Categoriearchief: publicatie

Geknipt gerij, Knip-Pers 1999-3

afb. 1, Jan de Prentenknipper, detail

Motieven vergelijken in de kunst, in de volkskunst en in het papierknippen, is leerzaam voor wie ook van de geschiedenis houdt. Het leert ons om goed te kijken naar details van mode, gebruiken, beroepen en versieringen. Een voorbeeld is het omslagknipsel van de vorige Knip-pers: paarden (en wagens) in de vier seizoenen, door Sille Westerman Holstijn-van de Broek. Het is een speels geheel met een Westfriese sjees, een boerenwagen met hooi, een wagen met een vrolijk gezelschap en arresleden. Sille heeft de paarden fantasierijk uitgebeeld, maar voor de wagens heeft ze vast wel afbeeldingen bestudeerd.

afb. 2, Jan de Prentenknipper, detail

“Papierknipsel van een bespannen sjees. Waarschijnlijk Friesland; eind 18de eeuw”. De datering kan wel kloppen, want het span wordt gemend door een heer met een steek op zijn hoofd. Wij herkennen direct de maker, Pieter Reijnders. Hij heeft inderdaad rond 1800 zijn vele knipsels gemaakt, met een techniek waarmee hij reliëf in het papier bracht. Helaas weten we nog steeds niet waar de maker woonde en werkte. We zijn intussen wat gaan lezen over rijtuigen omdat ze tamelijk veel door Reijnders en andere knippers werden afgebeeld.

Van Reijnders is in onze eigen verzameling ook een sjees met een echtpaar, in Biedermeierdracht dus wat later in de tijd, te plaatsen. Het is eigenlijk een ‘cabriolet’, met een neerklapbare kap, vanaf begin 19de eeuw in gebruik bij deftige heren en hun dames. Er zijn in onze documentatie nog drie voorbeelden van Reijnders. Een daarvan met ‘tandem aanspanning’ (de paarden achter elkaar) en een mennende heer met een palfrenier (koetsbediende), staande achterop. Tenslotte een dicht dameskoetsje, coupé genoemd, met vierspan, een koetsier en palfrenier, beiden met pruik en steek. De dame is vast van rijke adel! (afb 3)

afb 3, Pieter Reijnders

Je kunt de rijtuigen natuurlijk ook in het echt bekijken, bijvoorbeeld in een Openluchtmuseum; daar kun je leuke ontdekkingen doen. Van To van Waning kregen we eens een ansichtkaart toegestuurd uit het rijtuigmuseum ‘Nienoord’ te Leek in Groningen. Afgebeeld is een geknipt, tweewielig rijtuigje met een span paarden ervoor: een sjees (naar het Franse chaise, stoel op wielen). Zij schreef: “Hier komen mijn goede wensen ‘aangesjeesd”. De uitleg op de kaart luidt: Al zoekend naar knipsels met rijtuigen, vonden we er heel wat: Willemientje van Oranje op een Friese sjees, door Frans ter Gast (1948).

afb. 4, Frans ter Gast, Willemientje op de sjees

Inderdaad heeft het prinsesje in 1893 een Westfriese ponysjees van haar moeder Emma gekregen. Er hoorde een met zilver gemonteerd zweepje bij. Ter Gast heeft dus een halve eeuw later niet naar de werkelijkheid geknipt, maar misschien naar een foto. Goed te zien is hoe de berijdster meer óp dan in het bakje zit; met de goede riemvering zal het wel enige behendigheid vergen om te mennen en te blijven zitten! Het paard in draf is opgesierd met strikken en bellen! (afb. 4)

We lazen in het bekende boek Onze Volkskunst het hoofdstuk ‘Wagens, sjezen en arren’. Dat helpt om het verschillende gerij Ie herkennen. Omdat Jan de Prentenknipper veel wagens knipte, waren we benieuwd naar Zeeuws gerij. In Zeeland zouden alleen maar vierwielige wagens gemaakt en gebruikt zijn. Maar als we het boek over Jan de Prentenknipper nog eens opslaan, zien we dat dit niet waar kan zijn: In zijn knipsel voor boer Zuijdweg in Schore, Zuid-Beveland (afb. 6), staat het gedicht uitgesneden over de bruiloft (boek blz. 54 en 55): “Wy reeden met een Cais en sloten het uweljk”

afb 5, Jan de Prentenknipper: Hofstede Westdorp te Schore, 23 x 33 cm

Inderdaad is er een tweewielig rijtuigje afgebeeld met een kap, waarin het bruidspaar zit. Het is een Zeeuwse kapkar, met wit zeil, die kennelijk sjees genoemd werd. Zoals op meer plaatsen in het land was de tweewielige kar een geliefd vervoer voor bruidsparen. In andere prenten van Jan komen ook elegante karren of sjezen voor zonder kap (blz. 12, 60). In het Zuijdweg-knipsel zien we nog een paar andere typen rijtuigen: een vierwielige huif- of kapwagen voor personenvervoer (met opgerolde huif), een lijkwagen met een span paarden (voor de overleden vrouwe) en wagens voor het boerenbedrijf (afb. 1 en 2,  details van afb. 5). In de gekleurde prenten van Jan zien we kapwagens van protestantse Bevelanders en Zeeuws-Vlamingen (blz. 66, 72). De kap staat als een opbouw op een wagen van het boerentype. Het zwartgeverfde, katholieke type komen we in de prenten van Jan niet tegen. Grappig eenvoudig is ook de kapwagen door een onbekende Zeeuwse knipper (afb. 6).

afb. 6, anoniem

Wel vinden we bij Jan nog een ander type voor personenvervoer, de kiereboe, een speelwagen die rustte op riemen (Fr.: cuir â bouts, leer op de nokken), getrokken door een twee- of zelfs een vierspan, een feestelijk gezicht. Het gezelschap lijkt dan ook uitgedost voor een feest (blz. 53, 69, 100). Over Zeeuwse rijtuigen hebben we verder geen informatie gezocht, maar ongetwijfeld is er over de sjezen wel meer te vinden.

