Categoriearchief: publicatie

Silhouetten in ’t voorbijgaan, Knip-Pers 2012-1

Onlangs werden we attent gemaakt op een artikeltje in het blad van de historische vereniging
Goeree-Overflakkee, de Ouwe Waerelt, maart 2011. Het gaat over een knipster uit Sommelsdijk,
Barbara Schippers-de Graaff, die leefde in de negentiende eeuw. In het manuscript voor een
knipkunstboek had Line Huizenga-Onnekes begin vijftiger jaren van de vorige eeuw over haar geschreven en dat hebben we in ons boek Geknipt! heel in ’t kort weergegeven. Aan de hand van Line’s notities, samen met het artikel van de heer Jan C. Both, streekarchivaris en bestuurslid van het Streekmuseum Goeree- Overflakkee, hier nu een wat uitgebreider verhaal.

Barbara werd geboren op 3 juni 1804 te Sommelsdijk. Haar vader Jacob de Graaff was van 1812 tot 1852 burgemeester van die plaats. Barbara trouwde in 1841 met dominee Jacob Schippers in Stellendam, die weduwnaar was. Hij overleed een paar jaar later en Barbara trok weer in bij haar bejaarde vader. Toen die in 1855 overleed bleef ze in het ouderlijk huis aan de Voorstraat wonen en ze bleef verder ongehuwd. In 1884 overleed ze.

Meneer Both geeft een aannemelijke verklaring voor het begin van Barbara’s knippen: Een opvolger van haar vader als burgemeester was de heer H.C. van Calcar (1858-1863); diens echtgenote, Elise heeft als onderwijzeres op Sommelsdijk het Fröbelonderwijs ingevoerd voor
haar klasje aan huis, als eerste plaats in Nederland.

Elise, die vlakbij woonde, was vaardig met de schaar en zou in 1865 een leergang schrijven voor onderwijzers, over het maken van  geknipte kleedjes, “De kleine papierwerkers”. In de Knip-Pers van 1994 schreven wij een artikel over haar. In 1902 kreeg de gemeente Sommelsdijk, naast de twee knipwerkjes die men al had, twee verzamelingen met knipsels van Barbara aangeboden door haar zwager. Ze zijn opgeplakt op zwart papier en ingelijst. De ene lijst bevat allerlei los werk, bloemen, kransjes, initialen en een familiewapen, terwijl de andere 45 silhouetjes bevat van allerlei personen, jonge en ouderen.

Op dit moment is het aardig om over te stappen op de beschrijving van Line Huizenga-Onnekes:
“Op een stralende zomerdag trok ik op de knipsels van Sommelsdijk af. Een gezellig
schommelend trammetje bracht me naar Hellevoetsluis. Vandaar stoomde ik over het
prachtige Haringvliet, waar de Burgemeester van Sommelsdijk/Middelharnis me bij aankomst
in het kleine haventje opwachtte en snel naar Sommelsdijk bracht. Welnu de collectie
was de moeite waard. Later vertelden een paar familieleden, de Dames de Graaff, me de
levensgeschiedenis van Barbara.

Van jongs af had de knipkunst haar belangstelling. Verscholen achter een horretje, knipte ze de
voorbijgangers, dat wil zeggen, ze nam ze scherp op en zette enige spelden in een fluwelen kussen, om de vorm goed in haar hoofd te prenten. Dan begon ze te knippen en het was altijd zéér gelijkend. Aan haar familie en kennissen vroeg ze soms: “en wat zal ik nu eens voor jou knippen?” Gewoonlijk werd dan gevraagd om een eigen portret. Vooral dorpstypen, met markante trekken, waren haar geliefkoosde objecten en het is jammer dat van de collectie nog maar enkele namen van haar familie en dorpsgenoten meer bekend zijn.

Ze heeft veel geknipt en er is weinig van overgebleven. Ik zag bij de Dames de Graaff het door haar geknipte silhouet van hun grootvader Jan de Graaf, enkele bloemtakjes en een huwelijksknipsel, nog met de bekende empirestrikjes, van Marianne de Graaff en Dr. Th. Joekes. Sommige van de silhouetten in de grote lijst zijn scherp, haast caricaturaal, zoals b.v. het portret van Maria de Graaff-van der Vlugt, met grote kromme arendsneus.

Maria de Graaff-van der Vlugt

Tussen de grote lijsten hangt een klein huwelijksknipsel met de letters G en B. De G. betekent Jan de Graaff en de B. Maria Elisabeth van den Broek. Een krans van eikenloof, saamgebonden met een strikje, omringt de letters en het jaartal 1860. Het aantal eikeltjes van het knipsel correspondeert met het aantal kinderen en aangetrouwde kinderen.”

Meneer Both schrijft hierover dat Barbara het gemaakt heeft voor de zilveren bruiloft van haar neef Jan. “Het geheel is enigszins uit elkaar gevallen en de letters zijn dus niet meer zichtbaar”.

Ondanks dit verval en het verdwijnen van het trammetje en de stoomboot is een bezoek aan Sommelsdijk de moeite waard. Barbara Schippers-de Graaff is een van de weinige bekende silhouetknippers uit onze negentiende eeuw.

Joke en Jan Peter Verhave

Molens in silhouette, Knip-Pers 2011-4

Het is een goed idee van Rob Miesen om ons uit te dagen een molen te knippen. Molens zijn immers zulke karakteristieke cultuurmonumenten in onze Nederlandse landschappen en stadsgezichten. Dit industrieel erfgoed heeft vele vormen en functies: korenmolens, watermolens, houtzaagmolens, papiermolens en tegenwoordig ook windmolens voor de opwekking van elektriciteit. Meestal denken we aan molens met wieken, die door de wind worden aangedreven, maar er zijn ook watermolens met een schoepenrad op de plaats waar water stroomt, vaak door een kunstmatig verval, een waterval, zeg maar. We zijn eens in ons plaatjesarchief gedoken en we kwamen tot de slotsom dat molens niet zo vaak het onderwerp waren voor knippers. De meeste voorbeelden vinden we in de negentiende eeuw Arie ter Gant is een bekende knipper uit het dorp Winkel, in de kop van Noord-Holland. Onlangs dook er een knipsel van hem op, met een watermolen en twee vissertjes in de poldersloot. Het is geknipt in
1810, wat betekent dat het een van zijn eerste knipsels was. Het geheel is versierd met de voor hem zo typische anjers en de bazuinengelen (‘famen’). Onderin twee zeedieren (vissen of dolfijnen). Ook curieus is het medaillon met daarin een ruiter, die een gepluimde steek op heeft, dus een belangrijk personage. Omdat Nederland toen een Franse provincie was, heeft hij hoogst waarschijnlijk keizer Napoleon willen afbeelden.

afb 1, Afm. 26×21 cm; particulier bezit

In een huwelijksknipsel voor Pieter Leegwater en Neeltje Blom uit 1799 in Berkhout, Noord-
Holland, staat het echtpaar aan weerszijden van een molentje. Dit lijkt een korenmolen,
maar de naam Leegwater zou goed gepast kunnen hebben bij de molenaar van een  watermolen! En tot onze verrassing blijkt dat inderdaad het geval. In de trouwakten van hun kinderen staat de vader als watermolenaar vermeld.

afb. 2, maker is onbekend, West-Fries Museum

Ook onbekend is de knipper van de Driehuizer watermolen aan de Amstel (alleen de romp van de molen staat nog overeind, aan de Amstelkade). De tekst luidt: ‘Afbeelding van de Driehuizer dikke watermole, malende uit de Polder van Wilnis, Mydrecht, en Bossenhove, in den Amstel, 1805’. Onderin staat: ‘De molenaar Teunis Daniel, is met Sytje Fokker, in den echt verbonden
26.Oct.1804. te Wilnis, door domini De Bruin. By Liefe, is Zegen’. De afbeelding en de omlijsting
zijn prachtig uitgevoerd. Jammer dat de maker zijn naam niet vermeld heeft.

afb. 3., particulier bezit, 20×30 cm

Op een prent van een korenmolen uit 1846 zien we het hele productieproces van het graan afgebeeld. Over herkomst en maker is niets bekend, maar gezien de bazuinengelen lijkt het werk op dat van Arie ter Gant te zijn geïnspireerd. Dan zou het dus Noord-Hollands moeten zijn.

afb 4, particulier bezit

Joke en Jan Peter Verhave

Breekbaar en Kwetsbaar, Knip-Pers 2011-3

Wie wel eens naar Kunst & Kitsch kijkt, weet dat er zo nu en dan een antiek (wijn) glas getoond wordt, toegelicht door een lid van de antiquair familie Laméris. Op zulke glazen uit de 16e tot de 18e eeuw zijn afbeeldingen gegraveerd. Het is ons opgevallen dat die voorstellingen veel overeenkomst vertonen met knipkunst uit diezelfde tijd.

