Categoriearchief: publicatie

Hendrik van der Wal, Knip-Pers 1992-1

Met de schep gemakkelijker dan met de schaar

Zijn vrienden in het grondwerk konden het zich nauwelijks voorstellen. Zij vonden dat Hendrik van der Wal zijn schep beter in het vet kon zetten om de kost te gaan verdienen met de schaar. Maar niets, helemaal niets, kon papierknipper Van der Wal daar ooit toe bewegen. Zelfs voor twee vaste aanstellingen die hem als knipper werden aangeboden, bedankte hij.

“Papierknippen is heel inspannend werk, want het is een scheppingsproces. Het hoofd heeft er veel van te lijden. Je maakt iets wat je ziet, maar wat er niet is: het moet nog door de schaar.”

Tijdens ons bezoek grabbelt de nu bijna 80-jarige knipper al pratend een schaar uit de naaimand. Hij was tenslotte in gemeenschap van goederen getrouwd! Nu nog een stukje papier: een adresbandje van de krant, een gebruikte envelop of een kaart Het knippen kan beginnen. “Wat moet het worden?” Hij vouwt het papier dubbel, zet de schaar erin en … vertelt.

“Er was eens een kapper die nogal pruimde. Wat er van de tabak over bleef, kwam in de hoek van de kapperszaak terecht. Dat ging al een tijdje zo en er lag dus al mooi wat. Een klant, die onder het scheermes zat, vroeg ‘Gaat dat niet wat te ver, Jacob?’ ‘Och, wat kan mij dat schelen’, zei Jacob, ‘Ik ga er met mei toch uit.’ De klant was klaar, kwam overeind, liep naar de andere hoek van de zaak en deed daar wat honden altijd in ‘t zin komt als ze een boompje zien staan. ‘Wat zullen we nu hebben’, zei Jacob. Klant: ‘Ik ga er zo meteen toch uit`.

afb. 1, Hendrik van der Wal

Kunstknipper Van der Wal heeft het knippen nooit hoeven te leren; hij kón het gewoon. Nog maar zes jaar jong, begon hij al te knippen. “Een van mijn broers was een nogal teer mannetje en vroeg daarom wat meer aandacht dan de anderen”, vertelt Van der Wal. “Op een dag kreeg hij een paardenkopje van een koopman, gemaakt van een stukje tuigleer. Dat was het eerste dier, dat ik naknipte.” Het ging zo goed dat hij zich al gauw aan andere werkstukken waagde, later ook naar eigen ontwerp. Het bleek dat er meer in zijn gevoelige vingers zat dan ‘zo maar wat’. Hij kreeg er zoveel aardigheid in dat hij binnen een jaar alle dieren knipte, liefst in een hart. Je moet hart voor de dieren hebben. Die spraken hem het meest aan en dat doen ze nog: Hendrik van der Wal is een echte ‘veldman!. “Als ik in de natuur ben, heb ik daar meer oog voor dan de meesten. Ik let goed op hoe dieren er uit zien en hoe ze zich gedragen. Een koopman uit Wartena had soms alle soorten en rassen koeien op het land lopen. Zwartbonte, Lakenvelders, Blaarkoppen en Witruggen. Daar had ik veel belangstelling voor. Soms ging ik ‘s morgens eerder van huis, of kwam ik ‘s avonds wat later thuis om het spul eens goed op te nemen. Dan zette ik de brommer aan de kant en stapte langs de slootkant om de beesten goed te bekijken”.

De dominee, de burgemeester en de school hebben er destijds op aangedrongen dat Hendrik naar een school zou gaan, waar hij zijn artistieke talenten kon ontwikkelen. Maar Hendrik is niet in de kunst terecht gekomen. In die tijd was kunst weliswaar geen doodzonde; helemaal ‘normaal’ was het toch niet en de gewone man waagde zich er niet aan. Trouwens, Hendriks ouders beschikten niet over de middelen om Hendrik naar de kunstacademie in Utrecht te sturen. En Hendrik had ook helemaal geen tijd om te studeren, hij moest thuis op de boerderij helpen alle elf monden van de familie Van der Wal te voeden. Geld voor een knecht was er namelijk ook niet. Maar ‘Hindrik Printsjesknipper’, zoals hij tot in de verre omtrek van Nijega (en vroeger van Oudega) bekend was, is er altijd laconiek onder gebleven. “Kijk me maar gerust op de handen, hoor. Daar geef ik niks om”, zegt Hendrik terwijl hij knipt en vertelt. Het blijkt dat hij er zich inderdaad niets van aantrekt wanneer wij toekijken hoe de prachtige vormen van een rank, galopperend Fries paard onder tussen tevoorschijn zijn gekomen. Alleen reumatiek en stramheid in de vingers kunnen soms iets aan de soepele lijnen van Hendriks knipsels af doen. Dan is het knipsel klaar. Een van zijn geliefde paarden heeft hij van stal gehaald, uit het papier gelokt. “Zo, neem maar mee.” En terwijl Hendrik nog een stuk papier dubbelvouwt vraagt hij: “Nou, zal ik nog wat voor je knippen?”

afb. 2, Hendrik van der Wal

Jaren geleden werd Hendrik een baan aangeboden als papierknipkunstenaar bij het Openluchtmuseum in Arnhem. Dat kwam zo. Van der Wal was eens in zijn jonge jaren in een café in Wageningen. Daar lag een schaar op tafel en het duurde niet lang of hij begon er lustig op los te knippen terwijl tientallen medegasten gespannen naar zijn ‘priegelknipselarij’ toekeken. Het ene stukje was nog niet klaar of Hendrik begon al weer aan een ander en de voorraad op de cafétafel werd steeds groter. ‘Even een aandenken aan Oudega achterlaten’, noemde hij het, als hij onderweg was en zomaar wat knipte. De gasten, in een groep om hem heen, waren stomverbaasd dat een boer uit het Noorden zulk kunstig werk af leverde. Met die bewondering was het echter niet af gelopen. Van der Wal nam de knipwerkjes die hij zo voor de vuist weg knipte, nooit mee. Hij wist niet dat één van die knipsels uiteindelijk aan het Openluchtmuseum in Arnhem geschonken zou worden. De rondleiders van het museum waren erg trots op het knipsel, en vroegen steevast aan de bezoekers of ze ook knipkunstenaars kenden van wie dit werkstukje wellicht zou kunnen zijn. “Dat moet van Hendrik van der Wal zijn”, zei een bevriend echtpaar en gaf zijn adres aan het museum. Enige tijd later kreeg de knipper bezoek van Hil Bottema, conservator van het Openluchtmuseum, gevolgd door een brief met het verzoek naar Arnhem te verhuizen en in het 0penluchtmuseum de bezoekers te laten genieten van zijn knipkunst. Met andere woorden: hij kreeg een vaste aanstelling als papierknipkunstenaar aangeboden.

afb. 3, Hendrik van der Wal

 

Van een vaste aanstelling moest Hendrik echter niets weten want hij vond het knippen maar zwaar werk. Op bruiloften en feestjes amuseerde hij de gasten soms als portretknipper en knipkunstenaar. Hij ging dan te werk als een goochelaar: onder het vertellen van een sterk verhaal, maakte hij een kunstwerk. En als hij dan een koppeltje hazen in een keurig lijstje geknipt had, zei hij: “Nou wil ik eerst even bijkomen en een sigaretje roken”. Eigenlijk kon hij het niet langer dan een half uur achter elkaar volhouden. “Ik kon er wel hoofdpijn van krijgen. Dan was het plezier in het knippen helemaal weg, om eerlijk te zijn: dan kon ik er wel van spugen … bah!” Daarom deed Van der Wal het eigenlijk alleen als hij er zelf zin in had.

