Auteursarchief: admin

Verknipte knipsels, Knip-Pers 1987-2

De meesten van ons zullen al wel eens een afbeelding gezien hebben van werk van Jan Visscher van Urk (1855-1938). Hij knipte van zwart of gekleurd sitspapier bijbelteksten en vissersbootjes of andere dingen om zich heen, die hij belangrijk vond.

Vooral de kerk van Urk heeft hij vaak gemaakt en het is altijd weer imponerend als je je indenkt hoe groot die knipsels zijn: als een krantenpagina!

afb. 1, Jan Visscher, 83 x 48 cm

De kerk is “doorzichtig”, je ziet al het meubilair en de ramen in het schip en van de toren. Hij staat “op” het kerkhof, dat is aangegeven door een hek met symmetrisch geknipte boompjes, een poort en een knekelhuisje. De hekken en de boompjes zijn samen met de kerk als de opstaande wanden van een nog ongebruikte taartdoos neergeklapt. Voor wie vroeger op de HBS-B beschrijvende meetkunde heeft gehad, een “logische” oplossing. Voor Jantjen een heel eigen vinding, uit eenvoud geboren. Zijn teksten getuigen ook van een kinderlijke manier van spellen. Zo staat er “Dit is de Hrvormde (of ervormde) Kark van Urk” en op de poort “Laaste Rustplaas”. Hij rolde zijn knipsels op in een oude krant en verkocht ze voor een paar kwartjes of guldens aan toeristen, die met de boot van Enkhuizen kwamen.

Wat zou het interessant zijn om iets meer over de techniek van Jantjen de Knipper te weten!
Hij deed het als een “ware knipper” direct uit papier en zonder voortekenen, schreef Wim Kuyper die Jantjen in 1932 nog ontmoet heeft. Het mag dan misschien gelden voor de eenvoudige versieringen; voor zijn scheepjes en de kerk was dat zeker NIET het geval. Er zijn duidelijk potloodschetsen op de achterzijde te vinden!

Op de Zuiderzeevisserij tentoonstelling in 1930 te Enkhuizen heeft Jantjen zitten knippen en de directeur van het Nederlands Openluchtmuseum maakte een foto van hem, maar hóe het knippen ging, daar heeft hij geen bijzonderheden over vastgelegd. Wel moet er op een film over de Zuiderzee uit 1930 nog een opname van hem voorkomen. Wie hem ook gezien heeft, op nog oudere leeftijd, was Cruys Voorbergh,die in zijn boek “Erfenis van Eeuwen” een boeiend relaas geeft van een ontmoeting met het toen al niet meer knippende mannetje. De schaar kreeg hij nog wel te zien: “een verroeste koei van een schaar”.

Je vraagt je af hoe hij ‘t met dat instrument klaarspeelde om zo’n groot stuk papier in één keer te bewerken.
Het antwoord daarop kregen wen dankzij een opdracht uit Urk, om drie knipsels te restaureren. Twee daarvan waren de “nederlanse ervormde kerk”; ze hadden een halve eeuw opgerold gelegen en er viel wel het een en ander recht te zetten! Op de afbeelding zijn de kreukels nog enigszins te zien in het dak van de kerk. En als je er dan met je neus bovenop zit en probeert de verfrommelde gedeelten weer een beetje in fatsoen te krijgen, dan zie je dat er eigenlijk helemaal geen fatsoen in zit. Het zwarte sits zit letterlijk vol met honderden vouwen, omdat bijna elk onderdeel dubbel geknipt werd.

Maar dan wordt ook meteen duidelijk hóe hij al de spijltjes van het hek, de ruitjes van de kerkramen en de orgelpijpen heeft kunnen maken met die grote schaar. Hij knipte de sleuven uit het dubbelgevouwen papier en hoefde zo nooit van binnen uit te werken! Maar toch, zo’n groot stuk papier en al die boompjes en andere details in verschillende richtingen?

Toen zagen we opeens, tot onze stijgende verbazing en verrassing, dat de boompjes een voor een los geknipt waren. Ook het hek was in gedeelten geknipt en aan elkaar geplakt. Zelfs de bolpuntige pieken op het hek waren er apart op gestoken. Kijken we naar de kerk, dan blijkt dat die als geraamte, zonder inventaris is geknipt, alleen de preekstoel zit vast. Maar het orgel, de stoelen, kroonluchters, gaslampen, de scheepjes en de ramen, allemaal zijn ze los geknipt en er in vastgeplakt. De twee kerken bestaan welgeteld uit 59 en 61 grotere en kleinere losse stukjes, die tot een geheel zijn samengevoegd! Zelfs het achtergrondpapier heeft hij uit meerdere stukken van verschillende afmeting en kwaliteit aan elkaar geplakt…

afb. 2, Jan Visscher, 21 x 15,5 cm

Cruys Voorbergh schreef: “Een natuurlijk gevoel voor het sierkunstige heeft zijn keuze geleid bij het schikken van vlakverdelingen en randversieringen om een hoofdmotief ….“.
Wim Kuyper schreef,dat van zijn (aan de muur geplakte) knipsels op Urk op ‘t laatst de lijstjes uit elkaar vielen en de lijm losliet, zodat ze werden weggegooid. Opmerkingen die pas begrijpelijk zijn, nu we weten dat de knipsels uit vele delen opgebouwd waren.

Hil Bottema schreef 22 jaar na de dood van Jantjen een portretschets, blij als ze was met de ongeveer 15 knipsels van zijn hand in de verzameling van het Nederlands Openluchtmuseum. Zij had ontdekt, dat de opschriften afzonderlijk waren geknipt en opgeplakt. Maar verderop veronderstelde zij, dat Jantjen voor zijn kerk een heel groot vel sitspapier nodig gehad zou hebben, dat hij telkens weer anders heeft moeten vouwen om de boompjes op het kerkhofje, de haag en het hek tweezijdig te kunnen knippen. Hil heeft dus de knipsels van het Museum niet héél goed bekeken. Dat is wel vreemd, want ze heeft een rood glacé kerkenknipsel in 1961 zelf gerestaureerd en opnieuw opgeplakt. Het is overigens helemaal vlak en kreukloos opgezet, zodat er van het “slordige’ karakter iets is verloren gegaan.

‘t Zijn zeker niet alleen de kerkenknipsels, die zo waren samengeknutseld. Het derde knipsel uit Urk heeft Jantjen bij een heel bijzondere gebeurtenis gemaakt: de strenge winter van 1929, toen Urk alleen over het Zuiderzeeijs bereikbaar was. We zien rijen van 6 automobielen, 19 schaatsers met pandjesjassen, 7 vliegende hollanders en 2 paardesleeën met brood, allemaal over het ijs op weg naar het eiland. Ook in dit vertederend simpele tafereel is de rand met stekelige ornamenten (kribbige spinnekoppen noemde Cruys Voorbergh ze) één geheel, maar alle onderdeeltjes zijn los geknipt. Zelfs alle wielen van de voertuigen, 26 in getal, zijn apart en dubbelgevouwen geknipt.