Afb. 1a. Wijnglas, omstreeks 1650-1675, met vogels en vlinders, in diamantgravering met streepjes (Rijks Museum 31); vergelijk met Afb 1b. FH van Voorst

Het zijn sierlijke teksten, spiegelmonogrammen, familiewapens en portretten (veelal van het Oranjehuis), Oost-Indiëvaarders of landschapjes, net zoals we die kennen van knipwerk. Zulke glazen werden gemaakt voor voorname personen en waren bedoeld om er goede sier mee te maken en niet om er geregeld een slokje uit te nemen. Daarvoor waren ze te kostbaar en bovendien breekbaar.

Afb 1b. F.H. van Voorst (128), gesneden in perkament, omstreeks 1710.

Een gebroken glas was haast niet te repareren, dat in tegenstelling tot een ingelijst knipsel achter glas. Als dat laatste van de muur viel, was er vaak nog wel wat aan het beschadigde papier op te knappen, maar vaak zullen kapotte knipsels samen met het gebroken glas ook zijn weggegooid.Een andere overeenkomst tussen geknipt papier en gegraveerd glas is dat het meestal ‘unica’ waren. En dat maakt knipwerk en graveerwerk meer bijzonder dan gedrukte gravuren of etsen op papier, waarvan er meerdere konden worden gemaakt.

Overigens werden populaire prenten vaak als voorbeeld gebruikt door glasgraveurs (en
soms op meer dan één glas). Knippers uit die tijd deden dat veel minder en gaven zelf vorm
aan hun werk.

Afb. 2a Wijnglas, omstreeks 1750, met een kraamkamer, in radgravering (Rijks Museum 398)

Een ander verschil tussen glasbewerkers en knippers of papier/perkament snijders was dat de eersten vaak een eigen werkplaats hadden en er als ambachtslieden hun brood mee konden verdienen. Voor anderen vormde het graveren en het knippen een bijverdienste. We zullen eerst iets vertellen over de herkomst van de glazen en van de techniek van het graveren en
daarna een paar voorbeelden geven van de gelijksoortige afbeeldingen op glas en papier.

Afb 2b een geknipte kraamkamer rond 1750

De geschiedenis van het glasblazen laten we voor wat het is. Wetenswaardig is dat glasblazers uit Venetië in de 16e eeuw naar de Lage Landen, Duitsland en Engeland kwamen om er
hun beroep uit te oefenen. In de Duitse landen werd veel groen glas geblazen, en door kalk toe te voegen aan het gesmolten glas kon men het ook helder maken (kristal). Bekend is het glas met een brede voet die bezet was met noppen of stekels, de zogenaamde ‘roemers’ .

In Engeland voegde men loodoxide toe om helder glas te krijgen. We kennen allerlei vormen, zoals de beker, het kelkglas en het hoge fluitglas, maar ook flessen, borden en bokalen. Over de vormen van glazen en bokalen is veel te vertellen, maar het gaat nu alleen over de gravures. Veel van zulk glaswerk werd ingevoerd uit Duitsland (Bohemen) of Engeland en hier versierd.

Afb. 3a een knipsel van Willem Roels, met Willem V.

Aanvankelijk gebruikte men een stift met een diamant, om met lijntjes en streepjes een  afbeelding in het glas te krassen. Diamantgravures werden gemaakt door liefhebbers, zoals de gezusters Anna en Maria Tesselschade Roemers Visscher, en de evenzeer kunstzinnige Anna Maria van Schurman, die zoals we weten, zich daarnaast met papierknippen, tekenen,  schoonschrijven en borduren heeft beziggehouden. Maar ook diverse mannen hebben de diamantstift gehanteerd. Tegen het eind van de 17e eeuw werd deze techniek verdrongen door de meer ambachtelijke radgravure. Daarbij werd het glas tegen een snel ronddraaiend wieltje gehouden, waardoor lijnen en arceringen konden worden aangebracht, waarbinnen  oppervlakten mat werden geslepen. Speciaal in de Nederlanden (Dordrecht en Den Haag) werd nog de stippelgravure ontwikkeld met diamant. Door punten in het glas te duwen, dichter of wijder opeen, kon men accenten en schaduwen suggereren, waardoor de afbeeldingen steeds meer op tekeningen gingen lijken.

Dergelijke technieken, om ‘stofuitdrukking’ te geven in het platte vlak, werden ook door  knippers toegepast (zie afb. 3a). Kleine sneetjes en prikjes gaven diepte. Maar meer nog
door het masseren van natgemaakt papier kon men reliëf aan de voorstelling geven; voor het werken met glas was diepte alleen weer te geven met de radgravure.

In de 18e eeuw nam het glasslijpen een grote vlucht en er waren veel centra, waar het ambacht op een hoog artistiek niveau werd beoefend. Er was veel vraag naar geslepen glas, om cadeau
te doen of voor een speciale gelegenheid. Daardoor waren er ook rondreizende graveurs, wier werk meestal van middelmatiger allooi was.

Afb. 3b Wijnglas met Prins Willem V in stippelgravering door David Wolff, omstreeks 1790 (Rijks Museum 559)

Afb 4a Vergelijk het onderstaande glas met een knipsel met hetzelfde wapen en spreuk.

Afb. 4b Wijnglas met het wapen van Prins Willem IV en het devies van de Orde van de Kouseband ‘Honi soit qui mal y pense’, omstreeks 1740, in radgravering (Rijks Museum 265).

In de 19e eeuw raakte het gebruik van vriendenglazen geleidelijk uit de mode, dit in tegenstelling tot de knipkunst, die juist dan haar grootste bloei meemaakte.
Enkele voorbeelden van gegraveerde wijnglazen in de collectie van het Rijksmuseum; de nummers verwijzen naar de afbeeldingen in de hieronder vermelde boeken.

Joke en Jan Peter Verhave

Bronnen: P.C. Ritsema van Eck,
Glass in the Rijksmuseum. Vol II. Zwolle, Waanders Uitgevers, 1995
H.E. van Gelder & B. Jansen, Glas in Nederlandse musea. Phoenix boek, Bussum, W. de Haan, 1969

Een gekaapt knipsel, Knip-Pers 2011-2

Met plezier stellen wij onze lezers drs. Tanja Simons voor. Zij vond een knipseltje en vroeg ons
om informatie. Dat heeft het onderstaand artikel opgeleverd. Tanja doet promotieonderzoek naar het taalgebruik in particuliere brieven uit de achttiende eeuw. Een rijke bron van brieven bevindt zich in de Engelse collectie Sailing Letters, in Kew, Londen. In de achttiende eeuw zijn Engeland en Nederland nogal eens in oorlog geweest en daarbij zijn Nederlandse schepen veroverd. De gekaapte inventaris is naar Engeland overgebracht als oorlogsbuit. Een onderdeel daarvan waren de scheepspapieren en de brieven die het scheepsvolk kreeg van huis. In een van de journalen vond Tanja het knipseltje, waarover onderstaand verhaal gaat. Zij publiceerde het in de nieuwsbrief van het studie project ‘Brieven als Buit’ van de afdeling  Geesteswetenschappen van de Universiteit Leiden en ze vond het leuk als het ook in de Knip-Pers zou worden afgedrukt. Tanja, bedankt en succes met je studie.