Ondertussen knipt Hendrik voor ons de laatste lijnen van een duivenpaar. “Zie je wel, daar komt het aan. Nog een paar takjes erbij, zo. Een heel mooi dingetje.”

Toch heeft deze hobby hem tot in Amerika toe beroemd gemaakt. Toen de Amerikaanse stad Holland City haar 100-jarig bestaan vierde, was een tentoonstelling onderdeel van de feestelijkheden. Omdat Holland City oorspronkelijk een Nederlandse nederzetting was, kwam er als onderdeel van de expositie Nederlands knipwerk te hangen. Bij het speuren naar vaderlandse knipprenten werd ook het werk van Van der Wal gevonden, en uiteindelijk uitgekozen voor de expositie.

Maar Hendrik is er de man niet naar om veel ophef over zichzelf te maken. Eens kreeg hij een brief van de burgemeester van Naarden, waarin Hendrik verzocht werd, deel te nemen aan een expositie in het stadhuis. Voor zijn werk was anderhalve meter ruimte gereserveerd. Hendrik bedankte voor de eer: “Veels te veel gedonder”. Op een dag reed er een dure slee rond in zijn toenmalige woonplaats Oudega. Nu reden die er wel meer, maar dit keer was het toch een bijzonder geval. Er zat een zeer aanzienlijk Rotterdams vrouwspersoon in. Vooral de hoed zal Hendrik niet gemakkelijk vergeten: “een soort bovengrondse Maastunnel. Van der Wal was aan de kant van de weg bezig met een karwei, toen de auto vlak bij hem stil hield. De dame liet zich uit de wagen glijden en vroeg Hendrik of hij wist waar hier de knipkunstenaar Van der Wal woonde. “Ik deed net als ‘Grote Pier’ en antwoordde: “Daar woont hij en hier staat hij”. De dame bleek aan het hoofd te staan van de afdeling kunst en reklame van de Bijenkorf in Rotterdam. Zij had wat van zijn knipperij gezien en dacht ‘Van der Wal moest maar bij ons aan ‘t werk!’ Maar Van der Wal vond dus van niet. Voor de tweede keer bedankte hij voor een baan als kunstknipper.

afb. 4, Hendrik van der Wal

Toch vindt Hendrik, dat hij zijn carrière niet is misgelopen. “Ik was veehouder van beroep en dat lag me wel. Het knippen is een gave als je met de schaar iets uit papier weet te halen. Het is echt heel mooi werk en eigenlijk mislukt het nooit. Naar natuurlijk is het ene werkstuk beter dan het andere.

Mijn absolute hoogtepunt was een ‘stukje plantsoen’. Ik zie het nog voor me. De stengeltjes van de rietsigaren hadden de dikte van een naald. Zo mooi heb ik het nooit weer gemaakt. Ik nam me voor, dat stukje van mijn leven niet uit handen te geven. En toch is er iemand in geslaagd het van me los te praten. Zo zie je maar weer: Wat je niet kwijt wil, moet je niet laten zien” en verder moet je het leven niet te zwaar opnemen.”

Humor, een kruimeltje zelfspot, een fleurige lach en een sappig verhaal, dat is Hendrik van der Wal.

Magda Helms

afb. 4, Hendrik van der Wal

Dit verslag van ons bezoek aan Hendrik van der Wal in 1990 is aangevuld met gegevens en fragmenten uit artikelen in ‘Frysk en Fry’ (1984), De Leeuwarder Courant (Fries Mozaiek 1971), de Drachtster Courant (1960) en een artikel van J. Kroes in ‘De Strikel’ (1960).

Met dank aan Duri Mantel, die deze artikelen voor ons uit het Fries vertaalde.

Marie Thérèse Bruning, Knip-Pers 1991-3

afb. 1, Marie Thérèse Bruning, Maria en kind

We vervolgen onze verhaaltjes over “na-oorlogse” knippers en we hebben nu aan den lijve de betekenis ervaren van de spreuk: “Zoek toch in den vreemde niet, wat de eigen stad u biedt”.
We willen u deze keer laten kennis maken met Marie Thérèse Bruning te Nijmegen, nu een ruim zeventigjarige dame. Haar naam en werk doken op in het tijdschrift “Hobby”, van oktober 1947. De redacteur schreef lovend over haar zoeken naar nieuwe vormen en hoopte dat ze zich verder zou ontwikkelen, zodat haar knipsels wat minder op houtsneden zouden gaan lijken.

Marie Thérèse heeft knipwerk uitgewisseld met Wiecher Tjeert Lever, die haar vanuit zijn museum “De Meeuw” te Muntendam in Nijmegen heeft bezocht. Aan Line Huizenga-Onnekes schreef hij in 1952: “Marie Thérèse is een goed werkster, uit het tekenen tot knipster gegroeid. Kunt u aan haar werk zien.” Zij is daarop door Line benaderd en die beiden hebben een aantal brieven gewisseld. Marie Thérèse schreef over zichzelf: “Ik heb getekend vanaf dat ik in de kinderstoel zat … Pas toen ik 27 jaar was, nam ik geregeld les. Mijn grootvader schilderde niet onverdienstelijk landschappen, terwijl ik het liefst illustreer.”

In 1946 vroeg een huisvriend, die een drukkerij had: Waarom knip je het niet? Zo gezegd, zo gedaan; kort na de oorlog was er nog verduisteringspapier genoeg, een nagelschaartje werd opgezocht en ze ging aan de slag. Het ging zo goed dat al snel een kerstkaart, geboortekaartjes voor vrienden en, in opdracht van de Nijmeegse drukker, een serie van twaalf geboortekaartjes geknipt werden.
Verder schreef ze: “Knippen is een kwestie van steeds veel doen om de techniek te vervolmaken, aan fantasie ontbreekt het mij nooit”. Over haar keuze van motieven: Mijn werk is een uiting van godsdienst, in de ALGEMENE zin van het woord, GODS DIENST, dit is het dienen van God, in mijn geval met zwart papier en ‘n schaartje”. Ze gebruikte motieven met een Rooms Katholiek of sprookjesachtig karakter (fig.1), net als Gertrud Januszewski, die bij haar thuis is geweest.

Marie Thérèse heeft Line Huizenga in het hoge noorden van Groningen bezocht, in november 1953. Er werd ook een bezoek gebracht aan de stad Groningen; toevalligerwijs was het Sint Maarten, een feest dat in het noorden van het land intensief gevierd wordt en dat in Nijmegen niet bekend was. Het zien van de kinderen langs de huizen was aanleiding om een knipsel te maken als kado voor Line (afb. 2).

afb. 2, Marie Thérèse Bruning, Sint Maartenviering

Toen wij al deze verhalen in de verzameling brieven van Line Huizenga gelezen had den, zochten we in het telefoonboek van Nijmegen haar naam. We vonden geen M. T. Bruning, maar toen we op goed geluk een andere Bruning probeerden, vertelde een aardige, jonge stem: “0 ja, dat is mijn tante!”

Onlangs hebben enkele leden van het Kniprijk Nijmegen contact met haar gezocht en het werd een ontmoeting die wederzijds hartverwarmend was. Het nagelschaartje blijkt nog steeds favoriet, het verduisteringspapier was intussen op en wachtte op een goed alternatief. Maar haar verhalen waren overvloedig en boeiend.