Bij het samenstellen en opplakken kwam het allemaal niet zo nauw. We vonden zelfs visschubben achter het sitspapier verborgen! Wij zijn vaak teleurgesteld als we in verkeerde knip maken en ons werkstuk is niet meer één geheel; en we zijn erg ontevreden als onze knipsels na het opplakken hobbels en ribbels vertonen. Misschien is het een troost te weten dat anderen veel minder kritisch kijken naar het resultaat van ons worstelen met vormen en letters en behangselplak, dan we zelf doen. En we zijn opnieuw enthousiast over het werk van Jantjen, als een uiting van naïeve volkskunst, die uniek is en een voorbeeld van de veelvormigheid waarmee in ons land de knipkunst is bedreven.

Wij hebben bij het restaureren de vouwen en scheef geplakte onderdelen maar laten zitten, om te laten zien hoe de knipsels eruit zagen, zoals Jantjen (II zelf ze afleverde.

Joke en Jan Peter Verhave.

afb. 3, Winter.zaksoen.van.1929, Jan Visscher, 39 x 48 cm

De gebruikte literatuur staat in “Schaarkunst” vermeld; op de pagina’s 21, 95, 96 en 104 staan afbeeldingen van knipsels van Jantjen de Knipper.

Voorvechtster voor de kniptraditie en -erfgoed: Irma Kerp, Knip-Pers 2019-1

afb. 1 Irma Kerp

Mensen die een belangrijke rol hebben gespeeld, mogen niet zomaar uit onze herinnering verdwijnen. Irma Gladys Lucie Kerp-Schlesinger was zo iemand voor de papierknipperij. Velen van ons hebben Irma’s boekje ‘Leer knippende zien’ gebruikt. Zij legde het fundament voor onze Vereniging.
Irma werd geboren in een Joods gezin in Leipzig, in 1900. Ze vertrok naar Spanje en ontmoette daar de niet-joodse landgenoot Gustaf Wilhelm Ernst Kerp, die net als zij genoeg had van de Duitse politiek. Ze trouwden in Madrid en daar werd Eva, hun eerste dochter, geboren. Gustaf kreeg de mogelijkheid zijn functie uit te oefenen in een ander land en zo kozen ze voor Nederland in 1930, waar Inge werd geboren.

De oorlog was natuurlijk een moeilijke tijd. Hij werkte voor een Duitse firma in Amsterdam en ze waren lid van een kerkgemeenschap waarvan de voorganger nazisympathieën had, die zij niet deelden. Bovendien herbergden ze onderduikers. Anders dan verschillende van Irma’s familieleden, overleefde het gezin de oorlog, mede door het moedige optreden van Gustaf tegen zijn militaire landgenoten.

Knippen deed Irma al in haar meisjesjaren: toen ze lang werd verpleegd in een ziekenhuis begon ze uit zwarte stukjes röntgenpapier figuurtjes te knippen.

afb. 2

Daarna liet ze het liggen, bang dat het niets zou voorstellen en pas in 1949 vatte ze het knippen weer op. De eerste ambachtsgenoot die ze tegenkwam, was Kees Bakema, de oude silhouettenknipper die nauwelijks kon rondkomen. Ze pleitte er bij verschillende instanties voor dat hij een plaatsje kon krijgen als portretknipper bij evenementen.
In 1950 nodigde het Franeker Museum Irma uit om werk in te sturen. Ze realiseerde zich dat zij en Bakema twee van de zes knippers waren die Nederland telde, een schril contrast met al het mooie dat uit vroeger eeuwen tentoon werd gesteld (de andere knippers waren: Greta Zijl, Wiecher Lever, Hil Bottema en Gertrud Januszewski).
Wetend dat rond 1920 in Duitsland de knipkunst bloeide, moest ze constateren dat die
in ons land bijna dood was.
Door het voorbeeld van de kordate directrice van het Franeker museum, die in haar eentje de tentoonstelling had georganiseerd én door de waardering die Irma voor haar werk kreeg, vatte ze moed en begon ‘causerieën’ te geven voor allerlei vrouwengroepen en scholen en aan volksuniversiteiten. Ze waarschuwde van te voren dat ze het Nederlands met een accent sprak. Haar uitgesproken mening en gedachtespinsels – die niet beperkt bleven tot het papierknippen – brachten haar met velen in contact en dat kleurde haar levensverhaal. Vrouwen, meende ze, moeten iets hebben naast het huishouden en vrije tijd voor zichzelf opeisen!

Zelf vond ze dat wie niet kon tekenen, best wel kon knippen,en ze wees er steeds op dat de uitkomst minder belangrijk was dan het plezier van het doen, een haast geestelijke belevenis. Dat gaf ze ook door in interviews en in haar eigen artikelen in allerlei bladen, jaar in jaar uit. Intussen had zich een hele schaar knippers rond Irma verzameld, die elk weer het enthousiasme op anderen overdroegen. Met knipsters buiten Bussum, o.a. Suus Houtman, To Mijnlieff (die later onder haar mansnaam bekend werd: van Waning), Hil Bottema en Joke Verhave had ze geregeld contact.

 

afb. 3

Irma had een eigen knipkamer, waar ze alles wat ze maakte en verzamelde bij elkaar had. Ze legde mappen aan met de teksten van haar lezingen en de plaatjes die ze erbij liet zien met een platenprojector. Ook nam Irma het initiatief voor de tentoonstelling ‘Pronken met Papier’ van de papierfirma Bührmann in Amsterdam in 1965, met veel mooi werk uit voorbije eeuwen.

Haar inspanningen om de knipkunst weer aan de gang te krijgen, leidden tot de uitnodiging van uitgeverij Cantecleer om een boekje te schrijven. ‘Leer knippende zien’ verscheen in 1971 en beleefde vier herdrukken en ook een Duitse editie in 1979 met herdruk in 1983. Haar contacten met de uitgevers en de diverse rekeningen hield ze nauwgezet bij. In 1968 mocht ze de passagiers op een boot van de Holland Amerika Lijn vermaken met haar voordrachten, demonstraties en praktische oefeningen met schaar en papier.

afb 5

En toen kwam de grote dag in 1982, waarop dertig van haar leerlingen hun werk konden laten zien tijdens de tentoonstelling in ‘t Spant te Bussum. Het was duidelijk dat zij de kniptaal hadden geleerd aan de hand van de grammatica van hun lerares. En voortvarend waren ze ook, de dames. Onder leiding van Lies Markus werd de Vereniging geboren en op de eerste Contactdag van de leden in Haarlem in 1984 was Irma, voor velen nog steeds mevrouw Kerp, nietbetalend gast van het bestuur.

In 1985 kreeg Irma Kerp, 84 jaar oud, een Koninklijke Onderscheiding uit handen van de burgemeester van Bussum. Veel knipsters waren daarbij aanwezig. Ze voelde zich beschaamd: “Ik heb het niet verdiend. Ik heb het kind alleen gebaard. Lies en anderen hebben het verzorgd en opgevoed”.

afb. 5

Voor de Knip-Pers schreef ze zo nu en dan een bijdrage, o.a. in 1987 over Joods knipwerk. Daarvoor verdiepte zij zich in de manier van uitdrukken van haar voorouders en zelf maakte ze ook wel eens een knipsel met Joodse symboliek. Helaas kon ze haar museale stukken niet aan een Nederlands museum kwijt en daarom schonk ze haar collectie aan het Museum voor Etnografie in Haifa, Israël.

afb. 6

In 1988 werd Irma als eerste het erelidmaatschap van de Vereniging aangeboden.