Een gekaapt knipsel
Te midden van de vele brieven en scheepspapieren in The National Archives duiken soms verrassende andere objecten op. Zo kwam bij het doorbladeren van een scheepsjournaal
een goed geconserveerd papierknipsel tevoorschijn met de prominente initialen CDC. Hoe is het daar gekomen en voor wie was dit kunstige knipsel bestemd?
Een oude bekende die deze initialen heeft, is de zeeman Christiaan de Cerff (1748), gehuwd met Hendrikje ten Broek
(1754). Dit echtpaar was uit brieven al bekend en Hendrikje schreef een nieuwjaarswens op rijm voor haar verre Christiaan. Inmiddels zijn alle brieven die Hendrikje in 1779 aan Christiaan schreef, in boekvorm verschenen. Het paar was in 1778 te Amsterdam getrouwd en een jaar later vertrok Christiaan als derde stuurman voor de VOC naar de Oost met het schip de Batavia. Het was overigens niet Christiaans eerste reis. Al op zijn negentiende (in 1767) monsterde hij aan als zeilmaker en de jaren daarna maakte hij gestaag carrière binnen de VOC. In 1776 was hij derde stuurman op het schip Het Zeepaard en in die functie was hij verantwoordelijk voor het bijhouden van het scheepsjournaal.

CDC: Christiaan de Cerff?

Het is in het scheepsjournaal van Het Zeepaard dat wij het papierknipsel hebben aangetroffen.
Wijst dat niet in de richting van Christiaan de Cerff? Hij had als enige van de bemanning van Het Zeepaard de initialen CDC. Wanneer we het knipsel nader bekijken, zijn er nog meer  aanwijzingen. De overige afgebeelde letters in het knipsel passen perfect in het plaatje: linksonder staat AMS (voor Amsterdam) en rechtsonder TB (dit zou kunnen staan voor: Ten Broek, Hendrikjes achternaam of misschien voor: Tot Batavia, de eindbestemming van de reis). De volgorde van de letters AMS is weliswaar niet helemaal correct en de B staat in  spiegelschrift, tenzij we ervan uitgaan dat de knipster of knipper bij deze lettercombinaties
per ongeluk aan de achterzijde van het knipsel heeft gewerkt (maar dat levert dan weer een S in spiegelschrift op). Mocht dat het geval zijn dan blijft AMS voor Amsterdam staan en BT zou nog steeds kunnen verwijzen naar de plaats Batavia, maar eventueel ook naar de Batavia, de naam van het schip waarmee Christiaan de Cerff uiteindelijk in Engelse handen viel. Hoe het ook zij,
papierknippen was – en is – een hele kunst en zelfs ervaren knippers vergissen zich nog wel
eens.

Knipkunst

De papierknipkunst was destijds een populair tijdverdrijf voor veel mensen. In de zeventiende
eeuw (1686) is zelfs een boekje verschenen dat zich richt tot ‘Hollandsche jufferen’, waaruit
geleerd kan worden hoe men uit wit papier allerlei figuren (mensen, kerken, molens, bloemen,
vogels, vissen, etc.) kan knippen of snijden. Het boekje geeft voorbeelden, behandelt de techniek en beschrijft welk materiaal het best gebruikt kan worden. En het was trouwens
niet alleen volkskunst: zo maakte de veelzijdige kunstenares en humaniste
Anna Maria van Schurman (1607-1678) al vanaf haar zevende bijzonder fijn knipwerk.

Geknipt uit liefde?

Zo af en toe houdt een vondst iets raadselachtigs. Dat geldt in meer of mindere mate ook voor dit knipsel. We kunnen er immers niet helemaal zeker van zijn dat Hendrikje dit knipsel gemaakt heeft. Wel kunnen we er aardig zeker van zijn dat het in Christiaans bezit was, ten minste, tot zijn schip gekaapt werd. In een van haar brieven heeft Hendrikje het over een Sinterklaasgeschenk dat zij meestuurt. Mogelijk was dit knipseltje haar cadeau voor
Christiaan en wat is er nu mooier dan ons in te beelden dat zij dit knipsel met veel liefde voor
Christiaan gefabriceerd heeft, inclusief de kleine vergissingen? Mocht het zo gegaan zijn, dan
hopen we voor haar dat hij dit lieve gebaar kon waarderen.

Aan de thee in de 18e eeuw Foto: Joke en Jan Peter Verhave

Ook in later tijden vinden we kunstenaars die prenten knipten. Voorbeelden zijn de schrijver Hans Christiaan Andersen (1805-1875) en de schilder en beeldhouwer Henri Matisse (1869-1954), die zich in de laatste tien jaar van zijn leven, gekluisterd aan een rolstoel, toelegde op papiers gouaches et découpés.

Het door ons gevonden knipsel, dat we voor dit moment maar even toeschrijven aan Hendrikje ten Broek, laat aan de bovenzijde een huiselijk tafereeltje zien: een man die aan tafel geniet van een kopje koffie of thee. Zijn ten hemel geheven handen zouden kunnen wijzen op een feestelijke stemming. Daaronder zien we zowel links als rechts een paartje: een vrouw met een waaier en een man met hoed en wandelstok. En helemaal onderaan vier mannen met hoed die als het ware de letters AMS en TB ondersteunen.
Dergelijke tafereeltjes komen vaker voor, zoals te zien is op de andere hierbij afgebeelde
soortgelijke knipsels met rokende mannetjes en thee schenkende vrouwtjes (met dank aan
Joke en Jan Peter Verhave).

Tanja Simons

Nog een eenvoudig 18e-eeuws papierknipsel. Foto: Joke en Jan Peter Verhave

 

Kyck-Schaer en Knip-schaar van Cornelis van Halmael, Knip-Pers 2015-3

afb. 1, C. van Halmael

Knipwerk uit de zeventiende eeuw is schaars. Dat is begrijpelijk, want hoe ouder, hoe groter de kans dat het verloren is gegaan. Tenslotte is het maar papier.

afb. 2, C. van Halmael

afb. 3, C. van Halmael

In 1946 is er een tentoonstelling geweest van knipwerk in het Centraal Museum van Utrecht. Daarvan is een beschrijving bewaard, waardoor we weten welke knipsels toen waren ingezonden door de eigenaren.  Twee daarvan zijn gesigneerd door C. van Halmael en een is gedateerd 1648. Dat is dus het jaar van het eind van de 80-jarige oorlog en voor papierknipwerk is dat heel oud.

afb.4, C. van Halmael, 1648

Het zijn allebei jachttaferelen (10 x 11 cm). In ons boek Geknipt! hebben we het verhaal gedaan dat mevrouw Line Huizenga-Onnekes rond 1950 veel onderzoek deed naar oud knipwerk en zij heeft nòg twee knipsels van Van Halmael gezien. Een daarvan toont feestende mensen en iemand die een groot hoofd op een stok draagt. In de familie van de eigenaar werd dit knipsel “De Vrede van Munster” genoemd, of “Het hoofd van Alva”, klaarblijkelijk naar aanleiding van het jaartal 1648 (afb. 4).

