernaar kijkt. Naast forse werken zag ik ook kleine, meerkleurige, fijn geknipte prentjes, geïnspireerd op oude devotiekunst. Bladerend in haar fotoboeken ontdekte ik dat er veel geknipt is in die twintig jaren en dat veel knipsels hun weg over onze grenzen hebben gevonden.

Zeer humoristisch vond ik de verschillende Huiszegens die in Vlaamse huizen hun thuis hebben gekregen. Op mijn vraag waarom we deze Huiszegens en de kleine devotieprentjes niet op tentoonstelling en zien was haar antwoord: “Ik houd ze graag voor mezelf, er wordt in de knipwereld al zoveel nagemaakt”.

Commercieel kunnen we mevrouw Janny de Jong niet noemen. Minstens vijf prenten waarvan ik de foto’s zag bleken weggegeven te zijn. “Ik heb ze aan mensen gegeven die ze mooi vonden. Ze hebben nu aan hun doel beantwoord”. Ook prenten waarvan afdrukken worden gemaakt voor een goed doel worden spontaan weggegeven. “Er is altijd wel een commissielid die er veel werk voor heeft verzet en het leuk vindt de originele prent te hebben”. Gelukkig houden familieleden een wakend oogje in het zeil, zodat ontwerpen die niet alleen specifiek Jantje III, maar ook ‘kunst’ zijn bewaard blijven.

Op mijn vraag of ze nog les geeft kreeg ik een bevestigend antwoord. Door het overlijden van een collega-medewerkster van het maandblad ‘Friesland Post’ heeft ze de open gevallen pagina in het jaar 1982 gevuld met een schriftelijke knipcursus (jaargang nog verkrijgbaar, tel. 05150-15611). Nu geeft ze weer mondeling les.

Natuurlijk wilde ik ook graag weten wat ze in al die jaren het fijnst heeft gevonden. Er volgde een ogenblik van stilte: “Om voor koningin Beatrix te mogen knippen vond ik een hele eer. Het fijnst was toch wel de prent en de menukaarten voor het trouwen van mijn dochter”. Het huis van mevrouw De Jong is ingericht met spullen die een volkskunstminnend mens bekoren: letterlappen, bakvormen, Fries aardewerk, enz. Knipprenten vormen daarvan een zeer klein onderdeel. Op mijn vraag “Vind je het niet jammer dat als een prent af is die de deur uitgaat? Je zou er best nog wat meer kunnen plaatsen” kreeg ik als antwoord: “Nee! Ik heb er reuze plezier in om bepaalde situaties waarin mensen kunnen verkeren, bepaalde gebeurtenissen, gevoelens of soms zomaar mooie vormen om te zetten in een knipprent. Kijken of me dat lukt. Als het af is, is het doel bereikt. Ik knip om te knippen, daarin heb ik plezier. Ik hoop dat ik dat mag behouden”. Hier kon ik alleen maar op antwoorden dat wij dat allemaal hopen en dat wij op tentoonstellingen wat meer van haar werk mogen zien. Want juist door het te zien kun je genieten van de schoonheid en delen in de humor. En je kunt kennismaken met een stukje volkskunst dat echt is. Terug in de auto reed ik over een hobbelig gedeelte, precies in de cadans van ‘Ik knip om te knippen, ik knip om te knippen”. Die zin bleef in mijn hoofd hangen, ook toen ik alweer op de snelweg was. Zou dat het misschien kunnen zijn, dat haar werk zo bekoorlijk maakt, de vreugde van het werken op zicht Een rijk mens die zo’n kunsthobby heeft, een rijk mens dus onze Jantje III.

G. Felkers van Meekeren

 

 

 

Knipwerk in albums, Knip-Pers 1983-3

Wat boeit mensen in papierknippen? Waarschijnlijk dat het zo fascinerend is, om door stukjes papier wég te halen een voorstelling, een ornament, een tekst te maken. Een bezigheid door velen wel beoefend in de kinderjaren; een rij poppetjes, een kleedje of een kerstkaart. Sommigen pakken de schaar op latere leeftijd op en maken een wenskaart of een cadeautje.

Vroeger, ik denk dan aan de 17de en 18de eeuw was papierknippen of -snijden een bezigheid voor de “gegoede burgerij”. Zij beschikten over papier! In 1686 geeft Johannes ten Hoorn, Boekverkoper, zelf “Lief-hebber der Sny-konst” een instructieboek uit voor de “Hollandsche Jufferen”. Anna Maria van Schurman en Johanna Koerten zijn de eerste ons bekende “Jufferen” die dit “Konstig en Vermaakelijk Tyd-verdrijf” bedreven hebben. En hoe! In het tweede hoofdstuk van dit boekje raadt de schrijver aan; “Eyndelijk men moet ook een blaau Boekje hebben gemaakt van Suyker Bakkers blaauw Papier, om daar in eenige gesneeden dingen te bewaaren: of eenige modellen in te leggen”

afb 1.De oudste Nederlandse knipwerkjes zijn van wit papier gemaakt. Dat was het papier dat voorhanden was. Gekleurd papier, zoals nu in alle soorten verkrijgbaar, was er niet. Het blauwe papier, dat gebruikt werd om linnengoed voor vergelen te behoeden, of om suikerkonen in te pakken, wordt bedoeld in boven genoemd “blaau boekje”. Ik weet haast zeker dat ook de huidige knippers een doos, een album met hun frutseltjes hebben. Op gezette tijden nemen ze het met plezier door en denken bij zichzelf: deze is beter gelukt dan die, dat bloemetje heb ik geknipt toen ik zo’n mooi boeketje had gekregen. . . “t Worden dierbare herinneringen aan de goede uren die je met de schaar en een stukje papier hebt kunnen doorbrengen.

In het Museum voor Knipkunst W.T. Lever te Westerbork wordt een verzameling “kleedjes” bewaard, die geknipt zijn door een patiënt uit de papiertjes die om zijn dagelijkse poeder zaten. Keurig bewaard in een sigarenkistje.

In het Openluchtmuseum in Arnhem zijn verscheidene “knipselalbums” of knipselverzamelingen. Ik noem er enkele:
Het album “Vockestaert”, 125 losliggende knipsels uit wit papier: harten, genrestukjes, kleine tafereeltjes. Alle knipsels door hem zelf genummerd. Hendrik Meichior Vockestaert, zoon van een bestuur der van de stad Delft, heeft in verscheidene knipsels een jaartal geknipt: 1807, 1809, 1810, 1811 en 1812. Dit blijkt zijn Gymnasiumperiode te zijn. Op latere leeftijd is mij geen knipwerk van hem bekend, wel gedichten!

afb 2.

Tachtig jaar later (1883) knipte de stads hortulanus van Rotterdam, Jacobus Verhoeve, een verzameling kleedjes, ca. 20 x 20 cm groot, en bewaarde ze (afb 2). Hij vouwde zijn papier meerdere malen, zijn knipsels zijn ornamenteel of bevatten natuurlijke motieven, vooral vogels en bladeren. Hij knipte uit dun gekleurd papier. Dat knippers zuinig zijn met papier laat ook Verhoeve zien, hij plakte zijn kleedjes namelijk op de achterkant van overtollig briefpapier. Ook heeft hij nog een speeltuin geknipt uit rouw-, trouw- en speelkaarten. Door de betreffende onderdelen in elkaar te schuiven is hier een ruimtelijke voorstelling gemaakt.

afb 3.

 

Naast boekjes met alleen knip- en snijwerk bevindt zich in het Nederlands Openluchtmuseum ook een boek dat knipwerk, découpage en tekeningen in een geknipte lijst bevat (afb 3).

 

Uit Noord-Holland afkomstig zijn nog een aantal kleinere boekjes in de Arnhemse collectie. Met eenvoudige kleedjes, harten, bloempotten en vlechtwerkjes uit gekleurd papier. Het afgebeelde hart is afkomstig uit een schildersrekeningenboek van Oudejans uit Alkmaar (afb 4).

afb 4.