Zo vertelde ze ons dat in 1948 Godfried Bomans in het Elseviers Weekblad een artikeltje over “Een verdwenen kunst” geschreven had. Hij bedoelde hiermee de silhouetteerkunst en beloofde de lezers ook te schrijven over kantknipsels, gewone knipsels en de allereerste fotografieën. Mevrouw Bruning haalde die oude krant tevoorschijn en we lazen er: “Over elk dezer vier onderwerpen bezit ik enige boeken, te weinig om mij tot een kenner te verheffen, doch genoeg om u deelgenoot te maken van het plezier dat ik er aan beleefd heb”. Ze knipte voor Godfried Bomans taferelen uit diens “Erik, of het klein insectenboek”, stuurde deze naar hem op met de opmerking: “U denkt dat het een verdwenen kunst is, maar nee . . .“

Bomans stuurde een leuke brief terug: “Ik heb uw knipsels in n werkkamer gehangen en wil u graag als ik weer eens in Nijmegen ben bezoeken”. Dat dit laatste zou gebeuren, daar had Marie Thérèse niet op gerekend, maar jawel, op een avond werd er aangebeld en daar stond zowaar Godfried Bomans met een vriend op de stoep. Zij herinnert zich dit bezoek nog steeds als een aangename verrassing.

Ook later heeft zij nog een knipsel aan Bomans gestuurd, naar aanleiding van een avond in “Dickens-stijl in de Nijmeegse schouwburg De Vereeniging (Bomans was een groot liefhebber van deze Engelse schrijver) (afb.3).

afb. 3, Marie Thérèse Bruning

Op een gegeven moment heeft ze een keus moeten maken tussen haar maatschappelijk werk, haar kunstzinnige capaciteiten en andere hobbies, zoals padvinderijleidster van een groep invalide verkenners en welpen). De keus is gevallen op het werk en het knippen is op een zeer laag pitje komen te staan; ze kreeg te weinig opdrachten om ervan te leven en met haar talent te koop lopen wilde ze niet. Het bleef in sommige jaren bij een kerstknipsel.

 

 

In ons gesprek bleek, dat we een gevoelige snaar getroffen hadden; ze voelde zich aangesproken op een vaardigheid die ze zo’n dertig jaar nauwelijks had beoefend, maar die nog altijd een warm plekje in haar hart had. En wij zijn zielsblij dat zij, hoewel nog steeds vrijwillig actief in haar werk (maatschappelijke betrokkenheid bij buitenlandse mensen in Nijmegen), zich wilde aansluiten bij onze knipkring.

Het is fantastisch om een knipster te leren kennen, die begonnen is direct na de oorlog, een periode waarvan Bomans – al noemde hij zichzelf geen kenner – opmerkte: het is een verdwenen kunst.Het was inderdaad een zijden draad, maar Marie Bruning heeft als jonge vrouw dat draadje opgepakt en er mede voor gezorgd dat knippers en schrijvers als Ter Gast, Huizenga, van der Graft, Bottema, Lever en Kerp een heel netwerk konden spinnen, waaruit tenslotte onze vereniging is ontstaan.
Mevrouw Bruning, welkom in de knipkring en in de vereniging!!

Joke en Jan Peter Verhave

LiIy Eisendorn, Knip-Pers 1991-2

 

afb. 1 Lily Eisendorn, Het bevrijdingsfeest. Het silhouetportretje aan de wand (rechtsboven) spreekt zo voor zichzelf, dat elke nadere aanduiding overbodig is.

Het eenvoudigst denkbare materiaal -een velletje luchtpostpapier en een schaartje- is alles wat de jonge Amsterdamse Lily Eisendorn nodig heeft voor het vervaardigen van de opmerkelijk levendige voorstellingen, die wij op deze pagina’s reproduceren. Haar vaardige vingers spelen met de ragfijne papierdraadjes, draaien het werkstuk om en om, terwijl het schaartje de grillige bochten van haar fantasie volgt en wij zijn bijna geneigd even de ogen te sluiten, als zij op een punt is gekomen, waar het voortbestaan van het knipsel afhangt van een fractie van een millimeter. Maar wij ademen weer vrijer, wanneer wij zien hoe beheerst zij werkt en hoe onfeilbaar haar handen zich bewegen.

De knipkunst is al zeer oud, doch telt slechts weinig beoefenaren meer. Het is mogelijk, dat de gejaagdheid van het hedendaagse levenstempo ons te onrustig heeft gemaakt. Innerlijke rust is inderdaad een onmisbare voorwaarde voor dit delicate werk. De nauwkeurige beschouwing van producten van silhouetkunst wekt associaties aan een aandachtig gebogen hoofd bij een kaarsvlam, met op de achtergrond het ijle gepingel van een spinet.

Lily Eisendorn is reeds op jeugdige leeftijd begonnen met het bewijs te leveren, dat de knipkunst nog lang niet dood is, zoals ten onrechte wel eens wordt gedacht. Gaandeweg is zij er zelfs toe gekomen een geheel eigen stijl te ontwikkelen door de toepassing van wat haar opvatting van de moderne vlakvulling is. Op een leeftijd, waarop de meeste kinderen blij zijn met een pop of een ander stuk speelgoed, kreeg zij een sigarenschaartje cadeau! Haar moeder kon haar rustig op het strand van haar geboorteplaats Balikpapan (Borneo) neerzetten; zij zou niet weglopen, als zij haar instrument maar bij zich had en voorzien was van een behoorlijke voorraad papier. Een van haar eerste werkstukken was de natuurgetrouwe afbeelding van een verlaten toko op palen en toen reeds openbaarde zich haar bijzondere gave, de voorwerpen om zich heen als silhouet te zien.

afb. 2, Lily Eisendorn, Men neme eens even de tijd om dit werkstuk tot in details te beschouwen. De afwerking is tot in finesses verantwoord.

Zij was dertien jaar, toen zij voor de voltooiing van haar schoolopleiding naar Nederland kwam. Er stond toen nog niets omtrent haar toekomstige loopbaan vast, want merkwaardig genoeg bewogen haar talenten zich zowel op het gebied van het tekenen als op dat der muziek.

afb. 3, Lily Eisendorn knipt Indonesië

Op het Kennemer Lyceum te Bloemendaal werd Anton Pieck haar tekenleraar en het is stellig niet gewaagd te beweren, dat mede zijn invloed ten slotte haar richting bepaalde. Zonder haar liefhebberij op te geven – als méér beschouwde zij toen het experimenteren met haar gave niet – legde zij zich na het eindexamen toe op het behalen van de middelbare tekenakte. Zij studeerde, onder anderen onder leiding van Jan van Tongeren, aan het Instituut voor Tekenleraren te Amsterdam en verwierf in 1948 op het door de Academie voor Beeldende Kunsten te ‘s Gravenhage afgenomen staatsexamen de akte MB, die de bevoegdheid verleent tot het geven van tekenlessen op middelbare scholen.

Hoewel de tekenstift en ook de piano voortdurend haar aandacht bleven vragen, behield zij toch een voorkeur voor de silhouetkunst. Zij vervaardigde figuren en taferelen met anecdotische inslag, zowel als knipprenten, waarin vooral de speelsheid en liefelijkheid treffen. Haar schoonste inspiratie vond zij onzes inziens in voorstellingen uit haar geboorteland en het mag zeer zeker een merkwaardigheid worden genoemd, dat haar Indonesische knipsels geheel uit haar herinnering werden gemaakt.

afb. 4 en 5, Lily Eisendorn, hoewel de jonge kunstenares sinds haar dertiende jaar niet meer in Indonesië is geweest, weet zij tafereeltjes uit haar geboorteland tot in de kleinste onderdelen juist weer te geven. De houding der figuren van mensen en dieren treft door natuurlijkheid.

Karakteristiek voor dit soort werk is, dat slechts voor het knippen van zeer ingewikkelde werkstukken een vluchtige compositieschets wordt opgezet. “Het vooraf tekenen van wat ik wil knippen legt mij te veel beperkingen op”, deelde zij ons mede, “en ik geloof trouwens, dat mijn methode precies dezelfde is, die in vroeger eeuwen en ook thans nog door enkele collega’s wordt gevolgd’.

afb. 6, Lily Eisendorn. Een grappig geboortekaartje, dat werd gedrukt naar het geknipte ontwerp.