Haar reactie: “Ik keek naar de zaal, naar de honderden mensen van wie ik nauwelijks twee tientallen kende en ik wist: wat hier tot stand is gebracht, dat hebben anderen gedaan, niet ik. Het is waar: het fundament had ik gelegd. Lies Markus was de architect. Lezers, vergeet ’t niet, ons gebouw moet blijven: meldt u als er een beroep op u wordt gedaan ter vervanging van bestuursleden¹)”.

En bij een ingesloten knipseltje: “Indien u het afdrukt, schrijf erbij: met trillende handen en een blind oog geknipt – dat geeft andere gehandicapten moed”.

Op 23 november 1988 overleed ze. In het decembernummer van dat jaar schreef Magda Helms, de redactrice met wie ze zoveel ideeën had uitgewisseld, een gevoelig In Memoriam.

Joke en Jan Peter Verhave

¹) Wat scherp gezien! Onze Duitse zustervereniging heeft zichzelf in januari 2019 opgeheven bij gebrek aan nieuwe bestuursleden. Laten wij zorgen dat dit met onze vereniging niet gebeurt!

Oprichtster van de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst, Knip-Pers 2018-4

Lies Markus (-2003) had al een heel leven achter zich, toen ze een knipcursus volgde bij mevrouw Kerp in Bussum. Ze werd enthousiast en merkte dat er veel meer knippers in Nederland waren, die geen contact met elkaar hadden. Geassisteerd door haar man Ted startte ze het Nederlands Informatie-Centrum Knipkunst (NICK), nadat ze begonnen was om een kaartsysteem van knippers op te stellen. Mevrouw Kerp nodigde haar uit lid te worden van een comité dat in 1982 een tentoonstelling over knipkunst organiseerde in Het Spant te Bussum. Lies schreef een verslag over dit ‘overweldigend’ geslaagde evenement. Eens te meer was ze gemotiveerd om knippers met elkaar in contact te brengen. Er werd begonnen met een proefkrantje, de Knip-Pers, waarvan Lies de eindredactie op zich nam. Daarvan verschenen twee nummers. Op 23 april 1983 werd de Vereniging tot bevordering van de Papierknipkunst in Arnhem opgericht, een kroon op het werk van Lies. Of, zoals Irma Kerp het formuleerde: “Lies Markus heeft het ei uitgebroed dat ik heb gelegd”. Niet dat ze zelf zo’n getalenteerde knipster was, maar ze zag de meerwaarde van contacten en kringen en van een blad dat verbond en dat informatie en instructie gaf.

Het NICK bleef aanvankelijk bestaan om te bemiddelen, informatie te geven over tentoonstellingen en om een archief op te zetten, maar al gauw werden die taken door de Vereniging overgenomen. De Knip-Pers werd een kwartaalblad met als eindredactrice Lies Markus. Ze wist anderen om zich heen te verzamelen en al gauw kreeg ze hulp van Atie Willemse, ‘die een huiscomputer had’ en van Magda Helms, ‘een artistieke en ijverige lay-out-vrouw’. In 1986 kwam Rieny van Beek er bij. Een knipster die veel had met het knippen van symbolen. Als eindredacteur schreef Lies niet veel artikelen. Soms nam ze een interview af van een actieve knipper of ze maakte een verslag van haar bezoek aan een knipkring. Knipkringen waren in haar visie de spillen van de Contactdagen. En ze was er natuurlijk bij toen de bekende knipster mevrouw Irma Kerp in 1985 een koninklijke onderscheiding kreeg. Bij de eerste lustrumviering in 1988 kreeg ze samen met Irma Kerp van het bestuur het erelidmaatschap aangeboden ‘vanwege haar initiatief , dat geleid heeft tot oprichting van de Vereniging’. Lies vond het ‘schattig’ dat ze dit had gekregen en vertelde dat ze geen idee had gehad dat de Vereniging zo zou uitgroeien tot 800 leden.

In haar terugblik tijdens het jubileumjaar 1993 tipte ze een pijnlijke ervaring aan: Irma Kerp wilde niet meer met haar praten, omdat Lies haar ‘de Grand old lady van de knipkunst’ had genoemd. Dat schoot Kerp in het verkeerde keelgat: het had moeten zijn ‘de grootmoeder van alle knipsters in Nederland’. Gelukkig maakte Kerp het weer goed en kwam er een eind aan de verkoeling.
Lange tijd bezocht Lies de redactievergaderingen, maar al gauw deed Magda het echte redactiewerk. Na bijna twintig jaar, in 2001, legde ze haar functie neer; het was lichamelijk te zwaar geworden. Ze kreeg een boek vol knipsels uit het hele land aangeboden, waar ze heel blij mee was. Ze dankte Magda Helms, die al 18 jaar de Knip-Pers maakte. Verder stelde ze de vraag: “Wordt het nu niet tijd dat het Ministerie van Kunst en Wetenschappen de knipkunst ook als KUNST erkent, net als in Zwitserland?”
In het jubileumnummer van 2003 schreef ze nog een stukje met een oproep aan de leden actief te zijn in de vereniging. Lies overleed op 6 november 2003, een enthousiast en liefderijk mens, aan wie veel knippers een warme herinnering houden. De vereniging heeft met extra bijdragen van leden een fonds opgericht dat haar naam draagt en waarmee allerlei knipactiviteiten worden mogelijk gemaakt.

Joke en Jan Peter Verhave

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Knip-Pers 2018-4 (bewerkt november 2020)

Een volksknipper uit Overijssel, Knip-Pers 1986-3

In Overijssel heeft onze vereniging nog niet veel leden. Maar geknipt is er zeker in vroeger tijd. Voor we dát goed in de gaten hadden, zijn er heel wat bezoeken aan allerlei musea afgelegd. Langzamerhand ontdekten we dat er een bepaald type forse knipsels was, allemaal met mooie letters en ranken die uit siervazen komen. En elke keer was het: hé, deze lijkt op die en die. In Alkmaar bijvoorbeeld vonden we in het Stedelijk Museum er een met een uitbeelding van het Bijbelse verhaal van de Bruiloft van Kana (afb. 1).

afb. 1, Jannes Grootenhuis, Bruiloft te Kana, Stedelijk Museum Alkmaar

We kijken in een hoge zaal met kroonluchters van goudpapier en grote gordijnen tussen de pilaren. Het feestende gezelschap is van bruin papier geknipt en op de perspectivische tegelvloer geplakt. Er omheen, tussen een oneindige overdaad van krullende ranken een tekst met alle mogelijke typen van letters, zoals in die tijd voor drukwerk gebruikt werden.
Het knipsel blijkt gemaakt voor twee bruidsparen in 1862: een dochter trouwde op de dag dat haar ouders 25 jaar gehuwd waren. In kleine potloodletters staat in de voet van twee siervazen: J. Nuis, Dedemsvaard. Zou hij de maker zijn? Hij was timmerman, die in 1812 te Smilde geboren was en in 1871 te Dedemsvaart overleed.