afb. 6, anoniem, zesspan

Oudere knipsels uit de 18de en 17de euw door onbekende makers, tonen onder andere karossen en zesspannen en een voorrijder. De Gouden Koets is zo’n karos. Bij officiële rijtoeren of intochten liet de (Franse) koning zich door een achtspan trekken; daarachter kwamen leden van het koningshuis en de hoogste gezagsdragers met een zesspan, terwijl hoge ambtenaren ‘slechts’ een vierspan was toegestaan (afb. 7).
Opmerkelijk zijn enkele miniknipsels door een onbekende rond 1800, waarop onder andere een ‘faëton’ te onderscheiden is; het is een luxe damesgerij met palfrenier Faëton was in de Griekse mythologie de zoon van Helios, die de zonnewagen wilde besturen, maar het span niet in de hand hield. Helaas kunnen we hiervan geen geschikte afbeeldingen maken, maar wie ze wil komen bekijken is op afspraak altijd welkom. Zo leerden we, al lezend over allerlei soorten rijtuigen, ook van gerij waarvan we geen geknipte voorbeelden vonden. De namen roepen in onze taal nog iets op van deftig en feestelijk vervoer: vigilante, landauer, tilbury, brik, calèche, maar ook van (openbaar) vervoer voor de gewone mensen: omnibus, diligence en janplezier. Wij hadden er plezier in en we waren opnieuw verrast dat knipsels onverwachte details kunnen geven over een tijdsbeeld.

De knippers van nu zouden zich wel eens kunnen wagen aan een bruidspaar in ‘hun’ Mercedes, Porche, Fordje of Lelijke Eend.

Joke en Jan Peter Verhave

Contact-doos, Knip-Pers 1999-2

afb 1, H.H. Steffens, 1998

Verscheidene leden van onze vereniging zijn niet (meer) in staat om naar de Contactdag te komen. Zij missen daardoor niet alleen het contact maar ook de uitwisseling, het laten zien van knipwerk. Voor deze leden staal er nu op onze redactie een Contact-doos, waarin zij hun (kopieën van) knipwerk kunnen deponeren. En als je ‘iets’ in een contactdoos stopt, gebeurt er wat. Zo zal er regelmatig een aantal van deze ingezonden knipsels in de Knip- Pers in de schijnwerpers worden gezet …

De heer Steffens uit Oldenzaal, om zijn handigheid ook wel de ‘Knutselkoning van Oldenzaal’ genoemd, laat als eerste in deze nieuwe rubriek bijgaand knip- en snijwerk zien. In het maartnummer van 1992 staat zijn manier van werken en hoe hij tot het knippen kwam, met enkele afbeeldingen zowel bij het artikel als op de voor- en achterpagina van dat nummer. Geïnspireerd door motieven uit zijn dagelijkse omgeving weet hij ongelooflijk fijne details uit het papier te knippen/snijden, vergelijkbaar met het fabelachtig geknipte ‘breiwerk’ van Ernst Oppliger uit Zwitserland. Waarschijnlijk geven de vele patronen en structuren waarmee de heer Steffens als wever werkte, richting aan zijn schaar en mes en heeft hij de neiging iets ‘bloemigs’ of ‘persoonlijks’ toe te voegen.

afb 2, H.H. Steffens, 1999

Jaren geleden in aanraking gekomen met knipwerk van W.Tj. Lever is hij begonnen de vaardigheid van het knippen onder de knie te krijgen. Door bloemen te knippen, heel veel bloemen, en over de ruggen van de insecten die daarbij hoorden, begon zijn werk uit te groeien tot miniatuurtjes, boerderijen en interieurs van kerken.

afb. 3, H.H. Steffens, 1996

Omdat het ‘zien niet meer is als vroeger’ begon hij in de zeventiger jaren met snijdsels omdat hij bij die techniek een vergrootglas kon gebruiken. De symmetrische snijdsels zijn soms eerst gevouwen en gedeeltelijk nog geknipt, van de grotere vlakken zijn de details apart uitgewerkt. Een enkele keer heeft hij de snijdsels ingekleurd met waterverf of verschillende kleuren balpennen.

afb. 4, H.H. Steffens, 1999

De afmetingen van zijn knip- en snijwerken variëren tussen de 35 en 25 cm en voordat hij gaat snijden tekent hij meestal slechts een gedeelte voor. Soms heeft hij een duidelijk beeld voor ogen, een andere keer werkt hij op het gevoel: “ik zie wel waar ik uitkom”. Als het werk vordert ontstaat er iets en weet hij hoe het resultaat er uit moet zien.

De heer Steffens heeft vroeger tekenles gehad en kunstnijverheidsonderwijs gevolgd, met de bedoeling om glas-in-Ioodzetter te worden. Daarvan is niets terecht gekomen omdat men hem met zijn dertig jaar bij de sollicitaties al te oud vond. Hij keerde terug naar het weversvak. In beide beroepen speelde het versierende element een rol, niet zo verwonderlijk dat dit doorwerkte in zijn hobby, het papierknip pen/snijden. Een hobby, waarin hij het zich niet gemakkelijk maakt en een ongekend geduld van hem vraagt.

afb 5, H.H. Steffens, 1999

Bij deze inzendingen vermeldt de heer Steffens: “Veel schrijfwerk moet u van mij niet verwachten, daar ben ik geen held in” en “Het heeft een hele poos geduurd, dat ik eraan gewerkt heb. Het valt op de oude dag niet meer mee. Maar eind goed, al goed!”
Met knippersgroet van H.H. Steffens, Oldenzaal.

Magda Helms

Initiatief in 1999: Moest u de Contactdag missen? En wilt u toch uw knipwerk uitwisselen of een groet zenden aan de leden? Dan kunt u uw (gekopiëerde) knipwerk inzenden naar ons redactie-adres, zie onderaan pagina 2, met vermelding van Contact-doos. Vergeet niet uw naam, adres, na van het knipsel met eventuele toelichting en afmetingen te vermelden.