Maar waarschijnlijker is dat de knipper een verhaal uit de Bijbel heeft uitgebeeld, namelijk dat van David, die de reus Goliath verslagen had en het afgehouwen hoofd op zijn zwaard triomfantelijk de stad binnendroeg, bejubeld door de meisjes (1 Samuel 17: 51, 54, 57 en 18: 6, 7).

afb. 5, C. van Halmeal

Wij vonden nog een knipsel van dezelfde hand, dat door de eigenaars betiteld werd als een jacht op everzwijnen (afb. 5). Maar ook dat blijkt een bizar verhaal uit de Bijbel te zijn, namelijk dat van de profeet Eliza die werd uitgescholden door kinderen voor “kaalkop”, waarop twee beren huishielden onder de kinderen ( 2 Koningen 2:24). Helaas is de afbeelding niet scherp.

Het is natuurlijk een uitdaging om meer te weten te komen over die C. van Halmael. Het geslacht Van Halmael kwam vermoedelijk uit de Zuidelijke Nederlanden, via Wesel en Emmerich naar de Republiek; de meesten waren doopsgezind.   Van de vele Van Halmaels waren er in de zeventiende eeuw gelukkig heel weinig met de voornaam die met een C. begon. We vonden Cornelis van Halmael als apotheker in Amsterdam.

afb. 6, begrafenisstoet

Cornelis was een zoon van Jacob van Halmael en Dieuwertgen Cornelis (van Blommendael). Het echtpaar woonde eerst in Delft en later in Den Haag. Cornelis is in Den Haag geboren omstreeks 1625. In 1641 verhuisde het gezin naar Amsterdam, waar vader Jacob (niet doopsgezind!) waard werd van de herberg “De Menniste Bruiloft”, een in die tijd bekend etablissement. Mogelijk is Cornelis naar school gegaan in de Latijnse School in Amsterdam; hij wilde apotheker worden en daarvoor moest je in de leer bij een patroon. Misschien was dat wel zijn oom de Delftse apotheker, Anthonij Cornelisz de Man, die getrouwd was met tante Neeltgen van Halmael. Want in die tijd heeft hij de indrukwekkende begrafenisstoet gezien van stadhouder Frederik Hendrik te Delft; hij schreef  een klein boekje: “Droeve-Vreught der hedendaegsche nieuwgierige Kyck-Schaer op de Vorstelijcken Begraef dugh tot Delf op den thienden Meij 1647”. Een prent laat zien hoe indrukwekkend die stoet was.

In Dordrecht vond Cornelis zijn bruid, Cornelia van Bolenbeeck. Zij trouwden daar in 1649 en vestigden zich in Amsterdam. Drie van hun zeven kinderen werden volwassen. In 1651 legde Cornelis zijn apothekersproef af te Amsterdam en werd hij poorter van die stad. De zoon Jacob werd evenals zijn vader apotheker te Amsterdam.

Cornelis schreef een lofdicht  in het album amicorum van de Amsterdamse godgeleerde, dichter en leraar Latijn, Jacob Heyblocq:  “met hart en ziel je vriend”, op 11 februari 1649, dat was een maand voor Cornelis in ondertrouw ging. Heyblocq was in 1648 leraar geworden aan de Latijnse School te Amsterdam en met een zinspeling op de naam van zijn vriend, prijst hij diens onderwijs in taal en godsdienst.

Hier leert ons ’t haesen wilt doch door Naturaas reeden
voorsightigheijt gebruijckt int spoor van goede zeeden
waer me[e] gij Heijt mett glans ’t geen nooijt bepaelt en wert,
dat is des Hooghsten woort int laegst en ’t minste hert.

Overigens ook hier een verwijzing naar het wild (haas) dat altijd voorzichtig moet zijn (je zou zeggen dat het woordje “Hier” verwijst naar een afbeelding, een knipsel misschien?).

De schilder Jacob Gorter maakte een heraldisch knipwerkje voor het vriendenboek van Heyblock. Ook Anna Maria van Schurman leverde een bijdrage aan het album, evenals Jacob Cats, Joost van den Vondel, Rembrandt en nog ongeveer 150 vooraanstaande personen . Goed gezelschap dus!

Terug naar de knipsels van Cornelis. De bomen zijn zijn handelsmerk: indrukwekkende oude eiken, kaal of in ’t blad, en een enkele denneboom, alles zeer fijn uitgewerkt. Daaraan kunnen we zijn werk herkennen. Maar ook zijn speciale smaak om bijzondere verhalen in de Bijbel uit te beelden, is opvallend.

Wat had een leerling apotheker met de jacht? Misschien niets in het bijzonder, want de jacht was een geliefd onderwerp bij knippers. Maar een van de knipsels toont de achtervolging van een hert. Het zou een presentje kunnen zijn geweest voor zijn verloofde, want met één letter verschil heb je een hart. En dan is het een bedekte liefdesverklaring: “mijn hertje, mijn hartje”. Zou hij na 1648 nog meer geknipt hebben? Misschien heeft Janneke Koerten hem nog wel gekend, want ze woonden allebei op de Nieuwendijk. Cornelis overleed in 1677 te Amsterdam.

Met dank aan Ruud Lambour voor de genealogische gegevens over Cornelis van Halmael.

Joke en Jan Peter Verhave

Erfgoed behoed: pluizen, knippen, tegelen, Knip-Pers 2013-2

Afb. 1. Jan in zijn jonge jaren

Niet ver van Westerbork woont een echtpaar met een lange knipgeschiedenis. Het zijn Jan en Henny Pluis in Noord Sleen. Nooit van gehoord? Dat kan kloppen, want Jan heeft de schaar al jaren geleden aan de wilgen gehangen. In ons streven om de geschiedenis te beschrijven, zijn we bij hen op bezoek geweest (in de aanloop naar de lustrum festiviteiten). Jan (nu 76 jaar) heeft andere ambities ontwikkeld, die in plaats kwamen van het papierknippen.

Boven de kamerdeur hangt een negentiende-eeuwse kooi met een lachduif, die de binnenkomers koerend begroet. Jan heeft de geschiedenis van zulke duiven en hun behuizing bestudeerd. Maar belangijker is zijn interesse voor oudhollandse tegels: gekleurde, blauwe, paarse tableaus  met afbeeldingen zoals onze voorouders die op prijs stelden.  Tegels met  schepen, kinderspelen, ruiters, vogels, ambachten, bloemen en episoden uit de Bijbel en de antieke mythologie. Ze hebben zoveel kennis verzameld en gedocumenteerd, dat Jan de internationale deskundige is op dit gebied. Hij heeft een enorme fotocollectie opgebouwd en een reeks van dikke boeken over tegels op zijn naam staan. Hij is adviseur van het Nederlands Tegelmuseum in Otterlo, maar ook wordt zijn hulp ingeroepen bij restauraties van deftige huizen en kastelen, tot in Polen toe. Want zover reikte het afzetgebied van de Nederlandse tegelfabrieken in de achttiende eeuw. Het is zijn levenswerk en Jan kreeg er een paar jaar geleden een hoge Koninklijke onderscheiding voor. En nu zijn ze samen al weer druk met het nazien van de drukproeven voor een nieuw boek, over Nederlandse tegels in kleur. Jan en Henny zijn behoeders en bestudeerders van historisch erfgoed! Heel herkenbaar voor ons, om als echtpaar met één passie bezig te zijn en de geschiedenis en de betekenis van oude kunstnijverheid te beschrijven. Jan werpt meteen tegen, dat de fabricage eigenlijk geen kunstnijverheid was, maar massaproductie. In ieder geval zijn versierde wanden of schouwen vol tegels in oude boerderijen en deftige huizen een belangrijke culturele erfenis en zijn losse tegels een gewild verzamelobject.

