Categoriearchief: publicatie

Landbouwhuishoudconsulente Toos Comerell, Knip-Pers 1995-1

In onze aandacht voor de vorige generatie knippers is Toos Comerell aan de beurt. Ze was maatschappelijk werkster in de jaren veertig en vijftig. Een medewerkster voor het tijdschrift ‘De Vrouw en haar Huis’ wilde in 1948 een interview over Toos, haar werk en haar knipsels; ze reageerde: “Waarom? Ik ben toch nog niet dood?I Mijn leven is helemaal niets bijzonders”. Het gesprek is toch doorgegaan en daaraan hebben we een goed inzicht gekregen in de achtergrond van Toos.

Ze had kunstnijverheid willen studeren maar het werd een praktisch beroep als lerares. Ze kreeg een baan bij ‘Opbouw Drente’ in het voorlichtingswerk. Door de oorlog kwam ze terecht, op de Noord Veluwe, met meer sociaal werk. Daartussendoor kwam ze toe aan schilderen en knippen. “Ik wou dat ik mezelf in stukjes kon delen, want er is zo ontzettend veel te doen voor praktische, ontwikkelde vrouwen … !”

afb.1, Toos Comerell, “Waakt! Gij kent dag noch ure”

Ex-libris ontwerpen en gelegenheidsknipsels waren voor familie, vrienden en kennissen. Zelf had ze maar weinig van haar eigen werk te laten zien. Bagatelliserend zei ze: “Och, dat gaat zo tussen de drukte door; ik werk graag .“ Ze leek bijna verlegen om zich als kunstenares te laten kennen. Haar knipsels zijn heel, merkwaardig, met verrassende vormen, grillige letters en het zijn daardoor levendige stukken. Er kwam nooit een potlood hij te pas. “Ik begin zo maar te knippen en onder de hand schep ik wat ik knippen wil.”

In 1951 trouwde ze met Ton Vierkens en woonde in de bossen van Hulshorst. Daar bezocht Line Huizenga-Onnekens haar. Toos vertelde dat ze in 1905 geboren was in Rotterdam als Catharina W. en op haar twaalfde verhuisde naar Rhenen, waar haar vader dokter was. Ze kreeg haar opleiding aan de Huishoudschool te Amersfoort en de Kunstnijverheidsscholen te Arnhem en Amsterdam. Daarna volgde de studie voor Landbouwhuishoudlerares te Zetten en in die tijd begon ze, als door een ingeving, te knippen. Haar knipwerk is heel karakteristiek en heeft meestal een boodschap. De dynamiek van haar tijd probeerde ze uit te drukken in een knipsel: ‘Oorlog’: duisternis op aarde, onheil symboliserende vleermuizen, vliegtuigen, afweergeschut, de hel is los en huizen in brand en in puin, graven. Naar ook: een wachter die blaast op zijn trompet omdat hij een ster ziet, herders en een lichtende kribbe. De bijbeltekst roept: “Waakt! Gij kent dag noch ure” (afb. 1). Als tegenhanger maakte ze in 1946 een vredige prent met een boerenerf en de tekst: “De aarde is des Heren, mitsgaders hare volheid” (afb. 2).

afb. 2, Toos Comerell, De aarde is des Heren, mitsgaders hare volheid

Ze verhuisde naar Lochem, waar ze voor twee apothekers een toepasselijke spreuk knipte: “Meng uit bitter en zoet, medicijn voor het gemoed”.
Het getuigschrift voor de Nijverheidsschool te Lochem versierde ze met de woorden Kennis, Kunde, Vlijt. Voor haar in 1955 overleden man maakte ze een bidprentje met de Samaritaanse vrouw, bij de put in gesprek met Jezus over het ‘levende water’ (Johannes 4:14, afb. 3).

afb. 3, Toos Comerell, “levende water”

Een grappig knipsel verlevendigde de folder voor een verbouwingsactie van de Remonstrantse Kerk te Lochem in 1964 (afb. 4).

afb. 4, Toos Comerell, verbouwingsactie van de Remonstrantse Kerk te Lochem in 1964

Haar stijl was heel persoonlijk, ze deed niemand na en vond haar eigen vormen, terwijl ze haar inspiratie ontleende aan Bijbelse wijsheid.
Toos was een bijzondere vrouw, die al tijd voor anderen haar talenten ter beschikking stelde. Ooit maakte ze voor de kinderboekenschrijfster F.M.B. Trautwein (Nanda, Mimi van de Heuvel) een ex libris met een tekst, die ook op haarzelf van toepassing moet zijn geweest (afb. 5): “Aan hem die gelooft dat hij overwinnen kan, is de zegepraal bereid”.

afb. 5, Toos Comerell, “Aan hem die gelooft dat hij overwinnen kan, is de zegepraal bereid”

Helaas kennen we de afmetingen van de originele knipsels niet.
Lies Markus stuurde ons het artikel over Toos; graag zouden we nog wat weer over haar willen weten; wie van de lezers helpt ons verder?

Joke en Jan Peter Verhave

Bronnen:
Kate de Ridder, Knipster en sociaal werkster: Toos Comerell.
De Vrouw en haar Huis, 1948, nr 1, 6-9.
Aantekeningen Line Huizenga-Onnekens, 1955.
In de Nieuwsbrief Stichting W.Tj. Lever, 51, maart 1992, vonden we nog een korte mededeling over Toos Comerell.

Meer over een andere knipster van de voorgaande generatie, Hettie van Langen, werd gevraagd in de vorige Knip-Pers. Zelf hebben wij het door haar geïllustreerde boek ‘Heilige Kerstnacht’ ook en konden evenmin iets over haar vinden. Nu verwijzen we graag naar hetzelfde nummer van de Nieuwsbrief (ook het eerste nummer van 1991). Daarin wordt o.a. verwezen naar een artikel in het bovengenoemde tijdschrift ‘De Vrouw en haar Huis’, 1939, februarinummer. Ze leefde van 1912 tot 1981.

Onvoltooide legpuzel, Knip-Pers 1995-2

Ieder van ons kent wel het prachtige miniatuur snijwerkje met het familiewapen Van Schurman, omgeven met bloemenranken die heel fijn zijn uitgewerkt. Het werd gemaakt voor Johan Abraham van Schurman (1655-1731). Een geschilderd portret van hem, met dezelfde kwartierwapens hangt in het Coopmanshuis, het gemeentemuseum van Franeker; hij werd burgemeester van IJlst, gecommitteerde ten Landsdage en ter Staten Generaal. Zijn oudtante, de beroemde Anna Maria van Schurman, had goede contacten met zijn ouders Abraham en Aemilia uit Den Haag. Haar achterneefje Johan Abraham logeerde bij haar in Utrecht omstreeks 1660 en later in de Labadisten-commune te Wiewerd. Hij was 22 jaar toen zijn ‘moei’ stierf en werd haar enige erfgenaam. Het knipsel is niet door haar gemaakt, maar omdat ze als jonge vrouw, wel had geknipt, en dit knipsel met andere familiestukken door de kinderloze zoon van Johan Abraham aan de Franeker Universiteit is vermaakt, is de legende in de wereld gekomen dat Anna Maria het gemaakt had. Dat hadden we al in ons boekje ‘Schaarkunst’ geschreven, maar de oplossing is er nog steeds niet.