Uit privébezit weet ik een klein “blauw boekje” met wit papieren knipsels uit de 18de eeuw. Ze stellen allerlei tafereeltjes voor: een kerk met processie, appelplukkers, jagers, herten, konijnen en vogels, alles heel fijn uitgesneden. Soms ook voorstellingen van exotische dieren zoals struisvogel en neushoorn. Kenmerkend zijn de fijn uitgewerkte bladeren van de bomen en je vraagt je af, waarom spaarde de maker zoveel knipwerkjes op? Was het voor eigen plezier of als voorraad om weg te geven of te verkopen?

afb 5.

In het Fries Museum te leeuwarden wordt een losbladig album bewaard met 130 knipseltjes, op iedere bladzijde één. Het zijn kleedjesachtige knipsels, ca. 10 x 15 cm groot, gemaakt uit wit papier (afb 5.) . De maker is Henrikus Wilhelmus Kuyper, geboren 4 april 1803 te Noordwolde, zoon van een predikant. Soms knipte hij de namen van de familieleden in een randje, een bloempot of een kleedje. De jaartallen die voorkomen liggen rond 1820.

afb 5., 10 x 15 cm

Waarom heeft een jongen van 17 jaar een knipvlaag? Verleidelijk is het om te denken aan een periode van ziekte of iets dergelijks. Het album geeft geen verklaring, ook bij het museum is niets over deze jongen bekend. We zullen in de archieven moeten duiken om meer te weten te komen! Maar dat geldt eigenlijk voor alle knippers.

Joke Verhave

Geknipte visitekaartjes, Knip-Pers 2017-4

In Nederland duiken zo nu en dan knipwerkjes op van Duitse herkomst. Vaak zijn dat zogenaamde stansen uit de jaren twintig van de vorige eeuw, machinaal uit papier gedrukte voorstellingen die oorspronkelijk geknipt waren.

Maar ook uit de negentiende eeuw komen we Duits (echt!) knipwerk tegen, o.a. van Karl Fröhlich en Wilhelm Müller. Die moeten wel uit Duitsland zijn meegenomen door reizigers.

afb 1.

Al eerder schreven we over Wilhelm Müller in de Knip-Pers van december 1990, maar de voorzitter van de Duitse Knippersvereniging, Antje Buchwald, heeft nog wat bijzonderheden over zijn leven kunnen vinden en daar ontlenen we graag een paar gegevens aan. De andere aanleiding voor dit artikel is dat wij een zelfportret van Müller konden kopen van een Nederlandse eigenaar, die het nota bene op de website van onze Vereniging had aangeboden (afb. 1).
De handtekening en de plaats Düsseldorf staan er onder, maar ook erin. Dat deed Müller veel vaker. Het was waarschijnlijk zijn manier om reclame te maken. Het brengt het aantal zelfportretten dat bekend is op zes; drie daarvan zijn in Nederlands bezit. Meestal zit hij op een stoel, het ene been over het andere en bezig met knippen van herten, soldaten, of boeren met een koe. Voor zijn voeten een bergje, of een vierkant blok, waarin zijn naam, woonplaats en meestal zijn adres zijn uitgesneden.

Wilhelm Müller was een tijdgenoot van Jan de Prentenknipper, maar had een heel andere stijl. Hij werd geboren in 1804 als zoon van een schoenmaker. Op school bleek de jongen goed te kunnen tekenen en thuis knipte hij met een leerschaar figuren uit allerlei papier. Hij verloor zijn ouders al vroeg en Willy moest hard werken in de schoenlapperswerkplaats aan de Krämerstrasse. Müller trok er ’s avonds op uit om zijn knipsels voor 5 of 10 Pfennig te verkopen in de kroegen van Düsseldorf. Soms kreeg hij een bord eten of een borrel voor een knipwerk. Een paar maanden heeft hij ook nog in een drukkerij gewerkt. Toen hij voldoende bekendheid had als ‘silhouetteur’, kon hij de schoenmakerij eraan geven.

afb 2.

Zijn adres in de zelfportretten was twee keer de Kurzestrasse 346 (bij het bovengenoemde zelfportret staat in oud-Duits schrijfschrift Kurzestrass; zelfs voor onze Duitse knipvrienden Haio en Gundel Zimmermann niet te ontcijferen, maar het stadsarchief Düsseldorf had de oplossing) en twee keer, op oudere leeftijd, de Ratingerstrass no. 20 (afb. 2). In die straat was zijn buurman een kleermaker, die Zimmermann heette (niet Haio!).
Toen die nog een jongetje was, mocht hij elke dag de warme maaltijd voor Müller halen en kreeg daar zo nu en dan een knipseltje voor. Veel later vertelde deze Zimmermann over de armelijke omstandigheden waaronder de knipper leefde.
In zijn visitekaartjes knipte Müller zichzelf met een gebogen rug. Hij had op zijn oude dag een beschermheer en weldoener, Th. Löbbecke. Deze was apotheker, zoöloog, reiziger en verzamelaar (er is nog steeds het Aquazoo-Löbbecke Museum in Düsseldorf). Hij gaf de Scherenschneider zelfs een kamer in zijn huis. In 1865 werd Müller ernstig ziek en stierf in het stadsziekenhuis. Wilhelm Müller heeft veel werk nagelaten (kleine stukjes, maar ook grote) en daaruit komt naar voren dat hij de personen en dieren in zijn omgeving goed in zich opnam en ze later uitknipte. Hij had een aantal favoriete figuren.

afb 3.

Die zien we ook bij zijn zelfportretten: tafereeltjes met episoden van een jaarmarkt of kermis (afb. 3). Daarbij een opvallende figuur, de ‘Figuri-Mann’. Dat waren rondtrekkende, vaak Italiaanse koopplieden, die een lange plank op het hoofd droegen met beschilderde gipsen beeldjes. Ze riepen steeds “Figuri Figuri”.

De Calvarieberg en Napoleon waren heel gewild bij het publiek (afb. 4).

afb 4.

De 17 jaar jongere knipper Karl Fröhlich uit Berlijn heeft Müller bezocht in 1842 en sindsdien stimuleerden ze elkaar. Karl volgde in 1851 in Düsseldorf een cursus aan de kunstacademie. Bijzonder is, dat het ongesigneerde werk van beide schaarkunstenaars moeilijk uit elkaar te houden is; zelfs deskundigen hebben er moeite mee en daardoor is er veel van hun knipwerk verwisseld.

afb 5.

Een voorbeeld is het portret van de staand knippende Fröhlich, dat als zelfportret te boek staat (afb. 5). Ons inziens is het gemaakt door Müller, want deze gebruikte hetzelfde lettertype en het ‘bergje’ naast hem. Fröhlich vestigde zich kort daarna weer in Berlijn. Misschien was het een afscheidsprentje van Müller aan Fröhlich. De laatste heeft een heel wat gelukkiger leven gehad en liet veel van zijn werk drukken, samen met rijmpjes en versjes. Die zijn ook in het Nederlands vertaald en uitgegeven.

 

 

 

Joke en Jan Peter Verhave

Gebruikte artikelen:
Joke en JP Verhave, ‘Vrolijke gezichten’, Knip-Pers, december 1990
Antje Buchwald, ‘Wilhelm Müller’, Schwarz Auf Weiß, November 2009
Jörg Paczkowski, ‘Karl Fröhlich (1821-1898) Scherenschnitte’. Wertheimer Museumschriften, Heft 6, 1983 (exemplaar van Lies Markus!)

Deventer sprokkelingen, Knip-Pers 2017-3

Onlangs konden wij een prachtig knipwerk aan onze verzameling toevoegen (afb. 1). Het was voor een meisje uit Deventer, Catharina Hendrika Schutte, die leefde van 1798 tot 1880. Het is gemaakt toen ze achttien was door O.J. van Zutphen. Zij trouwde twee jaar later met Gerrit Jan Bömer Keijzer en bleef haar lange leven in Deventer wonen.

De knipper O.J. blijkt Otto Johannes van Zutphen te zijn, luitenant in de Bataafse Infanterie. Maar veel belangrijker: hij was getrouwd met Sophia Cecilia Schutte in 1803 te Deventer. De precieze familierelatie hebben we nog niet gevonden, maar de vader van Catharina heette Jan Wessel Schutte te Deventer en Otto en Sophie hadden een zoon Jan Wessel van Zutphen, geboren te Deventer. Het is duidelijk dat dit knipsel niet Otto’s eerste werkstuk was.