Haar figuren munten uit door natuurlijkheid van houding en meermalen worden wij getroffen door een bepaald lijntje of bochtje, waaruit een aangeboren gevoel voor expressie spreekt. Zij ziet direct een kenmerkend gebaar of uiterlijk en legt dit al knippende vast. In de loop van de jaren heeft haar artistiek uitingsvermogen zich voortdurend ontwikkeld, doch ook haar producten uit wat wij met een groot woord haar experimentele periode zouden willen noemen, hebben alle reeds iets van het verfijnde, het gracieuze en het raak getypeerde van haar tegenwoordig werk. Moet men het knippen zelf het voornaamste noemen, er volgt daarna nog een oneindig geduldwerkje, als de figuren worden opgeplakt. Nadat zij eerst uit een stukje papier van enkele vierkante centimeters met verbazingwekkende snelheid een koelie had geknipt, die aan een juk twee korven draagt, en vervolgens een randje met een bloemmotief had gemaakt, bevestigde zij op een stuk glas een zwart velletje papier. Dat was de ondergrond .Dit zwarte papier, met plakband op zijn plaats gehouden, werd met een dunne oplossing van kleefpasta bestreken, waarna zij met behulp van een fijn penseeltje de knipsels ging opplakken. De tere motiefjes, die soms met minder dan een zijden draad aan elkaar hangen, moeten uiterst voorzichtig worden behandeld, vooral als zij vocht hebben opgenomen.Het geheel wordt tenslotte op natuurlijke wijze gedroogd.

afb. 7, Lily Eisendorn. Zo maar een vignetje, maar met een maximum aan voorstellingsvermogen.

Dat Lily Eisendorn tevens verdienstelijk met olieverf weet om te gaan en goed aquarelleert, is ons gebleken tijdens het bezoek, dat wij haar brachten. Het spijt haar daarom enigszins, dat het knipwerk haar zo weinig vrije tijd over laat, zodat de schildersezel meestal opgevouwen in een hoekje van haar kamer moet blijven staan. Ook op dit gebied heeft zij echter plannen en ideeën genoeg en er is daarom alle reden om haar ontwikkeling als schilderes met belangstelling te blijven gadeslaan. Wat zij evenwel is begonnen, toen zij een schaar nog een nip-nip noemde, blijft de grootste aan trekkingskracht op haar uitoefenen. Steeds zoekt zij naar nieuwe uitdrukkings- en toepassingsmogelijkheden. Verscheidene werkstukken van Lily Eisendorn ver sieren reeds de wanden van liefhebbers, en voor al haar Indonesische voorstellingen hebben aftrek genoten. Haar prestaties verdienen ongetwijfeld een warme en ruime belangstelling en wij hebben dan ook met genoegen een keuze uit haar collectie gemaakt, in de verwachting, dat onze lezers onze zienswijze zullen delen.

Hans Verhoeven
Uit: Panorama-Libelle Kerstboek 1949, weinig beoefende kunst

afb. 8, Lily Eisendorn maakte in 1945 de gedeeltelijke evacuatie van Bloemendaal mee en haar schaar kwam onmiddellijk in actie

De vorige generatie knippers, Knip-Pers 1991-2

afb. 1, Gertud Janusewski, Madonna

Hoe bleven de naoorlogse knippers, die niet zo’n klankbord hadden als wij, enthousiast voor schaar en papier en wat stimuleerde hen om door te gaan of te stoppen met hun knipactiviteit?
Sommigen van hen zijn nog in leven en uit de brieven die ze schreven aan Line Huizenga-Onnekes komt naar voren wat hen bewoog. Eén van het is Gertrud Janusewski; haar werk uit de vijftiger jaren willen we wat nader bekijken.

Op de Contactdag in Driebergen bezorgde iemand ons een paar artikelen over knipsters van vroeger: Een “In memoria voor Gretha Zijl (in ‘t Fries) uit 1977 en twee artikelen over Lily Eisendorn uit 1949.

In het vorige nummer van de Knip-Pers voerden wij Hankie Struyk ten tonele, die door Line Huizenga-Onnekes als een veel belovende knipster werd beschouwd. We kregen geen enkele reactie en kennelijk weet dus niemand meer van haar bestaan of activiteiten als knipster. Nu hoeft dat natuurlijk niet vreemd te zijn; ook binnen de gelederen van onze vereniging zijn er mensen die een tijd knippen en het daarna voor gezien houden.

afb.2, Gertud Janusewski

Toch zijn die naoorlogse jaren interessant. De knippers van toen hadden niet zo’n klankbord als wij: geen vereniging, geen knipkringen, geen blad. Zij moesten het zélf doen, zoals dat vóór die tijd eigenlijk altijd het geval is geweest. Eerlijk gezegd zijn wij als knippers van nu voor het eerst in een bijzondere situatie! Onze vraag aan de vorige generatie is: Hoe bleven ze enthousiast voor schaar en papier en wat stimuleerde hen om door te gaan of te stoppen met hun knipcreativiteit?

Sommigen van hen zijn nog in leven: Tola Steinhage, Lily Eisendorn, Marie-Thérèse Bruning; wat hen bewoog komt duidelijk naar voren uit brieven die ze schreven aan Line Huizenga-Onnekes. Met hun ogen willen we deze keer het werk uit de vijftiger jaren van Gertrud Januszewski, nu een dame van 80, wat nader bekijken.

Gertrud Januszewski
Als enig kind van Poolse ouders is Gertrud in 1911 in Berlijn geboren. Haar vader was tuinarchitect, een man met smaak en grote liefde voor de natuur. Gertrud tekende altijd veel en in 1930 begon ze te knippen, maar een artistieke opleiding heeft ze niet gehad. In die tijd werkte ze in Beieren en Zwitserland, illustreerde kindertijdschriften, versierde boekbanden, maakte kerstkaarten en kerst-triptieken en plaatjes voor de Heilige Communie. In 1938 werkte ze voor Polen en daarna is ze in ons land terecht gekomen, waar ze de oorlog doorbracht bij de Zusters van Bethanië in Oploo (N.Br.). Haar ouders in Oost-Berlijn heeft ze nooit meer kunnen bezoeken; dat gaf haar veel verdriet.

Later is Gertrud gaan wonen in het Gemma klooster te Sittard, waar ze naast de huishouding en portiersdienst tijd vond voor het knippen. Ook boetseerde ze wel eens, onder andere een Kruisweg voor de kloosterkapel. Ze tekende het ontwerp voor haar knipsels in grove trekken, “maar er komt in de regel altijd wat anders tevoorschijn dan het getekende”.

Haar religieuze knipsels, de Madonna, de Apostelen of de Heilige Franciscus getuigen van een gevoel voor ritme en elegante. De ragfijne knipsels, die bijna niet te hanteren waren, plakte ze liever niet op, maar plaatste ze tussen glas, zodat de schaduwwerking op de Witte achtergrond de charme verhoogt. De persoonlijke uitdrukking van haar figuren gaat niet diep, maar de melodieuze gratie van haar knipwerk vergoedt dat ruimschoots.

Ook hield Gertrud van sprookjes en knipte graag spelende kinderen in een pittoresk landschap. Het eenvoudige en bevallige lag haar en er gaat van haar werk een meditatieve schoonheid uit.

afb. 3, Gertrud Januszewski, Apostel Johannes

In haar tijd was ze een kunstenares van groot formaat, wier werk op tentoonstellingen voor nieuwe religieuze kunst zeer gunstig beoordeeld werd. Zelf vond ze zich maar een eenvoudig meisje (1953!), dat zou willen weergeven wat in haar om gaat en door haar werk anderen blij maken. Eigenlijk had ze graag van de opbrengsten van haar knipwerk willen leven (“ik heb er voor 7.50, 10.-, 20.- en meer..”) en op zichzelf willen wonen in een eigen kamertje … “maar, het leven maakt alles anders. Toch komt het altijd goed!”