Papiersnijder Frans de Groen, Knip-Pers 2001-3

“Papier wordt kunstwerk in handen Frans de Groen”
“Zaankanter wint prijs op Sail-wedstrijd Huishoudbeurs”
“Wormer de Groen snijdt papier als tegenwicht voor betonbekistingen”
“Extra prijs voor snijwerk Frans de Groen”

Bovenstaande krantenkoppen maakten de redactie van de Knip-Pers nieuwsgierig. De afgebeelde snijwerken deden denken aan het vertrouwde knipwerk. Toch is er geen schaar aan te pas gekomen.
Al gedurende 39 jaar snijdt Frans de Groen, bouwkundig opzichter uit Wormer, voorstellingen uit papier. Hij leerde het van familielid Cornelis de Groen. Deze oom maakte van geboorte- en trouwkaarten snijwerkjes door die kaarten te bewerken met een scherp gesneden draadnagel. Op het moment dat oom het niet meer kon, lagen er nog enige opdrachten. Hij verzocht daarom zijn neef Frans om te proberen deze af te maken.

afb. 1, Opdracht aan oom Cornelis de Groen, maar voltooid door Frans de Groen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dat lukte prima, maar Frans ruilde de scherpe spijker in voor een mesje. Hij vertelt: “Ik koop ze nieuw of in dumpzaken. En je krijgt wel eens wat van mensen. Die heel kleine mesjes zijn de duurst.” Hij toont een chirurgisch exemplaar met klein lemmet dat f 60,- kostte. Het slijpen doet Frans zelf op een wetsteentje. “De heften van elk mesje zijn rond, net als bij penselen, want je moet ze, om mooie ronde lijnen te krijgen, draaien tijdens het snijden.”

afb. 2, Frans de Groen, Engels landschap, 40 x 60 cm

Naast het bewerken van trouw- en geboortekaarten snijdt Frans de Groen ook andere onderwerpen. Zo werkte hij in 1990 twee maanden aan snijwerken van oude zeilschepen in het kader van de wedstrijd ‘Sail 90’ van de Huishoudbeurs in de RAI in Amsterdam.

Met zijn prachtige silhouetten van rond- en platbodems, windjammers, loggers en kotters won hij de eerste prijs (zie omslag). Ook in de jaren ervoor en erna behaalde hij diverse eervolle vermeldingen en prijzen.

afb. 3, Frans de Groen, Glitter & Glimmer, 40 x 60 cm

De werkstukken die Frans de Groen maakt zijn heel verschillend, maar zijn werkwijze is gelijk: hij begint altijd in het midden. Hij legt uit: “Er moeten geen gesneden stukken tussen het mes en je hand zitten, want dan zou je die uit model trekken. De snijplek kun je via de ongesneden stukken papier direct onder controle houden. Belangrijk is gevoel voor het einde van de lijn te hebben, zodat je niet bij een snijpunt te ver gaat of niet ver genoeg. In het laatste geval moet je een stukje los trekken, waardoor je een pluisje krijgt in de hoek en dan gaat het strakke effect verloren.”

Naast werk in opdracht en voor wedstrijden maakt Frans de Groen vrij werk, zoals De levenscirkel.

afb. 4, Frans de Groen, de levenscirkel

Hierin is elk onderdeel met zorg om de betekenis gekozen. De maker schrijft onder andere:
hart: ons hart hangt aan het leven , wij kunnen niet zonder liefde, je moet het samendoen op deze wereld
zon: zonder warmte en licht is er geen leven mogelijk
vogels: in China een teken van huwelijkstrouw. De meeste vogels blijven bij elkaar tot de dood
heel wat huwelijken bij mensen halen dit niet.

afb. 5, Fran de Groen, van het circusleven, 40 x 60 cm

Van het Circusleven zegt hij:
“Soms zie je wat, en dan moet je er iets van maken. Het kan een hele puzzel zijn om alle mensen, dieren en stukjes optreden om te zetten in zwarte en witte lijntjes, die geen losse vakjes mogen opleveren.”

Mensen vragen Frans de Snijder, zoals hij bekend staat in Wormer en wijde omgeving, regelmatig om iets met snijwerk te versieren. Hij doet het, ook na bijna 40 jaar, nog altijd met veel animo.

 

 

 

 

afb. 6, Fans de Groen, RAI 50jarig bestaan, 14 x 9 cm

afb. 7, Frans de Groen, Prettige Kerstagen, gelukkig Nieuwjaar

afb. 9, Frans de Groen, 14 x 9 cm

 

 

 

 

 

Maruscha Gaasenbeek

Atie Willemse, Knip-Pers 2001-2

afb. 1, Aafje de Gee, 1980, 5 x 14 cm

“Papierknippen is een boeiende en goedkope hobby. Met slechts papier en een schaartje zijn ware kunstwerkjes te maken.” Deze uitspraak is van Atie Willemse‑Kammenga uit Bennekom, die al meer dan 20 jaar bezig is met papierknippen en in de regio allerlei activiteiten heeft ontplooid om aan de papierknipkunst meer bekendheid te geven. Een naamknipsel, gemaakt door Aafje de Gee, voor haar verjaardag in 1980, gaf de aanzet om te leren knippen. Zij volgde lessen bij To van Waning, die in het Dorpshuisje van Bennekom heel enthousiast les gaf. Na de lessen bij To volgde Atie een knipcursus bij Suus Houtman.

 

 

afb. 2, tie Willemse, uithangbord van ‘de knipschool’. 15 x21 cm

 

Op beide cursussen leerde zij de beginselen van de papierknipkunst en handigheidjes in de techniek van het knippen. De deelnemers van deze cursus waren zo enthousiast dat zij in 1982 een knipkring vormden om met elkaar verder te gaan knippen. Dit was de eerste Bennekomse Knipkring; er zouden er nog enkele bijkomen.

 

 

 

afb. 3, Atie Willemse, opdracht voor de knipkring: ieder dier zijn woonplezier. 13 cm in doorsnee

 

Met een  groepje knipsters ging Atie kniplessen volgen bij mevrouw I.G. Kerp‑Schlesinger in Bussum. Mevrouw Kerp gaf op geheel eigen manier les. Ze gaf geen voorbeelden aan de cursisten, maar liet hun eigen verbeelding werken. Je mocht niet voortekenen; er moest uit zwart papier geknipt worden; er mocht niet met kleuren gewerkt worden, want het knipsel zelf moest iets uitdrukken en duidelijk weergeven wat je ermee bedoelde zonder de invloed van kleuren. Mevrouw Kerp zei daarover: “Met moet iets van zijn eigen fantasie in het kunstwerk leggen”.

 

afb. 4, Kasteel Hoekelum in Bennekom is sinds 1946 in gebruik als Luthers Buitencentrum. Jaarlijks worden er paardenkeuringen en een concours hippique gehouden. 18,5 cm in doorsnee

 

 

 

 

 

 

 

 

 

afb. 5, Opdracht voor de knipkring: ‘de vogelzangschool’. 20 cm in doorsnee

afb. 6, Atie Willemse, vlinder in hart, positief negatief knipsel, gemaakt door Rieny van Beek op kniples bij Atie in 1983.

