Auteursarchief: admin

Manna de Wijs-Mouton, Knip-Pers 2000-3

Snoepwinkeltje

In de donkere straat
waar het belletje gaat,
Kletst ’t deurtje al rinkelend open
Komen in ’t kamertje klein
Bij ’t lampenschijn
De kleutertjes binnen geslopen.En ’n dappere vent
In zijn knuistje een cent,
Stapt naar voor en blijft grinnikend zwijgen.
Tot de koopvrouw geleerd,
Zijn fortuin inspecteert,
En vertelt wat hij daarvoor kan krijgen.

’t Is ’n reep zwarte drop,
Koek met suiker er op
Een kleurbal, een zuurbal, een wafel
Een zoethouten stok
Of ’n kleurige brok
’t Ligt alles bijeen op de tafel.

Als de kapitalist
Zich wat dikwijls vergist,
De koek en de suiker beduimelt,
scheldt de juffrouw verwoed,
Dat ie ’t kost’lijke goed
Met zijn smerige vingers verkruimelt.De kleuter verbaasd,
Dat de juffrouw zoo raast,
Smoest stiekum wat met zijn kornuiten.
De keus wordt bepaald,
De kleurbal betaald,
Dan schooien zij slent’rend naar buiten.

In de donkere straat
waar ’t troepje nu gaat,
Wordt hevig gewikt en gewogen;
Dan ruilen z’om beurt,
tot de bal is verkleurd,
En hun rijkdom illusie is vervlogen.

 M.A. de Wijs-Mouton

afb. 1, Rieny van Beek, silhouet van Marie Janne als 18 jarige studente aan de Haagse Academie (1888), geknipt door Rieny van Beek naar een foto. Manna de Wijs-Mouton, vertolker van het levenslied

Het lied ‘Snoepwinkeltje’ zong mijn moeder vaak toen ik een kind was. Het lied is gemaakt door Manna de Wijs‑Mouton, en is door Pisuisse in 1918 in het Concertgebouw van Amsterdam gezongen tijdens een voorstelling in de kleine zaal, waardoor het bekendheid kreeg. Mijn moeder, in 1918 in Amsterdam geboren, kon dit lied als vierjarig kind zingen. Zij had het geleerd toen zij enige tijd bij een tante logeerde en thuisgekomen, mocht zij op een stoel staan om het liedje voor haar grote broers en zussen te zingen.

Manna de Wijs‑Mouton was chansonnière, die haar liedjes zelf dichtte en zong op vele liefdadigheidsmatinées en verschillende soirées in het begin van de 20ste eeuw. Zij trad altijd op in een eenvoudige zwarte, hoog aan de hals gesloten japon, en juist deze simpele kleding harmoniseerde uitstekend bij de zuivere eenvoud van haar optreden. Zij had een expressieve manier van zingen en begeleidde zichzelf met vaardige vingers op de gitaar.

afb, 2, Eduard Josbolt, tekening, portret van Manna, december 1927

“Alles is even fris wat haar tekst en melodieën betreft”, aldus Ida Gerhard. Naast het dichten en zingen bezat Manna nog andere kunstzinnige gaven: boetseren, tekenen, papierknippen en het bewerken van griffels.

Manna de Wijs‑Mouton was de artiestennaam van Marie‑Janne Mouton, geboren in 1873 in Den Haag. Haar vader was architect en haar moeder voelde zich aangetrokken tot de kunst. Haar ouderlijk huis was een middelpunt voor vele kunstenaars uit de Haagse School, zoals Mesdag en de gebroeders Maris. Regelmatig verzamelde moeder op een avond haar negen kinderen en de vele gasten om zich heen. Er werden dan liederen gezongen begeleid door piano en gitaar. Marie‑Janne kwam zo van jongs af aan in contact met kunst en cultuur.

Op school deed zij niet zo goed haar best, zodat de onderwijzer zei dat zij dom was en nooit aandacht bij de les had. In werkelijkheid waren haar gedachten bij de gedichtjes die zij in haar hoofd had en die zij in ‘het blauwe schrift’ schreef. Vanaf haar achtste jaar schreef zij gedichtjes die zij angstvallig verstopte. Toen haar moeder een aantal jaren later haar schrift met gedichtjes ontdekte en deze liet publiceren in een plaatselijke kindercourant, was Marie‑Janne zo ontstemd dat ze lange tijd geen gedichtjes meer wilde maken.

afb. 3, Manna de Wijs-Mouton, versieringen met zwart potlood, 20 x 18 cm

Op een dag werd zij ernstig ziek door loodvergiftiging. Op de zolder ontdekte men een grote verzameling geboetseerde dieren van stopverf. Marie‑Janne vroeg namelijk aan iedere huisschilder die voor haar vader werkte een bal stofverf en daarvan maakte zij op zolder de figuurtjes waarbij ze voortdurend aan haar vingers likte om het plakken van de stopverf tegen te gaan. Toen zij weer beter was, mocht zij, vooral op aandringen van haar broer Pieter, naar de tekenacademie. Zij was een vrolijke en levenslustige leerling en haalde graag dolle streken uit. Er was een leraar die de gewoonte had zijn hoed aan een spijker te hangen. Marie‑Janne trok op een keer de spijker uit de muur en tekende er één voor in de plaats, zo realistisch dat het een echte spijker leek. De volgende dag wilde de leraar zijn hoed aan de spijker hangen, maar tot zijn verbazing en uitbundige pret van de leerlingen viel de hoed op de grond.

afb 4, Manna de Wijs-Mouton, versieringen met zwart potlood, 18 x 15 cm

Door ziekte moest zij de opleiding aan de Haagse Academie afbreken en kreeg zij onderricht van de beeldhouwer Pieter Odé. Later ging zij zich toeleggen op het maken van miniatuurfiguurtjes uit was. Door het samenvoegen van bijenwas, waxine, kleurstof en wat gips vond zij de ideale grondstof om haar wassen beeldjes te maken. Zij boetseerde ruim 300 beeldjes, voornamelijk kinderfiguurtjes, die zelfs internationaal bekendheid genoten en op tentoonstellingen in Nederland, Amerika, Engeland, Duitsland en Frankrijk te zien waren.

Er is een exemplaar van het Engelse damesmodeblad ‘The Sketch’ uit 1930 bewaard gebleven waarin een advertentie staat met afbeeldingen van haar wassen beeldjes.

Op 30 juli 1896 trouwde Marie‑Janne met Jean Esaîe Christienne de Wijs. Zowel Jean als Manna zongen en begeleidden zichzelf op de gitaar. Bekend is een optreden bij het Haagsch Toneel met Manna als ‘De Verklede Troubadour’, in navolging van haar overgrootvader Charles Louis Mouton, wiens portret in het Louvre hangt en die zijn liedjes, begeleid door een luit, ten gehore bracht aan het hof van Lodewijk de Veertiende.

Manna schreef meer dan 180 liedjes en componeerde voor vele een melodie daarbij. Zij had als meisje op de Haagsche Muziekschool pianoles gehad, maar nam de studie niet zo serieus. Later zei ze: “Mijn inspiratie lag op straat en op de markt, bij het dagelijks gebeuren”. Manna en Jean kregen twee zonen en na 17 gelukkige huwelijksjaren kwam daar een einde aan door het plotselinge overlijden van Jean. Manna stond nu alleen voor de opvoeding van haar zonen, die haar voortdurend stimuleerden om vooral liedjes te blijven schrijven.

Door bemiddeling van de dichteres Marie Boddaert kwam zij in aanraking met Catharina van Rennes die tijdens enkele voorstellingen in Den Haag, Amsterdam en Utrecht liedjes van Manna ten gehore bracht. De uitgever van Catharina raakte geïnteresseerd in het werk van Manna en in 1914 verscheen haar eerste liedbundel, gevolgd door nog zeven bundels in de jaren daarna.

De vierde liedbundel droeg zij op aan haar zonen Jan en Marten-Arie de Wijs. Voor de zevende en achtste bundel schreef haar zus Anna de pianobegeleiding. De acht liedbundels bevatten samen 60 liedjes en zijn geïllustreerd met afbeeldingen van haar wassen beeldjes, tekeningen en papierknipsels.

afb. 5, Manna de Wijs-Mouton, 15 x 11 cm

Haar levensliedjes horen thuis in het genre Hollandse Kleinkunst. Zij gaf veel optredens in het land, maar altijd in kleine kring, waardoor de liederen beter tot hun recht kwamen. Zelf zegt zij ervan: “’t Zijn ook stille liedjes, ze staan op zichzelf”. Ook anderen zongen haar liedjes, zoals Pisuisse, die haar liedjes introduceerde in de cabaretwereld, en Wim Sonneveld, die jarenlang ’t Schooiertje met veel succes uitvoerde.

In latere tijden brachten Marie‑Cécile Moerdijk, Jasperina de Jong en anderen haar liedjes tot een frisse vertolking. Manna componeerde voor de Nederlandse Padvindersbeweging een padvindersmars Hoort! zegt het voort. Verder voor de meisjesgezellen een revue en een zangspel. Voor de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen schreef zij het Bondslied; de muziek is van haar zoon Jan.

De laatste jaren van haar leven bracht zij door in haar landhuis ‘Huize Sonnemaire’ te Eerbeek, waar zij samen met Mw. E. Gelderman, de dochter van Marie Boddaert, woonde. In 1947 stierf zij op 74‑jarige leeftijd.

Het knipwerk van Manna is gemaakt van wit perkamentachtig papier en bevindt zich op een donkerblauwe ondergrond. Het is versierd met prik- en snijwerk of er zijn versieringen met zwart potlood ingetekend.

afb 6, Manna de Wijs-Mouton, versierd met prik-en sijwerk, 28 x 21 cm

De knipsels bestaan uit fijne ornamenten met slingers en guirlandes en zijn zuiver decoratief, soms is er een middengedeelte in ovaal of vierkant uitgespaard. Eén knipsel heeft in het midden een geknipte voorstelling, de rand eromheen is versierd met prikwerk en is opgebold, zodat er reliëf ontstaat (afb. 5).

Zij maakte ook driedimensionale werkjes zoals een zeilschip, gemaakt van kleine stukjes wit papier, opgebold en ingetekend en in een kastje achter glas geplaatst. In haar nalatenschap bevinden zich ook twee bidprentjes, ingekleurd met waterverf, beiden in hetzelfde patroon geknipt. Het ene laat in het medaillon in het midden Jezus en het kruis zien en in de banier eronder de tekst ‘Ecce Homo’ (zie de mens). Het andere toont Maria met de tekst ‘Mater Dolorosa’ (Moeder der Smarten). Het is niet duidelijk of Manna deze zelf geknipt of ingekleurd heeft.

Rieny van Beek

Bronnen:
Pieter Vis: Biografie Manna de Wijs‑Mouton, van levenslied tot cabaret (windter 1987-1988).
Bekende luisterliedjes van Manna de Wijs‑Mouton, 25 liedjes uitgebracht op een LP in 1988 door Pieter Vis.

Met dank aan Greet en Hugo de Wijs voor het beschikbaar stellen van het materiaal.

afb. 7, Rieny van Beek, rozenrand geknipt rondom gedicht Rozen van Manna, 24 x 15 cm

Expositie ‘Geknipt te Amsterdam’, Nieuwsbrief  2000-2

Papierknipsels van Cornelis Moojen, Evert Root en Klaas Bakema

Van 27 juni t/m 27 augustus 2000 wordt in het Nederlands Museum van Papierknipkunst in Schoonhoven de tentoonstelling ‘Geknipt te Amsterdam’ gehouden. Aanleiding voor deze expositie is de schenking die het museum twee jaar geleden heeft ontvangen, bestaande uit 248 knipsels van de hand van knipper Cornelis Moojen, samen met het van hem, door zijn neef H. Rol (een van de illustratoren van de Verkade-albums) rond 1930 geschilderde portret in olieverf. De tentoonstelling in het Schoonhovense knipkunstmuseum toont werk van drie papierknippers (Moojen, Root en Bakema), die lange tijd in Amsterdam hebben gewoond en gewerkt.

