Categoriearchief: publicatie

To van Waning-Mijnlieff, Knip-Pers 1998-2

Trilogie deel II

In deel 1 van de trilogie Hil-To-Suus in het maartnummer is te lezen dat To van Waning de grondbeginselen van de knipkunst van Hil Bottema geleerd heeft op haar zogenaamde ‘Mooimakerscursus’ in het Nederlands Openlucht Museum. To had haar akte Handenarbeid juist achter de rug, toen zij in de Arnhemse Courant een aankondiging van deze cursus las. Dit was in 1948, nu precies 50 jaar geleden. Dit werd door To bevestigd, want 10 jaar geleden is met een artikel van Magda Helms in de Knip-Pers herdacht dat zij 40 jaar knipte (1988-4). Op een oproep knipte Frouke Goudman voor deze gelegenheid een ingenieus namenknipsel, dat daarbij werd gepubliceerd, en hebben verscheidene oud-leerlingen van To verder aandacht aan dit jubileum besteed.

geboorteknipsel door To van Waning voor Jurriën Kaper, 1975

Zo wil zij zelf – nu het 50 jaar geleden is dat zij met knippen begon – terugkijken naar al die oud-leerling en, die vaak tot hun eigen verbazing zulke leuke dingen presteerden op grond van opdrachten die To in haar lessen gaf. Zij werkte er daarbij naar toe, om een prent voor een ‘speciale gelegenheid’ te knippen. Een van haar beste leerlingen op de Volksuniversiteit in Utrecht, die zich altijd veel moeite getroostte om de huiswerkopdracht perfect uit te voeren, was Wil Ahlrichs-Traast. Als afscheid op de laatste les in maart 1968, gaf Wil haar een prent cadeau, waarop alles wat zij geleerd had was uitgebeeld; To’s lessen begonnen met een dialezing over de ‘papierknipkunst van vroeger tot nu’ en het keuren van de door de leerleerlingen meegebrachte schaartjes (zie de projectoren met lichtbundels boven de schaartjes).

Wil Ahlrichs-Traast, alle lessen van To van Waning in één knipsel

De tweede les – na alle oefeningen met spiralen knippen om het stilhouden van de schaar en het draaien van het papier te leren, werden de cursisten onder andere getest op het ‘leer knippende zien’. Daarom liet To een sneeuwklokje knippen. Eerst zomaar proberen; juist hierdoor leer je zélf te zien waar je de mist in gaat. Daarna liet To een duidelijke foto van sneeuwklokjes zien, waardoor je veel doelgerichter ging kijken. Dan borg zij de foto weer op en moest je een nieuwe poging wagen. Je had dan bijvoorbeeld gezien dat er een steeltje aan het klokje zit, waarmee het uit de grote steel komt en waardoor het ‘bungelen’ kan.

De derde les was bomen knippen; takjes met blaadjes, al dan niet recht of gebogen, positief en negatief.

 

 

 

 

De vierde les: het spannende element van openknippen van versieringen. De cursisten leerden een in kniplijn te geven, van waaruit je heel gemakkelijk bij de versiering kunt komen. Dan gaf zij een basisvorm van een gestileerde vogel, die op allerlei manieren kon worden versierd.

 

 

 

 

 

 

 

 

Op de vijfde les kwamen de poppetjes aan de beurt en werd er hartelijk gelachen om het feit dat alle mannetjes eerst vrouwtjes geweest waren die ingeknipt en bijgeknipt moesten worden.

De zesde les was voor de 8- 6- en 5-puntige vouwsets, om sterren en  sneeuwkristallen te maken.

lesblad inknipoefeningen van To van Waning

 

 

In Utrecht liep het bij de zevende les tegen Pasen; dus werden er Paasknipsels gemaakt met haasjes en versierde eieren.

 

To’s achtste les werd besteed aan het knippen van huizen. Zij leerde je dan het foefje hoe je ramen met ruitjes kunt knippen, zonder dat je elk ruitje afzonderlijk moet inpikken (zie gebouw op de prent).

 

lesblad versieren harten van To van Waning

In de negende les werden letters geknipt en gelet op de goede verdeling hiervan in een spreuk of een naam.

In de tiende les leerde je een prent knippen uit één stuk papier, al of niet met een versierde rand. To gaf daar de opdracht bij om een huwelijksprent te knippen voor ‘Arie Roemer en Antje Wijn’, namen die goed uit te beelden zijn, (zie resultaten cursisten). Je kunt je voorstellen dat To verbluft was van het resultaat van de lessen toen Wil Ahlrichs haar in 1968 de ze prent, waarop alles uitgebeeld, gaf als dank voor de lessen. Wil, alsnog hulde (na precies 30 jaar !!!)

Ik heb To gevraagd of zij dat lesgeven leuk vond. Het antwoord was duidelijk. Zij heeft dat lesgeven met heel veel plezier gedaan, omdat je daardoor mensen ‘aan de gang krijgt’. Eerst is het “dat leer ik nooit”, maar later: “dat kan ik wel”. Als voorbeeld noemde To het knippen van takjes met blaadjes. Zij vroeg dan: “Kun je een schuine lijn trekken? Een hoofdletter L zetten, en kun je iets tussen haakjes plaatsen? En als je boogjes kunt zetten, hoef je de helft er nog maar bij te doen! Als je dat kunt, kun je ook takjes met blaadjes knippen. En dit is in negatief knippen nog gemakkelijker, want dan heb je de tak als inknip om bij de blaadjes te kunnen komen. Als je het in positief knipt moet je het takje en de blaadjes helemaal volgen. En hoe maak je de blaadjes leuker van vorm? Door er een hapje uit te knippen. En hoe laat je een tak met blaadjes van groot naar klein verlopen? Door er een hulplijntje omheen te zetten. En hoe maak je er een versierend motief van? Door dat hulplijntje te gebruiken! En hoe maak je daar dan een boompje van? Enzovoort…

To was voor wat betreft het huiswerk tamelijk veeleisend. Zij vond het belangrijk dat iedereen meedeed met dezelfde opdracht, zodat er veel verschillende manieren van uitwerking tevoorschijn kwamen. Daar kon iedereen weer van leren. Een van de cursisten die in het december-nummer van 1988 aan het woord kwam, Metha van Werkhoven, zei heel typerend over To: “Altijd enthousiast, peuterde je leuke dingen uit niets vermoedende mensen”.

knipwerk To van Waning

To laat mij een mededelingenblad van de Vereniging van Huisvrouwen uit Zaltbommel zien, waarin mevrouw Franken-van Dillewijn schreef: ‘Op 21 september 1988 is de cursus met 11 deelnemers van start gegaan. Mevrouw van Waning brengt ons de knipkunst bij, want een kunst is het. Elke week zijn wij weer verbaasd over wat wij geleerd hebben. Door het enorme enthousiasme dat onze cursusleidster op brengt worden wij meegesleept. Wij leren van haar de trucjes en fijne kneepjes, want daar zit de knipwereld vol van. Wij hebben nu 5 lessen achter de rug en vinden het steeds leuker worden. Je hele leven hoefje je nooit meer te vervelen. Een stukje papier en een goed knippend schaartje brengt je overal”.

 

geboortekaartje door To van Waning

“Ja”, zegt To: “Ik ben er altijd heel enthousiast over geweest, omdat ik het zo leuk vond om de mensen van ‘niks – iets’ te laten maken En ik heb mij steeds verbaasd over de verrassende resultaten Ik zou het wel leuk vinden om hier een paar van die resultaten te tonen, als dank aan de brave huiswerkmakers van die opdracht”. De huwelijksprent voor Arie Roemer en Antje Wijn, door sommigen uitgebreid met verzonnen spreuken als: “Laat Arie steeds de Wijn in Antjes Roemer zijn”, of “Wat in ‘t vat zit verzuurt niet, dat is de gijn van Arie Roemer en Antje Wijn”.

huwelijksknipsel door To van Waning

To gaf vaak les op Volksuniversiteiten, maar ook aan verenigingen, zoals de Vereniging voor Huisvrouwen, Plattelandsvrouwen, Nederlandse Christen Vrouwenbond. Meestal werd ze in eerste instantie voor de lezing met dia’s over de papierknipkunst gevraagd. Vaak was het gevolg dat men een aanvraag voor een cursus indiende. To’s specialiteit was het maken van gelegenheidsprenten. Zij heeft voor vele jubilea, huwelijken en geboortes prenten geknipt, waarin steeds werd verwerkt wat op de betreffende personen van toepassing was, zoals beroepen, hobby’s, sterrenbeeld, enzovoort. Haar eerste echte opdracht was in 1963 voor een gouden bruiloft van Klaas de Boer en Antje Honig uit de Zaanstreek. Aanvankelijk vroeg de op drachtgever het Openlucht Museum om een knipper die gelegenheidsprenten maakte.

To van Waning, huwelijksknipsel Klaas de Boer en Antje Honig 50 jaar getrouwd,1965,

Dit door To gemaakte knipsel is later door uitgeverij ‘Cantecleer’ in de eerste uitgave van ‘Leer knippende zien’, door mevrouw I.G.L. Kerp-Schlesinger opgenomen. Deze knipprent van To is ook uitgekozen bij de illustraties in de ‘Encyclopedie van Kunstenaars en Amateurs van 1600-1970’, door Pieter Scheen.