In het museum Flehite te Amersfoort is een knipsel dat er veel op lijkt. Daarin is het verhaal van de zalving van Jezus door de overspelige vrouw uit Johannes 12 afgebeeld (afb.2). Het is opgedragen “Uit achting aan Pieter van Abs”.

afb. 2, Jannes Grootenhuis, Zalving van Jezus, Museum Flehite

Sprekend daarop lijkt een knipsel dat in plaats van de afbeelding een huwelijksaankondiging draagt van een bruidspaar uit Gramsbergen in 1853. Onderaan een dorpsgezicht en in de hoeken, net als afb. 2 stralende zonnen. Het stuk wordt nog steeds in Gramsbergen bewaard.

In Almelo hangt in het museum voor Heemkunde een aardig knipsel dat Palmpasen uitbeeldt. Ook in particulier bezit te Almelo is zo’n knipsel met hetzelfde onderwerp. De letters zijn los geknipt van verschillende soorten bruin en goud papier (afb. 3).

afb.3, Jannes Grootenhuis. Palmpasen, Museum voor Heemkunde, Almelo Naar een foto van R. Kampman, Almelo

In het Arnhems Openluchtmuseum wordt een stuk van dezelfde kunstenaar bewaard: “Salomons eerste recht”, met de wijze koning die recht spreekt over het moederschap van een levend en een dood kind. Het is afgebeeld in “Schaarkunst”, nr 114 op pagina 105. Ook hier de vele ranken en de stralenfiguren in de hoeken.

Daarop lijkt een ander stuk dat door dit museum is uitgeleend aan het Catharijneconvent in Utrecht: “De bekeering van Paulus”. Saulus die verblind wordt door Goddelijk licht, stort van zijn paard, vlak voor de poort van Damascus. Hier zien we een typisch voorbeeld van volkskunst: Damascus is afgebeeld als een Europese stad met veel (kerk)torens. Iets dergelijks is in de interieurs van de feestzalen uit afbeelding 1 en 2 te zien: koperen kroonluchters zoals de kunstenaar ze kende uit de protestantse kerken. Ook de soldaten rond koning Salomo en Saulus heeft hij fantasieuniformen gegeven.

In het Museum voor Knipkunst is er een zestal van dezelfde hand. Een is afgebeeld als afbeelding 4; weer een huwelijksknipsel voor een bruidspaar uit Wierden in 1849. Een huis in aanbouw en de landbouw staan afgebeeld.

afb. 4, Jannes Grootenhuis, huwelijksknipsel Wierden, 1849; Uit Vaardige Handen 53

Een “broertje” van dit knipsel heet “Het timmermanswelvaren en de bloeiende landbouw maar het is voor iemand anders gemaakt.

Nog twee huwelijksknipsels hangen er, uit 1836 en 1869 en tenslotte twee Bijbelse voorstellingen van het kerstfeest en het pinksterfeest. De laatste is weer een zaal met pilaren en kandelaars in de trant die we al kennen.

Niet alle zes zijn origineel: Lever heeft, om een goed overzicht te krijgen van deze kunstenaar, enkele stukken die in Overijssel bleven, nageknipt op ware grootte. Het is de moeite waard om dat zelf ook eens te proberen met een oud knipsel dat u erg aanspreekt. Heel leerzaam!

Lever had ook ontdekt wie de onbekende knipper is geweest: Jannes Grootenhuis, geboren in 1842 te Ommen als zoon van een bakker. Zelf was hij kleermaker, dus vaardig met de schaar! Hij naaide zijn dubbelgevouwen, grote stukken, papier aan elkaar om verschuiven tijdens het snijden of knippen te voorkomen.

De naam J. Grootenhuis 1867 komt voor onder een knipsel dat bewaard wordt in het Twents Museum in Enschede. Het is een rebus (afb. 5) met de tekst:
o ZONdig MENS hoor mijn verMAAN
het STERven KAN u nooit ontgaan
dus LEER dan STERven door de TIJD
opdat gij door het STERven u verblijd
LEER dus de WERELD kennen door de TIJD
want RAT en SLANG zijn vol bedrieglijkheid

afb. 5, O zondig mens, Jannes Grootenhuis, Twents Museum

Grappig is dat het oudhollandse spreekwoord “Vat den tijd en leer de wereld kennen” ook door de noordhollandse knipper Arie ter Gant in dezelfde tijd in een rebusknipsel is verwerkt!

Is nu Grootenhuis de knipper geweest of Nuis? We weten het nog niet. En waar hij precies woonde en of hij regionale bekendheid genoot is ook onbekend. In ieder geval is een oogst van 14 knipsels, die verspreid raakten over het hele land, niet gering.

Misschien komen er nog wel neer boven water in het Overijsselse – en dat hij niet de enige was die in die contreien verdienstelijk knipte, staat ook wel vast.

Joke en Jan Peter Verhave.

We willen Aafje Wesseldijk-de Jong en haar man graag bedanken voor de twee foto’s (afb. 1 en 2). Zij ontdekte het knipsel in museum Flehite en ging ook de antecedenten na van Nuis.

Wie van de drie?, Knip-Pers 1986-1

Mijn naam is Jan de Prentenknipper uit Zeeland!

Jan I:
Ik ben een invalide kunstenaar en mijn ware naam is Joseph de Laet. Ik ben vrijgezel en Rooms Katholiek; ik leefde van 1803 tot 1883 in Goes en sommigen zeggen dat ik ‘s winters in het Oude Mannenhuis woonde, maar dat is niet waar. Wel logeerde ik soms langer dan nodig was bij een rijke boer die een prent bij me had besteld.

Jan II:
Ik ben een dikke prentenvent en mijn ware naam is Johan George den Boer. Aanvankelijk dacht men dat ik goudsmid was in Goes, na mijn huwelijk een poos in Rotterdam had gewerkt en later als knipper had rondgezworven in Zeeland. Maar ik blijk in Rotterdam overleden te zijn, vóór ik aan knippen toekwam.

Daarom ben ik een naamgenoot van de goudsmid, kleermaker (dus ook knipper), sjouwer, omroeper, arbeider, bajesklant en ook nog verkoper van Nieuwjaarswensen en prenten, tot ik in 1881 overleed.

Jan III:
Ik ben een rondreizende koopman, geboren in 1799 en te Goes overleden in 1870. Mijn ware naam is Jan Huyssoon, maar dat hoeft niemand te weten. Ik heb vijf kinderen gekregen bij mijn Katholieke huishoudster, met wie ik niet getrouwd was. Ik ben Hervormd en weet dat ik Gods straf verdien voor mijn slechte leven. – Na veel ellende ben ik later nog drie keer wettig getrouwd geweest met niet al te jonge dames. Dat was voor een warme oude dag, maar ik heb jarenlang ook nog om bijstand moeten vragen en ben wel 100 keer verhuisd. Eén troost, ik heb honderden katholieken en protestanten een blijvend aandenken geknipt voor hun gebedenboek of bijbel. (afb. 1) Ik ben niemand iets schuldig dan God, die me hopelijk genadig is.

afb. 1, Jan Huysssoon, Hoop en Liefde, ca. 7 x 10 cm

Eindelijk is nu de ware Jan gevonden, niet door Hil Bottema en Jan I, ook niet door Joke en Jan Peter Verhave met Jan II, maar door Rinus Willemsen en A. Rooze met hun Jan Huyssoon! Het sluitende bewijs was een In Memioriam, geschreven in een Goes’ krantje, kort na zijn overlijden. De oplossing van dit raadsel kon worden bevestigd door aantekeningen over deze man in het Goese archief: plaatsnijder, negociant met een zwervend leven enz.