Zeeuwse familie in Den Haag

Wij hebben in de loop van de tijd nog zeven andere, heraldische knipsels kunnen lokaliseren, die alle een treffende gelijkenis vertonen in stijl en uitwerking en evenmin als het eerstgenoemde zijn gesigneerd, maar volgens een Zeeuws archief gemaakt door Otto van Voorst.
Een in het Zeeuws Museum bewaard knipsel (afb. in Schaarkunst) is gemaakt voor Pieter van Gelre (1662-1708), die uit een belangrijke Zierikzeese familie stamde. Pieter werd in Den Haag geboren, was in 1695 tot Schepen van Zierikzee benoemd en werd later raadslid en burgemeester.

afb. 1, Otto van Voorst, Een van de knipsels Pous, met acht kwartierwapens. Particuliere collectie l4 x 12 cm.

Twee andere Zeeuwse knipsels (afb. 1), bijna gelijk en met het familiewapen Pous en de acht kwartierwapens, zijn gemaakt voor twee broers. Zij waren volle neven van Johan Abraham van Schurman: de moeders waren zusters. Aemilia en Vincentia van der Haar. De laatste was getrouwd met de Zierikzeese notabele Mr. Bonifacius Pous en de knipsels varen voor twee van hun zonen, Pieter (1653-1723) en Bonifacius jr. (1664-1726). De eerste werd in Den Haag en de tweede in Middelburg geboren. Pieter bekleedde vanaf 1674 allerlei hoge ambten en functies in Zierikzee. Bonifacius jr. huwde in 1705 Anna van der Heul te Delft en hij begon zijn carrière ook te Zierikzee in 1691 als landrechter van Schouwen.

afb. 2, Otto van Voorst, knipsel Van Kinschot-Van Kinschot (Delft). Particuliere collectie 12,5 x 9,5 cm

Delftse families

Een van de knipsels bevat een mans- en vrouwswapen van dezelfde familie Van Kinschot (afb. 2). Dit zijn Mr. Gaspar van Kinschot (1676-1759) uit Delft en zijn nicht en bruid Catharina Cornelia van Kinschot (1675-1762). Hun huwelijk werd gesloten in 1710; Gaspar werd schepen en burgemeester van Delft.

 

Onlangs kwam To van Waning nog een knipsel door dezelfde kunstenaar op het spoor! Het draagt het wapen Van der Goes-Spiering (afb. 3). In 1679 trouw den Mr. Adriaan van der Goes, Heer van Naters (1649-1721) en Maria Dulcia Spiering, wier moeder Pous heette. Hij was burgemeester van Delft. Het knipsel is voor hun zoon Adriaan van der Goes gemaakt, die in 1733 schepen werd van diezelfde stad. liet wapen draagt drie bokkekoppen (van der Goes) en een combinatie van drie zwemmende spieringen en drie zwemmende eendjes (Pous).

afb. 3, Otto van Voorst, knipsel Van der Goes (Delft). Particuliere collectie, Ware grootte: 10,5 x 8,3 cm

Voor een lid van een ander Delfts regeringsgeslacht, Van Groenewegen, is ook een knipsel gemaakt. Het wapen ver toont drie bonen (afb. 4). Omdat er slechts één wapen, zonder kwartierwapens, in voorkomt, kunnen we het niet met zekerheid aan een bepaald lid van die familie toeschrijven. Wellicht was het de Delftse veertigraad Juliaen van Groenewegen (1671-1739) of zijn vader Adriaen Christiaensz. van Groenewegen (1639-1712), veertigraad en schout.

Tenslotte is er nog een werkstuk van dezelfde hand, met een fraaie jachtscène en een ovaal (vrouws-)wapen in de rand, van het Delftse geslacht ‘s Gravesande. Ook hier is er een verband in Delft: we zagen al dat Bonifacius Pous jr. huwde met Anna van den Heul te Delft; zij was een dochter van Salomon van den Heul en Rusge ‘s Gravesande!

afb. 4, Otto van Voorst, knipsel Groenewegen (Delft). Rijksprentenkabinet Amsterdam, 11 x 9,5 cm.

 

Veder zoeken

Vijf van de acht knipsels hebben een Delftse achtergrond. Drie andere ver wijzen naar Zierikzee. Op zoek dus naar meer gegevens over Otto van Voorst. In oude Zeeuwse literatuur werd hij een weeskind uit Zierikzee genoemd, maar bewijzen daarvoor hebben we niet kunnen vinden.

In een Duits boek over kerkboekprentjes ‘Das kleine Andachtsbild’, noemde de schrijver Adolf Spamer enkele Nederlandse papierknippers, onder wie ‘der Rotterdamer Schneidekünstler Otto van Voorst’. Als bron noemde Spamer een artikel van Van Dokkum uit 1915 over Nederlandse knippers, maar die vermeldde de woonplaats van Otto van Voorst niet. Inderdaad woonde en overleed er in die tijd iemand met deze naam in Rotterdam hij was notaris van 1684-1720, zoon van Jacob Gerritsz. van Voorst en Catharina Willemsdr. de Niet. De ouders waren in 1662 getrouwd en Otto zelf huwde op 9 april 1684 met Johanna Hodenpijl dochter van Adriaan en Cornelia Vlasvat. Zijn moeder overleed in 1711 te Rotterdam, dus de overlevering van een Zierikzeese wees klopt niet met deze persoon. Er zijn geen aanwijzingen gevonden van contacten die notaris Otto onderhield met de genoemde families uit Zierikzee, in Den Haag of Delft. Henk van Ark gaf uitleg van de onjuiste interpretatie door Spamer van Van Dokkum. Hij vond geen aanwijzing dat de knipper Otto van Voorst en de Rotterdamse notaris van die naam dezelfde zijn en acht de kans daarop ‘niet al te waarschijnlijk’. We blijven verder zoeken, want van een zo begaafd papiersnijder moet toch wel ergens een spoor te vinden zijn….

Joke en Jan Peter Verhave

Ref.:
Joke en Jan Peter Verhave, Schaarkunst, Arnhem 1983.
van Ark, Zeer uitstekende kurieuze stukken van papier. Rotterdamse Papier en snijkunst 1650-1900, Rotterdam 1987.

Jan de Prentenknipper (1798-1870), Knip-Pers 1993-3

Zeeuwse Volkskunst langs ‘s Heeren wegen

“Hoera!’, schrijft To van Waning. “Het boek over Jan de Prentenknipper is verschenen!” ‘Jan de Prentenknipper (1798-1870) Zeeuwse Volkskunst langs ‘s Heeren wegen’ werd door Joke en Jan Peter Verhave geschreven. Zij droegen het boek op aan Hil Bottema omdat zij – als eerste – een aanzet gaf tot onderzoek naar het werk van Jan de Prentenknipper, die in de knipwereld bekend werd als ‘Jantje I’. Omdat To van Waning “allerlei” erfde van Hil Bottema, vroegen wij juist haar het boek te bespreken.

Hulde, ten eerste aan vier personen die daarin een grote rol hebben gespeeld: Hil Bottema, de heer A. Roose en Joke en Jan Peter Verhave.

Ten eerste aan Hil Bottema, die aan dit onderzoek al in 1964 begonnen was en zeer veel dia’s heeft mogen maken bij mensen in Zeeland, die nog een prentje of grote prent van hem uit overlevering bewaard hadden. Zij kon echter steeds niet achter de ware naam van deze rondtrekkende prentenmaker komen.

afb. 1, Jan de Prentenknipper, Hofstede Westdorp. 23 x 33 cm, Schore.