Cornelis Moojen (1877-1970), geboren in Edam, was oorspronkelijk timmerman en later leraar in het timmervak aan een Ambachtsschool in Amsterdam, waar hij vanaf 1902 woonde.

afb. 1, Cornelis Moojen

In Elseviers Weekblad van 1955 lezen we over hem: “(…) Tot het knippen is hij gekomen, toen de kinderen kwamen. Hij knipte poppetjes en andere dingen voor hen uit oude speelkaarten. Wanneer het gezin op reis ging, in de winter, als de ruiten van de trein beslagen zijn, knipte vader dingetjes uit papier en plakte ze op de ruiten, wat een groot plezier voor de kinderen bleek. Zo verwierf de heer Moojen allengs een zekere vaardigheid, en toen hij dan ook in 1943 gepensioneerd werd, besloot hij met nog meer aandacht dan vroeger te gaan knippen.
Zo ontstonden dan met vele figuren versierde taferelen, die hij ons liet zien. Verkopen wilde hij ze niet, later zullen ze misschien voor de kinderen van zijn kinderen iets betekenen; dat is de enige hoop die de oude vader heeft. Hij tekent nooit van te voren één lijn; alles wordt direct geknipt. Het begint met een knipje zus, een knipje zo, dan ontdekt hij een mogelijkheid tot een figuurtje, en van daaruit ontstaat dan het hele knipsel…”

afb. 2, Cornelis Moojen

Het werk van Moojen bestaat vooral uit landelijke taferelen, die aan zijn Noord‑Hollandse afkomst doen denken, en sprookjesfiguren, waaronder veel kabouters. Opvallend zijn z’n lange knipwerken die bestaan uit samengevoegde, afzonderlijk geknipte onderdelen met veel figuren.

Ook van knipper Evert Root (1898-1978), geboren en getogen in Amsterdam, heeft het museum veel werk in bezit. Het betreft ongeveer 350 knipsels, waaronder een belangrijk familie-bruikleen.

afb. 3, Evert Root Sr.

In 1975 gaat het Algemeen Dagblad bij deze kleurrijke knipper op bezoek en meldt:
“… De heer Evert Root zou werkelijk niet weten hoe ‘die dame van de christelijke bewaarschool’ heeft geheten, maar ze heeft wel een stempel gedrukt op zijn verdere leven. Hem, Evert Root, noemde zij in ieder geval altijd ‘Doddy’, omdat hij een van de weinige jongetjes was, zo rond de eeuwwisseling die belangstelling had voor de schaar van de juffrouw.”

“Ja, want ze knipte uit zwart papier altijd van die mooie blaadjes en bloemetjes. En wie wilde, mocht óók leren van haar”, zegt Evert Root nu 79 jaar oud in zijn winkeltje in de Amsterdamse Korte Leidsedwarsstraat. Hij doet nog steeds wat hij op de bewaarschool leerde: knippen uit zwart papier, de prachtigste dingen, van paarden tot complete bijbelse voorstellingen, op verzoek en tegen betaling, dat laatste.

“Sinds die tijd is geen schaar veilig voor mij geweest”, zegt hij. “Ja zeg, daar ging ik dan iedere dag met een blikje met boterhammen om mijn nek naar die dame met haar schaartje. Het zal wel komen doordat ze in die tijd nog geen King Corn hadden, daarom ben ik zo klein en kinderlijk gebleven. Vooral mannen vinden mijn knipwerk soms een kinderachtig gedoe, maar dat kan me niet schelen. Ik zeg altijd maar dat ik net ben als de sprookjesschrijver Andersen, die stelde ook dat het kind in hem levend was gebleven.”

afb. 4, Evert Root Sr.

De heer Evert Root heeft dan zijn hele leven lang wel geknipt, maar lang niet altijd ‘beroeps’, zeg maar. Dit is zo’n beetje pas gekomen na zijn 65ste, toen hij stopte met het vak van reclameschilder en ook stopte met zijn winkel “in verfwaren en alle mogelijke andere artikelen, alles waar mensen vaak naar vroegen”. Nu de verfwaren aan de kant zijn gezet, heeft hij in zijn pand een doorlopende tentoonstelling van zijn knipwerk, de briefkaarten die hij daarvan laat maken en ook van zijn schilderijen, want schilderen in olieverf doet hij ook. “Ook iets uit mijn vroege jeugd”, zegt hij. “Met een jaar of 10 zat ik al te tekenen in het Rijksmuseum, met een briefje van de bovenmeester. Want gewone dingen leren, daar had ik nooit zo’n zin in, maar ze moesten toch iets met me.”

Knippen, schilderen, tekenen, hij heeft zichzelf na school alles verder aangeleerd, zegt hij. “En ik ben nog steeds bezig met leren; je bent in het leven nooit uitgestudeerd, zeg ik altijd maar. Ja, ik heb ook wel anderen geleerd met een schaartje om te gaan, want ik word nogal eens gevraagd op een damesclubje…”.

afb. 5, Evert Root Sr., Driekoningen

Root heeft een zeer gevarieerd oeuvre. Hij knipte stukken voor verschillende gelegenheden, portretten (meestal van foto’s), bijbelse voorstellingen, sprookjes, sterrenbeelden en zo meer. Ook gebeurtenissen uit eigen leven en omgeving werden door hem, vaak op humorvolle wijze, vastgelegd. Vaak voorzag hij het knipwerk van tekst en noemt dit ‘knip en dicht’.

afb. 6, Klaas Bakema

Klaas Bakema (1882-1958) is in Rotterdam geboren, maar verhuisde in de jaren dertig, in verband met zijn werk voor Kramers Handelsvereniging, naar Amsterdam. Aanvankelijk was hij iemand van 12 ambachten en 13 ongelukken. Hij vertelde het Rotterdams Nieuwsblad in 1953:

“…Politieagent ben ik ook nog geweest, in Rotterdam. Hier hebt u de foto: nummer 236. En gedachtelezer, buikspreker, goochelaar, schilder. En ook monteur bij Ruys Handelsvereniging. In 1920 ging ik als monteur naar Indië, maar ik moest voor mijn gezondheid terug. Met silhouetknippen verdiende ik mijn terugreis en toen ik in december op de wal stond, zonder kleding, zonder geld, zonder huis, ben ik dadelijk weer begonnen. In twee jaar knipte ik me erbovenop. Dat knippen leerde ik van een Franse kermisgast, die ik dat ééns zag doen.

afb 7, Klaas Bakema

Ik had altijd veel aanleg voor tekenen. Mijn onderwijzer gaf me apart les. (…) De silhouettenknipperij is eigenlijk een hobby van me. Honderdduizend heb ik er al uitgeknipt van m’n leven. In een halve minuut maak ik de mensen zwart; sommigen kunnen de mensen nog gauwer zwart maken, als u me begrijpt. Filosoof ben ik ook een beetje; je doet wat mensenkennis op bij dit werk. De mensen kijken wel eens neer op de standwerkers. Dat is dom. De goede standwerker is een vakman als alle anderen, al moet-ie er wat harder bij praten…”.

afb 8, Klaas Bakema

Een, op kladblokpapiertjes uitgetypte, levensbeschrijving van Bakema bevindt zich in het museumarchief. Het is onderdeel van zijn correspondentie met knipper en verzamelaar Wiecher Lever (1917-1981) uit de periode 1950-1952. Klaas Bakema was vooral silhouettist.

 

 

afb. 9, Klaas Bakema

In de collectie bevinden zich 9 portretten, waaronder een zelfportret en een profiel van Lever, maar hij maakte ook andere voorstellingen uit papier, zoals de bekende kiezentrekker. Interessant zijn ook de foto’s van Bakema als portretknipper uit ca. 1916. Nog maar kort geleden ontving het museum als schenking een foto van Klaas Bakema, staand naast zijn zelfgemaakte, opklapbare silhouettentafel, knippend op de kermis in Laren in 1950.

 

 

Henk van Ark

Het Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven bestond tot 2006. Volgens Wikipedia is de collectie overgenomen door het Westfries Museum in Hoorn.

Drie papierknippers met hun eigen geschiedenis en werk. U kunt de tentoonstelling bekijken in het Nederlands Museum van Knipkunst, Stadhuisstraat 7, 2871 BR Schoonhoven, tel. 0182-38700. Het museum is geopend van dinsdag t/m zondag van 12:00 tot 17:00 uur.

Oproep:
Het Nederlands Museum van Knipkunst wil graag nog meer weten over deze drie knippers. Herinneringen aan hen (graag schriftelijk), afbeeldingen van werk, bewaarde foto’s of krantenartikelen, alles is welkom. Reacties kunnen worden gestuurd naar:
Stadhuisstraat 7, 2871 BR Schoonhoven.

Op bezoek bij de heer Henny Vermeulen in Eerbeek, Knip-Pers 1998-4

Maandagmorgen half 10. Ring, ring, de telefoon. “Goedemorgen. U spreekt met Vermeulen. Spreek ik met de papierknipster?”
“Jazeker “.
“Ik zag zaterdag een artikel over u in de krant. Wat leuk! Ik knip zelf ook “. Het wordt een prettig gesprek. Ik ben nieuwsgierig geworden naar het knipwerk van deze meneer en naar de verhalen over kniplessen door Zwitsers, kort na de oorlog. Aan het eind van het gesprek volgt een uitnodiging om bij hem langs te komen, aangezien de heer Vermeulen met z’n 87 jaar niet zo makkelijk meer reist.

Twee weken later verwelkomt Henny Vermeulen mij in zijn huis. Hij attendeert mij op de vele fraaie, door zijn vrouw gemaakte borduurwerkjes, die de hal sieren. Helaas is zij vorig jaar overleden. In de woonkamer is een grote halfhoge kast geheel gevuld met zelf samengestelde reisboeken. Van elke buitenlandse reis maakte deze onderwijzer een prachtig reisverslag. Al lezend en kijkend beland ik in Florence, Assisi, in het Lake District en op diverse plaatsen in Zwitserland. De handgeschreven tekst is verluchtigd met foto’s, plaatjes, tekeningen, kleine schilderstukjes en …. knipsels! Soms letters, soms bloemen, maar ook stadssilhouetten zijn uit kleurig sitspapier geknipt. Het heeft de maker veel zorg en aandacht gekost en veel plezier gegeven!

Na de thee komt het eigenlijke knipboek op tafel. Het is een verzameling van eigen knipwerk, Zwitsers knipwerk van Gertrud Wyss en knipkaarten van diverse andere knipsters. Op een foto staat Frau Wyss samen met haar man gebogen over een met potlood geschetst ontwerp voor een knipsel.