In 1982 was er een Knipkunsttentoonstelling in ’t Spant in Bussum, opgezet door zes leerlingen van mevrouw Kerp, waaraan 30 deelnemers uit het hele land meededen. Ook werk van leerlingen van mevrouw Kerp was te bezichtigen en zijzelf was geregeld aanwezig om de knipkunst te demonstreren en om belangstellenden les te geven. Deze tentoonstelling genoot een overweldigende belangstelling van het publiek. Een aantal mensen bedacht dat het goed zou zijn als er meer contact tussen de beoefenaars van de knipkunst zou bestaan.

afb. 7, Atie Willemse, Vogels in korenbloemen in hart. 9 x 10 cm

Een initiatief daartoe werd genomen door Lies en Ted Markus. Zij richtten het NICK, Nederlands Informatie Centrum Knipkunst op en legden een kaartsysteem aan met namen van mensen die de knipkunst beoefenden; een deel daarvan was bekend van de tentoonstelling in ’t Spant. Ook maakten zij proefkrantjes van de Knip‑Pers die belangstellenden voor fl.5,- konden bestellen.

 

Het groepje cursisten dat iedere week van Bennekom naar Bussum reed om les van mevrouw Kerp te krijgen, besprak in de auto onderweg deze ontwikkelingen op knipgebied en voelden er wel voor om zich verdienstelijk te maken voor de knipkunst. Suus Houtman had inmiddels Atie in contact gebracht met Lies Markus.

Op 23 april 1983 werd de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst opgericht in de ‘Coehoorn’ in Arnhem op initiatief van Lies Markus. Er waren 59 belangstellenden die zich direct opgaven als lid. Het voorlopig bestuur en de redactie van de Knip‑Pers werd o.a. gevormd door het groepje cursisten van mevrouw Kerp. Ook Atie werd bestuurslid en haar man Theo verzorgde de ledenadministratie op de computer. Het verzenden van de Knip‑Pers nam Atie voor haar rekening, in de beginperiode bijgestaan door Meta van Dijk. Om de Knip‑Pers verzendklaar te krijgen, moesten er veel handelingen verricht worden: op iedere enveloppe moest een adressticker, en afzendersticker, een stempel ‘drukwerk’ en een stempel ‘port betaald’ worden gezet.

Toen het aantal leden groeide, waren er meer handen nodig bij de verzending en kwamen er leden van de knipkringen helpen. Zo ontstond een vaste kern van inpakkers die vier maal per jaar de Knip‑Pers klaar maakten voor verzending onder leiding van Atie. In 1997 heeft Annet van der Heide dit werk van Atie overgenomen.

afb. 8, Atie Willemse, Rozen in hart. 6,5 x 6,5 cm

Atie is nog steeds lid van de eerste Bennekomse Knipkring. Begonnen met 12 leden bestaat de kring nu nog uit 6 personen. De kring komt 8 keer per seizoen bij elkaar. Er worden knipervaringen uitgewisseld en iets nieuws op knipgebied getoond zoals een knipboekje of kalender. Elkaars knipwerk wordt bekeken en de gastvrouw geeft een knipopdracht voor de volgende bijeenkomst. In Aties knipmap zijn mooie voorbeelden te vinden die als opdracht voor de knipkring zijn gemaakt, zoals ‘de vogelschool’ en ‘dierenwelzijn’. Ieder jaar geeft de knipkring een kalender uit, verzorgd door een kringlid, waarvoor de leden knipsels maken.

afb. 9, Atie Willemse, Merel op vlierbes

Atie geeft al 20 jaar kniples en is daar op een bijzondere manier mee begonnen. Op één van de dagen dat To van Waning knipcursus zou geven in Bennekom, was er een dik pak sneeuw gevallen, zodat er geen doorkomen aan was. Daarom belde To, die in Arnhem woonde, naar Atie met de vraag of zij die kniples kon waarnemen; volgens To had Atie daar de capaciteiten wel voor. Atie heeft het gedaan en zij merkte dat het doorgeven van kennis en techniek haar goed lagen, te meer omdat de cursisten zo enthousiast zijn. Vanaf die tijd geeft zij regelmatig knipcursussen of knipavonden voor Kerst of Pasen, die in de beginperiode werden georganiseerd door een buurtcentrum of volksuniversiteit.

afb. 10, Atie Willemse, Sneeuwklokjes op klimopblad. 10 x10 cm

 

Later gaf Atie thuis les aan kleine groepjes belangstellenden. In 8 lessen leren cursisten de techniek van het knippen, zoals dubbelknippen, versieringen uit de vouw maken, vanuit hulplijnen knippen. Allerlei onderwerpen komen aan bod, zoals harten, vlinders, zwanen, bloemen, bladeren, letters, wiegjes, poppetjes enz. De cursisten krijgen van haar geen knipvoorbeelden, maar mogen wel voortekenen naar eigen fantasie, hierdoor leren zij beter naar de dingen kijken. Soms tekent Atie wat voor op een rol behangpapier, die over een kastdeur hangt, bij gebrek aan een schoolbord.

afb. 11, Atie Willemse, 6 x 13 cm

Natuurlijk geeft zij huiswerk mee, want knippen leer je door veel te oefenen. Zij probeert altijd de cursisten enthousiast te maken voor de knipvereniging en voor een knipkring, zodat er nu in de regio 8 knipkringen zijn.

afb. 12, Atie Willemse, Augustus – oogstmaand. 20 cm in doorsnee

Regionale Contact Commissie
In 1985 heeft Atie alle knipkringen in de regio voorgesteld om nauwer met elkaar samen te werken. Dit resulteerde in de oprichting van de Regionale Contact Commissie, waarvan Atie de leiding had.

afb. 13, Atie Willemse, aankondiging van de cursus papierknipkunst in ’t Laag te Bennekom op 13 januari 1987. 10 cm in doorsnee

Deze commissie organiseert knipkunsttentoonstellingen en verzorgt knipdemonstraties. Ieder jaar zorgt Atie voor het ‘bemannen’ van de knipkraam op de Bennekomse Vlegeldag in augustus en met Henny Verheul organiseert zij de ‘knipstraat’ op de Knip- en Scheerdag in juni in Ede-Zuid.

