Auteursarchief: admin

Overgeleverde knipsels, Knip-Pers 1998-4

Onlangs kochten we op een markt voor een paar tientjes een aantal knipsels van WiecherTjeert Lever. Levertjes zijn nog regelmatig te koop. Hij heeft er ook zoveel gemaakt in de ruim 30 jaar van zijn knippende leven! En zoveel duizenden bezoekers hebben ze onder zijn schaar vandaan gekocht. In 1981 kwam er een plotseling eind aan zijn productieve leven. Geleidelijk aan komen nu uit de boedels van mensen die ooit het Museum van Knipkunst bezochten, zijn knipsels weer op de markt. Naar aanleiding van onze aankoop leek het ons goed om weer eens iets over deze pionier te vertellen. Natuurlijk is er over hem ook in het knipselmuseum van zijn dochter Tobia Lever in Schoonhoven veel te weten te komen. Een van onze nieuwe aanwinsten, een vaas met bloeiende kamperfoelie, stamt uit zijn eerste periode in Muntendam. Die tijd, omstreeks 1950, willen we nog eens uitlichten.

afb 1, W.Tj. Lever

Lever had in dat dorp zijn atelier ‘De Meeuw’ en was al sinds de oorlog actief aan het knippen. Hij raakte geïnteresseerd in wat knippers vóór hem gemaakt hadden en waar zij hun inspiratie en beelden vandaan hadden. Lever probeerde een bestaan als knipper op te bouwen; hij reisde veel en gaf door het hele land demonstraties. Bovendien had hij er slag van om de aandacht te trekken van journalisten, waardoor hij een bekende persoon werd. En dat kwam niet in het minst door de uitgesproken ideeën die hij uitdroeg over kunst, volkskunst, politiek en geloof. In het kleine wereldje van naoorlogse knippers gaf dat soms een wat ongemakkelijke verhouding.

Met name verafschuwde Lever de manier waarop Hil Bottema in het Openluchtmuseum oude vormen uit de kunstnijverheid, zoals harten en levensbomen, ingang probeerde te laten vinden bij de nieuwe generatie onderwijzers en knippers. Voor het goede begrip: de Duitsers hadden voor en tijdens de oorlog de volkskunst opgeblazen als het volkseigen van het arische ras, dus zouden die oude (Germaanse) vormen ons in het bloed zitten. Lever moest hier niets van hebben. Tussen hem en Hil is het nooit meer goed gekomen.

Met wie hij wel een goede verhouding had, was de ‘folkloristische Line Huizenga-Onnekes, een oude dame die veel volksverhalen in het Groningerland had opgeschreven en die zich voor de geschiedenis van het knippen was gaan interesseren. Line wilde een boek schrijven over de knipkunst en Lever werkte daar graag aan mee, omdat hij bij zijn vele activiteiten overal in ‘t land oud knipwerk was tegengekomen. Hij speurde naar de herkomst en de makers en had zo een grote kennis opgebouwd. In die tijd van samenwerking lezen we in de briefwisseling veel over wat hen bond en waarin ze met elkaar van mening verschilden. En Lever nam daarin niet altijd een blad voor de mond. Hij schreef wat hij vond, met name over andere knippers. Omdat Line Huizenga met alle knippers goede contacten wilde houden, onder meer met Hil Bottema, werden er nogal eens harde noten gekraakt in de briefwisselingen. Daaruit leren we wel heel goed hoe Lever dacht over volkskunst en over zogenaamde levensbomen, die in de volkskunst zo vaak voorkomen. Lever zag daarin niet zozeer een diepe betekenis, maar een makkelijke (symmetrische!) manier om een aardige vorm te maken.

Intussen kreeg Lever steeds meer oud en nieuw knipwerk onder ogen, restaureerde beschadigde stukken en vervaardigde hij vaak ook geknipte kopieën voor zijn groeiende verzameling. Hij maakte in 1953 zelf een soort knipleer gang: ‘Op nieuwe wijs, naar oude trant’; niet als concurrent van het gezamenlijke plan, maar om mensen te stimuleren zelf te gaan knippen.

Van een gezamenlijke beschrijving van de Groningse knipkunst is het niet gekomen en Line helde er steeds meer toe over om het boek zelf te schrijven. Maar ze bleef tot aan haar overlijden met Lever in contact en profiteerde van diens alsmaar groeiende kennis over de knippers van vroeger. Lever heeft altijd ontzag voor haar gehouden en bleef haar steeds ‘Mevrouw H’ noemen. Van een boek is het niet gekomen. Line is in 1956 gestorven met het volledige manuscript ‘Juweeltjes van knipkunst’ onder haar bed. Wij hebben in de loop van de jaren veel en dankbaar gebruik kunnen maken van de door haar bijeen geschreven kennis van Lever en van haarzelf.

afb 2, W.Tj. Lever

Hier volgen een aantal citaten uit de brieven die Wiecher Lever aan Line Huizenga stuurde.

16-8-1948: “Misschien is het mogelijk om in de toekomst een werkje over knipkunst te doen uit geven waarvan U het Historisch en ik het gedeelte over de techniek kan verzorgen… Ik zie het gaarne dat U mijn naam noemt als ontdekker van Geert Jager (Groninger knipper omstreeks 1900)… Dit is niet uit ijdelheid of eerzucht, maar uit behoefte aan steun ende reclame. U mag gerust van alle door mij aan U gedane mededelingen gebruik maken…”

5-3-1952: “Weest U niet bezorgd dat ik U in de steek laat. Hierbij in haast een flink stuk werk. Het hoofdstuk Knipkunst als volkskunst. U ziet wel, ik heb de beschouwing niet in scherpe stijl gezet, maar geprobeerd ze als één geheel te brengen.”

4-9-1952: “Anders sta ik tegenover Uw mening omtrent levensbomen Volgens mij kent de spontane volkskunst deze vormen niet. Ik heb soms het idee dat dit primitief werk vaak gebrek aan fantasie is… Misschien ben ik te nuchter.”

18-9-52: “Waar koersen wij heen. We zijn overeengekomen samen een boek te schrijven, waarvan ik het hoofdstuk ‘Volkskunst’. Nu verwerpt U beider namen als samenschrijvende en zoekt U een uitweg voor mijn naam… Volledig heb ik mij gegeven en ik ben bereid dit verder te doen, doch met alle respect voor Uw ervaringen, durf ik mij toch wat de knipkunst betreft, de meest ervaren en geroutineerde werker te noemen.”

30-12-52: “Mijn leerboekje is mede bedoeld om het werk van het Openluchtmuseum en haar propaganda die ook enigszins hol is, in bedwang te houden.”

6-5-1953: “Kunst en volkskunst kunnen mijns inziens wel door dezelfde beoefend. Ik zie daarin niet de graad van bekwaamheid maar de bron waaruit de vormgeving geput wordt.”

Line schrijft op 8-5-1953 en citeert een andere knipper, Gert Evers:

“Hij vindt dat U fantastisch goed knipt, maar dat u jammer genoeg niet verder komt dan duivenhok, vogels, watervogels, herten en bloemen. Veel kopiëerwerk. Een beetje gelijk heeft hij, vind ik wel.”

Lever gaat daar niet op in en op 6- 6-1953 zet hij de discussie over levensbomen voort. Hij citeert een Friese verzamelaar van merklappen: “Ik heb meer als 250 letterlappen. Er staat van alles op. Die echter symbolen zoekt vindt er niet een.” Lever voegt toe: “Zelf zou ik willen aanvullen, die er persé toch wil zoeken, vindt wel een verwant struikje.”

En over het onderscheid tussen Kunst, Kunstnijverheid en Volkskunst: “Ik spreek liever van geschoolde kunst (intellectueel) en volkskunst (godsdienstige of omgevingsmotieven) en vat dit samen in het begrip KUNST, in tegenstelling tot kunstnijverheid die ik vaak als souvenier-industrie zie (decoratie door ontwerpers en nawerkers).