Ten tweede aan de heer A. Roose uit Middelburg, die allerlei over de Zeeuwse geschiedenis verzamelt en toevallig op een krantenberichtje uit 1870 stuitte, waarin stond dat JAN HUISZOON overleden was en waarbij stond dat hij prentenknipper was geweest! Aangezien de heer Roose wist dat naar deze naam ijverig werd gezocht, gaf hij dit door. Het is hierdoor dat men in archieven verder kon gaan nazoeken en veel meer over het merkwaardige leven van de man te weten kon komen. Ten derde en vierde dus aan Joke en Jan Peter Verhave, de schrijvers van dit boek die zelf ook al aan het navorsen waren geweest doch pas écht verder konden toen zij letterlijk de sleutel in handen kregen, waarmee zij in gemeentearchieven konden gaan speuren en, naar mijn mening, zo’n doorwrocht verhaal konden schrijven over deze opmerkelijke zwerver. Uit een tijd dat de rijksdaalder een weekloon betekende en hij voor zijn prenten maar een paar centen vroeg; soms ook alleen maar inruilde voor een hap eten en één of meer nachten slapen in het hooi.

Zijn prenten, die hij van het hele gebeuren rondom een bepaalde boeren hofstede maakte, worden in ere gehouden door degenen die ze uit overlevering in bezit heb ben. De Bijbelwijzertjes vindt men nog in vele oude familiebijbels terug. Jan de Prentenknipper heeft bepaalde motieven uit de Bijbelse geschiedenis herhaaldelijk uitgebeeld. En wat ik persoonlijk heel aardig vind in dit boek is, dat Joke en Jan Peter Verhave deze onderwerpen eens op een rijtje hebben gezet. Om hierdoor een inzicht te krijgen waarom hij nu juist déze dingen steeds uitgebeeld heeft. Omdat het zo totaal andere taferelen zijn dan men gewoonlijk op bijvoorbeeld Bijbelse tegels afgebeeld ziet.

afb. 2, Jan de Prentenknipper, Stuk des Verbonds, 21,5 x 27,5 cm, Weneldinge.

Koop het boek maar, dan kun je het zelf ervaren. Het is vlot geschreven. De aanhaling van een Zeeuws-Vlaamse landbouwer zegt al veel: “Jan de Prentenknipper heeft het boerenleven met zoveel detail en liefde weergegeven dat je de bewondering door het merg gaat”.

afb. 3, Kerkboekprentje: Psalm 7 met de leeuw van het kwaad en de gerechtigheid, 10 x 7 cm, Wolphaartsdijk

Ik dank Joke en Jan Peter voor het voltooien van het speurwerk waaraan Hil Bottema begonnen was maar door haar vroegtijdig overlijden niet heeft kunnen afronden. En ik vind het heel fijn dat het boek aan haar nagedachtenis is opgedragen. Ik erf de van Hil allerlei van haar knipwerk en onder andere de gehele diaserie, die zij van deze Zeeuwse prenten gemaakt had. Reden waarom juist mij gevraagd werd het boek te bespreken.

afb. 4, Jan de Prentenknipper, Kerkboekprentje: De Leeuw van Juda of Nederland in Psalm 7, 10 x 7 cm, Baarland.

Het enige wat ik met haar nalatenschap deed, was telkens dan deze dan die eruit te gebruiken bij mijn lezingen over de papierknipkunst. Daarvan wil ik ook nu er een laten afbeelden, die voorkomt op pagina 85 van het boek (illustratie 2 bij dit artikel: ‘Stuk des Verbonds’). In deze tijd, waarin één op de 3 â 4 huwelijken ontbonden schijnt te worden! Als tekst staat erin uitgesneden: “Dat God te same voegt, scheijt geen mensch”!

afb. 5, Jan de Prentenknipper, Doet U Pligd, 19,5 x 27 cm, herkomst onbekend, MZNBG (bruikleen Stedelijk Museum, Zutphen)

Ik mag eindigen met de laatste zin uit het prachtige, met veel kleurenprenten uitgegeven boek: “Wij hopen dat dit Zeeuwse erfgoed van kwetsbaar papier velen, die na ons komen, zal blijven boeien en kijkplezier geven.”

afb. 6, Jan de Prentenknipper, Trouwverbond, 31 x 39 cm, Zeeuws-Vlaanderen

Wat mij evenwel van het hart moet is, dat het mij zeer spijt dat het buitenkaft een van de fietste prenten toont, die in het boek voorkomen en het geheel van titel, prent en tekst de layout op de cover zo onevenwichtig is dat, indien men op het kaft afgaat – immers het visitekaartje van het boek – men het niet zou kopen. Dat vind ik heel erg spijtig want de inhoud van het boek is prachtig, bovendien op mooi stevig papier gedrukt.

Verheugd als ik was dat de foto van Hil Bottema is afgedrukt, waarbij zij bezig is met de fraaie ontwerpen van de folklorefeesten Sinterklaas, Driekoningen enz., moet ik nog even een rectificatie aangeven: Zij deed dit voor de Kinderpostzegels van 1961 en niet, zoals vermeld, voor de Zomerzegels van 1962.

To van Waning-Mijnlieff

De afbeeldingen zijn overgenomen uit ‘Jan de Prentenknipper’, Zeeuwse Volkskunst langs ‘s Heeren wegen 1798-1870, door Joke en Jan Peter Verhave, vorige maand verschenen bij Uitgeverij De Koperen Tuin te Goes.
Verkrijgbaar in de boekhandel voor fl 59,90, ISBN 90 72138 27 9, of rechtstreeks bij de uitgever, Postbus 2086, 4460 MB Goes, tel. 01100-31072, voor fl 59,90 (exclusief verzendkosten).

De Pelikaan, Knip-Pers 1993-3

afb. 1, Jan de Prentenknipper, Pelikaan, 5.5 x 14,5 cm, Kloetinge.

De pelikaan heeft de gewoonte haar jongen te besproeien met bloed uit eigen borst, om ze daarmee tot leven op te wekken. Deze eigenschap inspireerde mensen al eeuwen geleden om de pelikaan als symbool van Christus af te beelden. Ook Jan de Prentenknipper verwerkte de pelikaan als symbool in zijn knipwerk. Gaf hij er dezelfde diepere betekenis aan, of had hij dit symbool gewoon ergens anders gezien? Wat heeft hem ertoe geleid de pelikaan in zijn knipsels te verwerken? Het is één van de onderdelen waarnaar Joke en Jan Peter Verhave speurwerk verrichtten in ‘Jan de Prentenknipper (1798-1810)-Volkskunst langs ‘s Heeren wegen’.

In het laatste nummer van 1992 liet Tonny Jurriaans een prachtig huwelijksknipsel zien uit de vorige eeuw. Daarin komt een bijzonder symbool voor, een vogel met jongen. De verklaring was iets over het huwelijk en kinderen krijgen … Passende symboliek? Nee, toch niet. Hoewel Rieny van Beek de symboliek beheert in de knipperij, willen wij toch even op haar terrein komen omdat wij die vogel ook in het werk van Jan de Prentenknipper tegenkwamen.

Het is de vogel Pelikaan, die haar jongen besproeit met bloed uit eigen borst en ze daarmee opwekt. Het is een oeroud symbool van Christus, die zich voor zijn doodse vrienden gaf en ze tot leven wekte. In een andere verklaring wordt gezegd dat de pelikaan de jongen uit haar eigen borst voedt. Zo verbeeldt de pelikaan het offeren de Verrijzenis.