 

 

 

 

afb. 14, Atie Willemse, Oude Kerk te Bennekom, 20,5 x 26 cm

 

 

De Oude Kerk aan de Dorpsstraat in Bennekom met naast de hoofdingang de zgn. kostersteen. Vroeger deed de koster, staande op deze steen, na de kerkdienst mededelingen van algemene aard. In de rand zijn het kruis, anker en hart verwerkt als symbolen voor geloof, hoop en liefde.

 

 

afb.15, Atie Willemse, Knipsel voor de maand september. 8 x 12 cm

 

Jaarlijks houden de gezamenlijke kringen een contactmiddag waarop een knipster uit het land wordt gevraagd om de leden iets nieuws op knipgebied te leren. Ook heeft deze groep in 1993 de Contactdag in Ede georganiseerd. Op de laatste regionale bijeenkomst in 2000 heeft Atie de leiding van deze commissie overgedragen aan Corrie Volker. Als dank voor haar jarenlange inzet heeft zij van de leden een album met geknipte kaarten gekregen.

Atie knipt heel fijn en precies. Zij maakt knipsels voor kaarten en eieren. Zij maakt gelegenheidsknipwerk in opdracht voor een jubileum, huwelijk of geboorte en zij knipt vrije onderwerpen. Zij heeft knipwerk geleverd voor de kalender ‘de Macht van het Kleine’, die nu jammer genoeg niet meer wordt uitgegeven, en voor een kaartenactie van de Hervormde Kerk van Bennekom en van de plaatselijke afdeling van Amnesty International.

afb. 16, Atie Willemse, Bennekom is van oudsher een agrarisch dorp en daarvan getuigen de boer met de ploeg en de haan met de kippen. De plaatsnaam is in dit knipsel tweemaal te lezen, waarvan eenmaal in spiegelbeeld. 20,5 x 25 cm

Ze gebruikt voor het knippen zwart en effen gekleurd origamipapier of inpakpapier in effen kleuren. Voor witte knipsels gebruikt ze doorslag- of overtrekpapier. Wanneer dit papier opgeplakt wordt, is de ondergrond enigzins door het knipsel te zien. Zij knipt met veel plezier en heeft vaak leuke contacten wanneer zij een knipdemonstratie geeft. Op de vraag of zij nog wensen voor de toekomst heeft, antwoordt zij dat ze graag zou zien dat er meer aandacht voor de praktijk van het knippen komt. Dit kan door op een Contactdag meer tijd en ruimte te maken voor het deelnemen aan workshops en in de Knip‑Pers meer plaats te geven aan knipideeën en kniptips van de leden, waardoor de lezers gestimuleerd worden om zelf aan de slag te gaan.

Rieny van Beek

Suus Houtman, Knip-Pers 1998-3

Suus Houtman, DeeI III

In deel 1 van de trilogie HiI-To-Suus geeft Hil Bottema de grondbeginselen van de papierknipkunst door aan To van Waning. In Hil-To-Suus II, in het juninummer, zijn de lessen beschreven die To aan haar leerlingen gaf, ouder wie Suus Houtman. In dit derde deel wordt Suus Houtman in de lijn der opvolging geïnterviewd door To van Waning.

afb. 1, Suus Houtman, 1985, Ontwerp voor kerstkaart, 21 x 14,5 cm

To: Gelukkig wonen Suus en ik dicht bij elkaar, we konden dus gemakkelijk op bezoek komen om de interviews af te nemen. Weet jij nog in welk jaar je mijn cursus volgde?
Suus: In liet voorjaar van 1969. Het was een vrij grote groep; één van de andere cursisten was Nynke Otten, tegen wie ik opkeek omdat ze zulke originele ideeën had.

Het papierknippen was voor mij volkomen nieuw. Ik vond het leuk en kon tijdens de lessen de opdrachten goed bijhouden, zelfs wel wat extra’s knippen. ‘s Avonds laat thuis ging ik vaak nog even door.

To: Ik heb je later gevraagd een demonstratie van mij over te nemen. Al vond je het doodeng, je deed het toch.

Suus: Maar wel pas na een middag praten en instructies van jou. Er moest voorraad gemaakt worden van allerlei knip-artikeltjes voor verkoop. Het was bij een kerkgenootschap; de materiaalkosten kreeg ik vergoed en 10% van de opbrengst was voor mij. Ik was er een paar maanden zoet mee. Tegenwoordig zou je met dergelijke voorwaarden niet zo maar akkoord gaan. Maar het was een debuut.

afb. 2, Suus Houtman, Nederlands Openluchtmuseum 60 jaar, 1972

Iemand van het Nederlands Openluchtmuseum zag het werk en vroeg mij dat op het museum te laten zien. Dat werd het begin van 18 jaar demonstreren in het museum. Je mocht verkopen wat je maakte, maar het mocht niet commercieel worden: demonstreren was de hoofdzaak. De mensen bleven vaak staan tot je iets af had, met als gevolg dat je steeds sneller ging knippen. Als vanzelf ontstond het, op verzoek, dubbelknippen van namen met versiering eromheen, soms ook in hartvorm. Een alternatief voor silhouetknippen, waarin ik me nooit geoefend heb.

To: Was dat de aanleiding om een knipsel voor en over het museum te maken?

Suus: Bij het kennismakingsgesprek werd en passant verteld dat het museum 60 jaar bestond, wat een mooi kniponderwerp zou kunnen zijn. Er is inderdaad een knipsel van ontstaan; het museum kocht het zelfs. Dat was mijn eerste grote opbrengst van een knipsel: fl 100,-. Vóór die tijd had ik wel een paar huwelijks- en geboorteknipsels gemaakt, maar altijd weggegeven.

afb. 3, Suus Houtman, Antoine en Irene 16 december 1983

Door dat demonstreren ging er wel een balletje rollen. Er kwamen aanvragen voor braderieën, kunst- en ambachtsmarkten, werkavonden, en ook opdrachten voor gelegenheidsknipsels, voor trouwkaarten, folders, jaarprogramma’s enzovoort.

To: Tijdens mijn cursussen kreeg iedereen de opdracht een huwelijksprent te maken voor Arie Roemer en Antje Wijn. Jij maakte een ovaal knipsel op een stoffen ondergrond. In de loop van de jaren heb ik heel wal ovale huwelijksknipsels van je gezien, dat is bijna jouw ‘handelsmerk’ geworden.

