Categoriearchief: publicatie

Knipsels als illustratie: Mance Post, Papyria 3

Door het recentelijk uitkomen van de biografie van Han G. Hoekstra richtten we onze aandacht sinds lange tijd weer op het bijzondere illustratie knipwerk van de Amsterdamse kunstenares Mance Post. In de jaren voor het starten van het Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven (1992) kochten we op boeken- en romnelmarkten vele uitgaven die door haar met knipwerk waren geillustreerd. In Atelier Tobia Lever organiseerden we in 1986 (4 t/m 28 juni) de tentoonstelling “Knipwerk als illustratie”, die een vervolg kreeg in 1989 in de Centrale Bibliotheek van Rotterdam (afb. 1).

afb. 1

Voor de kleine expositie voor het Informatiecentrum Jeugdliteratuur van deze bibliotheek besloten we als centrale figuur voor Mance Post te kiezen. We hadden inmiddels veel (gedrukt) werk van haar in onze verzameling en bewonderden haar humoristische en originele werk. We namen de in de bibliotheek beschikbare documentatie over Post door en zochten contact met haar.

Enige tijd later bezochten we haar souterainachtige woning aan de Prinsengracht in Amsterdam. We namen -zeer tot haar verrassing- knipsels mee die zij maakte voor de uitgave “Au clair de la lune, liedbewerkingen voor school en huis” uit 1981 (samenstelling T. Bouma en Ide Haas) (afb. 2-5). Dit knipwerk was door uitgeverij Wolters-Noordhoff in Groningen in bruikleen afgestaan voor onze presentatie in de Rotterdamse bibliotheek. Post vertelde ons dat ze geen idee had of er nog meer illustratieknipwerk bewaard was gebleven, eigenlijk wilde ze daarom de “Au claire de la lune” knipsels maar meteen houden, maar dat kon natuurlijk niet. Haar verhaal was: “Vroeger kreeg je een opdracht, je maakte je werk en leverde dat bij de uitgeverij in. Je kreeg er een vergoeding voor, maar verder volgde je niet meer wat ermee gebeurde. Terug kreeg je het werk niet, dus moet er in uitgeverijarchieven nog veel zitten.” Maar vele uitgeverijen zijn opgeheven of gefuseerd, zodat je maar moet afwachten hoe er met archieven is omgegaan. Voor onze presentatie in Rotterdam was een verdere zoektocht niet zozeer noodzakelijk en het ontbrak ons, gezien de werkzaamheden van de stichting, ook aan tijd die uit te voeren.

afb. 5

Dat Mance Post in 1955 was begonnen met het illustreren van boeken middels knipwerk was ons uit diverse publicaties (en haar eigen mededelingen) bekend en in de Hoekstra biografie wordt daar natuurlijk gewag van gemaakt. Er is zelfs een afbeelding van de omslag van dit boekje, “Het schoentje van Roosmarijn”, in opgenomen. Het is ons nooit gelukt een exemplaar van dit boekje, dat behoorde tot de 50 best verzorgde uitgaven in 1955, voor de stichtingsverzameling te verwerven, maar voor het overbrengen van onze boodschap tijdens presentaties in het land en later in het museum in Schoonhoven -knipwerk als illustratie is een interessant en onbekend gebied- was dit op zich ook niet aan de orde. We sprokkelden in de loop der jaren wel een grote reeks uitgaven bij elkaar met illustratiewerk van Post. Te beginnen met uitgaven uit het einde van de jaren vijftig en begin jaren zestig. Veel van die jeugdboeken zijn uitgekomen bij de Arbeiderspers: Tine Mink, “De wonderlijke reis van Peter” (1959) (afb. 6-7)

Mathilde Smits-Eperstedt, “De kinderen van de dief’ (1959) (afb. 8-9)

Wim Hora Adema/Annie M.G. Schmidt, “Het rad van avontuur” (1960) (afb. 10-11),

Wim Hora Adema/Annie M.G. Schmidt, “De vlaggelijn” (1961) (afb. 11-12),

A.Pleysier, “Avonturen van Fans en Fatime Komenijs” (1961) (afb. 14-15)

en Wally Holtzhaus, “De wonderlijke uitvindingen van professor Knapkop” (1962) (afb. 16,17).

In de eerste helft van de jaren zeventig volgden series schoolboeken. Meest prominent was de door Bertus Aafjes geschreven serie “De Gouden Keten met een inleiding van F.W. Prins in tien delen (Meulenhoff, ca.1975). Alle delen geïllustreerd door Post (afb. 18-23).

Van de eveneens tiendelige serie “Taalgroei” (Meulenhoff) nam zij de illustraties van de eerste zes delen voor haar rekening (afb. 24-27.

Voorts “Nieuwe lesvormen” van A.F.M. van den Berghe en J.P. Horst (Samson) (afb. 28-29)

en de serie “De wenteltrap” met het boekje “De rode kano” van T.G. Prins (1971, Wolters Noordhoff) (afb. 30-31).

afb. 32 knipseldoos “knapper knippen”

Bijzonder in onze bibliotheek/verzameling zijn een nog volledige knipseldoos voor jongens en meisjes vanaf 5 jaar met de titel “Knapper knippen” (afb. 32) en het boekje “Au claire de la lune” dat de aanzet was tot de presentatie in de bibliotheek van Rotterdam en dat in de jaren erna, samen met alle bovengenoemde uitgaven (vaak in meerdere exemplaren aanwezig), nog diverse malen konden worden gebruikt in het museum en bibliotheekexposities in en rondom Schoonhoven.

Door Henk van Ark

Noten

  1. Joke Linders/Janneke van der Veer, Han G. Hoekstra-Biografie, Amsterdam 2010.
  2. idem, p. 220-221.

Rotterdamse papierknipkunst & Klaas Bakema inleiding, Papyria 2

In 1990 werden door de stichting W.Tj.Lever drie vouwbladen uitgegeven: “Wiecher Tjeert Lever, papierknipper & verzamelaar”, “Rotterdamse papierkuipkunst (1). Mededelingen over… Klaas Bakema” (afb.1-4] en “Rotterdamse papierknipkunst (2). Mededelingen over…Jan Adelaar en Jan Kopper”. Deze bladen waren onderdeel van een activiteiten- en publiciteitscampagne die de stichting kort na de oprichting in 1988 was begonnen.

afb. 1

afb. 2

Na een vergeefse actie om de door Wiecher Lever opgebouwde collectie van zijn Nederlands Museum van Knipkunst in Westerbork bijeen te houden, werd besloten vanaf september 1988 alle aandacht te gaan richten op het verzamelen van knipwerk en documentatie (vooral over Lever zelf), het organiseren van presentaties en exposities en het verzamelen van materiaal voor een studie over leven en werk van Lever. Ook onderzoek naar aspecten van de geschiedenis van Rotterdamse papierknipkunst werd tot de taken van de stichting gerekend. Daarmee werd direct aangesloten bij activiteiten op dat gebied die al waren ondernomen door Atelier Tobia Lever in de periode 1986-1988. Resultaten daarvan: de brochure “Zeer uitstekende kurieuze stukken van papier. Rotterdamse papierknip- en snijkunst 1650-1900” (1987), een stuk over “Rotterdamse papierknip- en snijkunst” in het tijdschrift Ons Rotterdam (jrg. 10, nr.1, p.10-11) en het artikel “Wybrand Schaap. Rotterdams papierknipper” in het Pijnackernieuws nr. 4 (1988). De laatste activiteit van het Atelier op dit gebied was een brochure over de 18de eeuwse broodbakker en papierknipper Jan Kopper, die in 1989 in samenwerking met de stichting W.Tj.Lever kon worden uitgegeven.

afb. 3

afb. 4

De stichting W.Tj.Lever presenteerde zich met een kleine tentoonstelling in het Atelier in augustus/september 1988. Daarna volgde in november de goed verlopen veiling van de Westerborkcollectie bij Christie’s in Amsterdam, waardoor een grote verzameling knipsels, prenten, boeken en documentatie kon worden aangekocht. Mooie Leverknipsels daaruit konden al worden gepresenteerd op de tentoonstelling “W.Tj.Lever, kunstenaar met papier en schaar” in het Westfries Museum van 9 december 1988 t/m 8 januari 1989. Voor deze expositie zou door het Hoornse museum een zaalpapier of vouwblad worden geproduceerd, maar daar kwam het om onduidelijke redenen niet van zodat we later maar besloten zelf zo’n blad te maken. Dit vouwblad deed goede diensten bij presentaties en exposities in de jaren erna, te beginnen bij tentoonstellingen in het Veenkoloniaal Museum in. Veendam (29 september t/m 25 november 1990) en Streekmuseum Crimpenerhof in Krimpen aan de IJssel (15 december 1990 t/m 5 januari 1991).

Rotterdamse papierknipkunst kwam al aan de orde in de notitie “Rotterdamse papierknip- en snijkunst, verslag van een vervolgonderzoek”. Daarin werd onderzoek aangekondigd naar leven en werk van de knippers Klaas Bakema, Abraham Bosch en Theodorus van Eck. De tentoonstelling “Rotterdamse papierknipkunst in verleden en heden” op de afdeling geschiedenis van de Centrale Bibliotheek Rotterdam (10 januari t/m 13 februari 1989) vormde de opmaat voor dit onderzoek. Deze bibliotheektentoonstelling werd uitstekend begeleid door artikelen in het veel gelezen huis-aan-huisblad De Havenloods (5 januari 1989) en de rubriek “Rotterdam Centraal” in het Rotterdams Nieuwsblad (10 januari 1989) (afb. 5).

afb. 5

De tentoonstelling en krantenartikelen leverden verschillende reacties op met betrekking tot de Rotterdamse knippers Bakema, Bosch en Van Eck. Hiervan werd gewag gemaakt in een artikel in De Noordergids (10 maart 1989) en veel later in het Rotterdams Dagblad (22 november 1989) (afb. 6). Dat laatste artikel kon worden gepubliceerd nadat gegevens van het onderzoek in een notitie op een rijtje waren gezet, waarbij gebruik gemaakt werd van mondeling verstrekte gegevens verstrekt door reagerende krantenlezers en tentoonstellingsbezoekers.

afb. 6

In die notitie, “Wie weet meer over Bakema, Bosch en Van Eck? Verslag van een onderzoek in de beginfase” (afb. 7) werd vermeld dat zes telefonische reacties binnen waren gekomen. Twee daarvan betroffen Klaas Bakema. Deze personen werden bezocht en geïnterviewd. Zij zorgden weer voor twee nieuwe adressen van familie of bekenden van Bakema.

afb. 8

De stichting W.Tj.Lever beschikte al, dankzij de voor een belangrijk deel aangekochte Westerborkcollectie het jaar ervoor, over knipwerk (zie het vouwblad) en foto’s van en krantenknipsels over Bakema (afb. 8-13). En over de correspondentie Bakema-Lever (1950-1952). De verhalen van respondenten met hun herinneringen aan de Rotterdamse knipper konden nu daarbij worden gevoegd, samen met de afbeelding van een knipseltje uit 1933 (afb. 14) en een foto van Bakema op latere leeftijd nog steeds bezig met acrobatische toeren (afb. 15). De verstrekte informatie gaf vooral een goede indruk van het karakter van de bijzondere silhouettist en vormde een nuttig tegenwicht ten opzichte van de herinneringen die het echtpaar Kerp in 1986 door Elly Stroucken liet optekenen. Ook moesten we helaas vernemen dat de dochter van Bakema haar vaders spullen na zijn dood had weggedaan omdat er toch geen belangstelling voor zou zijn. Een voorbeeld van het bedrijven van mondelinge geschiedschrijving. Goede ervaringen over deze wijze van feiten- en herinneringsonderzoek waren al opgedaan in de periode 1980-1985 [2]. De interviews (ook die over Bosch en Van Eck) werden vanwege hun lengte en inhoud niet volledig getranscribreerd, slechts belangrijk gevonden passages werden daaruit genoteerd.

afb. 8, Klaas Bakema

Op basis van het nu beschikbare materiaal werd een artikel geschreven met de eenvoudige titel “Klaas Bakema”. De tekst in potlood werd ruim voorzien van voetnoten. Deze opzet werd vervolgens gebruikt voor het ontwerpen van het vouwblad “Rotterdamse papierknipkunst (1). Mededelingen over…Klaas Bakema”. Uitgetypt bleek de tekst echter veel te lang voor het vouwblad. Het conceptartikel werd enigszins ingekort en de noten, die voor zo’n uitgave niet zo geschikt werden gevonden, verdwenen. Voor het vouwblad werden zeven illustraties (5 knipsels en 2 foto’s) gebruikt. Het blad verscheen in het najaar van 1989.

afb. 9, Klaas Bakema, rond 1917

afb. 11

De serie Rotterdamse papierknipkunst werd na twee nummers niet vervolgd, onder andere omdat de Leverstichting het te druk kreeg met het organiseren van exposities en presentaties op diverse plaatsen in het land. En, in 1992 werd gestart met het (nieuwe) Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven, na voorbereidingen in 1991. Toch werd Rotterdam niet uit het oog verloren. Tot 1995 was er nog van alles te melden. Jaarlijks werd (van 1989 t/m 1994), met een steeds wisselende presentatie, de Rotterdamse Dag, georganiseerd door de Stichting Ons Rotterdam, bezocht. Het bijzondere snijwerk “Gesigt der Stadt Rotterdam” van J(ohannes) Brasser kon worden aangekocht (1991) en er werd onderzoek verricht naar reizende silhouettisten in Rotterdam aan het einde van de 18de eeuw. In 1993 kon familie van de Rotterdamse knipper Johan Bennik (1896-1981) worden opgespoord naar aanleiding van een ontvangen ansichtkaart. Gevolg een mooi artikel in de Nieuwsbrief en een schenking van 14 knipsels van deze intrigerende Rotterdammer (1993). In 1994 was in de museumruimte de expositie Rotterdamse papierknipkunst te zien en kon als schenking het schimmenspel “Duimedik” van de Rotterdamse beeldend kunstenaar Didi Hovingh de museum/stichtingscollectie worden opgenomen.

afb. 10, Bakema

Hierna werd onderzoekswerk nagenoeg volledig gericht op knipwerk uit eigen collectie en bestudering van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst in het algemeen.