Palmpasen, To van Waning

In een latere druk van ‘Leer knippende zien’ is een rond knipsel van To geplaatst: ‘Met de schaar in de hand kom je door het ganse land’. Helaas is dat per abuis in spiegelbeeld afgedrukt. Dit laatstgenoemde knipsel werd ook als poster gebruikt voor de knipkunsttentoonstelling, die mevrouw Kerp in 1982 organiseerde in ‘t Spant in Bussum. In 1985 werd dit knipsel uitgekozen door het Cooper Hewit Museum in New York, voor een internationale tentoonstelling over knipwerk.

cursistenwerk

Op mijn vraag aan To hoe zij daar terecht kwam vertelde ze dat eigenlijk alles een gevolg is van haar contact met Hil Bottema op de Mooimakersweek. Mede hierdoor heeft To 12,5 jaar op de afdeling Documentatie Klederdrachten van het Openlucht Museum gewerkt. Via Hil kreeg ze contacten in Zwitserland met vrienden van Hil, allen bekende knippers zoals Gertrud Wyss uit Bern, een van de veteranen op knipgebied in dat land (Knip-Pers 1984-1). Hieruit vloeide de kennismaking voort met Julia Feiner, een zeer begaafde vrouw en niet alleen op knipgebied. Ook over haar schreef To een artikel in de Knippers (Knip-Pers 1990-2). Zij leerde onder andere. Ueli Hofer en Ernst Oppliger – bekende knippers – kennen en raakte zeer bevriend met hen. Hieruit vloeide de kennismaking voort met Fritz Hobi, directeur van het Kunstgewerbe Museum in Winterthur, die de eerste grote verzameltentoonstelling van Zwitserse knippers organiseerde in 1985. To had op dat moment al veel Zwitserse knippers leren kennen, zodat zij aan Fritz Hobi nog een aantal namen en adressen kon opgeven die hij nog niet kende. Ook kon To hem informatie over de Nederlandse knipactiviteiten geven. Toen Fritz Hobi later door de organisatrice van de internationale tentoonstelling in New York werd benaderd, heeft hij als Nederlandse contactpersoon To opgegeven. Dit had tot resultaat dat in het Cooper Hewit Museum werk kwam te hangen van Frouke Goudman, Gerlof Smit, Leonieke Kruit en haarzelf, midden tussen andere grote bekende en onbekende knippers uit de hele wereld. To is in 1985, samen met Ueli Hofer, naar deze grandioze tentoonstelling geweest en kan dus met recht zeggen: “Met de schaar in de hand kom je door het ganse land” (zie illustratie, pag. 16 bovenaan).

Met de schaar in de hand, komt men door het ganse land door To van Waning,

Uit dit bezoek zijn haar contacten met 12 Amerikaanse knipsters ontstaan, voor wie zij een lezing met dia’s over de Nederlandse knipkunst van vroeger- tot- nu heeft gegeven. Zij heeft hen geadviseerd ook een vereniging met een tijdschrift te beginnen, met als resultaat de ‘G.A.P’, the Guild of American Paper cutters, die zich als een olievlek over Noord-Amerika heeft verspreid. Later, toen the ‘G.A.P’ het eerste lustrum vierde, is To uitgenodigd en heeft zij daar weer een lezing met dia’s over knipkunst gehouden, nu voor een groter knippersgezelschap…
Bij deze gelegenheid heeft zij van de Amerikaanse vereniging een mooie oorkonde als dank voor haar aansporingen gekregen (Knippers 1983-3). To heeft al die ervaringen geweldig leuk gevonden maar legt toch de nadruk op de rode draad in het verhaal, die begon bij Hij Bottema op de Mooimakers week.

Als men nog iets over To’s hobby’s en verzamelingen wil weten: Jeannet Willems knipte ooit een klein rond prentje voor haar, in de grootte van slechts zeveneneenhalve centimeter. Daarin heeft zij dit allemaal weten uit te beelden. Bovenaan het schaartje, haar hanenverzameling (van hout, glas, steen en tin), de verzameling stenen, kristallen en schelpen, haar fossielen- en slakkenhuis verzameling, de schermbloemen waar To veel van houdt, en haar collectie versierde eieren. In het midden zit zij te knippen, met haar dierbare whippet achter zich. En dat alles in een rondje van maar 7,5 cm !

Jeannet Willems knipt To van Waning

Suus Houtman-van der Meulen

Het wonderschaartje van Hil Bottema, Knip-Pers 1998-1

afb 1, Lever, Bottema, Kerp

Na de oorlog zijn er in ons land drie personen geweest, die er voor gezorgd hebben dat de papierknipkunst een opleving onderging. Dat waren Wiecher Tjeert Lever, met zijn knipkunstmuseum in Westerbork, mevrouw Kerp-Schiesinger uit Bussum en Hil Bottema, die werkzaam was in het Openlucht Museum, in Arnhem (allen helaas overleden). Deze drie hadden één ding gemeen: het stimuleren van de papierknipkunst, wat zij door middel van cursussen en lezingen bereikten. Maar verder waren zij zéér verschillend; Lever was een goede portretknipper en hij en mevrouw Kerp waren de naturalistische knippers in enkelvoudig papier. Hil Bottema daarentegen was voorstander van het decoratieve, meestal symmetrische knippen in dubbel gevouwen papier. Het mag dan ook merkwaardig heten dat mevrouw Kerps boekje ‘Leer knippende zien’ (anno 1970) uitgerekend zo’n symmetrisch knipsel (van wijlen Dini Langkamp-Prins) op het omslag laat zien. Dit was geheel haar stijl niet, maar werd door de uitgever (Cantecleer) als blikvanger gekozen. Ter vergelijking laat ik hierboven de drie stijlen zien.

Daar Hil Bottema het geweldig gevonden zou hebben dat wij een knippersvereniging hebben die thans 15 jaar bestaat, en omdat het nu precies 30 jaar geleden is dat Hil op 55-jarige leeftijd overleed (1913-1968), wil ik – als degene die haar knipwerk heeft geërfd en aan wie zij het houden van lezingen en cursuswerk heeft overgedragen – nogmaals een in memoriam aan haar en haar lessen wijden.

Ik heb in 1948 een hartverwarmende cursus van haar mogen meemaken. Dit is iets dat ik nog steeds als een groot voorrecht beschouw, omdat Hil zo ongelofelijk inspirerend, stimulerend mens was en dit mijn kennismaking met het knippen is geweest!

Deze cursus noemde zij een ‘Mooimakersweek’, die zij, als medewerkster van het Nederlands Openluchtmuseum (het Rijksmuseum voor Volkskunde), in Arnhem gaf in het Schoenmakershuisje in de Zaanse buurt. Ik had zojuist mijn akte handenarbeid behaald en toevallig was mijn oog gevallen op een stukje in de Arnhemse Courant over zo’n week in het Museum. De deelnemers zouden slapen en eten in de jeugdherberg en overdag en ‘s avonds cursus volgen in verschillende technieken. Dit betekende de gehele dag en avond één techniek, te weten: papierknipwerk; gombatikken (met arabische gom), spatwerk, strowerk, werken met bladtin en houtbewerken met een zakmes: bijvoorbeeld van donkere gladde twijgjes de bast in figuurtjes wegsnijden tot het witte hout zichtbaar wordt (zie illustratie).

 

Hil Bottema, mooimakersweken

Het was een fantastische cursus, ook door de opdracht ‘motievenjacht’ door het hele museum. Hil was namelijk de voorvechtster om mensen de ogen te openen voor de volkskunst en oude volksgebruiken, om deze levend te houden en -waar deze aan het tanen waren- nieuw leven in te blazen. Daardoor werd haar in 1961 opdracht gegeven kinderzegels te ontwerpen met folkloristische feesten, zoals Sinterklaas, Driekoningen, Pasen enzovoort. Deze heeft zij geknipt. Achteraf las ik in een Amerikaans boekje over postzegels, dat dit een zeer populaire reeks is geweest. Er werd voor meer dan f. 1.000.000,– van verkocht, méér dan van welke kinderserie ook tot dan toe. En hier was Hil best trots op; het waren bovendien ook de eerste postzegels met papierknipwerk.

Voor die ‘motievenjacht’ in het museum, zochten wij de tentoonstellingen en alle huisjes op het terrein af, met een schetsboekje in de hand en speurend naar versieringsmotieven op houtwerk, mangelplanken, koekplanken en stoven. Verder op aardewerk en symbolische motieven op merklappen, enzovoort. En niet te vergeten de oude knipwerkprenten en boeken over volkskunst van de hele wereld. Bijvoorbeeld de Hongaarse versieringsmotieven zijn zeer dankbaar. Maar vraag eens in je bibliotheek naar zon boek als ‘Ornamentik der Volkskunst in Europa’ door Reinhard Peesch, Ed. Leipzig 1981. Soms is het uit simpele motieven opgebouwd. Hil begon dan ook ons juist die opbouw van versieringen te doen ervaren, die waren uitgegaan van slechts een stip of streepje – recht of schuin (zie illustraties).

En zo ontstond van een stip uitgaande, een versierde bloem en zij zei dan: “Versier met plezier” en “Je mag met groot genoegen klein werk maken, dit heet niet voor niets een ‘Mooimakersweek’. Er is zoveel bruikbaars dat men ‘mooi maken’ kan en dat de dagelijkse sleur een zwier van feestelijkheid geeft. En dan worden het de gewone mensen, die zelf tijd veroveren om iets te versieren en verbaasd zijn over wat zij blijken te kunnen”.

Hil was vroeger onder andere kabouterleidster bij de Padvinderij en schreef handenarbeid artikelen in hun clubblad. In ‘De Padvindster’ van 1947 stond een typerend stukje over leidsters, die kennelijk ook een cursus van Hil hadden gevolgd: “Ken je het prettige gevoel, als je zit te werken, dat je weet dat ‘t goed wordt wat je maakt? Ken je dat gevoel dat je altijd door zou willen werken en dat er voor jouw part vandaag niet gegeten behoeft te worden en dat je niet hoort wat er tegen je wordt gezegd?” Zó zat je te werken onder leiding van Hil Bottema in het Openlucht Museum, waar zij de gehele dag uitlegde, soms wat verbeterde en veel aanmoedigde. En waar Hil zei: “Je zult merken hoeveel levensvreugde, levenskracht je ontvangt, wanneer je gaat ervaren wat je zelf kunt…”

Zij leerde de padvindstertjes de schakels knippen van de Gulden Liefdeketen die de hele wereld omvat en waarvan je jouw eigen schakel sterk en glanzend moet houden (zoals hun spreuk luidde).