Een vaste hand, mooie letters en karakteristieke versieringen zouden kunnen leiden naar andere werkstukken van Van Zutphen. Maar tot nu toe hebben we die nergens aangetroffen. Het knipsel is een schenking van een echtpaar uit Zwolle; zij meenden dat het meer op z’n plaats is in onze collectie dan bij hen op zolder. In dank aanvaard en het bekijken waard!

afb 1.

In ons nieuwe boekje Onbekend en Ontroerend Erfgoed staan twee knipsels uit Deventer, voor Jan Weers (blz. 52) en Diederieka ten Brinke (blz. 53). Jan heette eigenlijk Johan Weerts (1741-1788) en is in zijn knipsel (hier niet afgebeeld) als ‘Juneor’ aangemerkt: vader mr. Johan Weerts was burgemeester van Deventer. Jan trouwde te Deventer op 12 april 1773 met Diderica ten Brink (1753-1805), dochter van mr. Sylvester Aemilius ten Brink, advocaat te Deventer.
Johan Weerts jr. was gemeenschapsman of gemeensman, ‘lid der gezworen gemeente’ te Deventer. Dit was een college dat in Gelderland en Overijssel de burgerij bij het stadsbestuur vertegenwoordigde. Het zijn dus vooraanstaande families.

In het stuk voor Jan staat het familiewapen Weerts met drie ankers. Het knipsel voor de bruid (afb. 2) bevat haar familiewapen, een menselijk hoofd, en huwelijkssymboliek (hanen en een kloek met kuikens). Het echtpaar kreeg acht kinderen van wie er vijf volwassen werden (had de knipper met de vijf kuikens een vooruitziende blik?). Diderica hertrouwde na het overlijden van Johan met de weduwnaar mr. Johan J. Schmauss, vrederechter kanton Deventer, in 1801. De knipsels zijn vast door een stadsgenoot gemaakt, maar de naam is onbekend; ook kennen we geen andere knipsels van die hand. (afb 2.)

afb 2., 17 x 14 cm

Tenslotte noemen we Gesina ter Borch, dochter van Gerard de schilder en halfzus van Gerard junior, de nòg beroemder schilder. Gesina is waarschijnlijk in Deventer geboren in 1631; haar moeder kwam er vandaan. Gesina was ook getalenteerd en van haar zijn veel tekeningen met waterverf bewaard. Zij is zelf nooit getrouwd geweest. Haar zus Jenneken trouwde met Sybrand Schellinger en kreeg drie kinderen, Gerrit, Cornelis en Hillegonda. Toen Jenneken overleed op Curaçao (1675), kwamen de kinderen terug en tante Gesina ontfermde zich over hen.

afb 3., 24 x 36 cm, knipseltjes door Cornelis Schellinger, 1685 (2x), Johannes van Achelom en Gesina ter Borch

Ongetwijfeld heeft ze hen leren knippen, want onder één knipseltje staat haar naam; ze heeft diverse stukjes van de broertjes in haar familie plakboek geplakt. Die dateren van 1685 en 1687. Vooral de laatste zijn heel kunstig, met uitbeeldingen van mythologische verhalen. Het zou best kunnen dat ze het boekje Konstig en Vermaakelijk Tydverdryf der Hollandsche Jufferen of Onderricht in de Papiere Sny-konst uit 1686 hebben gebruikt. Een van de knipsels draagt de naam Johannes van Achelom. In de informatie van het Rijksmuseum staat dat hij de jongens het knippen leerde, maar dat kan niet, want hij vertrok in 1668 naar Florence, om nooit meer terug te komen. Het boekje was bedoeld voor meisjes, maar van Hillegonda zijn geen knipsels bewaard.

afb 4., 24 x 36 cm, knipsels van Cornelis en Gerrit Schellinger, 1687

De schilder Gerard ter Borch junior woonde in Deventer en Gesina is vaak model voor hem geweest. Zij is vanuit Zwolle veel in haar geboortestad te logeren geweest, ongetwijfeld met de kinderen Schellinger. Ze overleed in 1690. Neef Cornelis heeft aan het Deventer Athenaeum gestudeerd en promoveerde in Utrecht. In 1698 bezweek hij na een ongeluk door een messteek van een vriend in Deventer. Gelukkig is het werk van Gesina, inclusief de knipsels van haarzelf,
haar neefjes en Van Achelom bewaard gebleven.

afb 5., 24 x 36 cm, de twee neefjes van tante Gesina ter Borch, Gerrit (rechts) en Cornelis Schellinger (links), getekend door Gesina, van wie zij knipsels in haar familieplakboek heeft bewaard

Joke en Jan Peter Verhave

Afm. Familieplakboek: 24 x 36 cm (afb. 3, 4 en 5).
Literatuur
Atty Broer, ‘Portretten van Knipkunstenaars’ Gesina ter Borch.
Nieuwsbrief St. W.Tj. Lever 20 (2007)
Marjan Brouwer, De Gouden Eeuw van Gesina ter Borch. Waanders, Zwolle, 2010
Joke en Jan Peter Verhave, ‘De Nederlands-Italiaanse knipkunstenaar Joannes van Achelom omstreeks 1700’. Oud Holland 128 (2015), 147-162
Idem, ‘Onbekend en ontroerend erfgoed. Tijdsbeelden geknipt door anonieme kleinkunstenaars’. Uitgave eigen beheer, 2017

3D Knippen, Knip-Pers 2017-2

In de Knip-Pers 2017-1 presenteerden we een ruimtelijk knipwerk, gemaakt door Gillis van Vliet  in 1681.

Een eeuw later waren het vader en zoon Bavelaar die kleine kijkkastjes knutselden met huiselijke taferelen en stadsgezichtjes, uit hout of been.

In Rotterdam maakte Johannes Kopper ruimtelijke zeegezichten met zeilschepen en Hendrik Berck boetseerde Amsterdamse stadsgezichten uit papier-maché. Tot halverwege de 19e eeuw waren, naast het platte knipwerk, zulke diorama’s populair.

Eén van de papierkunstenaars die knipwerken met diepte maakte, was Johannes Hubertus Reijgers (1767- 1846), geboren in Gorkum. Hij kwam in Middelburg terecht als huisleraar en trouwde daar met Catharina van der Krap in 1796. Hij volgde er de tekenschool en werd een verdienstelijk tekenaar, schilder, o.a. van schepen en zeegezichten in waterverf, maar ook van silhouetten en portretten. Ook maakte hij gravures en als inspecteur der Landsgebouwen tekende hij Zeeuwse buitenplaatsen en kastelen. In 1814 werd Reijgers benoemd als leraar (‘lesgevende meester’) aan de Middelburgse Tekenacademie en hij vernieuwde het tekenonderwijs. Hij zette altijd zijn naam onder zijn werkstukken!
Heel gewild werd zijn ruimtelijk werk, diorama’s of maquettes van papier, die voornamelijk door Middelburgers werden besteld, ter herinnering aan familiegebeurtenissen. Soms verwerkte hij
het silhouet van het overleden familielid Onlangs dook een stuk op, gemaakt bij het overlijden van de Middelburgse koopman H. ten Broecke in 1822. Al veel eerder maakte hij een stuk in opdracht van de kinderen van Jan Meusel te Middelburg, voor diens 60e verjaardag in 1804 (hoe het in het Museum van Zwolle terecht is gekomen, weten we niet). Een ander stuk, eveneens voor een jarige Middelburger, J.P. Serlé, wordt bewaard in het Haags Gemeentemuseum.

