Categoriearchief: publicatie

Succes-sievelijk, Knip-Pers 1993-3

Vele tientallen jaren vóór de oprichting van de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst, kocht ik eens in een boekwinkel in Groningen een boekwerkje van Daan Hoeksema, met zwart papier waarop aan de achterzijde sportfiguren stonden afgebeeld om uit te knippen. Nadat deze waren uitgeknipt kreeg ik behoefte om zelf vorm te geven, omdat ik graag afbeeldingen wilde zien die ikzelf mooi vond. Na enige mislukkingen ontstond er tenslotte een voedingsbodem voor mijn knipkunst en ontplooide zich uiteindelijk een eigen stijl, een ontwikkeling die nu nog in mijn werkstukken te vinden is.
Om dit doel te bereiken teken ik eerst een ontwerp, dat met papierklemmen op de zwarte zijde van het silhouetpapier wordt vastgezet, zodat het niet kan verschuiven. Dit geheel leg ik op een glasplaat, waarop al een velletje carbonpapier ligt, en met de scherpe punt van een hard potlood trek ik het ontwerp over zodat dit in spiegelschrift op de witte achterkant van het papier zichtbaar wordt. (Na het uitknippen is het beeld dus goed aan de zwarte kant – een tip, belangrijk vooral bij het uitknippen van letters, cijfers, maar ook bij dorpsgezichten en dergelijke) Bij deze werkwijze is het belangrijk goed te letten op de aanknopingspunten, zodat het knipsel later niet in losse delen uit elkaar valt.

Als men na deze uiteenzetting van mijn werkwijze, die de meesten van u ongetwijfeld wel zullen kennen, niet vergeet het schaartje open en dicht te doen en het in de goede richting door het papier beweegt, zal uiteindelijk een geheel samenhangend knipsel (en niet te vergeten naar eigen ontwerp) verkregen worden. VEEL SUCCES!
N.G. Terpstra

afb. 1, N.G. Terpstra

  1. In TEN BOER, de bakermat van mevrouw Huizenga-Onnekes, steekt een koppel ganzen uit de vijver, op zoek naar voedsel in de tuinen van de omwonenenden, dagelijks de rijweg over, waarvoor auto’s stoppen. Op de achtergrond de Hervormde Kerk uit de 13de eeuw.

    afb. 2, N.G. Terpstra

    2. Een kijkje op JAVEA (Spanje), waar in een van de huizen aan de voet van de berg mevrouw Derksen Staats-van Spaandonk woont. Een spanjaard op een ezelwagen wijst met breed handgebaar naar de wuivende palmen en het grandioze uitzicht op het schilderachtige berglandschap van de achtergrond.

    afb. 3, N.G. Terpstra

  2. ARNHEM. Een bekende plek in het Openluchtmuseum, waar men over de klapbrug het straatje met Zaanse huisjes bereikt. De eigenaar van een handje bij de brug steekt waarschuwend zijn vinger op om het tegen een al te opdringerige gans te beschermen.

    afb. 4, N.G. Terpstra

  3. NIEUWESCHANS. Het voormalige graanpakhuis ‘De Dageraad’ (bouwjaar 1873), dat eens op de monumentenlijst werd geplaatst, is met afbraak bedreigd in verband met de betreurenswaardige toestand waarin het verkeert door ouderdom en zeer langdurige leegstand. Na een handtekening actie onder de bevolking werd besloten dit karakteristieke gebouw te restaureren en om te bouwen tot museum. Zo bleef dit unieke gebouw dat bij Nieuweschans hoort als eb en vloed, voor de toekomst behouden. Het hondje kijkt meewarig naar zijn baas die niets vangt, maar over zijn schouder naar zijn hengelpartner kijkt, die op haar knieën bezig is de vissen met wormen te voeren.

Uit de boeken van dominee Matthias Geuns, Knip-Pers 1993-3

Over silhouetteur Matthias van Geuns.
In 1992 kreeg het Westfries Museum in langdurig bruikleen twee boeken. In deze boeken bevinden zich meer dan 400 silhouetten. De silhouetten werden uit lichtgrijs papier geknipt. De grijze vellen waaruit de silhouetten zijn geknipt werden op de zwarte pagina’s geplakt, waardoor het effect van zwarte silhouetten ontstond. Of de maker de silhouetten zo uitknipte dat het silhouet zelf aan de geportretteerde kon worden gegeven, is niet bekend.
Aan de achterzijde van bijna iedere pagina staan gegevens over de geportretteerde vermeld en uit die gegevens blijkt dat de maker ene Matthias van Geuns moet zijn geweest. Matthias van Geuns, een tot nu toe onbekende in de papierknipkunstgeschiedenis, wie was hij en waar kwam hij vandaan? Doordat de boeken onder andere twee silhouetjes van Betje Wolff en Aagje Deken bevatte, werd contact gezocht met prof. dr. Buijnsters, de Betje Wolff en Aagje Deken-kenner bij uitstek. Hij verwees mij naar een in 1969 verschenen boek met de titel Meniste Vrijage van de hand van dr. I.H. van Eeghen, dat handelt over prof. Matthias van Geuns en zijn familie.

afb. 1, Trijntje Cornelis Sijtses (1789), echtgenote van ds Matthias van Geuns, draagt een zogenaamde ‘zonnehoed’. Vele dames die door Matthias werden geknipt hebben zo’n zonhoed op. De hoed behoorde tot de ‘zondagse dracht van de boerenstand en was in de jaren 1780-1799 in Friesland in de mode. De zonhoed beschermde tegen de zon, want bruin werden alleen de landarbeiders en niet de dames uit de betere kringen. Op de silhouetten uit de jaren 1794 en 1810 draagt Trijntje, die toen in Haarlem woonde, ‘stadse’ mutsen.

Bij doorlezen van het boek vol wetenswaardigheden over de familie werd al snel duidelijk dat het niet de in het boek genoemde prof. Matthias betrof die de silhouetten had gemaakt, maar hoogstwaarschijnlijk zijn neef, dominee Matthias van Geuns. Een uittreksel uit het trouwregister van het Rijksarchief te Friesland bracht uitkomst. Ds. Matthias van Geuns was de maker van de silhouetten.

afb. 2, Trijntje Cornelis Sijtses (1795), echtgenote van ds Matthias van Geuns.Hier Trijntje, die toen in Haarlem woonde, ‘een stadse’ muts.

Matthias van Geuns, zoon van Jan Stevens van Geuns (ijzerkoper) en Hilje Bartels, werd geboren te Groningen op 15 september 1758. Zijn vader was de oudere broer van prof. Matthias van Geuns. Op 27 december 1775 laat deze Matthias van Geuns zich aan de universiteit van Groningen inschrijven voor de studierichting filosofie. Deze studierichting werd vaak gecombineerd met een studie theologie. Zowel in Groningen als in Harderwijk, alwaar zijn oom hoogleraar was, komt Matthias niet voor als student. De doopsgezinden hadden een eigen theologieopleiding, onder andere in Amsterdam. Het is dus zeer aannemelijk dat Matthias aldaar zijn opleiding theologie heeft gevolgd. In 1781 toen Matthias 23 jaar oud was en nog studeerde knipte hij vele silhouetten. Het zijn portretten van zijn professoren en zijn studiegenoten, waarmee hij, gezien de gemaakte aantekeningen ook op latere leeftijd contact is blijven houden. Hij werd in 1783 tot predikant benoemd te Makkum. En het is in dat jaar dat hij vele inwoners van Makkum en omgeving in silhouet vereeuwigd heeft. Hetzelfde deed hij in 1787 toen hij als predikant te Harlingen werd benoemd. Hij portretteerde onder anderen drie leden van de Harlingse familie Hanekuik, een van de rijkste Friese families aan het eind van de 18de eeuw.

afb. 3, Trijntje Cornelis Sijtses (1810), echtgenote van ds Matthias van Geuns met een ‘stadse’ muts

Op 23 juli 1790 ging ‘Mattheus van Geuns Doopsgezinde Leeraar te Harlingen met Trijntje Cornelis Sijtses (1756-1844) van Leeuwarden in ondertrouw. Het huwelijk werd op 15 augustus 1790 te Marssum gesloten. Het eerste  silhouetportret van ‘Trijntje Comelisz Oudste dogter van Corns. Sytsesz’ maakte hij in 1789, het tweede silhouet knipte hij in 1794 en in 1810 maakte hij nog een silhouetportret van zijn echtgenote. Matthias en Trijntje kregen zeven kinderen. Van dochter Hillegonda van Geuns knipte vader Matthias twee silhouetportretten, als jong meisje in 1795 en als vrouw in 1810.

afb. 4, Matthias van Geuns knipt zijn dochter Hillegonda van Geuns

Twee zoons, Bartel Sytse van Geuns en Cornelis Sytse van Geuns volgden hun vaders voetsporen en werden ook meniste predikanten.

Uit de aantekeningen in de boeken valt op te maken dat hij waarschijnlijk veel reisde. Zo treffen we silhouetten aan van personen uit Enschede, Deventer, Huizen, Middelburg, Goes, Vlissingen, Rotterdam, Leeuwarden, Groningen, Amsterdam (waar zijn tante Josina van Geuns woonde en waar hij als gastdominee in de Singelkerk heeft gesproken) en Haarlem, de stad waar hij in 1792 als meniste dominee benoemd werd. In Haarlem maakte hij onder andere silhouetten van Thomas Langerhuizen, binnenvader van het doopsgezind Weeshuis, zijn echtgenote Petronella Bavink en hun dochter Titia.

afb. 5, Matthias van Geuns, Hillegonda van Geuns in 1810?