Henny Vermeulen vertelt: “In 1949 volgde ik een cursus papierknippen van een Zwitserse familie. Man, vrouw, zoon Bernhard en dochter Elsbeth trokken toen door Nederland en gaven overal les, zo ook – op verzoek van Hil Bottema – aan de Volkshogesehool in Eerbeek. Paul Wyss, zelf tekenleraar aan liet gymnasium in Bern, gaf een cursus houtsnijden, terwijl Gertrud met cursisten knipte. Prachtige knipwerken maakten ze. Onder lestijd leerden ze ons vele liederen. Om de reiskosten te betalen verkocht men het boek ‘Lueginsland, Ein Bilderbuch mit Scherenschnitten von Bernard Wyss. Mit begleitender Erzählung von Elisabeth Müller’. Op alle 23 rechterbladzijden van dit boek is een knipwerk, liggend A4 formaat, afgedrukt en op het naastliggende linkerblad staat bijpassende tekst. Op de papieren beschermflap om het kaft is ook aan de binnenkant een knipsel te zien, over de totale breedte. De knipsels, traditioneel Zwitsers (opgang naar de alm, leven op de boerderij) zijn gemaakt door de toen 14-jaringe Bernhard!

Onder de medecursisten bevond zich een, in de knipperswereld later zeer bekend geworden, dame: mevrouw I. Kerp. Zij deed enthousiast aan de cursus mee maar had een hekel aan het door de Zwitsers veel gebruikte dubbelknippen. Later kocht ik dit lesboekje van haar hand ‘Leer knippende zien’. Mijn vrouw en ik hielden na de cursus contact met de familie Wyss en in latere jaren hebben we hen ook regelmatig in Zwitserland opgezocht. In de brief van winter 1996 schreef Gertud dat zoon Bernard inmiddels met pensioen is”.

Frau Gertrud Wyss is inmiddels 90 jaar, knipt niet meer maar schrijft naar Eerbeek: “ik bekijk de boeken waarin mijn knipwerk is afgedrukt en geniet van alle mooie herinneringen”.

Bernhard Wyss, Driekoningen, Zwitserland

Het papierknippen is voor Henny Vermeulen z’n leven lang een mogelijkheid tot creatief uiten gebleven. Naast de knipsels voor zijn reisboeken maakt hij ook bloemenknipsels. De afdrukjes daarvan worden, keurig voorzien van enveloppen en stempel, verkocht voor Amnesty International. Henny Vermeulen heeft een zeer warm hart voor organisaties die opkomen voor en hulp bieden aan mensen in moeilijkheden, want zijn grootste wens is: VREDE VOOR ALLEN.

Maruscha Gaasenbeek

Henny Vermeulen, A4-formaat

De bloemenknipsels zijn van Henny Vermeulen, ongeveer 10×15 cm

Joke en Jan Peter Verhave, Knip-Pers 1998-1

De artikelen van Joke en Jan Peter Verhave – al vijftien jaar lang waren ze de ‘binnenkomer’ van de Knip-Pers: het eerste artikel, dat begint op pagina drie. In alle zestig tot nu toe verschenen nummers ontbreekt maar heel zelden een artikel van dit duo. In deze speciale editie daarom nu eens geen artikel van, maar óver de Verhave’s.

afb 1, Joke Verhave, 1982, ‘Ik snijd met vlijt’ slaat niet op knipster Joke, maar op de ‘chirurg-heer’ in Nijmegen voor wie het werd geknipt. De man studeerde in Utrecht en werkte in Nijmegen; van beide steden knipte Joke de torens die het stadsbeeld bepalen.

Van dit tweetal raakte Joke als eerste aan de ‘knipperij’. De aanleiding was – zoals bij zoveel knippen – nogal toevallig: ze moest een geblesseerd logeetje op een rustige manier vermaken. Nadat de logé allang weer was vertrokken, bleef Joke knippen. Een beetje heimelijk, want echt ervan overtuigd dat haar knipsels de moeite waard zijn, was ze aanvankelijk nog niet, Toen Jan Peter voor zijn werk enige jaren naar de Verenigde Staten vertrok, ging Joke met hem mee. Ver van huis speelde gêne niet zon rol. Joke gaf demonstraties papierknippen in een museum en begon zelfs een eigen knipwinkeltje. Schaarkunst bleef haar boeien, ook na 1976, toen zij terugkeerden in Nederland. Ze gaf les en borduurde vanaf 1978 verder op het werk van Hil Bottema met een grondig onderzoek naar de collectie knipsels van het Openluchtmuseum in Arnhem. Zoals bekend, is het boek Schaar-Kunst (1983) het resultaat van al dit speurwerk.

afb. 2, Joke Verhave, Joke en Jan Peter waren intensief betrokken bij het samenstellen van een tentoonstelling in museum ‘Dit is in Bethlehem te Gorinchem rond het thema ‘engelen’. Aan Joke viel ook de eer te beurt de tentoonstelling te openen. De engelen in dit knipsel stellen de vele vrijwilligers (de engelenschaar) voor, zonder wie bijvoorbeeld deze tentoonstelling niet tot stand kon komen. Het knipsel is ook een afbeelding van de voorgevel van het museum.

Om de manier waarop Jan Peter in de schaarkunst inhaakte, kan Joke nóg in de lach schieten. Jan Peter moest zich in 1981 maanden lang rustig houden na besmetting met Hepatitis-B, opgelopen bij zijn onderzoek naar malaria. ,,Geef me eens iets te lezen over die knipperij”, vroeg hij uit verveling aan Joke. Hij kon allang geen boek of krant meer zien, vandaar. Het zou onvoorziene gevolgen krijgen. Het allereerste artikel in de allereerste Knip-Pers (maart 1983) is een aankondiging van Schaar-Kunst – de papierknipkunst in Nederland, Joke èn Jan Peter Verhave.

afb. 3, Joke Verhave, 1983, Dit knipsel werd geschonken door het Nederlands Openlucht Museum aan het Zuiderzee Museum, hij de opening van het laatstgenoemde museum.

Beiden zijn bioloog van professie. Zij beoefent haar vak als conrector van een scholengemeenschap voor volwassenen; hij als wetenschappelijk onderzoeker naar de overdracht van malaria. Ze delen dus de liefde voor de schaarkunst, vooral voor de oud-Hollandse. Joke heeft zich daarnaast laten scholen in het restaureren van onder meer oude knipsels, en Jan Peter duikt als amateur-historicus graag in bepaalde terreinen van de Nederlandse geschiedenis. Voor al het werk dat ze gedaan hebben om de ontwikkeling van de papierknipkunst in Nederland in kaart te brengen, kwamen die interesses goed van pas. Samen kregen ze vier dochters, die het – eerlijk gezegd – niet altijd even leuk vonden altijd maar weer door pa en ma op sleeptouw genomen te worden naar musea en exposities als ze ‘toch in de buurt’ waren. Maar de gedrevenheid van Joke en Jan Peter tot ontdekken en onderzoeken is bijna onuitputtelijk. Lezers van de Knip-Pers profiteren ervan mee.

afb. 4, Joke Verhave, Bij hun afscheid van de feministenkring van de hervormde gemeente Ie Heumen kregen deze leden dit knipsel mee. Het is een voorstelling van het vrouwenteken (het ‘spiegeltje’), waarbij het handvat geknipt is naar een figuur dat op de kerktoren staat. In de ‘kring’ van vrouwen werden allerlei verschillende vrouwen opgenomen; jonge, oude, nonnetjes etc. Allemaal dragen ze een eigen kaarsje, symbool van licht.

De schaarkunstkenners hebben in al die jaren heel wat raadsels opgelost en een heleboel nieuwe raadsels opgedoken. Soms konden ze achterhalen wie de maker van een knipsel geweest moet zijn: ‘maker onbekend’ wordt ‘maker bekend’. Dat was bijvoorbeeld het geval bij Jan Joseph Jöbsis. Aan hem bleken veel meer knipsels toegeschreven te mogen worden dan aanvankelijk werd aangenomen. (vergelijk eens de Knip-Pers van december 1986 en die van september 1996). Of ze schreven over knipwerk dat tot dan toe juist aan een verkeerde persoon werd toegeschreven: ‘maker bekend’ wordt ‘maker onbekend’. Zo schreven beiden al in Schaar-Kunst dat het knipwerk van de beroemde Anna Maria van Schurman niet geknipt kon zijn door Anna Maria van Schurman. Sinds hun boek verscheen, kwamen Joke en Jan Peter nog andere knipsels van dezelfde spookknipper op het spoor (Knip-Pers 1995-2). De grote vraag is nog steeds wie de knipsels dan wel maakte. Het wachten is op de resultaten van het voortdurende onderzoek van Joke en Jan Peter.

afb. 5, Joke Verhave, 1988, Ooit geknipt naar aanleiding van een afscheid van de Haagse Reveil-kring. Later is het knipsel het officiële logo van de kring geworden. Elke twee jaar wordt ter gelegenheid van de studiedag de datum aangepast.

Omdat zij de leden van de vereniging via de Knip-Pers op de hoogte hielden, vormen hun artikelen in al die vijftien jaargangen samen een mooie spiegel van hun vorderingen. In het boekje Schaar-Kunst schrijven ze bijvoorbeeld nog dat Jan de Prentenknipper uit Zeeland volgens hen een schuilnaam was voor ene Johan George den Boer. Drie jaar later, in de Knip-Pers van maart 1986, komen ze daarop terug met een ‘mispoes’ voor zichzelf. Twee alerte amateur-historici vonden in een Goes weekblaadje, van eind vorige eeuw, een artikel waarin de redacteur stilstaat bij het overlijden van Jan de Prentenknipper. Toen al, kende bijna niemand hem meer onder zijn echte naam: Jan Huyszoon. Met de ontdekking van de ‘ware Jan, kwamen een heleboel nieuwe gegevens boven tafel die natuurlijk erom schreeuwden nagetrokken te worden. Joke en Jan Peter hoorden de roep. In de Knip-Pers lasten Joke en Jan Peter zes jaar lang een bijna totale radiostilte in rond Jan de Prentenknipper. Ondertussen gingen ze koortsachtig op zoek naar sporen van Jan in het gemeentearchief en bezochten ze meer dan honderd mensen in Zeeland, van wie de voorouders ooit een prent kochten en bewaarden. Het werkelijk schitterend uitgevoerde boek, Jan de Prentenknipper, Zeeuwse Volkskunst langs ’s Heeren wegen (1798-1879), is het resultaat van dit hele project.

afb. 6, Joke Verhave, Een huwelijksknipsel voor een nichtje van de Verhave’s (familienaam ‘Visser’), dat trouwde binnen de joodse traditie (stenen tafelen met de wet, menorah, zuilen van de tempel) met een zekere heer Elephant.

Al dat gesnuffel in archieven en bibliotheken is erg leuk om te doen, vindt Jan Peter. ,,Zeker als het lukt steeds meer over de levens van knippers te achterhalen: hoe verliep hun leven, onder welke omstandigheden leefden zij, met wie hadden ze contact, waarom maakten ze een knipsel, wie was de opdrachtgever. Knipsels zijn vaak gemaakt door iemand voor iemand. Soms zitten daar ontroerende verhalen achter. En je krijgt op deze manier een goed beeld van het dagelijkse leven van toen.”

afb. 7, Joke Verhave, Geschenk voor een goede bekende van de Verhave’s, hij diens promotie. De man is een ‘vogelaar’ (vogels, rietkragen) en is zeer muzikaal; vandaar de ‘nootjes’ naar de samenstelling van zijn gezin (vier dames en een heer) in een notenbalk.