Die stukken plaatste hij in een houten kastje, met glas ervoor. Zulk werk werd door zijn biografen geprezen om ‘de hoge trap van volkomenheid’ en omschreven als ‘kunstig snij- en boetseerwerk in papier, als Bas-reliëf opgewerkt, waarvan te Middelburg en andere Zeeuwse plaatsen, fraaije Proeven te zien zijn’ (een bas-reliëf is een ruimtelijke afbeelding, in steen of houtsnijwerk en in dit geval in papier, met een platte achterkant). We laten er twee zien. Het ene (afb. 1) is voor een onbekende predikant en zijn vrouw.

afb 1., 48 x 38,5 x 8,2 cm, Nederlands Uitvaart Museum Tot Zover, Amsterdam

Een heel mooi diorama maakte hij voor koning Lodewijk Napoleon en koningin Eugénie. In het midden een sierlijke vaas met allerlei koninklijke symbolen, in Empire stijl. Aan weerszijden de vrijheidsmaagd en een anker; daarnaast de wapens van de Hollandse gewesten of provincies.
Er staat: “Aan Zijne Majesteit! Den KONING van HOLLAND! Word dit Gedenkstuk met alle Hoogachting door desselvs Onderdanige en Gehoorzame dienaar J.H. Reijgers Eerbiedig Aangeboden”. Het werd door de koning in 1807 aangekocht voor 400 gulden en bewaard in het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden in Den Haag, om uiteindelijk in het Rijksmuseum te belanden.
Later was Reijgers overigens een al even gedienstige onderdaan van koning Willem.

afb 2, 63,5 x 54,5 x 13 cm, Rijksmuseum

Bekijk de afbeeldingen eens goed en vraag je af wat de techniek van Reijgers was. Hoe kreeg hij dat allemaal voor elkaar, uit papier? Neem eens een detail en probeer dat na te doen. Natuurlijk zijn de vormen van begin 19e eeuw anders dan de onze, maar het is een uitdaging om met eigentijdse vormen en een oude techniek kunnen proberen om iets driedimensionaals te maken. We zijn benieuwd.

Joke en Jan Peter Verhave

Zie: Atty Broer, ‘Zeeuwse knippers en hun werk (2)’, Nieuwsbrief St. W.Tj. Lever 2004, nr. 4.

Schaarse gegevens over J.E., Knip-Pers 2011-1

Tijdens de Papier Tentoonstelling afgelopen zomer in Veenendaal, werd er gedemonstreerd door knipsters, o.a. door onze voorzitter Marjan Draaisma.
Aan haar tafeltje meldde zich een mevrouw met twee boekjes met geknipte illustraties en ze vertelde dat haar moeder gediend had bij de maakster, mejuffrouw J. Enderlein.
Dat deed bij ons een belletje rinkelen, want wij hebben een boekje van J.E. in onze kast met afbeeldingen van knipsels. Even kijken wat we ook weer over die knipster geschreven hadden in ons boek Geknipt! Helemaal niets, vergeten. Maar er was geen twijfel: ons boekje en de twee van mevrouw De Beus waren van dezelfde hand. Wie was die J.E.?

Reden genoeg om speurwerk te doen, waardoor we nu dieper op deze knipster in kunnen gaan. Wij hebben Ria de Beus bezocht en we mochten de boekjes behouden. Zij had van haar moeder Bep de Jong behalve de boekjes nog een paar herinneringen en foto’s van de twee oude, ongetrouwde gezusters Enderlein, die woonden in de villa Huize ter Beek te Heelsum. Bep heeft voor ze gezorgd van 1928 tot 1944. Dochter Ria heeft haar best gedaan om nog andere verhalen op te diepen bij oudere familieleden. We kregen plezier in al het gezoek! En we hopen dat u zich dat kunt voorstellen, als u het resultaat leest.

afb 1. De woonwagen, 8 x 20 cm

Juffrouw Fien of Phine (Josephine, geboren 1853) en juffrouw Wies (Louise, geboren 1858) waren in goeden doen, als dochters van de hoge officier Hendrik Jan Enderlein en jonkvrouwe Maria Albertine Clifford Cocq van Breugel. Vader was kolonel van de genie en cartograaf, commandant van de Hollandse Waterlinie bezuiden de Lek. In 1875 werd hij opeens benoemd tot minister van oorlog in het tweede kabinet Heemskerk. Maar hij bleek ongeschikt voor het politieke leven en toen zijn voorstel over verbetering van vestingen het in de Kamer net niet haalde, trad hij af. Hij werd gepensioneerd als generaal-majoor en stierf in 1898, waardoor zijn dochters hun leven lang konden rentenieren. In het ouderlijk huis te Den Haag kwam zo nu en dan hun neef, de dichter Jacques Perk logeren.
afb 1.

Volgens de gedienstige Bep had Juffrouw Fien de knipseltjes en rijmpjes gemaakt. De J. staat dus voor Josephine of voluit: Jeanne Josephine Louise. Het verhaal van Maar uit ’n Woonwagen
(afbeelding 1) gaat over een arm, braaf jongetje dat overal goed doet en uiteindelijk door een automobiel wordt doodgereden. ’t Is een typisch voorbeeld van een in die tijd geliefd genre: een
rijke dame die schrijft over een arm milieu, uit liefdadige overweging. De uitgave door L.A. Dickhoff in Den Haag was ‘ten voordeele van het Nationaal Steuncomité’. Het waren de Belgische vluchtelingen in ons land die tijdens de (eerste) wereldoorlog steun nodig hadden; daardoor is het omstreeks 1915 te dateren.
Voorin staat een rijmpje, waarin de volgende regels:
…/ Al de prentjes erbij, zij zijn dan ook maar/
Eenvoudige knipseltjes van een schaar/ …

In diezelfde periode schreef J. Enderlein haar herinneringen op over een zwerftocht door Midden-Italië, ongetwijfeld samen met haar zus Wies, voordat de oorlog was uitgebroken.
Het artikel staat in het tijdschrift Eigen Haard uit 1915 en is geïllustreerd met knipsels van Italiaanse landschappen en figuren. ’t Is een mooie sfeertekening van een bezoek aan Orvieto en de Goede Vrijdag processie (afbeelding 2), die ze als protestantse toeschouwer met veel eerbied omschreef.

afb 2. ’Mater Dolorosa’ uit de processie, 6 x 6 cm

In de twee eerdere boekjes gebruikte de maakster alleen haar initialen, geschreven als J.E.
Het ene heeft als titel Buiten bij Kaatje! een Vertelseltje met Versjes en Knipsels (afbeelding 3).

afb 3. Boerin met juk (Buiten bij Kaatje), 7 x 6 cm

Het verhaaltje gaat over een gezin uit de stad met zeven kinderen, die bij hun kindermeid op bezoek gaan, die buiten woonde. De eenvoudig geknipte illustraties zijn afgedrukt in wit, tegen gekleurde achtergrond. Zij droeg het boekje op aan haar nichtje Mia (Maria Adriana de Monchy). Het is bijzonder vormgegeven, en uitgegeven door Scheltema & Holkema’s Boekhandel in Amsterdam, in oblong formaat (dus breder dan hoog).
Het beginversje gaat zo:
Van fijne velletjes, wit papier,
Eerst netjes gevouwen, in twee of in vier,
Knipte een kleine, scherpe schaar
Dit vertelseltje bij elkaar.
Krijgt gij nu ook in ’t knippen zin,
maak dan maar spoedig een begin
En let goed op, dan knipt gij niet mis,
Dat alles precies symmetrisch is.
Vouw altijd maar dubbel, dan zijt ge gauw klaar,
Het is heel gemak’lijk! –Probeer het maar!

Dit was waarschijnlijk het eerste boekje van J.E., verschenen in of voor 1912. Het andere boekje werd ook uitgegeven door Scheltema’s & Holkema’s Boekhandel, ook zonder jaartal maar vermoedelijk in 1913: Van twee Visschertjes, een vertelling voor Klein en Groot met rijmpjes en knipsels. Het is opgedragen aan een ander nichtje (Louise Henriette Sloth Blaauboer). “Aan de kleine Louise ver over de groote zee”.
Ook dat is een bijzonder vormgegeven, oblong prentenboek, met illustraties gemaakt ‘volgens de aloude knipkunst’. Ze staan als ‘witjes’ afgebeeld tegen een achtergrond met één of twee vlakken kleur in verschillende tinten. Net als in het vorige boekje spoorde J.E. haar lezertjes aan om zelf te gaan knippen:

En krijg je soms in ’t knippen zin,
Maak dan maar spoedig een begin;
Neem een dun wit papiertje in de linkerhand,
in de rechter een schaartje en een beetje verstand.
…
Vouw dikwijls maar dubbel, dan ben je gauw klaar; Het is heel gemak’lijk! –probeer het maar!