Het symbool van de pelikaan komt overal in ons land in oude kerken voor, maar de afgebeelde moedervogel heeft nooit iets weg van een echte pelikaan! Hoe zouden Hollandse kunstenaars en ambachtslieden van voor de 13e eeuw dat ook hebben kunnen weten! Voor rooms katholieken is het een bekend figuur op geborduurde altaar- en priesterkleden. Maar ook in protestantse kerken komt het symbool voor, bijvoorbeeld in een stenen versiering of muurschildering uit de middeleeuwen (nog uit de voor-reformatorische tijd) en als koperen steun van de lezenaar of gebeeldhouwd in de preekstoel (van na de reformatie). Voorbeelden: Appingedam, Wezep, Dordrecht, Vlissingen, ‘t Zandt. We zouden benieuwd zijn of daar in die kerken ooit over verteld is en of de ouderen en jongeren dat symbool begrijpen.

Buiten de kerk hing de pelikaan (een echte witte!) bij ons thuis in de vorm van een polychrome reliëftegel van de Porcelijne Fles, Delft. Mijn (J.P.V.) ouders hebben ons de betekenis nooit kunnen vertellen.

Ieder die bloeddonor is kent het symbool wel als dat van de bloedtransfusiedienst. Daar is natuurlijk het verband wel begrijpelijk maar allerminst christelijk. De schilder Pieter Bruegel heeft omstreeks 1560 de Naastenliefde als Deugd uitgebeeld met de pelikaan. Ook daar waar in de eenvoudige ambachtskunst of kunstnijverheid naar voorbeelden werd gewerkt, komt hetzelfde symbool als ‘charitas’ voor, op merklappen, koekplanken en op verscheidene Zeeuwse mesheften, waarin deze oudervogel met de titel is uitgesneden.

Wat Jan de Prentenknipper als voorbeeld heeft gediend, weten we niet. Opvallend is dat Jan in zijn pelikaanprenten steeds drie Bijbelse voorstellingen toepaste: de geschiedenis van de zondeval Mozes die de Wet ontvangt en Jezus tijdens zijn lijden in Gethsemané. Misschien ligt de sleutel in de titel van deze pelikaanprenten. Ze hebben als onderschrift DE LIEFDE IS DE EERSTE WET DER NATUUR of DE MENSCHLIEFVENHEID IS EERSTE WET. De eenvoudige boodschap zou kunnen zijn dat alle mensen in zonde gevallen zijn, via Mozes Gods Wet hebben ontvangen en dankzij Jezus, die met zijn Liefdeoffer de Wet vervulde, gered kunnen worden.

Toch hebben we geprobeerd te zoeken naar een dieper verband. We vroegen ons af of er in de Bijbel vaker sprake is van een pelikaan. In psalm 102:7 vonden we er één de woestijn en zo begrijpen we de combinatie met de zich eenzaam voelende Jezus in de Olijvenhof. Tot onze verwarring bleek deze vogel echter in de Statenvertaling en de oude berijming zoals Jan die kende, helemaal niet een pelikaan maar een roerdomp te zijn. Eindelijk vonden we de pelikaan terug in de oude rooms-katholieke Vulgaatvertaling, waar in psalm 101 (een andere nummering!) staat: “Ik ben gelijk geworden aan de pelikaan van de eenzaamheid”. Het is een treffende gedachte dat Jan dit verband heeft weergegeven en we vragen ons af wie of wat hem daarin geleid heeft! Hij moet dan wel een katholieke bron hebben gehad.

Of gewone ‘roomsgezindten’ (zoals men vroeger zei) die verhalen met elkaar in verband konden brengen, valt wél te betwijfelen! In ieder geval was de achtergrond van deze psalm voor protestantse eigenaars onmogelijk te begrijpen en konden zij hoogstens met wat gevoel voor beeldrijm een verband leggen tussen de slang in het paradijs en de koperen slang van Mozes, terwijl Jezus heeft gezegd dat Hij net als de slang van Mozes in de woestijn, verhoogd moest worden (aan het kruis). Maar we laten ons hier wel ver meevoeren op onze.behoefte aan uitleg: Mozes staat afgebeeld met de Wet (X GB) en niet met de slang…

Misschien moeten we eenvoudig vaststellen dat Jan zulke diepe gedachten niet heeft gehad en gewoon een voorstelling heeft nagemaakt, die hij ooit ergens (maar waar?) gezien had in een kerk. Verschillende geleerde kerk- en kunsthistorici konden ons helaas niet helpen. Zo blijft er toch nog wei wat geheimzinnigs rondom Jan de Prentenknipper, ondanks het vele dat we nu weten van zijn snij- en schilderwerk.

afb. 2, Jan de Prentenknipper, De liefde is de eerste wet, met de pelikaan, Gethsemane, Mozes en de Slang in het Paradijs, 40 x 45 cm, Wemeldinge.

Joke en Jan Peter Verhave

Vier papierknippers uit de 19de eeuw met de initialen J.S., Knip-Pers 1994-4

J.K. Sanders, een papierknipper uit de omgeving van Purmerend, maakte huwelijks- en spreukenknipsels in de jaren 1832-1866. Hij knipte ze uit wit papier en legde ze op blauwe fonds. Ze werden gemaakt voor echtparen uit Ilpendam en Middelie. Na onderzoeken, verricht door de heren Zonneveld en Groot, is het zeer waarschijnlijk dat de maker van deze knipwerken ene Jan Klaas Sanders was, die op 3 maart 1805 te Edam werd gedoopt. Bij zijn eerste huwelijk in 1828 met Matje Dik was hij van beroep koopman en bij zijn tweede huwelijk in 1838 gaf hij op van beroep arbeider te zijn. Jan Klaasz. Sanders kreeg drie kinderen, waarvan twee in leven bleven, hij had familie in Middelie, maar van Jan zelf ontbreekt na 1840 elk spoor. Werken van Jan K. Sanders bevinden zich in de collecties van Museum Betje Wolff, Nederlands Openlucht Museum en in het Waaggebouw te Monnickendam.

afb. 1, J.K. Sanders, huwelijksknipseI Groot/Pauw, wit papier, Nederlands Openluchtmuseum 22.074-55

J. Steffens, een papierknipper waarvan lange tijd maar een stuk bekend was. Bij de ontdekking van het tweede knipwerk werd tevens een verhaal uit over levering verteld. Jan Steffens was huisschilder. Hij had geld geleend van een doopsgezinde familie in Edam. Bij het terugbetalen gaf hij een door hem gemaakt papierknipsel en een door hem gemaakt schilderij cadeau, omdat hij geen rente hoefde te betalen. (Geld lenen zonder daar rente over te rekenen was in doopsgezinde kring gebruikelijk.) Jan Steffens maakte zijn knipwerken in de jaren 1835 en 1836. Hij knipte ze uit wit papier en legde ze op blauwe fonds. Het onderzoek naar Jan Steffens is nog in volle gang.

afb. 2, Het door J. Steffens geschonken knipsel. Wit papier. Particuliere collectie

J.S.S. Van deze papierknipper is nog niets bekend. Tot een jaar geleden was helemaal niet bekend dat er een knipper met de initialen JSS had bestaan. J.S.S. maakte in 1814 en in 1823 twee stukken in de stijl van Pieter Reijnders. Het ene stuk is een winterlandschap en het andere stuk een zomerlandschap. Helaas zijn de foto’s niet goed genoeg om af te drukken.

J.S. nummer vier. Van hem zijn drie gesigneerde knipwerken bekend en vier knipwerken die aan deze J.S. worden toegeschreven.