De interesse van beiden, niet alleen voor tastbare schaarkunst, maar vooral ook voor de persoon van de knipper, blijkt in bijna ieder artikel dat Joke en Jan Peter schreven. Over dezelfde Jan de Prentenknipper, die talloze paradijzen met Adam, Eva en de slang knipte, inkleurde en verkocht als kerkboekprentjes, schrijven de Verhave’s: ,,En hij wist van zonde, want hij leefde als protestant ongehuwd samen met een rooms-katholieke vrouw. Hij voelde zich verantwoordelijk om schoolkinderen door zijn prentjes iets te vertellen, wat hij zijn eigen kinderen niet wijs kon maken, Kleurige tragiek…”

De verhalen zijn bovendien rijk voorzien van aardige ‘weetjes’. Over Elizabeth Koning (geboren in 1816) bijvoorbeeld, geboren met een rechterarm zonder hand. Bij haar thuis in Haarlem kwam stadsgenoot Nicolaas Beets wel over de vloer. Toen Beets als ‘Hildebrand’ de Camera Obscura schreef, knipte ‘Betsie’ afbeeldingen van figuren uit dit boek. Eén knipsel kreeg de schrijver cadeau, dat hij altijd als een dierbaar aandenken bewaarde. Een plakboek dat ze maakte, werd later zelfs gebruikt als voorbeeld voor de kostuums in een toneelstuk over de familie Kegge uit Hildebrand’s Camera. Dezelfde Hilde brand schrijft in dezelfde Camera dat moeders hun zonen niet van die ‘nuffige knipsels’ moeten laten maken…

En over Arie Tergant uit West-Friesland, als één van de knippers die met zijn knipwerk zijn trouw aan het koningshuis bewees: In 1840 mocht koning Willem I een knipsel van hem ontvangen. Tergant kreeg het met vijfentwintig gulden teruggestuurd ‘als wordende soortgelijke voortbrengselen niet meer aangenomen’. “Tegenwoordig zou dat ongeveer honderd maal zoveel zijn”, schrijven de Verhave’s erbij; ,,een koninklijke prijs!” (maart 1990).

afb. 8. Een huwelijksknipsel, waar in elke kamer en in elk onderdeel van het huis iets werd uitgebeeld dat kenmerkend is voor het bruidspaar en hun kinderen.

Jan Peter heeft zich nooit zelf aan het papierknippen gewaagd. Maar als lezers van de Knip-Pers zich afvragen wie van de twee de artikelen uiteindelijk schrijft: dat is Jan Peter. Joke knipt zelf nog wel, maar is bijvoorbeeld niet meer actief lid van een Knipkring. ,,Doet zich een gelegenheid voor, dan besteed ik die tijd liever aan knippen, restaureren of achterhalen van de geschiedenis van knipwerk.” Joke en Jan Peter verzamelden in de loop van de tijd een prachtige collectie oud-Hollandse knipsels, onder meer met stukken van Jan de Prentenknipper. Die zijn ook voor de lezers te bewonderen, want ze tekenden in voor de atelierroute. Zo kunt u ook persoonlijk kennismaken met dit echtpaar.

De Knip-Pers heeft ondertussen een fantastische rol gespeeld in de recente ontwikkeling van de papierknipkunst, vinden Joke en Jan Peter. Joke: ,,Het blad is uiterst toegankelijk en tegelijk scholend. Het heeft een opvoedende waarde omdat het de leden laat zien hoe anderen met papierknippen bezig zijn. Het is ook een bindend element geweest onder de knippers.” Wel vinden ze het jammer dat er in Nederland zo weinig knippers met een kunstzinnige vorming zijn. ,,Als je op het vliegveld van Genève aankomt, zie je een levensgroot knipsel hangen, geknipt naar de Zwitserse traditie. Het percentage academisch geschoolde knippers in Zwitserland is naar verhouding veel hoger dan hij ons. In Nederland uit het papierknippen zich vooral in volkskunst. Niet veel knippers komen toe aan het knippen van Kunst met een Grote K.”

afb. 9, Joke Verhave, 1990, Dit is het allermooiste knipsel dat ze ooit gemaakt heeft, vindt Joke zelf: ,,Het is gewoon het best gelukt.” De namen van de vijf verschillende bloemen in het medaillon zijn synoniemen voor de namen van de vijf kinderen van de jubilerende Pake en Beppe, die vijftig jaren deelden in geloof, hoop en liefde. Binnen de prachtig uitgewerkte bloemenrand beeldt Joke links de interesses van de mannelijke helft, rechts de interesses van de vrouwelijke helft van het echtpaar uit.

De Verhave’s zijn bekend van hun artikelen over knipwerk van anderen. Dit artikel over de Verhave’s is natuurlijk niet compleet zonder knipwerk van het ‘knippende’ deel van de Verhave’s: van Joke.

Hanke Helms

Stichting W. Tj. Lever 10 jaar, Knip-Pers 1998-2

Het afgelopen Nationaal Museumweekend van 18 en 19 april 1998 heeft voor het Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven volledig in het teken gestaan van het 10-jarig bestaan van de Stichting W.Tj. Lever. Deze stichting is op 21 april 1988 opgericht en kent sindsdien drie bestuursleden: Henk van Ark, Tobia Lever en Narda Wilken. Belangrijkste doel van de stichting in het voorjaar van 1988 was te trachten de verkoop van de door knipper en verzamelaar Wiecher Lever (1917-1981) opgebouwde collectie papierknipkunst te voorkomen. Zijn verzameling was ondergebracht in het Nederlands Museum van Knipkunst, dat vanaf 1960 in Reden en later in Westerbork gevestigd was. Toen dit, om diverse redenen, niet lukte werd besloten een nieuwe verzameling op te zetten die de herinnering aan Lever levend zou moeten houden. Dankzij een forse subsidie van het Prins Bernhard Fonds kon de stichting op de veiling van Levers Westerborkcollectie een zeer belangrijke slag slaan (Knip-Pers 1988-4). Er kon een basisverzameling worden gevormd, bestaande uit ca. 2.000 knipsels (groot en klein), diverse prenten, 80% van Levers museumbibliotheek en een grote hoeveelheid documentatie.

J. Walrecht, Knipsel voor Lammeraal Schotto Rengers, 1764

In de periode 1988 tot 1991 heeft de Stichting W.Tj. Lever vele tentoonstellingen en presentaties georganiseerd in musea, bibliotheken, enzovoort. Dit alles met het doel het werk van de stichting meer bekendheid te geven en te zoeken naar een goed onderkomen voor de verzameling, die zich steeds verder uitbreidde met nieuwe aankopen, schenkingen en bruiklenen.

In 1991 viel het besluit te gaan streven naar de heroprichting van het Nederlands Museum van Knipkunst. Voor dat nieuwe museum is in 1992 een plaats gevonden in het stadje aan de Lek: Schoonhoven. Gestart werd in een leegstaande expositieruimte, die als tijdelijk onderkomen was bedoeld. In 1995 is het museum, dat wordt gezien als de voortzetting van Wiecher Levers activiteiten op museaal gebied, verhuisd naar een groter pand in de Stadhuisstraat. Daar beschikt het museum nu over een museumwinkel, drie expositieruimten en een klein depot. De collectie van de Stichting W.Tj. Lever, die als langdurig bruikleen in het museum is ondergebracht, bestaat inmiddels uit ca. 4.500 papierknipsels, verschillende voorwerpen en prenten, het Leverarchief en een goede bibliotheek. Aan de hand van die verzameling en het gedeelte dat daarvan semipermanent wordt geëxposeerd kan het museum bezoekers een goede indruk bieden van de ontwikkeling van de Nederlandse papierknipkunst.

Maatje Kuijper, geschreven en geknipte verjaardagswens, 1822

Door een uitgekiend aankoopbeleid en niet te vergeten vele schenkingen is het onderdeel oude knipsels (gemaakt voor 1900) aanzienlijk uitgebreid. Naast veel anonieme stukken zijn er bijvoorbeeld knipsels te bekijken van Pieter Reijnders, ds Jan de Bleyker, Arie Tergant, Jan Huiszoon (Jantje I), Jan Schot, Anna Strenge, enzovoort. De periode 1930-1950 is goed vertegenwoordigd met knipwerk van onder meer Tola Steinhage, Hettie van Langen, Marie Thérése Bruning, Theun Broekstra, Lily Eisendorn en Hans Postma.

Frans ter Gast, pinguïnknipsel, ca. 1935

Het werk van Wiecher Lever, die zich in de jaren veertig ontwikkelde tot professioneel knipper, neemt in de museumpresentatie natuurlijk een bijzondere plaats in. Zonder overdrijving kan worden gesteld dat de stichting in 1988 95% van zijn belangrijkste en interessantste werk heeft weten te verwerven. Er wordt verder knipwerk geëxposeerd van knippers als Evert Root, Cornelis Moojen en Johan Bennik en vooral de laatste twee jaar is er ook meer aandacht voor recenter werk, zoals knipsels van Irma Kerp-Schlesinger, Jo van Velsen, Jannie de Jong-Brouwer, Jeanet Willems, Joke Kooi (Varkevisser) en Elly Stroucken. Zeer opvallend in de presentatie is het werk van Tobia Lever, dat steeds het papierknippen als basis heeft. Naast de vaste opstelling werkt het museum met zes tot acht wisseltentoonstellingen per jaar, waardoor er ruime aandacht is voor thema’s in de knipkunst (bv. gedenkstukken), bepaalde collectieonderdelen (bv. silhouetten en schimmen) en werk van individuele, vaak hedendaagse, papierknippers en -knipsters.

De Stichting W.Tj. Lever heeft in tien jaar tijd haar doel, het oprichten van een levend monument voor Wiecher Lever, bereikt. In het beleidsplan ‘Kort & Goed’ voor de periode 1997-2002 is daarom aangekondigd dat de Leverstichting het in de komende jaren kalmer aan kan gaan doen, al staat nog steeds het doen uitgeven van een waardige publicatie over Lever op de wensenlijst. Het Nederlands Museum van Knipkunst, nu nog feitelijk onderdeel van de stichting, zal binnenkort worden verzelfstandigd in een eigen stichtingsvorm. Zo kunnen op den duur ook andere, en liefst meer medewerkers bij het museum betrokken worden en maakt het museum zich onafhankelijker van de initiatiefnemers van het eerste uur.

Waarschijnlijk lan Patijn, voor Alberta J. Du Bois, 1814

Wie op de hoogte wil blijven van deze, en andere interessante  museumontwikkelingen kan museumvriend worden door zich op te geven als donateur van de Stichting W.Tj. Lever (minimaal fl 20.- per jaar). Donateurs ontvangen viermaal per jaar een Nieuwsbrief. Een informatiepakket, bestaande uit een Nieuwsbrief, de mooie museumfolder en een artikel over Lever, wordt toegestuurd na overmaking van fl 3.- op gironummer 3710361 tnv. Stichting W.Tj. Lever te Rotterdam.

Henk van Ark, voorzitter van de Stichting W.Tj.Lever.

Het museum in Schoonhoven is gesloten in 2006.