Zowel wat betreft inhoud als de kunstzinnigheid van de knipsels spant dit boekje de kroon. J.E. moet goed op de hoogte geweest zijn van de Scheveningse gebruiken, streekdracht en dialect. Zij schreef haar Italiëverhaal in verhaal in Scheveningen, mei 1915. De J. Enderlein moet dus Josephine zijn geweest. In de familie gaat een verhaal over een ongelukkige liefde van Fien voor de Haagse Mr. A. Farncombe Sanders. Inderdaad vonden we dat zus Louise Enderlein in 1915 in Scheveningen woonde en waarschijnlijk woonde Josefien bij haar in.
In ieder geval zijn de zussen kort daarna samen naar Renkum/Oosterbeek verhuisd, en in 1919 naar Doorwerth. Voor zover we kunnen nagaan is het bij de drie boekjes en het reisverhaal gebleven.

Josephine heeft heel goed laten zien hoe je, zonder een groot knipkunstenaar te zijn, op een heel sprekende manier een verhaal kunt verlevendigen met eenvoudige knipseltjes. Er is nog wel een lastig punt in de puzzel. J.E. staat namelijk in de bibliotheekwereld omschreven als Jacqueline Enderlein. En dan zou de overlevering dat Josephine de auteur en knipster, is niet kloppen. Gelukkig kwamen we op het spoor van een achter-achterkleinzoon van een derde zuster (Miep, Maria Adriana Enderlein); hij hielp ons uit de droom. Hij had veel familiegegevens verzameld en daaruit bleek o.a. dat de doopnamen van Wies waren: Louise Jacqueline. Dat brengt ons bij de veronderstelling: zouden Wies en Fien hebben samengewerkt, bv. Wies de rijmpjes en Fien de knipsels?

Toch niet, want de ‘Herinnering aan Italiëverhaal in met knipseltjes’ begint met “Van Mei en zonneschijn, van kinderjaren vol stralend geluk, had ik willen schrijven en knipsels had ik willen maken van bloesems en gouden regen!” En in de familie herinnert men zich niet dat Wies aan de boekjes heeft meegewerkt. Het blijft dus bij Josephine Enderlein, knipster èn schrijfster van de drie kinderboekjes. Over Phine en Wies als oude dames is nog een tweede getuige: de dochter van een hotel-restauranthouder in Heelsum die onlangs haar jeugdherinneringen vertelde in een paar artikelen over Heelsumse hotels in een Veluws streekblaadje. Paulien Reijmers kan zich de dames nog goed voor de geest halen, wonend in de grote villa Huis ter Beek, naast het hotel Schoonoord van haar ouders.
De zussen waren geliefd in Heelsum. Ze hielpen vaak mensen die het arm hadden. Ook stelden ze de zaal van hun huis ter beschikking voor allerlei culturele activiteiten (‘het befaamde zaaltje’). Phine zou nog een verhaal over Oud-Arnhem hebben geschreven, maar zonder knipsels. Toen Wies in 1939 overleed werd Huis ter Beek bij het hotel getrokken en juffrouw Phine bleef als vaste gast bij de familie Reijmers wonen. Het verhaal op rijm gaat over twee Scheveningse visserskinderen vanaf hun geboorte tot ze volwassen zijn. Het bevat veel informatie over Scheveningen, het vissersleven (afbeelding 4); een zeemanslied; afbeeldingen van schelpen, zeedieren en – planten; badgasten en een loflied op de koningin met haar dochtertje.

afb 4. Drie Scheveningse vissersvrouwen 7 x 10 cm

Tijdens de slag om Arnhem kon juffrouw Phine niet de kelder in. Ze was doof en hulpbehoevend. Ze bleef zitten in een leunstoel in de hoek van de kamer. Als dan het huis schudde op zijn grondvesten door het granaatvuur, vroeg ze heel verbaasd: “Schieten ze?” Ze werd geëvacueerd naar De Klomp bij Veenendaal en na de bevrijding werd ze opgehaald door haar nichtje Mia in Rotterdam en in een rusthuis geplaatst. Ze overleed daar op 13 augustus 1949, 96 jaar oud en werd in Doorwerth begraven. Bep, de gedienstige, was daarbij. Een sieraad, een paar mooie schalen, de kleedkist van vader, de officier en haar herinneringen aan de twee deftige dames was wat haar restte. Die herinneringen en de familieverhalen hebben we met onze eigen zoektocht samengevoegd tot een klein monumentje voor een knipster die rond haar zestigste haar werk openbaar durfde te maken. Honderd jaar geleden!

afb 5. Josephine Enderlein

Joke en Jan Peter Verhave

Met dank aan Ria de Beus en Bert Blaisse

De huwelijksreis van Evert Root met zijn vrouw Carolien, Knip-Pers 2009-4

Zoals veel ‘niet meer werkende mensen’ doe ik ook vrijwilligerswerk. Voor mij bestaat dit uit het
ontsluiten van de collectie papierknipwerk van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem.
Ontsluiten wil zeggen beschrijven en invoeren in de digitale catalogus van het museum. Op dit
moment gaan de knipsels van Evert Root door mijn handen. Evert Root is in 1978 overleden en
zijn dochter heeft een deel van de knipnalatenschap verdeeld tussen het Museum in Westerbork (toen nog in eigendom van Lever) en het Openluchtmuseum. Al eerder is in de Knip-pers over Evert Root geschreven. Hij was een rasechte Amsterdammer, die geen blad voor de mond nam als hij onrecht constateerde. Zijn ‘houtsnedeachtige’ knipsels voorzag hij vaak van tekst of een gedicht. In dit verhaal beschrijft hij de huwelijksreis in 1952 met zijn derde vrouw Carolien. Evert Root was toen 56 jaar. Hij heeft het in een geruit schoolschriftje opgeschreven en geïllustreerd met knipsels. Ik heb de taal precies overgeschreven zoals Evert Root het opgeschreven heeft, met al zijn taalfouten. Deze geven naar mijn smaak kleur aan het verhaal.
Joke Verhave

Een bezoek aan de stad Groningen, één (raren) waren? Geschiedenis

Of het werkelijk waar is, kan ik niet zeggen, maar toch vond ik het geval vreemd genoeg, om het eens op te schrijven. En dat ik lang getwijfeld heb, blijkt wel uit het fijt, dat ik het vorig jaar hebt gehoord, en in de geest ook beleefd heb. (afb 1)

afb 1.

Dat zat zoo,vorig jaar Juni … was ik met mijn dien dag getrouwde vrouw Caroliena op z.n. huwelijksreis. Welke wij hadden geplend, als een tochtje om de Zuiderzee. Van het sation amsterdam naar Enkhuizen en toen per boot naar stavoren (afb 2)

afb 2.

en dat ik voor mij, de geschiedenis graag, mag controleren en alle beziendwaardigheden waarte nemen, Hebben wij wat rondgewandeld in veel kleine friese plaatsjes. Al mijn vragen naar het bewuste vrouke van die plaats, werd toen leuk weggelachen in Cafeé en zoo voor kort hebben zij toch een mooi klein stambeeldtje voor haar gemaakt zoo ik hoorde, ook het steeds opkomende koren uit de zee kust hebt ik niet gezien, ondangs de verhalen die mij op de school als waar werden verteld, Van de ring in de vissen en de straffe Gods, voor deze zoo hebberig en wreed vrouwtje is mij lang bijgebleven uit mijn zoo Cristelijke school opvoeding. Maar toen was er niets te horen of te zien, die deze verhalen konden bevestigen, zoo dat wij maar gauw de trein naar Leeuwarden hebben genomen.

Leeuwarden, daar was ik in en naar de oorlog 40-45 geweest. Het ondergronds werk heeft mij wat beziggehouden in die jaren, maar daar schrijf ik nu niet over, roomrijk waren zij voor mij persoonlijk niet. Wel heb ik in 45 nog één nachtje op eigen verzoek in een van de sellen der gevangenis geslapen- toen ik één dag de kampen aldaar had bezocht, om de onderkomens van de N.S.B’s en colbratuurs te zien. Afin, in Leeuwarden hebben wij ook een nachtje overgebleven, maar toen in het Bondshotel aldaar.