Het volledige, oorspronkelijke geschreven artikel over Bakema volgt hierna. Op kleine verbeteringen en enige inspringingen na is de tekst geheel intact gelaten, waarbij steeds bedacht moet worden dat het hierbij gaat om een manuscript dat nog in definitieve tekst moest worden omgezet. Verder is het notenapparaat enigszins aangepast.

NOTEN

  1. Een overzicht van al deze activiteiten is te vinden in: Henk Ark, Atelier- Stichting-Museum, Rasquert 2010.
  2. Henk van Ark, “Wijkmuseum Hillesluis. Mondelinge historische documentatie en de vorming van een museumkollektie” in: Manuela du Bois-Reymond en Ton Wagemakers, Mondelinge geschiedenis. Over het theorie en gebruik van mondelinge bronnen (SUA), Amsterdam 1983, p 54-67.

Klaas Bakema

Over de sihouettenknipper Klaas Bakema is tot nu toe weinig gepubliceerd. Natuurlijk, hij wordt vermeld in de uitgaven “Leer knippende zien” (1970, 1977) [1] en “Schaar-kunst” (1983) [2] en in 1986 verscheen een artikel in het tijdschrift Knip-pers [3]. In de collectie van de stichting W.Tj.Lever bevinden zich een aantal foto’s en enige krantenartikelen die een beter licht werpen op Bakema’s activiteiten, ook zijn zestien brieven van Bakema aan W.Tj.Lever bewaard gebleven. Mondelinge mededelingen van diverse personen over Klaas Bakema maken het mogelijk het beeld van deze artiest in hart en nieren verder te completeren.

Klaas Bakema werd als zoon van Klaas Bakema en Adriana Schuijer op 6 mei 1882 in Rotterdam geboren. Hij trouwde op 26 februari 1908 met Johanna Winkelman. Zij krijgen twee kinderen: Johanna (geboren 1911) en Wil (geboren 1927). Bakema is op 24 juni 1958 in Amsterdam overleden.

afb 12, Bakema

Zeer beknopt, doch zorgvuldig, staat Bakema’s levensverhaal beschreven in het krantenartikel “Nederlands eerste silhouettenknipper”[6]. Volgens dit artikel bezat Bakema in zijn jeugd een bijzondere tekenaanleg en hield zich met zijn schoolvrienden vooral bezig met acrobatiek.Op jeugdige leeftijd was hij een niet onverdienstelijk slangenmens. Na de school doorlopen te hebben werd Klaas Bakema zeer tot zijn verdriet naar een fabriek gezonden waar hij de aandacht trok van de oudere arbeiders die zijn kunststukjes bewonderden. Pasen 1897 kreeg hij genoeg van het fabriekswerk en trok er tussenuit, naar België. Bakema schrijft hierover aan Lever: “April 1897 onder de blote hemel geslapen, honge[r] geleden en na vele avonturen in een circus gekomen mij[n] eigenlijke doel natuurlijk. Deze menschen waren zeer goed voor mij, en bezorgder soms voor mij, dan mijn ouders. Ik maakte slangenmensch (ik was enorm) als duivel (…)“. Even voor deze passage schrijft hij over deze acrobatische toeren: “(…) Echter ik bezat reuzen routine met knippen, doch .. . het slangenmensch wat ik maakte was het beste van alles (…)Dit had ik dan ook vanaf mijn negende jaar ingestudeerd”. Tot op hoge leeftijd bleef Bakema dit kunstje beoefenen: “Nog spring ik over over mijn kop als ik mijn hondjes op het stuk land bij mij in de buurt uitlaat. Mijn grote dochters zeggen dan vader schaam je toch met je grijze haren (De honden vinden het echter enorm!!!). Dit zit er bij mij ook in geboren, van kinds af(…)[7].

Bakema keerde echter na enige tijd naar huis terug v[oor]n[amelij]k om zijn moeder een plezier te doen [8]. Terug in Rotterdam, waar de verloren zoon zonder de gevreesde straffen liefderijk werd ontvangen, bekleedde Bakema ondermeer de functie van politieagent, maar dat heeft slechts enkele maanden geduurd. Enkele dagen na zijn ontslagname trad hij op de Leeuwarder kermis op als clown. Daarna was hij van alles: fabrieksarbeider in Duitsland, wagenbestuurder op de electrische tram in Rotterdam, particulier chauffeur, wijnkopersknecht, rekenmachine-monteur, silhouettenknipper en stenciltekenaar [9].

afb 13, Bakema

Met het knippen van silhouetten is Bakema in 1915 begonnen. Bakema schrijft aan Lever over zijn werk in het wijnpakhuis dat hij 17 jaar deed. “Tot dat in 1914 de eerste wereld oorlog uitbrak. Ons loon werd niet verhoogd en ik kreeg huiselijke zorgen… Er waren toen in Holland veel Belgen (1915) en Franschen. Toen opeens zag ik een Fransman (Leon Bourg) die op de markt in Rotterdam, waar ik toen Woonde, silhouetten knipte van personen. Direct toen ik dit zag “voelde” ik dat dit voor mij ook mogelijk was. En ging naar huis en van een stukje papier van een maandkalender, maakte ik toen met een gewone schaar, mijn eerste proviel (bijschrift in pen: nog in mijn bezit) van een gipse pop die ik op de kast had staan…Dit eerste knipsel was nog ruw, doch de verhoudingen waren al direct vrij juist. Nu had ik van jongs af steeds aanleg voor portret teekenen gehad dus het silhouetknippen was voor mij direct een ideaal. Ik was toen werkelijk wat men noemt gesjochten en in de week nadat ik die Franschman zag heb ik bijna dag en nacht gewerkt om een tafeltje met opstand te maken, teneinde aan het silhouetknippen te beginnen. 14 dagen later was alles klaar, en mijn eerste inkoop van mijn armoe was, 300 Witte briefkaarten voor 30 cents….Ook voor een dubbeltje zwart papier. En juist 14 dagen nadat ik het van die Franschman zag, stond ik op dezelfde markt als hij tot groot enthousiasme van de Rotterdammers die verbaasd waren dat er nu ook een Hollander was die dit deed. (…) Doch hij met de routine van jaren en ik als beginneling, met ruwe zware vuile handen, doch met veel energie. Het gevolg was dat ik het publiek direct “op mijn handje had” daar die Franschman een verwaand onsympathiek mensch was. Mijn knipsels van de menschen wiens portret ik maakte was niet zooals thans, doch het proviel leek wel. Ik ben het vak toen blijven uitoefenen en in enkele maanden stond ik op dezelfde hoogte van thans. Als er tenminste van hoogte sprake is” [10].

Bakema is het knippersvak inderdaad blijven uitoefenen, maar niet als beroep waarmee hij zijn inkomsten zou moeten verdienen.Wiecher Lever die al jaren knipte maar rond 1950 juist aan een loopbaan als beroepsknipper begon, waarschuwde hij “dat het knippen een aardig vak is, doch dat er onmogelijk een bestaan als zoodanig uit te slaan is”[11]. En die overtuiging staafde hij in zijn brieven aan Lever met vele voorbeelden. Waarschuwen wilde hij de beginnende beroepsknipper ook: “raad is zeker goed, HEBT U EEN STERKE MAAG? JA? Nu dan is het wel goed want U zal met dit vak wel eens honger moeten lijden…. “ en “Mijnheer Lever een goed[e] raad, als men het in de wereld tot een betrekkelijke onbezorgde bestaan wil brengen, begin dan nooit met iets dat men zelf moet maken (…) Een verkooper van schilderijen verdient meer dan de schilder zelf er van. Denkt U er aan?” [12]

afb. 14

Bakema slaagde erin een betrekking als kantoormachinemonteur te krijgen bij de firma Ruys Handelsvereeniging in Rotterdam en door dit bedrijf werd hij in 1920, samen met vrouw en kind, naar Indië uitgezonden. Maar Bakema kon niet tegen het tropische klimaat en werd ziek. Op doktersadvies zou hij direct naar Holland terug moeten, maar de firma voelde [er] weinig [voor de] terugzending en de daaraan verbonden kosten te betalen. Men raadde hem aan het geld voor de terugreis maar eens met (portret)knippen bij elkaar te scharrelen. Bakema hierover: “Op een tentoonstelling “Passar Gambir” voor Inlandsche kunst enz. schreef ik in. De eerste dag ontving ik al veel meer dan ik bij mijn firma verdiende. Toen deze 10 dagen voorbij waren ging ik naar de jaarbeurs in Bandoeng en kreeg daar…gratis een plaats. Alleen de warmte is fnuikend in lndië, want het zweet liep met druppeltjes van mijn neus soms… Ik heb de terugreis voor mijn vrouw, dochtertje en mij in ongeveer 8 weken verdiend, en in November 1921 kon ik met mijn gezin terug naar Holland” [13].

Later trad Bakema in dienst van de firma Kramer[s] [Rotterdam] en verhuisde in 1931 naar Amsterdam om daar voor het Amsterdamse filiaal te gaan werken. Bakema bleef naast zijn beroep als kantoormachine monteur bezig met knippen en andere zaken zoals poppe[n]kast spelen. Maar dat laatste was na 1940 afgelopen omdat zijn kast, opgeslagen in Rotterdam, bij het bombardement van de stad verbrandde[14]. Ook na de oorlog bleef Bakema bezig met het papierknippen [,] hij reisde het hele land door, vaak werd hem daarvoor door zijn jongste dochter een treinabonnement verschaft [15]. Het krantenartikel over “Nederlands eerste silhouetten-knipper” geeft hetzelfde beeld als naar voren komt uit Bakema’s brieven aan Lever: “Bakema is echt artist in hart en nieren, zijn onafhankelijkheid dreef hem steeds verder, een vaste ankerplaats heeft hij nergens kunnen vinden. Hij is zeer actief pakt van alles aan, doch trekt zich onmiddelijk terug, zodra hij zijn onafhankelijkheid bedreigd voelt. Een rustig burgermansbestaantje is niets voor hem, daarvoor is hij te veel artist”[16].

In zijn laatste levensfase gaat Bakema op zoek naar andere (silhouetten)knippers, met ondermeer de bedoeling zijn kennis en ervaring over te dragen. Hij schrijft een aantal knippers aan, waaronder in 1943 Hans Detlev Voss, toen wonend en werkend in Rotterdam, maar ontvangt geen antwoord [17]. Over het werk van Voss laat hij zich laatdunkend kritisch uit: “Nota bene zijn resultaten zijn reproducties van Duitsche silhouetten die enigszins veranderd zijn. Hij teek[e]nt eerst [,] werkt zijn resultaten met Oost Indische inkt bij, en gebruikt malletjes. Heel aardig maar waarom hij zich zoo laatdunkend over de silhouettenknippers uitlaat, is voor mij duidelijk. Hij dacht door reclame de indruk te vestigen alsof hij DE kunstenaar is … (..) Daarom ben ik ook zoo blij dat U er ook mee zijt begonnen. Als er een wedstrijd komt van silhouetknippen “wedden dat hij niet meedoet” [18].