6-12-1954 Zit hem de werkwijze van Hil Bottema nog steeds dwars en hij schrijft aan Line Huizenga.: “U noemt mij niet erg gemoedelijk en schrijft: geeft ook anderen de ruimte. Voor de oude werkmethode (eenvoudig en verfijnd) is door haar (Hil Bottema) iets eigenzinnigs in de plaats gekomen, een systeem, dat vloekt met de werkelijkheid.”

afb. 3, W.Tj. Lever

Zijn waarheid en werkelijkheid waren Wiecher Lever heilig, en zo nodig moest het maar op een minder vriendelijke manier gezegd worden. Line Huizenga heeft hem er herhaaldelijk op gewezen dat er plaats moest zijn voor andere ideeën in de ontwikkeling van de Nederlandse knipkunst, maar Wiecher is zijn eigen weg gegaan. Hij verhuisde in 1960 van Muntendam naar Roden en in 1965 naar Westerbork. Vanaf 1972 kenden wij Lever en zijn collectie en we hebben van die kennis gebruik gemaakt voor ons boekje ‘Schaar-kunst’ (1983).

In 1938 werd de collectie Lever geveild en die bleef gelukkig voor het belangrijkste deel in Nederlands bezit. Wij hadden het geluk een aantal historische stukken aan te kunnen kopen, dank zij goed overleg tussen de verschillende belanghebbenden. En nog steeds kijken we op markten en veilingen of we niet een karakteristiek Levertje kunnen bemachtigen. We hebben er intussen zo’n 20, uit wit papier op zwart of omgekeerd, gesigneerd en netjes in kleine lijstjes gezet. Je herkent ze uit duizenden, maar hij heeft er dan ook duizenden gemaakt. Hij moest er van leven en dat maakte zijn producten enigszins voorspelbaar. Naar onze smaak is het de grootste verdienste van Lever geweest dat hij liet knippen heeft gepopulariseerd aan de hand van wat knippers vóór hem gemaakt hadden.

Joke en Jan Peter Verhave

Bronnen:
Het archief van Line Huizenga- Onnekes.
H, Kruizinga (1952), De tovenaar van Muntendam. De Vriend des Huizes 68, 481-483.
Joke Verhave en To van Waning (1986), Line Huizenga en Hil Hottema. Geïllustreerde uitgave van de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst en nog verkrijgbaar voor fl 6,60 (mcl. porto) op giro 26 58 240 van redactie Knip-Pers te Bennekom.
Henk van Ark (1997), Wiecher Tjeert Lever, Papierknipper en verzamelaar. Nieuwsbrief 10-3, Ned. Museum van Knipkunst/Stichting W.Tj. Lever.

Fris van de lever, Knip-Pers 1999-1

Vorige keer schreven we over de knipper Lever in zijn vroege periode. Hij woonde toen in Muntendam en reisde het land door met zijn schaar en zijn verhaal. Veel van die verhalen gaf hij door aan Line Huizenga-Onnekes, met wie hij samen een boek over knippen wilde schrijven.

afb. 1, Tobia Lever (uit: Op nieuwe wijs naar oude trant, 1952).

Intussen merkte hij dat het lukte om mensen aan het knippen te krijgen, vooral kinderen die nog niet zo bevangen zijn van vaste ideeën over vormen en betekenissen. Hij schreef een handleiding, die hij als een leerboekje in 1952 uitgaf. Het eerste hoofdstukje heet: “Om kinderen bezig te houden en zelf routine te verwerven”. Het gaat daar dus eigenlijk niet om knippen mét, maar vóór kinderen. Lever raadt aan om niet te hoog te grijpen en met eenvoudige poppetjes en kastrandjes te beginnen. Maar in een volgend hoofdstukje over ‘Vrije vormgeving’ vertelt hij:

“Toen mijn dochtertje eens op zevenjarige leeftijd naast mij zat te knippen, zei ze plotseling: “Zie eens Papa, nu heb ik een poes geknipt, maar dit kon ik er niet aan krijgen” en ze maakt met duim en wijsvinger een beweging op de plaats waar de snorharen behoren te zitten. Even later klinkt het: “Nou heb ik dit er ook aan, maar nu heb ik de oortjes vergeten en nu heeft hij dus een gladde kop”. Een volgende keer probeert ze een meisje te knippen die bloemen plukt of een meisje dat aan een tafeltje zit met bloemen in een vaasje geschikt, of een die met een kinderwagen wandelt. Altijd hebben die meisjes een vleçht op de rug… Dit alles is haar sfeer en in de eerlijke naïviteit ligt de schoonheid van haar werk.”

We herinneren ons dat Lever het land had aan zogenaamde volkskundige motieven, die op kunstmatige manier via cursussen werden overgedragen, in plaats van te zijn overgeleverd. Dat wat een kind knipt, schatte hij veel hoger. In de nalatenschap van Line bevindt zich een handschrift van Lever dat een goed beeld geeft van de manier waarop hij zijn eigen kinderen met schaar en papier vertrouwd maakte. ‘t is getiteld:  ‘Het atelier’.

Het is een donkere morgen begin december. Zulk een morgen waarbij je het lamplicht niet missen kunt. Buiten plenst eentonig de regen. Mijn vrouw is achter bezig, en mij is de oppas van vier kleuters opgedragen. Twee meisjes van bijna 7 en 1 jaar, twee jongens van 5 en bijna 3 jaar.

Om zelve door te kunnen werken heb ik de drie oudsten ook een schaar gegeven. No 1 is al vouwend voor no. 4 aan het poppetjes knippen, welke laatste ze met speeksel aan het raam tracht te plakken. No. twee ontleed kranten, door overal prentjes weg te knippen. No. 3 versnippert de overgebleven geraamten der kranten. Tracht U een voorstelling van mijn huiskamer te maken en U hebt een twintigste eeuws atelier van een knipkunstenaar.
De harmonie die ik U zoojuist schetste wordt plotseling wreed geschonden. Mijn vrouws hoofd verschijnt in de deuropening. Het oudste meisje ,moet snippers in een emmertje verzamelen. De oudste jongen trekt zich met een stenen poppetje. ‘een boertje niet juk en emmers’ in een hoek terug. De vrouw gaat echter weer aan haar werk De oudste knipt weer, de tweede haalt weer prentje uit, de derde snippert, en de jongste weert zich thans dapper met een veger in het emmertje net de vergaarde snippers, het geheel tussen zijn beentjes vattend, als een dwerg in een grote vijzel, en dan maar roeren.
Nu komt de oudste hij me, en legt mij vol trots de producten van haar fantasie voor, het zijn een vijftal kleine knipsels, welke zij zelf aldus omschrijft:

  1. Een boom, grassprietjes en een kat
  2. Een stoeltje, een meisje en een mand met appels.
  3. Een kopje, een suikerpot en een koffiekan.
  4. Een huisje, een meisje en een boompje.
  5. Een bootje waarin een jongen en een meisje.

Dit is mijn gedachte, het zuiverste ontstaan van volkskunst, een kind dat weergeeft wat haar omgeving biedt, en aan haar fantasie wordt overgelaten.

afb. 2, Wiecher Lever, silhouet door Wiecher van zijn dochtertje Tobia, 14 maanden oud (afb. archief Huizenga-Onriekes).

In gedachten zie ik weer de verzameling, in bezit van mevr. Ris-Loos te Stadskanaal. Meer dan 100 stukjes knipwerk, van kinderlijke eenvoud. Vele zijn bijna gelijk van vorm. Als materiaal dienden oude brieven, behang, en zelfs een etiket van een medicijnflesje. Het is een verzameling overgelaten door haar over grootmoeder, dus waarschjjnlijk van ongeveer 1800. Bij het zien van zulk een verzameling zie ik het gemoedeljjk verleden. De haard met zijn lekkende vlammetjes. een groepje dartele schoolkinderen met de schaar tegen elkanderen wedijverend. Op oudere leeftijd zullen zij de plaatjes geknipt hebben voor hun Album amicorum’, en weer later als volwassenen, de huwelijksknipsels uit die dagen, waarin hart en kroon zulk een voorname plaats innamen. Ditzelfde gaat voor mij herleven als ik het kinderwerk van het bijna zevenjarig meisje door de vinger doet glijden. Het kan weer worden, dat schier elke familie een lid heeft dat de knipkunst beoefent. De volkskunst die geen materiaalkosten mee brengt, en toch door zijn mogelijkheid tot verfijning, zich leent tot beoefening in alle bevolkingslagen.