Hil had eens een gesprek met een Zwitserse kunstpedagoog, die haar zei: “Ik ken geen beter middel om een amateur meer moed en vreugde in eigen scheppend werk te verschaffen, dan juist papierknipwerk”. Hil zei dan ook: “Werkelijk, het toverschaartje ontsluit ons vele mogelijkheden, ook voor andere technieken zoals stofdrukken, naaldwerk, inlegwerk, batikwerk enzovoort om tot een ontwerp te komen.

Als je bijvoorbeeld 4 papiertjes op elkaar legt en dan een eenvoudig tulpmotiefje uit het dubbel gevouwen papier knipt, krijg je 4 tulpjes en 4 vierkantjes met het negatief van het tulpje.  Daarmee kun je gaan schuiven en ontwerp je – zonder dat je het in de gaten hebt – inééns een heel patroon. Als je bijvoorbeeld niet goed zon kunnen tekenen, ervaar je dat je tóch tot verrassende dingen kunt komen. Zo kreeg je het effect dat iedereen verwoed aan de gang was en met hetzelfde gegeven toch weer een ander patroon kreeg. Als je de tulp met de kroontjes naar elkaar toe legt, of je legt ze met de steeltjes naar elkaar toe; ik bedoel maar. . . .“versier met plezier”.

Hil liet je van wit papier knippen en je moest zelf het ondergrondpapier kleuren. Je kreeg een vel ingres-papier, een platte kwast en blauwe en rode watervaste tekeninkt. Je moest het papier eerst blauw strijken met de platte kwast in de lengte richting en daarna in dwarsrichting met de andere kleur er overheen. Dat gaf een levendige gemêleerde ondergrond waarop witte knipsels mooi uitkwamen. Dan leerde Hil je de grondtrucjes van het inknippen en positief- en negatiefknippen in één en hetzelfde knipsel. Ze zei dat je beter iets te dik kunt knippen, want dan kun je het altijd nog bijwerken. Overigens, bij negatief knippen moet dit precies andersom gebeuren. Daar moet je juist te dun knippen om het later te kunnen bijwerken.

Zo zei Hil: “Je zult het zelf wel ervaren hebben: wij nemen het schaartje ter hand, maar tezelfdertijd neemt het toverschaartje óns aan de hand en brengt ons in de wondere wereld, die wij ons eerder niet konden voorstellen”. Tegen de beginnelingen zei ze dan: “Moed gevat én ons schaartje, want met een wonderschaartje, geduld en plezier, knipt u iets moois uit gewoon papier”. HiI maakte zelf elk jaar een geknipte kerst- en nieuwjaarswens. Bovendien ontwierp zij gelegenheidsprenten voor huwelijk, jubileum, doop en geboorte. Zij werkte onder andere.voor de Vereniging van Handenarbeid, voor de Plattelands Vrouwen en de Stichting Goed Handwerk. Zij onderhield ook contacten met de vereniging het ‘Heimatwerk’ in Zwitserland en met vele knippers en volkskunstenaars in binnen- en buitenland.

Toen Hil in 1963 ziek werd liet ze mij de cursussen papierknippen overnemen die bij haar waren aangevraagd. Zo kwam ik bijvoorbeeld in Alkmaar terecht, waar onder andere Nel van Wezel en Jannie de Jong- Brouwer cursisten waren. Velen van U zullen hen kennen; uiteindelijk hebben zij als cursusleidsters in Noord-Holland zelf veel succes gehad.

Jannie de Jong had een lezing over papierknipkunst van mevrouw Kerp meegemaakt, maar die stijl lag haar niet. Zij wilde de cursus van Hil Bottema volgen. Maar och heden, daar stond To van Waning voor in de plaatst! En To kwam terug bij Hil met de mededeling: “Nou heb ik er toch één in de groep, die volledig in jouw straatje is”. Later kwam de kennismaking tot stand en Hil gaf Jannie de titel ‘Jantje I als opvolgster van de Volkskunstenaars, de knippers ‘Jantje I’ (de gewiekste, uit Zeeland 1803-1870) en ‘Jantje II’ (de Vrome, uit Urk 1855-1935). Jannie de Jong werd ‘Jantje III (de humoristische). Hil vroeg haar te komen demonstreren in het Openlucht Museum en daar verscheen zij in haar Noord-Hollandse klederdracht met haar man en dochtertje.

de Kruidentuin, Hil Bottema

Hiervan knipte zij later een prent voor Hil (zie illustratie).

Jantje III, Nederlands Openluchtmuseum

To en Jannie zouden een boek over de knipkunst gaan maken, maar dat is bij de opzet van hoe wij het dachten aan te pakken gebleven, omdat Hil in 1968 -helaas veel te vroeg- op 55-jarige leeftijd overleed.

“De mens is sterfelijk, maar hij mag in zijn kunst overleven”.

TRILOGIE HIL – TO – SUUS

Ik heb zelf veel cursussen door het hele land gegeven, die later zijn voortgezet -en nog worden- door onder andere één van mijn beste leerlingen in Arnhem, Suus Houtman. Over deze trilogie in de knippersgeschiedenis meer in een volgend artikel, waarvan deze aflevering het eerste deel vormt.

En jullie weten dat mijn cursus in Bennekom mede de ‘Knip-Pers’ heeft voortgebracht, want Magda Helms – onze onvolprezen redactrice – was daar in 1981 één van mijn leerlingen. Ook Atie Willemse en Aafje de Gee, die de inpak- en verzending voor hun rekening namen, waren deelneemsters aan die cursus. Atie is uiteindelijk ook cursussen gaan geven. Er ontstonden Knipkringen zoals in Amsterdam, Noord-Holland, in Arnhem, Bennekom en Ede. Dit deed Lies Markus het initiatief nemen in 1983 een vereniging van knippers op te richten, met een kwartaalblad als bindend element.

Hil Bottema heeft ook veel historisch speurwerk verricht, onder meer naar het werk van ‘Jan de Prentenknipper’ uit Zeeland, Jantje I’. Joke en Jan Peter Verhave zetten dit speurwerk van Hil voort, waarover zij tenslotte een prachtig boek publiceerden.

De stroming van het naturalistische knippen van mevrouw Kerp gaat ook in alle vertakkingen verder, waaraan haar leerling Elly Stroucken veel bij draagt en die ook de speciale tak van het portretknippen goed vertegenwoordigt. Ook Jaenet Willems, Joke Kooi (Varkevisser) en Sille Westerman Holstijn-van de Broek zijn in dit soort knipwerk gespecialiseerd. Bovendien draagt Sille Westerman met haar museumpje in Bronkhorst ook veel aan de bekendheid van de knipkunst bij Door hen wordt Lever’s specialiteit – het portretknippen – dus verder voortgezet. Ook het Knipkunstmuseum in Westerbork gaat voort in vernieuwde vorm, na het uiteenvallen van de collectie van Lever door diens overlijden.

Jan, één van de zonen van Lever, knipt illustratief. Lever’s dochter, Tobia, heeft samen met haar man, Henk van Ark, het Historisch Knipwerkmuseum in Schoonhoven opgericht, waar een deel van haar vaders collectie bewaard wordt. Zij geeft daar ook cursussen en workshops. Als kind knipte zij in haar vaders stijl, maar Tobia slaat nu een zeer moderne weg in en maakt zelfs driedimensionaal knipwerk.

Steeds nieuwe wegen zijn in de knipkunst ingeslagen. Ik denk daarbij aan het werk van bijvoorbeeld Frouke Goudman-Cupido, haar broer Jan Cupido en Gerlof Smit, allen grafische ontwerpers; terwijl ook Wies Palma zich in deze richting ontwikkelt. Zij hebben hiermee in het algemeen een grotere bekendheid en waardering voor de knipkunst bereikt.

Zo is het de knippers in Nederland sinds de oorlog vergaan. Ik vermoed dat de komende kadercursus in Orvelte (25, 26 en 27 maart 1998) ook nieuwe visies zal tonen.

Edoch wie het oude niet eert, is ‘t nieuwe niet weert.

To van Waning-Mijnlieff

Mijn hertje, mijn hartje!, Knip-Pers 1997-2

afb. 1, anoniem, hert getroffen door een pijl; het snijwerk is verlevendigd door geprikte arcering. Vroeg 17de eeuw, Particulier bezit

Hieronymus Sweerts maakte en publiceerde in de 17de eeuw een minne-dicht: “Op de Harte- jacht, zijnde een vluchtend Hart, daar drie Jagers achter hert’ waren, zeer curieus in papier gesneden, door Nicolaas van Ravestein”.
Van de knipper (1612-1678) en zijn jachtsnijdsel weten we verder niets, maar de jacht was een geliefd onderwerp in de kunst en kunstnijverheid van vroeger eeuwen. Juist uit de 17de-eeuwse spelling kunnen we begrijpen vanwaar die interesse kwam. Er was niet zomaar een hert in het spel, maar een hart, en wel een meisjeshart. En er waren jagers op haar spoor, die haar wilden raken!