Buiten de silhouetportretten van de beroemde Betje Wolff en Aagje Deken knipte Matthias ook zijn beroemd geworden oom, de professor en amateurschilder Hendrik Waardenburg, de oprichter van Tichelaars aardewerkfabrieken te Makkum; de Makkumse dichter Dirk Lenige, vele predikanten en natuurlijk zijn familieleden. Verder blijkt dat hij ook vele familierelaties portretteerde. Zo zullen ook de silhouetten van Aagje Deken en Betje Wolff tot stand gekomen zijn. Aagje Deken groeide op in het Amsterdamse weeshuis De Oranjeappel, alwaar Jakob Bezoet, de oom van Matthias van Geuns, toen regent was en na diens overlijden zijn vrouw Josina van Geuns (tante van Matthias) regentes werd. Uit aantekeningen uit 1810 blijkt dat Matthias van Geuns ook tekende: “Jaren voor zijn dood geteekend doch verkleind” of “Vroeger geteekend doch verkleind” en ”Kort voor zijn dood 1790 geteekend en nu in ‘t klein gebragt”. Ook van Trijntje, zijn vrouw, heeft hij in 1810 een geteekend portret tot silhouet verkleind. Het kan zijn dat Matthias voor het tekenen van zijn silhouetten gebruik heeft gemaakt van een zo genaamde ‘silhouetteerstoel en voor het verkleinen van de getekende silhouetten een zogenaamde ‘pantograaf’ (een tekenaap).

afb. 6,Matthias van Geuns portretteert de medicus proffessor Matthias van Geuns (1737-1817) in 1782, de oom van de silhouetteur

Een silhouet valt op door de aantekening waarbij iets gezegd wordt over de lichamelijke gesteldheid van de geportretteerde: “Wijtske Schoonegevel, vrouw van Fedde Hesselinga (te Bolsward).”Dit zou gerust gezet kunnen worden Hoofdgezwel.” Vergelijking met andere silhouetten van bijvoorbeeld Aagje Deken, Betje Wolff en Dirk Lenige laat zien dat de silhouetten van Matthias goed gelijkend geweest moeten zijn. In 1828 ontving ds Matthias van Geuns zijn emeritaat. Hij overleed op 21 november 1839 te Haarlem.

afb. 7, Hendrik (Hendricus) Waardenburg (Franeker 1760-Haarlem 1812), rector te Franeker 1782, was in dezelfde periode als Matthias van Geuns inwoner van Haarlem alwaar hij van 1802 tot 1812 rector aan de Latijnse school was. Tevens beoefende hij als amateur de schilderkunst, het silhouet werd geknipt in de periode dat Matthias van Geuns nog studeerde.

De door hem nagelaten silhouetboeken geven, afgaande op de door hem geknipte kleding, mutsen en hoeden, een prachtig tijdsbeeld waarbij er een duidelijk verschil te zien is tussen de kleding van de dames en heren van de betere stand, de stadse dracht en de kleding zoals gedragen werd op het platteland.

Maar ook blijken de boeken enige portretten te bevatten van personen die geschilderde behangsels hebben laten maken bij de Vaderlandsche Maatschappij te Hoorn.

De Vaderlandsche Maatschappij werd in 1777, een economisch slechte tijd, op gericht door doopsgezinde predikant Cornelis Ris uit Hoorn, die zich het lot van de armen in de stad erg aan trok. De Vaderlandsche Maatschappij bestond uit een armenschool, een werkhuis, een rederij en fabrieken. De ‘schilderfabriek’ was een onderdeel van deze maatschappij en men kon daar gedrukte en geschilderde behangsels bestellen. Vele gedrukte en geschilderde behangsels werden geleverd aan de gegoede inwoners van Friesland. Zo komen we silhouetten tegen van Pieter Mastenbroek uit Sneek en P. Tjallingii uit Harlingen. Zij lieten geschilderde schoorsteenstukken vervaardigen. De familie Hanekuik en de familie Persijn lieten gedrukte behangsels van de Vaderlandsche Maatschappij in hun huizen aanbrengen. En ook van verschillende personen uit die families knipte de Meniste dominee Matthias van Geuns silhouetportretten. Bij verdere bestudering zullen de boeken ongetwijfeld nog veel meer leuke cultuurhistorische gegevens blijken te bevatten.

Tonny Jurriaans

afb. 8, Silhouetteerstoel

Snijdsels van een schimmenspeler, Knip-Pers 1991-4

Een silhouet roept een beeld op dat we herkennen aan de omtrek van een voorwerp met ruimtelijke afmetingen, bijvoorbeeld ons eigen gezicht. Maar als onze eigen schaduw op een scheef vlak valt, lijkt het een misvorming van wat we echt zijn. Door knip- en snijwerk, dat op zichzelf een profiel is van de werkelijkheid, te beschijnen, kunnen we opnieuw een schaduw afbeelden op een vlak. Zulke schaduwbeelden of schimmen kun je laten bewegen en dan heb je de mogelijkheid om een verhaal te maken. Zo werkt in Indonesië de wajang en onlangs trad in Amsterdam en Utrecht een groep schaduwspelers uit Cambodja op met manshoge, uit leer gesneden poppen. Ook in India en Turkije leeft deze traditie van schaduwtheater en in ons land speelde men in de vorige eeuw met de “Chinese schimmen”.

We werden bij schaduwbeelden bepaald door een boekje dat Marie Thérèse Bruning ons leende, met gesneden platen door Frans ter Gast.

afb. 1, Frans ter Gast

In de Knip-Pers is over het werk van ter Gast nog niet zoveel geschreven en wij zijn te rade gegaan bij wat Line Huizenga-Onnekes in 1956 had geschreven over haar tijdgenoot, de schimmenspeler Frans ter Gast: “Misschien is hij op het ogenblik de enige in ons land, die zich met de edele kunst van het maken en vertonen van schimmen ophoudt. Hij snijdt zijn schimmen, knipt ze niet, omdat zijn vingers te dik zijn voor de kleine schaarogen. Zelf vindt hij dat hij daardoor scherper en pittiger lijnen krijgt, wat het werk een persoonlijk cachet geeft.

afb. 2, Frans ter Gast

Hij bezocht de Kunstnijverheidschool te Amsterdam en Haarlem, werkte drie jaar in het buitenland en vestigde zich in Den Haag als decorateur, afficheontwerper en sierkunstenaar. Hij illustreerde boeken, gebruikte silhouetten voor reclamedoeleinden en maakte een silhouetfilm. Ruim 25 jaar is het ontwerpen van schimmenspelen zijn grote “hobby”, waarvan een dertigtal spelen het resultaat zijn. Ze duren ongeveer anderhalf uur en er zijn er bij waarin ruim 500 figuren voor komen. Tot zijn repertoire behoren “De Legende van Beatrijs”, “Zwerftochten van Odysseus”, “Blauwbaard” en “De Moord van Raamsdonk”. En zo zien we dat de knipper en snijder van silhouetten nog heden ten dage vele mogelijkheden heeft”.

afb. 3, Frans ter Gast

Met bewegende schimmen kon men dus hele verhalen samenstellen en het publiek boeien door een combinatie van schaduwen, vertellingen en liedjes. Soms werkte men met een heel team van spelers, sprekers en aangevers “achter het scherm”. Het is inderdaad een kunst, waaraan wij, knippers, ons best wel eens mogen wagen, als vermaak voor het gezin of een partijtje in kleine kring!

afb. 4, Frans ter Gast

In het boek “Schimmenspel en het spelen met schaduwen”, door Hetty Paërl (Wereldbibliotheek 1979) lezen we verder over Frans ter Gast en zijn beweegbare schimfiguren vol scharnieren en touwtjes. Soms verwerkte hij dun gekleurd papier in zijn figuren en projecteerde ze met een felle lamp. “Erik van Godfried Bomans maakte hij zo tot een kleurig schimmenspel; andere stukken waren de “Baron van Münchhausen” en “Meneer Prikkebeen”. Ter Gast heeft zich ervoor beijverd dat de schimtraditie werd voortgezet en inspireerde jonge spelers.
In 1970 is hij overleden.

afb. 5, Frans ter Gast

Al eerder hebben we enkele afbeeldingen uit het boekje “Appeltjes van Oranje” geplaatst, waarvoor ter Gast in 1948 de silhouetten maakte. Hij hield veel van de vaderlandse geschiedenis en het Oranjehuis. Het bovengenoemde boekje, “Sage en Feit uit Oorlogstyd” uit 1946, behandelt het leven in de oorlog en gedichtjes van Jan Ubink begeleiden de platen van ter Gast. In de inleiding lezen we: “Frans ter Gast, de snijder van bekoorlijke schimmenspelen sneed in de winter van 1944-45 een paar platen naar aanleiding van de brandstoffennood. De reeks werd groot genoeg om een boek te vormen … Het gesneden zwart-wit beeld heeft, ook wanneer het niet op het witte doek wordt geprojecteerd, een eigen bekoring. De strakke scherpte van de lijnen en de beperkingen, waartoe de techniek onmiddellijk voert, geven het een karakter, die het van ieder andere kunstuiting onderscheidt”.

We vinden beide boekjes de moeite waard om door onze vereniging heruitgegeven te worden!

Joke en Jan Peter Verhave

Doorsneden verleden, Knip-Pers 1994-1

Voor veel mensen in Zeeland is het welbekend: in de tijd van hun (bet-) overgrootouders was er een kunstenaar die prenten knipte. Er zijn nog honderden families die een kleurig werkstuk van Jan de Prentenknipper bewaren. Kleine prentjes met een wijze spreuk of een paar figuren uit de bijbel, bewaard in het kerkboek met zilverbeslag. Grotere prenten met het huwelijk als onderwerp: ‘trouwverbond’ of ‘stuk des verbonds’ vol symboliek, de ‘tempel van Jeruzalem’ als een afspiegeling van Gods woning onder de mensen. En ook wonderlijk precies uitgewerkte hofsteden, met daarin alle kanten van het boerenbedrijf. De maker moest een rondreizend koopman zijn geweest, een kramer met prenten in zijn mars. Maar zijn naam had hij nooit in de knipsels verwerkt en niemand wist meer iets van hem, dan dat hij zijn werk gaf voor een bord aardappels, een plekje in het hooi of een paar centen. Wie was toch die bekende onbekende knipper? Dat zou men in Zeeland graag weten; ook volkskundigen en papierknippers zijn nieuwsgierig geworden. Overgeleverde verhalen zijn er haast niet meer. Het is te begrijpen dat er over zo’n eenvoudige man ook weinig bewaard is gebleven aan geschreven bronnen en als er al zoiets zou zijn, dan was het moeilijk te vinden, omdat we aanvankelijk zijn achternaam niet kenden. Die moeilijkheden maken het snuffelen in de geschiedenis tot een boeiende activiteit. Over het onderzoek dat wij hebben gedaan, schreven we in het maartnummer van 1992 al iets; nu willen we graag nóg een paar anekdotes vertellen.

afb. 1, Prentje van ‘Piet de Knipper’ die ten tijde van Jan (rond 1835) ook overal in Zeeland actief was

Al in de vijftiger jaren had Wiecher Lever het Zeeuwse werk van Jan de Prentenknipper ontdekt en uit zijn bewaarde brieven weten we dat hij geloofde dat er meerdere Jannen in Zeeland waren geweest, die knipten. Het zou dus een streek- gebonden activititeit zijn en ieder op zijne wijs. Lever heeft geen verder onderzoek naar die Jannen gedaan. Wat betreft de leefwijze van Jan de Prentenknipper had Wiecher Lever wel wat weg van zijn voorganger: hij reisde rond en verdiende zijn brood met schaar en papjer.

afb. 2, Jan Huyszoon, Stuk des Verbonds, huwelijksprent die Jan in vele variaties heeft gemaakt, 22 x 28 cm.