Afb. 2. Groninger boer

Maar we kwamen natuurlijk niet voor de tegels of de lachduif. Want we wisten dat Jan begonnen was als papierknipper, in Stadskanaal. Zijn vader knipte beesten als speelgoed voor de kinderen, en eenmaal student op de Kweekschool knipte Jan om er wat bij te verdienen. Halverwege de vorige eeuw heeft Jan als onderwijzer ook met kinderen geknipt en later als leraar op een technische school gaf hij les in creatieve vakken.

Afb. 3. Negertje

 

 

 

 

 

 

 

Zelf maakte hij grappige dansertjes, boerentafereeltjes en bloemen op kaarten, die op beurzen en in de kunsthandel verkocht werden, maar ook huwelijksknipsels voor kennissen, en niet te vergeten, voor zijn eigen verloofde en voor hun huwelijk.

Afb. 4. Voor Henny

Afb. 5. Huwelijksknipsel

Jan kwam wel in contact met andere knippers, zoals Hil Bottema, Irma Kerp, Greta Zijl en Wiecher Lever, maar hij ging toch zijn eigen weg. Hij publiceerde een artikel over het maken van klokkenkleedjes, zoals dat in de streek ten zuiden van de stad Groningen werd beoefend. Over die tijd liet hij ons plakboeken zien, met voorbeelden van zijn eigen werk, foto’s van antieke knipsels die hij in ’t noorden tegenkwam, en veel artikelen over knippen in kranten en tijdschriften.

Maar op een gegeven moment vond hij oude aardewerk fragmenten op het terrein waar de Hunze Centrale zou komen.  Via bezoeken aan het Groninger Museum, de aardewerkfabrieken in Makkum en Harlingen, maar ook Noord-Duitsland en Denemarken groeide zijn interesse voor de tegels en het knippen werd minder.

Afb. 6a Henny’s nieuwjaarswensen

Afb 6b. Henny’s nieuwjaarswensen

Afb. 7. Het echtpaar Pluis

En toen dacht Henny, wat Jan kan, kan ik ook. Zij heeft het schaartje van Jan overgenomen, bescheiden en zonder veel publiciteit. Ze heeft alleen maar een paar hulplijntjes nodig en knipt heel evenwichtig. Natuurlijk elk jaar een mooie kerstkaart. En ze doet het nog steeds! Ze vindt het een heerlijk, rustgevende bezigheid.

Wij wensen Henny en Jan nog jaren van gezondheid en toewijding; met genoegen laten we een paar voorbeelden van hun beider werk zien.

Joke en Jan Peter Verhave

Kunstkamers en knipkabinetten, Knip-Pers 2010-4

Mensen verzamelen wat af. Kunst die men mooi vindt (en kan betalen), veel van één soort (postzegels, vingerhoeden, heiligenbeeldjes, eerste drukken van bekende schrijvers). Dat was in de oude tijd al niet anders. Met de activiteiten van de VOC kwam men in aanraking met vreemde vormen uit de natuur: schelpen, vlinders en andere exotische dieren
en planten. Sommige kunstenaars gingen mee op reis: Maria Sibylla Merian schilderde zo de flora en fauna van Suriname. Voor al dit soort ‘rariteiten’ waren er verzamelaars en zij richtten thuis een kamer of een grote kast in voor hun bijzonderheden: kunstkamers en kunstkabinetten.

Van de laatsten waren er weer die zich toelegden op een bepaald gebied en zij bewaarden hun verzamelingen in prenten- of muntenkabinetten. Naarmate zo’n liefhebberij grotere
vormen aannam werden de verzamelaars ook deskundigen op hun gebied (dat is nog steeds zo!).

En om hun moois en hun kennis te etaleren, lieten ze bezoekers toe die de laden van het kabinet konden openschuiven en vol bewondering de collectie bekeken. Voor hen lag ook een boek klaar, waarin zij hun waardering tot uitdrukking mochten brengen.

Eén van die verzamelaars was de Hugenoot Nicolaas Chevalier in Utrecht. Hij leefde van 1661-1720 en was boekhandelaar, uitgever van een krant Journal d’Utrecht, handelaar in munten, ontwerper van gedenkpenningen en prenten, en verzamelaar van oudheden en rariteiten. In zijn ‘Chambre de Raretez’ kon men medailles, instrumenten, antieke beeldjes en vreemde insecten bewonderen. Zijn bezoekersboek wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek. We kregen een tip van Maja Houtman (dochter van Suus Houtman-van der Meulen) dat er een knipsel in te vinden was.
Tot onze verrassing vonden we een klein knipwerk van de bekende knipster Johanna Koerten. Het is een spiegelmonogram met haar initialen, J.C B en twee lauwertakken, uitgevoerd in goudpapier (afbeelding 1).

afb 1

Zij en haar man Adriaan Blok hebben er een paar rijmpjes in geschreven:

Op de Konstkamer
van den Heer Nicolaas Chevalier
De Konstzaal daar uw Muntkas praald
Met zoo veel Keijzers, Vorsten, Heeren
In Vreemdigheën daar ’t oog verdwaald.
Heer Chevalier moet men waardererem
Adriaan Blok

Daloudheijds Munt en Konst is hier
In ’t Kabinet van Chevalier
Johanna Blok

Daaronder een tekening van een Romeinse munt met keizer Tiberius als beeldenaar, getekend door Johanna. Zij was geboeid door een boek van Abraham Bogaert over de Romeinse keizers, De Roomsche Monarchy en knipte ‘De Romeinse Vrijheid’ met twaalf keizersportretten in de vorm van munten (zie Geknipt!, blz. 21-22).

Johanna en Adriaan hadden in hun Amsterdamse huis zelf ook een kunstkamer ingericht met haar knipkunst en veel vooraanstaande Nederlanders en buitenlandse vorsten bezochten haar en schreven in haar bezoekersboek. Een van hen was Russische tsaar Peter, die zijn handtekening in het boek achterliet (afbeelding 2).

afb 2

Johanna maakte een portret van hem in een techniek waarbij ze de lijntjes van de tekening en de letters uitsneed. Met een kaars erachter kwam het kunstwerk goed tot zijn recht. ‘De Romeinse Vrijheid’ is ook in deze techniek uitgevoerd.
Van haar knipwerk zelf is niet zo veel overgebleven. Ze moet een grote verscheidenheid aan portretten en andere onderwerpen hebben geknipt. Het nu ontdekte monogram is maar een kleinigheidje, een vluggertje, zoals we dat allemaal wel eens maken om iemand anders een plezier te doen met iets eigens.

Het bezoekersboek van Joanna staat vol met lofdichten op de ‘Schaar-Minerve’, gedichten en spreuken, kunstig gekalligrafeerd. Uit de vele gedichten kiezen we er één, die van de stadssecretaris van Amsterdam, Joan Blaauw:

Toen ik de gunst had van uw kunstzaal te beschouwen
Dacht ik, wat brein zal it uw wonderschaar ontvouwen
En toonen wat uw geest en juistgevormde hant,
In kracht vermag, bestierd door oordeel en verstant,
Om zelf Natuur op ’t schoonste in al haar deftigheden
Zo stipt te volgen, dat aan d’allerminste leden,
En trekken van ’t gelaat niets mangelt in ’t papier
Waar alles voorkomt met een “ongemeenen zwier
Wie kan, Joanne, uw’geest naar eisch en waarde looven?
Uw schaarkunst gaat den roem van anderen te boven.

afb 3.