Maar de bedoeling was niet één wat verre familie van mijn nieuwe vrouw te bezoeken en kennis te maken met deze mensen uit het hogen noorden. En wel, in de stad Groningen. Wij moeste bij de familie Visser zijn, en daar het adres van die Oom en tanten van de Carolien, die zij zins haar jeugd niet had gegezien of gesproken, moeilijk was te vinden. Maar met veel vragen, kwamen wij eidelijk aan en het werd een uitbundig ontvangst Met veel praten over alle familiebetrekkingen, waar ik van zelfs sprekend geheel buiten stond. Afin na veel gepraat, met een lekkeren bak koffie en rijk belegde boterhammen, wilde wij ook wel iets van de stad zien. En Oom Dirk en oude geselligen baas was graag bereid ons te vergezellen. Gewapend met mijn fototoestel togen wij gedrietjes de stad in, Na een langen poos loopen door de winkelstraten en bezien van belangrijken gebouwen, vonden wij het welletjes, en wilde in één van de velen goede Cafées, die oom Dirk wel wist, iets gaan gebruiken, (afb 3)

afb 3.

En het gronings bier smaakte mij best. Maar toen wij zo gezellig zaten, bemerkte Oom Dirk die het borretje zich goed deed smaken dat hij ook geen achtien meer was. en maar graag met de tram op huis aan wilde gaan – Wij daar aantegen zoude nog wat rondlopen en tegen 6, warm eten bij de gezelligen oudjes – Mijn vrouwtje, welken op de boot een geladderde kous had opgelopen, wilde naar een paar anderen omzien.
En ik voor mij wilde wel even naar de kapper, want het warme weer had, de stoppels aardig uit de kin gejaagd, Maar ja waar was één kapper, nu dat wist oom Dirk wel, op de grote markt was een hele ouderwetse zaak, met prima bediening. De grote hoofdstraat uit lings af, en dan drie huizen van de kerk er hing een groten scheerkwast buiten. (afb 4)

afb 4.

De naam van de kapper ben ik vergeten. Op dit marktplein aangekomen, waar zôon grote kerk staat met hogen toren (de martieni) was juist marktdag en een drukte van jawelletjes, En de torenklok speelde, het paard van oome loek is dood –Ik nam afschijt van Carla, die op zoek ging naar een een kouzewinkel.

De kappers bediende, kwam mij reeds bij de deur tegemoet, Gelijkstraats was een mooie parfumerie zaak, de kapperssalon was een paar treedje op — Een grote zaal met vele scheerstoelen, en 5 of 6 bediendes. De jongen man die mij voorging nam mijn regenjas en hoed aan en de patroon spraak mij zeer vriendelijk toe, en node mij op de eerste stoel plaats te neme, in voor mij tammelijk verstaanbaar gronings zijde hij, U is geen… Neen mijnheer ik ben Amsterdammer zijde ik zonder hem te laten uitspreken zeer verlangend. dat hij zoo spoedig mogelijk een aanvang zou maken – Daar ik elk ogenblik mijn vrouw verwachten die mij zou afhalen – Ja dat meende ik al, hernam de patroon terwijl hij kwast en scheerzeep pakten – Mooi weertje vind U niet, ja het blijft maar droog. was mijn weerende antwoord – Toen hij na tweemaal scheeren meende klaar te zijn, verzocht Ik hem mijn haar wat op temaken en de hals wat uit te scheeren daar ik meende dat het haar mij aardig over de boord hing. (afb. 5)

afb. 5

Toen hij hiervoor aanstalte maakte zag ik zijn gezicht lichtelijk betrekken, meende Ik, Toen begon hij voor mij zoo twijfelachtig verhaal, wat mij zoo lang heeft bezich gehouden en wat ik niet kan nalaten aan anderen te vertellen.

Deze zaak zoo begon, de ook reeds oude baas, terwijl hij de scheerkwast over de hals haalde en nadien het mes over de riem, nog een aan wedden – Bestaat reeds jaren mijn grootvader en over grootvader hebben hier gewoond en als barbiers zoals dat toen heten gewerkt. en heel vee! beleefd en meegemaakt Vooral de Napolitaanse tijd welken mijn overgrootvader heeft meegemaakt en deze overlevering laat mij niet los en dat zal ik U In het kort even vertellen. Terwijl hij het, zoo juist geslepen mes In mijn hals plaasten en zeer langzaam naar beneden haalden zijn…

In deze veel bewogen tijd, stond hier vlak voor de deur van de waag. het schafot, hij wees mij naar een oud gebouw met het scheermes dat ik opziende door het grote winkelraam kon zien.

Toen ik mij weer bukte ging hij verder daar werkte vele misdadegers terecht gesteld mensen die verzet gepleegd hadden. En werden dan van het hoofd ontdaan – de Fransosen waren daar zeer rap mee, de rechtspraak was niet omslagtig en spoedig uitgesproken, Wat toen door de beul met het slagzwaard gebeurde. Hij de patroon wenden mijn hoofd een wijnig om.- aan de want zag ik een groot verroest zwaard, zonder punt hangen Dit heeft mijn overgrootvader gekocht nadat de Fransosen waren vertrokken. tegelijkertijd met het schafot Mijn overgrootvader had veel te danken aan dit zwaard, Want eIken veroordeelde moest eerst de hals uitgekimt en geschoren worden, en de scherprechter rekende na de terechtstellingen zelf met mijn overgrootvader af.

Toen rees ik vermoeid uit de scheerstoel, en terwijl de jongeman, mijn jas en hoed van de kapstok nam, ging de patroon verder met zijn verhaal – Het waren vaak wel 10 of meerderen personen op één dag – En het volk (gepeupel) had gratis toekijken, en werden gedwongen te juigen.

Maar mijn overgrootvader, wel die streek voor iederen kop. zoo als de scherprechter het noemden 10 centen in de laden en één goed glas bier kon er ook wel af voor de beul maar U zult begrijpen wat hij zich best liet smaken. Mijn overgrootvader sloot hij zijn verhaal af, heeft na de Fransen bezetting dit huis als eigendom kunnen kopen – natuurlijk niet van het nek uitscheren, de fransen en ook de hollanders die met hem meeheulden, waren trotse mannen en droegen, vaak valse pruiken welken veel geld kosten, en overgrootvaders beurs terdegen spekten.

afb. 6

Met hoog kleur, had ik dit verhaal beluisterd, en vroeg verward zonder mijn jas aan te trekken (afb 6) Wat krijgt U van mij; – Hij zijde daarop vijtig scheeren, haar opmaken veertjg en het uitscheren vijf en twintig.

Ja .sprak hij wat glimlachend wat duurder als in overgrootvaderstijd, maar ja dien mensen hebben mijn overgrootvader nooit weer gezien.

Komt U, nog eens terug? O, ja U bent .Amsterdammer. Maar U verteld het maar aan anderen koop ik – Wij wensen U nog veel plezier in onsen stad Groningen. Die damen welke benede in de zaak staat is zeker Uw vrouw?

 

 

 

afb. 7

Een beetje onzeker, ging ik zwetend het trapje af, En was blijde weer op het marktplein te staan De Martinietoren speelde weder het paard van ome lok Is dood, (afb. 7) En het lekkere flesje odeklonje wat ik mijn vrouw, stillentjes daar te kopen

– Wel dat hebben wjj te zamen ergens anders uitgezocht, Ik koop dit verhaal met enkelen kunstknipsels te ilustreren –

Evert. Root. sr

 

Knipwerk voor een medicus, Knip-Pers 2016-4

In 2010 schreven wij in de Knip-Pers over een knipwerk, gemaakt voor de Groningse koopman en beambte van de VOC, Jan Albert Sichterman,  voor zijn zilveren huwelijk met Sibilla Sadelijn
(afb. 1). Het was gemaakt in 1746 door C. Koster.

afb. 1

Het Groninger Museum heeft een grote verzameling spullen van dat rijke echtpaar en kocht het stuk voor een enorm bedrag. Over de papierkunstenaar hebben we nog geen zekerheid: we vonden maar één persoon van die naam in die tijd. Een Cornelis Koster liet te Delft in 1742 een kind dopen. In 1751 graveerde hij de koperplaat van de heruitgave van de kaart van Delfland. Hij was als graveur dus wel een ambachtsman die heel precies kon werken, maar of hij ook de papierkunstenaar was?