Tien jaar later groef een medewerkster van het Openluchtmuseum, Hil Bottema, dieper in de geschiedenis: de vier laatste jaren van haar leven is zij druk bezig geweest met die Zeeuwse knipper. Het was er één, volgens haar en niet meerderen. Ze beschikte omstreeks 1965 niet over geschreven bronnen, noch over zijn ware naam. Daarom is ze maar gaan vragen naar overleveringen. Hil meende hem te herkennen in de ondertekening van een hartenknipsel: “Met liefde gedaan, Joseph de Laat”. De hulp van de gemeente-archivaris van Goes werd in geroepen, maar die vergiste zich en gaf de gegevens van een oom van Joseph door. Zo zijn er verkeerde jaartallen in het artikel van Hil terecht gekomen, dat ze in 1967 schreef voor het toen jonge tijdschrift Antiek: 1803-1883. Er was ook geen zekerheid of Jan protestant of katholiek was; Hil meende “streng calvinistisch”, maar ze zag over het hoofd dat Jan juist in deze prent de martelwerktuigen van Christus had getekend, echt iets uit het katholieke volksbeleven. Jans godsdienstige achtergronden en de keuze van onderwerpen voor zijn prentjes hebben ons intens bezig gehouden: hij had een katholieke vrouw, bleef zelf hervormd en vroom, maar streng, nee.

afb. 3, Jan Huyszoon, Straf der Zonde, paradijsprentje, ca 10 x 7 cm

Of Hil kort voor haar overlijden een vermoeden heeft gehad wat de ware naam van Jan was, weten we niet precies, maar één ding is zeker, ze heeft die naam onder ogen gehad in een ander knipsel, dat was ondertekend: “Met liefde gedaan, uw vader en moeder Jan Huijszoon en Dingena Potvliet’. Het speurwerk liet ze toen over aan een collega, maar het spoor werd niet verder gevolgd. Als die medewerker nog even had doorgezet, had hij toen al ontdekt dat de Prentenknipper Huijszoon heette en een prent voor zijn huwende stiefdochter had gemaakt.

Helaas maakt de dood altijd een eind aan het gedachtegoed van elk mens; gelukkig had Hil bijna alles wat ze wist opgeschreven en waren haar aantekeningen en correspondentie over Jan de P. in het Openluchtmuseum bewaard gebleven. Wij hebben daarvan gebruik mogen maken hij de voorbereiding van de tentoonstellingen, die vorig jaar in Goes en St. Annaland aan hem gewijd zijn, en bij ons boekje ‘Schaar-Kunst’ in 1983.

afb. 4, Jan Huyszoon,  (Profeet) Elias en Nebukadnezar (koning van Babylon,), ± 10 x 7 cm

Toen wij in het jaar daarvoor vakantie hielden in Zeeland, namen we de kans onze nieuwsgierigheid te bevredigen en doken we enkele dagen in het archief. We vonden een mededeling van iemand, dat achterop de prent van Jan, die hij in bezit had, de naam van de maker stond: Johan G. den Boer. Het resultaat van die speurtocht is te lezen in ons boekje en … we hadden de plank volkomen misgeslagen. Dat bleek pas goed, toen we afgelopen zomer in Den Haag (het manuscript voor het boek over Jan was al klaar!) die betreffende prent zelf onder ogen kregen. Toen zagen we dat het helemaal geen Jan de Prentenknipper was, maar werk van een imitator, Het leerde ons, dat je bij geschiedenis nooit moet vertrouwen op wat anderen schreven, maar zoveel mogelijk zelf de bronnen moet controleren!

De eer van de ontdekking van de achternaam van Jan komt toe aan iemand die niets met de knipperij heeft. Met is meneer Rooze uit Middelburg, die in een oud krantje van 1870 uit de gemeente Goes het overlijdensbericht van de Prentenknipper vond. Hij wist dat er al jaren naar gezocht werd en gaf zijn vondst door aan de Rijksarchivaris van Middelburg. Zo is het balletje gaan rollen en zo alleen konden wij proberen om de burgerlijke stand gegevens van Jan Huijszoon in verband te brengen met de verhalen over Jan de Prentenknipper en de plaatsen waar hij zijn knipsels verkocht heeft.

afb. 5, Jan Huyszoon, Psalm 7, de onbekende lievelingspsalm van Jan. die hij talloze malen heeft verbeeld, 10 x 7 cm.

We hebben honderden vragenformulieren rondgestuurd en teruggekregen, de meeste uit Zeeland, maar ook uit alle hoeken van het land, uit Spanje en Amerika. We zijn hij een kleine honderd mensen thuis geweest en hebben gevraagd naar hun voorouders. De mensen stellen prijs op hun bezit dat van generatie op generatie is doorgegeven en men geeft het niet zomaar meer uit handen. Het blijft dus in Zeeland en dat is goed.

In diverse Zeeuwse verzamelingen kwamen naast de gekleurde kerkboekprentjes van Jan ook witjes voor, die door iemand anders gemaakt waren. Dat zette ons aan het denken, te meer. toen we de overlijdensakte van de achttienjarige zoon van Jan te zien kregen in het actief van Goes: “overleden Chrisoffel Johannes, van beroep plaatsnijder, onechte zoon van Jan Huijszoon, plaatsnijder”. Dus junior had het beroep van senior overgenomen meenden we en omdat ze altijd samen rond zwierven, zou junior de witte prentjes wet gemaakt hebben. Totdat we onlangs een dergelijk prentje zagen, voorzien van het jaartal 1835. Toen was junior nog maar zes jaar oud en hij kan die prentjes dus onmogelijk gemaakt hebben. Misschien heeft de ambtenaar wel een fout gemaakt, Fantasie bij dit werk kan te vervoeren, maar het is toch ook nodig!

Fantasie, ook over hoe Jan eruit gezien kan hebben. Was hij mismaakt met een bochel (zoals de overlevering zegt), had hij een dikke buik (in de Zeeuwse spraak: ‘n buuk as ‘n prentevent) of was hij gewoon maar klein van stuk (ongeveer 1,58 m zoals uit zijn Militie- rapport blijkt)? We weten het niet, maar zeker is dat hij meerdere jaren in militaire dienst geweest is en later dijkwerker is geworden. Daarvoor moet je toch gezond van lijf en leden zijn! Aan dat zware werk is vrij plotseling een eind gekomen in 1834, toen hij rondreizend ‘negociant’ werd en ging knippen voor het brood van hem en zijn meezwervende gezin. Heeft hij de tering gehad, waardoor je een rugvergroeiing kon krijgen, of een hernia? En wat voor kleren had hij aan? Was hij in burger of op z’n boers? Fraai zal het niet zijn geweest, dag aan dag hij de weg, in verweerde, versleten plunje en op klompen, ‘s nachts in ‘t hooi, wij zouden onze 20e-eeuwse neuzen voor hem opgetrokken hebben!

Vreemd volk, met van die godsdienstige prentjes… zo fantaseerden wij verder. (Gastvrije boerenvrouwen hebben hem toch binnen genood en hij zal zijn ogen hebben laten dwalen langs al die tegels in de schouw en langs de muur van de oude hofsteden. ‘Tegels met verhalen uit de bijbel, allemaal door elkaar heen, uit oude en nieuwe testament en soms was het niet makkelijk het verhaal te herkennen. Jan heeft vele bijbelprentjes gemaakt, wel duizenden (dat moet haast wel want wij zagen er honderden). en vroegen ons af: koos hij lukraak, zoals die tegels gerangschikt zijn, populaire geschiedenissen die de mensen graag kochten, of was het een eigen keuze? Wij hebben In enkele Zeeuwse hofsteden murenvol bijbel-tegels gezien en moesten vaststellen dat Jans keuze uitdrukkelijk anders was; hij maakte wel prentjes met populaire verhalen, zoals .Adam en Eva, het Offer van Abraham, Salomo’s oordeel, Elia en de raven, Jona en de vis, maar andere missen of zijn schaars: de Twee verspieders met de druiventros, Jozef en Potifars vrouw, Tobias, en ook de verhalen over Jezus en zijn gelijkenissen.

Daarvoor in de plaats heeft Jan tientallen keren minder bekende figuren gekozen zoals Bileam, Nebukadnezar, Manasse en de Psalm 7, die ook in Zeeland bijna niemand meer kent. Waarom? We hebben onze gedachten daarover te boek gesteld.

afb.65, Johan Georg den Boer, stadsgenoot van Jan uit Goes, die zijn stijl nabootste, 35 x 35 cm

Over tegels gesproken, in het Tegelmuseum te Otterlo ontdekten we tot onze verrassing een spreuk, die Jan diverse keren had verwerkt in zijn hofstedenprenten: “Het land te bouwen is myn lust myn hart en zinnen zyn gerust, ik wei het rundervee, gelijk als vader Jacob dee.” Dat rijm waren we nooit ergens in Zeeland te tegenkomen en nu blijkt opeens dat het overal in het land op grote tegeltableaus voorkomt. Steeds weer iets nieuws!