Het oudste meisje uit dit intieme gezinstafereel is Tobia, die nu het werk van haar vader voortzet. Zij en haar partner Henk van Ark beheren het Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven. Net als Wiecher Ljever verzamelen zij oude en nieuwe knipsels en de geschiedenis daaromheen. Een belangrijk deel van de in 1988 bij Christie’s geveilde collectie van haar overleden vader hebben zij kunnen verwerven, dank zij steun van culturele instellingen. Hun groeiende verzameling stellen ze ten toon, ze geven andere knippende gelegenheid om hun werk te laten zien en wij mogen daarvan genieten. Wat een bijzondere opleiding heeft Tobia gehad, om tussen de knipsels en snippers op te groeien en nu zelf tot knipkunstenaar uitgegroeid te zijn!

afb. 3, Bruidspaar door Tobia Lever, 9 jaar oud (uit: Silhouetten knippen)

Wij wensen Tobia en Henk met hun museum een goed seizoen. Het zou fijn zijn als de redactie van de Knip-Pers zo nu en dan een artikel uit de Nieuwsbrief van de Stichting W.Tj. Lever zou mogen overnemen, en omgekeerd.

Joke en Jan Peter Verhave

Letterlijk en figuurlijk, Knip-Pers 1997-4

De Leidse knipgroep gaat een tentoonstelling houden in de Doopsgezinde Kerk van Haarlem. Een goede aanleiding is een ingelijst knipwerk dat in die kerk hangt met het bekende gebed dat Jezus ons geleerd heeft, het ‘Onze Vader’. Maar wie het knipsel gemaakt heeft, is onbekend. “Om van dit knipsel uit te gaan, graag wat meer gegevens”, vroegen de dames ons. “Ook de Doopsgezinde gemeente zal dat zeker erg waarderen”. De lezers van de Knip-Pers bovendien, hopen wij.

Welnu, het knipsel is gemaakt door de Haarlemse schilder H.J. de Jongh. Zijn vader was Thomas J. de Jongh, (1818-1881) te Alkmaar, die zeer grote gedenkstukken knipte, onder andere bij de herdenking van Laurens Jansz. Coster in 1856.

afb. 1, H.J. de Jongh uit Haarlem

Hij knipte net als zijn vader sierlijk schrift, en vatte het met een eigen stijl in lofwerk van krullen, bloemranden en -festoenen. Hij koos als onderwerpen ge dichten en spreuken, bijvoorbeeld: “Als ‘t buiten woedt, is ‘t binnen zoet”. Vaak werden ze versierd met passende symbolen. Ook maakte hij een knipsel bij de geboorte van prinses Juliana. Zijn witpapieren spreuken zette hij op een achtergrond van blauw fluweel, zodat de regelmatige letters en hun versie ringen levendig afsteken tegen de donkere achtergrond (fig. 1, voorbeeld van een geknipte tekst; de kopie van het ‘Onze Vader’ is niet geschikt om af te beelden).

Het was niet ongebruikelijk om het ‘Onze Vader’ uit te beelden. In veel oude protestantse kerken staat het gebed in fraaie letters geschilderd op een opvallende plaats, naast de Tien Geboden. Het Woord stond in de Calvinistische en Doopsgezinde kerken nu eenmaal centraal en afbeeldingen van de Bijbelverhalen, zoals in de Roomse kerken (boeken der leken!) of huizen (devotionalia) pasten minder goed bij de protestanten. Daarom leefde men zich uit in sierlijke krullen en in letters van allerlei types en grootte. De teksten werden er letterlijk figuurlijk van!

afb. 2, ‘Onze Vader’ , D. Pasterkamp te Nieuwendam,1860, Westfries Museum te Hoorn.

Een andere Noord-Hollander, D.H. Pasterkamp, woonde in Nieuwendam en knipte omstreeks 1860 een groot ‘Onze Vader’ (afb. 2).

Ook zijn tijdgenoot Jan Tonkens, werkzaam op het Blauwhoedveem te Amsterdam, heeft het ‘Onze Vader’ geknipt. Hij was een begaafd mens, die door zijn omgeving niet begrepen werd en zich uitleefde in het knippen van magnifieke letterknipsels met kantachtige omlijsting (fig 3).

afb. 3, Jan Tonkens, particuliere collectie

Verder wordt in Museum ‘t Coopmanshûs te Franeker een fijn geknipt ‘Onze Vader’ met fraaie letters bewaard, van een Friese schaarkunstenaar, J.W. Adels (± 1850).

De bekende knippende dominee Jan Cornelisz. de Bleyker (1707-1783) was vanaf 1747 ‘leeraar’ aan de Doopsgezinde Kerk van Alkmaar. Behalve ‘kunstvaardig’ knipper was De Bleyker ook kleinschrijver, die zonder vergrootglas het ‘Onze Vader’ tien keer op de grootte van een stuiver kon schrijven.

De silhouettenknipper Kees Bakema schreef omstreeks 1950 aan mevrouw Huizenga-Onnekens, die toen een boek over de knipkunst aan het schrijven was, dat de knipster mevrouw Kerp een ‘Onze Vader’ uit 1831 ter restauratie had van een Utrechtse familie. Het had reliëf, met bloemenkransen en engeltjes. De bloemen waren heel verscheiden en goed uitgebeeld. Wij weten verder niets van dit knipsel, maar als ze nog bij ons was geweest, zouden we haar graag eens vragen of zij als Joodse vrouw die opdracht met plezier had uitgevoerd, en natuurlijk ook of er een afbeelding van in de Knip-Pers zou mogen worden afgedrukt…

Natuurlijk werden ook andere teksten geknipt, zowel godsdienstige als gezegden en gedenkstukken (“Uit achting op de eerste verjaring van Hinderikje Kampherbeek geboren te Lutten den 24 Mei 1853”. geknipt door Jannes Grootenhuis te Almelo, fig. 4).

afb. 4, Jannes Grootenhuis te Almelo, 1853

Het opvallende in veel 19de eeuwse teksten is, dat er een allegaartje van grotere en kleinere lettertypen werd gebruikt: hoofdletters, schrijfletters, gothische letters. Dat was niet alleen bij knippen het gebruik, maar ook in gedrukte teksten (fig. 5). Letters als figuren, eigenlijk een overdreven versiering die de tekst moest verfraaien. Het is zeer kunstig ambacht, dat past in de romantische sfeer van die tijd, maar naar ons gevoel soms te mooi voor ‘t mooi.

afb. 5, Grotere, kleinere en verschillende lettertypen op één (titel)blad van een 19de eeuwse catalogus.

Tenslotte nog één bekend voorbeeld, alweer uit Noord-Holland: Arie Tergant. Hij maakte teksten met tekenpen en schaar, waarbij de schrijfletters in een overdaad aan krullen werden gehuld.

Het doet denken aan de schoonschrijverij of kalligrafie, die in de eeuwen daarvoor in de mode was. Om het ovaal met de spreuk zette hij een aanvullende tekst in hoofd In een van zijn stukken (fig 6, “Gedenk te Sterven”, uit 1829) zien we een grappig detail, hij gaat opeens over op cursief:

O MENSCH GEDENK U DOOD DAAR GY NOG HEDEN STAAT
WANT EENMAAL NAAKT DE TYD dat Ook U Sterfuur Slaat

afb. 5, Arie Tergant uit Winkel, 1829, ‘Gedenk te sterven’

Kennelijk kwam hij niet uit en loste Arie het probleem op door een lettertype te gebruiken dat minder ruimte innam. Wij zouden zoiets in ons eigen werk als storend ervaren, maar in de vorige eeuw vond men variatie juist harmonieus. Zo heeft elke tijd haar mode en kijken wij met de bril van onze eigen knipcultuur en knipervaring naar de knipsels van vroeger. Niet altijd vinden wij het mooi en wij zouden soms andere teksten aan de muur hangen, maar het werk was vaak wel kunstzinnig of kunstnijverig. Zo kijken anderen ook naar onze knipsels en zo kijkt u zelf waarschijnlijk ook naar knipsels die u jaren geleden heel ijverig en serieus maakte. De uitdaging blijft om een letter, een woord of tekst, een naam zo in een figuur te knippen dat het onszelf en mensen om ons heen treft, ontroert of onrustig maakt: “Gedenk te leven” of “Onze Moeder”… Figuurlijk gesproken, letterlijk geknipt.