Het werk van Voss is niet het enige dat het moet ontgelden, zo beschouwt hij het werk van Lily Eisendorn (waar Lever hem op heeft gewezen) meer als fröbelwerk omdat het uit aparte opgeplakte stukjes bestaat [19]. Over de knipsels van mevr[ouw] Kerp-Schlesinger toont hij zich in eerste instantie razend enthousiast, later komen er echter bedenkingen [20]. Mevr Kerp-Schiesinger heeft herinneringen opgehaald aan de tentoonstelling van knipkunst die in 1950 in Franeker werd gehouden. Bakema zou toen niet in staat zijn geweest een silhouetdemonstratie te verzorgen [21]. Over dit voorval laat Bakema zich in zijn brieven aan Lever niet uit, wel verhaalt hij over zijn bezoek aan het planetarium (wat hij interessanter vindt dan de knipkunst). Bakema zou naar Franeker zijn gegaan om enige knipsels toe te voegen aan de daar van hem geëxposeerde. Deze waren namelijk door mevr Kerp zonder zijn medeweten ingestuurd; hij had ze gewoon weggegeven en vond ze kwalitatief niet goed genoeg [22].
Voor het oude knipwerk op de expositie in Franeker kon Bakema maar weinig waardering opbrengen en het knippen op zich stelde eigenlijk maar heel weinig voor: “De ouderwetsche knipsels vond ik arm aan uitbeelding met veel en veel krulletjes en slinger de slangetjes, doch waarin veel tijd zoek was gemaakt aan het knippen zelf, zonder een origineele gedachte als hoofdzaak te beschouwen. Een gedachte op zoo ‘n eenvoudig mogelijke wijze met een schaar uit te beelden, had (volgens mij dan) het grondmotief van die brave ouderwetsche menschen moeten zijn. Doch als antiqiuteit zijn deze knipsels natuurlijk kostbaar; zooals de meeste oude voorwerpen. Neen, mijnheer Lever, het knippen beschouw ik voor mezelf als een heel, heel, heel ondergeschikte bezigheid en dezelfde waarde als knutselaars. Deze laatste lieden leveren weleens bijzonder goed afgewerkte dingen, doch handelswaarde bezitten deze dingen niet althans niet voor de meer ontwikkeld mensch. Daarom is het ook zoo belachelijk vind ik, dat beroepsschilders of beeldhouwers, deze “knipperij” beschouwen als aan hun vak verwant (…)Uitzonderingen daar gelaten”[23].

afb. 15, Klaas Bakema, het slangenmens

Behalve een, ongetwijfeld oprechte mening over het knipwerk dat hij had kunnen bekijken, klinkt in deze woorden toch ook de verbittering door v[an] e[en] man die voor zijn (knip)werk niet echt de waardering kreeg die hij meende te verdienen. In die zin moeten (naar mijn mening) ook een aantal opmerkingen over het publiek, vooral op kermissen, begrepen worden die Bakema aan Lever deed toekomen [24]. Volgens de herinneringen van de heer en mevrouw Kerp zou Bakema een revolutionair zijn geweest, vol zorgen over maatschappelijke problemen. Hij was doodeerlijk, maar realiteitsblind, een denker die als hij in een andere wie[g] had gelegen het als filosoof ver [zou] hebben geschopt [25]. Maar een vlotte babbel en dito pen en een uitgesproken mening over allerhande zaken maken iemand nog niet tot filosoof. Bakema’s correspondentie [met Lever] toont een man in zijn laatste levensfase. Met het gevoel eigenlijk zijn leven lang ondergewaardeerd te zijn en wanhopig op zoek zijn mening over van alles en nog wat te verkondigen en zijn kennis over te dragen. Doodeerlijk, zonder te streven naar geldelijk gewin, dat wordt van diverse kanten bevestigd. In de kunst van het silhouettenknippen op zoek naar een opvolger: “Twintig à dertig jaar geleden had ik al gedroomd van een tweede silhouettenknipper… eindelijk is die er dan toch… “ [26]. Zeker, Lever was kort voor hun kennismaking met het knippen van portretten begonnen, maar was met papierknippen al veel langer bezig [27]. En, hij was niet de enige. Er zijn in Nederland steeds mensen geweest die zich met papierknippen hebben beziggehouden, ook zonder dat Bakema en anderen dat wisten. En de papierknipkunst kon zich in de periode 1946-1950 in een oplevende belangstelling verheugen door verschillende exposities, hobbybeurzen en de activiteiten van een aantal knippers en knipsters. Na de tentoonstelling in Franeker in 1950, waarvoor slechts zes knippers te vinden zouden zijn geweest [28], nam die belangstelling alleen nog maar toe. Bakema kon het allemaal niet zo waarderen. Hij was een artiest, had gedaan aan acrobatiek, schimmenspelen, goochelen, poppenkastspelen, toekomst voorspellen, gedachten lezen en portretknippen. Met een haat-liefdeverhouding tot zijn publiek. In geestelijk opzicht een zoeker van spiritisme tot theosofie en het Leger des Heils.

In 1952 moest hij constateren dat zijn kermisvakgenoten een afbeelding van hem op de voorpagina van hun vakblad hadden geplaatst met als onderschrift “Kermis romantiek”. Duidelijker kon het niet. Kijken we naar het werk dat Bakema heeft gemaakt, dan kan worden gesteld dat de positieve meningen daarover beslist niet zijn overdreven. Zijn portretten zijn veelal zorgvuldig geknipt en met aardige details uitgewerkt. Verder wist hij de geknipte portretten, voor zover dat los van het model is te beoordelen, precies dat mee te geven wat een goed portret typeert, het sprekende, levendige en dat met een zwart papiertje! Dat werk verdient alle bewondering.

Door Henk van Ark

Noten

1.I.G.Kerp-Schlesinger, Leer knippende zien, De Bilt 1970, p.45 en p.69; diverse afbeeldingen.
2. Joke en Jan Peter Verhave, Schaarkunst. Ontwikkeling van de papierkn4ikunst in Nederland, Arnhem 1983, p.39. Hier onjuist vermeld als “sinds 1915 in Amsterdam werkzaam als clown, marktkoopman en silhouettenknipper”.
3. Elly Stroucken-de Jager, “Kees Bakema. Herinneringen, opgetekend uit de mond van mevrouw I.G.Kerp-Schlesinger”, Knip-Pers, jrg.3 (1986), pp.5-9.
4. De brieven [aan Lever] lopen van 6 april 1950-22 maart 1952.
5. Voor dit artikel werd in 1989 informatie over Bakema verstrekt door mevr. L.v.d.Berg-Kalkman (Rotterdam) en dhr. A. van Driel (Rotterdam).
6. “Nederland[s] eerste silhouettenknipper niet gedateerd krantenknipsel (ca. 1952), coll. W.Tj.Lever, R’dam. Vergelijkbare gegevens zijn ook te vinden in: Henk Suér, “Het werk van Kees Bakema”, De Tijd, 4 augustus 1956 en “Klaas Bakema (op de Pinkster-drie markt) liet eens de ganzen in ‘t circus los (…)“,Rott(erdams) Nieuwsblad, 26 mei 1953.
7. Deze drie passages zijn aanwezig in [de] corr[espondentie] Bakema-Lever [B/L] 26 april 1950, p.3.
8. corr. B/L, 9 april 1951, p.5.
9. corr. B/L, 9 april 1951, pp.5- 11.
10. corr. B/L, 11 april 1950, pp. 1-2
11. corr. B/L, 11 april 1950, p. 4..
12. corr. B/L, 11 april 1950, p. 5. Bakema maakte dus van het knippen bewust nooit zijn beroep als onterecht staat vermeld als herinnering van I.G.Kerp (Knip-pers, p.7).
13. corr. B/L, 11 april 1950, pp. 3-4.. Bakema bekostigde dus niet zijn reis naar Indië door op de boot portretten van passagiers te knippen (Knip-pers, p.7).
14. corr. B/L, 25 dec 1950, p. 3.
15. corr. B/L, 25 dec 1950, p. 4.
16. “Nederlands eerste silhouettenknipper” [kranten]knipsel coll.st. W.Tj.Lever.
17. corr. B/L, 6 april 1950, p. 6; corr. B/L, 11 april 1950, p. 6.
18. corr. B/L 11 april 1950, p. 6; [corr. B/L], 26 april 1950, p. 8. Bakema reageerde aan Lever op een artikel over Voss in het tijdschrift Vizier.
19. corr. B/L, 11 april 1950, p. 7.
20. Bakema moet Kerp-Schiesinger in Bussum tussen 26 april en 11 juni 1950 op een zesdaagse tentoonstelling hebben ontmoet (corr. B/L, 11 juni 1950, p. 1) Het in het Knip-persartikel vermeldde (ontmoeting in 1949, Bakema was 75 jaar) is dus onjuist; corr. B/L, 11 juni 1950, pp. 1-4 (lof) [,] corr. B/L 11 juni 1950 p. 5 (bedenkingen [;] corr. B/L [.]
21. Knip-pers 3 (1986), pp. 5-9.
22. corr B/L, 3 sept. pp. 1-2, 7-8; corr. B/L 16 oct, p.1.
23. corr. B/L, 16 oct., pp. 2-3.
24. corr. B/L 6 april 1950-22 maart 1952, passim.
25. Knip-pers [3, 1986], p.7 en p. 9.
26. corr. B/L 9 april 1951, p.12.
27. Lever was dus zeker geen beginnend knipper en leerling van Bakema zoals mevr. Kerp zich herinnerde (Knip-pers [3, 1986], p.8), evenmin was hij toen van beroep kolensjouwer. Lever knipte vanaf zijn jeugd, verkocht in 1936/37 zijn eerste knipsels en wist in oorlogstijd van het [knip]werk enige tijd rond te komen [In de jaren voordat hij als beroepsknipper begon was hij handeisreiziger].
28. Knip-pers [3, 1986], p.8. Gegevens over de expositie in Franeker zijn niet meer bij museum ‘t Coopmanhus beschikbaar (schr.med.). Er moet toen slecht gezocht zijn want W.Tj.Lever noemt in zijn artikel “Nederland knipt weer 8 andere knippers die hij kende uit eigen omgeving of via kontakten (De Schilder, 21 juli 1951, p.246-247).
29. corr.B/L, 22 mrt 1952, p. 3.

Jan de Rijmer en knipsels met de schaar, Papyria 1

“Bloempjes der Vreugd” is een boek dat zich al jaren in onze stichtingsverzameling bevindt [1](afb. 1.)

Afb. 1, Bloempjes der vreugd

Het is aangeschaft in een periode dat we vrijwel alles wat met knipkunst te maken had verzamelden. Dit boek werd gekocht omdat bij het gedeelte over J.J.A.Gouverneur enige gedichten met daarbij geknipte illustraties (afb. 2,3 en 4] waren opgenomen.

Overduidelijk Duits knipwerk, waarschijnlijk van de hand van Müller of Fröhlich[2]. Dat werk behoorde niet tot de onderzoeksprioriteiten van de Leverstichting die zich vooral richtte (en richt) op de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst. Maar de inhoudsopgave[3] van Bloempjes vermeldde dat de illustraties en gedichten afkomstig waren uit “Knipsels met de schaar” van J.J.A.Goeverneur, uitgegeven respectievelijk door W.van Boekeren, 1835 en 1843, J.Oomkes te Groningen, vierde druk, 1853 en Van Druten & Bleeker te Sneek, z.j. En omdat Goeverneur een bekend Nederlands schrijver van kinderboeken in de 19de eeuw was bleef een vage interesse voor verder onderzoek bestaan.

afb. 4

Daar kwam het niet van ten tijde van het Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven, dit veranderde toen de stichting W.Tj.Lever naar Groningen verhuisde. In een boek dat we lazen over het literaire leven in Groningen van 1945 tot 2005 dook de naam van Goeverneur weer op[4]. Naar aanleiding van het thema van de landelijke boekenweek (“Styx, leven en dood in de letteren”) vond een bijzondere plechtigheid op de Zuiderbegraafplaats in de stad Groningen plaats. In optocht ging een groep mensen naar het graf van Goeverneur waar een kleine ceremonie te zijner ere plaatsvond. Het was een van de “oden aan de doden”, een van de activiteiten van de boekenweek. Daarna werd een actie gestart voor de restauratie van het sterk verwaarloosde grafmonument. In november 2005 werd het herstelde graf onthuld[5]. Na lezing van dit voorval werd een korte zoektocht op internet ondernomen. Dit leverde al snel enig biografische gegevens op en een beperkte literatuuropgave [6]. Daarbij niet het boek “Lust en Leering” [6] dat we tot onze verrassing kort erna aantroffen in een ramsjaanbieding bij een Groningse boekhandel. De titel van dit standaardwerk, geschreven door het echtpaar Buijnsters, was ons wel bekend maar in het jaar van uitgave (2001) was het financieel niet mogelijk het aan te schaffen. Ook van raadplegen in een bibliotheek kwam het toen niet.

afb. 5 Jan Goeverneur

Nu lag het anders en het resultaat was hoopgevend. Hoofdstuk 11 van dit boek gaat over Jan Goeverneur, van beroep: kindervriend (afb. 5 en 6).  Een, mede op dit hoofdstuk gebaseerde, levensbeschrijving van Goeverneur is verder te vinden in een artikel van Frits Booy [7] uit 2009.

afb. 6

We lezen daar: “Johan Jacob Antonie Goeverneur werd op 14 februari 1809 in Hoevelaken geboren. Zijn ouders waren Mattheus Goeverneur, hervormd predikant, en Cornelia Rembrandina Graswinckel, beiden afkomstig uit oude Delftse patriciërsfamilies. Jan zat op scholen in Beetsterzwaag en in Groningen, waar hij in 1925 [moet zijn 1825, red.] theologie ging studeren. Met medestudenten richtte hij in 1829 de Groninger Studenten AImanak op, waarin hij als ‘Jan de Rijmer’ satirische gedichten publiceerde. In 1831 nam hij deel aan de Tiendaagse Veldtocht; daarna ging hij in Leiden letteren studeren. Hij deed in 1836 doctoraal examen en keerde naar Groningen terug. Hij wilde geen dominee of leraar worden, maar gaan leven van zijn pen. Hij was redacteur van De Huisvriend, een maandblad voor het grote publiek, en schreef voornamelijk voor de jeugd. Op latere leeftijd kreeg hij psychische problemen. Arm en teruggetrokken stierf deze vrijgezel op 18 maart 1889. (…) Naast zijn redactiewerk probeerde Goeverneur geld te verdienen met het verzinnen, vertalen en bewerken van verhalen en versjes voor kinderen. Hij hield zich bezig met allerlei genres als fabels, sprookjes, avonturenverhalen, abc-boeken, speel- en informatieve boeken. Hij bewerkte voor de jeugd vele klassieke verhalen zoals sprookjes van Grimm en Andersen, Robinson Crusoë, Gullivers reizen, Avonturen van baron van Münchhausen, zelfs Don Juan en Doctor Faust!”.