Suus: Ik maakte wel veel ovale knipsels, maar ook in andere vormen. Dat is afhankelijk van de wens van de opdrachtgevers, evenals de kleur van het papier: zwart, wit, goud, donkerbruin of andere kleuren. Heel wat knipsels zijn gedrukt op trouwkaarten en geboortekaartjes, of gebruikt voor drukwerk van het Centrum voor Natuur- en Milieu Educatie in Arnhem. Eén knipsel, ‘Milieu’ is, sterk verkleind, zelfs hun logo geworden en het werd met zeefdruk op een doorzichtige kunststof deur van stadsboerderij ‘De Korenmaat’ aangebracht. Enige knipsels gingen naar het buitenland, zoals de opdrachten van de YWCA (Young Woman Christian Association).

afb. 4, Suus Houtman, huwelijksknipsel. gebruikt voor trouwkaarten en ex-libris, 1984, 14 x 24 cm

To: Wanneer en hoe kwam jij ertoe om les te gaan geven?

Suus: De aanleiding was het helpen bij de handenarbeid op de lagere school van mijn kinderen. Een aantal moeders ging met kleine groepjes kinderen kleien, timmeren, solderen, enzo. Later werden dat cursusjes; enige weken met hetzelfde materiaal bezig zijn. Ik kreeg papierknippen toegewezen. Mijn man, die de akte MO handenarbeid had, hielp me met een lesschema en ideeën voor kinderen in diverse leeftijdsgroepen. Toen bleek trouwens dat de derde klassers spontaner en met meer gemak knipten dan de zesde klassers.

afb. 5, Maja Houtman, op school geknipt van blauw kaftpapier, ca 1977, orig. 15,5 cm

Mijn dochter Maja volgde die lessen ook. Eén van de andere moeders vroeg mij of ik een cursus voor de wijkvereniging wilde geven. Lesgeven aan volwassenen is wel wat anders, dacht ik, dus wilde ik daar nog even mee wachten. Uiteindelijk, voorjaar 1977, waagde ik het en dat viel mee: gemotiveerde mensen en geen probleem om orde te houden. Wegens succes werd er in het najaar een tweede cursus georganiseerd en bovendien nog één bij het NIVON. Cursussen van 10 lessen, waaronder 1 lezing ‘met dia’s. Dat lesgeven is verscheidene jaren doorgegaan, maar ik bleef wegens gezinsomstandigheden wél in de naaste omgeving. Zo had ik bij een cursus in Wolfheze

afb. 6, opdracht na de tweede les: versier een boom naar hetzelfde grondpatroon (origineel 16 cm hoog) Maruscha Gaasenbeek, Hetty Bos, Ada Bakker, Gerry Roelofs, Riet Smulders, Christine Kalisvaart

in 1981 Magda Helms en Atie Willemse als deelneemsters en hoorde dat zij al bij jou cursus hadden gevolgd. Ik vond dat een eng idee en dacht dat ik ze niets nieuws zou kunnen leren. Het werd een plezierige cursus en aan liet eind kwamen zij met het idee om met een groepje liefhebbers door te gaan, bijvoorbeeld ééns in de maand en steeds bij iemand anders thuis. Dat was de geboorte van de eerste Knipkring in dit deel van Gelderland. Doordat Atie ook ging lesgeven barstte de Kring al gauw uit zijn voegen en werd er gesplitst. Het contact bleef door een regio te vormen. Die organiseert de knipkramen tijdens de Knip- en Scheerdag in Ede, tentoonstellingen, korte cursussen en meestal jaarlijks een regio-contactmiddag.

afb. 7. Wil Tjadens, uitbeelding van de cursus, 1983, 28,5 x 19 cm

In 1983 kreeg ik weer een cursist die al bij jou op les was geweest: Wil Tjadens. Ik moest mij daar niet geremd door voelen, zij wilde zoveel mogelijk ideeën opdoen; ook medecursisten werken inspirerend. Zij voelde veel voor een Knipkring en is nog steeds lid van Knipkring Arnhem, die inmiddels al 15 jaar bestaat. Dat een Knipkring stimulerend werkt is aan haar knipwerk duidelijk te zien.

 

 

afb. 8, Wil Tjadens, knipsel voor een kerstkaart

To: Voordat de knippersvereniging bestond kenden veel knipsters en knippers elkaar door de cursussen. En door enkele grote tentoonstellingen op initiatief van mevrouw I. Kerp, zoals in Epe in 1975 en in ‘t Spant’ in Bussum in 1982. Maar hoe kwam jij in contact met Joke Verhave?

Suus: Door een artikel van mij in het maartnummer 1978 van het maandblad van de Nederlandse Christen Vrouwenbond. Joke kreeg dat blad van een vriendin en belde mij op. Wij hebben bijna een hele dag gepraat, voornamelijk over de geschiedenis van de papierknipkunst, die ik in dat artikel globaal beschreven werd. Ik had daarvoor in de bibliotheek van het Openluchtmuseum alle beschikbare literatuur doorgeworsteld en ook veel musea bezocht, waar oude knipsels aanwezig zijn. Er was nog niet zoveel geschreven over knipkunst.

afb. 9, Suus Houtman, voor het afscheid van Ko Zweerus, vogelkenner, 1980, 22 cm

Wat ik bezat heeft Joke geleend. Een begin van haar speurtocht naar de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst? In mijn artikel schrijf ik nog dat de familienaam van Jantje de Prentenknipper van Zeeland onbekend is. Joke en Jan Peter hebben die achterhaald, zoals in de Knip-Pers van maart j.l. nog eens wordt verteld.

To: Dat was allemaal vóórdat de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst bestond. Het NICK (Nederlands Informatie Centrum voor Knipkunst), dus Lies Markus, organiseerde de eerste vergader/contactdag in Arnhem op 23 april 1983. Hadden de Knipkringen in deze regio daar iets mee te maken?