Joke en Jan Peter Verhave

Kleurige zwartjes, Knip-Pers 1998-2

Knippersdagen zijn altijd weer een bron voor nieuwe ontdekkingen. Deze keer kwam Meta Bardet aan met een klapper vol vrij eenvoudige knipseltjes uit het bezit van een familie hij haar in de buurt. Er zat zelfs een korte beschrijving hij van de maker. “Jullie kunnen daar vast wel wat mee”, vond ze. En inderdaad, wij hebben het verhaal wat uitgebreid en bijgewerkt en we vonden het (om technische redenen niet plaatsbare) portret van de knipper, A.C. de Zwart. De knipsels lagen in een familiebijbel van een kleindochter, wijlen mevrouw A.C. de Zwart. Ze zijn nu bij een achterkleinzoon, Herman Middelkoop, die samen met zijn echtgenote veel van de bovenstaande gegevens verzameld heeft. Maar er valt nog een heleboel uit te zoeken en dat is goed voor een vervolg.

Aart Cornelis de Zwart, werd omstreeks 1830 geboren en groeide op in de tijd van de geloofsonderdrukking van degenen die zich hadden afgescheiden van de Hervormde Kerk (de latere gereformeerden). Velen van hen emigreerden naar Amerika en stichtten daar de vele Hollandse plaatsen in de staten Michigan en lowa. Toen die episode voorbij was, ontstond de strijd voor christelijke scholen. Een van de eerste, voor onderwijzers, was de christelijke Normaalschool voor jongens, de Klokkenberg in Nijmegen, opgericht door Mr. J. van der Brugghen.

Aart kreeg hier zijn opleiding en leerde zijn drie talen zo uitmuntend, dat hij meteen een aanstelling kreeg als gouverneur bij een adellijke familie. Kort hierna werd hij onderwijzer aan de Franse school in Antwerpen. Daarna kwam De Zwart in contact met de Duitse evangelist Franken, een man van de protestantse inwendige zending, die in Hamburg een school voor verwaarloosde jongens had: das Rauhe Haus. Hij werd later benoemd als hoofd van een school in Groningen, op de Ossemarkt. Uiteindelijk is hij nog hoofd van een school in Den Haag geworden. Meester de Zwart is dus eigenlijk nooit gewoon onderwijzer geweest.

Hij ging schrijven voor de uitgeverij Höveker en Zoon te Amsterdam; dit was een uitgeverij van protestants theologische boeken en stichtelijke werken. Een bekend voorbeeld is de Christenreis van Bunyan. Bovendien maakte hij echte reisbeschrijvingen en boeken over de geschiedenis rolden van de pers. Kinderboeken met een duidelijke moraal, zoals die van Jan de Liefde (Klokje klinkt…) werden op (zondags)scholen veel gebruikt De Zwart schreef ook jeugdboeken, bijvoorbeeld voor de Kerst: ‘Vurige kolen in het ijskoude water; een Kerstverhaal met twee platen en omslag in kleurendruk’ en over de vaderlandse geschiedenis: ‘Een Nederlandsche Macchabeër; het leven van Prins Willem I aan de jeugd van Nederland verhaald’. Hij schreef twee boeken over Amerikaanse presidenten: ‘Hoe de zoon van den pionier president werd; de levensgeschiedenis van Abraham Lincoln aan de Nederlandsche jeugd verhaald’ en ‘Van de planken hut naar het witte huis; het leven van President Garfield aan de jeugd verhaald’, De onlangs overleden Amerika-kenner en Liedboek dichter Schulte Nordholt erkende dat het boek van A.C. de Zwart de enige Nederlandse levensbeschrijving was van de vermoorde president Lincoln die een zo belangrijke rol had gespeeld in de burgeroorlog tussen Noord en Zuid en de afschaffing van de slavernij! (Het was de tijd van ‘De Negerhut van Oom Tom’, een boek dat in ons land heel populair werd. Met name in hogere kringen werd er veel propaganda gemaakt voor de afschaffing van de slavernij, bijvoorbeeld in Suriname).

Verder vertaalde De Zwart preken van de grote opwekkingsprediker Spurgeon. De mensen konden zich abonneren en kregen iedere week zo een preek toegestuurd. In de familie werden 600 preken in een bundel bewaard.

De Zwart is 48 jaar oud gestorven; in twee jaar tijd verloor het echtpaar een zoon van 14 en een zoon van 21 jaar. De weduwe kreeg na zijn dood een baan bij het Van Dijk huis te Amsterdam aan de Herengracht. Dat was een tehuis voor christelijke medische studenten. Zij werd er chatelaine en kon in haar onderhoud voorzien; de derde zoon kon toen ook verder gaan met zijn theologie studie. Die moest namelijk een jaar onderbroken worden, om met vertalingen de kost te verdienen, net zoals zijn vader gedaan had.

De knipsels zijn mogelijk in Groningen gemaakt, waar meester de Zwart ook nog voorlezer was in de Waalse kerk. Hij heeft veel traditionele motieven gebruikt, zoals planten in sierpotten, tafereeltjes en teksten. Een deel van de knipsels is uit bedrukt of gekleurd (kaft-)papier geknipt. De meeste zijn heel eenvoudig en doen soms denken aan de Noord-Hollandse pottenbomen. Andere zijn iets meer bewerkt en sierlijker. Als A.C. alle ruim 100 knipseltjes zelf gemaakt heeft (volgens de overlevering via zijn kleindochter), was hij zeker geen groot kunstenaar met de schaar, maar er straalt een zekere vrolijkheid af. En plezier in het knippen is, ook voor ons, toch het meest belangrijke! (wordt vervolgd)

Joke en Jan Peter Verhave

Rasechte Grunnegers, Knip-Pers 1997-2

Ingrijpende operatie voor het peerd van Ome Loeks

Na lang wachten heeft het Peerd van Ome Loeks, het bekendste beeld van Groningen voor het NS hoofdstation, een ingrijpende operatie ondergaan. Het ging niet goed met het Peerd. Te lang was er niets aan onderhoud gedaan, zodat het in erbarmelijke toestand verkeerde. Er waren scheuren ingekomen, de verf bladderde af en er zaten vlekken op de van oorsprong hagelwitte huid. Volgens de Amsterdamse beeldhouwer Jan de Baat is het uit 1959 stammende kunstwerk niet bestand tegen de weersomstandigheden. Het beeld bestaat uit twee delen en de kit ertussen laat water door. Tegenwoordig zijn er veel betere, waterafstotende lijmsoorten beschikbaar.
Inmiddels is er hard aan gewerkt om de conditie van zowel het Peerd als Ome Loeks te verbeteren. De gemeente zag zich genoodzaakt het totale beeld te demonteren, weer in elkaar te lijmen en het daarna van een nieuwe verflaag te voorzien. Om het goed te laten drogen werd er tijdelijk een partytent overheen geplaatst, die wel de wind doorliet maar niet de regen.

De heer N.G. Terpstra, onze knipper uit Nieuweschans en ook een rasechte Grunneger, knipte niet alleen Ome Loeks met het Peerd, maar plaatste het beeld voor de Martinitoren. Rasechte Grunnegers bij elkaar.

 

 

 

 

“Het sterke, welwillende Grunneger peerd dat trouwe kameraadschap uitstraalt, werd in de loop van de tijd ingeruild voor de oorverdovend ronkende motoren van tractoren. Het klassieke Groninger warm bloedpaard werd langzaam maar zeker van de boerenbedrijven in de agrarische sector verdreven en als overbodig met uitsterven bedreigd”, vertelt de heer Terpstra.

In Midwolda is er een vereniging, waarvan de leden zich bezighouden met het fokken van dit paardenras dat jarenlang zoveel zwaar werk heeft verricht, om het in ere te herstellen.