Een aparte categorie van zijn werk, schrijven de Buïjnsters, worden de prentenboekjes met silhouetten naar voorbeeld van de Duitser Karl Fröhlich (1821-1898) genoemd. Deze was al op jonge leeftijd begonnen met zich te oefenen in de acrobatiek met de schaar en werd zo de schepper van het “Scherenschnitt Bilderbuch”. Fröhlich schreef zelf het berijmd commentaar bij elk silhouetplaatje, dat meestal een idyllisch tafereeltje met dieren en kinderen uitbeeldde en dikwijls een komische inslag bezat. Zijn filigraintechniek komt het best tot uitdrukking in de bomen en struiken die hij bij voorkeur tevoorschijn toverde. Tot in de twintigste eeuw bleef zijn “Fröhliches ABC Buch” uit 1859.Van eerdere datum was “Fäbeln und Erzahlungen für kleine und grosse Kinder in Versen und Silhouetten” (1852).

afb. 7

De naiëve Biedermeier kunst van Karl Fröhlich was letterlijk geknipt voor Goeverneur, die er dan ook dankbaar gebruik van heeft gemaakt voor zijn eigen “Knipsels met de schaar”. Een nieuw boek voor kleine en groote kinderen met versjes en rijmpjes (Groningen, W. van Boekeren, 1855) en “De zwarte man. Nieuwe knipsels met de schaar van Karl Fröhlich” (Utrecht, C.van der Post, Jr.,1857). In het openingsgedicht beveelt De Zwarte Man de kinderen aan zijn voorbeeld te volgen: “En is er iemand onder u,/Die vlug de schaar hanteren kan/En die geduld en lust heeft, nu/Knip na de kleine beeldjes dan./Zoo leerde ik zelf ook eerst de kunst”. (afb. 7 en 8)

afb. 8

afb. 9

Beide uitgaven, met dus knipsels van Fröhlich (afb. 9) worden vermeld in “Geknipt!”[9], maar niet een andere Duitse uitgave die Goeverneur voor de Nederlandse markt heeft bewerkt. Het is “De zwarte Peter”, verschenen bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar te Rotterdam.
Een nieuw prettig boek voor jonge en oudere kinderen met schaduwbeelden van Paul Konewka (1840-1871) (afb. 10) en rijmen (eigen èn gevolgd) van Goeverneur. Van dit uiterst zeldzame werk is tot nu toe maar een exemplaar bekend.[10] Goeverneur bewerkte dit silhouettenboek van Konewka uit 1869, met versjes van zijn zwager J.Trojan in 1872.

 

 

afb. 10

Interessant is verder de opmerking bij Buijnsters (in een voetnoot[11], opgetekend door een bezoeker aan Fröhlich, dat de werken “Fabelen voor grote en kleine kinderen” en “A.B.C. voor aardige kinderen in silhouetten ook in Nederland zijn uitgegeven. Tot nu toe zijn hiervan geen exemplaren bekend, maar het is verleidelijk te veronderstellen dat Goeverneur hierbij betrokken geweest kan zijn. Het is nog altijd mogelijk dat te zijner tijd van een van deze uitgaven een exemplaar opduikt, en dat zou natuurlijk prachtig zijn.

 

Door Henk van Ark

Noten
Gebruikte afkorting:
– Buijnsters (2001): P.J.Buijnsters en L.Buijnsters-Smets, Lust en Leering, geschiedenis van het Nederlandse kinderboek in de negentiende eeuw, Zwolle 2001.

  1. Leonard de Vries, Bloempjes der Vreugd, het mooiste uit oude kinderboeken, (2e dr.), Haarlem 1976.
  2. idem, p.139-141.
  3. idem, p.187.
  4. Herman Sandman, Arcadia der Poëten (..), Groningen 2008, p.256-257.
  5. idem: foto van de oplevering van het gerestaureerde graf, p.256.
  6. o.a. www.dbnl.org/auteur.
  7. Buijnsters (2001),
  8. idem, p.193-207; Sandrijn Wiebenga, “’Er is een nobel volkje onder uwe confraters’ J.J.A,Goeverneur en zijn uitgevers”, Jaarboek Letterkundig Museum 8 (1999), p.1-15; Frits Booy, “Jan Goeverneur (1809-1889), kindvriendelijke broodschrijver én pionier”, Boekenpost 104 (17e jrg, 2009), p.27-29.
  9. Geknipt, p.38-39.
  10. Buijnsters (2001), p. 202, Het bevindt zich in de Stadsbibliotheek Haarlem.
  11. idem, p.440, noot 30 en p.233. Fröhlich werd voor de “Kinder-Courant” bezochtdoor Herman de Ridder.

Bijlage

In de bibliotheek van de stichting W.Tj Lever bevinden zich diverse uitgaven van/over het werk van Karl Fröbliçh en Paul Konewka. Dit zijn:

1. Catalogus Karl Fröhlich (1821-1898), Scherenschnitte, Historischen Museum für Stadt en Grafschaft Wertheim, 1983. (afb. 11)
2. Karl Fröhllchs Schatten-Liliput (Kunstwart-Verlage Georg D.W. München, z.j.) (afb. 12)
3. Silhouetten. Scherenschnitte von P.Konewka , Verlag Otto Maier, Ravensburg, z.j. ( afb. 13)
4. Frits Keppler, Zertreute Blätter von Paul Konewka, München, z.j. (afb. 14)

Verder beschikken we over het artikel “Paul Konewka (een kunstenaar met de schaar)” De Vriend des Huizes 25 (1907), p.506-511.

afb. 11

afb. 12

afb. 13

afb. 14

Doopsgezinden en knipkunst, Papyria 2

afb. 1, Joanna Koerten

Een afbeelding van het knipsel “De Romeinse Vrijheid, geflankeerd door portretmedallions van de eerste twaalf keizers” (ook wel “De Twaalf Keizers” genoemd) van Joanna Koerten kozen we uit voor de omslag van “Welkom in Papyria (afb. 1)”, de brochure die dit voorjaar verscheen. Niet voor niets natuurlijk, dit kunstwerk was de belangrijkste aankoop van onze stichting (1999) sinds de verwerving van een belangrijk deel van Wiecher Levers Westerborkcollectie in 1988 en het resultaat van tien jaar lang gericht verzamelen voor het Nederlands Museum van Knipkunst. Het was daarom een groot genoegen dit knipwerk terug te zien op de tentoonstelling “Gedoopt. Vijf eeuwen doopsgezinden in Nederland”, die van 23 februari t/m 15 mei 2011 in Amsterdam is gehouden. Deze prachtige expositie was er één in een rij van tentoonstellingen in de afgelopen maanden die niet expliciet over knipkunst gingen, maar waar wel (soms) veel over dit onderwerp te zien en te lezen was.

Zo was de tentoonstelling “Gedroomd papier” in Rijksmuseum Twente (6 februari-12 september 2010) waar we interessante informatie konden vinden over de betrokkenheid van schilder Herman Kruyder bij het schimmentheater van Ko Doncker rond 1911[2]. En verder: “Het leven getekend. De Gouden Eeuw van Gesina ter Borch” (Stedelijk Museum Zwolle, 17 oktober 2010-9 januari 2011), een mooi vormgegeven, maar wat kleine tentoonstelling met een goed begeleidend boekje van Marjan Brouwer (“De Gouden Eeuw van Gesina ter Borch”) en een knipsel van Joanna Koerten[3]. In “Welkom in Papyria 1” besteedden we al aandacht aan de tentoonstelling “ShadowDance” in Kunsthal Kunstkade in Amersfoort (18 september 2010 t/m 9 januari 2011, verlengd t/m 6 februari)[4]. Vervolgens “Nicolaas Verkolje (1673-1746. De fluwelen hand” (Rijksmuseum Twente, Enschede, 5 februari-12 juni 2011) met nuttige informatie over Verkoljes tekeningen voor het Stamboek van Joanna Koerten[5].

En dan was er dus “Gedoopt”. Bij die tentoonstelling waren diverse publicaties verkrijgbaar, waaronder een opvallende catalogus in een cassette (afb. 2). In dat omhulsel losse kaarten met afbeeldingen van 42 doopsgezinden uit het verleden en 1 kaart met foto’s van 9 dopers uit deze tijd.

Daarbij een boekje met tijdsbalk met daarin portretten van de illustere 42 en aardige thematische onderwerpen zoals Brief van Menno Simons, Martelaarsboeken en de Menniste Hemel[6].(afb. 3) Bij de uitgekozen 42 doopsgezinden waren er vijf die op een of andere wijze met het onderwerp papierknipkunst verbonden kunnen worden: Joanna Koerten, Gesina Brit, Agnes Block, Galenus Abrahamsz. en Agatha Deken. En -in een vitrine- was een knipsel van Jan de Bleyker te bekijken.

afb. 3

Het knipsel “De Twaalf Keizers” van Joanna Koerten was naast een uitvergroting van de zwarte kunst prent van Petrus Schenk naar een schilderij van D. van der Plas (1701) opgenomen in een vitrine met daarin ook de lofdichtenuitgave uit 1736 met twee gedichten van Abraham Bogaert (“Op de Roomsche Monarchy” en “Op de XII Keizers”) over dit knipsel. Eenzelfde opstelling als in ons museum in Schoonhoven. (afb. 4)

afb. 4

Goed gekozen, want Bogaert was ook de schrijver het boek “De Roomsche: Monarchy” uit 1697, een uitgave die Koerten waarschijnlijk heeft gestimuleerd het knipsel te vervaardigen[7]. Overigens baseerde Koerten de portretten van de keizers waarschijnlijk op een uitgave van Joachim Oudaan (“Roomsche Mogentheyt. Of Naeuwkeurige Beschryving, van de Macht en Heerschappy der Oude Roomsche Keyseren (…) Alles vertoont en aengewesen uyt de oude Roomsche Medalien”) van 1670 [8].

afb. 5

De Lofdichten uitgave uit 1736 (afb. 5) is een van de twee versies van bundelingen met gedichten op de knipkunst van Koerten die, twintig jaar na haar dood, zijn uitgegeven. Het boek heeft eigenlijk twee titelbladen. Op de eerste wordt eenvoudig vermeld: GEDICHTEN,/ Uit het Stamboek van Wyle Juffrouwe JOANNA KOERTEN./ ENZ. en na een portretgravure van J.Punt (1734) een tweede blad met de tekst:
“GEDICHTEN/Op de overheerlyke Papiere Snykunst/Van Wyle MEJUFFROUWE/ JOANNA KOERTEN,/Huisvrouwe van Wylen de Heere/ADRIAAN BLOK,/ GEDRUKT NA HET ORIGINEEL STAMBOEK;/Benevens een korte schets van Haar Leven. Daaronder een gegraveerd vignet en tenslotte de vermelding “Te AMSTERDAM, /By STEEVE VAN ESVELDT, in de St.Lucie-Steegh, over ‘t /Meisjes Weeshuys 1736.” (afb. 6) Hier wordt dus goed aangegeven waarom het gaat: gedichten over Koerten en haar werk, gedrukt naar originelen (dus in handschrift) uit haar Stamboek.

afb. 6

De tweede versie van de Lofdichten dateert uit 1735 (afb 6) en is op de Amsterdamse tentoonstelling te zien met enige andere stukken die op Koerten betrekking hebben. Deze uitgave wordt in het algemeen gezien als roofdruk, die dus eerder zou zijn uitgegeven, al zijn er ook andere suggesties. Het titelblad is -waarschijnlijk niet voor niets- misleidend te noemen. De tekst luidt: “HET STAMBOEK/OP DE PAPIERE SNYKUNST/ Van Mejuffrouw/JOANNA KOERTEN,/Huisvrouw van den Heere/ADRIAAN BLOK/Bestaande in LATYNSCHE EN NEDERDUITSCHE/ GEDICHTEN/ DER VOORNAAMSTE DICHTERS. Daaronder een vignet van Punt (1734) en vervolgens de tekst: “’t AMSTERDAM,/ Voor rekening van de COMPAGNIE./ M.D.CC.XXXV.”. Het stamboek op de papiere snykunst van Koerten met gedichten der voornaamste dichters. Maar dit gedrukte boekje is helemaal niet hét Stamboek van Koerten, maar zoals de versie van 1736 terecht vermeld een bundeling van gedichten gedrukt naar originelen uit dit Stamboek. Uit de cataloguskaart van Koerten van “Gedoopt” wordt dit echter niet duidelijk.