To van Waning-Mijnlieff, Knip-Pers 1998-2

Trilogie deel II

In deel 1 van de trilogie Hil-To-Suus in het maartnummer is te lezen dat To van Waning de grondbeginselen van de knipkunst van Hil Bottema geleerd heeft op haar zogenaamde ‘Mooimakerscursus’ in het Nederlands Openlucht Museum. To had haar akte Handenarbeid juist achter de rug, toen zij in de Arnhemse Courant een aankondiging van deze cursus las. Dit was in 1948, nu precies 50 jaar geleden. Dit werd door To bevestigd, want 10 jaar geleden is met een artikel van Magda Helms in de Knip-Pers herdacht dat zij 40 jaar knipte (1988-4). Op een oproep knipte Frouke Goudman voor deze gelegenheid een ingenieus namenknipsel, dat daarbij werd gepubliceerd, en hebben verscheidene oud-leerlingen van To verder aandacht aan dit jubileum besteed.

geboorteknipsel door To van Waning voor Jurriën Kaper, 1975

Zo wil zij zelf – nu het 50 jaar geleden is dat zij met knippen begon – terugkijken naar al die oud-leerling en, die vaak tot hun eigen verbazing zulke leuke dingen presteerden op grond van opdrachten die To in haar lessen gaf. Zij werkte er daarbij naar toe, om een prent voor een ‘speciale gelegenheid’ te knippen. Een van haar beste leerlingen op de Volksuniversiteit in Utrecht, die zich altijd veel moeite getroostte om de huiswerkopdracht perfect uit te voeren, was Wil Ahlrichs-Traast. Als afscheid op de laatste les in maart 1968, gaf Wil haar een prent cadeau, waarop alles wat zij geleerd had was uitgebeeld; To’s lessen begonnen met een dialezing over de ‘papierknipkunst van vroeger tot nu’ en het keuren van de door de leerleerlingen meegebrachte schaartjes (zie de projectoren met lichtbundels boven de schaartjes).

Wil Ahlrichs-Traast, alle lessen van To van Waning in één knipsel

De tweede les – na alle oefeningen met spiralen knippen om het stilhouden van de schaar en het draaien van het papier te leren, werden de cursisten onder andere getest op het ‘leer knippende zien’. Daarom liet To een sneeuwklokje knippen. Eerst zomaar proberen; juist hierdoor leer je zélf te zien waar je de mist in gaat. Daarna liet To een duidelijke foto van sneeuwklokjes zien, waardoor je veel doelgerichter ging kijken. Dan borg zij de foto weer op en moest je een nieuwe poging wagen. Je had dan bijvoorbeeld gezien dat er een steeltje aan het klokje zit, waarmee het uit de grote steel komt en waardoor het ‘bungelen’ kan.

De derde les was bomen knippen; takjes met blaadjes, al dan niet recht of gebogen, positief en negatief.

 

 

 

 

De vierde les: het spannende element van openknippen van versieringen. De cursisten leerden een in kniplijn te geven, van waaruit je heel gemakkelijk bij de versiering kunt komen. Dan gaf zij een basisvorm van een gestileerde vogel, die op allerlei manieren kon worden versierd.

 

 

 

 

 

 

 

 

Op de vijfde les kwamen de poppetjes aan de beurt en werd er hartelijk gelachen om het feit dat alle mannetjes eerst vrouwtjes geweest waren die ingeknipt en bijgeknipt moesten worden.

De zesde les was voor de 8- 6- en 5-puntige vouwsets, om sterren en  sneeuwkristallen te maken.

lesblad inknipoefeningen van To van Waning

 

 

In Utrecht liep het bij de zevende les tegen Pasen; dus werden er Paasknipsels gemaakt met haasjes en versierde eieren.

 

To’s achtste les werd besteed aan het knippen van huizen. Zij leerde je dan het foefje hoe je ramen met ruitjes kunt knippen, zonder dat je elk ruitje afzonderlijk moet inpikken (zie gebouw op de prent).

 

lesblad versieren harten van To van Waning

In de negende les werden letters geknipt en gelet op de goede verdeling hiervan in een spreuk of een naam.

In de tiende les leerde je een prent knippen uit één stuk papier, al of niet met een versierde rand. To gaf daar de opdracht bij om een huwelijksprent te knippen voor ‘Arie Roemer en Antje Wijn’, namen die goed uit te beelden zijn, (zie resultaten cursisten). Je kunt je voorstellen dat To verbluft was van het resultaat van de lessen toen Wil Ahlrichs haar in 1968 de ze prent, waarop alles uitgebeeld, gaf als dank voor de lessen. Wil, alsnog hulde (na precies 30 jaar !!!)

Ik heb To gevraagd of zij dat lesgeven leuk vond. Het antwoord was duidelijk. Zij heeft dat lesgeven met heel veel plezier gedaan, omdat je daardoor mensen ‘aan de gang krijgt’. Eerst is het “dat leer ik nooit”, maar later: “dat kan ik wel”. Als voorbeeld noemde To het knippen van takjes met blaadjes. Zij vroeg dan: “Kun je een schuine lijn trekken? Een hoofdletter L zetten, en kun je iets tussen haakjes plaatsen? En als je boogjes kunt zetten, hoef je de helft er nog maar bij te doen! Als je dat kunt, kun je ook takjes met blaadjes knippen. En dit is in negatief knippen nog gemakkelijker, want dan heb je de tak als inknip om bij de blaadjes te kunnen komen. Als je het in positief knipt moet je het takje en de blaadjes helemaal volgen. En hoe maak je de blaadjes leuker van vorm? Door er een hapje uit te knippen. En hoe laat je een tak met blaadjes van groot naar klein verlopen? Door er een hulplijntje omheen te zetten. En hoe maak je er een versierend motief van? Door dat hulplijntje te gebruiken! En hoe maak je daar dan een boompje van? Enzovoort…

To was voor wat betreft het huiswerk tamelijk veeleisend. Zij vond het belangrijk dat iedereen meedeed met dezelfde opdracht, zodat er veel verschillende manieren van uitwerking tevoorschijn kwamen. Daar kon iedereen weer van leren. Een van de cursisten die in het december-nummer van 1988 aan het woord kwam, Metha van Werkhoven, zei heel typerend over To: “Altijd enthousiast, peuterde je leuke dingen uit niets vermoedende mensen”.

knipwerk To van Waning

To laat mij een mededelingenblad van de Vereniging van Huisvrouwen uit Zaltbommel zien, waarin mevrouw Franken-van Dillewijn schreef: ‘Op 21 september 1988 is de cursus met 11 deelnemers van start gegaan. Mevrouw van Waning brengt ons de knipkunst bij, want een kunst is het. Elke week zijn wij weer verbaasd over wat wij geleerd hebben. Door het enorme enthousiasme dat onze cursusleidster op brengt worden wij meegesleept. Wij leren van haar de trucjes en fijne kneepjes, want daar zit de knipwereld vol van. Wij hebben nu 5 lessen achter de rug en vinden het steeds leuker worden. Je hele leven hoefje je nooit meer te vervelen. Een stukje papier en een goed knippend schaartje brengt je overal”.

 

geboortekaartje door To van Waning

“Ja”, zegt To: “Ik ben er altijd heel enthousiast over geweest, omdat ik het zo leuk vond om de mensen van ‘niks – iets’ te laten maken En ik heb mij steeds verbaasd over de verrassende resultaten Ik zou het wel leuk vinden om hier een paar van die resultaten te tonen, als dank aan de brave huiswerkmakers van die opdracht”. De huwelijksprent voor Arie Roemer en Antje Wijn, door sommigen uitgebreid met verzonnen spreuken als: “Laat Arie steeds de Wijn in Antjes Roemer zijn”, of “Wat in ‘t vat zit verzuurt niet, dat is de gijn van Arie Roemer en Antje Wijn”.

huwelijksknipsel door To van Waning

To gaf vaak les op Volksuniversiteiten, maar ook aan verenigingen, zoals de Vereniging voor Huisvrouwen, Plattelandsvrouwen, Nederlandse Christen Vrouwenbond. Meestal werd ze in eerste instantie voor de lezing met dia’s over de papierknipkunst gevraagd. Vaak was het gevolg dat men een aanvraag voor een cursus indiende. To’s specialiteit was het maken van gelegenheidsprenten. Zij heeft voor vele jubilea, huwelijken en geboortes prenten geknipt, waarin steeds werd verwerkt wat op de betreffende personen van toepassing was, zoals beroepen, hobby’s, sterrenbeeld, enzovoort. Haar eerste echte opdracht was in 1963 voor een gouden bruiloft van Klaas de Boer en Antje Honig uit de Zaanstreek. Aanvankelijk vroeg de op drachtgever het Openlucht Museum om een knipper die gelegenheidsprenten maakte.

To van Waning, huwelijksknipsel Klaas de Boer en Antje Honig 50 jaar getrouwd,1965,

Dit door To gemaakte knipsel is later door uitgeverij ‘Cantecleer’ in de eerste uitgave van ‘Leer knippende zien’, door mevrouw I.G.L. Kerp-Schlesinger opgenomen. Deze knipprent van To is ook uitgekozen bij de illustraties in de ‘Encyclopedie van Kunstenaars en Amateurs van 1600-1970’, door Pieter Scheen.

Palmpasen, To van Waning

In een latere druk van ‘Leer knippende zien’ is een rond knipsel van To geplaatst: ‘Met de schaar in de hand kom je door het ganse land’. Helaas is dat per abuis in spiegelbeeld afgedrukt. Dit laatstgenoemde knipsel werd ook als poster gebruikt voor de knipkunsttentoonstelling, die mevrouw Kerp in 1982 organiseerde in ‘t Spant in Bussum. In 1985 werd dit knipsel uitgekozen door het Cooper Hewit Museum in New York, voor een internationale tentoonstelling over knipwerk.

cursistenwerk

Op mijn vraag aan To hoe zij daar terecht kwam vertelde ze dat eigenlijk alles een gevolg is van haar contact met Hil Bottema op de Mooimakersweek. Mede hierdoor heeft To 12,5 jaar op de afdeling Documentatie Klederdrachten van het Openlucht Museum gewerkt. Via Hil kreeg ze contacten in Zwitserland met vrienden van Hil, allen bekende knippers zoals Gertrud Wyss uit Bern, een van de veteranen op knipgebied in dat land (Knip-Pers 1984-1). Hieruit vloeide de kennismaking voort met Julia Feiner, een zeer begaafde vrouw en niet alleen op knipgebied. Ook over haar schreef To een artikel in de Knippers (Knip-Pers 1990-2). Zij leerde onder andere. Ueli Hofer en Ernst Oppliger – bekende knippers – kennen en raakte zeer bevriend met hen. Hieruit vloeide de kennismaking voort met Fritz Hobi, directeur van het Kunstgewerbe Museum in Winterthur, die de eerste grote verzameltentoonstelling van Zwitserse knippers organiseerde in 1985. To had op dat moment al veel Zwitserse knippers leren kennen, zodat zij aan Fritz Hobi nog een aantal namen en adressen kon opgeven die hij nog niet kende. Ook kon To hem informatie over de Nederlandse knipactiviteiten geven. Toen Fritz Hobi later door de organisatrice van de internationale tentoonstelling in New York werd benaderd, heeft hij als Nederlandse contactpersoon To opgegeven. Dit had tot resultaat dat in het Cooper Hewit Museum werk kwam te hangen van Frouke Goudman, Gerlof Smit, Leonieke Kruit en haarzelf, midden tussen andere grote bekende en onbekende knippers uit de hele wereld. To is in 1985, samen met Ueli Hofer, naar deze grandioze tentoonstelling geweest en kan dus met recht zeggen: “Met de schaar in de hand kom je door het ganse land” (zie illustratie, pag. 16 bovenaan).

Met de schaar in de hand, komt men door het ganse land door To van Waning,

Uit dit bezoek zijn haar contacten met 12 Amerikaanse knipsters ontstaan, voor wie zij een lezing met dia’s over de Nederlandse knipkunst van vroeger- tot- nu heeft gegeven. Zij heeft hen geadviseerd ook een vereniging met een tijdschrift te beginnen, met als resultaat de ‘G.A.P’, the Guild of American Paper cutters, die zich als een olievlek over Noord-Amerika heeft verspreid. Later, toen the ‘G.A.P’ het eerste lustrum vierde, is To uitgenodigd en heeft zij daar weer een lezing met dia’s over knipkunst gehouden, nu voor een groter knippersgezelschap…
Bij deze gelegenheid heeft zij van de Amerikaanse vereniging een mooie oorkonde als dank voor haar aansporingen gekregen (Knippers 1983-3). To heeft al die ervaringen geweldig leuk gevonden maar legt toch de nadruk op de rode draad in het verhaal, die begon bij Hij Bottema op de Mooimakers week.