Proficiat  voor de. twee scherpzinnige amateur historici en “mispoes” voor de ondergetekende twee andere amateurs. Streept u de betreffende passage en het alias Johan George den Boer in “Schaar-kunst” maar door.Het boekje is trouwens om meer dan deze reden aan vernieuwing toe!

afb. 2, Jan Huyssoon, Straf der Zonde

De ontdekking van de echte Jan geeft niet alleen een nieuwe naam, maar ook een heleboel nieuwe gegevens over zijn leven, die we nog niet verklappen. We proberen daarmee een mooi kijk- en leesboek over Jan de Prentenknipper samen te stellen. Wilt u ons daarom een tip geven als u in uw omgeving iemand weet die een knipsel van Jan bezit? Er moeten wel zo’n 200 bezitters zijn, want Jan heeft misschien wel duizend knipsels gemaakt. Het waren vooral veel kerkboekprentjes, die als kleurige doorkijkertjes ruim een eeuw in oude bijbeltjes hebben overleefd. Hoe meer we zien en kunnen fotograferen, hoe mooier het boek zal worden. We zullen al die mensen een vragenformulier toesturen om meer te weten te komen over de herkomst en bijzonderheden van hun knipsel. Misschien kunnen we zo de zwerftochten van Jan ook nauwkeuriger vaststellen. En misschien is er in 1988 dan in liet Museum voor Zuid-  en Noord-Beveland te Goes een overzichtstentoonstelling van zijn werk samen te stellen! Helpt u mee?

Joke en Jan Peter Verhave.

Literatuur:
Bottema (1967) “Jantje de Prentenknipper”, de welbekende onbekende van Zeeland l803?1883?
Antiek 2, 2, 80-91
Joke en Jan Peter Verhave (1982), Jan de Prentenknipper in West- Zeeuws-Vlaanderen
Nehalennia 46, winternr. 33-39
Willemsen (1985), Jantje de Prentenknipper. Zeeland Magazine iS, nr 90, 5-6

Welgesteld en wel geknipt -1, Knip-Pers 2018-2

Oud knipwerk in particulier bezit onttrekt zich meestal aan onze waarneming. Maar zo nu en dan duikt er iets op, bijvoorbeeld op een veiling, of omdat iemand benieuwd is naar de betekenis of de waarde van zijn bezit. Soms blijkt het een onbekende schatkamer. Onlangs lazen wij het boek van Geert Mak, De levens van Jan Six. Een familiegeschiedenis (2016). Daarin trof ons de passage, waarin Mak een blik gegund wordt in het familiearchief:
‘Eén omslag bestaat uit enkel ragfijn knipwerk, vol bloemenmanden, engeltjes en hoornen des overvloeds.Vermoedelijk heeft geen mens er ooit meer naar omgekeken. Ik opende ze voorzichtig, de toenmalige feestvreugde kun je nog bijna ruiken’.

We herinnerden ons dat we tien jaar  geleden een artikeltje hadden geschreven over kleine knipsels van ene Lucretia van Winter en haar ouders; daarin hadden we terloops vermeld dat ze was getrouwd met een Six in 1822.
Aan deze Lucretia, een bijzondere vrouw, had Mak nu een heel hoofdstuk in zijn boek gewijd. Dus hebben we, vol verwachting, contact gezocht met de Collectie Six en een afspraak gemaakt.

En zo stonden we voor het deftige huis aan de Amstel. Jonkheer Six had alles uitgestald en daar ontvouwde zich een prachtige verzameling knipwerk, deels met namen, en voor het grootste deel zonder. De namen verwijzen naar de familie van Winter in de 18e eeuw. Wie waren dat en waarom hadden ze aardigheid in het maken van mooie dingen met schaar en papier?

Lucretia Johanna van Winter (1785-1845) was een dochter van de industrieel en kunstverzamelaar Pieter van Winter en Anna Louise van der Poorten (afb. 1). Lucretia werd in de familie ‘Creejans’ genoemd en haar jongere zusje Anna Louisa Agatha ‘Annewies’.

afb. 1, Lucretia Johanna van Winter

Zij erfden elk de helft van de kostbare verzameling schilderijen van hun vader. Annewies trouwde met een Van Loon, en haar deel werd verkocht aan baron De Rothschild in Parijs (inclusief Marten en Oopjen door Rembrandt, nu te zien in het Rijksmuseum). Van het andere deel werden diverse schilderijen, waaronder het Melkmeisje van Vermeer, door nakomelingen van Creejans en Hendrik Six verkocht aan het Rijksmuseum.

De moeder van Creejans en Annewies was eerder getrouwd met Christiaan van Orsoy en hertrouwde met Pieter van Winter; hun twee dochters en een zoon van Orsoy groeiden op met de jongere kinderen in het gezin van Winter. Cornelia Christina van Orsoy (‘Ceetje’, 1778-1816) werd later de grootmoeder van de schrijver Jacob van Lennep.

afb. 2, Hillegonda Josina van Orsoy – van Winter

Voor ons is haar zus Hillegonda Josina (‘Gonne’, 1775-1830) belangrijk, want er bestaan (buiten de collectie Six) twee knipseltjes van haar, met haar naam H.J. van Orsoy (van Winter). Eén daarvan toont een getekend huis met een zittend meisje. Dat tafereeltje is uitgeknipt en verbeeldt waarschijnlijk het buiten van de familie van Winter, Huis Voorland in de Watergraafsmeer (afb. 2 en 3).

afb. 3, Hillegonda Josina van Orsoy-van Winter

In de Collectie Six bevinden zich dertien knipwerken van dezelfde hand en met dezelfde techniek van voortekenen op de voorkant. Daaronder een bemande heteluchtballon en toeschouwers, mogelijk de eerste boven Nederland in 1787, toen Gonne 12 jaar oud was (zie Geknipt! afb. 126).
De meeste knipsels stellen landschapjes voor, met groepjes deftige mensen die zich vermaken (afb. 4). Gonne zorgde voor haar halfzusjes van Winter en is ongehuwd gebleven, maar haar knipwerk is door Creejans zorgvuldig bewaard, samen met bloemenvazen, boeketten en naamknipsels voor en door andere leden van de familie van Winter (o.a. een Knipselboek van een nichtje Maria Elisabeth van Winter). Het geeft aan hoe geregeld het papierknippen in de familie van Winter beoefend werd en niet alleen door vrouwen.

afb. 4, Hillegonda Josina (Gonne) van Orsoy-van Winter

Het was een creatieve bezigheid en men had er plezier in om elkaar iets persoonlijks te geven, hoe eenvoudig ook. Hoewel knipkunst in het algemeen met een kleine k geschreven wordt, verdroeg zich dat goed in deze familie die de grootste K in bezit had, die de Republiek kon bieden.