Van de week kwam er weer een prentje boven water, dat we nog nooit gezien hadden (Samsons kragt). Het zal nog wel vaker gebeuren, ook als het boek in april verschenen is…

Jan is dus in 1870 overleden, maar wie schetst onze schrik toen er tijdens de tentoonstelling in Goes een prentje met het jaartal 1877 opdook. Zaten we er weer eens naast? We hebben het prentje niet in het echt gezien en daarom houden we het maar op een product van een naknipper. Daarvan zijn er meerderen geweest, die in de trant van Jan werkten. Eerlijk gezegd, wij vonden het soms ook moeilijk om Jan te herkennen! Maar geen van hen heeft zo’n productie gehad dat hij er brood in zag.

afb. 7, Prentje van ‘Piet de Knipper’

H

eel anders is dat in Zwitserland gelopen, waar Johann-Jakob Hauswirth in dezelfde tijd als Jan gekleurde prenten maakte van rijen koeien die de berg op en af klimmen. Hij had een opvolger, en die had er ook weer een; tenslotte werden de rijen koeien, kleurige harten en toverknopen een soort handelsmerk voor de Zwitserse knippers van tegenwoordig. Je ziet het daar overal. Zouden wij in Nederland ook moeten beginnen om ons geknipte cultuurgoed af te beelden op blikjes Zeeuwse boterbabbelaars, placemats, Unicefkaarten en VVV-folders? Of toch maar liever een standbeeldje In de tuin van het Oude-Manhuis te Goes?

Joke en Jan Peter Verhave

Derde Jantje is Jantje III, Knip-Pers 1993-1

Het Westfriese Hoogkarspel, een dorp tussen Hoorn en Enkhuizen. is niet moeilijk te vinden. De huizen in de nieuwbouwwijk, waar Jannie de Jong-Brouwer woont, zijn evenwel geschaard als de kartelrandjes in haar knipwerk. Dat zou wél eens een probleem kunnen geven. Maar voor een fan die op bezoek komt steekt ze de vlag uit. Een opvallende oplossing, typerend voor de vrouw die ons laat kennismaken met de originaliteit in haar werk. En daarmee vallen we met de deur in huis. Ook letterlijk, want je kunt zo via het tuintje de kamer binnenstappen. Het huis van Jannie de Jong, beter bekend als Jantje III, heeft iets museumachtigs. Maar dan van een volkskunstmuseum, met Nederlandse producten waarvan haar eigen knipwerk de hoofdmoot vormt.

afb. 1, Jantje III, 1 rijtje blijft staan voor moeder de vrouwZe is hartelijk en welbespraakt, deze niet meer zo jonge knipster, die het grootste deel van haar leven doorbracht in Friesland voordat zij enkele jaren geleden terugkeerde naar Hoogkarspel.  En deelzaam ook met het Westfriese gebak bij de gebruikelijke thee, voordat we samen het huiss doorgaan. Op haar werkkamer lift een bijna af prent voor een onthaalmoeder (kleuteropvangmoeders). Een pracht prent van een kleuter, die met laarsjes en een paraplu heel vrolijk door de regen stapt.

afb. 2, Jantje III, de kleinere knipsels zijn op biefkaartformaat, in verschillende kleuren geknipt, met kleine toevoegsels in een of andere kleur of in “goud”

Ik vraag me af waarom elke prent van Jantje III een verhaaltje heeft. Jannie vertelt dat volkskunst altijd een versierende boodschap is. Zowel de voorstelling als de motieven kunnen een symbolische betekenis hebben. Zij heeft er geen moeite mee er wat uitvoeriger op in te gaan en vertelt dat de interesse voor de volkskunst haar met de paplepel werd ingegoten. Haar vader was houtsnijder en maakte prachtige koekplanken. Hij gaf haar de stelregel mee dat ‘zelf bedenken en het dan maken meer voldoening geeft dan zelf kopen’, Als zesjarig meisje werd zij al meegenomen naar de Zuiderzee Visserijtentoonstelling in Enkhuizen in 1930. Daar zat Jantje II van Urk te knippen. Omdat ze haar grootmoeder altijd al kastrandjes had zien knippen was ze meer onder de indruk van de klederdracht en de vriendelijkheid voor kinderen van deze simpele Urker visser, dan van zijn knipwerk.

afb. 3, Jantje III, bij ons komen de kindertjes uit de kool

Van jongs af aan geeft Jannie de Jong op allerlei manieren en herhaaldelijk blijk van originaliteit en het vermogen tot scheppend bezig zijn. Of zij zich nu bekwaamde in kantklossen, breien, naaien, borduren, tekenen, toneelspelen of activiteiten organiseerde zoals bazaars en tentoonstellingen: altijd wist zij ergens een succes van te maken. Met name het zelf ontwerpen vormde de grootste uitdaging voor haar. De latere knipwerken dragen dan ook een uitgesproken origineel en persoonlijk karakter, waarin zij onderwerpen en motieven verwerkte die zij ontleende aan vooral Westfriese gebruiken en folklore.

Op ongeveer 40-jarige leeftijd volgt er per toeval een hernieuwde kennismaking met het papierknippen. Voor de Plattelandsvrouwen houdt mevrouw I. Kerp-Schlesinger een lezing over papierknippen als volkskunst. Jannie de Jong wordt gevraagd een correspondent van een regionaal dagblad in Noord-Holland te vervangen om deze lezing te verslaan. Naar aanleiding hiervan neemt ze zelf papier en schaar ter hand. Op zoek naar ‘regels’ voor de volkskunst kwam wij omstreeks 1966 in contact met Hil Bottema, volkskundlg medewerkster aan het ‘Rijksmuseum voor Volkskunde’, nu het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem, Hil Bottema was voorstander van het decoratieve, gestyleerde, symmetrische knippen; kenmerken die men in de volkskunst en bij oud- Hollandse knipprenten aantreft. Zij vond dit hij uitstek passend voor de schaarkunst, Dit geeft, volgens haar, een gebondenheid, maar tevens een zekere rust, evenwicht en harmonie aan het werk, mits de vlakverdeling goed is. Bij volksmotieven komt de symmetrie veel voor, vooral de links-rechts symmetrle. Hil Bottema bleek zich verdiept te hebben in het papierknippen in de negentiende en twintigste eeuw, met name over Jantje I uit Zeeland (1803-1870) en Jantje II uit Urk (1855-1938). Jantje I kreeg van Hil Bottema de bijnaam ‘de gewiekste’ omdat, naarmate hij als marskramer rondtrok door Zeeland en onderdak vond, het hooi warm was en de kost goed, het langer duurde voor de prent af was die hij als dank achterliet. Jantje II kreeg de bijnaam ‘de vrome’ omdat zijn knipprenten vooral uit Bijbelse motieven bestaan.

afb. 4, Kenmerkend voor het knipwerk van Jantje III is baar eigen visie op gebeurtenissen en feesten. De vrolijke taferelen weet zij met ongebreidelde fantasie uit het gekleurde papier te knippen, in grootte variërend van  luciferformaat tot afmetingen van ± 60 cm. Graag gebruikt zij toevoegingen in een andere kleur; op de latere, witte knipsels kleine gekleurde toevoegsels of ‘goud’

‘Vanuit haar grote belangstelling voor de volkskunst en haar kennis daarover, noemde zij Jantje I en II volkskunstenaars. En ook Jannie de Jong voldeed aan Bottema’s criteria. Zij had zichzelf het knippen geleerd, tekende niet voor, gebruikte veelal gekleurd papier en verwerkte motieven uit de vormenschat der volkskunst in haar knipprenten. Bovendien liet zij zich niet beïnvloeden door denkbeelden van anderen of door heersende opvattingen. ‘toen zij ook nog eens als Jantje bleek gedoopt, was er een Jantje III geboren! Jantje ‘de humoristische’. Als je de humor ervan inziet weten haar knipsels je vrolijk te maken, hetgeen genoeg zegt over wat zij met een naïef aandoende eerlijkheid in haar knipwerk weet te leggen.

Hil Bottema raadde haar aan het knipwerk voortaan met J III te signeren en uit waardering voor Hil is Jantje de Jong zich Jantje III blijven noemen. Van enige styistische overeenkomst in het werk van de drie Jantjes is evenwel geen sprake Met Jantje I heeft ze wel gemeen dat zij beiden van kleur In de knipsels houden. Hij kleurde zijn werk in en zij voegt kleur toe door hij onderdelen van het knipwerk gekleurd papier te gebruiken. De overeenkomst met Jantje II is dat beiden van kinderen houden. Hij had graag kinderen om zich heen als hij zat te knippen en Jannie knipt samen met kinderen of geeft hun les. Ook kreeg zij het advies van Hil Bottema: ‘Ga nooit naar tentoonstellingen en volg geen kniplessen, maar blijf trouw aan je eigen stijl”. Het was inderdaad de wens van Jannie de Jong om echte volksknipper te zijn en daarom verdiepte zij zich in de volkskunst.