Door de bereidwillige medewerking van de heer Zonneveld, amateur genealoog, de heer Groot van de vereniging ‘Oud Monnickendam’ en de medewerking van drs H. van Ark van de Stichting W.Tj. Lever te Rotterdam, is nu bekend wie de maker van de met J.S. gesigneerde knipwerken is. Volgens een aantekening op een van deze werken staan de initialen J.S. voor ene Jan Schot uit Katwoude. Dat zou het zoeken natuurlijk moeten vergemakkelijken, ware het niet dat er vele Jan Schot-namen in die periode opdoken. Vergelijking van de onderdelen van de zeven mij bekende knipwerken doet vermoeden dat alle stukken aan een en dezelfde maker kunnen worden toegeschreven. De knipwerken zijn gedateerd 1834, 1850, 1852 en 1877, waarvan de twee Huwelijks-Gedenkstukken uit 1834 en 1850 later gemaakt zijn. Huwelijksgedenkstukken werden meestal ter gelegenheid van een huwelijksverjaring gemaakt, bijvoorbeeld bij een 25-jarig huwelijksfeest. Opvallend in dit geval is dan ook dat in het huwelijksstuk uit 1877 geknipt is ‘Huwelijks Vereeniging’. Het huwelijk vond ook echt in 1877 plaats.

afb. 3, Huwelijksknipsel voor het echtpaar Muis-Kuiper, 1877. Wit papier. Particuliere  collectie. De initialen zijn omgekeerd in het knipsel gelegd.

Deze conclusie maakte dat uiteindelijk een Jan Schot overbleef. Maar er rees toch twijfel na een gesprek met een bewoonster van Monnickendam, want zij herinnert zich dat bij ome Jan Schot in de woonkamer ingelijste papierknipsels aan de muur hingen. Naar zij weet niet of hij ook de maker van de knipwerken was. Deze ome Jan Schot werd geboren in 1856 waardoor hij de knipsels, gedateerd 1834 (moet ca. 25 jaar later gemaakt zijn) en 1852, niet gemaakt kon hebben. Archief onderzoek bracht uit komst.

De maker van de knipwerken is Jan Jansz. Schot, geboren 18 november 1828 te Katwoude als zoon van Jan Theunisz. Schot en Sijtje Postma. Jan Jansz. was niet gehuwd en van beroep arbeider. Hij woonde en werkte zijn hele leven in Katwoude. Toen de naar hem vernoemde zoon van zijn broer Cornelis in 1882 trouwde met Geertruida Jansen, trok de ze neef met zijn vrouw bij oom Jan in. Neef Jan Cornelisz. was veldwachter van beroep en later boer. Bij het overlijden van Jan Jansz. Schot in 1690 blijkt neef Jan Cornelisz. de hoofdbewoner van het pand te zijn. Deze neef Jan was de oom van de bewoonster uit Monnickendam. Even was er nog twijfel over het huwelijksstuk, gedateerd 1877 en gemaakt voor het echtpaar Muis en Kuiper. Niet omdat het stuk qua stijl afweek van de andere stukken maar omdat het echtpaar in Uitgeest woonde en Jan Schot zijn knipwerken maakte voor personen uit Katwoude en omgeving. De oplossing daar voor bleek simpel. Cornelis Schot, de broer van de vader van onze knipper, woonde in Oostzaan en zijn zoon Jan Cornelisz. (niet te verwarren met de hierboven genoemde Jan Cornelisz.) werd in 1846 te Oostzaan geboren en trouwde met een vrouw uit Assendelft. Ongetwijfeld hadden de twee neven, Jan Jansz. Schot, de papierknipper, en Jan Cornelisz. Schot uit Oostzaan, contact met elkaar en zal de opdracht tot het maken van het huwelijksknipsel zo tot stand gekomen zijn. Werken van Jan Schot bevinden zich in particuliere collecties, in het Nederlands Openluchtmuseum en in het Zuiderzeemuseum Enkhuizen.

Tonny Jurriaans

Het plakboek van Geesken, Knip-Pers 1994-4

afb. 1, plakboek van Geesken ter Borch

Enkele jaren geleden (1988-1989) werd in het prentenkabinet van het Rijksmuseum een tentoonstelling gehouden van ‘Tekeningen van de familie Ter Borch’. Vader Gerard Ter Borcb ‘de Oude’ was schilder omstreeks 1600 in Zwolle. Zijn zonen Gerard ‘de Jonge’, Harmen en Moses namen aan hun vader een voorbeeld en deze stimuleerde dit zeer. Voor de kunsten van zijn dochters had hij minder waardering. De meisjes kon den goed ‘schoonschrijven’, zoals dat toen in de mode was, met een overdaad aan krullen. Maar Gesina of Geesken (1631-1690) had meer ambities en keek de tekenkunst af van haar broers. Ze legde allerlei schetsboeken aan, waarin ze met krijt, pen en waterverf allerlei figuren in karakteristieke houdingen weergaf. Meestal werkte ze naar voorbeelden, terwijl haar broers naar het leven tekenden en zij als model fungeerde. Later ging ze haar kunstboeken ook als plakboeken gebruiken voor werkstukken van anderen en van zichzelf Er komt onder andere een kopie van een schilderij in voor, dat door broer Gerard gemaakt was van hun zus Jenneken en haar man Sybrandt Schellinger. Twee zoontjes uit dat huwelijk (geboren 1671, resp. 1672) hebben voor hun Geesken-moei knipseltjes gemaakt, die ze in haar plakboek bewaarde. Het ene is een vlot, eenvoudig boompje-beestje knipsel met hert, haas en ganzen, vermoedelijk door Gerrit gemaakt. Haar naam staat eronder maar, anders dan we in ons boekje “schaarkunst” meenden, heeft zij het niet zelf gemaakt.

afb. 2, vermoedelijk Gerrit Schellinger

Het andere knipsel, van Cornelis Scheilinger voor Johannes van Achelom, stelt een geestig tafereel van twee brassende heren en een dansende plas voor. Johannes was een vriend van de broers Schellinger, later een beroemd knipper van schaduwbeelden. Toen de Groothertog van Toscane, Cosimo de Medici eind 1667 Amsterdam bezocht, mocht Johannes zijn kunde demonstreren. Hij knipte het portret van de Groothertog en toonde enkele van zijn andere werkstukken. Toen Cosimo hoorde dat ‘Signor Giovanni Achelom’ ook kon schaatsenrijden, liet hij hem op de gracht zijn bedrevenheid tonen en was even verbaasd over zijn schaatskunst als over zijn schaarkunst. Een knipsel van Johannes is bewaard in het album van Geesken Ter Borch, een ‘memento mori’ (gedenk te sterven). Het stelt een tombe voor met een dubbele adelaar en een spreuk uit Psalm 88. De gevleugelde Dood die zwaait met een zandloper, zit op de zerk. Het geheel is omgeven met een kleurrijk geschilderde bloemenkrans van Geesken zelf. Over de knipactiviteiten van de beide broers en hun vriend Johannes weten we verder niets, maar als Line Huizenga-Onnekes in de vijftiger jaren al niet het nodige speurwerk had verricht naar de knipsels uit de plakboeken van Geesken, dan was de oogst nu nóg magerder geweest. In de tentoonstellingscatalogus staat heel weinig over de knipsels en hun makers vermeld.

afb. 3, Cornelis Schellinger voor Johannes van Achelom

De boeken geven wel een boeiend kijkje in het familieleven van de schildersfamille Ter Borch en het gebruik in die tijd om allerlei schoonschrift, gedichten, tekeningen en knipsels in vriendenboeken te bewaren.