Joke en Jan Peter Verhave

Welgesteld en wel geknipt-2, Knip-Pers 2018-3

Andere knipwerken in de collectie Six Als eerste noemen we een stuk dat is gemaakt voor Jan Six, die in 1728 trouwde met Anna Elisabeth van den Bempden uit een katholiek geslacht, overgrootouders van Hendrik Six, die met Lucretia van Winter getrouwd was. Het is een prachtig uitgevoerd snijwerk, met in het midden een medaillon met beider familiewapens (alliantiewapens) in kleur (afb. 1).

afb. 1

De katholieke kunstenaar heeft ook diverse religieuze voorstellingen gemaakt en we meenden aanvankelijk in zijn werk de hand van de eveneens katholieke Frederik Hendrik van Voorst te herkennen. De tijd komt overeen en de stijl is in ieder geval verwant.

En dan zijn er nog twee snijwerken (afb. 2 en 3), die door een andere kunstenaar zijn gemaakt van wie we de naam ook nog steeds niet hebben kunnen achterhalen.

afb. 2

Zijn werk is helemaal vol gezet met bloemen en ranken, hoorns van overvloed en putti (blote kindjes met vleugels). De snijwerken horen bij elkaar; het ene draagt de alliantiewapens van een Rotterdams echtpaar, getrouwd in 1753: Michiel Jansz. Viruly x Clara Verburgh, het andere heeft in een medaillon een zogenaamd spiegelmonogram met letters (initialen), waarin we de M, J, V, V, B herkennen.

afb. 3

Beide stukken zijn in de volgende drie generaties Viruly bewaard, totdat een achterkleinzoon met een nicht van de familie Six trouwde. Zo zullen die twee knipsels in het familiearchief van de Sixfamilie terecht zijn gekomen. De maker had een grote klantenkring, vooral onder welgestelden in Amsterdam en Haarlem.

Tenslotte is er ook nog een klein knipsel, een schaatsenrijder, van Pieter Reijnders, dat een van de Sixen rond 1800 als presentje gekregen zal hebben (afb. 4).

afb. 4, Pieter Reijnders

De verzameling knipwerk in de Collectie Six is dus gegroeid en samengevoegd op verschillende tijden en door verschillende mensen.

Het meest verbazend was, dat wij veel van de knipwerken in de Six-collectie al kenden! Afbeeldingen daarvan waren opgenomen in de oudste publicatie over  Nederlandse papierknipkunst, door de bibliothecaris en cultuurhistoricus J.D.C. (Jaap) van Dokkum uit 1915. Bij elk daarvan staat vermeld: “Eigendom G.W.P. van Dokkum”. Dat bleek zijn broer Gerrit te zijn, de kunstschilder Gerard van Dokkum in Utrecht. In de vorige eeuw hebben verschillende kunsthistorici en ook wij geprobeerd om die kennelijk interessante collectie op te sporen. In 1987 bleek ons dat beide zoons van de schilder die afbeeldingen niet kenden, evenmin als de dochter van Jaap.

Welk geheim kan daarachter zitten?
Wij hebben uit de tekst van het artikel uit 1915 geconstateerd dat Jaap wel degelijk op de hoogte was van de herkomst van die knipsels uit de familie Van Winter en dat de vele foto’s gemaakt zijn door een professioneel fotograaf. Heeft misschien de toenmalige jonkheer, professor Six, bezwaar gemaakt tegen verwijzing naar het familiearchief en heeft toen de auteur de afbeeldingen maar vermeld onder de naam van zijn broer?
Is misschien de publicatie in 1915 een sleutel? Want in dat jaar is Huize Six verhuisd van de Herengracht (dat pand hoek Vijzelstraat moest worden afgebroken) naar de Amstel. Professor Six was over die gedwongen verhuizing nogal ontstemd en enige tijd was het familiebezit niet te bezichtigen (Amstelodamum 3, 1916, 16-17). Heeft Gerrit van Dokkum toen tijdelijk de knipsels in beheer gekregen? De heer Six wist het niet en wij evenmin. Eén ding is zeker: de knipwerken zijn (weer?) op hun plaats en in veilige handen. Jonkheer Six is bereid om mee te werken aan een tentoonstelling. Dus wie weet…..

Joke en Jan Peter Verhave

Verder lezen:
J.D.C. van Dokkum: ‘Hanna de Knipster en haar concurrenten; een studie over oud-Hollandsche schaarkunst’. Het Huis Oud en Nieuw, 13 oktober 1915, 334-358

Joke en Jan Peter Verhave: ‘Konststucken van snijden. Snij en knipkunst van Frederik Hendrik van Voorst’. Antiek 20, 1986, nr. 8, 449-463;

J-JPV, ‘Knipsels uit een kunstzinnige familie’, Knip-Pers 2007-2
J-JPV, Geknipt! Geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland. Zutphen, Walburg Pers, 2008
J-JPV, Onbekend en ontroerend erfgoed. Tijdsbeelden geknipt door anonieme kleinkunstenaars. Nijmegen, Fotografica 2017

Justus van Maurik, portrettist, Knip-Pers 2018-1

Twee geknipte of gesneden portretten van een Justus van Maurik werden onlangs geveild en ze gingen onze neus voorbij. Het ene was uit 1726 en stelde een onbekend persoon voor, met gedeeltelijk onleesbare teksten in het Latijn en omgeven door boeken en geschriften. Het andere is veel beter bewaard en daarvan kregen we een afbeelding: een portret van erfstadhouder Prins Willem (IV) Karel Hendrik Friso, een jaar na diens dood, in 1752 (afb. 1)

afb. 1, Justus van Maurik, erfstadhouder Prins Willem (IV) Karel Hendrik Friso, 1752

Hij is tamelijk mager afgebeeld, maar in werkelijkheid was hij in de loop van zijn leven (hij werd 40 jaar) nogal in omvang toegenomen. Het portret is geflankeerd door de Heilige Schrift en De vrije Hoed (vrijheidshoed op een speer) en boven hem de (verfrommelde) pijlen van de Zeven Verenigde Nederlanden. Het is duidelijk dat Justus een Oranjeklant was, te oordelen naar alle functies van de Prins, geschreven in de cirkel en het gedicht.
Er zijn veel personen met de naam Justus in de familie Van Maurik (het is o.a. een sigarenmerk), maar de knipper had in dit portret verwerkt dat hij toen 70 jaar was (linksboven “Justus A Mourik AET. 70”).

Daarom konden we hem identificeren als Utrechtse koopman in ijzerwerk, die leefde van 1682-1759. Door het gebruik van het Latijn liet hij zien een ontwikkeld persoon te zijn en zijn vrome teksten passen bij zijn kerkelijke gezindte, hij was doopsgezind.

afb. 2, Justus van Maurik, David van Mollem, 1755

Justus heeft ook een portret geknipt van de eveneens doopsgezinde, Utrechtse industrieel David van Mollem (afb. 2). Hij was eigenaar van een zijdefabriek en Van Mourik zal hem ongetwijfeld het nodige ijzerwerk hebben geleverd. De fabriek werd aangedreven door een moderne watermolen, die veel bezoekers trok.Tsaar Peter was er en de Duitse kunstkenner Zacharias von Uffenbach, die allebei ook de knipster Joanna Koerten hadden bezocht. In de fabriek werkten honderden vrouwen en kinderen(!) Van Mollem was goed voor zijn personeel. Verder bezat hij de buitenplaats ‘Zijdebalen’ in Utrecht, met een bloemrijke tuin van bijzondere architectuur.