Haar ‘Overheerlyk Konstkabinet van papieren Snykonst’ en het ‘Stamboek’ werden door Adriaan onderhouden tot lang na haar dood in 1715. Hij gaf allerlei kunstenaars opdrachten om met tekeningen en gravures haar nagedachtenis in ere te houden (afbeelding 3). Bijna 150 gedichten op haar kunst zijn twintig jaar na haar dood uitgegeven als Lofdichten.
Het Stamboek is na de dood van Blok’s tweede echtgenote geveild en de delen en bladen zijn verspreid geraakt. In de loop der tijd is toch weer veel daarvan teruggevonden in allerlei verzamelingen, onder anderen in het Teyler’s Museum te Haarlem. Zou het niet een goed idee zijn om in 2015, driehonderd jaar na Johanna’s dood, een overzicht van haar werk en van alle loftuitingen door dat museum te laten verzorgen? We zullen een balletje opgooien.

Intussen staat onze eigen kunstkamer van oud Nederlands knipwerk ook open voor bezoek, en ons boek Geknipt! is tijdelijk in de boekhandel te koop voor slechts € 12,50…
De afmetingen van het spiegelmonogram (afbeelding 1) zijn onbekend.

Joke en Jan Peter Verhave

Röemelé, schaarkunstenaar, Knip-Pers 2009-2

Onlangs kwamen we in het bezit van een knipwerk met twee mannen en een paard, zonder naam en aanduiding van plaats en tijd. Kennelijk vond een journaliste het zo aardig dat ze er voor de veiling een artikeltje aan wijdde [1]. We kregen die pagina van verschillende knipliefhebsters toegestuurd. Het knipsel had altijd gehangen in café-bakkerij Jacob Nijenhuis uit Gees.

We herkenden de maker als W.P.A. Röemelé, die in Peize overleed in 1833. We hebben onze aanwinst meteen uit de lijst gehaald, want het blauwe achtergrondpapier was verdacht verkleurd en de lijst had houtworm. Wat bleek, het knipsel was al eens eerder opengemaakt en toen verstevigd met het deksel van een kartonnen doos KING pepermunt. Dat soort karton uit de vijftiger jaren is natuurlijk niet zuurvrij en dus ongeschikt als achtergrond voor papier. Het knipsel zelf was vochtig geweest en beschimmeld. Alles is nu weer schoon en voorzien van zuurvrij achtergrondkarton.

afb. 1, 16 x 20,5 cm

afb. 2

Het was meteen voor ons een aanleiding om nog wat meer over deze knipper te weten te komen [2]. Tot onze verrassing blijkt uit de documentatie van het Nederlands Openluchtmuseum dat er in het café in Gees nog een tweede knipsel heeft gehangen, ook met mannen en een paard, dat nu in het Drents Museum te Assen wordt bewaard! Twee pendanten dus (afb. 2).
Museum ‘Het Hoogeland’ te Warffum heeft een groter knipsel, dit keer met naam: W.P.A. Röemelé. Het stelt ook een paardenkeuring voor; de knipper zal de paardenmarkt van Zuidlaren goed gekend hebben. Bij nader inzien blijkt dat ons knipsel vrijwel identiek is aan de linkerkant van het Warffumse stuk en de tegenhanger uit Gees/Assen gelijk aan de rechterkant!
Dit knipwerk (afb. 3) was eerder in bezit van F.H. Jansenius de Vries († 1960), bewoner van de villa Welgelegen in Warffum, die voor het maatschappelijk leven in die plaats veel heeft betekend.

afb 3, 27,5 x 39,5 cm

Wie was deze knipkunstenaar?

Willem Philip August Röemelé is in Den Haag geboren op 20 maart 1791 (en niet in Paterswolde, zoals we eerder schreven, en dus al helemaal niet in Zeeland, zoals in het krantenstukje staat). Zijn grootvader kwam uit Duitsland en de familie was Luthers. De naam is door diens nakomelingen op allerlei manieren gespeld. Willem trouwde met Antoinette Snijders (1788 Leiden – 1825 Norg) en het echtpaar kreeg vier kinderen, waarvan de eerste twee in Den Haag werden geboren. Waarom het echtpaar van het westen naar noord-Drenthe (vermoedelijk Paterswolde, toen gem. Eelde) verhuisde, is vooralsnog niet duidelijk.
Nadat Antoinette was overleden, trouwde hij in datzelfde jaar opnieuw, met Alagonda Christina Ahlburg in Vries; maar zij scheidden in 1832. Het zat hem niet mee! Van de levensstijl van zijn dochter moet hij ook verdriet gehad hebben: zij kreeg in 1830 van een onbekende Hagenaar (volgens het archief) een buitenechtelijk kind, dat na een jaar overleed; opnieuw kreeg ze een kind, dit keer van Haagse jonkheer (nu met naam en toenaam; dezelfde man?), in maart 1833.

Kort daarna, op 15 juli overleed Willem (wellicht door alle familieverdriet), zonder beroep, en de dochter trouwde toch maar met haar jonkheer. Röemelé presenteerde zichzelf als kunstknipper en silhouetteur of silhouetteerder, onder andere in advertenties in dagbladen. Hij heeft een redelijk grote productie gehad, maar of hij alleen van zijn kunst kon leven, is ons niet bekend. Hij maakte voor het Amsterdamse echtpaar Benjamin Donker Curtius en Christophora
Josina van Harn een groot knipsel ter gelegenheid van hun twintigste huwelijksfeest in 1829. Daarin staan de silhouetten van het echtpaar en elf kinderen, terwijl de (hoogdravende) tekst met fraai geknipte letters is uitgewerkt. Benjamin Donker Curtius was inspecteur-generaal van de Dienst de Posterijen in Den Haag en directeur van het Postkantoor in Amsterdam.
Röemelé maakte het in opdracht van het personeel van het Postkantoor en hij zal om al die profielen te knippen wel naar Amsterdam zijn gereisd. Kennelijk wist men hem ver weg in het hoge noorden te vinden en dat getuigt van enige bekendheid. Het is niet verwonderlijk dat dit stuk (100 x 80 cm) nu wordt bewaard in het Haagse Museum voor Communicatie [3].

Een eenvoudiger knipwerk maakte Röemelé voor een bruidspaar Dirk Tjeerds Visser en Tanneke van der Gouwe, getrouwd 18 januari 1805 te Nieuwendam. Dirk was zeekapitein en afkomstig van Hollum (Ameland). Hun zoon Job werd herbergier in herberg ‘De Zwaan’ te Hollum en daar heeft het knipsel gehangen, tot het in 1990 door achterkleinkinderen geschonken werd aan het Sorgdragermuseum op Ameland (geen afbeelding, 31 x 38 cm).

Ook het Openluchtmuseum bezit een knipsel met paarden van Roemele, een gezin, waarvan de man en de zoon (?) aan ’t vissen zijn voor hun huis; drie paarden vlakbij in de wei. Het is gemerkt ‘Met de Schaar door Röemelé 1830’ (afb. 4).

afb. 4, wit op blauw papier, 22,4 x 32,8 cm

van ‘W.A. Rummelé’ uit 1827, met paarden en koeien in een wei met bomen. Rondom de afbeelding zijn weelderige bladertakken met bloemen en vogels verwerkt en bovenin een cartouche met ‘Schaar Kunst’ in fraai versierde letters (52 x 64 cm). Een ander knipwerk van dezelfde maker is een geschenk van de Doetinchemse familie Vinkenborg aan het Stadsmuseum in die plaats. Het stelt een herder voor met koeien en schapen onder een boom, in een ovaal. In de hoeken versieringen met eikentakken (afb. 5). Het was danig beschadigd en is vakkundig gerestaureerd [4]. Hoe dit knipsel in de familie is gekomen weten we niet.

afb 5,wit op textiel, 63 x 50,5 cm

afb. 6, met als voorbeeld een gravure door M. de Sallieth, Roëmelé, 34 x 42 cm, 1832, Fries Museum Leeuwarden

En tenslotte is er een aantal zee- en kustgezichten, een ‘Gezigt op de Kust van Friesland’ (afb. 6) en twee stukken die Röemelé opdroeg “Uit byzondere hoogachting aan de Weled.e Gest. Heer J.A. Franse.” Wie die heer is, hebben we nog niet kunnen ontdekken; mogelijk kwam hij uit Zeeland. Beide zijn gesigneerd en gedateerd 1832, het ene, eenzelfde afbeelding van de Friese kunst en het andere een ‘Gezigt op Walcheren’ (beide 45 x 51,5 cm, op blauwe zijde en blauw papier en gedeeltelijk ingekleurd, zie Schaar-Kunst, pag. 65, 66, 67). Bovenin cartouches met zeewezens en de teksten ‘Met de Schaar’ en ‘SchaarKunst’. Deze twee fraaie stukken werden bewaard in het Nederlands Openluchtuseum, maar zijn nu terug bij de eigenaar, het Legermuseum te Delft.