 

 

 

Line Huizenga zag haar knippen met een klein schaartje in dun, zwart papier en zij vertelde: “Het schijnt alsof onder het knippen al het zware, al het leed waaronder de wereld gebukt gaat, van haar afvalt. Gertrud is een innig-vrome vrouw, die troost en steeds nieuwe inspiratie vindt in haar godsdienst. Zij weet dat uit het leed weer nieuw zaad geboren wordt voor haar werk, en het wordt bevrucht”.

Joke en Jan Peter Verhave

Snijdsels van een schimmenspeler, Knip-Pers 1991-4

Een silhouet roept een beeld op dat we herkennen aan de omtrek van een voorwerp met ruimtelijke afmetingen, bijvoorbeeld ons eigen gezicht. Maar als onze eigen schaduw op een scheef vlak valt, lijkt het een misvorming van wat we echt zijn. Door knip- en snijwerk, dat op zichzelf een profiel is van de werkelijkheid, te beschijnen, kunnen we opnieuw een schaduw afbeelden op een vlak. Zulke schaduwbeelden of schimmen kun je laten bewegen en dan heb je de mogelijkheid om een verhaal te maken. Zo werkt in Indonesië de wajang en onlangs trad in Amsterdam en Utrecht een groep schaduwspelers uit Cambodja op met manshoge, uit leer gesneden poppen. Ook in India en Turkije leeft deze traditie van schaduwtheater en in ons land speelde men in de vorige eeuw met de “Chinese schimmen”.

We werden bij schaduwbeelden bepaald door een boekje dat Marie Thérèse Bruning ons leende, met gesneden platen door Frans ter Gast.

In de Knip-Pers is over het werk van ter Gast nog niet zoveel geschreven en wij zijn te rade gegaan bij wat Line Huizenga-Onnekes in 1956 had geschreven over haar tijdgenoot, de schimmenspeler Frans ter Gast:

“Misschien is hij op het ogenblik de enige in ons land, die zich met de edele kunst van het maken en vertonen van schimmen ophoudt. Hij snijdt zijn schimmen, knipt ze niet, omdat zijn vingers te dik zijn voor de kleine schaarogen. Zelf vindt hij dat hij daardoor scherper en pittiger lijnen krijgt, wat het werk een persoonlijk cachet geeft.

Hij bezocht de Kunstnijverheidschool te Amaterdam en Haarlem, werkte drie jaar in het buitenland en vestigde zich in Den Haag als decorateur, afficheontwerper en sierkunstenaar. Hij illustreerde boeken, gebruikte silhouetten voor reclamedoeleinden en maakte een silhouetfilm. Ruim 25 jaar is het ontwerpen van schimmenspelen zijn grote “hobby”, waarvan een dertigtal spelen het resultaat zijn. Ze duren ongeveer anderhalf uur en er zijn er bij waarin ruim 500 figuren voor komen. Tot zijn repertoir behoren “De Legende van Beatrijs”, “Zwerftochten van Odysseus”, “Blauwbaard” en “De Noord van Raamsdonk”. En zo zien we dat de knipper en snijder van silhouetten nog heden ten dage vele mogelijkheden heeft”.

Met bewegende schimmen kon men dus hele verhalen samenstellen en het publiek boeien door een combinatie van schaduwen, vertellingen en liedjes. Soms werkte men met een heel team van spelers, sprekers en aangevers “achter het scherm”. Het is inderdaad een kunst, waaraan wij, knippers, ons best wel eens mogen wagen, als vermaak voor het gezin of een partijtje in kleine kring!

In het boek “Schiinmenspel en het spelen met schaduwen”, door Hetty Paërl (Wereldbibliotheek 1979) lezen we verder over Frans ter Gast en zijn beweegbare schimfiguren vol scharnieren en touwtjes. Soms verwerkte hij dun gekleurd papier in zijn figuren en projecteerde ze met een felle lamp. “Erik van Godfried Bomans maakte hij zo tot een kleurig schimmenspel; andere stukken waren de “Baron van Münchhausen” en “Meneer Prikkebeen”. Ter Gast heeft zich ervoor beijverd dat de schimtraditie werd voortgezet en inspireerde jonge spelers. In 1970 is hij over leden.

Al eerder hebben we enkele afbeeldingen uit het boekje “Appeltjes van Oranje” geplaatst, waarvoor ter Gast in 1948 de silhouetten maakte. Hij hield veel van de vaderlandse geschiedenis en het Oranjehuis. Het bovengenoemde boekje, “Sage en Feit uit Oorlogstyd” uit 1946, behandelt het leven in de oorlog en gedichtjes van Jan Ubink begeleiden de platen van ter Gast. In de inleiding lezen we:

“Frans ter Gast, de snijder van bekoorlijke schimmenspelen sneed in de winter van 1944-45 een paar platen naar aanleiding van de brandstoffennood. De reeks werd groot genoeg om een boek te vormen … Het gesneden zwart-wit beeld heeft, ook wanneer het niet op het witte doek wordt geprojecteerd, een eigen bekoring. De strakke scherpte van de lijnen en de beperkingen, waartoe de techniek onmiddellijk voert, geven het een karakter, die het van ieder andere kunstuiting onderscheidt”.

We vinden beide boekjes de moeite waard om door onze vereniging heruitgegeven te worden!

Joke en Jan Peter Verhave

Wat grootmoeder vertelde, Knip-Pers 1990-4

“Cornelis, ik weet zeker dat mijn grootmoeder het over Cornelis had.”

afb. 1 en 2, Cornelis Leek, Particuliere Collectie

Een zin uit een gesprek met een papierknipkunstbezitster uit Winkel, tijdens het onderzoek naar de papierknipper Arie Tergant  (1773-1852). Hiermee begon de speurtocht naar de makers van enige anonieme knipwerken, gedateerd 1778-1805, en verschillende bidprentjes. Qua indeling en verwerkte motieven lijken vooral de bidprentjes op het werk van Arie Tergant, maar kniptechnisch zijn ze anders. Veel scherper en wat houteriger (afb. 3). Cornelis, het zou de vader van Arie Tergant geweest kunnen zijn, die heette ook Cornelis. Maar dat gegeven was snel achterhaald toen bleek dat Cornelis Tergant in 1776 te Alkmaar was overleden. Onderzoek bracht ons niet verder en Cornelis bleef een onbekende. Tot enige maanden geleden twee papierknipsels ter onderzoek aan ons museum werden aangeboden. Twee knipsels met Bijbelse voorstellingen en met initialen C.L. (afb.1 en 2).

afb. 3 Cornelis Leek

Volgens overlevering zijn deze knipsels gemaakt door Cornelis Leek uit Niedorp, die leefde in de periode 1800-1870 (afb. 4). Een eerste archiefonderzoek bracht aan het licht dat Cornelis Leek werd geboren op 26 of 27 augustus te Noord Schermer en zich vanuit Heerhugowaard in Niedorp vestigde. Hij was arbeider van beroep en getrouwd met Antje Bas uit Haringcarspel.

afb. 4, bidprentje, toegeschreven aan Cornelis Leek, Particuliere Collectie

Vergelijking van de bidprentjes met de twee knipsels met de initialen maakt duidelijk dat ze door eenzelfde hand geknipt kunnen zijn. Grootmoeder had waarschijnlijk gelijk.

afb.4, bidprentje, toegeschreven aan Cornelis Leek, Particuliere Collectie

Een knippende Cornelis in de tijd dat Arie Tergant leefde en die tevens de maker van de bidprentjes was. Verder onderzoek naar Cornelis Leek zal het antwoord moeten geven.