Hoe het precies in z’n werk ging met die jachttaferelen weten we niet. De vrijer kan zo’n knipsel zelf gemaakt hebben, of zou hij iemand die kunstzinniger was dan hijzelf een opdracht gegeven hebben? En zou hij het dan op steelse wijze zijn “hertje” toespelen?

afb. 2, Cornelis van Halmael maakte rond 1648 diverse jachtscènes, die vooral imponeren door het geweldige geboomte; hier jaagt een ruiter met lans en honden op een edelhert, particulier bezit

Misschien ging het wel in alle openheid, vooral naar andere kapers op de kust: “Blijf uit de buurt, dit is mijn buit!”

afb. 3, Omstreeks 1700 maakte Otto van Voorst een jachtprent voor een Delftse jongedochter. Waarschijnlijk betreft het een van de gezusters ‘s Gravesande: Anna (1673-1714) of Johanna Maria (1674-1718). Hun broer Comelis werd vroed schap van Delft in 1724 Particuliere verzameling

Of zou het toen al zo’n gewoon beeld zijn geweest, dat de achterliggende betekenis niet meer echt gebruikt werd? Heeft men soms Psalm 42 op het oog gehad, die begint met het beeld van een hijgend hert, der jacht ontkomen, dat smacht naar frisse waterstromen? Was het een mythologisch verhaal, waaraan men dacht, bijvoorbeeld over Diana, of de volksdevotie over St. Hubertus? Daar moeten volkskundigen zich maar eens over buigen! Wij konden er geen nadere bijzonderheden over vinden. Wel moeten we constateren dat de jacht als genre om af te beelden minder populair werd in de romantische 19de eeuw; men kreeg toen zicht op zoveel andere beelden uit het alledaagse leven: beroepen, huishouden, buitenleven en maakte onder andere huwelijksknipsels met mooie letters. Daarom een aantal plaatjes uit de verschillende tijden, gewoon maar om naar te kijken.

afb. 4, Frederik Hendrik van Voorst maakte in 1723 snijdsels uit perkament, die diverse typen van jacht afbeelden: valkenjacht, zwijnenjacht, hertenjacht en konijnenjacht. Deze knipsels zijn voor deftige echtelieden gemaakt en niet ter gelegenheid van hun huwelijk. Daarom is hier de jacht een teken van stand (particuliere verzameling en Museum de Lakenhal). Ondanks dat we niet over een goede reproductie beschikken, plaatsen we toch deze afdruk omdat het vooral gaat om de tafereeltjes als vlakvulling.

afb. 5, Nog weer iets later in de 18e eeuw moet een heel eenvoudig knipsel worden gedateerd met jagers, honden en herten (Provinciale Bibliotheek Leeuwarden).

afb. 6, Helemaal kinderlijk doet dit hertenprentje aan, uit dezelfde tijd (particuliere collectie.)

afb. 7, Uit de pruikentijd stamt een hertenjacht, op nieuw met honden en speren; daarbij ook een hoornblazer (Nederlands Openluchtmuseum Arnhem).

afb. 8, In de verzameling knipsels van de Leidse Willem Eigeman (1756-1839) komt ook een jachttafereeltje voor (Museum de Lakenhal Leiden). De hertenjacht met lansen is dan kennelijk verleden tijd. Geweren hebben hun plaats ingenomen.

afb. 9 Hendrik Melchior Vockestaert (1794-1840) knipte op ongeveer 15-jarige leeftijd een serie landschapjes en daaronder miste het vanzelfsprekende jachttafereeltje niet, Nederlands Openluchtmuseum Arnhem

Jachtscènes zijn in de 19de eeuw niet meer zo gewild en kennelijk is de bijzondere betekenis verloren gegaan. Het Is geen symbool meer, zeker niet van geheime liefde. Tegenwoordig is de jacht zelfs een omstreden liefhebberij. Jagers willen niet herteloos blijven en hun tegenstanders vinden dat harteloos. Maar in Duitsland bleef de jacht populair en voor kunstenaars een onuitputtelijke bron van inspiratie en ook van spot. Het weideljk en het kritisch faunabeheer zouden de rollen maar eens om moeten draaien en op de hoorns, respectievelijk de korrel genomen moeten worden!

afb. 11, Karl Fröhlich, De jager verjaagd

Joke en Jan Peter Verhave

Joop Koevoets, een man met twee beroepen, Knip-Pers 2000-1

Op suggestie van Meta Bardet heb ik een bezoek gebracht aan mevrouw Koevoets en haar oudste zoon om meer te weten te komen over man en vader Joop Koevoets, schaarkunstenaar, die 5 jaar geleden overleed. Ik ben gezellig ontvangen in een Leids huis. Overal waar je kijkt, is werk van Joop Koevoets aanwezig.

Joop werd geboren in Goes op 15 november 1920 en is op 6-jarige leeftijd naar Leiden verhuisd. Hij voltooide zijn opleiding tot illustratief tekenaar vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Joop las over het schimmenspel en is het toen zelf gaan proberen. Zijn eerste schimmenspelen waren bewerkte sprookjes.

afb. 2, logo voor een zoon

Na de oorlog is Joop ook op de literaire tour gegaan; hij wilde zich bekwamen in de voordrachtskunst en declamatie. Om zijn stem te ontwikkelen is hij logopedie gaan studeren. Hij oefende nu tegelijk de vrije beroepen van schaarkunstenaar, theaterspeler, voordrachtskunstenaar en stemleraar uit. Aan zijn vrouw, Toos, die tijdens optredens met het schimmentheater de schimmen hanteerde, had Joop een goede partner voor al zijn activiteiten.

 

afb. 3, logo voor een zoon

Joop maakte de ontwerpen voor de schimmenspelen, die vervolgens door zijn vader uit strokarton werden vervaardigd. Een tijdrovend werk mede door alle bewegingen die mogelijk moesten zijn. Hij richtte ook een culturele groep op, werd zelf de regisseur en reisde met zijn gezelschap naar Frankrijk. Grote liefde ontwikkelde de familie voor Frankrijk. Dertig jaar lang hebben zij de plaats Limetz bezocht, waar Joop middels de ‘Club Hollandais’ avonden verzorgde.

afb. 4, logo voor een zoon

Hij voelde zich er autotochtoon en is tot Citoyen d’honneur benoemd. Natuurlijk dienden zijn silhouetten als uitgangsmateriaal voor de affiches.

De silhouetten zijn prachtig materiaal voor illustraties. Joop Koevoets verzorgde reclamewerk voor het LOI, de Leidse Courant en kerstnummers van diverse bladen.

Ook heeft hij sprookjes- en declamatieboeken met silhouetten geïllustreerd uitgegeven. Hij heeft veel in opdracht gewerkt: een silhouet bij iedere cursus van het LOI, het boekje voor de Kerstviering van school, geboortekaartjes, ex-librissen en boekjes.

afb. 5, flyer voor Club Hollandais

Joop Koevoets heeft nooit actief contact met andere knippers gehad. Wel heeft hij andere schimmenspelers als Frans ter Gast gekend.

Omdat het vrije beroep van schaarkunstenaar en spraakleraar toch risicovol was, met een gezin met 3 kinderen, ging Joop, reeds achter in de veertig, ook spraakles geven op de Lom-school en de Pedagogische Academie Rotterdam. Eerst een paar uur, vervolgens meer uren, tot zelfs fulltime. Geknipt werd er echter niet minder, tot in de late uurtjes in zijn atelier! Wel veertig jaar lang met hetzelfde nagelschaartje. Ooit heeft hij een nieuw schaartje geprobeerd, maar dat voelde niet goed!

afb. 6, Joop Koevoets, 8,5 x 13 cm

De silhouetten waren meestal op de natuur geïnspireerd. Hoe ging de heer Koevoets te werk? Zijn vrouw vertelt: “Tijdens het wandelen had hij altijd een stapeltje kaartjes bij zich (oude bibliotheekkaartjes met een lege achterkant). Ik droeg de driepoot, een uitklapbaar krukje. Zeer snel zette hij een klein schetsje op, zo snel dat hij zelden van het krukje gebruikmaakte! Ik heb wat met dat krukje gesjouwd!”

Vervolgens werd de schets thuis uitgewerkt op zwart papier (Het beste papier vond hij het verduisteringspapier uit de oorlog.) en daarna geknipt. Met nadruk op geknipt en niet uitgeknipt. Als het snelbewegende papier anders wilde dan de tekening, dan werd het silhouet bijgesteld. Een duidelijke trots voor Joop was als hij een knipsel / silhouet aan zijn vrouw liet zien door het aan een punt omhoog te houden, zodat je goed zag dat het uit één stuk geknipt was.
Volgens Joop Koevoets haalt een met zwart opgevulde tekening het niet bij een schaarsnede, het minimale opstaande randje na het opplakken geeft net de extra dimensie aan het werk.

Drie onderwerpen heeft Joop onder de schaar gehad:
schimmenspellen; mensfiguren, aanvankelijk naar het leven, bijv. Oliver Twist van Charles Dickens en later bekende figuren; en de natuur.

afb. 7, Joop Koevoets, 10 x 11 cm

Voor de laatste schaarsneden die hij heeft gemaakt, adviseerde zijn vrouw hem om onderwerpen uit de literatuur te nemen.

Het hele gezin is altijd betrokken geweest bij vaders activiteiten. Vanuit huis vond alles plaats: knippen, schimmentheater, optreden met declamatie, regisseren van toneelstukken tot in Frankrijk aan toe, en de familie heeft zelfs zeven jaar lang een “Toneelkostuumhuis” gehad. Dat was hard werken volgens mevr. Koevoets. Er werden veel kostuums verhuurd en het jaarlijkse Bloemencorso werd door hen aangekleed.

Zoals vrouw en zoon zeggen, is de heer Koevoets te jong overleden, 74 jaar. Hij was versleten doordat hij eigenlijk twee banen had en niet ‘nee’ kon zeggen. Trots is mevr. Koevoets dat de capaciteiten van zowel vader als moeder (schilderen en boetseren) in de kinderen voortleven, en misschien ook wel in de kleinkinderen.
De oudste zoon is docent tekenen en regisseert een pantomimetheatergroep. Zijn vrouw is gestimuleerd door schoonvader Joop, en doceert kalligrafie. De tweede zoon zet de Franse contacten voort en de jongste is gitarist. Voor hun activiteiten gebruiken alledrie de zonen knipsels van hun vader.

Ik heb genoten van het bezoek en ben eigenlijk reuzebenieuwd geworden om ooit eens een schimmenspel van Joop Koevoets te mogen zien. Ben ik de enige?