In 1739 ging Van Maurik failliet (‘desolate boedel’) en had hij schuld bij zijn zakenpartner en geloofsgenoot Van Mollem. Mogelijk heeft deze hem ruimhartig behandeld. Want nadat David in 1746 overleed, heeft Justus het portret in 1755, negen jaar later, uit dankbaarheid gemaakt voor de familie. Waarschijnlijk gebruikte hij als  voorbeeld een geschilderd of getekend portret, dat verloren is gegaan.
Maar daar bleef het niet bij. Hij maakte ook een postuum portret van Davids dochter Lavina (afb. 3), die getrouwd was met de Amsterdamse schepen Hendrik Nicolaas Sautijn (in het knipwerk staat Satijn geschreven).

afb 3,. Justus van Maurik, Lavina Sautijn-van Mollem

Lavina was al in 1743 overleden. In de inventaris van de kleinzoon van David van Mollem (1796) staat genoteerd dat zich ‘Op het Groene kamertje van huize De Zijdebalen drie snijsels van Justus van Maurik met hun lijsten bevonden’.

Zou de familie ze mooi hebben gevonden? De portretten zijn curieus, maar naar onze smaak was Justus geen groot portrettist. Maar misschien was hij wel een pionier, want behalve Joanna Koerten, die een halve eeuw eerder leefde, waren portretknippers zeldzaam.

Er is één geknipt dubbelportret van Willem IV en zijn gemalin Anna bekend (afb. 4). Veel later is ook prins Willem V geknipt, maar toen was de mode van de zwarte silhouetten in profiel al in volle bloei.

afb. 4 dubbelportret van Willem IV en zijn gemalin Anna [niet langer toegeschreven aan van Maurik (juli 2021)]

Joke en Jan Peter Verhave

Kees Bakema, Knip-Pers 1986-1

Herinneringen, opgetekend uit de mond van mevrouw I.G. Kerp-Schiesinger.

“Het was in 1949, op de markt in Bussum, dat ik Kees Bakema voor het eerst ontmoette. Zelf had ik kort daarvoor, na een onderbreking van 30 jaar, mijn schaartjes weer tevoorschijn gehaald en het was in die tijd, dat er een reeks knipsels ontstond die ik nú nog steeds tot mijn beste reken.

Het was dus logisch, dat ik met grote belangstelling naar de toen 75 jarige man stond te kijken, die met grote vaardigheid het profiel van een jongen van een jaar of twaalf naknipte.
Met het portret van deze knaap wilde Bakema aan het publiek zijn vaardigheid tonen; het was ook verbazingwekkend goed geslaagd. Toch was geen van de omstanders bereid om als volgende klant naar voren te komen. Zij dromden wel samen om een liedjeszanger die ook op de markt aanwezig was. In die tijd kostten twee portretten een kwartje, maar portretknippen werd niet gewaardeerd, evenmin als sierknippen. De mensen wilden liever met wat vrolijkheid geamuseerd worden en de “Kunst” met een grote K keek neer op alles wat figuratief was.
Tot mijn schande moet ik bekennen, dat ook ik de moed niet opbracht naar voren te gaan om model te staan!
Pas toen Kees Bakema zijn biezen pakte om te vertrekken, durfde ik naar hem toe te gaan om te vertellen dat ik ook knipte. In die tijd was ik vreselijk verlegen, niet wetende dat Bakema minstens even verlegen was. Het moet dus een wonder heten dat ik hem durfde te vragen mee naar huis te gaan om een kopje thee te drinken en een even groot wonder, dat hij daarin toestemde.

Later volgden veel van deze thee-uurtjes, waarbij hij na een poosje altijd op zijn stoel begon te draaien: als rechtgeaarde Amsterdammer vond hij het te “stil” in Bussum. “De stilte maakt ook lawaai”, placht hij te zeggen.

Op de vraag of hij melk in zijn thee wilde, antwoordde hij verontwaardigd: “Maar mevrouw, melk geeft de koe voor het kalf, niet voor ons!”
Zoals uit één van zijn knipsels blijkt, ging zijn vegetarisme gelukkig niet zo ver dat hij de mensen niet kon laten genieten van een haring!

In zijn jonge jaren was Bakema circusartiest geweest, acrobaat en slangenmens. Later maakte hij van het knippen zijn beroep. ‘s Zomers knipte hij portretten aan het strand, ‘s winters deed hij dat staande voor de Bijenkorf. Hij heeft zelfs een reis naar Indonesië kunnen bekostigen door op de boot portretten van de passagiers te knippen.
Nooit echter heeft hij de waardering gekregen die hij verdiende. Vooral na de oorlog slaagde hij er niet meer in voorbijgangers op de markt of op straat voor zijn kunnen te interesseren.

We hadden, behalve onze verlegenheid en liefde voor de knipkunst, neer dingen gemeen. Per week schreef hij me 3 à 4 brieven over wat er allemaal met de wereld mis was.
Hij was revolutionair en vol zorgen over de maatschappelijke problemen – en dat was de gemeenschappelijke deler die we hadden.
Bovendien was hij doodeerlijk maar even realiteitsblind als ik.

Hij bracht me veel van zijn knipsels, waarvan de helft naar Israël is gezonden.

Op een dag nodigde hij me uit naar zijn huis in Amsterdam te komen, waar ik een leerling van hem zou ontmoeten. Die leerling kwam uit het noorden des lands en was van beroep kolensjouwer, zijn naam: Tjeerd Lever!

In 1950 werd er een knipkunsttentoonstelling in Franeker gehouden. Hiervoor was toen slechts een zestal knippers te vinden; Kees Bakema werd uitgenodigd om er portretten te komen knippen.

Dat betekende heel veel voor hem. Afgezien van de reiskosten die hij zich moest getroosten, kocht hij speciaal voor deze gelegenheid een nieuwe hoed van f 50.-. Een kapitaal in die tijd, zeker voor een man die onder zeer bescheiden omstandigheden moest leven! Uit angst niet op tijd te zijn – hij zou van te voren nog worden geïnterviewd – kwam hij drie uur te vroeg in Franeker aan.
Wat er toen gebeurde is niet minder dan tragisch te noemen. Hij ging naar een kroegje en nam een slokje om zich moed in te drinken. Viel het verkeerd? In ieder geval is drie uur erg lang en hij kwam volkomen onbekwaam hij het museum aan.
De directrice belde mij op, diep verontwaardigd over de man die ik haar had durven aanbevelen.
Er zijn toen heel wat telefoontjes van Bussum naar Franeker gegaan — maar het was 1950 en de mensen waren minder soepel dan vandaag. De directrice bleef onbarmhartig. Ongelukkigerwijze had ik haar tijdens haar bezoek in Bussum eens verteld van die leerling van Bakema. Tot mijn schande moet ik bekennen, dat ik de laatste avond v66r de opening van de tentoonstelling – toen ik inzag dat er totaal geen kans meer was voor mijn oude vriend -mij toch liet vermurwen haar het adres van Lever te geven.

Nog schaam ik mij ervoor want het moet Bakema erg pijn gedaan hebben te weten dat een beginneling op zijn plaats zat.

Enkele jaren geleden heb ik getracht via het bevolkingsregister van Amsterdam contact te vinden met de kinderen van Kees Bakema. Ik had hen gaarne de knipsels van hun vader gegeven. Het is mij niet gelukt en het zou mij verheugen indien dit interview hen op de hoogte zou kunnen brengen van mijn wens.”