Willem Röemelé was een vakman, kunstenaar en waarschijnlijk ook broodknipper, die vooral in de laatste jaren van zijn leven veel knipwerk gemaakt heeft. Hij gaf de mensen en de dieren heel natuurlijk weer en aan de kleding van zijn figuren is de Biedermeiertijd te herkennen (steken en hoge hoeden). De voorbeelden van zijn “zeeën” stammen uit het eind van de achttiende eeuw en geven dus niet het type schepen uit 1830 weer.

De knipper maakte diepte in zijn figuren, door het papier nat te maken en te laten drogen op een ongelijke ondergrond. Hij leefde zich verder uit in zijn randversieringen, die wat stijl betreft ook een herkenningspunt zijn. Ongetwijfeld zal er nog wel meer knipwerk van hem opduiken, met name in de provincies Groningen en Drenthe.

Joke en Jan Peter Verhave

[1] Janine Hoekstein, Papierknipkunst eeuwen oud. Dagblad van het Noorden, 24 januari 2009.
[2] J & JP Verhave, Geknipt! Walburg Pers Zutphen 2008, pag. 192, afb. 40.
[3] Henk van Ark, Over de papierknippers Cockart en Roemele. Nieuwsbrief Ned. Museum Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever 2002, 1.
[4] A.K. Kisman, Van oud naar nieuw, het ‘Gelders erfgoed’ verrijkt. Gelders Erfgoed 1992, 16-18.

Schaarse winters, Knip-Pers 2008-4

Het lijkt of echte winters in Nederland niet meer mogelijk zijn. We kijken met nostalgie naar tv-programma’s over de Elfstedentochten van jaren her, of naar grappige filmpjes van voor de oorlog of kort daarna. Onze kinderen leren niet meer schaatsen achter een stoel en een koek-en-zopie tent is een ouderwets begrip. Zwieren op rondrijders of met een heel stel schaatsers aan een lange stok is uit de tijd; het is hoge noren wat de klok slaat, rechttoe rechtaan en zo snel mogelijk.

afb 1. Anoniem, 18de eeuw, afmetingen onbekend

Hoe het er vroeger aan toe ging op het ijs, kunnen we zien op oude schilderijen. Een schilder die zich in wintergezichten specialiseerde was Hendrick Avercamp, begin zeventiende eeuw. Net als voor schilders is ijspret ook een geliefd onderwerp om met de schaar of het mes uit te beelden. Knipsels over dit onderwerp beginnen wat later, maar ook daar zien we wat er zoal kwam kijken op het ijs.
Op verschillende van deze werkstukken zijn kinderen met priksleetjes in de weer en grote mensen achter duwsleden of op/in bespannen arrensleden. Die krijgen we in ’t echt nog maar heel zelden te zien. Een eenvoudig knipsel uit de achttiende eeuw laat een prikslee en diverse sleden zien (afb. 1).

Pieter Reijnders maakte een wintergezicht omstreeks 1800 in zijn karakteristieke reliëftechniek (afb. 2).

afb 2. Pieter Reynders, ± 1800, 29 x 24 cm

We zien links een koek-en-zopie tent waar je warme chocolademelk kon drinken. Een paar is aan ’t zwieren en kinderen binden hun schaatsen om of glijden uit. Een vader op de schaats duwt zijn kind in een sleetje en rechts komt een deftige heer op een bespannen arrenslee het beeld binnenglijden.

In dezelfde techniek, maar door een ander gemaakt is een ijsgezicht uit omstreeks 1820 (Geknipt! afbeelding 167). Een plat ‘ijspretje’ uit Purmerend (afb. 3), met koek-en-zopie tent in ’t midden, stamt uit diezelfde tijd (in de vlag is een W geprikt).

afb 3. Anomiem, 1818, 6.5 x 10.5 cm. ‘Op het ijs te Purmerend’, in de vlag een W

De meeste arren staan in musea te verlangen naar een koude winter. Ze hebben beslagen glijders die in een boog omhoog naar elkaar toelopen. De boog is meestal bekroond met een versiering (Geknipt! afbeelding 225). De beschilderde bak geeft plaats aan één of meer passagiers en de koetsier zit of staat achterop. Dit type heet ook wel een arrentikker. Soms werden traditionele harddraverijen met arren georganiseerd of men maakte lange pleziertochten over de bevroren vaarten en meren. De paarden stonden ‘op scherp’ en waren fraai opgetuigd met pluimen en rinkelbellen. Denk maar aan het liedje ‘Jingle bells’ over een ritje op een slee met een paard ervoor.

Een heel bijzonder ijsvermaak is geknipt door Neeltje Prijs uit Purmerend. Het stelt een feestelijk versierde Amsterdamse gracht voor, waarop honderden schaatsers rondzwieren en een optocht van arrensleden met paarden langs komt (helaas is de kwaliteit van de oude prent niet geschikt voor afbeelding). Het was een groot stuk van 2 m x 21 cm. Dit ongetwijfeld kleurrijke stuk kennen we alleen van een afbeelding uit het geïllustreerde tijdschrift De Prins van 1911, uiteraard in zwart-wit. De eigenaar, S.E. Hamburger, had het uitgeleend voor een internationale tentoonstelling van ijssport in Dresden, maar of het van daar ooit weer in ons land is teruggekeerd weten we niet. Neeltje Prijs maakte ook nog een wintergezicht langs de Beemster Beurs te Purmerend in 1851 (afb. 4, detail). Dit stuk meet 121 x 88 cm. We zien een gracht met ophaalbrug en op ’t ijs veel schaatsers en arrensleden, een opengehakt wak (voor water in de huishoudens) en een ingevroren trekschuit.

afb 4. Neeltje Prijs, 1921, Detail uit ‘Winter gezigt langs de Beemster Beurs, 79 x 111,5 cm (gehele knipsel)

Ene J.J.V. heeft in aparte knipsels de vier jaargetijden geknipt, waarvan het ijsprettafereel te vinden is in Geknipt! (afbeelding 249). De verschillende soorten ijspret kunt u intussen wel herkennen.

En dan is er nog dat strenge winterseizoen geweest van 1929, toen de Zuiderzee lag dichtgevroren. Jan Visscher van Urk knipte toen ‘Dit is de Winterzaksoen van 1929’ met auto’s, (rokende) schaatsers, fietsers (vliegende hollanders?) en sleeën op het ijs. Het is grappig om te zien hoe Jantje op zijn eenvoudige manier vorm gaf aan al die middelen van vervoer (Geknipt! afbeelding 53).