 

afb. 10, Suus Houtman, waterlelie,1978, 14cm

Suus: Arnhem ligt centraal en Lies had veel adressen van knipsters uit deze regio. Bovendien waren enigen daarvan bereid die dag te helpen organiseren. Het doel van Lies was een knippersvereniging op te richten, hetgeen die dag lukte! Handig was, dat de eerste (voorlopige) bestuursleden in deze regio woonden. Ook werd op deze dag uit meer voordrachten de naam ‘Knip-Pers’ -die Lies Markus voor de twee door haar al uitgegeven proefnummers had gebruikt- voor ons kwartaalblad gekozen. Diny Hooyman werd door Lies Markus gevraagd mee te denken over de status en integratie van de Knip-Pers in de vereniging. Mien Schaminee werd onze eerste voorzitter. Beiden waren cursisten van mij.
Meer van mijn cursisten hebben bekendheid gekregen in de knipwereld. Zoals Ans Miechels, die zich niet hij een Kring aansloot omdat ze een heel eigen stijl had en niet beïnvloed wilde worden.

afb. 11, Suus Houtman, knipkrlng sprookje 0e rattenvanger van Hamelen, 1998, 15×15 cm

Verder Alied Pijlman die in Hengelo lesgeeft en daar een Knipkring vormde. Ons redactielid Maruscha Gaasenbeek en bij de bomenknipseltjes zien we ook de naam van Ada Bakker. Gerna van de Kamp pakte onlangs, na 15 jaar, de knipschaar weer op en geeft nu les in Velp.

To: Ben je zelf nog actief met papierknippen, lesgeven of avonden verzorgen?

 

 

afb. 11a , Suus Houtman, geboorte-knipsel voor mijn kleindochter, 11 x 14 cm

 

Suus: Wel in onze Kring. En het is leuk om naar een cursus te gaan, zoals in Orvelte. Af en toe neem ik nog een opdracht aan, maar de meeste geboorteknipsels en andere gelegenheidsprenten maak ik tegenwoordig als cadeautje in kennissen- of familiekring.

 

 

 

 

afb 12, Suus Houtman, opdracht 1988

Ik wil mij niet meer zo vastleggen op de lange termijn, wat meestal nodig is voor lezingen, werkavonden en cursussen, die ver vooruit gepland worden. Dus ook hier: mondjesmaat.

To: Wij deden mee aan de tentoonstellingen in Epe en Bussum. En we hadden samen een expositie in Vaassen in 1979, waar ook werk van Hil Bottema te zien was. Er kwamen nog diverse landelijke tentoonstellingen, maar jij hebt toch ook eigen exposities gehad?

Suus: Hoeveel weet ik niet meer, wel dat het door half Nederland was: in Doetinchem, Wolfheze, Zwolle, Utrecht, Dronten, Hoorn. In Hoorn zelfs driemaal, waarvan één gezamenlijke in het West Fries Museum, in de winter van 1983/84. Daaraan mochten alleen West-Friezen deelnemen, met nog niet eerder tentoongestelde knipsels over West-Friesland. Ik leverde onder andere een knipsel van mijn geboortehuis in Hoorn in: Apotheek ‘De Groote Gaper’, waarvan de gevel nu in het Zuiderzeemuseum te zien is (Schaarkunst II).

afb 13, Suus Houtman, herfst, voor de 85ste verejaardag van Julia Feiner, 1987, 15 x 10 cm

 

In Hattem, zomer 1983, had ik een grote expositie samen met Gré van der Maas, van eigen werk plus verzameling. Ik had daarbij een dia-klankbeeld gemaakt over de geschiedenis van de papierknipkunst. In Bussum maakte mevrouw Kerp mij een compliment over mijn serie herfstknipsels, waarin ik mijn nieuwe stijl liet zien.

Voor Vaassen had ik een plexiglas kastje gemaakt, waarin drie eieren hingen, mijn eerst ei-probeersels. In Bern, in de Heimatwinkel, had ik voor het eerst eieren met knipwerk gezien. Ik vond ze duur en dacht: ‘Dat kan ik vast wel zelf’. Dat was ook zo, maar het vergde wel enige oefening.

 

afb. 14, Suus Houtman, internationale wenskaart coor YMCA Nederland 1978

Later volgde ik een cursus ‘eieren versieren’ bij mevrouw Guus Blankwaardt, met allerlei technieken, behalve knippen! Met negen vrouwen, onder wie jij en Maria Stevens, togen we in 1979 naar Bern om daar de derde Östereier-märkt te bezoeken. Guus Blankwaardt organiseerde naar aanleiding daarvan in 1982 in Arnhem met een groepje cursisten de eerste Paaseiermarkt in Nederland en richtte de Stichting Paaseiermarkt Nederland op. Die eerste keer stonden de mensen urenlang buiten in de rij. Jaren lang deed ik mee met eiermarkten. De laatste jaren zit ik met jou en anderen in de jury, om het ingezonden ei dat het beste aan het jaarthema voldoet te honoreren met een prijs.

 

Mijn dochter Maja (goud- en zilversmid) neemt nog wél deel aan de markt met ander werk: zilveren hangers, broches, eieren met kraaltjes, en ‘ver’knipt daar ook postzegels die ze op eieren plakt.

To: Zo is het dus één van mijn beste leerlingen in Arnhem vergaan. Ik denk dat zij de fakkel weer heeft doorgegeven.

afb, 15, Suus Houtman, Overijssels landschap (opdracht), 1984, 30 x 24 cm

Deze reeks zou dan ook vervolgd kunnen worden door een interview met bijvoorbeeld Maruscha Gaasenbeek, één van de eerder genoemde leerlingen van Suus Houtman.

To van Waning-Mijnlieff

Manna de Wijs-Mouton, Knip-Pers 2000-3

Snoepwinkeltje

In de donkere straat
waar het belletje gaat,
Kletst ’t deurtje al rinkelend open
Komen in ’t kamertje klein
Bij ’t lampenschijn
De kleutertjes binnen geslopen.En ’n dappere vent
In zijn knuistje een cent,
Stapt naar voor en blijft grinnikend zwijgen.
Tot de koopvrouw geleerd,
Zijn fortuin inspecteert,
En vertelt wat hij daarvoor kan krijgen.

’t Is ’n reep zwarte drop,
Koek met suiker er op
Een kleurbal, een zuurbal, een wafel
Een zoethouten stok
Of ’n kleurige brok
’t Ligt alles bijeen op de tafel.

Als de kapitalist
Zich wat dikwijls vergist,
De koek en de suiker beduimelt,
scheldt de juffrouw verwoed,
Dat ie ’t kost’lijke goed
Met zijn smerige vingers verkruimelt.De kleuter verbaasd,
Dat de juffrouw zoo raast,
Smoest stiekum wat met zijn kornuiten.
De keus wordt bepaald,
De kleurbal betaald,
Dan schooien zij slent’rend naar buiten.