Joke en Jan Peter Verhave

literatuur.: Annemarie Vels Heijn (1988), ‘De ateliernalatenschap van de familie Ter Borch. SDU Uitgever Den Haag

Pinkstersnippers, Knip-Pers 1994-2

Het juninummer wordt samengesteld in mei, dit jaar omstreeks Pinksteren. Het Is 50 dagen na Pasen, en we zoeken naar inspiratie voor een verhaal dat geknipt is voor Pinksteren. Wat is dat eigenlijk voor een feest: vrij en zonnig, maar verder? Velen weten niet meer waar ze de vrije dag aan te danken hebben. het Vuur is er een beetje uit; ook knippers hebben blijkbaar weinig enthousiasme voor dit feest. Dat is jammer want de symboliek van Pinksteren is heel rijk. Een voorbeeld: midden in de examentijd, nerveuze leerlingen die hopen op een beetje licht in hun verwarde hoofd. De leraar is weg, die kunnen ze niets weer vragen. Ze moeten het alleen doen. En dan, opeens zien ze het: De woordenstroom wordt tot een prachtig opstel en de vreemde talen rollen over de tong. Ze herinneren zich de oude teksten en zien het verband met wat te bewijzen was.

afb. 1, anoniem, Huwelijksknipsel, 32 x 40 cm.

Dat beeld kan helpen het begrijpen van een knipsel van de nu hoogbejaarde Tola Steinhage, die de uitstorting van de Heilige Geest op de discipelen van Jezus afbeeldde (afb. 2). Uit het donker komen wind en vuur aangewaaid, troost voor een alleen gelaten groepje dat middenin een rouwproces zich heeft afgezonderd van de feestvierder (zie het Bijbelboek Handelingen, hoofdstuk 2).

afb. 2, Tola Steinhage, uitstorting van de Heilige Geest op de discipelen van Jezus

Het was toe Shavoe’ot, het wekenfeest: zeven weken na Pesach weder de eerstelingen van de graanoogst opgedragen in de Tempel en er was veel volk van heinde en ver komen feesten in de stad. Een ‘hoorn van overvloed’ was vroeger een heel bekend symbool van geluk en veel knippers hebben er gebruik van gemaakt, vooral in huwelijksknipsels, zoals dat uit de vorige eeuw, van een bakkersknecht uit Friesland (afb. 4). In de tijd van de apostelen was ‘Pentecost’ ook een feest van de Gods-openbaring aan de profeten en in het bijzonder Mozes, die ooit met tien leefregels voor de mensen van de berg was afgekomen. Mozes is in 1892 afgebeeld door Geert Jager uit Hellum bij Groningen (afb. 3, detail); Jan de Prentenknipper in Zeeland beeldde hem af met de afkorting XGB (!).

afb. 3, Geert Jager, detail

Het Pinksterfeest is ook onderwerp van een van de vele bijbelknipsels door Jannes Grootenhuis, omstreeks 1850 in Almelo (afb. 2). Het grote knipsel toont de apostelen tussen de pilaren, kroonluchters en draperieën van de Tempel. Ze vertellen met enthousiasme aan de aanwezige theologen wat er zojuist is gebeurd. Sommigen lijken van vervoering omhoog te springen en de gezapige deskundigen zitten op hun stoelen en zeggen: “ze hebben wat teveel op . . . Protest! Want het is nog vroeg op de dag. Wat Petrus dán zegt, staat in een veelheid van taal en teken afgebeeld in het knipsel: “Gij Joodsche mannen en gij allen die te Jeruzalem woond, dit zij u bekend en laat mijne woorden tot uwe ooren in gaan, maar dit is het wat gesproken is door den Profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen zegt GOD (hier niet leesbaar), Ik zal uitstorten van mijnen GEEST op alle vleesch”.

afb. 4, Jannes Grootenhuis. 56 x 44 cm

Geest is Spiritus in het Latijn en daar van komt het begrip inspiratie. Om een mooi knipsel te maken hebben we inspiratie nodig en het bekijken van oude knipsels kan inspiratie geven. Bij dit knipsel hebben wij nog altijd een gevoel van weemoed. We hadden het graag willen kopen op de veiling van de collectie Lever, omdat Pinksteren voor ons een bijzonder feest is. Helaas had het Nederlands Openluchtmuseum meer middelen dan wij… .Pinksteren is niet te grijpen en we troosten ons dat de Geest waait waarheen hij wil, ook in het betreffende museumdepot!

Tot besluit, in 1974 heeft ook Jantje III het Pinksterfeest tot onderwerp van een van haar knipsels gemaakt (afbeelding op de voorpagina). De duif en de doop zijn tekenen van leven. Pinksteren, een feest vol symbolen: wind en vuur, tong en taal, openbaring en jonge zelfstandigheid, belijdenis en vormsel. Neer dan Kerst en Pasen zijn wij ménsen bij Pinksteren betrokken en dat kan een bron van inspiratie zijn, ook voor ons knippers en andere kunstenaars.

Joke en Jan Peter Verhave

Knippende dominee Kees de Bruïne, Knip-Pers 1994-2

Het liefst zou ik mijn verhaal willen beginnen met mijn slotconclusie: “Ik zie dominee Kees de Bruïne als een soort schaakspeler, die zijn leven met wit ingezet heeft, om het zwart niet zozeer te willen overwinnen, maar het eerder zó wist en weet te spelen dat ook het zwart positief meedoet in dit totale gebeuren wat ‘Leven op aarde’ heet”.

afb. 1, Kees de Bruïne, Moeder en kind.

Hij beschouwt zijn leven als zijnde geplaatst in een groot geheel, waar hij als taak kreeg de Heilige Schrift uit te leggen. Hij ziet dit als een gemeenschappelijk zoeken; als een soort gesprek: “Wat vinden jullie er van?” Hij is blij met elk positief antwoord. Zo van “dat heb ik óók herkend in de zoektocht naar het Licht”. Als voorbeeld van dit samenspel van licht en donker, wit en zwart, laat ik hier graag twee werkstukken van hem zien: ‘Moeder en Kind’, portret van een van zijn drie schoondochters met een van zijn tien kleinkinderen, en ‘Vrouwelijk Schoon’, waar hij met een paar weggesneden lijnen het wezen letterlijk blootlegt (afb. 1 en 2).

afb. 2, Kees de Bruïne, Vrouwelijk schoon.

Kees de Bruïne heeft de hem toevertrouwde talenten op bijzondere wijze benut. Hij tekent en knipt en is zeer muzikaal. Bij speelt piano en viool, heeft vele musicals geschreven en gecomponeerd, die ook herhaaldelijk op gevoerd worden in en buiten de vele gemeenten waar Kees gewerkt heeft; eerst als jeugdwerker in Hengelo,daarna studenten-predikant in Utrecht en vlootpredikant in Rotterdam en later, zonder gezin, uitgezonden naar Nieuw Guinea. Daarna was hij nog wijkpredikant in Scheveningen in de Nederlands Hervormde Zorgvlietkerk en in aansluiting hierop dominee in Den Helder,waar hij ook op het KIM (Koninklijk Instituut van de Marine) Culturele Geschiedenis over vreemde godsdiensten doceerde. In 1973 promoveerde hij op een kerkhistorisch onderwerp en eindigde zijn werkzaamheden als ziekenhuispredikant in het Diaconessenhuis in Heemstede.

afb. 3, Kees de Bruïne, Meisje met de ‘gele ogen’ (over heersend type, dat de man ketent).