Vaak werden alle vier jaargetijden afgebeeld, in één knipsel gecombineerd. Ook daarvan zijn voorbeelden te vinden in Geknipt! (afbeelding 132 uit de zeventiende eeuw; afbeelding 133 door Hendrik Vockestaert uit1809 en afbeelding 134 uit 1846). Jan de Prentenknipper beeldde het levensverhaal van een Bevelander boer uit (afb. 5).

afb 5. Jan de Prentenknipper, afmetingen onbekend

Onderaan is een ijstafereel, dat overigens met het verhaal geen verband heeft. Een bladvulling noem je zoiets. Van arren hebben we niet veel verstand en over het verschil tussen arren en andere sleden uit Friesland en Zeeland moet een deskundige zich maar eens uitspreken. Tenslotte is daar het aardige verhaal over prins Cosimo de’Medici uit Florence, die in de winter van 1667-1668 de Republiek der Verenigde Nederlanden bezocht. Hij was geïnteresseerd in kunsten en wetenschappen. Hij logeerde in Amsterdam bij een Italiaanse koopman op de Keizersgracht die helemaal dichtgevroren was. Er werd toen een jongeman aan de prins voorgesteld die heel goed kon knippen.

Johannes van Achelom demonstreerde zijn kunst en toen bleek dat hij ook kon schaatsen, moest hij dat ook maar eens laten zien. Nog interessanter vond prins Cosimo van Toscane, die in Amsterdam op bezoek was, het feit dat er ook een vrouw aan ’t schaatsen was!
De prins verbaasde zich zowel over de schaarkunst als over de schaatskunst van Johannes. Dat leidde ertoe dat ‘Giovanni’ mee mocht naar Florence. Hij werd kamerheer van Cosimo, die zijn vader opvolgde als Groothertog van Toscane. Van ijspret zal er daar wel niet veel meer gekomen zijn. Van schaarkunst des te meer, maar daarover een volgende keer.

Joke en Jan Peter Verhave

Knippers knippen knippers, Knip-Pers 2008-1

Bij het verzamelen van afbeeldingen voor ons boek komt er ook materiaal mee dat niet direct toepasbaar is in een boek over de geschiedenis. Stelselmatig hebben we apart gelegd de silhouetten van knippers en knipsters door een knipper geknipt.

Het maken van een profiel portret of silhouet is opgekomen in de 18e eeuw en het werd de mode van die tijd. Ze werden uit de hand of naar een schaduwbeeld geknipt of geschilderd. De Zwitserse geestelijke Lavater maakte het zelfs tot een wetenschap om aan de hand van een profiel iets te zeggen over het karakter van de afgebeelde persoon.
Ook in ons land werd de mode gevolgd, maar dat kwam mede door enkele ‘gastarbeiders’ uit Duitsland, o.a. Schmetterling en Köhler.

afb 1, door Matthias van Geuns, Betje Wolff, 11 x 7,5 cm

De eerste knipster die door een Nederlandse knipper werd geknipt was Betje Wolff (afb 1). Matthias van Geuns (die het knipsel maakte) was doopsgezind predikant en heeft meer dan 400 silhouetten geknipt van meest doopsgezinde mensen uit Makkum, Harlingen en Haarlem. Betje was weliswaar niet doopsgezind (getrouwd met de hervormde dominee Adrianus Wolff te Middenbeemster), maar haar schrijfgenote Aagje Deken was dat wel. Betje Bekker had als jong meisje in Vlissingen een knipsel gemaakt voor het zoontje van de burgemeester; voor zover we weten is het daarbij gebleven, hoewel ze in haar boeken meermalen het knippen of silhouetteren noemt.

 

In de negentiende eeuw werd men geboeid door de nieuwe techniek van de fotografie, maar in het begin van de vorige eeuw kwam het silhouetteren toch weer op. Het werd gedaan op grote manifestaties, weer door buitenlanders, zoals Leon Bourg.

Maar al snel waren er ook enkele Nederlanders die hun voorbeeld volgden en er brood in zagen. Een van hen was Klaas Bakema.

afb 2, door Kees Bakema, Bram Bosch, afmetingen onbekend

Klaas Bakema noemde zich de ‘eerste Nederlands beroeps kunst- en portretknipper’ en kon als hij ‘in trance’ was goed knippen. Hij heeft de Bram Bosch geknipt met snor en petje (afb 2), die op de schippersbeurs in Rotterdam de wachttijd doodde met knippen van allerlei grappige tafereeltjes.

 

afb 3, door Kees Bakema, Irma Kerp, 9.5 x 6.5 cm

Ook heeft Bakema het profiel van Irma Kerp geknipt (afb 3) en in 1950 dat van Lever toen die nog in Muntendam woonde (Afb 4).

afb 4, door Kees Bakema, Wiecher Lever, 7 x 6.5 cm

Bakema onderhield briefwisselingen met Line Huizenga-Onnekes, Irma Kerp en Wiecher Lever. Daarin staat veel over zijn leven en over zijn silhouetteerkunst, die hij niet wilde vergelijken met ‘echte’ kunst.

afb 5, door Wiecher Lever, Cornelis Moojen, 1952, 10 x 7,5 cm

Op zijn beurt heeft Lever in 1952 Cornelis Moojen (72 jaar oud) geknipt (afb 5) en vervolgens de zeventigjarige Evert Root (afb 6).

afb 6, door Wiecher Lever, Evert Root, 6 x 6 cm

Beide knippers hadden geregeld contact met elkaar, Lever kocht knipwerk van Root – met eeuwigdurende rechten – om aanzichtkaarten van te laten drukken en te verkopen in zijn museum. In 1975 heeft Lever onze hele familie geknipt (toen nog maar twee dochters) ter gelegenheid van het 45-jarig huwelijk van mijn ouders. (afb 7)

afb 7, Wiecher Lever, dochetr Verhave, 6 x 4 cm

afb 8, Evert Root, 20 x 30 cm, Westfries Museum

Evert Root heeft twee knipsels gemaakt, naar foto’s van Jan Visscher (Jan II). Eentje waar hij aan de haven staat, op het hoofd het traditionele Urker vissershoedje, met een rol knipwerk onder zijn arm.

 

 

 

 

 

Op het andere knipsel is hij ouder en zit hij op een stoel te knippen. Er onder heeft Root geschreven: Jan de Knipper geb: 14 januari 1885 te Urk. Overleden 4 maart 1938 aldaar. Dit knipsel bevindt zich in het Openluchtmuseum te Arnhem.

afb 9, Jan Visscher door Evert Root, 20 x 30 cm, Nederlands Openluchtmuseum

In 1982 is door Irma Kerp samen met Lies Markus in het Spant te Bussum een tentoonstelling gehouden van Nederlands knipwerk. Dit is de opmaat geworden voor het oprichten van de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst.

afb 12, door Elly Stroucken, Irma Kerp, afmetingen onbekend

afb 13, door Elly Stroucken, Lies Markus

afb 14, door Elly Stroucken, Jo van Velsen, afmetingen onbekend

Elly Stroucken heeft tijdens de opening van verschillende knippers een portret geknipt. Zoals Irma Kerp (afb 12), Lies Markus (afb 13), Jo van Velsen (afb 14) en Magda Helms (afb15).

afb 15, door Elly Stroucken, Magda Helms, afmetingen onbekend

In 1993 heeft Elly er een mooi boekje overgemaakt: Het begon zo…. Dit boekje is nog te verkrijgen op de Contactdag.

Teun Terpstra heeft twee knipsels over Lever gemaakt. Geen silhouetten, maar in de duidelijk herkenbare stijl van Terpstra zien we op een knipsel Lever met schaar aan de waterkant met vrolijke kikkers en een bootje.

afb 16, Lever door Teun Terpstra

Op het andere fietst Lever met de schaar in de aanslag .

afb. 17, Lever door Teun Terpstra

Joke en Jan Peter Verhave