Daarna kwam ons een ander knipwerk van deze C. Koster onder ogen, gemaakt in 1745 (afb. 2).
Het is nogal gehavend, maar toch kunnen we er, na veel gezoek, wel wat over vertellen. Bovenin
staat de naam SCHORER met het familiewapen; daarin staan drie droogscheerdersscharen, die
verwijzen naar de lakenhandel waarin deze uit Duitsland afkomstige Zeeuwse familie zich had
beziggehouden. Midden onder een wapen met twee gekruiste ankers van de ‘Heren Bestuurderen van ’t zee- en vlootwezen van Holland, Zeeland en West-Friesland’ (de Admiraliteit van de Republiek).

afb 2.

Met die twee wapens hebben we geprobeerd om uit te zoeken welk lid van de familie Schorer dit knipwerk besteld heeft. Er komen twee personen in aanmerking die lid waren van de Admiraliteit in 1745: Mr. Johan Guilielmus Schorer (1688-1747) was in 1724 bewindhebber WIC en in 1732 idem VOC; burgemeester van Middelburg, en – meer waarschijnlijk – zijn neef, Johan Assuerus Schorer (1690-1752) procureur (ontvanger) van Zeeland en de Admiraliteit. Het lijkt erop dat een van deze twee het stuk voor een dokter heeft laten maken.
In het knipwerk is namelijk het volgende te zien: links en rechts op pilaren de profielen van Hippocrates en Galenus (twee bekende geneesheren uit de Griekse en Romeinse geschiedenis). Daaronder de spreuk ARS LONGA en VITA BREVIS (de kunst duurt, het leven is kort). Midden onder de afbeelding de spreuk NEC NISI APOLLINEAE VALIDO MEDICAMINE PROLIS REDDITA VITA FORET Ovid Met Lib 15. Vrij vertaald: Ik (= Hippolytus) heb mijn leven te danken aan de krachtige remedie van Apollo’s zoon (= Aesculapius).
De afbeelding toont een man met een lauwerkrans om het hoofd en een knoestige stok in de hand. Dat is de Griekse god van de geneeskunst Aesculapius want hij staat bij een water, waar op de oever een kale tak met slang (de aesculaap, het teken van de artsen). Het reliëf in het papier komt op de foto niet goed naar voren in de afbeelding (C. Koster 1745 staat rechts beneden). Verder naar onderen staan de namen B.S. ALBINUS en L. HEISTER op boeken. Links, onder Albinus, staat haast terloops, de naam BOERHAVE, de beroemde medicus en professor in Leiden. Boerhaave was in 1738 overleden.

De twee andere personen waren:
Bernard Siegfried Albinus (1697-1770) studeerde onder Boerhave, werd in 1721 hoogleraar anatomie in Leiden en in 1745 hoogleraar geneeskunde. Hij werd beroemd om zijn boek over de botten en de spieren van het menselijk lichaam: Tabulae sceleti et musculorum corporis humani (1747). Hij trouwde in 1765 (als vrijgezel (!) en was dus niet eerder getrouwd geweest).

Lorenz Heister (1683-1758) volgde lessen van Boerhave en van Albinus en kreeg zijn doctoraat aan de Universiteit van Harderwijk in 1708. Vanaf 1711 werkte hij weer in Duitsland, werd geneesheer en hoogleraar in de botanie en professor in de geneeskunde in Helmstedt en Nürnberg.

Rechts onder staat een spiegel met een slang afgebeeld en de spreuk INSPICE CAUTUS ERIS (‘Sieter in, en ghy sult wijs werden’, of ‘Aanschouw uzelf en u zult op uw hoede zijn’).

Was het knipwerk bedoeld als een eerbetoon aan Albinus bij diens benoeming als hoogleraar geneeskunde in 1745? Of was een van de Schorers ziek geweest en genezen na behandeling
door de medicus, en was het een geschenk uit erkentelijkheid?
Wij kwamen er niet uit, maar het zoeken was leuk.

Wel vonden we één episode waarin Albinus een lid van de familie Schorer behandelde. Het is een pikant verhaal: De Zeeuwse jurist Willem Schorer (zoon van Johan Guilielmus) was in 1740 getrouwd met de achttienjarige Anna Elisabeth Eversdijk. Na diverse strubbelingen onderzocht professor Albinus de echtgenote in 1746 (of misschien al eerder), vanwege een vermeende
weigering om het bed te delen met haar echtgenoot.

Hij ondervroeg haar opnieuw in 1748. Het conflict leidde vervolgens tot een geruchtmakend  proces en het huwelijk werd in 1749 ontbonden als ‘niet geconsumeerd’ ¹). Het is gezien het jaartal 1745 niet zeker dat Willem Schorer de opdrachtgever en professor Albinus de ontvanger was van dit staaltje papierknipkunst.

Joke en Jan Peter Verhave

¹). Rietje van Vliet, ‘Impotentie en frigiditeit. Hoe het huwelijk tussen Willem Schorer en Anna Elisabeth Eversdijk op de klippen liep’, in: Zeeland 13 (2004), 3, p. 94-102; Dank aan dr. M. van Vliet voor haar commentaar.

Vraagbaak, Knip-Pers 2016-3

Door alle geschrijf over oud knipwerk weet men ons goed te vinden met vragen. En wij vinden het dan weer een uitdaging om er gegevens over te zoeken. Dit keer geven we een bloemlezing van zulke vragen. En het wordt duidelijk hoe weinig we nog maar weten over knippers van vroeger.

Eerst maar een makkelijke: een cursiste van Janna van Zuijlen kwam met twee kleine, met vrolijke kleuren opgesierde werkjes, die uit de bijbel van een Zeeuws-Vlaamse grootmoeder kwamen (afb. 1 en 2). Het zijn zogenaamde Bijbel-leggertjes, gemaakt door Jan de Prentenknipper in Zeeland, omstreeks 1850. Het ene heeft als tekst God Zy Met Ons, en het andere toont een viertal Bijbelse taferelen (wie kent ze alle vier?) en de initialen JdW (niet die van de grootmoeder, maar dat kan ook niet: daarvoor moeten we nog een paar geslachten terug).

afb 1., 9,5 x 6 cm

afb 2., 9,5 x 6 cm

 

 

 

 

 

 

 

 

Jan moet er in zijn leven vele honderden gemaakt hebben, allemaal verschillend. Prentenknipper was zijn bijnaam en zoals we schreven in zijn biografie (1993), werd zijn echte naam bij toeval ontdekt. Een paar weken terug kregen we de bijgaande advertentie uit 1868 (afb. 3) toegestuurd door de Zeeuwse musicus Dieleman. Het is een leuke bevestiging dat de prentenknipper Jan Huisson heette, en zich Plaatsnijder noemde.

afb 3.

afb 4

Sietse Brugge van het Knipmuseum Westerbork stuurde ons een afbeelding van een heel oud knipwerk met allerlei pluimvee (afb. 4).

Dat motief doet denken aan de 17e eeuwse schilder Michiel de Hondecoeter, die zich specialiseerde in dit onderwerp. Michiel heeft wel een paar gedichtjes geschreven voor het Stamboek van Joanna Koerten, maar daaraan had hij geen knipsel toegevoegd. Een kunstkenner uit begin 20e eeuw meende dat Joanna zelf het geknipt zou kunnen hebben, want in de catalogus van haar knipwerk komt de volgende beschrijving van één van haar knipwerken voor ‘Een Landschap, waarin verbeeld werden Schapen, Pauwen, Hoenders, en allerley Gevogelte en Boomen, waaronder leyt een Spiegelglas, in het welk alles dubbelt gezien werd.’ Joanna heeft zich dus met haar schaartje aan dit onderwerp gewaagd, maar in het afgebeelde knipwerk komen geen schapen voor. Een grappige ontdekking was dat een kunstkenner uit 1915, J.D.C. van Dokkum. een overgrootvader was van de dame die het knipwerk aan Westerbork schonk. Het is nu het oudste knipwerk uit de collectie van het museum.

afb. 5

Sietse Brugge vroeg ook nog informatie over een ander anoniem knipwerk. Het stelt keizer Napoleon voor, te paard (afb. 5), heel herkenbaar. Maar we konden er niets over zeggen, niet eens of het Nederlands is. En toch blijven we de vaste vraagbaak voor het museum.