Het Stamboek van Koerten (afb. 7) was namelijk een grote collectie waarvan we de inhoud kennen uit een beschrijving van Pieter de la Rue uit eveneens 1753. Niet alleen gedichten maakten deel uit van deze omvangrijke verzameling, maar ook handschriften van hoge personen, tekeningen van belangrijke kunstenaars en staaltjes van fraaie schrijfkunst [9]. Waarschijnlijk is dit Stamboek in het begin van Koertens loopbaan als knipster als handtekeningenboek van bezoekers begonnen om uit te groeien tot een grote collectie die na haar dood in 1715 door haar man Adriaan Blok als Stamboek werd betiteld en fors werd uitgebreid met andere bijdragen, waarvan vele gemaakt in opdracht van Blok. Een origineel geschreven gedicht uit het Stamboek was te zien in de vitrine en is ten dele afgebeeld op de cataloguskaart van Koerten (afb. 8)

afb. 8

Het gaat om werk van Koertens vriendin Anna Insma (1656-1707), dat is opgetekend door de schoonschrijver Jacobus Gadelle (afb. 9).

afb. 9

De geschreven tekst wijkt sterk af van de gedrukte tekst van dit gedicht, dat in beide Lofdichtenversies is opgenomen. Naast het gedicht van Insma was op de expositie de eerste staat van de portretprent die Jacob Houbraken maakte voor Arnolds grote uitgave over Nederlandse kunstenaars. (afb. 10)

afb. 10

Tot het Stamboek behoorde verder een lang gedicht van dichteres Gezine Brit (ca. 1669-1747), ook een van de doopsgezinde hoofdpersonen van de Amsterdamse tentoonstelling. Op haar cataloguskaart wordt terecht melding gemaakt van haar samenwerking met Arnold Houbraken, die haar herderszang “Koridon” volledig opnam in zijn lemma over Koerten in zijn “Groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen”. (afb 11 en 12)

Deze herdeszang is ook vertegenwoordigd in beide versies van de Lofdichten. Een andere hoofdfiguur van de tentoonstelling, de arts Galenus Abrahamsz. de Haan (1622-1706) (afb. 13 en 16) schreef eveneens een gedicht voor het Stamboek dat ook te vinden is in de gedrukte uitgaven van 1735 en 1736. (afb. 14)

Joanna Koerten knipte ook zijn portret (“Borststuk, met een Boek in de hand, en een vaars daar onder”) dat altijd in haar verzameling aanwezig is geweest. In 1956 bevond dit portret zich nog in een particuliere collectie in Aerdenhout [10]. (afb. 15)

afb. 15, Joanna Koerten

In nog steeds dezelfde vitrine van zaal 2 werden we vervolgens verrast door de aanwezigheid van een knipsel van ds. Jan de Bleyker (1707-1783) uit 1777 dat ook tot onze stichtings/museumcollectie heeft behoord (afb. 17). Nog steeds voorzien van het goed gesneden passepartout en strakke lijst, door Tobia Lever aangebracht. Met het effect dat alle aandacht wordt gericht op het ongewoon fraaie knip- en tekenwerk van de Alkmaarse predikant. Dit knipsel werd door ons altijd neutraal aangeduid als “Knipsel met tuinarchitectuur en vergezicht”[11] maar is op de expositie voorzien van de titel “De Hemelpoort”.

afb. 16. Jan de Bleijker

Een andere hoofdpersoon op de tentoonstelling was Agnes Block [12]. (afb 18) Zij was eerst getrouwd met zijdekoopman Hans de Wolff een neef van Vondel, met wie Agnes innig bevriend raakte. Na Wolffs dood hertrouwt zij, met de eveneens doopsgezinde zijdehandelaar Sybrand de Flines. Ter gelegenheid van dit huwelijk dichtte Vondel: “d’ Een schept zomwyl lust op het land,/daer zy bloemen zaiet en plant,/ Of de bloemgodin helpt vieren,/En het loof werk op papieren,/Uitgesneden met de schaer,/Offert op het huisaltaer:/d’Ander heeft natuur getroffen,/als hy net in zyde stoffen,/Loof en schoone bloemen weeft,/Schooner dan de lente ons geeft.”

afb. 18, Agnes Block

Dit gedicht gaat dus over Agnes’ liefde voor de botanie en over haar knipkunst, die ook aan de orde komt in het lange lofdicht “Vijverhof van Agneta Blok” van haar achterneef Gualtherus Blok (1702) (“Doch Bloemen wonderlyk in Potte te schakeren,/ Kan uwe Sny-konst in Papier, uw Schaar ons leeren’). Deze Vijverhof was een buitenplaats aan de Vecht die Agnes na 1670 liet aanleggen De schilder Jan Weenix heeft daar Agnes met haar man en twee (stief)kinderen in de tuin van de Vijverhof geportretteerd. Dit schilderij was ook op de expositie aanwezig, in het catalogusboekje wordt de buitenplaats uitvoerig getoond als voorbeeld van een optrekje in de zogenaamde “Menniste Hemel”, een reeks van vele buitenplaatsen, huizen en hofsteden waarvan de eigenaars veelal doopsgezind waren. Agnes Blok werd de Flora Batava (bloemengodin van Holland) genoemd en verwierf faam door het voor het eerst kweken van een ananas in de Republiek. (afb. 19) Haar botanische collectie liet zij vastleggen door een twintigtal kunstenaars. Helaas is tot nu toe geen knipwerk van Block bekend.

afb. 19

Agatha Deken (174 l-1804) (afb. 20) heeft waarschijnlijk zelf nooit geknipt. Haar levenspartner Betje Wolf moet dit echter wel hebben gedaan.

 

 

 

 

 

 

Er is een knipseltje bewaard gebleven dat zij als 12-jarige heeft vervaardigd voor het zoontje van de burgemeester van Vlissingen (afb. 21).

afb. 21, Betje Wolff

Ook zou zij enige prikwerkjes hebben gemaakt. Aagje en Betje zijn geportretteerd in silhouet door de doopsgezinde predikant Matthias Jansz. van Geuns (1758-1839) die meer dan vierhonderd profielportretten van in hoofdzaak doopsgezinden knipte in de plaatsen waar hij voorganger was en verder professoren, studiegenoten en familieleden[14]. (afb. 22)

afb. 22, Matthias Jansz. Geuns

Hoewel in het bezoekersboek bij de tentoonstelling zoals gebruikelijk enige negatieve opmerkingen zijn genoteerd (bv. zwakke verlichting, niet zo leesbare tekstbordjes in de vitrines en een met altijd gelukkige opstelling van voorwerpen in de vitrinekastjes bij de hoofdpersonen) kan “Gedoopt” toch gezien worden als een zeer geslaagde expositie met een mooie keuze uit de rijke geschiedenis van de doopsgezinden in Nederland. Wat wel ontbrak, en dat is vreemd bij een tentoonstelling waarvoor zoveel werk moet zijn verricht, is een goede, beredeneerde catalogus met daarin, genummerd opgenomen alle in de expositie getoonde voorwerpen. Ieder catalogusnummer voorzien van een verantwoording van de geraadpleegde literatuur en/of archiefstukken. Hoe het ook kan bleek bij de tentoonstelling over Nicolaas Verkolje in Enschede waarbij niet alleen een goede catalogus verscheen, maar bezoekers ook een gratis gidsje mee konden nemen met prima beschrijvingen bij de catalogusnummers.

Voor verder onderzoek is dat geen goede stimulans, hoewel het ons niet zal weerhouden onder andere bezig te blijven met knipkunst en knipkunstenaars in de l7de en begin 18de eeuw. Het artikel over de reis van Zacharias von Uffenbach en zijn knipkunstcontacten in 1710/11 in deze “Welkom in Papyria” laat dat al zien.

Door Henk van Ark

Noten
gebruikte afkortingen

Geknipt!, Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt! Geschiedenis van de papierknipkunst
in Nederland
, Zutphen 2008.
Nieuwsbrief Nieuwsbrief van de stichting W. Tj.Lever en het Nederlands Museum vanKnipkunst (1988-2008).
Papyria, Welkom in Papyria (1),
Rasquert 2011.

  1. Henk van Ark, “Een knipsel van Koerten voor de museumcollectie”, Nieuwsbrief, jrg.12, nr. 3 (september 1999), [p. 3-4] Deze aankoop was aanleiding voor een speciaal Joanna Koerten nummer van de Nieuwsbrief (jrg.13, nr.4, december 2000). Het knipsel behoort nu tot de collectie van het Westfries Museum.
    2. Ton Geerts, Catalogus Gedroomd Papier, tekeningen en grafiek 1850-1935, Enschede 2010.
    3. Henk van Ark, “Knipwerk in albums voor 1700”, Papyria, p. 33-35.
    4. Henk van Ark, “Schaduwdans, maar liever niet zo Nederlands”, Papyria, p. 4l-47.
    5. Paul Knolle, Everhard Korthals Altes, Nicolaas Verkolje 1673-1746. De fluwelen
    hand
    , Zwolle 2011.
    6. Klaas van der Hoek e.a., Gedoopt. Vijf eeuwen doopsgezinden in Nederland, (Amsterdam 2011). Verkrijgbaar bij de expositie waren verder: Gedoopt! Doopsgezinde Bijdragen, nieuwe reeks, nummer 35/36, Amsterdam 2010; Piet Visser, Sporen van Menno, het veranderde beeld van Menno Simons en de Nederlandse mennisten, Krommenie 1996; Menno.(Uitgave ter gelegenheid van het jubileumjaar 2011 van de doopsgezinde geloofsgemeenschap), Zoetermeer 2011.
    7. Henk van Ark, “Nieuwe Museumaanwinsten”, Nieuwsbrief, jrg. 16, nr.3 (september 2003), [p.3-4]
    8. Henk van Ark, “De Romeinse Vrijheid van Joanna Koerten”, Nieuwsbrief, jrg.13, nr.4 (december 2000), [p. 7-11].
    9. Henk van Ark, “Het Stamboek van Koerten”, Nieuwsbrief jrg.13, nr.4 (december 2000) (p.11-14).
    10. H.W.Meihuizen, “Een verloren gewaand portret”, Algemeen Doopsgezind Weekblad jrg.11, nr.28 (1956), p.5.
    11. Atty Broer, Jan de Bleyker (1707-1783), Predikant & Papierknipper, [Schoonhoven] 2001, [p. 13-14], Geknipt!, Lexicon, p. 173-174.
    12. Atty Broer, “Portretten van Knipkunstenaars (1), Nieuwsbrief jrg. 18, nr. 1 (maart 2005), [p.6-10]; Nieuwsbrief jrg.18, nr.2 (juni 2005), [p.3-4]; Geknipt!, Lexicon, p. 174.
    13. Henk van Ark, “Zeeuws Knipwerk: Knip- en prikwerk van Betje Wolf’, Nieuwsbrief jrg.5, nr.2 (juni 1992), [p. 6-7] “Nogmaals, het prikwerk van Betje Wolf’, Nieuwsbrief jrg.5, nr.4 (december 1992), [p.8]; Geknipt!, Lexicon, p.202.
    14. Geknipt!, Lexicon, p. 178.