En ook de knipsels zijn gemaakt als herinnering aan een lange periode waarin dit paard nog de zware ploeg over het land trok. Een beeld dat nagenoeg uit het landschap is verdwenen.

Magda Helms

 

Voorjaar

dat is weer leven het rusten is voorbij
dat is werken
aan een volle bloei
in mei

Ben Verduyn

Onze Vader-knipsels, een rouwknipsel en een huwelijksknipsel, Knip-Pers 1996-4

afb. 1, J.W. Adels, Het ‘Onze Vader’, 18de eeuw, 26,5 x 23 cm, Het Coopmanshûs te Franeker

Afbeelding 1:
Van J.W. Adels is een papierknipsel bekend met het geknipte ‘Onze Vader’. Het is gesigneerd met “Schaarkunst door J.W. Adels” en het bevindt zich in het Coopmanshûs te Franeker.

afb. 2, J.W. Adels, Het ‘Onze Vader’, 18de eeuw, 32 x 25 cm, particulier bezit.

Afbeelding 2:
Uit particulier bezit is nu een tweede papierknipsel van J.W. Adels opgedoken. Ook dit is een ‘Onze Vader’, rechtsonder gesigneerd met “JW Adels”.

De tekst is gelijk aan het eerste knipsel, maar de manier waarop de letters geknipt zijn wijkt af. Ook de versieringen rond en tussen de letters zijn anders. In dit knipsel zijn meer symbolen verwerkt, zoals een Bijbel, een harp, een doornenkroon en een drinkbeker met gesel en lans. De symbolen voor het lijden van Christus. De vogels, de vlinders en de twee bazuinhoudende engelen zijn vanuit de achterkant iets opgewerkt en de contouren zijn door middel van het prikken van gaatjes aangegeven.

afb. 3, anoniem, Rouwknipsel, 1735, 20,5 x 29 cm, particulier bezit.

Afbeelding 3:
Het rouwknipsel heeft jaren gehangen in een kamer in het Weeshuis te Haarlem. Het komt uit het bezit van een familie De Cock In 1780 was ene De Cock weesmeester te Haarlem en heeft het werk waarschijnlijk aan het weeshuis geschonken. Of De Cock ook de maker is blijft een vraagteken. Het knipsel is geprikt en ingesneden om reliëf en versiering te krijgen. De tekst luidt:

“Een hart vol rou van Sonde
In Christus liefden bevonde
Dat kan wel zalig sterve
Ons levens kroon beerve”.

Onder de tekst zijn de initialen P D en C B geknipt. Het jaartal 1735 is met de pen geschreven.

afb. 4, anoniem, Huwelijksknipsel, ca. 1799, 23 x 35 cm, bruikleen Westfries Museum.

Afbeelding 4:
Van anonieme hand is het huwelijksknipsel, gedateerd 1799. Het werd gemaakt voor het echtpaar Pieter Leegwater en Neeltje Blom, die trouwden op 3 maart 1799.

Het knipsel bevat vele putti, waarvan één een toren draagt. Deze toren zou kunnen aangeven dat het echtpaar van Alkmaar kwam, want het wapen van Alkmaar heeft ook zo’n toren. Het figuurtje boven op de wereldbol met sterren, zwaard en vuur is mars, en wij nemen aan dat de molen met de boer en boerin onderin het knipsel het molenaars echtpaar Leegwater-Blom moet voorstellen. Het werk is met de hand ingekleurd.

Tonny Jurriaans

Elly Nannenga-Bremekamp, Knip-Pers 1997-1

Kunst is een uiting van ontroering
die oveveenkomstlge ontroering opwekt
bij een daartoe ontvankelijke waarneming.

Als een vogel, die plotseling opvliegt…
Op 2 mei 1996 is Elly Nannenga-Bremekamp, na een veelzijdig en tot het eind toe actief leven, overleden. Jarenlang was zij lid van onze vereniging en een wel heel productief knipster. Een enorm aantal knipsels, gebundeld in meer dan 25 ringbanden en gerangschikt naar de vele onderwerpen, zijn er uit haar schaartje gekomen; reeds bij haar leven geschonken aan het Museum voor Knipkunst in Westerbork.

 

Naast mij ligt er één in verschillende blauwtinten: een vogel in een starthouding, klaar voor de grote vlucht … Het is van januari 1996. Toch was dit niet het laatste, de toegift kwam in februari voor Valentijn: Twee engeltjes dragen samen een lila zilveren hart. Na “veel liefs van Valentijn”, schreef ze erbij: “Dit jaar was een Valentijnjaar voor mij!!” Als trouw en enthousiast lid bezocht ze op 15 april nog haar Knipkring Oosterbeek. Ondanks dat zij al enige tijd ziek was, kon niemand op dat moment vermoeden dat dit de laatste keer zou zijn. Op 11 mei op de Contactdag in Den Haag hebben wij haar herdacht.

Achter de persoon Elly Nannenga ging een grote veelzijdigheid schuil. Alleen al als knipster was ze zeer actief, had ze veel ideeën die ze ook uitwerkte en droeg ze haar enthousiasme graag uit. Spontaan en ogenschijnlijk gemakkelijk wist ze met de schaar vorm te geven aan gedachtenspinsels en de dingen om haar heen. Plant en dier vooral, als biologe niet zo verwonderlijk, en portretten, spelende kinderen, bruidsparen; ook grafische probeersels of knipsels met politieke thema’s over de vrouw.

Terwijl ze TV keek kon er plotseling een vonk overspringen: zag ze bijvoorbeeld een dame met een prachtige, zwierige hoed dan lag daar even later een knipsel van ‘op tafel, zomaar uit de losse hand geknipt. Ze tekende meestal niet voor, soms juist ook wel, of schetste alleen de hoofdlijnen voor de vlakverdeling. Ze dééd gewoon en experimenteerde graag, vooral met de stukjes papier die er afvielen. Daar zag ze nog iets in: zoals de gatenkaas en knipte er dan gauw een muisje bij. Voor de gezamenlijke opdracht van de Knip-kring versierde zij eens als enige haar knipsel met de afvallende snippers en bolletjes. Ook een favoriet van haar was het tegelijk knippen van één voorstelling uit twee verschillende kleuren papier. Enkele millimeters van elkaar verschoven op elkaar geplakt, krijgt het knipsel een sneeuw-, schaduw- of ander verrassend effect. Deze pioniersachtige eigenschap is al heel jong aanwezig en zal haar hele leven herkenbaar blijven.

Ze werd in het verre Indië geboren, maar had daar geen herinneringen aan. Toen ze twee was overleden haar moeder en broertje en vertrok ze met haar vader naar Zuid-Afrika, waar ze door een serie juffen werd opgevoed, sommigen lief, maar één helemaal niet. Haar vader hield zielsveel van haar. Aan Afrika had ze dan ook veel prettige herinneringen. Ze maakte verre en avontuurlijke reizen met hem en als negenjarig meisje bestuurde ze zijn Ford! Dat was bittere noodzaak want met zijn tweeën in de wildernis was de overlevingskans, als haar vader iets zou overkomen, afhankelijk van haar rijvaardigheid.

Tijdens die reizen al ontwikkelde zich de bevlogen en systematische verzamelaarster in haar, van stenen, schelpen, vruchten. Haar middelbare schooltijd bracht ze door op een kostschool in Oxford. Daarna keerde ze terug naar Nederland, om in Utrecht biologie te gaan studeren en voor haar plezier een deel geologie. Tot haar huwelijk werkte ze bij Organon, hartje oorlog inmiddels, en ging met haar man in Heelsum wonen. Ze kregen drie dochters en vier kleinkinderen.

Toen in de oorlog bij thuiskomst na een evacuatie bleek dat er van de verzamelingen weinig over was of een deel maanden lang in de tuin gelegen had, begon ze gewoon aan een nieuwe verzameling: van mossen dit keer. Ze had het weliswaar druk in een tijd zonder de gemakken van moderne apparatuur, terwijl ‘s winters de kachels nog met kolen werden gestookt. Maar het zwaarst moest van haar toch het zwaarst wegen: een goede moeder te zijn, die veel met de kinderen deed, zoals voor lezen, tekenen, knippen, plakken, schilderen, kleien, bellen blazen.