Haar stijl en decoratieve knippen sluiten daar bij aan, als je aan de koekplanksnijders denkt. Gebeurtenissen plaatst zij graag in een eigen omgeving en ze brengt de dingen zoals zij die ziet. Jantje III laat zich daarbij niet leiden door de smaak van het publiek; een beoordeling daarover laat ze graag aan deskundigen oven Ze probeert de knipperswetten na te streven en al doende leert ze zelf van elke prent die ze maakt.

afb. 5, Jantje III, Vastenavond: zes weken voor Pasen

S.J. van der Molen omschrijft haar in een artikel in ‘Neerlands Volks’ als volgt: ‘Iemand, in wie Nederland weer een bijzonder vaardige knipster bezit met een stijl, die even decoratief als charmant is en die oude motieven tot nieuwe vormen weet te herscheppen terwijl haar werk als het ware de geur van het vertrouwde verleden ademt”, En naar aanleiding van een expositie van haar werk in het Westfries Museum in Hoorn (1973) schreef W.A. Braasem in zijn persbericht: “Behoort het werk van de beide voorgaande Jantjes tot de zuivere volkskunst, de knipsels van Jantje III dragen daarentegen een uitgesproken individueel en persoonlijk karakter. Hoewel haar werk dus de ‘onbedorven’ argeloosheid van de volkskunst mist, laat zij zich in de door haar aangewende motieven vaak inspireren door de plastische en vitale ornamentiek en vormenrijkdom van deze zelfde volkskunst”, Jantje III, van beroep godsdienstlerares, is zich steeds meer met de kniptechniek gaan bezig houden. Ze experimenteert graag met papiersoorten en de meest uiteenlopende materialen, zoals eieren, linten en doosjes. Plakte zij aanvankelijk de uit gekleurd sitspapier geknipte motieven op een wit karton; later is zij over gegaan tot het knippen van de motieven uit wit papier voor een gekleurd vilten ondergrond.

afb. 6, Jantje III, Inleveren voor de FLoor

Ook de stijl van het knippen maakt veranderingen door. Vanuit de wat primitieve koekplankstijl, die zeker zijn eigen charme had (en misschien beïnvloed was door de Westfriese bakkers met hun Abrahams, die met zilverpillen en gekleurde suiker het geheel zo mooi en aantrekkelijk mogelijk willen maken), ontwikkelt ze een vloeiende, uitgesproken decoratieve lijn, waarin haar gevoel voor evenwicht en ornament duidelijk naar voren komt.

Omdat haar inspiratiebron ligt op het terrein van folklore en volkskunde, beeldt zij graag de rijke geschiedenis van haar streek uit. Ook bevat haar werk Bijbelse motieven, gelegenheids- en actualiteitsknipsels, legendes en sagen of volksgebruiken en jaarfeesten. Waarbij ze niet kan nalaten er een eigen interpretatie aan te geven, zodat haar knipprenten een eigen leven gaan leiden en op hun beurt legendes worden. Ze noemt haar producten nadrukkelijk knipPRENTEN en verslaat daaronder een knipsel-met-rand. Ze zijn moeilijker te maken omdat je minder bewegingsvrijheid hebt met de schaar.

afb. 7, Jantje III, Kerstmis in de regen, 44 x 50 cm wit papier mei goudkleurige toevoegsels op rood vilt.

Tot op de dag van vandaag is Jantje III actief bezig. In culturele werkgroepen met demonstraties In papierknippen, een activiteit waarmee ze in 1967 begon. Ze bereidt themavoorstellingen voor, geeft les in papierknippen aan kinderen én aan ouderen. Liefst streekgericht, waardoor een functioneel knipwerk ontstaat. De herinneringen die ze van al die jaren aan het knippen heeft overgehouden zijn teveel om op te noemen. Bij sommige tentoonstellingen was er aan de hand van een thema of prent een boekje met een verhaal, dat door de kinderen zelf met knipseltjes kon worden geïllustreerd. Nu werkt zij bij de kinderlessen met het verhaal van Vincent Vlug en Lotje Langzaam. Een gegeven, dat het prima doet.

afb. 8, Jantje III, s Avonds in huis voor de tientonen en elf ribben

Maar of zij altijd tevreden is over haar werk? “Nee, vaak denk ik: Een volgende keer doe ik dat iets anders; maar wat de deur uit gaat, daar sta ik wel achter! Ze vindt het dan ook niet jammer als er een prent weg gaat, want haar grootste plezier ligt nog steeds in het maken zelf. “Ik heb er reuze plezier in om bepaalde situaties waarin mensen verkeren, bepaalde gebeurtenissen, gevoelens of soms zomaar mooie vormen om te zetten in een knipprent. Kijken of me dat lukt. Als het af is, is het doel bereikt. Ik knip om te knippen. daarin heb ik plezier. Ik hoop dat ik dat mag houden.’’ Een paar uitschieters die ze noemt zijn een knipsel voor Koningin Beatrix en een knipprent voor het huwelijk van haar eigen dochter.

afb. 9, Jantje III, Naar de lappedag

Sommige prenten houdt ze evenwel zelf; die hebben een toekomstige bestemming en hangen ook niet aan de wand,

Gevraagd naar het eigenlijke doel van al haar knippen, omdat ze er nog dagelijks mee bezig is, staat de echte Jantje III op: “Op mijn tentoonstellingen wil ik de mensen graag blij zien rondgaan en vrolijk kijken. Misschien komt dat wel door de humor, die al knippend ontstaat”

Door de regen op weg naar huis, gaat de vrolijk in de regen slappende kleuter op die prent voor de onthaalmoeder zijn werk doen. Volks- kunst werkt!

Magda Helms-Timmer

Gelezen:
Volkscultuur 1988-4: “De Prentknipkunst van Jannie de Jong-Brouwer’, A. K Wesseldijk-de Jong
Knip-Pers 1983-3: ‘jantje III”, G. Felders van Meekeren
Brochure Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst: “Line Huizenga en Hil Bottema” Joke Verhave en To van Waning

Schaar-geschiedenis wordt geknipt, Knip-Pers 1993-3

Hans Postma
Nu we met de vereniging aan een nieuwe decade beginnen is het misschien een goed moment om een ‘nieuw’ aspect aandacht te geven. Een aantal van onze leden is gezegend in jaren en niet pas via de ijver en publiciteit van de vereniging in de afgelopen 10 jaar verknipt geworden.

Samen met het bestuur hadden wij het gevoel dat het interessant is om een aantal oudere leden te bevragen over hoe zij aan de knipperij zijn geraakt. Daaruit kunnen we leren hoe individuele knippers en de vereniging elkaar beïnvloed hebben. Voor sommigen van hen werd de vereniging een welkome stimulans, anderen werden een stimulans voor de vereniging!
Wij interviewden de nestrix van de Knipkring “kniprijk Nijmegen’, mevrouw Hans Postma. Na deze eerste aflevering willen we het stokje overdragen aan andere Knipkringen, in de afwachting dat ook zij hun senioren in het zonnetje zetten.
In hun huis aan de rand van het Brabantse dorp Heyen aan de Maas woont Hans Postma-Tideman samen met haar echtgenoot Boy, omringd door boeken, schilderijen, mooie dingen van alle tijden en een tuin vol bloemen.

afb. 1, Hans Postma-Tiedeman, ca 1988

De oudste knipherinnering van Hans is dat zij op 5-jarige leeftijd, wonende in Soerabaja, een poesje geknipt heeft dat vervolgens naar grootmoeder in Nederland gestuurd werd. De boot met deze post is getorpedeerd en dit eerste knipseltje is verloren. Hoewel haar moeder poppetjes aan elkaar knipte, heeft Hansje toen het knippen niet verder voortgezet. Maar haar schoolschriften werden van achter naar voor met tekeningen gevuld, waardoor ze vaak maar half voor werk beschikbaar bleven. Tekenen heeft ze haar leven lang graag gedaan.

Volwassen in Nederland heeft een lezing van W.Tj. Lever de aanzet gegeven tot een interesse voor de knipperij; er werd echter nog niet meteen geknipt.

Voor haar vijf kinderen heeft Hans een levensboek gemaakt. Eind veertiger jaren maakte ze voor elk van hen een knipsel; zelf noemt ze deze knipsels ‘uitgeknipte tekeningen’. (afb. 2 en 3) Kennelijk heeft Lever in die tijd ander werk van Hans onder ogen gehad, want hij noemde haar in een van zijn artikelen een veelbelovend talent; zij kan zich dat overigens niet herinneren.

afb. 2, Hans Postma, ca 1950

afb. 3, Hans Postma, ca 1950

Als domineesvrouw werd Hans belast met het leiden van de kerkelijke jeugd en ze werd ook leidster van de padvindsters. Om dit zo goed mogelijk te kunnen doen volgde zij in Arnhem, in het Openluchtmuseum, een ‘mooimakersweek’. Dit betekende contact met een tweede belangrijke knipper uit die tijd: Hil Bottema. Nadat zij aan Hil enthousiast had verteld een lezing van een meneer Lever gehoord te hebben en dat die zo mooi kon knippen, heeft Hil niets meer tegen haar gezegd! Hans vond er overigens niet veel aan om potten met bloemen  à la Hil te moeten maken.

Op een keer bleef een knipseltje, door Hans gemaakt en gebruikt als bladwijzer, in de trein liggen. Tegenover haar had een meneer gezeten, vermoedelijk Lever, want later tijdens een bezoek aan Lever’s museum zag Hans haar knipwerkje (een kruis en doornenkroon) terug in Westerbork. Jammer genoeg was Lever er toen niet om het hem te vragen en ze heeft het ook niet belangrijk genoeg gevonden om nadien nog contact te zoeken.
Behalve het werk van Lever heeft Hans de vroege knipsels van Jantje III bewonderd, op een tentoonstelling in Hoorn in 1974. Haar eigen knipsels van na die tijd zijn er duidelijk op geïnspireerd. Vanuit het boekje ‘Leer knippende zien’, van mevrouw I.G.L. Kerp, is het actieve knippen begonnen.

Door een ander toeval heeft ze ‘haar vorm’ in het knipwerk gekregen. Een groot warenhuis hield uitverkoop van zwarte, ovale lijstjes; Hans kocht er veel en heeft er goed gebruik van gemaakt. Er wordt niet zomaar geknipt. Er moet een uitgangspunt zijn. Liefst een spreuk, waarbij de favoriet voor Hans, die herhaaldelijk zegt slordig te zijn, is: “My home is clean enough te be healthy and dirty enough to be happy”.