Als men nog iets over To’s hobby’s en verzamelingen wil weten: Jeannet Willems knipte ooit een klein rond prentje voor haar, in de grootte van slechts zeveneneenhalve centimeter. Daarin heeft zij dit allemaal weten uit te beelden. Bovenaan het schaartje, haar hanenverzameling (van hout, glas, steen en tin), de verzameling stenen, kristallen en schelpen, haar fossielen- en slakkenhuis verzameling, de schermbloemen waar To veel van houdt, en haar collectie versierde eieren. In het midden zit zij te knippen, met haar dierbare whippet achter zich. En dat alles in een rondje van maar 7,5 cm !

Jeannet Willems knipt To van Waning

Suus Houtman-van der Meulen

Het wonderschaartje van Hil Bottema, Knip-Pers 1998-1

afb 1, Lever, Bottema, Kerp

Na de oorlog zijn er in ons land drie personen geweest, die er voor gezorgd hebben dat de papierknipkunst een opleving onderging. Dat waren Wiecher Tjeert Lever, met zijn knipkunstmuseum in Westerbork, mevrouw Kerp-Schiesinger uit Bussum en Hil Bottema, die werkzaam was in het Openlucht Museum, in Arnhem (allen helaas overleden). Deze drie hadden één ding gemeen: het stimuleren van de papierknipkunst, wat zij door middel van cursussen en lezingen bereikten. Maar verder waren zij zéér verschillend; Lever was een goede portretknipper en hij en mevrouw Kerp waren de naturalistische knippers in enkelvoudig papier. Hil Bottema daarentegen was voorstander van het decoratieve, meestal symmetrische knippen in dubbel gevouwen papier. Het mag dan ook merkwaardig heten dat mevrouw Kerps boekje ‘Leer knippende zien’ (anno 1970) uitgerekend zo’n symmetrisch knipsel (van wijlen Dini Langkamp-Prins) op het omslag laat zien. Dit was geheel haar stijl niet, maar werd door de uitgever (Cantecleer) als blikvanger gekozen. Ter vergelijking laat ik hierboven de drie stijlen zien.

Daar Hil Bottema het geweldig gevonden zou hebben dat wij een knippersvereniging hebben die thans 15 jaar bestaat, en omdat het nu precies 30 jaar geleden is dat Hil op 55-jarige leeftijd overleed (1913-1968), wil ik – als degene die haar knipwerk heeft geërfd en aan wie zij het houden van lezingen en cursuswerk heeft overgedragen – nogmaals een in memoriam aan haar en haar lessen wijden.

Ik heb in 1948 een hartverwarmende cursus van haar mogen meemaken. Dit is iets dat ik nog steeds als een groot voorrecht beschouw, omdat Hil zo ongelofelijk inspirerend, stimulerend mens was en dit mijn kennismaking met het knippen is geweest!

Deze cursus noemde zij een ‘Mooimakersweek’, die zij, als medewerkster van het Nederlands Openluchtmuseum (het Rijksmuseum voor Volkskunde), in Arnhem gaf in het Schoenmakershuisje in de Zaanse buurt. Ik had zojuist mijn akte handenarbeid behaald en toevallig was mijn oog gevallen op een stukje in de Arnhemse Courant over zo’n week in het Museum. De deelnemers zouden slapen en eten in de jeugdherberg en overdag en ‘s avonds cursus volgen in verschillende technieken. Dit betekende de gehele dag en avond één techniek, te weten: papierknipwerk; gombatikken (met arabische gom), spatwerk, strowerk, werken met bladtin en houtbewerken met een zakmes: bijvoorbeeld van donkere gladde twijgjes de bast in figuurtjes wegsnijden tot het witte hout zichtbaar wordt (zie illustratie).

 

Hil Bottema, mooimakersweken

Het was een fantastische cursus, ook door de opdracht ‘motievenjacht’ door het hele museum. Hil was namelijk de voorvechtster om mensen de ogen te openen voor de volkskunst en oude volksgebruiken, om deze levend te houden en -waar deze aan het tanen waren- nieuw leven in te blazen. Daardoor werd haar in 1961 opdracht gegeven kinderzegels te ontwerpen met folkloristische feesten, zoals Sinterklaas, Driekoningen, Pasen enzovoort. Deze heeft zij geknipt. Achteraf las ik in een Amerikaans boekje over postzegels, dat dit een zeer populaire reeks is geweest. Er werd voor meer dan f. 1.000.000,– van verkocht, méér dan van welke kinderserie ook tot dan toe. En hier was Hil best trots op; het waren bovendien ook de eerste postzegels met papierknipwerk.

Voor die ‘motievenjacht’ in het museum, zochten wij de tentoonstellingen en alle huisjes op het terrein af, met een schetsboekje in de hand en speurend naar versieringsmotieven op houtwerk, mangelplanken, koekplanken en stoven. Verder op aardewerk en symbolische motieven op merklappen, enzovoort. En niet te vergeten de oude knipwerkprenten en boeken over volkskunst van de hele wereld. Bijvoorbeeld de Hongaarse versieringsmotieven zijn zeer dankbaar. Maar vraag eens in je bibliotheek naar zon boek als ‘Ornamentik der Volkskunst in Europa’ door Reinhard Peesch, Ed. Leipzig 1981. Soms is het uit simpele motieven opgebouwd. Hil begon dan ook ons juist die opbouw van versieringen te doen ervaren, die waren uitgegaan van slechts een stip of streepje – recht of schuin (zie illustraties).

En zo ontstond van een stip uitgaande, een versierde bloem en zij zei dan: “Versier met plezier” en “Je mag met groot genoegen klein werk maken, dit heet niet voor niets een ‘Mooimakersweek’. Er is zoveel bruikbaars dat men ‘mooi maken’ kan en dat de dagelijkse sleur een zwier van feestelijkheid geeft. En dan worden het de gewone mensen, die zelf tijd veroveren om iets te versieren en verbaasd zijn over wat zij blijken te kunnen”.

Hil was vroeger onder andere kabouterleidster bij de Padvinderij en schreef handenarbeid artikelen in hun clubblad. In ‘De Padvindster’ van 1947 stond een typerend stukje over leidsters, die kennelijk ook een cursus van Hil hadden gevolgd: “Ken je het prettige gevoel, als je zit te werken, dat je weet dat ‘t goed wordt wat je maakt? Ken je dat gevoel dat je altijd door zou willen werken en dat er voor jouw part vandaag niet gegeten behoeft te worden en dat je niet hoort wat er tegen je wordt gezegd?” Zó zat je te werken onder leiding van Hil Bottema in het Openlucht Museum, waar zij de gehele dag uitlegde, soms wat verbeterde en veel aanmoedigde. En waar Hil zei: “Je zult merken hoeveel levensvreugde, levenskracht je ontvangt, wanneer je gaat ervaren wat je zelf kunt…”

Zij leerde de padvindstertjes de schakels knippen van de Gulden Liefdeketen die de hele wereld omvat en waarvan je jouw eigen schakel sterk en glanzend moet houden (zoals hun spreuk luidde).

Hil had eens een gesprek met een Zwitserse kunstpedagoog, die haar zei: “Ik ken geen beter middel om een amateur meer moed en vreugde in eigen scheppend werk te verschaffen, dan juist papierknipwerk”. Hil zei dan ook: “Werkelijk, het toverschaartje ontsluit ons vele mogelijkheden, ook voor andere technieken zoals stofdrukken, naaldwerk, inlegwerk, batikwerk enzovoort om tot een ontwerp te komen.

Als je bijvoorbeeld 4 papiertjes op elkaar legt en dan een eenvoudig tulpmotiefje uit het dubbel gevouwen papier knipt, krijg je 4 tulpjes en 4 vierkantjes met het negatief van het tulpje.  Daarmee kun je gaan schuiven en ontwerp je – zonder dat je het in de gaten hebt – inééns een heel patroon. Als je bijvoorbeeld niet goed zon kunnen tekenen, ervaar je dat je tóch tot verrassende dingen kunt komen. Zo kreeg je het effect dat iedereen verwoed aan de gang was en met hetzelfde gegeven toch weer een ander patroon kreeg. Als je de tulp met de kroontjes naar elkaar toe legt, of je legt ze met de steeltjes naar elkaar toe; ik bedoel maar. . . .“versier met plezier”.

Hil liet je van wit papier knippen en je moest zelf het ondergrondpapier kleuren. Je kreeg een vel ingres-papier, een platte kwast en blauwe en rode watervaste tekeninkt. Je moest het papier eerst blauw strijken met de platte kwast in de lengte richting en daarna in dwarsrichting met de andere kleur er overheen. Dat gaf een levendige gemêleerde ondergrond waarop witte knipsels mooi uitkwamen. Dan leerde Hil je de grondtrucjes van het inknippen en positief- en negatiefknippen in één en hetzelfde knipsel. Ze zei dat je beter iets te dik kunt knippen, want dan kun je het altijd nog bijwerken. Overigens, bij negatief knippen moet dit precies andersom gebeuren. Daar moet je juist te dun knippen om het later te kunnen bijwerken.

Zo zei Hil: “Je zult het zelf wel ervaren hebben: wij nemen het schaartje ter hand, maar tezelfdertijd neemt het toverschaartje óns aan de hand en brengt ons in de wondere wereld, die wij ons eerder niet konden voorstellen”. Tegen de beginnelingen zei ze dan: “Moed gevat én ons schaartje, want met een wonderschaartje, geduld en plezier, knipt u iets moois uit gewoon papier”. HiI maakte zelf elk jaar een geknipte kerst- en nieuwjaarswens. Bovendien ontwierp zij gelegenheidsprenten voor huwelijk, jubileum, doop en geboorte. Zij werkte onder andere.voor de Vereniging van Handenarbeid, voor de Plattelands Vrouwen en de Stichting Goed Handwerk. Zij onderhield ook contacten met de vereniging het ‘Heimatwerk’ in Zwitserland en met vele knippers en volkskunstenaars in binnen- en buitenland.

Toen Hil in 1963 ziek werd liet ze mij de cursussen papierknippen overnemen die bij haar waren aangevraagd. Zo kwam ik bijvoorbeeld in Alkmaar terecht, waar onder andere Nel van Wezel en Jannie de Jong- Brouwer cursisten waren. Velen van U zullen hen kennen; uiteindelijk hebben zij als cursusleidsters in Noord-Holland zelf veel succes gehad.

Jannie de Jong had een lezing over papierknipkunst van mevrouw Kerp meegemaakt, maar die stijl lag haar niet. Zij wilde de cursus van Hil Bottema volgen. Maar och heden, daar stond To van Waning voor in de plaatst! En To kwam terug bij Hil met de mededeling: “Nou heb ik er toch één in de groep, die volledig in jouw straatje is”. Later kwam de kennismaking tot stand en Hil gaf Jannie de titel ‘Jantje I als opvolgster van de Volkskunstenaars, de knippers ‘Jantje I’ (de gewiekste, uit Zeeland 1803-1870) en ‘Jantje II’ (de Vrome, uit Urk 1855-1935). Jannie de Jong werd ‘Jantje III (de humoristische). Hil vroeg haar te komen demonstreren in het Openlucht Museum en daar verscheen zij in haar Noord-Hollandse klederdracht met haar man en dochtertje.

de Kruidentuin, Hil Bottema

Hiervan knipte zij later een prent voor Hil (zie illustratie).