Er was een uitgebreide verkleedkist, ze probeerde te stimuleren, eigen creativiteit te ontwikkelen, vooral niet na te tekenen, tenzij naar de natuur, en ongemerkt bracht ze kennis over en techniek bij. Een jaarlijkse traditie werd een lampionnenoptocht en de keukentafel was goed voor een steeds groter wordend poppentheater. Alles zelf bedacht en gemaakt.

Toen de kinderen groter werden en successievelijk uitvlogen, kreeg ze meer tijd. Ze wierp zich, in overleg met haar man – omdat alle literatuur al in huis, maar er in Nederland vrijwel geen onderzoek naar gedaan was – op de ‘Myxomyceten’ (slijmzwammen). Zonder overdrijving kan gezegd worden dat ze op dat gebied werkelijk één van de prominenten is geworden. Met op het juiste moment de steun van haar man, de goede boeken en ideeën, maar vooral haar doorzettingsvermogen, ijver, energie, creativiteit en genialiteit heeft ze een blijvend stempel op de myxomycotologie kunnen achterlaten. Ze heeft een enorme en zeer waardevolle collectie opgebouwd. Ondanks dat ze niet aan een instituut verbonden was had ze contacten met myxomycologen over de hele wereld en was een mentor voor velen, De proceedings van het congres in Madrid zijn tot haar trots en blijdschap aan haar opgedragen.

Ze heeft in die tussentijd diverse banen gehad, les gegeven aan het Nijmeegs Lyceum, een chromosomentelling-project opgezet en op plantensystematiek gewerkt. Ze deinsde er op latere leeftijd niet voor terug publicaties te doen en zich geavanceerd van computer en kopiëerapparaat te bedienen. Tot het laatst bleef ze actief; met schilderen, met het werken aan de wereldmonografie voor myxomyceten, met papierknippen, met contacten in binnen- en buitenland.

 

Toen haar man was overleden kon ze goed solitair bezig zijn maar had ze wel behoefte aan menselijke contacten. Van een erfenis eens een paard gekocht, kwam ze na het rijden en verzorgen van haar lievelingsdier af en toe bij ons lunchen, waarvan ze genoot “als van een klein feestje”, zoals ze zei. Het was voor mij beslist een even groot feest om bij haar thuis te zijn. Er was zoveel te zien, zoveel te ‘beleven’, te bepraten vooral. Als men van het domein van mensen, om in de biologische sfeer te blijven, ook zou kunnen spreken als van een territorium, dan gold dat zeker voor de woonomgeving van Elly Nannenga. Haar huis was als een met kunst en vaardigheid ‘beplante’ ruimte. Rondom, vanaf het plafond tot de vloer, hingen de muren vol met aquarellen, olieverf schilderijen, pentekeningen, heel veel knipwerk en andere kunstuitingen, als afbakening van haar domein: het terrein waarin zijzelf woonde met meubilair en computer.

De meest voorkomende onderwerpen van haar knipwerk zijn al genoemd. Wat haar fantasievolle knipstijl betreft, die was meestal ongecompliceerd, vaak romantisch, soms gestyleerd, hier en daar gedurfd zelfs en af en toe wat kneuterig. Haar kniptechniek was direct herkenbaar: ze knipte Vrij groot, meestal uit A4 formaat, terwijl ze de soms hakkerige en te scherpe randen er gewoon in liet, als specifieke eigenschap en charme van knipwerk. Ze benadrukte steeds dat ze er niet naar streefde om fijn te knippen en de afwerking niet het belangrijkste vond.

Door haar grote productie en uiteenlopende onderwerpen zouden wij een hele Knip-Pers met haar knipsels kunnen vullen. Eén Knip-Pers?

In dit nummer moeten we ons tot slechts een klein gedeelte beperken, een bijna onmogelijke opdracht. Als troost bewaren we de grote ‘rest’ graag voor eens later. Ook blijven er vragen liggen: “Was ze nog niet klaar met dat ene knipsel; wilde ze er nog iets aan toevoegen, had ze geen zin meer of vond ze het juist goed zo?”

Apart vermelden wil ik de hierbij niet afgebeelde gedroogde, dus bruine klimop- of boombladeren waarop ze zwarte knipseltjes plakte. En ook het prachtig gekleurde, met krokussen bedrukte inpakpapier, waarop ze pikkende merels of rondscharrelende egels knipte. Goed voor een persoonlijke attentie. Een pionierster in hart en nieren, gul en hartelijk, dankbaar voor de vriendschappen. En door haar actieve en veelzijdige leven waren er dan ook steeds nieuwe vrienden en kennissen.

Ze sprak met bewondering over het brede scala in de knipkunst, zowel nationaal als internationaal. Ze genoot ervan op tentoonstellingen en in de Knip-Pers. Uit ervaring met de rompslomp rond om haar eigen publicaties en haar met de tijd meegroeiende activiteiten, wist ze waarover ze het had als ze waardering uitsprak voor onze vereniging en ons kwartaalblad. Wij gaan het missen, haar spontane knipwerk, die gulheid, maar zeker ook haar hartelijk meebeleven!

Wij hopen dat de kinderen en kleinkinderen grote troost putten uit deze schat aan herinneringen.

Magda Helms

Het doel van de reis
is niet de herberg aan het einde
van de weg.
maar de reis zelf is het doel.

Chinees gezegde

Mariabeeld, Knip-Pers 1996-4

Een jong meisje, dat een zwangerschap krijgt aangezegd. Een jongetje dat een beslissende rol in de geschiedenis gaat spelen. Een man, die volgelingen krijgt, welke op hun beurt de stoot geven voor een wereldwijde religie. In die nieuwe godsdienst wordt de moeder van de Heer als een bijzondere vrouw gezien, maar zonder dat de christenen kerstfeest vieren.

Pas na ruim 300 jaar blaast men een heidens feest nieuw leven in, door de geboorte van de Heer te gaan gedenken. En Maria krijgt daarin haar opvallende rol toegespeeld. Naarmate de kerk ouder wordt, stapelen de tradities en de dogma’s over Maria zich op. In verschillende stromingen van de christenheid wordt zij op allerlei manieren geacht of vereerd. Plaats en tijd hebben hun invloed op de beleving van haar betekenis voor het godsdienstig leven. Afbeeldingen van Maria zijn daarbij behulpzaam. We laten enkele geknipte Maria’s zien, die een heel verschillende beleving verraden.

afb. 1, Pieter van Haaren, viertal episoden van het geboorteverhaal, geknipt door,1805, 58 x 70 cm, Nederlands Openluchtmuseum.

Afbeelding 1 geeft een viertal episoden weer van het geboorteverhaal: de aanzegging door de engel, het bezoek van de herders, de voorzeggingen van Simeon en Anna in de tempel, de vlucht naar Egypte. Maker is Pieter van Haaren (1805), zonder twijfel protestant, maar over wie verder niets bekend is. De figuren zijn als gewone Hollandse mensen afgebeeld en dienen als illustratie van de evangelie verhalen. Het knipsel is in 1988 uit de Lever collectie aangekocht door het Nederlands Openluchtmuseum.

afb. 2, Gertrud Januszewski, Maria als koningin des hemels, 36 x 29,5cm, particulier bezit.

Het tweede knipsel kochten wij in Noord-Brabant; Gertrud Januszewski is de knipster, geboren in 1911 te Berlijn en lekezuster in Limburg (29,5 x 36 cm). Zij vertegenwoordigt met haar knipsels het rijke roomse leven en de verering van Maria als koningin des hemels. Die naoorlogse kinderen van de prent zijn de ouders van nú; hun kinderen hebben andere beelden bij de “Regina coelis” en de Heilige Vader…

afb. 3, anoniem, ‘Für Elisabeth von Gertraud gemacht. Weihnacht 1954’, 27 x 25cm, particulier bezit.