Joke en Jan Peter Verhave

Willem Eigeman, 1756‑1839, Knip-Pers 1996-3

“Eigeman, Eigeman, hoe maakte u zich de schaarkunst eigen, man?”

afb.1, Willem Eigeman, 29 x 23 cm

Op twee van uw nagelaten knipprenten zien wij het woord ‘Schaarkunst’ voorkomen. In het knipsel op de voorpagina (29 x 23 cm) zien we in het midden een ovaal medaillon (10 x 8,5 cm), waarop in bruin gedrukt een afbeelding van een vrouwenfiguur met een engeltje aan haar borst; daaronder een handgeschreven tekst: “Jesaia 49 vers 15 het eerste gedeelte: Kan oock eene vrouwe hares zuygelinghs vergeeten, dat zij haer niet en ontferme over den sone hares buycks?”
Boven het medaillon is een draperie geknipt (8 cm lang), met daarop handgeschreven het woord ‘Schaarkunst’. Dit alles is omgeven door fijne ruitmotiefjes en met een rand van diagonale streepjes en grotere bloemmotieven in de hoeken.

afb. 2, Willem Eigeman, 28 x 19 cm

Op de achterpagina van deze Knip-Pers zien we een knipselprent met in het midden, in geknipte letters, ‘Schaarkunst, gedaan door Willem Eigeman. In ’t jaar 1782’. Zowel de rand als de tekst is geheel geknipt (totale afmeting 28 x 19 cm). Toen was u 26 jaar oud. En dit jaartal 1782 vinden wij op meerdere prenten terug. Het papier waarvan u de prenten maakte, is voor onze huidige begrippen zo dik, dat het werk eerder gesneden dan geknipt kan zijn. Wij zouden thans zeggen: het is papier uit een schetsboek. Hoewel ze er delicaat uitzagen, kon ik de knipsels rustig bij een punt optillen om te tonen hoe stevig zij in wezen zijn.

afb. 3, Willem Eigeman

In 1977 heb ik het knipwerk namelijk mogen fotograferen bij een achter-achterkleindochter van Willem Eigeman. Zij had zijn album met alle knipsels tussen blauw papier – zoals alle antieke knipsels vroeger bewaard werden – bij haar in huis en vond het griezelig om ze ‘zomaar’ thuis te hebben liggen, gezien de vermoede waarde van het geheel. Zij wilde er graag foto’s van hebben en dan de originele exemplaren in een kluis opbergen om ze te vrijwaren voor brand- of inbraakgevaar.
Heel toevallig kwam mij nú, 18 jaar later, in november 1995, het krantenbericht onder ogen dat de collectie bij Bubb Kuyper te Haarlem in haar gehéél geveild zou worden (richtprijs fl 20.000‑30.000).

 

Dit zijn het soort veilingen waar doorgaans verzamelaars naar toe gaan. Er stond in de berichtgeving: “Maar volgende week wordt een uitzonderlijk object geveild, dat het bekijken waard is. De collectie Knipkunst van Willem Eigeman (1756‑1839). Een kleine 40 bladen papier, die met schaar zijn omgetoverd tot ragfijn knipwerk, met in het midden menselijke figuurtjes of een tekst.”

afb. 4, Willem Eigeman

Later vernam ik dat de collectie voor fl. 32.110,- aangekocht was door het Museum ‘De Lakenhal’ te Leiden. Dit is niet verwonderlijk, omdat Willem Eigeman een koopman in Leiden was. De knipsels zijn dus nu weer in hun geboortestad teruggekeerd!

In de catalogus van de kniptentoonstelling ‘Schaarkunst’, die in 1983 in het Openlucht Museum werd gehouden, wordt op blz. 43, bij het overzicht van de oude knipkunst, Willem Eigeman ook genoemd door Joke en Jan Peter Verhave.

Een knipsel dat wel vaker is afgebeeld en dat verscheidene knippers, denk ik, wel kennen, is ‘De kinderspelen’.

afb. 5, Willem Eigeman, 23 x 18,5 cm

Een symmetrisch knipsel met in tien cirkeltjes een kind met een hoepel, diabolo, trommel, kegelspel of een tol, als rand om twee harten, met in elk hart een kind met een vlieger. Voor de velen die dit knipsel niet kennen, is het hier dus nog maar eens afgebeeld, en bedenk daarbij dan even dat elk cirkeltje waarin een spelend kind is afgebeeld, slechts 2,5 cm doorsnee heeft.

afb 9, Willem Eigeman, de Winter, 29 x 23 cm

Op de achterkant van het maartnummer 1996 van de Knip-Pers stond ook een knipprent van Willem Eigeman afgedrukt, ‘De Winter’ genaamd  (afb. 9), met een langwerpig middenstukje (11,5 x 5 cm), waarin een vrouwtje in een slede voortgeduwd wordt door een mannetje, onder een geknipt schaartje en ook geknipte titel ‘De Winter’. Het geheel is omgeven door symmetrische figuren die aan ijsbloemen op de ruit doen denken.

Willem Eigemans eerste vrouw, Maria Beusemaker, stierf in 1806 en zes jaar later, op 23 augustus 1812, hertrouwde hij met Johanna Geertruy Alting. Dit verklaart dat hij op 66‑jarige leeftijd nog zijn koperen bruiloft viert en daarvoor een knipprent (afb. 10) maakt met de

afb. 10, Willem Eigeman, 1825, 29 x 22,5 cm

handgeschreven tekst: ‘Ter nagedachtenis , der 12½ Jaarigs Echtvereeniging van Willem Eigeman en Johanna Geertrui Alting. Ingevallen den 23 Februari 1823’ en ‘Heere! Maakt ons bekent ons einde, ende welke de mate onzer dagen zijn, dat wij weten, hoe vergankelijk wij zijn. Psalm 39 vers 5’. De tekst is omgeven door bloem- en bladmotieven en geplaatst op een geknipte ondergrond in de vorm van baksteentjes, waarin nog een rankenrand verwerkt is.

Bij het nagelaten werk zijn ook gelegenheidsprenten, die nog geen ingevulde namen of teksten vertonen en waarvan de versieringen negatief (weg)geknipt zijn. (afb. 13)

afb 13, Willem Eigeman, 29 x 23 cm

Verder zijn er nog verscheidene knipsels met streng symmetrisch ingedeeld ruitmotieven

afb. 6, Willem Eigeman

met bijvoorbeeld een arrenslede in de middencirkel (afb. 7, afmeting gehele knipsel 23 x 18,5 cm),

afb. 7, Willem Eigeman, 23 x 18,5 cm

een wapenknipsel (gezien de Leidse wapensleutels waarschijnlijk van Leiden?) (afb. 8)

afb. 8, Willem Eigeman, (16,5 x 20 cm

maar ook een langwerpig, niet symmetrisch jachttafereel met bomen, herten, honden en jagers (afb 12),

afb. 12, Willem Eigeman, 15 x 23 cm

en twee kleine, uit gekleurd papier samengestelde knipsels van de verboden vrucht plukkende Adam en Eva met slang in het paradijs, en het vervolg daarop: Adam en Eva die daarom door de aartsengel uit het paradijs verdreven worden.

afb. 11, Willem Eigeman, Adam en Eva worden uit het Paradijs verdreven

Voor zover ik heb gezien en heb kunnen constateren, knipte Willem Eigeman uitsluitend uit wit papier. Om die reden vroeg ik me af of de twee laatstgenoemde knipsels wel van zijn hand zijn.

To van Waning-Mijnlieff

Willem Eigeman is in 1839, op 82-jarige leeftijd, in Leiden overleden. Tot en met 18 november 1996 kunt u zijn werk in Museum ‘De Lakenhal’ in Leiden bekijken.

Overgeleverde knipsels, Knip-Pers 1998-4

Onlangs kochten we op een markt voor een paar tientjes een aantal knipsels van WiecherTjeert Lever. Levertjes zijn nog regelmatig te koop. Hij heeft er ook zoveel gemaakt in de ruim 30 jaar van zijn knippende leven! En zoveel duizenden bezoekers hebben ze onder zijn schaar vandaan gekocht. In 1981 kwam er een plotseling eind aan zijn productieve leven. Geleidelijk aan komen nu uit de boedels van mensen die ooit het Museum van Knipkunst bezochten, zijn knipsels weer op de markt. Naar aanleiding van onze aankoop leek het ons goed om weer eens iets over deze pionier te vertellen. Natuurlijk is er over hem ook in het knipselmuseum van zijn dochter Tobia Lever in Schoonhoven veel te weten te komen. Een van onze nieuwe aanwinsten, een vaas met bloeiende kamperfoelie, stamt uit zijn eerste periode in Muntendam. Die tijd, omstreeks 1950, willen we nog eens uitlichten.

afb 1, W.Tj. Lever

Lever had in dat dorp zijn atelier ‘De Meeuw’ en was al sinds de oorlog actief aan het knippen. Hij raakte geïnteresseerd in wat knippers vóór hem gemaakt hadden en waar zij hun inspiratie en beelden vandaan hadden. Lever probeerde een bestaan als knipper op te bouwen; hij reisde veel en gaf door het hele land demonstraties. Bovendien had hij er slag van om de aandacht te trekken van journalisten, waardoor hij een bekende persoon werd. En dat kwam niet in het minst door de uitgesproken ideeën die hij uitdroeg over kunst, volkskunst, politiek en geloof. In het kleine wereldje van naoorlogse knippers gaf dat soms een wat ongemakkelijke verhouding.

Met name verafschuwde Lever de manier waarop Hil Bottema in het Openluchtmuseum oude vormen uit de kunstnijverheid, zoals harten en levensbomen, ingang probeerde te laten vinden bij de nieuwe generatie onderwijzers en knippers. Voor het goede begrip: de Duitsers hadden voor en tijdens de oorlog de volkskunst opgeblazen als het volkseigen van het arische ras, dus zouden die oude (Germaanse) vormen ons in het bloed zitten. Lever moest hier niets van hebben. Tussen hem en Hil is het nooit meer goed gekomen.