Jantje III, Nederlands Openluchtmuseum

To en Jannie zouden een boek over de knipkunst gaan maken, maar dat is bij de opzet van hoe wij het dachten aan te pakken gebleven, omdat Hil in 1968 -helaas veel te vroeg- op 55-jarige leeftijd overleed.

“De mens is sterfelijk, maar hij mag in zijn kunst overleven”.

TRILOGIE HIL – TO – SUUS

Ik heb zelf veel cursussen door het hele land gegeven, die later zijn voortgezet -en nog worden- door onder andere één van mijn beste leerlingen in Arnhem, Suus Houtman. Over deze trilogie in de knippersgeschiedenis meer in een volgend artikel, waarvan deze aflevering het eerste deel vormt.

En jullie weten dat mijn cursus in Bennekom mede de ‘Knip-Pers’ heeft voortgebracht, want Magda Helms – onze onvolprezen redactrice – was daar in 1981 één van mijn leerlingen. Ook Atie Willemse en Aafje de Gee, die de inpak- en verzending voor hun rekening namen, waren deelneemsters aan die cursus. Atie is uiteindelijk ook cursussen gaan geven. Er ontstonden Knipkringen zoals in Amsterdam, Noord-Holland, in Arnhem, Bennekom en Ede. Dit deed Lies Markus het initiatief nemen in 1983 een vereniging van knippers op te richten, met een kwartaalblad als bindend element.

Hil Bottema heeft ook veel historisch speurwerk verricht, onder meer naar het werk van ‘Jan de Prentenknipper’ uit Zeeland, Jantje I’. Joke en Jan Peter Verhave zetten dit speurwerk van Hil voort, waarover zij tenslotte een prachtig boek publiceerden.

De stroming van het naturalistische knippen van mevrouw Kerp gaat ook in alle vertakkingen verder, waaraan haar leerling Elly Stroucken veel bij draagt en die ook de speciale tak van het portretknippen goed vertegenwoordigt. Ook Jaenet Willems, Joke Kooi (Varkevisser) en Sille Westerman Holstijn-van de Broek zijn in dit soort knipwerk gespecialiseerd. Bovendien draagt Sille Westerman met haar museumpje in Bronkhorst ook veel aan de bekendheid van de knipkunst bij Door hen wordt Lever’s specialiteit – het portretknippen – dus verder voortgezet. Ook het Knipkunstmuseum in Westerbork gaat voort in vernieuwde vorm, na het uiteenvallen van de collectie van Lever door diens overlijden.

Jan, één van de zonen van Lever, knipt illustratief. Lever’s dochter, Tobia, heeft samen met haar man, Henk van Ark, het Historisch Knipwerkmuseum in Schoonhoven opgericht, waar een deel van haar vaders collectie bewaard wordt. Zij geeft daar ook cursussen en workshops. Als kind knipte zij in haar vaders stijl, maar Tobia slaat nu een zeer moderne weg in en maakt zelfs driedimensionaal knipwerk.

Steeds nieuwe wegen zijn in de knipkunst ingeslagen. Ik denk daarbij aan het werk van bijvoorbeeld Frouke Goudman-Cupido, haar broer Jan Cupido en Gerlof Smit, allen grafische ontwerpers; terwijl ook Wies Palma zich in deze richting ontwikkelt. Zij hebben hiermee in het algemeen een grotere bekendheid en waardering voor de knipkunst bereikt.

Zo is het de knippers in Nederland sinds de oorlog vergaan. Ik vermoed dat de komende kadercursus in Orvelte (25, 26 en 27 maart 1998) ook nieuwe visies zal tonen.

Edoch wie het oude niet eert, is ‘t nieuwe niet weert.

To van Waning-Mijnlieff

Mijn hertje, mijn hartje!, Knip-Pers 1997-2

afb. 1, anoniem, hert getroffen door een pijl; het snijwerk is verlevendigd door geprikte arcering. Vroeg 17de eeuw, Particulier bezit

Hieronymus Sweerts maakte en publiceerde in de 17de eeuw een minne-dicht: “Op de Harte- jacht, zijnde een vluchtend Hart, daar drie Jagers achter hert’ waren, zeer curieus in papier gesneden, door Nicolaas van Ravestein”.
Van de knipper (1612-1678) en zijn jachtsnijdsel weten we verder niets, maar de jacht was een geliefd onderwerp in de kunst en kunstnijverheid van vroeger eeuwen. Juist uit de 17de-eeuwse spelling kunnen we begrijpen vanwaar die interesse kwam. Er was niet zomaar een hert in het spel, maar een hart, en wel een meisjeshart. En er waren jagers op haar spoor, die haar wilden raken!

Hoe het precies in z’n werk ging met die jachttaferelen weten we niet. De vrijer kan zo’n knipsel zelf gemaakt hebben, of zou hij iemand die kunstzinniger was dan hijzelf een opdracht gegeven hebben? En zou hij het dan op steelse wijze zijn “hertje” toespelen?

afb. 2, Cornelis van Halmael maakte rond 1648 diverse jachtscènes, die vooral imponeren door het geweldige geboomte; hier jaagt een ruiter met lans en honden op een edelhert, particulier bezit

Misschien ging het wel in alle openheid, vooral naar andere kapers op de kust: “Blijf uit de buurt, dit is mijn buit!”

afb. 3, Omstreeks 1700 maakte Otto van Voorst een jachtprent voor een Delftse jongedochter. Waarschijnlijk betreft het een van de gezusters ‘s Gravesande: Anna (1673-1714) of Johanna Maria (1674-1718). Hun broer Comelis werd vroed schap van Delft in 1724 Particuliere verzameling

Of zou het toen al zo’n gewoon beeld zijn geweest, dat de achterliggende betekenis niet meer echt gebruikt werd? Heeft men soms Psalm 42 op het oog gehad, die begint met het beeld van een hijgend hert, der jacht ontkomen, dat smacht naar frisse waterstromen? Was het een mythologisch verhaal, waaraan men dacht, bijvoorbeeld over Diana, of de volksdevotie over St. Hubertus? Daar moeten volkskundigen zich maar eens over buigen! Wij konden er geen nadere bijzonderheden over vinden. Wel moeten we constateren dat de jacht als genre om af te beelden minder populair werd in de romantische 19de eeuw; men kreeg toen zicht op zoveel andere beelden uit het alledaagse leven: beroepen, huishouden, buitenleven en maakte onder andere huwelijksknipsels met mooie letters. Daarom een aantal plaatjes uit de verschillende tijden, gewoon maar om naar te kijken.

afb. 4, Frederik Hendrik van Voorst maakte in 1723 snijdsels uit perkament, die diverse typen van jacht afbeelden: valkenjacht, zwijnenjacht, hertenjacht en konijnenjacht. Deze knipsels zijn voor deftige echtelieden gemaakt en niet ter gelegenheid van hun huwelijk. Daarom is hier de jacht een teken van stand (particuliere verzameling en Museum de Lakenhal). Ondanks dat we niet over een goede reproductie beschikken, plaatsen we toch deze afdruk omdat het vooral gaat om de tafereeltjes als vlakvulling.

afb. 5, Nog weer iets later in de 18e eeuw moet een heel eenvoudig knipsel worden gedateerd met jagers, honden en herten (Provinciale Bibliotheek Leeuwarden).

afb. 6, Helemaal kinderlijk doet dit hertenprentje aan, uit dezelfde tijd (particuliere collectie.)

afb. 7, Uit de pruikentijd stamt een hertenjacht, op nieuw met honden en speren; daarbij ook een hoornblazer (Nederlands Openluchtmuseum Arnhem).

afb. 8, In de verzameling knipsels van de Leidse Willem Eigeman (1756-1839) komt ook een jachttafereeltje voor (Museum de Lakenhal Leiden). De hertenjacht met lansen is dan kennelijk verleden tijd. Geweren hebben hun plaats ingenomen.

afb. 9 Hendrik Melchior Vockestaert (1794-1840) knipte op ongeveer 15-jarige leeftijd een serie landschapjes en daaronder miste het vanzelfsprekende jachttafereeltje niet, Nederlands Openluchtmuseum Arnhem

Jachtscènes zijn in de 19de eeuw niet meer zo gewild en kennelijk is de bijzondere betekenis verloren gegaan. Het Is geen symbool meer, zeker niet van geheime liefde. Tegenwoordig is de jacht zelfs een omstreden liefhebberij. Jagers willen niet herteloos blijven en hun tegenstanders vinden dat harteloos. Maar in Duitsland bleef de jacht populair en voor kunstenaars een onuitputtelijke bron van inspiratie en ook van spot. Het weideljk en het kritisch faunabeheer zouden de rollen maar eens om moeten draaien en op de hoorns, respectievelijk de korrel genomen moeten worden!

afb. 11, Karl Fröhlich, De jager verjaagd

Joke en Jan Peter Verhave

Joop Koevoets, een man met twee beroepen, Knip-Pers 2000-1

Op suggestie van Meta Bardet heb ik een bezoek gebracht aan mevrouw Koevoets en haar oudste zoon om meer te weten te komen over man en vader Joop Koevoets, schaarkunstenaar, die 5 jaar geleden overleed. Ik ben gezellig ontvangen in een Leids huis. Overal waar je kijkt, is werk van Joop Koevoets aanwezig.

Joop werd geboren in Goes op 15 november 1920 en is op 6-jarige leeftijd naar Leiden verhuisd. Hij voltooide zijn opleiding tot illustratief tekenaar vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Joop las over het schimmenspel en is het toen zelf gaan proberen. Zijn eerste schimmenspelen waren bewerkte sprookjes.

afb. 2, logo voor een zoon

Na de oorlog is Joop ook op de literaire tour gegaan; hij wilde zich bekwamen in de voordrachtskunst en declamatie. Om zijn stem te ontwikkelen is hij logopedie gaan studeren. Hij oefende nu tegelijk de vrije beroepen van schaarkunstenaar, theaterspeler, voordrachtskunstenaar en stemleraar uit. Aan zijn vrouw, Toos, die tijdens optredens met het schimmentheater de schimmen hanteerde, had Joop een goede partner voor al zijn activiteiten.

 

afb. 3, logo voor een zoon

Joop maakte de ontwerpen voor de schimmenspelen, die vervolgens door zijn vader uit strokarton werden vervaardigd. Een tijdrovend werk mede door alle bewegingen die mogelijk moesten zijn. Hij richtte ook een culturele groep op, werd zelf de regisseur en reisde met zijn gezelschap naar Frankrijk. Grote liefde ontwikkelde de familie voor Frankrijk. Dertig jaar lang hebben zij de plaats Limetz bezocht, waar Joop middels de ‘Club Hollandais’ avonden verzorgde.

afb. 4, logo voor een zoon

Hij voelde zich er autotochtoon en is tot Citoyen d’honneur benoemd. Natuurlijk dienden zijn silhouetten als uitgangsmateriaal voor de affiches.

De silhouetten zijn prachtig materiaal voor illustraties. Joop Koevoets verzorgde reclamewerk voor het LOI, de Leidse Courant en kerstnummers van diverse bladen.