Knipwerk in albums voor 1700, Papyria 1

afb. 1

ln 2000 kon voor de stichtingscollectie de in 1998 verschenen facsimile uitgave van het Album Amicorum van Jacob Heyblocq worden aangekocht.[1] (afb. 1,2) Een relatief kostbare publicatie waarvan de aanschaf nodig werd geacht omdat er weinig 17de eeuws materiaal in onze verzameling aanwezig was. En, in de opstelling van het Nederlands Museum van Knipkunst wilden we graag een zo zorgvuldig mogelijk opgebouwd overzicht van de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst tonen aan de hand van knipsels en documentatie. Het album is na de verwerving daarom niet in de kast van de handbibliotheek verdwenen, maar kon permanent in een vitrine worden geëxposeerd, opengeslagen bij de pagina met een van de drie knipseltjes die in het Heyblocq album aanwezig zijn.

afb. 2

In “Geknipt” komt dit album kort aan de orde in het hoofdstuk over de 17de eeuw [2] en het wordt als een van de albums met knipwerk genoemd, naar aanleiding van een tentoonstelling in het Museum van het Boek over alba amicorum in 1990 in het hoofdstuk over verzamelen en bewaren.[3] Op grond van het doornemen van de catalogus van deze expositie [4] werd geconcludeerd dat albums geen rijke bron voor bestudering van knipkunst zouden zijn, maar dat lijkt niet helemaal juist. Want op de Haagse tentoonstelling zijn voornamelijk topstukken uit Nederlandse collecties te zien geweest. Daarin komen inderdaad maar weinig knipwerkjes voor, maar in andere albums, vooral uit de 19de eeuw, zal ongetwijfeld meer knip- en prikwerk kunnen worden aangetroffen.[5]

Knipwerk in albums is niet alleen te vinden in vriendenalbums maar ook in albums en boeken waarin knippers eigen werk of werk van anderen bewaarden. In “Geknipt” worden daarvan enige voorbeelden genoemd, maar de keuze is beperkt gehouden. Het vroegst bekende voorbeeld van knipwerk in een vriendenalbum dateert al uit het laatste kwart van de 16de eeuw. Het bevindt zich in het vriendenboekje van jonkvrouw Hiskia van Harinxma dat bijdragen bevat van personen uit haar omgeving.

afb. 3

Het knipsel (afb. 3) is omstreeks 1589 gemaakt door of voor Hessel van Ostheim, een jonker uit een Fries adellijk geslacht. Het is een vierkant knipwerk met een decoratieve rand, waarin in het onderste deel een jachttafereel is afgebeeld. Binnen dit vierkant een cirkelvormige rand (met de tekst Hessel van Ostheim 1589) en het ingekleurde. familiewapen Van Ostheim. Het knipsel wordt omringd door een geschreven gedicht over een jachtpartij.[6]

Midden zeventiende eeuw komen knipsels van Cornelis van Halmael uit omstreeks 1648 voor in een boek, met oorspronkelijk blauwe bladen, dat als opschrift draagt: “Verzameling van Papieren Snykonst voor Verscheiten”. Van die knipsels zijn verschillende gesigneerd en gedateerd, ze stellen ridder- of jachttaferelen voor. De Vrede van Munster (1648) is in een knipsel afgebeeld met feestvierende, dansende en musicerende mensen, terwijl een van de figuren een op een zwaard gestoken reuzenhoofd (de verslagen reusachtige vijand?) meevoert. (afb. 4).

afb. 4, Cornelis van Halmael, 1648

De knipsels kenmerken zich veelal door grote, zeer uitgewerkte boompartijen, de geknipte figuren zijn met pen bijgewerkt. (afb.5) Van de knipper Van Halmael is helaas nauwelijks iets bekend.[7]

afb. 5, Cornelis van Halmael, 1648

In het vriendenalbum van Jacob Heyblocq (1623-1690) bevinden zich -zoals in het begin van dit artikel vermeld- drie knipwerkjes (afb. 6,7 en 8).

afb. 6

afb. 7

Heyblocq studeerde onder andere theologie in Leiden en was vanaf 1648 onderwijzer en later rector van de Latijnse School aan de Nieuwe Zijde in Amsterdam. Hij begon zijn album in 1645 in zijn studentenjaren, de laatste bijdrage erin dateert uit 1678. Het bevat 195 bijdragen van 155 verschillende personen, waaronder veel gedichten, maar ook tekeningen en gravures en dus drie knipsels. Heyblocqs album was in eerste instantie niet bedoeld als vrienden- of studentenalbum, maar werd eerder gevormd om bijdragen van geleerde en nobele heren te verwerven om zo te dienen als herinnering aan hen na het overlijden. In dit fraaie en zeer rijk gevulde album vinden we inderdaad bijdragen van diverse grote geleerden, maar ook kleine kunstwerken van kunstenaars als Rembrandt, Govaert Flinck, Gerbrand van den Eeckhout en Anna Maria van Schurman. Curieus is het blad van Comelis van Halmael uit 1649, verondersteld is dat het hier zou kunnen gaan om bovengenoemde papierknipper.

afb. 8

De drie knipsels in het album zijn een geknipte cartouche met daarin een opvallend stukje mica (p. 118) en een beschadigde cartouche rond een schild (p. 172). Dit werkje is helaas zwaar beschadigd. De makers van deze knipwerkjes worden niet vermeld, maar de knipper van de omlijsting van het stukje mica is waarschijnlijk de Rotterdamse schilder Jacobus Gorter. Hij knipte ook de gekroonde dubbele adelaar binnen een omlijsting van dieren en bloemen (p.271). Het knipsel is gedateerd 1660. Bijzonder is de bijdrage van ene Gerard van Midlum (p. 185, 186) uit 1662. Hij schrijft (afb.9) dat Heyblocqs album bijdragen bevat van dichters, schilders én papierknippers, in feite te veel om op te noemen. Hij kan zich daar niet mee meten, want hij is zelf nu eenmaal geen dichter, papierkunstenaar of schilder, maar meer iemand van het midden of de middelmaat (“midlum”).

afb. 9

afb 9a

Is het album van Heyblocq in diverse opzichten van grote culturele waarde, dat geldt zeker van de drie albums die Gesina ter Borch, dochter van Gerard ter Borch (de oude) en zijn derde vrouw Wiesken Matthijs, samenstelde.[9] De familie ter Borch was een echte kunstenaarsfamilie. Vader Gerard (1583-1662) was een bekend tekenaar en schilder. Hij besteedde veel aandacht aan de begeleiding van zijn tekenende zoons Gerard (1617-1681), Harmen (1638-1677) en Mozes (1645-1667). Hij heeft het werk van hemzelf en dat van zijn kinderen nauwkeurig gedocumenteerd en bewaard.. Die taak als conservator van het familiebezit is na zijn dood overgenomen door dochter Gesina (1631-1690). Zij heeft drie albums met eigen werk nagelaten waaruit we een goede indruk krijgen van haar leven en werk. Gesina kreeg geen les van haar vader maar zijn werk en dat van haar broers boden baar voldoende inspiratie om haar talent zelfstandig te ontwikkelen, want uit al het bewaarde werk van de Ter Borch familie blijkt duidelijk dat de leden elkaar steeds geïnspireerd en gestimuleerd hebben.

Het eerste album van Gesina is het Materi-Boeck. Materiboeken werden gebruikt bij het onderricht in schoonschrijven Gesina schreef in dit boek gedichtjes, spreuken en liedjes onder het motto DMS (Deugd Maakt Schoonheid). Haar tweede album is het Liedboek waarin allerlei liefdes- en andere gedichten staan en populaire liedjes die ze overschreef uit veel gebruikte bundels. Het kunstzinnigste is het derde album, het Kunstboek, dat zijn begon in 1660. Ze tekende en schilderde erin, maar plakte er later ook tekeningen van haar familieleden in en veel kopieën van het werk van vader en broers. Daardoor kreeg dit album in de loop van de tijd het karakter van een plakboek. Interessant zijn de bijdragen van vrienden en bewonderaars, die haar in gedichten lof toe zwaaien voor haar artistieke vaardigheden en haar prijzen om haar kennis, schoonheid en deugden. In dit Kunstboek bevinden zich vrij achterin kleine knipwerkjes van Gesina, van Cornelis en Gerrit Schellinger en van Johannes van Achelom.

afb. 10, Johannes van Achelom en Gesina ter Borch

Van de hand van de vrijwel onbekende Van Achelom is een uit wit papier geknipt papierknipsel op een zwarte ovalen ondergrond opgenomen (afb. 10) Op het rechthoekige monument zit een gevleugeld skelet met een gebroken zandloper in de linkerhand. Op het monument is een tekst uit een psalm (Ps. 88:49) geschreven. Daaronder een heel fijn geknipt rijkswapen met de gekroonde dubbele adelaar. Op het voetstuk heeft Gesina de naam van de maker geschreven. Om dit knipsel heeft zij zelf een fraaie bloemenkrans geschilderd. Op een andere pagina in dit album komt een tweede werkje van Van Achelom voor: twee vrolijke drinkers aan tafel met een bediende die een nieuwe voorraad drank lijkt te brengen. (afb. 11)

afb. 11, Johannes van Achelom

afb 11a. Gesina ter Borch

Gerrit en Cornelis Schellinger waren neefjes van Gesina. De albumbladen met hun knipsels zijn allemaal gedateerd 1685. Het zijn kleine knipsels, ook weer uit wit papier, veel van rennende dieren. Er zijn zekere overeenkomsten met knipkunstvoorbeelden uit een boekje over het onderricht der papiere sny-konst dat een jaar erna in Amsterdam is verschenen. Het gaat om voorbeelden van een reeks dieren die geschikt waren om te oefenen: “alle beesten, als haasen, konynen, vossen, eekhoorntjes, verkens, herten, vogeltjes”. Cornelis en Gerrit knipten ook figuren en scènes uit de Oudheid (Narcissus, Jason en het Gulden Vlies, Pyramus en Thisbe) en wellicht een scène uit Torquato Tasso’s “Het bevrijde Jeruzalem”. (afb. 12 en 13)

afb 12. Gebroeders Schellinger

afb. 13, gebroeders Schellinger

De belangstelling voor het werk van Gesina ter Borch is nooit verflauwd. Het Rijksprentenkabinet organiseerde jaren geleden een grote tentoonstelling over haar werk naar aanleiding van de restauratie van haar albums, er verscheen een prachtige studie over tekeningen van de familie Ter Borch en nog onlangs werd het werk van Gesina geplaatst binnen het werk van andere vrouwelijke kunstenaressen uit de 17de eeuw. Een van die creatieve vrouwen was de Amsterdamse papierknipster Joanna Koerten, van wie het geknipte portret van Willem III (afb 14) werd geëxposeerd.[10]

afb. 14, Joanna Koerten

Van Koerten, een befaamde Amsterdamse knipster, zijn twee knipsels op een blad te vinden in het bezoekersboek van Nicolaas Chevalier uit Utrecht. In een publicatie uit 1997 over schrijvende vrouwen uit de vroeg moderne tijd is dit blad opgenomen als illustratie bij een gedeelte over Geertruide van Halmale.[11] Dit omdat deze nagenoeg onbekende schrijfster, van wie zeer weinig bekend is, een lofdicht op Joanna Koerten heeft geschreven dat in beide versies van haar Lofdichten (uitgegeven in 1735 en 1736) kan worden aangetroffen. Hier duikt dus wel voor de derde maal de naam Van Halmael in verband met knipkunst op.

Chevalier (1661-1720) [12] was boekhandelaar, uitgever van een krant, handelaar in munten, ontwerper van gedenkpenningen en prenten en verzamelaar van oudheden en rariteiten. Voor die munten hebben Koerten en haar man ongetwijfeld een bijzondere belangstelling gehad. Het befaamdste werk van Koerten is immers “De Twaalf Keizers” (“De Romeinse Vrijheid”), dat mogelijk mede is gebaseerd op voorbeelden uit “De Roomsche Monarchy” uit 1697.
Op het blad in het Chevalier album (afb. 15) zien we bovenaan een gedicht van Adriaan Blok “Op de Konstkamer van den Heer Nicolaas Chevalier”. Er onder een spiegelmonogram met de initialen van Koerten (JCB) en twee lauwertakken, uitgevoerd in goudpapier. Koerten scheef daaronder een kort gedichtje (“D’ aloudheijds Munt en Konst is hier/In ‘t Kabinet van Chevalier/Johanna Block”). Een klein knipsel (de kop van keizer Tiberius “muntsgewijs”) sluit dit blad af.

afb, 15, Joanna Koerten

Joanna Koerten heeft zelf ook een bezoekersboek bijgehouden. Waarschijnlijk is zij dit begonnen na haar huwelijk in 1691.[13] Wat begon als een boek met handtekeningen van bezoekers aan haar atelier groeide al snel uit tot een losbladige verzameling van tekeningen, inscripties en lofdichten. Of zich er ook knipwerk van andere kunstenaars in heeft bevonden is niet duidelijk. Veel later, waarschijnlijk kort na haar dood in 1715, is deze collectie omgevormd tot een waar “Stamboek”, een eerbetoon van Adriaan Blok aan zijn vrouw.

Door Henk van Ark

Noten
Afkortingen:
– Nieuwsbrief Nieuwsbrief van het Nederlands Museum van Knipkunst en de Stichting W. Tj.Lever.
– Geknipt: Joke en Jan Peter Verhave, Geknipt, Geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland, Zutphen 2008.