Met wie hij wel een goede verhouding had, was de ‘folkloristische Line Huizenga-Onnekes, een oude dame die veel volksverhalen in het Groningerland had opgeschreven en die zich voor de geschiedenis van het knippen was gaan interesseren. Line wilde een boek schrijven over de knipkunst en Lever werkte daar graag aan mee, omdat hij bij zijn vele activiteiten overal in ‘t land oud knipwerk was tegengekomen. Hij speurde naar de herkomst en de makers en had zo een grote kennis opgebouwd. In die tijd van samenwerking lezen we in de briefwisseling veel over wat hen bond en waarin ze met elkaar van mening verschilden. En Lever nam daarin niet altijd een blad voor de mond. Hij schreef wat hij vond, met name over andere knippers. Omdat Line Huizenga met alle knippers goede contacten wilde houden, onder meer met Hil Bottema, werden er nogal eens harde noten gekraakt in de briefwisselingen. Daaruit leren we wel heel goed hoe Lever dacht over volkskunst en over zogenaamde levensbomen, die in de volkskunst zo vaak voorkomen. Lever zag daarin niet zozeer een diepe betekenis, maar een makkelijke (symmetrische!) manier om een aardige vorm te maken.

Intussen kreeg Lever steeds meer oud en nieuw knipwerk onder ogen, restaureerde beschadigde stukken en vervaardigde hij vaak ook geknipte kopieën voor zijn groeiende verzameling. Hij maakte in 1953 zelf een soort knipleer gang: ‘Op nieuwe wijs, naar oude trant’; niet als concurrent van het gezamenlijke plan, maar om mensen te stimuleren zelf te gaan knippen.

Van een gezamenlijke beschrijving van de Groningse knipkunst is het niet gekomen en Line helde er steeds meer toe over om het boek zelf te schrijven. Maar ze bleef tot aan haar overlijden met Lever in contact en profiteerde van diens alsmaar groeiende kennis over de knippers van vroeger. Lever heeft altijd ontzag voor haar gehouden en bleef haar steeds ‘Mevrouw H’ noemen. Van een boek is het niet gekomen. Line is in 1956 gestorven met het volledige manuscript ‘Juweeltjes van knipkunst’ onder haar bed. Wij hebben in de loop van de jaren veel en dankbaar gebruik kunnen maken van de door haar bijeen geschreven kennis van Lever en van haarzelf.

afb 2, W.Tj. Lever

Hier volgen een aantal citaten uit de brieven die Wiecher Lever aan Line Huizenga stuurde.

16-8-1948: “Misschien is het mogelijk om in de toekomst een werkje over knipkunst te doen uit geven waarvan U het Historisch en ik het gedeelte over de techniek kan verzorgen… Ik zie het gaarne dat U mijn naam noemt als ontdekker van Geert Jager (Groninger knipper omstreeks 1900)… Dit is niet uit ijdelheid of eerzucht, maar uit behoefte aan steun ende reclame. U mag gerust van alle door mij aan U gedane mededelingen gebruik maken…”

5-3-1952: “Weest U niet bezorgd dat ik U in de steek laat. Hierbij in haast een flink stuk werk. Het hoofdstuk Knipkunst als volkskunst. U ziet wel, ik heb de beschouwing niet in scherpe stijl gezet, maar geprobeerd ze als één geheel te brengen.”

4-9-1952: “Anders sta ik tegenover Uw mening omtrent levensbomen Volgens mij kent de spontane volkskunst deze vormen niet. Ik heb soms het idee dat dit primitief werk vaak gebrek aan fantasie is… Misschien ben ik te nuchter.”

18-9-52: “Waar koersen wij heen. We zijn overeengekomen samen een boek te schrijven, waarvan ik het hoofdstuk ‘Volkskunst’. Nu verwerpt U beider namen als samenschrijvende en zoekt U een uitweg voor mijn naam… Volledig heb ik mij gegeven en ik ben bereid dit verder te doen, doch met alle respect voor Uw ervaringen, durf ik mij toch wat de knipkunst betreft, de meest ervaren en geroutineerde werker te noemen.”

30-12-52: “Mijn leerboekje is mede bedoeld om het werk van het Openluchtmuseum en haar propaganda die ook enigszins hol is, in bedwang te houden.”

6-5-1953: “Kunst en volkskunst kunnen mijns inziens wel door dezelfde beoefend. Ik zie daarin niet de graad van bekwaamheid maar de bron waaruit de vormgeving geput wordt.”

Line schrijft op 8-5-1953 en citeert een andere knipper, Gert Evers:

“Hij vindt dat U fantastisch goed knipt, maar dat u jammer genoeg niet verder komt dan duivenhok, vogels, watervogels, herten en bloemen. Veel kopiëerwerk. Een beetje gelijk heeft hij, vind ik wel.”

Lever gaat daar niet op in en op 6- 6-1953 zet hij de discussie over levensbomen voort. Hij citeert een Friese verzamelaar van merklappen: “Ik heb meer als 250 letterlappen. Er staat van alles op. Die echter symbolen zoekt vindt er niet een.” Lever voegt toe: “Zelf zou ik willen aanvullen, die er persé toch wil zoeken, vindt wel een verwant struikje.”

En over het onderscheid tussen Kunst, Kunstnijverheid en Volkskunst: “Ik spreek liever van geschoolde kunst (intellectueel) en volkskunst (godsdienstige of omgevingsmotieven) en vat dit samen in het begrip KUNST, in tegenstelling tot kunstnijverheid die ik vaak als souvenier-industrie zie (decoratie door ontwerpers en nawerkers).

6-12-1954 Zit hem de werkwijze van Hil Bottema nog steeds dwars en hij schrijft aan Line Huizenga.: “U noemt mij niet erg gemoedelijk en schrijft: geeft ook anderen de ruimte. Voor de oude werkmethode (eenvoudig en verfijnd) is door haar (Hil Bottema) iets eigenzinnigs in de plaats gekomen, een systeem, dat vloekt met de werkelijkheid.”

afb. 3, W.Tj. Lever

Zijn waarheid en werkelijkheid waren Wiecher Lever heilig, en zo nodig moest het maar op een minder vriendelijke manier gezegd worden. Line Huizenga heeft hem er herhaaldelijk op gewezen dat er plaats moest zijn voor andere ideeën in de ontwikkeling van de Nederlandse knipkunst, maar Wiecher is zijn eigen weg gegaan. Hij verhuisde in 1960 van Muntendam naar Roden en in 1965 naar Westerbork. Vanaf 1972 kenden wij Lever en zijn collectie en we hebben van die kennis gebruik gemaakt voor ons boekje ‘Schaar-kunst’ (1983).

In 1938 werd de collectie Lever geveild en die bleef gelukkig voor het belangrijkste deel in Nederlands bezit. Wij hadden het geluk een aantal historische stukken aan te kunnen kopen, dank zij goed overleg tussen de verschillende belanghebbenden. En nog steeds kijken we op markten en veilingen of we niet een karakteristiek Levertje kunnen bemachtigen. We hebben er intussen zo’n 20, uit wit papier op zwart of omgekeerd, gesigneerd en netjes in kleine lijstjes gezet. Je herkent ze uit duizenden, maar hij heeft er dan ook duizenden gemaakt. Hij moest er van leven en dat maakte zijn producten enigszins voorspelbaar. Naar onze smaak is het de grootste verdienste van Lever geweest dat hij liet knippen heeft gepopulariseerd aan de hand van wat knippers vóór hem gemaakt hadden.

Joke en Jan Peter Verhave

Bronnen:
Het archief van Line Huizenga- Onnekes.
H, Kruizinga (1952), De tovenaar van Muntendam. De Vriend des Huizes 68, 481-483.
Joke Verhave en To van Waning (1986), Line Huizenga en Hil Hottema. Geïllustreerde uitgave van de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst en nog verkrijgbaar voor fl 6,60 (mcl. porto) op giro 26 58 240 van redactie Knip-Pers te Bennekom.
Henk van Ark (1997), Wiecher Tjeert Lever, Papierknipper en verzamelaar. Nieuwsbrief 10-3, Ned. Museum van Knipkunst/Stichting W.Tj. Lever.

Fris van de lever, Knip-Pers 1999-1

Vorige keer schreven we over de knipper Lever in zijn vroege periode. Hij woonde toen in Muntendam en reisde het land door met zijn schaar en zijn verhaal. Veel van die verhalen gaf hij door aan Line Huizenga-Onnekes, met wie hij samen een boek over knippen wilde schrijven.

afb. 1, Tobia Lever (uit: Op nieuwe wijs naar oude trant, 1952).

Intussen merkte hij dat het lukte om mensen aan het knippen te krijgen, vooral kinderen die nog niet zo bevangen zijn van vaste ideeën over vormen en betekenissen. Hij schreef een handleiding, die hij als een leerboekje in 1952 uitgaf. Het eerste hoofdstukje heet: “Om kinderen bezig te houden en zelf routine te verwerven”. Het gaat daar dus eigenlijk niet om knippen mét, maar vóór kinderen. Lever raadt aan om niet te hoog te grijpen en met eenvoudige poppetjes en kastrandjes te beginnen. Maar in een volgend hoofdstukje over ‘Vrije vormgeving’ vertelt hij:

“Toen mijn dochtertje eens op zevenjarige leeftijd naast mij zat te knippen, zei ze plotseling: “Zie eens Papa, nu heb ik een poes geknipt, maar dit kon ik er niet aan krijgen” en ze maakt met duim en wijsvinger een beweging op de plaats waar de snorharen behoren te zitten. Even later klinkt het: “Nou heb ik dit er ook aan, maar nu heb ik de oortjes vergeten en nu heeft hij dus een gladde kop”. Een volgende keer probeert ze een meisje te knippen die bloemen plukt of een meisje dat aan een tafeltje zit met bloemen in een vaasje geschikt, of een die met een kinderwagen wandelt. Altijd hebben die meisjes een vleçht op de rug… Dit alles is haar sfeer en in de eerlijke naïviteit ligt de schoonheid van haar werk.”

We herinneren ons dat Lever het land had aan zogenaamde volkskundige motieven, die op kunstmatige manier via cursussen werden overgedragen, in plaats van te zijn overgeleverd. Dat wat een kind knipt, schatte hij veel hoger. In de nalatenschap van Line bevindt zich een handschrift van Lever dat een goed beeld geeft van de manier waarop hij zijn eigen kinderen met schaar en papier vertrouwd maakte. ‘t is getiteld:  ‘Het atelier’.