Kort geleden kochten we voor een paar gulden in een Nijmeegse uitdragerij het knipsel, afgebeeld als nummer 3. Het leek ons gemaakt door een zuidelijke Nederlander, maar toen we het uit de lijst haalden, vonden we op de achterkant “Für Elisabeth von Gertraud gemacht. Weihnacht 1954. Aandoenlijk eenvoudig, zowel wat techniek als vormgeving betreft (25 x 27 cm), maar minder tijdgebonden dan het knipsel van Gertrud. Het ademt de primitieve, intieme sfeer van de geboorte onder een goed gesternte. Zou de maakster ooit nog te achterhalen zijn?

 

 

 

afb. 4, Joke Verhave, Openbaring van Johannes, in het Maria-jaar 1988 geknipt, 15 x 10,5 cm

Tenslotte probeerden wijzelf in het Maria-jaar 1988 de openbaring van de apostel Johannes over een zwangere vrouw opnieuw vorm te geven (10,5 x 15 cm). Dit visioen is in de kerkelijke kunstgeschiedenis altijd in verband gebracht met de moeder des Heren, getooid met een kroon van 12 sterren en omgeven door zon en maan: op nieuw de koningin des hemels. Maar in het verhaal is ze allerminst koninklijk, wordt bedreigd door beestachtigheden en verscheurd door angst en barenswee. De tekst begint met een E: “En de Draak stond voor de Vrouw die zou baren, om zodra zij gebaard had, haar kind te verslinden”. Onze Kerstgedachten zijn vaak zoet en vredig, op het drakerige af. Wee de zwangere vrouwen van Afrika, die op alle dag lopen en net als Maria door de militaire machten voortgedreven worden in onherbergzame streken. Idee voor een kerstknipsel?

Joke en Jan Peter Verhave

Vervolgverhaal bij overhaal, Knip-Pers 1995-4

De zoektocht naar een bakkersknecht in of rond Deersum is weer een stukje opgeschoten. Wij willen daarvan verslag doen omdat het een interessant onderdeel is van de geschiedenis van de knipkunst. In de praktijk komt het neer op speuren in de oude boeken waar in de gegevens over de bevolking staan opgeschreven, per dorp en alle bewoners die op elk van de adressen hebben gewoond. Daarbij worden ook de beroepen en het lidmaatschap van een kerk vermeld.

De vorige keer noemden we twee bakkersknechts, maar ze waren eigenlijk te jong om de afgebeelde knipsels te hebben kunnen maken. We moeten dus verder zoeken naar de bakker die Teake Sibbes Bakker heette en zijn vrouw Renske Sytses Ypma; hun woonplaats hebben we in Deersum niet gevonden, dus moeten ze in de buurt hebben gewoond. We kunnen immers nog niet uitsluiten dat Teake zélf de knipper was en ondermeer een knipsel voor zichzelf en zijn vrouw had gemaakt (ongedateerd).
Een nieuwe duik in het gemeentearchief van Grouw leverde echter nog een andere persoon op: Trijntje Boersma, broodverkoopster, geboren 1787 en in 1850 63 jaar oud, wonend in Deersum. Een volwassen zoon en dochter woonden bij haar in: Adam Hotzes de Boer, 29 jaar, timmermansknecht en Janke Hotzes de Boer, 30 jaar. Dat bracht ons op een tweetal gedachtenkronkels.

afb. 1, Hoewel een slechte af druk, toch een indruk van het ‘laatst gedateerde knipsel’ voor Geertje Pieters Faber, geboren den ? Maart 1787. Anno 1849.

Konkel 1

Wellicht was de man van Trijntje, Hotze de Boer, ook broodverkoper en heeft zij zijn beroep overgenomen. Als hij de knipper is geweest, dan moet hij vlak voor 1850 zijn overleden, want het laatst gedateerde knipsel is in 1849 gemaakt (dat voor Geertje Pieters Faber). De overlevering van het echtpaar Zijlstra, dat de overhaal aan de Zwette bediende, geeft geen indruk van de leeftijd van de bakkersknecht, die zo nu en dan een kopje koffie bij hen dronk. Zijn geboorte- en sterfdatum zijn nog niet gevonden maar, als hij ongeveer even oud was als zijn vrouw, moet hij ongeveer 60-65 jaar zijn geweest bij zijn dood. Het oudst bekende knipsel uit 1842 (voor Anske Bouwes van Dijk) zal hij dan omstreeks zijn 55e jaar gemaakt moeten hebben.

afb. 2, W.J. van der Zee, 29 x 34 cm, ongedateerd.

Kronkel 2

In het jaar 1857 vroeg het bestuur van het Friesche Genootschap aan de schoolmeesters om een beschrijving van hun dorp te geven. In het antwoord van meester S.J. Smidt uit Deersum is o.a. te lezen: “Met Ambachtslieden is dit dorp niet rijk gezegend; 2 timmerlieden, waarvan er een tevens bakker is, een schoenmaker en een schipper”. Adam Hotzes de Boer was in 1850 timmermansknecht. Het is niet ondenkbaar dat hij na het overlijden van zijn vader zijn moeder is gaan helpen bij het rondventen van brood in de Deersumer buitengebieden… Zo kan hij in 1857 de door de bovenmeester genoemde timmerman-bakker zijn geweest. Ten tijde van het eerst bekende knipsel in 1842 was hij dan ongeveer 21 jaar oud en daarmee is hij een goede kandidaat voor onze knipper c.q. bakkersknecht.

afb. 3, GGS en PTW staan voor Gerrit Gerkes Schaafsma, timmerman te Sybrandaburen, en Petronella Tjalko Wassenaar, Knipselmuseum Schoonhoven.

Wie weet duikt er nog eens een knipsel op dat gedateerd is na 1850, waardoor het waarschijnlijk wordt dat niet vader Hotze, maar zoon Adam de knipper was van de mooie knipsels met anjerachtige bloemen, hoorns van overvloed, duiven en stijve engeltjes, opgesierd met prikgaatjes.
We zijn nog niet uitgeknipt tussen Grouw en Sneek!

Joke en Jan Peter Verhave en Cees Hettema

Johanna Koerten, Knip-Pers 1994-2

“Wat Men willigh doet, valt uyttermaten goet.”
Uit de map: ‘papieren snykonst van juffr. Joanna Koerten’.

afb. 1, Foto beschikbaar gesteld door Sotheby’s, Amsterdam.

Door een gelukkig toeval werden in een map in een particuliere collectie papierknipsels van Johanna Koerten, en bladen uit het ter ere van haar samengestelde ‘Stamboek’ ontdekt. Dankzij de gastvrijheid van de bezitters werd ik in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van deze collectie.

Johanna Koerten (Amsterdam 1650-1715), in 1691 gehuwd met de Amsterdamse koopman Adriaan Blok, werd tijdens haar leven en in de eeuwen daarna geroemd om haar papierknipkunst. Over haar leven en haar werken werd al veel gepubliceerd. Het was dan ook een verrassing om in deze map tot nu toe onbekend werk van haar hand te ontdekken en op tot nu toe onbekende gegevens te stuiten.
Buiten de knipsels en de stamboekbladen bezit de verzamelaar ook een uitgave van het gedrukte ‘Stamboek’ uit 1735, met aantekeningen van de toenmalige bezitter, de heer A.J. van Eyndhoven. Uit de aantekeningen van de heer Van Eyndhoven blijkt onder andere dat hij in 1860 had kunnen aankopen twee originele bladen uit het ‘Stamboek’ van Johanna Koerten. Hij betaalde daarvoor respectievelijk fl 1,25 en fl 2,- (in die tijd was ‘twee gulden’ ongeveer een dagloon). Verder blijkt dat hij verschillende knipwerken van Johanna Koerten op een tentoonstelling en bij een verzamelaar had mogen bewonderen.
De eerstgenoemde twee door de heer Van Eyndhoven aangekochte stamboekbladen bevinden zich thans, met vele andere originele bladen uit het Stamboek, in deze particuliere collectie. Het zijn witte vellen papier in verschillende maten, met lofdichten, voorzien van een kader en op bruin papier geplakt. Een blad uit het Stamboek, met spreuken van N. van Suchtelen en Sybrant Schagen (grootte 34,5 x 22,5 cm), bevat een tekening uit 1694 van Jan Goeree, waarin de spreuk: ”t Geen seldzaam is, is duur. Niet hoe veel, maar hoe eêl”