  1. Henk van Ark, “Het Album Amicoum van Jacob Heyblocq”, Nieuwsbrief jrg. 13,nr.2 (juni 2000), p.3-5.
  2. Henk van Ark, “De zeventiende eeuw”, in: Geknipt, p.13.
  3. Joke en Jan Peter Verhave, “Verzamelen en bewaren”, in: Geknipt, p.151.
  4. K.Thomassen e.a. Alba Amicorum, Vijf eeuwen vriendschap op papier gezet: Het album amicorum en het poeziealbum in de Nederlanden, Maarssen/’s Gravenhage 1990.
  5. Voorbeelden daarvan onder andere in: Henk van Ark, Zeer uitstekende kurieuzestukken van papier. Rotterdam snijkunst 1650-1900, p. 13-14.
  6. Geknipt, Lexicon, p.189.
  7. Geknipt, Lexicon, p.180; Atty Broer, Portretten van knipkunstenaars (7), Nieuwsbrief, jrg.20, nr.4 (december 2007), p. 7-10.
  8. Kees Thomassen/J.A.Gruys, The Album Amicorum of Jacob Heyblocq, Zwolle1998; Henk van Ark, “Het Album Amicorum van Jacob Heyblocq”, Nieuwsbrief, jrg. 13, nr.2 (juni 2000), p.3-5.; Atty Broer, “Portretten van Knipkunstenaars (7)”,Nieuwsbrief, jrg.20, nr.4 (december 2000), p. 7-10.
  9. Atty Broer, “Portretten van knipkunstenaars (5)”, Nieuwsbrief jrg.20, nr.2 (juni2007), p. 1-10.
  10. Alison Mc Neil Kettering, Drawings from the Ter Borch Studio Estate, dl. 1+2,Amsterdam 1988; Marjan Brouwer, De Gouden Eeuw van Gesina ter Borch, Zwolle 2010.
  11. Riet Schenkeveld-Dussen (eindred.), Met en zonder lauwerkrans; schrijvendevrouwen uit de vroegmoderne tijd 1550-1850; van Anna Bijns tot Elise van Calcar,Amsterdam 1997, p. 449-454.
  12. D.P.Snoep,” “Virtus post Numeros”, Nicolaas Chevalier’s Chambre des Raretez en zijn bezoekers”, Album Amicorum J.G.van Gelder, Den Haag 1973, p.277-284;Michiel Plomp, “De Portretten uit het Stamboek voor Joanna Koerten (1650-17 15)”,Leids Kunsthistorisch Jaarboek, XIII (1989), p.341 noot 17; Henk van Ark, “De Romeinse Vrijheid van Joanna Koerten”, Nieuwsbrief jrg.13, nr.4 (december 2000); Joanna Koerten nummer), [p. 10]; Joke en Jan Peter Verhave, Kunstkamers en knipkabinetten, Knip-pers, jrg.27, nr.4 (december 2010), p.10-11.
  13. Henk van Ark, “Het Stamboek voor Koerten”, Nieuwsbrief jrg.13, nr.4 (december 2000; Joanna Koerten nummer), p. 14,; Michiel Roscarn Abbing, “Joanna Koerten (1650-1715) en David van Hoogstraten (1658-1724). Een bijzondere relatie tussen twee bekende Amsterdammers, Amstelodamum, jrg.94, nr.2 (maart/april 2007), p.14-29.

Line Huizenga-Onnekes, folkloriste, Knip-Pers 2019-4

Over Line Huizenga is nooit een apart artikel verschenen in de Knip-Pers, alleen een NVvP- bijdrage in een apart katern in 1986. Daarom nu in de serie Belangrijke Knippers iets over een knipkunstdeskundige, die niet zelf knipte.

In 1983 kregen wij van een zoon van Line Huizenga een koffer vol brieven en aantekeningen over knipwerk ter inzage. Daarbij een stapel dicht betypte papieren: een manuscript voor een boek over de geschiedenis van het knippen in Nederland. De titel was ‘Juweeltjes van ‘Knipkunst’. Het bleek een schatkamer vol met tot dan toe ongekende gegevens over knippers en hun werk, van de 17e tot de 20e eeuw: resultaat van jaren origineel onderzoek. De koffer stond naast haar sterfbed in 1956.

Eilina Johanna Onnekes werd geboren in1883 als dochter van een Groningse dominee; vader vertelde haar verhalen uit de streek. Line trouwde in 1909 met een landbouwer, Jan Hendrik Huizenga en het paar vestigde zich op een grote boerderij in Ten Boer. In de geboorteakte van hun oudste zoon werd haar beroep nog als ‘landbouwerse’ omschreven. Maar dat zou veranderen: haar vader had zijn dochter ook maatschappelijk bewust gemaakt, en dus richtte ze, pas getrouwd, een afdeling Vrouwenkiesrecht op in Ten Boer. Line vond het wel jammer dat haar vader haar niet had laten studeren en daarom nam ze haar hele verdere leven deel aan allerlei studiekringen.

Line had interesse in traditionele gebruiken van het Groningse platteland. Ze verzamelde de verhalen bij herenboeren en arbeiders, fietsend of met de bus door de provincie. Zo kwam haar een schriftje onder ogen met verhalen van een huisnaaister, Trijntje Soldaats, opgeschreven in 1800 door haar betovergrootvader. Ze vond die verhalen zo mooi, dat ze in 1928 zijn gedrukt, met dialect en schrijffouten, zoals in het origineel. Het werd een prachtuitgave, geïllustreerd met fraaie houtsneden, het eerste sprookjesboek in Nederland. En zo volgde er meer.

Line ging stukjes schrijven voor het ‘Nieuwsblad van het Noorden’, gaf lezingen, hield praatjes voor de (regionale) radio en werd (bestuurs-)lid van belangrijke Groningse organisaties en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde.

Line raakte geboeid door spookverhalen, die ze uit de mond van vertellers optekende. Ze overleed voor ze daar een boek van kon maken, maar ze zijn in 1969 postuum uitgegeven als ‘Heksen en duivelsverhalen van het ‘Groningerland’. Vrijwel onbekend buiten de kringen van knippers, is het verhaal van de koffer waarin het manuscript over de geschiedenis van de knipkunst, dat Line evenmin in druk zag. Wij kregen die koffer in beheer en hebben in overleg met de familie, besloten om haar werk niet apart uit te geven, omdat veel al achterhaald was (o.a. door ons boekje ‘Schaarkunst’, 1983).
Maar al haar ontdekkingen hebben we later verwerkt in ons grote boek ‘Geknipt! Geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland’ (2008).

Kort na de oorlog raakte Line geboeid door knipwerk. In het Bijbeltje van haar grootmoeder had ze een eenvoudig knipseltje gevonden en ze hoefde niet lang te zoeken of ze vond bij familie en kennissen meer knipwerk. Ze beperkte zich niet tot Groninger knippers: dit project bracht haar door het hele land. Niet zelden betrok ze de afkomst van knippers bij het werk dat ze maakten: bijvoorbeeld of de ouders ook kunstzinnig waren (of misschien een van hen). Ze schreef met veel knippers, kunsthistorici en museumdirecteuren en vroeg om afbeeldingen van knipwerk. En die moesten vaak betaald worden (haar man mopperde wel eens over al die kosten).

Ze was intussen ook een behendige fotografe geworden en dat hielp, maar zelf knippen, daar is het nooit van gekomen.

Line bezig met het typen van haar Knipboek. Op de achtergrond haar man met hoed en achter haar kleinzoon Jan. Let op de wand achter haar man, daar hangen allerlei oude knipsels.

Een groot deel van het onderzoek heeft Line gedaan in samenwerking met Wiecher Tj. Lever, toen een beginnend knipper en verzamelaar in Muntendam (zie over die samenwerking ook ons artikel ‘Overgeleverde knipsels’ in Knip-Pers 1998-2). In feite hadden ze eenzelfde benadering: beiden bezochten mensen die knipwerk bezaten of maakten, schreven erover, o.a.  in het tijdschrift ‘Hobby’ en gaven voordrachten. Zo ontdekte Lever het werk van Geert Jager (plm. 1850) in Oost- Groningen; en Line raakte geboeid door een Gronings knipsel van ene D.S., ‘Adam en Eva in ’t Paradys’.

Het werd een hele zoektocht tot in de Groninger archieven, totdat ze D.S. eindelijk vond in een boekje met de titel: ‘Printboekje van G. Scholtens om gesnedene Printjes van zijn geëerde [vader] Dato Scholtens in te bewaren. Anno Groningen 1772’. Het is één van de vele voorbeelden, die laten zien dat Line in haar onderzoek heel ver ging om gegevens op te diepen.

Die twee wisselden hun gegevens uit in 25 brieven, heen en weer; al gauw groeide het plan voor een gezamenlijk boek; Lever heeft zelfs een geknipt ontwerp voor de omslag gemaakt met de titel ‘Knipkunst, Oud en Nieuw’ (zie hieronder). Maar het waren toch heel verschillende persoonlijkheden, de een welgesteld en breed ontwikkeld, de ander eenvoudiger en selfmade. Op religieus gebied was Lever streng en stellig, en dat botste met het veel liberalere standpunt van Line.
Ook hun visie op wat volkskunst is, verschilde nogal. Lever had het niet op het voortbouwen op “volkse’ motieven; knippen moest uit ieders eigen talent voortkomen (hij botste daarin ook met Hil Bottema van het Openluchtmuseum).
Volgens Line hoorde alle knipperij tot de volkskunst en daarin spelen traditie en overlevering een grote rol. Maar ook meende zij dat de papierknipkunst “een ladder met vele treden is, van naïef dilettantisme tot het hoogste kunstenaarschap”.

Zo is het gezamenlijk boekproject gestopt, maar ze bleven elkaar schrijven, hij ging zijn eigen weg met zijn museum en zijn knipperij, waarmee hij de kost moest verdienen; zij met haar onderzoek voor het knipkunstboek en haar opzet om niet alleen te herhalen wat al geschreven was, maar vooral om nieuw oudwerk naar voren te halen.

Wiecher Tj Lever voor het gezamelijke boek

Line was een opmerkelijke vrouw, voor haar tijd geëmancipeerd, veelzijdig, gedreven en kundig. Achter de erenaam ‘folkloriste’ schuilt een manier van onderzoek die wetenschappelijk te noemen is. Lines inzet heeft ervoor gezorgd dat volksverhalen en knipkunst nu als immaterieel erfgoed gewaardeerd worden. Haar speurwerk wordt in onze tijd, met aandacht voor bijzondere vrouwen in een mannenwereld, zò gewaardeerd dat zij binnenkort het onderwerp wordt van een proefschrift aan de Universiteit van Groningen. De koffer komt dan weer goed van pas!

Door Joke en Jan Peter Verhave

Bomen over Bomen van NENB, deel 4, Knip-Pers 2019-1

Elly Nannenga-Bremekamp, Eend verschuiven A4 (14-7-1988)

Elly Nannenga-Bremekamp,Appels plukken 15 x 22 cm (11-10 1988)

Elly Nannenga-Bremekamp, Bomen verschuiven/collage A4 (3-8-1988)

In Knip-Pers 2018-4 las ik in het interview met Gabie en Ada Bakker, dat Gabie het liefste nog meer afbeeldingen zou zien en minder tekst. Mijn laatste zin in Bomen over NENB zegt ook zoiets. Frappant vond ik ook het artikel van Wies Palma over spelen met schaduw.

Elly Nanenga-Bremekamp, Boom met mezen 17 x 22 cm

Elly gebruikte deze techniek ook en ik had overwogen om daarvan wat te laten zien, maar ik koos andere technieken.

Elly Nannenga-Bremekamp, Bomen met landschap A4 (4-4-1990)

Dit keer laat ik toch twee van haar schaduw knipsels zien; het wit op de golfjes bij de eend versterkt het effect van water, voor de andere zijn meer bomen van zijdevloei gebruikt, waardoor je het ook een collage kunt noemen. In de catalogus van dit album vermeldt Elly: “zijdevloei is niet lichtecht, het verkleurt.”

Elly Nannenga-Bremekamp, Eén scheve vouw 15 x15 cm (29-10-1988)

De titel geeft al aan dat het nu over bomen gaat. Elly knipte er heel veel, enkel, dubbel, gestileerd en altijd samen met kinderen, mensen, bloemen, dieren zoals vogels, honden of paarden.

Elly Nannenga-Bremekamp, Boom A4 (5-12-1984)

Er is een hele reeks bomen waarbij met enkele lijnen een landschap wordt aangegeven, waardoor een driedimensionaal effect ontstaat.

Elly Nannenga-Bremekamp, Schilder A4 (3-5-1989)

Het knipsel met de paarden (6) moet ontstaan zijn na de les van Frouke Goudman tijdens een Gelderse Contactmiddag. Zij leerde ons een driedubbel knipsel maken, waarbij één vouw scheef moest zijn. Elly gebruikte voor dit knipsel origami papier van 15 x 15 cm dat van donker grijs naar wit verloopt.

Elly Nannenga-Bremekamp, Uil bril kaars (5-5-1986)

‘De uil zit in de olmen’, hier in een naaldboom. maar wat betekenen de bril en de kaars? Misschien dat een uil heel goed in het donker kan zien?

Elly Nannenga-Bremekamp, Bomen brug A4 (2-8-1989)

In 1984 knipte Elly bomen met takjes en blaadjes, later werden de bomen globaal maar wel met karakteristieke kenmerken, die stijl bleef ze volhouden.

Door Suus Houtman

Elly Nannenga-Bremekamp, Hunnebed 14,5 x 19 cm (16-9-1994)

Elly Nannenga-Bremekamp, Boom, vogels, kinderen (23-5-1988)

Elly Nannenga-Bremekamp, Boom/kind 18 x 25 cm

Elly Nannenga-Bremekamp, Huisje boompje beestje (3-4-1990)

Elly Nannenga-Bremekamp, A4 (3-11-1988)

Elly Nannenga-Bremekamp, Paartje onder bomen A4 (16-6-1990)

Bomen over NENB, deel 3, Knip-Pers 2018-4

Vorige keer heb ik iets laten zien van wat wij nu ‘Glas in lood’ techniek noemen. Elly Nannenga schreef zelf dat ze vaak meer lagen op elkaar knipte. Dat kon gevouwen papier zijn, dan krijg je ook spiegelbeelden, maar ook losse papiertjes.