Ook heeft hij sprookjes- en declamatieboeken met silhouetten geïllustreerd uitgegeven. Hij heeft veel in opdracht gewerkt: een silhouet bij iedere cursus van het LOI, het boekje voor de Kerstviering van school, geboortekaartjes, ex-librissen en boekjes.

afb. 5, flyer voor Club Hollandais

Joop Koevoets heeft nooit actief contact met andere knippers gehad. Wel heeft hij andere schimmenspelers als Frans ter Gast gekend.

Omdat het vrije beroep van schaarkunstenaar en spraakleraar toch risicovol was, met een gezin met 3 kinderen, ging Joop, reeds achter in de veertig, ook spraakles geven op de Lom-school en de Pedagogische Academie Rotterdam. Eerst een paar uur, vervolgens meer uren, tot zelfs fulltime. Geknipt werd er echter niet minder, tot in de late uurtjes in zijn atelier! Wel veertig jaar lang met hetzelfde nagelschaartje. Ooit heeft hij een nieuw schaartje geprobeerd, maar dat voelde niet goed!

afb. 6, Joop Koevoets, 8,5 x 13 cm

De silhouetten waren meestal op de natuur geïnspireerd. Hoe ging de heer Koevoets te werk? Zijn vrouw vertelt: “Tijdens het wandelen had hij altijd een stapeltje kaartjes bij zich (oude bibliotheekkaartjes met een lege achterkant). Ik droeg de driepoot, een uitklapbaar krukje. Zeer snel zette hij een klein schetsje op, zo snel dat hij zelden van het krukje gebruikmaakte! Ik heb wat met dat krukje gesjouwd!”

Vervolgens werd de schets thuis uitgewerkt op zwart papier (Het beste papier vond hij het verduisteringspapier uit de oorlog.) en daarna geknipt. Met nadruk op geknipt en niet uitgeknipt. Als het snelbewegende papier anders wilde dan de tekening, dan werd het silhouet bijgesteld. Een duidelijke trots voor Joop was als hij een knipsel / silhouet aan zijn vrouw liet zien door het aan een punt omhoog te houden, zodat je goed zag dat het uit één stuk geknipt was.
Volgens Joop Koevoets haalt een met zwart opgevulde tekening het niet bij een schaarsnede, het minimale opstaande randje na het opplakken geeft net de extra dimensie aan het werk.

Drie onderwerpen heeft Joop onder de schaar gehad:
schimmenspellen; mensfiguren, aanvankelijk naar het leven, bijv. Oliver Twist van Charles Dickens en later bekende figuren; en de natuur.

afb. 7, Joop Koevoets, 10 x 11 cm

Voor de laatste schaarsneden die hij heeft gemaakt, adviseerde zijn vrouw hem om onderwerpen uit de literatuur te nemen.

Het hele gezin is altijd betrokken geweest bij vaders activiteiten. Vanuit huis vond alles plaats: knippen, schimmentheater, optreden met declamatie, regisseren van toneelstukken tot in Frankrijk aan toe, en de familie heeft zelfs zeven jaar lang een “Toneelkostuumhuis” gehad. Dat was hard werken volgens mevr. Koevoets. Er werden veel kostuums verhuurd en het jaarlijkse Bloemencorso werd door hen aangekleed.

Zoals vrouw en zoon zeggen, is de heer Koevoets te jong overleden, 74 jaar. Hij was versleten doordat hij eigenlijk twee banen had en niet ‘nee’ kon zeggen. Trots is mevr. Koevoets dat de capaciteiten van zowel vader als moeder (schilderen en boetseren) in de kinderen voortleven, en misschien ook wel in de kleinkinderen.
De oudste zoon is docent tekenen en regisseert een pantomimetheatergroep. Zijn vrouw is gestimuleerd door schoonvader Joop, en doceert kalligrafie. De tweede zoon zet de Franse contacten voort en de jongste is gitarist. Voor hun activiteiten gebruiken alledrie de zonen knipsels van hun vader.

Ik heb genoten van het bezoek en ben eigenlijk reuzebenieuwd geworden om ooit eens een schimmenspel van Joop Koevoets te mogen zien. Ben ik de enige?

Joke en Jan Peter Verhave

Willem Eigeman, 1756‑1839, Knip-Pers 1996-3

“Eigeman, Eigeman, hoe maakte u zich de schaarkunst eigen, man?”

afb.1, Willem Eigeman, 29 x 23 cm

Op twee van uw nagelaten knipprenten zien wij het woord ‘Schaarkunst’ voorkomen. In het knipsel op de voorpagina (29 x 23 cm) zien we in het midden een ovaal medaillon (10 x 8,5 cm), waarop in bruin gedrukt een afbeelding van een vrouwenfiguur met een engeltje aan haar borst; daaronder een handgeschreven tekst: “Jesaia 49 vers 15 het eerste gedeelte: Kan oock eene vrouwe hares zuygelinghs vergeeten, dat zij haer niet en ontferme over den sone hares buycks?”
Boven het medaillon is een draperie geknipt (8 cm lang), met daarop handgeschreven het woord ‘Schaarkunst’. Dit alles is omgeven door fijne ruitmotiefjes en met een rand van diagonale streepjes en grotere bloemmotieven in de hoeken.

afb. 2, Willem Eigeman, 28 x 19 cm

Op de achterpagina van deze Knip-Pers zien we een knipselprent met in het midden, in geknipte letters, ‘Schaarkunst, gedaan door Willem Eigeman. In ’t jaar 1782’. Zowel de rand als de tekst is geheel geknipt (totale afmeting 28 x 19 cm). Toen was u 26 jaar oud. En dit jaartal 1782 vinden wij op meerdere prenten terug. Het papier waarvan u de prenten maakte, is voor onze huidige begrippen zo dik, dat het werk eerder gesneden dan geknipt kan zijn. Wij zouden thans zeggen: het is papier uit een schetsboek. Hoewel ze er delicaat uitzagen, kon ik de knipsels rustig bij een punt optillen om te tonen hoe stevig zij in wezen zijn.

afb. 3, Willem Eigeman

In 1977 heb ik het knipwerk namelijk mogen fotograferen bij een achter-achterkleindochter van Willem Eigeman. Zij had zijn album met alle knipsels tussen blauw papier – zoals alle antieke knipsels vroeger bewaard werden – bij haar in huis en vond het griezelig om ze ‘zomaar’ thuis te hebben liggen, gezien de vermoede waarde van het geheel. Zij wilde er graag foto’s van hebben en dan de originele exemplaren in een kluis opbergen om ze te vrijwaren voor brand- of inbraakgevaar.
Heel toevallig kwam mij nú, 18 jaar later, in november 1995, het krantenbericht onder ogen dat de collectie bij Bubb Kuyper te Haarlem in haar gehéél geveild zou worden (richtprijs fl 20.000‑30.000).

 

Dit zijn het soort veilingen waar doorgaans verzamelaars naar toe gaan. Er stond in de berichtgeving: “Maar volgende week wordt een uitzonderlijk object geveild, dat het bekijken waard is. De collectie Knipkunst van Willem Eigeman (1756‑1839). Een kleine 40 bladen papier, die met schaar zijn omgetoverd tot ragfijn knipwerk, met in het midden menselijke figuurtjes of een tekst.”

afb. 4, Willem Eigeman

Later vernam ik dat de collectie voor fl. 32.110,- aangekocht was door het Museum ‘De Lakenhal’ te Leiden. Dit is niet verwonderlijk, omdat Willem Eigeman een koopman in Leiden was. De knipsels zijn dus nu weer in hun geboortestad teruggekeerd!

In de catalogus van de kniptentoonstelling ‘Schaarkunst’, die in 1983 in het Openlucht Museum werd gehouden, wordt op blz. 43, bij het overzicht van de oude knipkunst, Willem Eigeman ook genoemd door Joke en Jan Peter Verhave.

Een knipsel dat wel vaker is afgebeeld en dat verscheidene knippers, denk ik, wel kennen, is ‘De kinderspelen’.

afb. 5, Willem Eigeman, 23 x 18,5 cm

Een symmetrisch knipsel met in tien cirkeltjes een kind met een hoepel, diabolo, trommel, kegelspel of een tol, als rand om twee harten, met in elk hart een kind met een vlieger. Voor de velen die dit knipsel niet kennen, is het hier dus nog maar eens afgebeeld, en bedenk daarbij dan even dat elk cirkeltje waarin een spelend kind is afgebeeld, slechts 2,5 cm doorsnee heeft.

afb 9, Willem Eigeman, de Winter, 29 x 23 cm

Op de achterkant van het maartnummer 1996 van de Knip-Pers stond ook een knipprent van Willem Eigeman afgedrukt, ‘De Winter’ genaamd  (afb. 9), met een langwerpig middenstukje (11,5 x 5 cm), waarin een vrouwtje in een slede voortgeduwd wordt door een mannetje, onder een geknipt schaartje en ook geknipte titel ‘De Winter’. Het geheel is omgeven door symmetrische figuren die aan ijsbloemen op de ruit doen denken.

Willem Eigemans eerste vrouw, Maria Beusemaker, stierf in 1806 en zes jaar later, op 23 augustus 1812, hertrouwde hij met Johanna Geertruy Alting. Dit verklaart dat hij op 66‑jarige leeftijd nog zijn koperen bruiloft viert en daarvoor een knipprent (afb. 10) maakt met de

afb. 10, Willem Eigeman, 1825, 29 x 22,5 cm

handgeschreven tekst: ‘Ter nagedachtenis , der 12½ Jaarigs Echtvereeniging van Willem Eigeman en Johanna Geertrui Alting. Ingevallen den 23 Februari 1823’ en ‘Heere! Maakt ons bekent ons einde, ende welke de mate onzer dagen zijn, dat wij weten, hoe vergankelijk wij zijn. Psalm 39 vers 5’. De tekst is omgeven door bloem- en bladmotieven en geplaatst op een geknipte ondergrond in de vorm van baksteentjes, waarin nog een rankenrand verwerkt is.

Bij het nagelaten werk zijn ook gelegenheidsprenten, die nog geen ingevulde namen of teksten vertonen en waarvan de versieringen negatief (weg)geknipt zijn. (afb. 13)

afb 13, Willem Eigeman, 29 x 23 cm

Verder zijn er nog verscheidene knipsels met streng symmetrisch ingedeeld ruitmotieven

afb. 6, Willem Eigeman

met bijvoorbeeld een arrenslede in de middencirkel (afb. 7, afmeting gehele knipsel 23 x 18,5 cm),

afb. 7, Willem Eigeman, 23 x 18,5 cm

een wapenknipsel (gezien de Leidse wapensleutels waarschijnlijk van Leiden?) (afb. 8)

afb. 8, Willem Eigeman, (16,5 x 20 cm

maar ook een langwerpig, niet symmetrisch jachttafereel met bomen, herten, honden en jagers (afb 12),

afb. 12, Willem Eigeman, 15 x 23 cm

en twee kleine, uit gekleurd papier samengestelde knipsels van de verboden vrucht plukkende Adam en Eva met slang in het paradijs, en het vervolg daarop: Adam en Eva die daarom door de aartsengel uit het paradijs verdreven worden.

afb. 11, Willem Eigeman, Adam en Eva worden uit het Paradijs verdreven

Voor zover ik heb gezien en heb kunnen constateren, knipte Willem Eigeman uitsluitend uit wit papier. Om die reden vroeg ik me af of de twee laatstgenoemde knipsels wel van zijn hand zijn.

To van Waning-Mijnlieff

Willem Eigeman is in 1839, op 82-jarige leeftijd, in Leiden overleden. Tot en met 18 november 1996 kunt u zijn werk in Museum ‘De Lakenhal’ in Leiden bekijken.