Zijn vrouw, Nelleke Laman Trip, waar mee hij in 1948 trouwde, heeft veel met hem samengewerkt. Zij regisseerde zijn musicals en deed verder veel aan sociaal cultureel werk.
Hoewel dit niet zozeer met knipwerk te maken heeft, vind ik het toch van belang om zijn muzikale activiteiten door te geven, als achtergrond informatie over de mens Kees de Bruine. Hij zelf noemt dit musicalwerk: “Spelen met het woord” en ik citeer hier het begin van de tekst in een folder over dit gebeuren:
“…Wie in de vormgeving van leven en werken van een gemeente, jeugdgroep, kinderkerk of vereniging naar nieuwe wegen zoekt, vindt in deze folder mogelijkheden voor spel en zang ten gebruike in, rondom en buiten de kerkdienst”. Ik doe hier een greep uit de vele titels die aan te vragen zijn: ‘Afscheid van Bethlehem’, ‘Anders dan de Nacht’ (over leven van Mozes, onlangs in ‘Vorden opgevoerd met 100 deelnemers, leden uit zowel rooms katholieke als protestants christelijke kerken en Kees de Bruïne als begeleider aan de piano), ‘De man die vuur ging halen’, ‘Witte Stenen’ en vele andere spel en zangverhalen. Bij elk spel staat precies wat het kost, variërend van 25 tot 60 gulden, hoelang het duurt en hoeveel volwassenen en kinderen er aan kunnen deelnemen. Met de tekst wordt de pianozetting meegeleverd.

afb. 4, Kees de Bruïne, ‘Rendez-ous’ of ‘De Afspraak’.

Kees en Nelleke de Bruïne wonen in een huis, genaamd ‘Witte Stenen’, Nieuwstad 31 in Vorden. En de naam is niet alleen gekozen omdat het huis van witgepleisterde baksteen is gebouwd, waar dit slaat bovendien op een Bijbeltekst uit Openbaringen II vers 17. In dit huis heb ik hen opgezocht, naar aanleiding van de tentoonstelling van zijn tekeningen en knipwerk in november 1993, in de bibliotheek in Vorden.

afb. 5, Kees de Bruïne, de Douche

Kees zit thans nog in een kamermuziekensemble en met zijn viool in het landelijk predikantenorkest, dat elke maand in Utrecht bijeenkomt. Sinds 1987 is Kees ‘Dominee in zoals dit dan zo mooi heet. Maar niets is minder waar. Hoewel hij vorig jaar 70 is geworden maakt hij nog steeds grote fietstochten, samen met zijn vrouw. En dan niet een rondje in Drenthe of de Achterhoek, welnee, zij stappen thuis op hun fietsen (met 12 versnellingen) en rijden – met de tent achterop! – naar Wenen of Biaritz in 4 tot 6 weken. De terugtocht gaat dan per fietsbus.

afb. 6, Kees de Bruïne, Drie Gratiën.

Van klein kind af heeft Kees reeds getekend. Zoals hij zelf zegt: “Ik ben met een potlood in de hand geboren”. Zwart-wit heeft hem altijd geboeid; in kleur schilderen minder. Op 12-jarige leeftijd verkocht hij tekeningen van Walt Disney figuren voor een dubbeltje en daarvan kocht hij dan weer pen, potlood en papier. Hij deed acht jaar over het gymnasium omdat hij meer poppetjes en leraren zat uit te tekenen dan te leren, maar van zijn jaarclub was hij per slot wel de eerste die afstudeerde. Hij kreeg vioolles, pianospelen leerde hij zichzelf. Zijn moeder tekende, componeerde en zong, dus was Kees de spreekwoordelijke appel die niet ver van de stam viel. Zijn allereerste knipseltjes waren een romantisch tafereeltje (zie Knip-Pers 1993-2, pagina 19) en een soort zelfportret, Kees als violist (afb.10). Naar aanleiding van de prachtige kinderpostzegels in 1961, die Hil Bottema met knipwerk ontwierp, kwam hij per brief met haar in contact. Hill heeft hem zeer gestimuleerd om met knippen door te gaan en heeft mij destijds op Kees geattendeerd. Een en ander leidde sindsdien tot het uitwisselen van geknipte kerstwensen en was ook de reden waarom hij mij een uitnodiging voor de tentoonstelling in Vorden zond.

afb. 8, Kees de Bruïne, Strekken naar het onbereikbare

Het inrichten van zo’n tentoonstelling doet zijn vrouw. Zij had ook de attributen die Kees bij zijn werk gebruikt uitgestald, namelijk de schaartjes, zijn bril en loupe en het scherpe chirurgische mesje.

afb. 7, Kees de Bruïne, Serie over Abraham, uit Genesis 12:4, 14:19, 18:14 en 22:11.

Kees maakt vooraf een schets, maar zegt hier zelf van: een potloodlijn doet heel wat anders dan een schaar. Hij gebruikt zo’n schets als richtlijn. Een merkwaardig experiment vond ik het geëxposeerde portet van de beroemde pianist Vladimir Horowitz, eerst door hem getekend en daarna datzelfde portret gedeeltelijk geknipt en gedeeltelijk gescheurd, in zwart, wit en grijs Heel suggestief, alleen de licht- en schaduwpartijen van de kop aangevend. “Hij kijkt naar wat je niet ziet en alleen maar hoort …“, zegt Kees van dit portret.

afb. 9, Kees de Bruïne, Verloochening van Petrus, Luk. 22.

Vroeger heeft hij veel model getekend, wat in zijn knipwerk weer te zien is, bijvoorbeeld bij de drie afgebeelde knipsels ‘Rendez-vous’, ‘Drie Gratiën’ en ‘De Douche’. Natuurlijk heeft hij ook veel Bijbelse verhalen met knipwerk uitgebeeld, zie de serie over Abraham uit het boek Genesis en ‘De verloochening van Petrus, tot driemaal toe’, uit het Lukas evangelie.

afb. 10, Kees de Bruïne, zelfportret?

Ik zelf vond ‘Het Meisje en de nachtegaal’ erg mooi. Het hoofd van het meisje doemt daar met enkele weggesneden lijntjes uit ‘t zwart op, kijkend naar het geopende raam met het silhouet van een nachtegaal op een tak en daarachter een volle maan, die op een speciale manier wordt uitgebeeld (Kees wil in een volgende Knip-Pers zelf uitleggen hoe hij dit effect heeft bereikt).
Kortom: Interessant knipwerk en een interessant en zeer blijmoedig stel mensen.

To van Waning-Mijnlieff

afb. 11, Kees de Bruïne, Meisje en de nachtegaal.

Album Amicorum, Knip-Pers 1994-1

Album amicorum, de voorloper van onze huidige poëziealbums, is ontstaan uit een 16de eeuws gebruik van Duitse en Zwitserse studenten. Deze adellijke universiteitsstudenten legden album amicorum aan. Verzamelingen van losse vellen papier of perkament, soms gebonden, waarop vrienden en kennissen wapens schetsten, handtekeningen zetten, landschapjes aquarelleerden en/of opdrachten of goede raad schreven.

De studenten hadden het idee voor album amicorum overgenomen van hun voorvaderen die in de middeleeuwen wapen- of adelsboeken aanlegden, die de edele afkomst van de eigenaar moesten bevestigen.