De spreuk wordt in de rand geknipt, er komen spiegels aan te pas om de letters goed te krijgen; een enkele keer wil er nog wel eentje verkeerd-om staan. Heeft ze de spreuk eenmaal en is er een schets gemaakt met het ontwerp, dan wordt er meestal aan een stuk door geknipt, dat is het fijnste deel. Haar voorstellingen zijn levendig en de symmetrie wordt vaak doorbroken. Daarna komt het opplakken, wat ze nog steeds afschuwelijk vindt, maar een onbedoelde rimpel draagt bij aan haar stijl. (afb. 4)

afb. 4, Hans Postma

Hans is een bescheiden vrouw, volgens eigen zeggen schuchter ten opzichte van onbekenden. Wetende van een knippende mevrouw in het nabije Malden heeft Hans nooit de moed gehad zich bekend te maken. Wel is ze lid geworden van de vereniging en heeft de eerste lustrumbijeenkomst in Arnhem bijgewoond. Omdat wij binnen de Nijmeegse Knipkring iemand hebben die uitstekend contact kan leggen, kon Hans ons toen niet meer ontlopen. Hans zegt dat de kennismaking met de Nijmeegse knippers bij haar een minderwaardigheidsgevoel deed groeien. En dat voor iemand die zó een eigen weg heeft gevolgd. Het is voor ons allen herkenbaar om tegen een andere knipper te zeggen: “o, wat ik maak stelt niet zoveel voor”…. en het duurde even voor ze met haar eigen werk voor de dag durfde komen. Veel kon ze niet laten zien, omdat het weggegeven was. In de Kring leerde ze van elk nieuw knipsel een fotokopie te maken.

afb. 5, Hans Postma

Hans is een fijn lid van de Knipkring, leergierig en bescheiden. Zij heeft voor ons de mogelijkheid tot exposeren in het streekmuseum in Gennep geschapen in 1991 en daar hingen op een ereplaats haar Gennepse ponymarkt, het Gennepse stadhuis en het oude kerkje van haar man. (afb. 6)

Ter gelegenheid van haar gouden huwelijk wilde Hans voor ieder kind en kleinkind een cadeautje maken. Knippen duurde te lang, een cursus Hindeloper schilderwerk bood uitkomst. Heerlijk om te doen, volgens haar zeggen, zeker als je niet zo precies bent. Als het je niet zint, verf je er gewoon weer overheen.

Dit jaar mocht zij samen met haar man hun 60-jarig huwelijk vieren. Ter gelegenheid hiervan is er niet geschilderd, maar geknipt. Het vignet voor de kaart en de bladwijzer, die iedere gast mee naar huis kreeg.
Joke en Jan Peter Verhave

afb. 6, Hans Postma, Gennepse ponymarkt met kerkje.

Goed voorbeeld doet goed volgen, Knip-Pers 1993-2

Het onderwerp van de voordracht tijdens de Contactdag in Ede ging over voordoen en nadoen. Leerlingen doen het voorbeeld na en ze leren zo knipvaardigheid. Nadat enige behendigheid met de schaar is verkregen, komt het ontwerpen en vormgeven aan bod, iets wat nog moeilijker is. Geleidelijk aan ontwikkelt de knipper een eigen stijl. Toch blijft de mode bepalen wat mooi is; vele kunstenaars blijven steken in een succesformule of nemen ideeën van anderen over.Onder knippers is de drang naar het nieuwe, onverwachte, iets wat we mogen verwachten omdat knipkringen, de Knip-Pers en tentoonstellingen veel meer mogelijkheid tot experimenteren en inspiratie geven dan vroeger het geval was.

Er zijn diverse knippers geweest die hun brood of hun beleg met de schaar moesten verdienen. Bij zulke broodknippers was herhaling onvermijdelijk. Ook Wiecher Lever moest in de stille wintermaanden een grote productie maken, om met de verkoop aan de duizenden bezoekers van zijn museum, in Muntendam, Roden en uiteindelijk Westerbork, van een bestaan verzekerd te zijn. In 1953 schreef een knipper, Gert Evers uit Almelo: “Hij knipt fantastisch goed. Alleen is het jammer dat hij nooit verder komt dan altijd maar weer zijn duivenhok, zijn watervogels en herten. Al het andere is kopiewerk naar de stukken uit de oude salons, zelfs, wanneer hij zich eens aan een eigen compositie waagt”.

afb 1, Ot en Sien

Lever heeft zich op allerlei manieren verder ontwikkeld, zoals wij 25 jaar later hij onze bezoeken aan hem konden vaststellen. Maar ook toen nog lag op rustige dagen zijn werktafel vol met allerlei geïllustreerde boekjes, vooral leesboekjes uit de oude doos, zoals die over Ot en Sien. Hij haalde daar zijn voorbeelden uit, trok ze over en verwerkte ze in zijn eigen knipsels (afb. 1). Soms heeft hij afbeeldingen bijna letterlijk overgenomen, zoals uit het vroeger al eens in de Knip-Pers besproken boekje ‘Buiten bij Kaatje’ (afb. 2), en ze kwamen zonder bronvermelding terug in zijn instructieboekje ‘Silhouetten knippen’ uit 1974 (fig. 3).

afb. 2, Lever naar Enderlein, uit: “buiten bij Kaatje”

afb. 3, Lever naar Enderlein, Uit: ‘Silhouetten knippen’ uit 1974

Gelukkig heeft Lever de voorbeelden meestal zo verwerkt in zijn eigen knipsels, dat het tot zijn eigen stijl werd. Lever heeft veel oude knipsels nagemaakt om er zijn museum mee te versieren en zijn verzameling aan te vullen: knipsels uit alle tijdperken, onder andere een van Arie Tergant, waarvan het origineel verloren was gegaan en slechts een afdruk op het verkleurde achtergrondpapier had achtergelaten (fig. 4).

afb. 4, Lever, naar een knipsel van Arie Tergant.

Het leverde hem een vaardige hand op, maar alleen met de verwijzing naar het origineel is zoiets acceptabel. En dat heeft hij vooral in zijn vroegere jaren nog wel eens nagelaten. Later gaf dat in het archief van het Nederlands Openluchtmuseum problemen met de herkomst van een aantal kopieën (Schaarkunst blz. 102-3).

Sommige namaaksels waren zeer groot, als een krant, zoals het huwelijksgedenkstuk door Grootenhuis uit het Overijsselse (afb. 5). Andere waren zeer klein en fijn, handgroot, zoals het bekende Schurman-snijdsel dat rond 1700 werd gemaakt door Otto van Voorst.

afb. 5, Lever naar een huwelijksgedenkstuk door Grotenhuis.

Volkskunst
Waar hebben onze knippers hun inspiratie vandaan? Waren het de oude, overgeleverde vormen, het hart, het wiel, de levensboom, vormen die de tijd hebben doorstaan in allerlei kunstnijverheid op het platteland? De volkseigen, streekgebonden motieven, zonder interesse voor individuele gelijkenis of emotie; zinnebeelden en symbolen, Bijbelse verhalen en wijze spreuken, daar hielden de mensen zich aan vast. Eigenaardig is, dat de naam van de maker niet belangrijk gevonden werd; de kunstnijveraar stelde geen prijs op persoonlijke eer.

Volkskunst is moeilijk te omschrijven, maar wel te gebruiken: Hil Bottema, wier vak het was om te gaan met volkskunst in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, schreef in 1940 een boekje ‘Nederlandsche Handenarbeid, naar oude Vaderlandsche volkskunstmotieven’.

Harten en levensbomen en symmetrische dieren, het waren voor haar van die voor zichzelf sprekende symbolen en ze leerde haar leerlingen voor die symboliek open te staan. In 1952 stelde ze dat knipwerk net zoveel en net zo weinig volkskunst is als naaldwerk, schilderwerk, snijwerk enz. Er is volkskunst en er is uiterst bedreven ambachtswerk in papierknip- en snijwerk te vinden. In 1955 schreef ze een wegwijzer door de Nederlandse volkskunst, waarin het knipwerk ruime aandacht kreeg.

Geleide huisnijverheid, noemde zij het gebruik van oude motieven die nieuw leven worden ingeblazen ‘ter meerder versterking van het gevoel voor vaderlandsche tradities … ‘ In haar vooroorlogse boekje schreef Hil: “Met de goede volkskunstvormen als uitgangspunt, niet klakkeloos een voorbeeld navolgend maar met verstand, zal men al werkend ervaren dat een waardevoller en mooier geheel verkregen wordt”.

Zwart-wit
Hil heeft Wiecher Lever naar het Nederlands Openluchtmuseum uitgenodigd om zijn knipkunst te demonstreren. Maar erg thuis tussen al die volkskunst voelde hij zich niet. Met name de ideeën van Hil veroorzaakten een ernstige aanvaring tussen die twee. De politiek van het Nationaal Socialisme had de volkskunst ingelijfd als de erfenis van het arische ras, en de zogenaamde eerlijke, Germaanse volkskunst stond na de oorlog in een kwade reuk. Zowel Bottema als Lever hadden zich in de oorlog voorbeeldig gedragen, maar op Lever werkte al dat volkskunst gedoe als een rode lap op een stier. Hij vond dat het papierknippen niet zomaar onder volkskunst gerekend kon worden: er was hoogstaande artisticiteit onder, vakkundige kunstnijverheid en aandoenlijke eenvoud. Hij formuleerde volkskunst als ‘de schoonheidsuiting der ongeschoolde massa of enkeling, in overeenstemming met zijn omgeving of overtuiging’. In sterke bewoordingen veroordeelde hij de lessen van Hil als onnatuurlijk en verwerpelijk. Het nadoen, van geslacht op geslacht noemde hij ‘dode’ volkskunst, omdat het steeds meer van het oorspronkelijke verwijdert. Zogenaamde levensbomen zijn gewoon planten in bloempotten; spontane volkskunst kent zulke vormen niet. Het omgaan met ornamentele symbolen, zoals onder andere Hil Bottema deed, was kunstmatig en zelfs politiek verwerpelijk. De mensen van nu hebben geen banden met het verre voorgeslacht en alle schijn van volkskunstige overlevering staat sinds het nazisme in valse schijn.

Lever was omstreeks 1950 van mening dat de motieven, door het nationaal-socialisme zo bewonderd, nog slechts ten gevolge van een traditie-uit-sleur in ons land aanwezig waren en verdienden te verdwijnen. De ‘levensboom’ zegt niemand meer wat, maar kruis en hart zijn symbolen die elk verstaat. “Volkskunst is die kunst, die door overlevering of uit innerlijke drang ontstaat, zonder enige leermeester en uitsluitend uit behoefte iets te maken of te scheppen. Wil iemand oude symbolische voorstellingen of oude historische gegevens knippen, dan zal hij dat alleen met hart en ziel kunnen doen als hij in deze dingen ook inderdaad thuis is. Dus geen doodse vormgeving, dat is imitatie-volkskunst. Echte volkskunst moet groeien uit iemands innerlijk, spontaan opborrelen uit een innerlijke schoonheidsdrang. Dat brengt al mee, dat ze zich naar de natuur richt en dat de overlevering vaak oorzaak is van verstarring.”