Het is een donkere morgen begin december. Zulk een morgen waarbij je het lamplicht niet missen kunt. Buiten plenst eentonig de regen. Mijn vrouw is achter bezig, en mij is de oppas van vier kleuters opgedragen. Twee meisjes van bijna 7 en 1 jaar, twee jongens van 5 en bijna 3 jaar.

Om zelve door te kunnen werken heb ik de drie oudsten ook een schaar gegeven. No 1 is al vouwend voor no. 4 aan het poppetjes knippen, welke laatste ze met speeksel aan het raam tracht te plakken. No. twee ontleed kranten, door overal prentjes weg te knippen. No. 3 versnippert de overgebleven geraamten der kranten. Tracht U een voorstelling van mijn huiskamer te maken en U hebt een twintigste eeuws atelier van een knipkunstenaar.
De harmonie die ik U zoojuist schetste wordt plotseling wreed geschonden. Mijn vrouws hoofd verschijnt in de deuropening. Het oudste meisje ,moet snippers in een emmertje verzamelen. De oudste jongen trekt zich met een stenen poppetje. ‘een boertje niet juk en emmers’ in een hoek terug. De vrouw gaat echter weer aan haar werk De oudste knipt weer, de tweede haalt weer prentje uit, de derde snippert, en de jongste weert zich thans dapper met een veger in het emmertje net de vergaarde snippers, het geheel tussen zijn beentjes vattend, als een dwerg in een grote vijzel, en dan maar roeren.
Nu komt de oudste hij me, en legt mij vol trots de producten van haar fantasie voor, het zijn een vijftal kleine knipsels, welke zij zelf aldus omschrijft:

  1. Een boom, grassprietjes en een kat
  2. Een stoeltje, een meisje en een mand met appels.
  3. Een kopje, een suikerpot en een koffiekan.
  4. Een huisje, een meisje en een boompje.
  5. Een bootje waarin een jongen en een meisje.

Dit is mijn gedachte, het zuiverste ontstaan van volkskunst, een kind dat weergeeft wat haar omgeving biedt, en aan haar fantasie wordt overgelaten.

afb. 2, Wiecher Lever, silhouet door Wiecher van zijn dochtertje Tobia, 14 maanden oud (afb. archief Huizenga-Onriekes).

In gedachten zie ik weer de verzameling, in bezit van mevr. Ris-Loos te Stadskanaal. Meer dan 100 stukjes knipwerk, van kinderlijke eenvoud. Vele zijn bijna gelijk van vorm. Als materiaal dienden oude brieven, behang, en zelfs een etiket van een medicijnflesje. Het is een verzameling overgelaten door haar over grootmoeder, dus waarschjjnlijk van ongeveer 1800. Bij het zien van zulk een verzameling zie ik het gemoedeljjk verleden. De haard met zijn lekkende vlammetjes. een groepje dartele schoolkinderen met de schaar tegen elkanderen wedijverend. Op oudere leeftijd zullen zij de plaatjes geknipt hebben voor hun Album amicorum’, en weer later als volwassenen, de huwelijksknipsels uit die dagen, waarin hart en kroon zulk een voorname plaats innamen. Ditzelfde gaat voor mij herleven als ik het kinderwerk van het bijna zevenjarig meisje door de vinger doet glijden. Het kan weer worden, dat schier elke familie een lid heeft dat de knipkunst beoefent. De volkskunst die geen materiaalkosten mee brengt, en toch door zijn mogelijkheid tot verfijning, zich leent tot beoefening in alle bevolkingslagen.

Het oudste meisje uit dit intieme gezinstafereel is Tobia, die nu het werk van haar vader voortzet. Zij en haar partner Henk van Ark beheren het Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven. Net als Wiecher Ljever verzamelen zij oude en nieuwe knipsels en de geschiedenis daaromheen. Een belangrijk deel van de in 1988 bij Christie’s geveilde collectie van haar overleden vader hebben zij kunnen verwerven, dank zij steun van culturele instellingen. Hun groeiende verzameling stellen ze ten toon, ze geven andere knippende gelegenheid om hun werk te laten zien en wij mogen daarvan genieten. Wat een bijzondere opleiding heeft Tobia gehad, om tussen de knipsels en snippers op te groeien en nu zelf tot knipkunstenaar uitgegroeid te zijn!

afb. 3, Bruidspaar door Tobia Lever, 9 jaar oud (uit: Silhouetten knippen)

Wij wensen Tobia en Henk met hun museum een goed seizoen. Het zou fijn zijn als de redactie van de Knip-Pers zo nu en dan een artikel uit de Nieuwsbrief van de Stichting W.Tj. Lever zou mogen overnemen, en omgekeerd.

Joke en Jan Peter Verhave

Letterlijk en figuurlijk, Knip-Pers 1997-4

De Leidse knipgroep gaat een tentoonstelling houden in de Doopsgezinde Kerk van Haarlem. Een goede aanleiding is een ingelijst knipwerk dat in die kerk hangt met het bekende gebed dat Jezus ons geleerd heeft, het ‘Onze Vader’. Maar wie het knipsel gemaakt heeft, is onbekend. “Om van dit knipsel uit te gaan, graag wat meer gegevens”, vroegen de dames ons. “Ook de Doopsgezinde gemeente zal dat zeker erg waarderen”. De lezers van de Knip-Pers bovendien, hopen wij.

Welnu, het knipsel is gemaakt door de Haarlemse schilder H.J. de Jongh. Zijn vader was Thomas J. de Jongh, (1818-1881) te Alkmaar, die zeer grote gedenkstukken knipte, onder andere bij de herdenking van Laurens Jansz. Coster in 1856.

afb. 1, H.J. de Jongh uit Haarlem

Hij knipte net als zijn vader sierlijk schrift, en vatte het met een eigen stijl in lofwerk van krullen, bloemranden en -festoenen. Hij koos als onderwerpen ge dichten en spreuken, bijvoorbeeld: “Als ‘t buiten woedt, is ‘t binnen zoet”. Vaak werden ze versierd met passende symbolen. Ook maakte hij een knipsel bij de geboorte van prinses Juliana. Zijn witpapieren spreuken zette hij op een achtergrond van blauw fluweel, zodat de regelmatige letters en hun versie ringen levendig afsteken tegen de donkere achtergrond (fig. 1, voorbeeld van een geknipte tekst; de kopie van het ‘Onze Vader’ is niet geschikt om af te beelden).

Het was niet ongebruikelijk om het ‘Onze Vader’ uit te beelden. In veel oude protestantse kerken staat het gebed in fraaie letters geschilderd op een opvallende plaats, naast de Tien Geboden. Het Woord stond in de Calvinistische en Doopsgezinde kerken nu eenmaal centraal en afbeeldingen van de Bijbelverhalen, zoals in de Roomse kerken (boeken der leken!) of huizen (devotionalia) pasten minder goed bij de protestanten. Daarom leefde men zich uit in sierlijke krullen en in letters van allerlei types en grootte. De teksten werden er letterlijk figuurlijk van!

afb. 2, ‘Onze Vader’ , D. Pasterkamp te Nieuwendam,1860, Westfries Museum te Hoorn.

Een andere Noord-Hollander, D.H. Pasterkamp, woonde in Nieuwendam en knipte omstreeks 1860 een groot ‘Onze Vader’ (afb. 2).

Ook zijn tijdgenoot Jan Tonkens, werkzaam op het Blauwhoedveem te Amsterdam, heeft het ‘Onze Vader’ geknipt. Hij was een begaafd mens, die door zijn omgeving niet begrepen werd en zich uitleefde in het knippen van magnifieke letterknipsels met kantachtige omlijsting (fig 3).

afb. 3, Jan Tonkens, particuliere collectie

Verder wordt in Museum ‘t Coopmanshûs te Franeker een fijn geknipt ‘Onze Vader’ met fraaie letters bewaard, van een Friese schaarkunstenaar, J.W. Adels (± 1850).

De bekende knippende dominee Jan Cornelisz. de Bleyker (1707-1783) was vanaf 1747 ‘leeraar’ aan de Doopsgezinde Kerk van Alkmaar. Behalve ‘kunstvaardig’ knipper was De Bleyker ook kleinschrijver, die zonder vergrootglas het ‘Onze Vader’ tien keer op de grootte van een stuiver kon schrijven.

De silhouettenknipper Kees Bakema schreef omstreeks 1950 aan mevrouw Huizenga-Onnekens, die toen een boek over de knipkunst aan het schrijven was, dat de knipster mevrouw Kerp een ‘Onze Vader’ uit 1831 ter restauratie had van een Utrechtse familie. Het had reliëf, met bloemenkransen en engeltjes. De bloemen waren heel verscheiden en goed uitgebeeld. Wij weten verder niets van dit knipsel, maar als ze nog bij ons was geweest, zouden we haar graag eens vragen of zij als Joodse vrouw die opdracht met plezier had uitgevoerd, en natuurlijk ook of er een afbeelding van in de Knip-Pers zou mogen worden afgedrukt…

Natuurlijk werden ook andere teksten geknipt, zowel godsdienstige als gezegden en gedenkstukken (“Uit achting op de eerste verjaring van Hinderikje Kampherbeek geboren te Lutten den 24 Mei 1853”. geknipt door Jannes Grootenhuis te Almelo, fig. 4).

afb. 4, Jannes Grootenhuis te Almelo, 1853

Het opvallende in veel 19de eeuwse teksten is, dat er een allegaartje van grotere en kleinere lettertypen werd gebruikt: hoofdletters, schrijfletters, gothische letters. Dat was niet alleen bij knippen het gebruik, maar ook in gedrukte teksten (fig. 5). Letters als figuren, eigenlijk een overdreven versiering die de tekst moest verfraaien. Het is zeer kunstig ambacht, dat past in de romantische sfeer van die tijd, maar naar ons gevoel soms te mooi voor ‘t mooi.

afb. 5, Grotere, kleinere en verschillende lettertypen op één (titel)blad van een 19de eeuwse catalogus.