J.D.C. van Dokkum geeft in een artikel in 1915 een overzicht van de werken van Johanna Koerten. Dit overzicht kan nu worden uitgebreid met de geknipte portretten van: Doctor David van Hoogstraten, keizer Leopoldus van Oostenrijk, Alexander de Groote en de zoon van Johan de Witt. Want bij het doorlezen van de lofdichten “Op Juff. Joanna Koerten doorluchtige kunst geleerde papiersnijdster van Amsterdam” blijkt dat Johanna ook deze personen geportretteerd moet hebben. Niet alleen moeten de portretten van Johanna goed gelijkend zijn geweest, zij moet ook een goed gevoel voor humor hebben gehad. Zie het in de 19de eeuw aan haar toegeschreven wapenknipsel voor P. Muyskens (afb. 2).

afb. 2, Johanna Koerten, wapenknipsels voor P. Muyskens, afm. 12 x 11 cm

Menig kunstenaar portretteerde Johanna op zijn beurt of maakte een allegorie op haar, Op een niet gesigneerde gravure wordt het portret van Johanna om geven door vijf putti, waarvan één met een schaar en een ander met een knipwerkje in de hand (afb. 3).

afb. 3, Johanna Koerten

Zo’n portret werd vaak gemaakt naar aanleiding van een door haar vervaardigd stuk. Zo moet Johanna eens ‘een papier kunstschip’ hebben gemaakt want dat wordt in verschillende gedichten genoemd. Het stuk dat Johanna I maakte van het IJ te Amsterdam en dat ook genoemd wordt door Van Dokkum, wordt door J. Vollenhove in zijn lofdicht “Op De AFBEELDINGEN IN PAPIER door De Knipschaar Van Joffrou JOANNA KOERTEN, Huisvrou van Den E. ADRIAAN BLOK” prachtig beschreven:

“…en wie ziet Zyn oog niet blint aan zeilen op de Stromen Voor Amsterdam, verflauwende in het verschiet?
Het boomhout schynt te schudden, en zyn blaren Niet stil te staan:
gy zout geloven, dat De vloet ook van den Ystroom met zyn baren
Waarachtig schuimt, en kiel by kiel bespat.”

Het lofdicht beslaat drie vellen en wordt afgesloten met een tekening van Jan Goeree (1670-1731). “Uit kleine arbeit grote Roem”, staat onder de tekening geschreven (afb. 4). Het stelt het kabinet van een papierknipkunstenaar voor. De afgebeelde personen zijn gekleed in gewaden uit de oudheid. In die tijd was men zeer geïnteresseerd in de ‘oudheid’. Het valt in menig lofdicht te lezen en het blijkt ook uit een andere allegorische tekening van Jan Goeree die hij in 1694 maakte.

afb. 4, Jan Goeree, Uit kleine arbeit grote roem

In het door van Dokkum gemaakte overzicht van de werken van Johanna Koerten worden ook mythologische voorstellingen genoemd. Buiten de door hem genoemde, maakte Johanna nog twee knipsels niet dergelijke voorstellingen. Eén van Phidias (beroemd beeldhouwer uit de Griekse oudheid), en het laatste knipte zij in een open granaatappel, gevormd door twee hoornen des overvloeds (afb. 5). Pyramus en Thisbe mochten van hun families geen omgang met elkaar hebben. Toch spraken zij af elkaar te ontmoeten bij een fontein onder een moerbeiboom, buiten de stad. Thisbe was veel te vroeg ter plaatse en werd door een leeuw verjaagd die, na een os te hebben verscheurd, daar kwam om te drinken. Zij verloor haar sluier tijdens de vlucht. Pyramus meende bij het zien van de met bloed besmeurde sluier, dat zijn geliefde door de leeuw was verscheurd. Hij doorstak zichzelf met zijn zwaard. Toen Thisbe zijn lijk aantrof stortte ook zij zich in wanhoop in het zwaard. Het verhaal van Pyramus en Thisbe werd in de 16de en 17de eeuw vele malen afgebeeld. Zowel in de beeldende kunst als in de literatuur en op het toneel was dit thema een populair onderwerp. Johanna knipte en sneed dit stukje in 1709. Rechts naast de fontein met het figuur van Neptunus staat een brullende leeuw, links naast het lijk van Pyramus staat Thisbe die zich met het zwaard doorboort.

afb. 5, Johanna Koerten, open granaatappel, gevormd door twee hoornen des overvloeds

In de map werd ook nog aangetroffen een vaas met bloemen, waarin in de vaas een kwaadaardig gezicht te herkennen valt (afb. 6). In het eerder genoemde artikel van Van Dokkum met overzicht van de werken van Johanna Koerten, wordt ook een bloemvaas aangehaald, die geknipt zou zijn naar een werk van Huyszoon, en overeenkomt met dit snijwerkje. In de schilder- en prentkunst was het in die tijd niet ongebruikelijk om in vazen, urnen enzovoort, gezichten af te beelden. Zij hadden vooral een decoratieve functie. Het bloemstuk en het stuk van Pyramus zijn van hetzelfde soort papier gemaakt en op eenzelfde manier met mesje en schaar bewerkt.

afb. 6, Johanna Koerten, vaas met bloemen, waarin in de vaas een kwaadaardig gezicht, een grotesk

Verder trof ik nog een beschadigd knipwerkje en een wapentje aan. Het beschadigde knipwerk is een bloemenruiker met een strik, omgeven door een slang die zijn staart in de bek heeft. Het zinnebeeld voor het eeuwige leven. In het boeket is de letter A verwerkt. Het stukje is niet gedateerd en niet gesigneerd (afb. 7). Dit werkje vertoont grote overeenkomst met een in 1703 gemaakt knipwerkje in medaillon, dat zich bevindt in de collectie van het Victoria & Albert Museum te Londen en aan Johanna Koerten werd toegeschreven.

afb. 7, toegeschreven aan Johanna Koerten, boeket met A in ourobouros, Victoria ad Albertmuseum, Londen

Het wapenknipsel, waarover geen zekerheid bestaat of het haar eigen wapen is en of het door haar gemaakt is, bestaat uit zes losse knipwerkjes, geplakt op zwarte zijde (afb. 8). Omdat Johanna Veel met zijde werkte, zou het kunnen zijn dat zij de erg kleine knipseltjes op zijde heeft geplakt.

afb. 8, mogelijk Johanna Koerten, wit op zwarte zijde

Uit het beknopte levensverhaal van Johanna Koerten blijkt dat zij vele navolgers had in de papierensnykonst, maar dat de meesten al vrij snel stopten omdat het teveel tijd in beslag nam en zij last van hun ogen kregen. Bij het bekijken van de inderdaad uiterst fijne en kleine werkjes van Johanna Koerten vormt zich dan ook de gedachte, dat Johanna wel eens bijziend geweest zou kunnen zijn.
Johanna was al bekend om haar papieren snijkonst voor zij op 11 november 1691 in het huwelijk trad met Adriaan Blok. Verwonderlijk is het dan ook niet dat, volgens overlevering, in het bruiloftsgedicht door M. van der Heij een origineel knipwerkje moet hebben gezeten. Helaas is alleen het originele gedicht met bruiloftszang bewaard gebleven, het knipseltje is verdwenen.

Niet alleen tijdens haar leven werd Johanna Koerten geëerd. In 1718, drie jaar na haar overlijden, maakte de Hoornse aquarellist Herman Henstenburgh een bloemenstilleven met een latijns gedicht, waarvan de vertaling luidt:
“Zoals een bloem wordt afgerukt voor haar parfum of door de aanstormende wind en regen, zo is Johanna Curtenia, die bloeide door de gaven van haar geest en door haar schitterende kunst uiteindelijk van haar verblijfplaats verdreven”. (afb. 1)

Onbekend was wat er na het overlijden van Johanna en haar echtgenoot met het Stamboek gebeurd was. Nu blijkt dat het in 1758 in het bezit was van de heer Pieter Testas de Jonge uit Amsterdam, waarna het uiteindelijk uiteen viel en op veilingen werd aangeboden.

Tonny Jurriaans

Afb. 2 t/m 8: Fotografie T. de Beer