In de 17de eeuw veranderde het karakter van de album amicorum. Veelal werden het verzamelingen van handgeschreven of gedrukte teksten of studies die aan geleerden of schrijvers bij een jubileum werden aangeboden. Deze 17de eeuwse album amicorum zijn te vergelijken met de tegenwoordige feestbundels en worden dan ook wel liber amicorum genoemd. Toch zijn de album amicorum nooit helemaal weggeweest en werden in de loop van de 19de eeuw zelfs vrij populair. Men kon in die periode voor de losse velletjes papier vaak schitterend bewerkte doosjes kopen. Doosjes met een lintje, dat onderin was vastgeplakt. Daar lagen de velletjes papier bovenop. Door aan het lintje te trekken kon men de velletjes papier eruit wippen. Vrienden, vriendinnen en kennissen maakten kleine gedichtjes of wensen en illustreerden deze met kleine tekeningetjes of aquarellen.

afb. 1, door A. C. de Wit geboren de Jongh, 1837

In de collectie van het Westfries Museum bevinden zich vele van dergelijke album amicorum uit de 19de eeuw. Met één uitzondering: een album amicorum waarin drie velletjes papier met papierknipkunst.

De drie knipwerkjes, waarin twee met een handgeschreven wens, werden door vriendinnen van de eigenaar gemaakt. Josina Langerhuizen, één van de vriendinnen, maakte naast de wens een heel klein boeketje in herfsttinten met kleine witte bloempjes. Alle onderdelen zijn uit verschillende kleuren papier geknipt, waarna het boeket werd samengesteld en vastgeplakt.

Zo ook werd het boeketje rozen gemaakt. De takjes en blaadjes werden uit een stuk groen papier geknipt en de roosjes geknipt uit rood papier en prachtig opgewerkt. Het werd gemaakt in 1837 door A. C. de Wit geboren de Jongh uit Enkhuizen.

Het derde blaadje (zie afbeelding hiernaast) heeft ook een boeketje rozen, maar werd helemaal geprikt. Aan de achterzijde werd het papier bewerkt met een heel dun naaldje en een stomp voorwerpje, waardoor bloemen, takjes en blaadjes op het papier lijken te liggen. De omlijning van het bloemengeheel werd met een dikke naald gedaan. Dit stukje papierknipkunst, of eigenlijk papierprikkunst, werd gemaakt door N. C. Bay uit Rotterdam in 1833.

afb. 2, door N. C. Bay uit Rotterdam, 1833

Tonny Jurriaans

Westfries museum
Achterom 2-4
HOORN

Elise van Calcar-Schiotling, Knip-Pers 1994-1

In onze jubileumlezing hebben we verschillende aspecten van voordoen en namaken behandeld. In ambachtelijke volkskunst en kunstnijverheid herkennen we het Hindelooper schilderwerk, tegels, koekplanken en merklappen, allemaal voorbeelden van vrijheid in gebondenheid.

afb. 1, Elise Schiotling-Calcar, naar de litho van A.J. Ebate

Velen van ons hebben les gehad van een knipper, maar heel vroeger hebben de ouderen onder ons op de Fröbelschool gezeten en daar fröbelen geleerd. Dat woord klinkt ons nu een beetje denigrerend in de oren, maar omstreeks 1860 was meneer Fröbel een onderwijsvernieuwer en in ons land was er een schrijfster en onderwijzeres die zijn ideeën uitdroeg, mevrouw Elise van Calcar. Ze was redacteur van ‘De Hoop der Toekomst’, maandblad aan de opvoeding der jeugd gewijd. Als meisje raakte ze onder de indruk van de grote joods-christelijke dichter Isaac da Costa en zelf begon ze boeken te schrijven over de verschillende protestantse milieus, waar ze als gouvernante in had verkeerd. Ze was een heel zelfstandig type en zocht haar eigen weg. Daardoor kwam ze ook met het spiritisme in aanraking. Als opvoedster en.strijdster voor de belangen en rechten van de vrouw is ze op haar best geweest.

afb. 2, De ‘kleedjes’ zijn losse knipsels in een plakboek, maker onbekend, afmetingen ongeveer 7 à 8 cm, Privé bezit.

Zij schreef een handleiding (‘leergang’) voor het maken van geknipte kleedjes: ‘De Kleine Papierwerkers’ en daarin trainde ze de kinderen in orde en netheid. In haar verhaal vervelen twee kinderen, Ida en Henri, zich omdat het regent. Ida zegt: “Kon ik maar knippen en plakken, maar mama heeft me de schaar af genomen, omdat ik de kamer vol snippers had gemaakt.” En haar broertje Henri: “Dat wil ik wel gelooven, wij hebben met die schaar ook zooveel kwaad gedaan…”. Toen waren die twee nog zo onhandig, “als vreesde men, dat zij zich neus en ooren zouden afknippen”. Nu zegt Ida: “Kom, dat is al lang geleden; wij zouden nu toch niet meer in het tafelkleed of in de gordijnen knippen.” “Neen, zeker niet, maar het plakboek heeft ons toch ook al veel knorren gekost, want omdat ik zoo scheef plakte en gij te slordig knipte, heeft papa alles voor ons gedaan: allemaal moeijelijke fijne prentjes en wij stonden ons erbij te vervelen ”.

afb. 3, De pagina’s losse knipseltjes zitten in twee verschillende, kleine albums van ongeveer 11 x 15 cm per pagina. Maker onbekend. Privé bezit.

Neef Frans, ‘een flinke jongen van tien of elf jaren, vlug en wakker in de school en op de speelplaats’ redt de situatie, want hij bedenkt knipsels zelf, door een stukje wit papier op te vouwen,”er voorzichtig en netjes een paar knipjes in te geven en eenige snippers uit te laten vallen. Die bewaart hij zorgvuldig, want al die snippers plakt hij op blaauw papier en maakt er de fraaiste figuren van.”
De kinderen moesten een “blaauw boekje” maken van een paar vellen blauw papier en plakten daarin hun kleedjes van wit papier. “Hoe meer de handen zich repten, zoo te levendiger straalden ook de oogen en te blijder klonken de stemmen en sloegen de harten”.

afb. 4, De ‘kleedjes’ zijn losse knipsels in een plakboek, maker onbekend, afmetingen ongeveer 7 à 8 cm, Privé bezit.

Enfin, het kleedjesknippen redde de regendag! En op de Fröbelscholen moesten de kinderen een ‘Fröbels plakboek’ maken; het doel was niet een fraai plakboek maar de vorming van het werkende kind. Het knippen werd een vak, waarmee de kinderen “de schaar beter leerden regeren” en ze geleidelijk aan “moeijelijker werk” maakten. Daarmee werd hen ook netheid bijgebracht (snippers opruimen!)

afb. 5, De pagina’s losse knipseltjes zitten in twee verschillende, kleine albums van ongeveer 11 x 15 cm per pagina. Maker onbekend. Privé bezit.

Wij bezitten een paar van zulke blauwe boekjes, met uitgeknipte vormen van het dagelijks leven. Enkele stammen uit de 18de eeuw, maar die uit de 19de eeuw zijn ongetwijfeld produkten van de Fröbelse teken- en knipmethode.

Joke en Jan Peter Verhave

 

 

 

 

Bronnen:
De Kleine Papierwerkers (1865), uitgever K.H. Schadd.
I .Wat men uit stukjes papier (door het vouwen) al maken kan.
II. Wat men uit strookjes papier al vlechten kan.
III.Het prikken.
IV. Het knippen en plakken.

J.H. Sikemeier (1921), Elise van Calcar-Schiotling, haar leven en omgeving, haar arbeid, haar geestesrichting. Uitgever Tjeenk Willink Haarlem.