Tussen Wiecher en Hil ontstond in 1951 een jammerlijke breuk, die niet meer is overbrugd. In 1953 schreef Gert Evers aan Line Huizenga over deze kwestie: “Ik heb Lever er wel op gewezen dat hij met zijn beschuldiging als zou Hil tijdens de oorlog Nationaal Socialistische ideeën hebben gekoesterd, alleen al vanwege het feit dat zij met haar leerlingen wel eens symbolen gebruikte welke van Germaanse oorsprong waren, er volkomen naast was. Immers die symbolen zijn al veel en veel ouder dan de ‘edelgermanen’ welke wij hier in de oorlog hadden. Veeleer moeten we het betreuren dat de bezetters en hun satelieten die symbolen misbruikten voor hun afschuwelijke politiek. Met de rampspoedige gevolgen zitten we nu nog te kampen want wie zou die, vaak prachtige symbolen thans nog kunnen gebruiken, zonder gevaar te lopen dezelfde beschuldigingen toegeworpen te krijgen als hij jegens Hil Bottema doet? Haar houding tijdens de bezettingstijd was prachtig, vooral ook tegenover haar toenmalige wel Nationaal Socialistische directeur”.

Het was haar vak en in die tijd was het nog niet een besmet begrip. Na de oorlog lag dat totaal anders, en iedereen voelt nu nog het taboe van het hakenkruis. Maar Hils leerlingen hebben zich heus niet geschaamd om een harteknipsel te maken en zeker de knippers van nu denken daarbij zeker niet aan de politieke beladenheid! De discussie is verleden tijd, maar toch leerzaam om eens op te halen in het kader van de vraag hoe we ons laten inspireren bij ons eigen knipwerk. Over een ding waren Hil Bottema en Wiecher Lever het eens: voorbeelden zijn er niet om klakkeloos na te volgen; ook volkskunst vraagt om een gevoel van schoonheid!

Joke en Jan Peter Verhave

Knipsels als Kant, Knip-Pers 1992-4

afb.1, anoniem, De maker verwerkte veel symbolen: Een rijk en vruchtbaar leven wordt het echtpaar toegewenst, afgaande op de symboliek van de hoorn des overvloeds, de vogel met jongen en de jonge vogeltjes in een mandje. Terwijl in de 17de eeuw ‘vogelen’ ook voor vrijen stond. De musicerende engeltjes geven het geheel een feestelijk tintje en onderstrepen nog eens de symboliek van de pijl door de twee harten (een huwelijk uit liefde) en de ineengeslagen handen van het echtpaar (een levenslange verbintenis). (Collectie: M. Douma, Amsterdam)

Werden Johanna Koerten, Gilles van Vliet, Agnes Black en Anna Maria van Schuurman geroemd om hun knipwerken zo fijn als kant, de vele anonieme 18de en 19de eeuwse kantknippers zullen wel altijd in de anonimiteit blijven. Zij signeerden en dateerden hun werk niet, waardoor alleen door vergelijking met andere knipwerken eventueel een toeschrijving kan plaatsvinden. Het dateren kan ook problemen opleveren omdat het de kenmerken van verschillende stijlperioden heeft, maar ook omdat sommige gelegenheidsknipwerken soms jaren na de gebeurtenis gemaakt werden. Een grove tijdsaanduiding is af te lezen aan het papier waarvan het knipwerk gemaakt is. Naar om nu tot een betere tijdsaanduiding te komen kan men verschillende onderdelen van het knipwerk met andere technieken vergelijken.

Een huwelijksknipsel (afb. 1), gedateerd 1811 en gemaakt voor het echtpaar Kwant-Driescher door een niet bekende 19de eeuwse knipper, heeft sierranden en opgewerkte bloemen die met het blote oog bijna niet van echt kant te onderscheiden zijn.

afb.2, Gemaakt door M. Fond, Blaadje uit een album amicorum met een papierknipsel, 1835-1890. Collectie: Zaanlandse Oudheidkamer

Dit is ook het geval met een blaadje uit een album amicorum (afb. 2), dat zich in de collectie van de Zaanse Oudheidkamer bevindt. Dit blaadje bevat een klein en ragfijn fantasie knipwerkje. Het werd in de 19de eeuw door M. Fonds gemaakt. Naar ondanks dat ook dit knipwerkje op kant lijkt is het niet door de maker van het huwelijksknipsel vervaardigd.

Vergelijken wij nu de twee knipsels met echte kantwerken uit verschillende perioden dan valt het volgende op. De in de knipsels verwerkte kantmotieven vinden we ook terug in het echte kant uit die perioden.
Verschillende bloempatronen in het huwelijksknipsel zijn ook in het echte kant rond 1810 terug te vinden, terwijl de ruitvormige ondergrond in het knipsel uit het album amicorum in de echte kantverwerking na 1830 (door mechanisatie veranderde na 1830 de ondergrond) gebruikt wordt.
Het huwelijksknipsel zal, gezien de kleding waarin het echtpaar is afgebeeld, gemaakt zijn in het jaar waarin het huwelijk heeft plaatsgevonden. De vrouw draagt de empiredracht, tot 1810 in de mode en de man heeft een 18de eeuws kostuum aan. Volgens textielkenners duidt dat erop dat het echtpaar niet uit een stad afkomstig was, maar waarschijnlijk uit een dorp of kleine plattelands gemeente, waar de mode altijd wat later werd gevolgd. Natuurlijk is het ook zo, dat in bepaalde perioden gebruik werd gemaakt van voorbeelden uit de tijd daarvoor.

Een mooi voorbeeld daarvan is een 18de eeuws ‘kantknipsel’ met het portret van Willem IV (1711-1741), dat wordt omgeven door een geknipte sierrand gelijk aan 17de eeuws kant. De knipper van dit werk is Willem Roels. (afb. 3)

afb. 3, Roels, Onderschrift: 18de eeuws portret van Willem IV, Collectie: Van Hoevell Teding van Berkhout

Niet alleen bewerkte men het papier om het op kant te laten lijken, men gebruikte ook wel echt kant in knipwerken. Zo bevindt zich tussen de vele geknipte en met de hand ingekleurde bidprentjes uit de collectie van het Westfries Museum een bidprentje (afb. 4), waarbij van echt kant gebruik gemaakt is. Het fijne en ook dit met de hand ingekleurde knipwerk is bij dit bidprentje op echt kant geplakt.

afb. 4, Anoniem, 1830-1899. Bidprentje met een handgeschilderd miniatuur van de Heilige Sint Petrus. Geplakt op kant, Collectie: Westfries Museum te Hoorn

afb. 5, Kloskant, 1810

afb. 6,17de eeuws kant

Tonny Jurriaans

Corrie van der Baan, Knip-Pers 1992-3

Een vrouw om bij in de schaduw te staan.

afb. 1, Corrie van der Baan

We hebben u beloofd om in deze Knip-Pers te schrijven over Corrie van der Baan. Een opmerkelijke vrouw, die geboren is in wat wij zouden noemen een creatief nest, meer dan driekwart eeuw geleden. Door Elly Stroucken zijn we op haar spoor gezet.

Corrie zocht contact met knippers omdat zij voor de schimmenspelen die ze gemaakt had, een bestemming zocht. Op veel plaatsen is zij er mee opgetreden, aanvankelijk met een assistent en vanaf 1982 alleen. Maar reuma verhindert haar nu om in het flitsende tijdsbestek dat het spel geeft, de vereiste handelingen te verrichten.

Wij hebben Corrie thuis in Kortenhoef opgezocht en op de zolder van haar huis temidden van schildersattributen en reissouvenirs een heel boeiend gesprek gehad. De visie van haar vader bepaalde haar beroep: ‘Niet dat wat je in je leven meekrijgt of ervaart bepaalt jouw leven, maar wat je er met Gods hulp mee doet!’ Jarenlang heeft ze kinderboeken geïllustreerd, zich actief inlevend in het verhaal en in de mensen voor wie het geschreven was. Anne de Vries had leesboekjes voor Surinaamse kinderen geschreven tijdens een studietijd in Suriname. Voor de illustraties is Corrie ook naar Suriname gegaan om het verhaal voor de kinderen ‘echt’ te maken.

Het motto voor haar illustratieve werk past op de beginletters van haar naam: Creativiteit voor dagelijks Brood. Op grond van een uitgebreide correspondentie met geëmigreerde familieleden schrijft ze nu zelf een boek, dat gaat heten ‘Wel heb je ooit …‘
Corrie heeft drie schimmenspelen geschreven en gemaakt, compleet met silhouetten, teksten, dia’s voor de achtergrond en een cassettebandje met de tekst en passende geluiden.

Het idee om een schimmenspel te combineren met dia’s is ontstaan in 1968 toen Corrie met padvinders schimmenspelfiguren bij het Sint Joris verhaal had gemaakt. Omdat Joris met de draak in de woestijn vocht en de lamp van de diaprojector voor de schaduwbeelden zorgde, werd de idee geboren om dia’s van een woestijn (gemaakt tijdens een reis naar Israël) te projecteren als achtergrond. Daardoor kwamen de schimmen in een lichtgekleurd decor te staan.

afb.2 Corrie van der Baan

In 1976 heeft Corrie het Bijbelverhaal Ruth gemaakt voor een Kerstbijeenkomst. Ook hier gaven dia’s uit Israël diepte aan het schimmenspel. Nauwgezet heeft Corrie genoteerd waar en wanneer zij het spel heeft getoond, meer dan 20 keer! Steeds was het volgende motto haar uitgangspunt: ‘In de Bijbelverhalen wordt Gods omgang met de mensen aan het licht gebracht. Al ons doen en laten speelt zich af in Zijn wereld en in Zijn licht krijgen wij gestalte. Zo is onze gang door het leven als een schimmenspel waarbij God als een lichtbron achter ons staat.’