Tonny Jurriaans

afb.5, bidprentje, toegeschreven aan Cornelis Leek, Particuliere Collectie

Schaarse orangisten, Knip-Pers 1990-2

Na de koninklijke Oranjes zijn nu hun prinselijke voorouders aan de beurt. Ook in de tijd vóór 1800 hebben knippers politieke kleur bekend, maar hoe langer geleden, hoe schaarser voorbeelden daarvan nog te vinden zijn.

afb. 1, Johanna Koerten, Wilhelmus Brittannicus Rex (Museum Lakenhal Leiden, 23 x 27cm)

Veel van onze ruim 900 knippers hebben op Koninginnedag weer een kraampje opgezet, om hun kunst en nijverheid aan de scharen te tonen. Zo krijgen ze vast wel eens te horen van een voorbijganger, dat die iets ouds thuis heeft. Het is dan zaak om vriendelijk te vragen of dat eens bekeken mag worden! Gelukkig raken steeds meer knippers geïnteresseerd in de geschiedenis van hun hobby. Onlangs gebruikten twee van hen hun ogen heel goed op de kijkdag van een veiling in Hilversum. In februari zou een knipsel van Prins Willem III worden geveild. We kregen de tips door, een prettig gevoel om met elkaar samen te werken.

Het veilinghuis was zo vriendelijk ons een polaroidkiekje te sturen en we zagen in een prachtig uitgesneden, houten lijst een ovaal snijdsel, met de Stadhouder-Koning te paard. Weliswaar staat er geen jaartal op, maar iedereen herinnert zich nog wel dat kort geleden het “William & Mary” jaar is gevierd: door zijn huwelijk met de Engelse prinses Mary Stuart, werd stadhouder Willem III koning van Engeland in 1688. Het moet dus kort na die tijd gemaakt zijn.

R.V. Purde (?), Ingelijst knipsel met Willem III, ca. 1690, (Amsterdam Museum)

De “Dutch King” joeg zijn katholieke schoonvader Jacobus II op de vlucht en versloeg de Fransen ter Zee. Koning Lodewijk XIV erkende zijn koninklijk gezag in 1697 bij de vrede van Rijswijk. Willem was een staatsman van Europees formaat. Iets daarvan vinden we terug in het rijmpje onder dit snijdsel:

Dit’s Koning Willems beeld, de schrik van Lodewijk
die dwingelanden dwingt te ruymen ‘t Konigrijk
De Wereld waagd ‘er van doorluchtig zijn de blijcken
Tot het de Vorst gekroond tot Koning van drie Rijken
Wat Prins in Duyzend Jaar, was dees Monarch gelijk
Zoo dienstig voor de Kerk, zoo … voor ‘t Kristenrijk.

In 1702 viel Willem van zijn paard en overleed. De maker heeft zijn eigen naam in het ruitersnijdsel gezet, maar die is op de foto moeilijk te ontcijferen; R.J. Purden (7) probeerde de veilinghouder. Het deed ons even denken aan J. Koerten, die immers ook een Willem, “der Britten Vorst” heeft gesneden, en wel met een dergelijke techniek van in- en uitgekerfde lijntjes, als was het een gravure (afb. 1). Tijdgenoten uit Rotterdam, E. Rijberg en Gillis van Vliet, hebben ook de Koning en de Koningin van Engeland uitgesneden; de eerste sloeg een aanbod van
fl 1000.- voor de portretten af! Van Gillis’ vele snijdsels, die we alleen bij naam kennen, onder andere ook de vloot waarmee Willem naar Engeland overstak, is er onlangs een “opgedoken”!

afb. 4, Snijwerk ca. 1850, maker onbekend. Uitbeelding van de moord op Prins Willem 1 (1584) in een koepel waarop zinnebeeldige figuren, midden op justitia, Collectie Nederlands Openluchtmuseum, 25 x 20 cm

Van eerdere Oranjes zijn geen knipsels bekend. De afbeelding van de moord op Willem de Zwijger (afb. 4) is waarschijnlijk in de vorige eeuw gemaakt, toen de “roemruchte” vaderlandse geschiedenis weer werd opgepoetst.

afb. 5, Willem IV en Anna, Museum Sypesteyn, Nieuw Loosdrecht, 44 x 57 cm

Een mooi knipsel is dat met de portretten van stadhouder Willem IV en prinses Anna (door een onbekende, 1734 of iets later, afb. 5). Van hun oudste dochter, prinses Carolina, en haar man vorst Karel Christiaan van Nassau-Weilburg, bestaan witte (!) silhouetten (ca. 1784); op de achterkant een aardige toelichting: “Dit zijn de Silouettes van de Prins en Princes van Weilburg, door de Princesse toen HH (harer hoogheids) gemaal Gouverneur van Maastricht was aan mijn vader (dominee) Js. van Dijk gegeeven, om te zien of het zijn Ed(ele) mogelijk zou zijn daar na een portrait van de Prins te maaken, alzoo zijn H(hoogheid) nooit zijn portret had willen laaten maaken – het vertrek van hunne HH (hoogheden) kort daarna naar hunne Duitsche Staaten verijdelde dit plan.”

afb. 6, Pieter Dingenom, Vievat Oranje, Oranjeboom 1767 voor huwelijk prins Willem V met prinses Frederika Wilhelmina, 24.5 x 26, 5 cm, Particuliere collectie

Voor haar broer Willem V en prinses Frederika Sophia Wilhelmina van Pruisen maakte Pieter Dingenom uit de Zaan in 1767 een huwelijksknipsel (afb. 6). Het is een gekleurde oranjeboom met veel krulletters. De prinses staat erin als Frederika, terwijl ze bij ons juist als Wilhelmina bekend is geworden (u weet wel, van Goejanverwellesluis). Stadhouder Willem V is verder door Willem Roels in 1768 gesneden, met veel bijwerk (versieringen) en ook van een andere, onbekende knipper is een prinsenknipsel bekend, vol zinnebeelden en “Willem de V is de Vader des Vaderlands”.

afb. 2 en 3, A.D. Schreuder, PWDV (Museum Flehite, Amersfoort, 25 x 24 cm; foto W. Wesse

Anna Dorathea Schreuder maakte verscheidene politieke knipsels. Twee tonen ruiters, de Nederlandse Maagd en de pijlenbundel van de Republiek (afb. 2 en 3). De geknipte teksten luiden:

D NEDERLMJDSCHE MAAGT SCHENKT HIER AAN WILLEM CARELZOON OP ZYN GEBOORTEDAG VOL VRUIGT EEN EERE KROON. VIVAT PW OM DIT T BEWAARE HEB IK ALLES ONDERGAAN ORANIE ZAL BLOE ZOLANG DE WERELT STAAT. 1788 WDVPVO


afb. 7, Anna Dorathea Schreuder, politiek knipsel (Historisch Museum der gemeente Rotterdam, 18 x 22 cm[/caption]

Ook lieten de oranjegezinden zich niet onbetuigd in aardewerken sierschotels met PWD5 en oranjebomen met VVOR (Vivat Oranje). Misschien geven deze tekenen van aanhankelijkheid juist de tanende polulariteit van de stadhouder aan. Hij vluchtte naar Nijmegen, liet zich daar silhouetteren (achterglas-schildering) in 1787 door C.T. Köhler, als geschenk voor zijn zuster Carolina, om in haar “mooye kamer” te hangen en liet verder zijn vrouw de politieke kastanjes uit het vuur halen. De patriotten moesten niets van hem hebben en hún embleem, de Keeshond, verscheen op allerlei knipsels. Tenslotte vluchtte hij naar Engeland. Toch werden er in de Franse tijd “verborgen silhouetten van het prinselijk paar gemaakt (vaak in een andere techniek uitgevoerd).