Met deze losse figuren kun je ook een mooie vlakverdeling maken op A4 formaat. Een bekende techniek. Elly gebruikte dit vaak en op vele manieren, waarvan ik enige voorbeelden laat zien. Misschien geeft het inspiratie.

Bijna alles is op A4 formaat. De herfstboom afb.1, is opgebouwd uit heel veel losse takjes. De vogels spreken voor zich, bij afb.6, de vogelcollage, is de ondergrond inpakpapier. Voor de roze en rode tulpen afb.7, is vloeipapier gekozen. Voor de herfstbladeren van afb. 5 is origami papier met verlopende kleuren genomen. Het kan zijn dat Elly de streepjecodeles van Frouke Goudman op een regiomiddag in Gelderland heeft meegemaakt en daar het idee kreeg voor de golven met vogels en vissen,

ik kwam meer streepjes tegen. De ondergrond van afb. 3 noemt ze gemarmerd en maakte ze met aquarelverf. Ik noem dit collages, maar Elly gebruikt vaak de naam montages.

Dit slaat vaak op de volgende afbeeldingen. Soms zie je meteen dat een figuur met spiegelbeeld op een andere manier aan elkaar is geplakt, maar vaak moet je even puzzelen. Dit is weer een aspect van haar werk, het lijkt mij beter om niet te veel te schrijven maar ….. om meer te kijken!

Door Suus Houtman

Bomen over NENB, deel 2, Knip-Pers 2018-3

Knipkring Arnhem is ook bij Elly Nannenga thuis op bezoek geweest. Allemaal waren we verbaasd over de hoeveelheid multomappen boordevol met knipsels. We mochten veel kopiëren op haar eigen kopieermachine en kregen een envelop met kaarten van haar mee. Ook in haar eigen kring deelde ze royaal uit. Elk jaar maakte ze een kalender voor iedereen.

Elly Nanenga-Bremekamp, Zeeanemonen met rode vissen, 13 x 17 cm (3-12-1984)

In 1989 organiseerde de regio Gelderland een tentoonstelling in Ede, waaraan Elly ook mee deed. Als ze TV keek, had ze altijd een blocnote of album op schoot en tekende de personen of dieren in de uitzending, waar ze later knipsels van maakte. Knap om bewegende beelden zo snel vast te leggen. Ze overleed in mei 1996.

Elly Nannenga-Bremekamp, Prent over werk en hobby’s van haar man

Eén van haar dochters ken ik door wekelijkse excursies van de KNNV (Vereniging voor veldbiologie) in Arnhem. Zij vertelde dat een deel van de knipalbums van Elly naar het Museum van Papierknipkunst in Westerbork is gegaan. Ik kreeg van haar ook enige albums en multomappen. Om voor de Knip-Pers over haar te kunnen vertellen, ben ik bij deze dochter thuis geweest. Daar stond een tafel vol met plakboeken, multomappen en levensbeschrijvingen in drie talen. Aan de muren hingen ook producten van Elly, maar geen knipsels. Ik mocht alles lenen.

Elly Nannenga-Bremekamp, Bedankkaartje na haar overlijden (foto van een aquarel)

Nu, na vijf dagen zit ik me nog steeds te verbazen over de hoeveelheid en diversiteit aan technieken. Het oudste plakboek bevat tekeningen, portretten en aquarellen van landschappen met boerderijen en molens vanaf 1941. Dan zijn er plakboeken vol linosneden en etsen. Daarnaast de multomappen met knipwerk. Ieder album heeft een rugnummer, een jaartal en data. In iedere map ligt een verklaring over haar knipwerk en gebruikte papiersoorten en een catalogus, wetenschappelijk systematisch (zie ook KP juni 2018, deel 1).

Elly Nannenga-Bremekamp, Ingekleurde vogel; ingekleurde badmintonspelers; ingekleurd Goudkuif “drijfsijsje”

Hoeveel mappen er waren, weet ik niet. Voor mij ligt map III, van 3-11-1984 tot 2-01-1985 en map 71 van 13-9-1991 tot 8-10-1991. Vaak was een map dus in één maand vol met zeker 100 knipsels. De meeste knipsels zijn opgeplakt en zitten in showmappen. Op map 50 van 1-4-1990 tot 19-4-1990 staat ZIEK. Ik vind slechts drie ‘prenten’: één voor haar man, die verwijst naar zijn werk met o.a. wieren, korstmossen, paddenstoelen, waaronder stuifzwammen en de hobby’s schaken en biljarten. De tweede maakte ze over haar eigen werk en hobby’s (zie Knip-Pers 2018-2, Bomen over NENB, deel 1) en nog een levensboom voor vrienden. Haar verdere knipwerk is totaal anders dan het prentenwerk.

Ze gebruikte veel zwart papier, maar combineerde het vaak met kleuren, origami in effen of verlopende kleuren of mooi inpakpapier. Er zijn zoveel onderwerpen in diverse vormen, dat het onmogelijk is om dat in één keer te beschrijven. Eén onderwerp wil ik nu laten zien. Tijdens de laatste Contactdag leerden we ‘glas in lood’ knippen, door achter de open vlakken in een zwarte vogel gekleurd vliegerpapier te plakken. Elly knipte in 1988/89 ook vogels en andere figuren met open vlakken, maar kleurde die in met verf en penseel of met viltstift.

Elly Nannenga-Bremekamp. jaarlijkse lampionoptocht in de tuin, toen de kinderen klein waren, A4 (dec. 1984)

Door Suus Houtman

Elly’s eigen beschrijving over haar knipwerk en papiergebruik:
KNIPSELS van N.E. Nanninga-Bremekamp VERKLARING VAN DE INHOUD:

Alle (bijna) knipsels zijn voorgetekend (meestal alleen globaal), met potlood op de achterzijde als die wit of licht is, anders op doorslag papier dat mee geknipt wordt. Motieven altijd uit het hoofd, tenzij anders vermeld; TV = naar schetsen naar het bewegende beeld van de televisie geschetst, soms rechtstreeks op de achterkant van het knippapier. Tuin: planten of andere zaken uit eigen tuin. Gebruikte foto’s of plaatjes, vaak in geplakt, of herkomst vermeld (vaak naar eigen schetsen).
Knipkring-papier is er in zwart en 12 effen kleuren. Origami-papier is er effen in zwart, wit en effen kleuren, maar ook in verschillende kleuren en dan gestreept, of in blokjes of halve cirkels, donkerder in de hoeken of juist in het midden (het bestaat ook gebloemd en met kleine motieven), in verschillende, vierkante maten. Sits– of glacé-papier is er in veel kleuren, en, zwart en wit, weinig lichtecht.
Silhouette papier is dof pluizig, en vezelt bij knippen met geen 100% scherpe schaar en is tamelijk bros, scheurt makkelijk. Al deze papieren zijn wit of lichtgrijs aan de achterkant. “Vloei-papier” is er in vele mooie kleuren, maar is weinig lichtecht (het is in 16 tot 32 lagen tegelijk te knippen). Reclamepapier is gewoonlijk ook bedrukt aan de achterkant, het komt uit Elzevier’s weekblad, uit reclamefolders en -krantjes.
Lijm om op te plakken: behangsellijm, en, meestal, photo-tube-lijm (op rubber-basis) de laatste kan weggeveegd worden rondom, de eerste droogt ± onzichtbaar op.
Montage-papier is teken papier wit of gekleurd (dat van de HEMA is helemaal niet kleurecht) of schrijfmachine papier wit. Ook wel platen bv van kaften die anders weggegooid zouden worden, en met een knipseltje erop voor mij behouden blijven (knipsels vallen dan wel over de letters heen). En zelf getint (met waterverf, A4 formaat, stencil- of ander papier) papier.

Bomen over NENB, deel 1, Knip-Pers 2018-2


Wie is dat?
Die letters staan voor Neeltje Elisabeth Nannenga-Bremekamp, roepnaam Elly. Een heel bijzondere vrouw met een buitengewone geschiedenis. Haar ouders waren bioloog, zij werd het ook. Ze trouwde met een bioloog en één van haar dochters koos ook voor die studie. Elly werd geboren in Soerabaja op 30 december 1916. Op haar derde jaar verloor zij haar moeder. Haar vader nam haar mee naar Nederland, daarna naar Zuid Afrika, waar hij hoogleraar werd. Er waren altijd huishoudsters die voor haar zorgden, maar haar vader nam haar ook mee op lange autoreizen over vaak heel slechte wegen. Uit noodzaak leerde hij haar toen, als 10 jarige, auto rijden. Ze verzamelde onderweg van alles: stenen, schelpen, zaden, mooi om te tekenen. Haar vader heeft haar steeds gestimuleerd om creatief bezig te zijn. In 1930 bezochten vader en dochter in zes maanden Nederland, België, Frankrijk, Italië en Zwitserland en liet hij haar veel musea zien. Voor de middelbare school ging ze naar een kostschool in Pretoria, later naar Engeland. Ze studeerde in Utrecht en verhuisde met haar vader naar Bilthoven. Na de studie werkte ze met haar vader in een botanisch laboratorium in Wageningen en later bij Organon, een farmaceutisch bedrijf.

Elly Nannenga-Bremekamp, Prent over haar hobby’s en werk

In 1943 trouwde Elly en ging in Heelsum wonen. Ze had geen baan, maar kon niet stilzitten. Ze maakte Engelse vertalingen, tekende en schilderde graag en had vele liefhebberijen op het gebied van de biologie, speciale belangstelling voor stenen, mineralen en mossen.

Elly Nannenga-Bremekamp, De was, 17,5 cm (14-12-1984)

In 1944 moesten Elly, haar man en hun baby, evacueren. Ze vonden hun huis na de oorlog geplunderd en vernield terug. Uiteindelijk verhuisden ze naar Doorwerth, naar een huis met een enorme tuin. Ideaal voor deze biologen met hun vier dochters.

Elly Nannenga-Bremekamp, Elfje op paddenstoelen, 17,5 x 17 cm.

Elly stimuleerde haar dochters in allerlei creatieve activiteiten, maar ze mochten niet natekenen, wel naar de natuur. Ze maakte zelf een poppentheater voor hen van een oude tafel. Behalve tekenen en aquarelleren ging ze ook lino snijden en etsen.

Elly Nannenga-Bremekamp, Paardenhoofd (18-7-1988)

Elly Nannenga-Bremekamp, Paardrijden, 20 x 22 cm (18-12-1984)

Elly Nannenga-Bremekamp, Linosnede van paardenhoofd, 10,5 x 15 cm (1978)

De vele soorten huisdieren en de natuur rondom, maar ook haar paard boden veel inspiratie. Ze zag nog kans om part time banen te hebben: lerares op een lyceum en bij enige instituten in Wageningen. In 1951 koos ze een nieuwe hobby in een speciale tak van biologie, slijmzwammen, daarover was nog weinig bekend. Mijn schoonvader Geerit Houtman vroeg en stimuleerde haar om daar een boek over te schrijven. Dat werd in 1974 uitgegeven door de KNNV (Vereniging voor veldbiologie). Daar werd ze wereldwijd door bekend. Ze werkte door aan een tweede boek. Doordat ze ziek werd wist ze dat het niet afkwam, maar ze vond een opvolger.

Elly Nannenga-Bremekamp, Sneeuwklokjes, 15 x 21 cm. Dit is voor Elly uitzonderlijk fijn geknipt (9-3-1991); Ets Sneeuwklokjes in de tuin, 10,5 x 8 cm; Reigers, 10 x 15 cm

Nadat de kinderen uit huis waren en paardrijden niet meer kon had ze meer tijd en ontdekte papierknippen, waarschijnlijk begin 1984. Haar man was toen rolstoel gebonden, hij overleed in 1986. Ze sloot zich aan bij de knipkring Oosterbeek met onder anderen Ans Firet en Mien Schaminee (onze oud voorzitter, tevens leerling van mij). Dit werd later knipkring Oosterbeek-Heteren met Ada Bakker en haar zus Gerda. Ada vertelde mij over Elly’s inbreng. Als de opdracht van de vorige keer op  tafel kwam had iedereen wel een knipsel, maar Elly had er een heleboel. Ze vertelde dat zij altijd een tekening maakte en vaak meer lagen tegelijk knipte, waardoor je kunt spelen met de losse figuren om er een goed geheel van te krijgen. Ada heeft veel van haar geleerd, anders leren kijken, in vormen denken. Toen de knipsters eens bij Elly thuis kwamen had ze een terrarium met spook-wandelende takken neergezet als knip inspiratie. Een andere keer stond de tuindeur op een kier en lag er een stukje kaas om een muis te lokken, die moest dan goed bekeken worden om te kunnen knippen.

Elly Nannenga-Bremekamp, Vera uit Tatort, TV, 10 x 14 cm (21-11-1993)

Elly heeft geen knipcursus gevolgd maar zal wel wat technieken geleerd hebben van de kring deelnemers. Ze heeft een heel eigen stijl ontwikkeld. Ze knipte grof, schrijft ze op een kaart, vanwege haar licht trillende handen.

Elly Nannenga-Bremekamp, een klein stukje catalogus waarover meer in deel 2 in Knip-Pers 2018-3

Door Suus Houtman