 

 

 

Via Atelma van Strien kwam uit België de vraag of wij iets konden zeggen over dit Italiaanse(?) knipwerk (afb. 6))

afb 6.

Het verhaal van Pia de Tolomei hebben we opgezocht. Het komt uit het beroemde boek van de Italiaan Dante, de Divina Commedia. De componist Donizetti heeft er een opera op gemaakt. Het verhaal gaat als volgt: Ghino is verliefd op Pia, de vrouw van zijn neef Nello. Als zij hem afwijst, vertelt Ghino Nello dat hij een bewijs heeft dat Pia haar echtgenoot ontrouw is. Ghino ziet Pia inderdaad met een man, maar weet niet dat het haar broer Rodrigo is. Zij helpt haar broer te ontsnappen uit de gevangenis van haar man. Nu wordt Pia gevangen genomen. Ghino biedt haar opnieuw zijn liefde aan en belooft haar te bevrijden.

Maar Pia weigert weer. Ghino wordt dodelijk gewond in een veldslag en onder de indruk van Pia’s houding en zijn ontdekking dat de zogenaamde aanbidder haar broer was, vertelt hij de waarheid aan Nello. Maar intussen had Nello opdracht gegeven om zijn vrouw te vergiftigen.Hij kwam te laat: op haar doodsbed vergeeft Pia haar echtgenoot en zorgt dat Nello en Rodrigo zich verzoenen. Het knipwerk door E. Celli stelt de vlucht van Rodrigo voor. Over deze Celli hebben we niets kunnen vinden. Toch was de eigenaresse blij met de uitleg.

afb 7., 6,8 x 8,7 cm

Tenslotte, onze voorzitter Henk Kapitein kocht een piepklein, maar zeer fijn knipwerkje en vroeg of wij er iets over konden zeggen (afb. 7).
Dat viel niet mee. Aan de hand van de figuurtjes konden we het plaatsen in de tweede helft van de 18e eeuw, maar zulke fraai geknipte bomen kennen we nauwelijks in de Nederlandse knipgeschiedenis. Tja, daar moest Henk het mee doen. Toen we later bij hem op bezoek waren, vroeg hij zich af, “Wat moet ik er mee doen? Hier, het is voor jullie.” Een aanwinst voor onze verzameling, Henk, dank je wel!

Joke en Jan Peter Verhave

Tola Steinhage, veelzijdig kunstenares 2, Knip-Pers 2016-2

Als vervolg en aanvulling op het interview van Line Huizenga-Onnekes in 1955 met de knipster Tola Steinhage (1919-2015) geven we hier haar eigen levensbeschrijving uit 1969, die ze aan haar knipvriendin Marja Bruining stuurde. Marja gaf ons toestemming om de brief te publiceren.

Tola was, net als Gertrud Januszewski, een knipkunstenares die haar talent in dienst stelde van haar geloof en de gebruiken van de Rooms-Katholieke Kerk in ons land, in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw. Zij ging haar eigen weg en volgde haar gevoel en talenten. Met andere knippers uit die tijd, zoals Hil Bottema, Irma Kerp-Schlesinger en Wiecher Lever heeft ze vrijwel geen contact gehad.

afb 1. Tola Steinhage

“Ik ben in de eerste helft van september op een zondagavond, tijdens een zwaar onweer, om 9½ uur, in het teken van het sterrenbeeld ‘de maagd’ geboren. Gedoopt werd ik op de namen Antonia Sofia Gertrud. Antonia werd ik geroepen. Met 2½ jaar heb ik volgens mijn moeder daar een eind aan gemaakt. Ze nam me mee op visite. Toen daar gevraagd werd hoe of ik heet, moet ik gezegd hebben ‘Tola’ en niet anders, altijd ‘Tola’. Mijn ouders hebben die zelf gekozen naam blijkbaar mooi gevonden, want ik ben nooit meer anders genoemd.
Mijn vader was journalist-schrijver, dus zijn we veel gereisd en verhuisd. Met zes jaar kwam ik op een kloosterschool en dat was het begin van mijn artistieke ambities. Daar was nl. een zuster (kunstschilderes) die ons teken- en schilderles gaf. Ik ben vandaag nog blij dat ik op die school vijf jaar kon blijven, want zonder die zuster was ik nooit zover gekomen. Zij leerde me ‘zien’ zoals de dingen zijn. Ze leerde me ‘kleurkijken’ zoals zij dat toen noemde en nog veel meer.

afb 2.

Met negen jaar kon ik dan ook al mijn eerste knipsels publiceren, tot grootste ergernis van mijn vader. Hoewel we later veel samen gewerkt hebben, heeft hij zich nooit met mijn beroep kunnen verenigen, wat ik nog steeds jammer vind. Daarom heb ik ook van al mijn kinderwerk niets kunnen redden. Ik kwam eens met een bijzonder slecht rapport thuis; vader werd zo kwaad dat hij al m’n tekeningen en schilderijtjes verscheurde, ondanks mijn gejammer.

afb 3.

Ik geloof niet dat men een talent op wat voor manier ook kan onderdrukken. Ik heb altijd ‘gewerkt’, als kinderen uitgingen of wat ook, zat ik te werken aan het een of ander. Soms vond ik het zelfs verschrikkelijk doch ik kon niet anders.

Toen ik mijn examen op het lyceum achter de rug had, wilde ik natuurlijk op een academie, wat niet mocht. Ik moest dus wachten tot ik meerderjarig was. Daarna heeft het nog jaren geduurd voor ik eindelijk aan een studie kon beginnen. Maar geen academie. Ik had toen al genoeg
opdrachten en kon dus niet aan een regelmatig bezoek denken. Maar ging ’s avonds ‘modeltekenen’, dat heeft me bijzonder goed gedaan.
Wat had ik voor opdrachten: boekillustraties, kerstkaarten, geboorte-kaartjes, geknipt, gekleurd, houtsneden. Naaldwerk, applicaties of gecombineerd voor wandtapijten en vlaggen, eigen ontwerp en uitvoering.

Verder veel beelden, gesneden, gebakken, aangekleed en eindeloos veel poppen, wat men maar wilde. Dan heb ik op alle mogelijke scholen lessen gegeven en toch, dat doe ik niet meer, gezien ik geen tijd voor mezelf overhoud. Mijn grootste liefde is nog steeds het knippen, met een schaartje, nooit met een mes.

afb 4.

Jammer genoeg wordt het niet meer gevraagd. En vanzelfsprekend heb ik dan ook nog maar weinig gelegenheid het nog te doen. Toch heb ik laatst er weer eens een boek met knipsels geïllustreerd (45 stuks). Het is al heel lang weg, tot heden heb ik er nog niets op gehoord. Het zou kunnen dat men het te ouderwets vindt, en ik het dus terug krijg. Wat ik niet hoop.

Misschien weet je dat het knippen afkomstig is uit Turkije. Doch daar is het als volkskunst verloren gegaan, en herboren in China. Daar is het nog volkskunst. Ik heb nl. een boek uit China met onopgeplakte knipsels, tegenwoordig komt jammer genoeg dat land niets meer uit. Ja zelfs mag (men) er ook niet meer aan doen.

Je hebt het in je vingers. Dat is heel wat waard.
Tola Steinhage”.

De illustraties zijn uit het communieboekje De Dag van een Kind, met gedichtjes van Albertine Steenhoff-Smulders († 1933), over ‘Hoe een Rooms kind braaf kan leven’. De 28 ‘schaarsneden’ zijn door Tola gesigneerd met haar initialen en een schaartje, en gedateerd 1947. Een vijfde druk van Uitgeverij De Fontein, Utrecht, verscheen in 1956.

Joke en Jan Peter Verhave