Joke en Jan Peter Verhave.

Literatuur:
Henk van Ark (1987), “Zeer Uitstekende Kurieuze Stukken van Papier”. Uitg. Atelier Tobia Lever Rotterdam.
Staring (1964), De silhouette In Nederland. Catalogus Groningen/Rotterdam.

Dit artikel is in september 2022 aangevuld met een extra afbeelding.

Kroon op het knip werk, Knip-Pers 1990-1

afb. 1, Frans ter Gast, Koningin-Moeder Emma (uit: Appeltjes van Oranje)

Het was eigenlijk wel te verwachten. De Haagse knippers kozen voor de zesde Contactdag, vorig jaar, heel vaak de Gouden Koets, “hun” paleizen en de koningin. Hagenaars léven met het koninklijk huis!
Direct na de oorlog waren de Oranjes natuurlijk een dankbaar onderwerp voor sommige knippers. Frans ter Gast maakte in 1948 een boekje met gedichten en knipsels “Appeltjes van Oranje”. Ook Wiecher Lever toonde in die tijd zijn aanhankelijkheid aan het koningshuis.

In de collectie Lever, die in 1988 werd geveild, bevonden zich een zevental bijzondere Oranjeknipsels. Ze werden in 1877 gemaakt door “Zijne Majesteits getrouwe onderdaan J.E. Hilzer te Neuzen” (Terneuzen). Heel apart is dat de teksten op de achterkant zijn getekend, waardoor de gele, zwarte of rode voorkant van het sitspapier de teksten in spiegelbeeld laat zien. Dat kon toch niet de bedoeling zijn. Wij houden het er op, dat Hilzer (over hem weten we verder nog niets) steeds dubbel papier heeft geknipt en de “goede” teksten heeft opgestuurd aan Koning Willem III.

Ook Arie Tergant uit Westfriesland had in 1840 al een knipwerk aan de Koning (Willem 1) aangeboden. Het werd met vijfentwintig gulden aan de maker teruggestuurd “als wordende soortgelijke voortbrengselen niet meer aangenomen”. Tegenwoordig zou dat ongeveer honderdmaal zoveel zijn, een koninklijke prijs! Curieus is het verhaal, dat de organisatoren van een tentoonstelling over Jan de Prentenknipper in 1967 te Wemeldinge, aan Koningin Juliana bij haar bezoek een origineel knipsel van Jan wilden aanbieden. Uiteindelijk was iedereen ervan overtuigd dat zij het niet boven haar bed zou hangen en kreeg ze een ander origineel cadeau. Maar in de overlevering van een familie die zo’n knipsel bezit, heeft de stellige mening postgevat dat de Koningin zélf er fl 17.000.- voor geboden had. Dat lijkt ons wat ál te royaal…

afb. 2, Frans ter Gast, Cupido, Bernhard en Juliana (uit: Appeltjes van Oranje)

Aan de andere kant van de Zuiderzee maakte Auke Roorda een geweldig groot stuk ter herinnering aan de 7lste verjaardag van Zijne Majesteit Willem III, Koning van Nederland. Voor wie zou hij het bestemd hebben? Nu ligt het, zwaar beschadigd, in het museum It Coopmanshûs te Franeker.

In het Fries Museum te Leeuwarden is ook al een geknipt eerbewijs te vinden; het is een letterknipsel “HULDE aan WILLEM III Koning der Nederlanden, Groot Hertog van Luxemburg enz. enz. enz. Bij gelegenheid van Zijner Majesteits eerste bezoek als Koning, in Friesland. Leeuwarden den 20n April 1852.

Voor Koning Willem II en Koningin Anna Paulowna maakte Hendrik Kuyper uit Noordwolde omstreeks 1842 zijn bewijzen van koningstrouw.

afb. 3, J.E. Hilzer, H.M.Sophia Frederika Mathilda, Koningin der Nederlanden, Geel, 22 x 26 cm, Particulier bezit

Weer terug naar Noord-Holland. Koninklijke bezoeken waren in die tijd evenementen, die men zich nog lang heugde. Toen Koning Willem I Wijde Wormer en Purmerend bezocht in 1842, maakte Neeltje Prijs, de vrouw van Huibert Eenhoorn in de 3 tot 6 jaren daarna twee enorme applicaties van gekleurd papier, die tot in de kleinste details feestelijke optochten langs versierde grachten en markten laten zien, Het museum van Edam heeft er een, die ondanks de deplorabele staat de moeite van het bekijken waard is.

afb. 4, Anoniem, Viva Oranje 1815, 13 x 10,5 cm, Particulier bezit

Maar ook in een eenvoudig hart met “Viva Oranje” uit 1815 kon een onbekende zijn of haar blijdschap uitdrukken over de terugkeer van Willem, de eerste Koning der Nederlanden, na het vertrek van de Fransen.

 

 

 

 

 

Oranje is altijd actueel geweest. Dus, knippers van Nederland, de schaar in de aanslag: Cora van Mora is geknipt als prinses!

afb. 6, Hendrikus Wilhelmus Kuyper, Koning Willem II, 19 x 12 cm en Koningin Anna Paulowna, 18.5 x 11 cm, Fries Museum.

Joke en Jan Peter Verhave

Snippers van knippers, Knip-Pers 1989-4

In ons boekje Schaarkunst noemen we als een achttiende-eeuwse knipper David van Freney, belastingambtenaar te Hasselt bij Zwolle.

Zijn naam hebben we te danken aan wijlen Mr. Steenbergen, die afstamde van een zus van Davids echtgenote. Het echtpaar Freney had zelf geen kinderen gehad en Davids broer erfde zijn bezittingen, waaronder zich een Statenbijbel bevond. En daarin vond meneer Steenbergen een viertal knipsels, waarvan hij omstreeks 1955, op grond van een geschreven aantekening achterop een van die knipsels, meende dat David de maker was. Nu hebben wij meerdere knipsels van dezelfde hand ontdekt; een daarvan was gedateerd 1752, de andere 1771, terwijl David (officieel David Lambertus van Ferney) pas in 1776 was geboren (Schaarkunst blz. 44, 86—89).

afb. 1, Wapenknipsel Van Ferney. Zeeuws, toegeschreven aan Jacobus JansenHij kan dus niet de knipper zijn geweest; maar zo gemakkelijk als het lijkt is het niet. Want David, een niet onverdienstelijk tekenaar en dichter, had een veel jongere halfbroer, Johannes Kornelis van Ferney, griffier en vrederechter te Hasselt en vanaf 1838 kantonrechter te Ootmarsum. En deze Johannes had met schaar en mes uit papier een groot tempelachtig bouwwerk gemaakt, met acht taferelen uit het leven van Jezus. Dit wordt bewaard in het gemeentehuis van Hasselt, samen met nog andere van zijn bavelaarachtige knipsels (afb. 3).

afb. 3, Bavelaartjes met het leven van Jezus, gevat in een classicistische tempel. Gesigneerd: J. van Ferney, Stadhuis Hasselt.

Maar ja, het feit dat de ene broer een handige knutselaar was, maakt de ander nog niet tot knipper. De knipsels moeten dus op een of andere manier in de familie Ferney gekomen zijn. Ze zijn gemaakt voor bruiloften in Doopsgezinde koopmansfamilies in Noord-Holland. Een verband tussen die families hebben we tot nu toe niet kunnen ontdekken.