Tenslotte nog één bekend voorbeeld, alweer uit Noord-Holland: Arie Tergant. Hij maakte teksten met tekenpen en schaar, waarbij de schrijfletters in een overdaad aan krullen werden gehuld.

Het doet denken aan de schoonschrijverij of kalligrafie, die in de eeuwen daarvoor in de mode was. Om het ovaal met de spreuk zette hij een aanvullende tekst in hoofd In een van zijn stukken (fig 6, “Gedenk te Sterven”, uit 1829) zien we een grappig detail, hij gaat opeens over op cursief:

O MENSCH GEDENK U DOOD DAAR GY NOG HEDEN STAAT
WANT EENMAAL NAAKT DE TYD dat Ook U Sterfuur Slaat

afb. 5, Arie Tergant uit Winkel, 1829, ‘Gedenk te sterven’

Kennelijk kwam hij niet uit en loste Arie het probleem op door een lettertype te gebruiken dat minder ruimte innam. Wij zouden zoiets in ons eigen werk als storend ervaren, maar in de vorige eeuw vond men variatie juist harmonieus. Zo heeft elke tijd haar mode en kijken wij met de bril van onze eigen knipcultuur en knipervaring naar de knipsels van vroeger. Niet altijd vinden wij het mooi en wij zouden soms andere teksten aan de muur hangen, maar het werk was vaak wel kunstzinnig of kunstnijverig. Zo kijken anderen ook naar onze knipsels en zo kijkt u zelf waarschijnlijk ook naar knipsels die u jaren geleden heel ijverig en serieus maakte. De uitdaging blijft om een letter, een woord of tekst, een naam zo in een figuur te knippen dat het onszelf en mensen om ons heen treft, ontroert of onrustig maakt: “Gedenk te leven” of “Onze Moeder”… Figuurlijk gesproken, letterlijk geknipt.

Joke en Jan Peter Verhave

Kleurige zwartjes, Knip-Pers 1998-2

Knippersdagen zijn altijd weer een bron voor nieuwe ontdekkingen. Deze keer kwam Meta Bardet aan met een klapper vol vrij eenvoudige knipseltjes uit het bezit van een familie hij haar in de buurt. Er zat zelfs een korte beschrijving hij van de maker. “Jullie kunnen daar vast wel wat mee”, vond ze. En inderdaad, wij hebben het verhaal wat uitgebreid en bijgewerkt en we vonden het (om technische redenen niet plaatsbare) portret van de knipper, A.C. de Zwart. De knipsels lagen in een familiebijbel van een kleindochter, wijlen mevrouw A.C. de Zwart. Ze zijn nu bij een achterkleinzoon, Herman Middelkoop, die samen met zijn echtgenote veel van de bovenstaande gegevens verzameld heeft. Maar er valt nog een heleboel uit te zoeken en dat is goed voor een vervolg.

Aart Cornelis de Zwart, werd omstreeks 1830 geboren en groeide op in de tijd van de geloofsonderdrukking van degenen die zich hadden afgescheiden van de Hervormde Kerk (de latere gereformeerden). Velen van hen emigreerden naar Amerika en stichtten daar de vele Hollandse plaatsen in de staten Michigan en lowa. Toen die episode voorbij was, ontstond de strijd voor christelijke scholen. Een van de eerste, voor onderwijzers, was de christelijke Normaalschool voor jongens, de Klokkenberg in Nijmegen, opgericht door Mr. J. van der Brugghen.

Aart kreeg hier zijn opleiding en leerde zijn drie talen zo uitmuntend, dat hij meteen een aanstelling kreeg als gouverneur bij een adellijke familie. Kort hierna werd hij onderwijzer aan de Franse school in Antwerpen. Daarna kwam De Zwart in contact met de Duitse evangelist Franken, een man van de protestantse inwendige zending, die in Hamburg een school voor verwaarloosde jongens had: das Rauhe Haus. Hij werd later benoemd als hoofd van een school in Groningen, op de Ossemarkt. Uiteindelijk is hij nog hoofd van een school in Den Haag geworden. Meester de Zwart is dus eigenlijk nooit gewoon onderwijzer geweest.

Hij ging schrijven voor de uitgeverij Höveker en Zoon te Amsterdam; dit was een uitgeverij van protestants theologische boeken en stichtelijke werken. Een bekend voorbeeld is de Christenreis van Bunyan. Bovendien maakte hij echte reisbeschrijvingen en boeken over de geschiedenis rolden van de pers. Kinderboeken met een duidelijke moraal, zoals die van Jan de Liefde (Klokje klinkt…) werden op (zondags)scholen veel gebruikt De Zwart schreef ook jeugdboeken, bijvoorbeeld voor de Kerst: ‘Vurige kolen in het ijskoude water; een Kerstverhaal met twee platen en omslag in kleurendruk’ en over de vaderlandse geschiedenis: ‘Een Nederlandsche Macchabeër; het leven van Prins Willem I aan de jeugd van Nederland verhaald’. Hij schreef twee boeken over Amerikaanse presidenten: ‘Hoe de zoon van den pionier president werd; de levensgeschiedenis van Abraham Lincoln aan de Nederlandsche jeugd verhaald’ en ‘Van de planken hut naar het witte huis; het leven van President Garfield aan de jeugd verhaald’, De onlangs overleden Amerika-kenner en Liedboek dichter Schulte Nordholt erkende dat het boek van A.C. de Zwart de enige Nederlandse levensbeschrijving was van de vermoorde president Lincoln die een zo belangrijke rol had gespeeld in de burgeroorlog tussen Noord en Zuid en de afschaffing van de slavernij! (Het was de tijd van ‘De Negerhut van Oom Tom’, een boek dat in ons land heel populair werd. Met name in hogere kringen werd er veel propaganda gemaakt voor de afschaffing van de slavernij, bijvoorbeeld in Suriname).

Verder vertaalde De Zwart preken van de grote opwekkingsprediker Spurgeon. De mensen konden zich abonneren en kregen iedere week zo een preek toegestuurd. In de familie werden 600 preken in een bundel bewaard.

De Zwart is 48 jaar oud gestorven; in twee jaar tijd verloor het echtpaar een zoon van 14 en een zoon van 21 jaar. De weduwe kreeg na zijn dood een baan bij het Van Dijk huis te Amsterdam aan de Herengracht. Dat was een tehuis voor christelijke medische studenten. Zij werd er chatelaine en kon in haar onderhoud voorzien; de derde zoon kon toen ook verder gaan met zijn theologie studie. Die moest namelijk een jaar onderbroken worden, om met vertalingen de kost te verdienen, net zoals zijn vader gedaan had.

De knipsels zijn mogelijk in Groningen gemaakt, waar meester de Zwart ook nog voorlezer was in de Waalse kerk. Hij heeft veel traditionele motieven gebruikt, zoals planten in sierpotten, tafereeltjes en teksten. Een deel van de knipsels is uit bedrukt of gekleurd (kaft-)papier geknipt. De meeste zijn heel eenvoudig en doen soms denken aan de Noord-Hollandse pottenbomen. Andere zijn iets meer bewerkt en sierlijker. Als A.C. alle ruim 100 knipseltjes zelf gemaakt heeft (volgens de overlevering via zijn kleindochter), was hij zeker geen groot kunstenaar met de schaar, maar er straalt een zekere vrolijkheid af. En plezier in het knippen is, ook voor ons, toch het meest belangrijke! (wordt vervolgd)

Joke en Jan Peter Verhave

Rasechte Grunnegers, Knip-Pers 1997-2

Ingrijpende operatie voor het peerd van Ome Loeks

Na lang wachten heeft het Peerd van Ome Loeks, het bekendste beeld van Groningen voor het NS hoofdstation, een ingrijpende operatie ondergaan. Het ging niet goed met het Peerd. Te lang was er niets aan onderhoud gedaan, zodat het in erbarmelijke toestand verkeerde. Er waren scheuren ingekomen, de verf bladderde af en er zaten vlekken op de van oorsprong hagelwitte huid. Volgens de Amsterdamse beeldhouwer Jan de Baat is het uit 1959 stammende kunstwerk niet bestand tegen de weersomstandigheden. Het beeld bestaat uit twee delen en de kit ertussen laat water door. Tegenwoordig zijn er veel betere, waterafstotende lijmsoorten beschikbaar.
Inmiddels is er hard aan gewerkt om de conditie van zowel het Peerd als Ome Loeks te verbeteren. De gemeente zag zich genoodzaakt het totale beeld te demonteren, weer in elkaar te lijmen en het daarna van een nieuwe verflaag te voorzien. Om het goed te laten drogen werd er tijdelijk een partytent overheen geplaatst, die wel de wind doorliet maar niet de regen.

De heer N.G. Terpstra, onze knipper uit Nieuweschans en ook een rasechte Grunneger, knipte niet alleen Ome Loeks met het Peerd, maar plaatste het beeld voor de Martinitoren. Rasechte Grunnegers bij elkaar.

 

 

 

 

“Het sterke, welwillende Grunneger peerd dat trouwe kameraadschap uitstraalt, werd in de loop van de tijd ingeruild voor de oorverdovend ronkende motoren van tractoren. Het klassieke Groninger warm bloedpaard werd langzaam maar zeker van de boerenbedrijven in de agrarische sector verdreven en als overbodig met uitsterven bedreigd”, vertelt de heer Terpstra.

In Midwolda is er een vereniging, waarvan de leden zich bezighouden met het fokken van dit paardenras dat jarenlang zoveel zwaar werk heeft verricht, om het in ere te herstellen.

En ook de knipsels zijn gemaakt als herinnering aan een lange periode waarin dit paard nog de zware ploeg over het land trok. Een beeld dat nagenoeg uit het landschap is verdwenen.

Magda Helms

 

Voorjaar

dat is weer leven het rusten is voorbij
dat is werken
aan een volle bloei
in mei

Ben Verduyn