Een tweede op de Bijbel geënt schimmenspel is geschreven in 1985 na een reis naar Egypte (u begrijpt het al, voor de dia’s) en gaat over de vrouwen rond de geboorte van Mozes. Het derde spel speelt zich af in de theekoepel van het huis Gunterstein, een landgoed aan de Vecht hij Breukelen. Om dit spel te beschrijven doen we er het beste aan om een deel van de inleiding die Corrie er zelf voor schreef te citeren:

“Het is ontstaan toen ik mij in 1982 aan het verdiepen was in bijzonderheden over de theekoepels aan de Vecht. Bij het jubileum van een vrouwenvereniging (de Soroptimisten) zou er een boottocht langs de Vecht gemaakt worden, waar ook gasten uit het buitenland aan deelnamen. Aansluitend werd er ‘s avonds een programma aangeboden met de schimmen van Gunterstein en diaklankbeeld. Er is niet alleen veel te zien, maar ook via de band van alles te horen. Tijdens de voorbereidingen was mij een boekje onder ogen gekomen over Gunterstein, waar indertijd een van de mooiste theekoepels bij hoorde. Ik werd vooral getroffen door de woorden op het titelblad: ‘Opgedragen aan de rij van Vrouwen, die sinds 1681 de huishouding op Gunterstein bestieren’. Al lezend bleek mij dat die vrouwen nog wel meer deden dan de huishouding bestieren en dat de geschiedenis van de vrouwen van Gunterstein terug ging tot 1386, toen Petronella Guntersdochter de Ridderhofstad beheerde. Steeds waren het hoofdzakelijk vrouwen, waarover de auteur Jhr. Quarles van Ufford vertelde. Zijn tantes, de dames Willink van Collen, die in het begin van deze eeuw jarenlang op Gunterstein woonden, waren in Breukelen en verre omtrek bekend om hun milddadigheid en hulp pp velerlei gebied. Ook hadden zij een grote liefde voor de Zending zoals dat toen in zijn werk ging.”

Het schimmenspel begint met de theekoepel, waarin de dames Jo en Betsy Willink van Cohen in het voorjaar van 1922 thee zitten te drinken. Het silhouet van de theekoepel tekent zich af tegen een dia van de Vecht. Er komt een onverwachte gast en aan haar vertellen de dames de geschiedenis van Gunterstein (in twee versies zijn dat een Amerikaanse Soroptimiste en een Indische vrouw). Behalve dia’s van de Vecht en omgeving worden ook historische afbeeldingen geprojecteerd (die Corrie zelf direct op dia geschilderd had!). Verder ziet u in een soort ‘modeshow door de eeuwen’ belangrijke vrouwen in schaduwbeelden passeren. Daarbij zijn ook heel bekende namen uit onze geschiedenisboekjes. Via de band hoort u de geluiden die bij de omgeving passen. Het fluiten van de vogels en het koeren van de duiven, zoals dit door de eeuwen geklonken heeft. Maar ook de verontrustende geluiden van strijd en ondergang zijn aan Gunterstein niet voorbijgegaan.

Het opbouwende element dat steeds weer de boventoon kreeg door de inbreng van de vrouwen, is ook te horen in een brief, die een vrouwe van Gunterstein aan haar dochter schreef. “Wees eenvoudig, opregt en waarheidslievend, altijd rechtvaardig. Doet wel aan de arme natuurgenoten, die onze hulp behoeven.” En verder ook iets waarvan Corrie zegt dat wij ter harte kunnen nemen als wij kijken naar het schimmenspel: “Houdt u altijd recht – nooit leunen – let op een goede gang.” (Johanna Maria Elisabeth van Collen, 3 februari 1847).

afb. 3, Corrie van der Baan, Jacoba van Beieren

In alle spelen zijn de vrouwen sterk en bepalend voor de loop van de geschiedenis. Wij ervoeren Corrie tijdens ons bezoek ook als een sterke, inspirerende en gelovige vrouw. Uiterst creatief en vol fantasie, bijvoorbeeld ook rond de op gaaf ‘hoe maak ik mijn eigen theater’. Ze nam gewoon een stuk van een oud tentframe, maakte een opening in het doek en kon het geheel zo overal gemakkelijk mee naar toe nemen.

Van het stuk over Ruth zijn de schimmen niet bewaard. De vrouwen rond de geboorte van Mozes (inclusief ‘de tent’) heeft Corrie bij het vormingsinstituut Kerk en Wereld te Driebergen in bewaring gegeven; dit wordt nu gebruikt tijdens conferenties. Schimmen, dia’s, cassette en draaiboek van Gunterstein zijn bij ons; voor Knipkringen is het ter beschikking om op te voeren en om te zien wat er allemaal komt kijken bij het maken van een schimmenspel. Corrie wil desgewenst ook zelf wel wat instructies geven. Wij leggen graag het contact. Zo kunnen we als kring ons laten inspireren door deze bijzondere vrouw en een verhaal uit de Bijbelse of vaderlandse geschiedenis, of een plaatselijke legende met elkaar tot leven wekken!

De figuren uit ‘De vrouwen van Gunterstein’ zijn in werkelijkheid ongeveer 25 cm lang en aan de voorkant zwart.

Joke en Jan Peter Verhave

Snijwerk van H.H. Steffens, Knip-Pers 1992-1

afb.1, H.H. Steffens, 1977

Het Snijwerk op de voor- en achterpagina (af. 1 en 6) van deze Knip-Pers  is gemaakt door de heer H.H. Steffens uit Oldenzaal. Bij zijn inzending sloot hij een korte brief in met de mededeling:

“Veel schrijfwerk moet u van mij niet verwachten, daar ben ik geen held in”. Toch kunnen wij uit zijn aantekeningen onder het snijwerk het een en ander opmaken. Hij kwam eens in aanraking met knipwerk van W.Tj.Lever en thuis gekomen ging hij deze vaardigheid ook proberen. Het lukt niet direct maar door bloemen te knippen, veel bloemen, heeft hij het zichzelf aangeleerd. En over de ruggen van de insecten die daarbij hoorden, begon zijn werk uit te groeien tot miniatuurtjes als het jachttafereel (afb. 2). Ook knipte hij graag interieurs van kerken en boerderijen. In de jaren zeventig lijkt zijn voorkeur een wending te nemen. In die tijd zijn de snijdsels ontstaan omdat ‘het zien niet meer is als vroeger’ en hij bij deze techniek een vergrootglas kan gebruiken. Deze symmetrische snijdsels zijn gedeeltelijk nog geknipt en soms eerst gevouwen. Van de grotere vlakken zijn de details later apart uitgewerkt. Een enkele keer heeft hij de snijdsels daarna ingekleurd met waterverf of verschillende kleuren balpennen.

afb. 2, H.H. Steffens, Natuur 1973, 34 x 14.5 cm

Het figuratieve begint hij nu wat los te laten. Waarschijnlijk geven de vele patronen en structuren waarmee hij als wever werkt, richting aan zijn schaar en mes (afb. 3). Wel houdt hij de neiging iets ‘bloemigs’ of ‘persoonlijks’ aan het ontwerp toe te voegen, maar dan in een ondergeschikte rol (achterzijde). De vier figuurtjes, twee mannetjes en twee vrouwtjes in het midden links en rechts, zijn er min of meer toevallig in gekomen en hebben geen specifieke betekenis (1973). Uit het herdenkingssnijdsel van 1986 (afb. 4) blijkt enige beïnvloeding door vroegere knippers. Misschien om, vasthoudend aan zijn eigen gedetailleerde manier van snijden, toch te kunnen voldoen aan een opdracht om gegevens te verwerken. Echt verdiept heeft hij zich in de oude papierknipkunst niet. Voordat de heer Steffens gaat snijden tekent hij meestal slechts een gedeelte voor; soms heeft hij geen beeld voor ogen en werkt hij op het gevoel.

afb. 3, H.H. Steffens, Juni 1974, 33 x 26 cm

“Ik zie wel waar ik uitkom”. Als het werk vordert ontstaat er iets en weet hij hoe hij het resultaat wil zien. De heer Steffens heeft vroeger tekenles gehad en direct na de oorlog kunstnijverheidsonderwijs gevolgd, met de bedoeling om glas-in-loodzetter te worden. Omdat hij bij de sollicitaties met zijn dertig jaar al te oud was, is daarvan niets terecht gekomen en keer de hij terug in zijn oude weversberoep. In beide beroepen speelde het versierende element een rol, niet verwonderlijk dat dit doorwerkte in zijn hobby, zijn manier van knippen en snijden. Een hobby die veel geduld vraagt, een ongekend geduld.

afb. 4, H.H. Steffens, Herdenkinqsknipsel 1986, 33 x 26 cm

Behalve de schaar en het mes hanteert de heer Steffens ook zelfgemaakte gutsjes. Deze apparaatjes maakt hij van lege, schoongemaakte balpennen, waaraan hij een scherpe punt slijpt. Daarmee snijdt en ‘ponst’ hij heel fijne onderdeeltjes, zoals bloemen en ranken uit – liefst wit – papier, dat hij op een harde ondergrond legt: op een plaat die in de confectie-industrie gebruikt wordt om stof te stansen. Op deze ondergrond worden zijn mesjes niet zo gauw bot. Daarna plakt hij alle losse onderdeeltjes op een dik papier of dun karton en voegt het tot een geheel. De heer Steffens is een solist: hij werkt het liefst alleen en wordt niet graag op zijn vingers gekeken. Hoewel het hem veel waardering opleverde, heeft hij weinig geëxposeerd. Ook zoekt hij geen contact met andere knippers. Hij heeft wel bewondering voor het hedendaagse knipwerk en geniet van de grote verscheidenheid – de moderne, gestyleerde stijl uitgezonderd. Hij blijft trouw aan zijn eigen stijl en werkwijze, is er graag voor zichzelf mee bezig. Zelf versieren, ontwerpen, zelf de gebruiksvoorwerpen maken, zoals hij ook eens zelf een weefgetouw maakte en daarmee de krant haalde: ‘H.H. Steffens, de Knutselkoning van Oldenzaal’.

Magda Helms

Afb. 6, H.H. Steffens, 1973, 38 x 25 cm.