Voor verwante Zaanse families zijn in dezelfde tijd en stijl knipsels gemaakt door een ándere kunstenaar, die onder voorbehoud H. van Winter genoemd is. Over hem weten we verder ook niets (zie Schaarkunst bl. 59-60, 70-71). Hij zou ook Nicolaas Jut (omstreeks 1755) kunnen heten, die was Doopsgezind. Misschien was er maar een knipper, die zowel slordig seriewerk als fijn snijwerk maakte (afb.2).

afb. 2, Wapenknipsel (families onbekend), toegeschreven aan H. van Winter. 29 x 19 cm Foto Nederlands Openluchtmuseum. Particuliere verzameling

Om het nog ingewikkelder te maken: een derde knipper met overeenkomstige stijl vinden we terug in Zeeland, nota bene weer in verband met de familie Ferney. Het geslacht was Zeeuws: eerder genoemde broers David en Johannes waren geboren in Middelburg en in 1795, resp. 1810 verhuisd naar Hasselt. Hun moeder was een Sohier en háár twee zussen trouwden met de gebroeders Serlé. Uit de familie Serlé dook op een veiling onlangs een zogenaamd “scrapboek” op, een plakboek met allerlei dierbaarheden. Daarin onder andere twee geknipte of gesneden heraldische stukken; het ene is het familiewapen van Ferney (afb. 1). Het andere wapen bleek op het Centraal Bureau voor Genealogie niet bekend. Wel herkennen we de stijl van de maker: een ander snijdsel van hem (of haar) staat in Schaarkunst op blz. 25 afgebeeld, dat in 1722 gemaakt werd voor het éénjarige meisje Elisabeth Cornelia Plevier, dochtertje van een predikant uit Zierikzee. Jacobus Jansen Dzn. schreef er met pen een opdracht in; zou hij de knipper zijn, of heeft hij een ons onbekende kunstenaar opdracht gegeven om iets moois te maken? Elisabeth trouwde later met een Jacobus van Ferney, neef van de grootvader van David en Johannes, de broers die we al eerder noemden.
Kunt u het nog volgen?

De Zeeuwse knipper heeft onder meer ook het wapensnijdsel gemaakt voor de Vlissingse burgemeester Jacob Winkelman (omstreeks 1735); dat is vorig jaar uit de collectie Lever aangekocht door het Westfries Museum.

Het leek ons aardig om eens een voorbeeld te geven van een ingewikkelde legpuzzel. We hebben te maken met twee of drie knippers uit de eerste helft van de achttiende eeuw, met een vergelijkbare stijl, in de omgeving van het Zeeuwse geslacht Van Ferney en rond Haarlem. Hun werk is bekend, maar hun naam niet. We blijven zoeken, want alleen met een naam kunnen we meer bijzonderheden te weten komen.

afb. 4, Naamsnijdsels voor een bruiloftsdiner. (Zie ook Knip-Pers 1984-1, 1986-1). Vroeger toegeschreven aan David L. van Ferney. Foto Nederlands Openluchtmuseum.

Joke en Jan Peter Verhave

Een verrassing III, Knip-Pers 1990-2

Als ik over ouderwetse knipsels schrijf kan ik met een ouderwets woord beginnen:
“Wederom” zijn hier eerst nog enige knipsels uit 1742 aan de orde, die tot de serie behoren waarover ik in twee voorgaande afleveringen van de Knip-Pers heb geschreven. Er waren daarbij geen namen bekend, en ook de hier afgebeelde wapens kende men niet in de familie.

Als anekdote zal ik echter het volgende vertellen:

Toen ik het boekje waar de knipseltjes in lagen voor het eerst doorkeek, was ik zeer benieuwd of er enige naamsaanduidingen te vinden waren. Doch alleen het wapen, waarin de leeuw over twee ankers geplaatst was (afb. 1), vertoonde drie hoofdletters “P”.

afb. 1, anoniem

Wie schetste echter mijn verbazing toen ik achterin het boekje nu niet direct een wapentje, maar wel twee engelen boven een naamschildje zag, met het opschrift P. Salm (zoals ik las). Ik was dáárom zo verbaasd omdat ik een aangetrouwde neef heb, die Pierre Salm heet en dus met P. Salm ondertekent. Zo vroeg ik aan de eigenares van de knipsels of die naam soms in haar familie bekend was. Waarop zij smakelijk lachend tegen mij zei: “Nou, die had dan zeker een vrouw die Gé Zang heette!!” En ik aanvankelijk nóg niets in de gaten. Jullie wel? – Kijk, er staat achter die P geen punt. Dus staat er gewoon het woord “Psalm”. En met “Gé Zang”, zoals mevrouw zei, bedoelde zij dus “Gezang”. (afb. 4)

 

afb. 2 anoniem

afb. 3, anoniem

Dan was er nog het prachtige knipseltje van “Mercurius” (afb. 3), in de Romeinse oudheid de God van de Handel. Volgens de Griekse mythologie heet hij Hermes. Ook hier gold hij als de God van de Handel, maar tevens als de boodschapper der goden, en als de God van de Slaap en de Dromen. Met zijn toverstaf (caduceus genoemd) opende en sloot hij de ogen. Zijn staf is een tak van een olijfboom, met banden versierd en omwonden door twee slangen, die aan weerszijden van de staf hun koppen naar de top brengen, waarop een zonneschijf met twee vleugels prijkt.

afb. 4, anoniem

Hermes wordt altijd met vleugeltjes aan zijn helm en schoeisel afgebeeld en meestal -zo ook hier- met een geldbuidel in zijn hand.

 

 

 

 

 

In aansluiting op eerdergenoemde wapenknipsels wil ik nog wat aanhalen hetgeen over dit onderwerp geschreven staat in “Het Konstig en Vermaakelijk Tijdverdrijf der Hollandsche Jufferen” – uit 1686, waaruit ik in voorgaande artikelen ook reeds citeerde. En waarover ik al zei, dat het zo uitzonderlijk jammer is dat de bijbehorende patroonbladen nergens meer zijn. Bij het hoofdstuk over het knippen van stads- en andere wapens wordt namelijk overal verwezen naar het honderdtal patroonbladen, die hierop betrekking heb ben. Een paar gedeeltes, zoals die oorspronkelijk stonden afgedrukt, vindt u hier in de Knip-Pers. En ik heb er, waar mogelijk, enkele wapens bij gezocht waarop deze gegevens van toepassing zou den kunnen zijn. Hierdoor krijgen jullie in ieder geval dan ook een reeks verschillende wapenleeuwen en kroontjes te zien.

 

Tot slot staat hieronder nog blz. 36 uit “‘t Konstig Tijdverdrijf” afgedrukt, en wel “Het dertiende Hooftstuk, Van de Hondert Tallen der Modellen” geheten. En dit, om te laten zien hoe vreselijk jammer het is dat deze NEGENHONDERD patroonbladen, die vol stonden met afbeeldingen, nérgens meer zijn.

Het zou een geweldige verrassing zijn als hier wat van boven water kwam. Net zo toevallig als mijn vondst van de oude knipsels van 1742, die per slot van rekening ook per ongeluk bij het opruimen van een zolder opdoken.

Na deze derde aflevering van “Een Verrassing” zou dát dan een geweldig sluitstuk zijn!

Overgenomen uit:
De afbeeldingen van wapenleeuwen en -kroontjes van verschillende plaatsen, zijn Overgenomen uit:
“De Gemeente Wapens van Nederland”, door Kl. Sierksema. Uitg. ‘t Spectrum, Utrecht.

Een handig boekje om bij een bibliotheek eens in te kijken, omdat er veel afbeeldingen in staan die men voor knipsels benutten kan: zwaantjes, ooievaars, koetjes, hazewindhonden, paarden, bomen, letters enz., die in de wapens voorkomen.

To van Waning-Mijnlieff