Ook de herinneringen die de heer Kerp aan Kees Bakema heeft, wil ik u niet onthouden. Met respect vertelt hij:
“Bakema was een zeer eenvoudig en bescheiden man, Vrij van elke opschepperij. Van hem straalde goedheid en begrip voor andere mensen uit. Hij was een denker en uitermate geestig. Als hij in een andere wieg had gelegen, had hij het als filosoof ver geschopt.
Al deze eigenschappen hadden tot gevolg dat hij zulke uitstekende knipsels van het Amsterdamse volksleven kon maken. Dit geldt ook voor zijn stadgenoot Evert Root. Mijns inziens waren beiden een halve eeuw te vroeg geboren: later zouden zij een studiebeurs voor de kunstacademie hebben gekregen om hun gaven verder te ontwikkelen.”

Aldus de herinneringen van twee mensen aan Kees Bakema. In zijn tijd een miskend kunstenaar. Laten wij zijn werk in ere houden!

Elly Stroucken—de Jager.

Evert Root Sr., een kunstenaar met de schaar, Knip-Pers 1983-2 en 3

De prentenverzameling van het Openluchtmuseum verwierf het afgelopen jaar een deel van de nalatenschap van de Amtserdamse papierknipper Evert Root (1896 -1978). Hij was een veelzijdig mens, die ik u wil proberen te schetsen aan de hand van een aantal van zijn knipsels uit de verzameling en de teksten die van het bewaard zijn.

In zijn jonge jaren knipte Evert graag dieren, waarmee zijn broers speelden. Hij vertelde in zijn levensbeschrijving (geschreven In 1973) dat hij, druk met het knippen, zelf niet aan spelen toekwam.
Het tekentalent zit de familie Root in het bloed. De vader in grootvader van Evert konden het ook. Het liefst had hij een opleiding in deze richting gevolgd, maar die weelde was niet voor hem weggelegd. Hij moest aan de slag in het sohildersbedrijfje van zijn vader. De aanleg voor tekenen heeft hij kunnen gebruiken bij het schilderen na reclames en opschriften op uithangborden en op etalageruiten. Zodra het op de spelling aankomt heeft zijn slechte beheersing van de taal hem nogal eens parten gespeeld; het kwam zelfs voor dat hij een tekst opnieuw moest schilderen.
In die jaren werd door de schilders gebruik gemaakt van sjablonen om decoraties aan te brengen op behang, muren en plafonds. Evert sneed zijn eigen “slabonen” en vervaardigde ze ook wel voor andere schilders.

afb. 1, de heilige Familie, 28,5 x 17 cm, collectie Nederlands Openluchtmuseum

 

Evert Root toefde graag in het Rijksmuseum om te genieten van de schilderijen om “innergie” op te doen. Hij gebruikte soms het werk dat hij zag als onderwerp voor zijn knipsels (afb. 1).
Vaak voegde hij er een eigen detail aan toe: “De hond en de kat zijn van mijn”. Evert Root knipte meestal uit dubbelgevouwen silhouettepapier (dit papier is aan de voorkant dofzwart, aan de achterkant wit). “DIn dublo” noemde hij het zelf. Blijkbaar waren de spiegelbeelden voor de opdrachtgevers.

 

In opdracht vervaardigde knipsels hadden als onderwerp huwelijk, geboorte, portretten, Bijbelse voorstellingen; verder knipte hij sprookjes, sterrenbeelden, rozen, wensen waar je zelf de tekst of naam kon invullen, voorvallen uit zijn eigen leven of uit zijn omgeving.

Ondanks zijn voorliefde voor het knippen van rozen is het leven van Evert Root niet over rozen gegaan. Hij moest in de crisistijd voor vrouw en vier kinderen het brood bij elkaar schilderen. Zijn zoon en naamgenoot overleed op jeugdige leeftijd , toch is Root zich steeds als Root Sr. blijven betitelen onder zijn knip- en schrijfwerk. Hij is na de oorlog twee maal gehuwd geweest. Evert Root dreef sinds 1936 in de Korte Leidsedwarsstraat te Amsterdam een winkeltje: “De Leidse Toko”. Hij verkocht schoonmaakartikelen, borstelwerk, olie, schildersbenodigdheden, etc. Ten behoeve van toeristen schilderde hij flessen en verkocht souveniers.

afb. 2, Foto knippen van af 7,50 per prent

Hoewel de laatste vrouw van Evert hem heeft gestimuleerd om meer te gaan knippen, duldde ze de snippers niet in huis. Evert heeft zijn stoel toen in de winkel gezet en heeft na zijn 65ste jaar daar zeer intensief geknipt omdat nu de zorg voor het onderhoud van het gezin was weggevallen. In de winkel lag zijn plakboek met o.a. duplo’s van portretten, getekend (vaak van de televisie) en geknipt. Vaak had hij een exemplaar naar de betreffende personen gestuurd: Wim Ibo, Mireille Matthieu, Godfried Bomans …op zijn winkeldeur hing het affiche “Foto Knippen”. “

 

 

Hij had geen schroom om de mensen te benaderen, Prins Bernard vroeg hij om een huisje buiten de stad. Bij de gemeente Amsterdam protesteerde hij in knipwerk en tekst om te wijzen op misstanden ten aanzien van huisvesting of parkeerproblemen. Een ingezonden stukje, direct reageren op situaties was kenmerkend voor het karakter van Evert Root. Het Parool heeft een aantal artikeltjes aan hem gewijd. Ter ere van zijn 75ste verjaardag werd onder meer uit zijn mond opgetekend: “Met mijn werk zal het wel net gaan als met dat van Jan de Knipper uit Urk. Na zijn dood ging het naar het Openluchtmuseum in Arnhem. Ik wil trouwens als ik dood ga een schaar mee in mijn kist, dan kan ik als ik boven kom direct op Petrus afgaan en zeggen: ”Hé, Petrus, kom es effies hier. Dat wordt dan meteen het mooiste portret.”

afb. 3, begraven met de schaar

Ondanks zijn christelijke opvoeding en voorkeur om Bijbelse verhalen uit te beelden, was zijn manier van geloven ongebonden. Evert Root vond op het eind van zijn leven vriendschap uit de kring van het Leger des Heils. Hij heeft ook illustraties voor de Strijdkreet geknipt. Kort na de dood van zijn derde vrouw is Evert Root overleden op 81-jarige leeftijd. Een deel van zijn werk bevindt zich in het Nederlands Museum van Knipkunst te Westerbork, een ander deel is in de collectie van het Openluchtmuseum opgenomen.

Evert Root, een harde werker, een man uit het volk, een volkskunstenaar, een echte Amsterdammer, bekend Leidsebuurter, leeft voort onder zijn vrienden. Hij gaf zichzelf en uitte zich in zijn knipwerk. Hiervan getuigt de handgeschreven tekst die hij in zijn winkel had opgehangen:

De knipkunst heeft waarden
voor hem die het mind.
Maar voor de maakster
een met veel zorg gebaard kind

Ontleend aan het artikel van Joke Verhave in B&M 43, 1980 van het Openluchtmuseum in Arnhem.