In de donkere straat
waar ’t troepje nu gaat,
Wordt hevig gewikt en gewogen;
Dan ruilen z’om beurt,
tot de bal is verkleurd,
En hun rijkdom illusie is vervlogen.

 M.A. de Wijs-Mouton

afb. 1, Rieny van Beek, silhouet van Marie Janne als 18 jarige studente aan de Haagse Academie (1888), geknipt door Rieny van Beek naar een foto. Manna de Wijs-Mouton, vertolker van het levenslied

Het lied ‘Snoepwinkeltje’ zong mijn moeder vaak toen ik een kind was. Het lied is gemaakt door Manna de Wijs‑Mouton, en is door Pisuisse in 1918 in het Concertgebouw van Amsterdam gezongen tijdens een voorstelling in de kleine zaal, waardoor het bekendheid kreeg. Mijn moeder, in 1918 in Amsterdam geboren, kon dit lied als vierjarig kind zingen. Zij had het geleerd toen zij enige tijd bij een tante logeerde en thuisgekomen, mocht zij op een stoel staan om het liedje voor haar grote broers en zussen te zingen.

Manna de Wijs‑Mouton was chansonnière, die haar liedjes zelf dichtte en zong op vele liefdadigheidsmatinées en verschillende soirées in het begin van de 20ste eeuw. Zij trad altijd op in een eenvoudige zwarte, hoog aan de hals gesloten japon, en juist deze simpele kleding harmoniseerde uitstekend bij de zuivere eenvoud van haar optreden. Zij had een expressieve manier van zingen en begeleidde zichzelf met vaardige vingers op de gitaar.

afb, 2, Eduard Josbolt, tekening, portret van Manna, december 1927

“Alles is even fris wat haar tekst en melodieën betreft”, aldus Ida Gerhard. Naast het dichten en zingen bezat Manna nog andere kunstzinnige gaven: boetseren, tekenen, papierknippen en het bewerken van griffels.

Manna de Wijs‑Mouton was de artiestennaam van Marie‑Janne Mouton, geboren in 1873 in Den Haag. Haar vader was architect en haar moeder voelde zich aangetrokken tot de kunst. Haar ouderlijk huis was een middelpunt voor vele kunstenaars uit de Haagse School, zoals Mesdag en de gebroeders Maris. Regelmatig verzamelde moeder op een avond haar negen kinderen en de vele gasten om zich heen. Er werden dan liederen gezongen begeleid door piano en gitaar. Marie‑Janne kwam zo van jongs af aan in contact met kunst en cultuur.

Op school deed zij niet zo goed haar best, zodat de onderwijzer zei dat zij dom was en nooit aandacht bij de les had. In werkelijkheid waren haar gedachten bij de gedichtjes die zij in haar hoofd had en die zij in ‘het blauwe schrift’ schreef. Vanaf haar achtste jaar schreef zij gedichtjes die zij angstvallig verstopte. Toen haar moeder een aantal jaren later haar schrift met gedichtjes ontdekte en deze liet publiceren in een plaatselijke kindercourant, was Marie‑Janne zo ontstemd dat ze lange tijd geen gedichtjes meer wilde maken.

afb. 3, Manna de Wijs-Mouton, versieringen met zwart potlood, 20 x 18 cm

Op een dag werd zij ernstig ziek door loodvergiftiging. Op de zolder ontdekte men een grote verzameling geboetseerde dieren van stopverf. Marie‑Janne vroeg namelijk aan iedere huisschilder die voor haar vader werkte een bal stofverf en daarvan maakte zij op zolder de figuurtjes waarbij ze voortdurend aan haar vingers likte om het plakken van de stopverf tegen te gaan. Toen zij weer beter was, mocht zij, vooral op aandringen van haar broer Pieter, naar de tekenacademie. Zij was een vrolijke en levenslustige leerling en haalde graag dolle streken uit. Er was een leraar die de gewoonte had zijn hoed aan een spijker te hangen. Marie‑Janne trok op een keer de spijker uit de muur en tekende er één voor in de plaats, zo realistisch dat het een echte spijker leek. De volgende dag wilde de leraar zijn hoed aan de spijker hangen, maar tot zijn verbazing en uitbundige pret van de leerlingen viel de hoed op de grond.

afb 4, Manna de Wijs-Mouton, versieringen met zwart potlood, 18 x 15 cm

Door ziekte moest zij de opleiding aan de Haagse Academie afbreken en kreeg zij onderricht van de beeldhouwer Pieter Odé. Later ging zij zich toeleggen op het maken van miniatuurfiguurtjes uit was. Door het samenvoegen van bijenwas, waxine, kleurstof en wat gips vond zij de ideale grondstof om haar wassen beeldjes te maken. Zij boetseerde ruim 300 beeldjes, voornamelijk kinderfiguurtjes, die zelfs internationaal bekendheid genoten en op tentoonstellingen in Nederland, Amerika, Engeland, Duitsland en Frankrijk te zien waren.

Er is een exemplaar van het Engelse damesmodeblad ‘The Sketch’ uit 1930 bewaard gebleven waarin een advertentie staat met afbeeldingen van haar wassen beeldjes.

Op 30 juli 1896 trouwde Marie‑Janne met Jean Esaîe Christienne de Wijs. Zowel Jean als Manna zongen en begeleidden zichzelf op de gitaar. Bekend is een optreden bij het Haagsch Toneel met Manna als ‘De Verklede Troubadour’, in navolging van haar overgrootvader Charles Louis Mouton, wiens portret in het Louvre hangt en die zijn liedjes, begeleid door een luit, ten gehore bracht aan het hof van Lodewijk de Veertiende.

Manna schreef meer dan 180 liedjes en componeerde voor vele een melodie daarbij. Zij had als meisje op de Haagsche Muziekschool pianoles gehad, maar nam de studie niet zo serieus. Later zei ze: “Mijn inspiratie lag op straat en op de markt, bij het dagelijks gebeuren”. Manna en Jean kregen twee zonen en na 17 gelukkige huwelijksjaren kwam daar een einde aan door het plotselinge overlijden van Jean. Manna stond nu alleen voor de opvoeding van haar zonen, die haar voortdurend stimuleerden om vooral liedjes te blijven schrijven.

Door bemiddeling van de dichteres Marie Boddaert kwam zij in aanraking met Catharina van Rennes die tijdens enkele voorstellingen in Den Haag, Amsterdam en Utrecht liedjes van Manna ten gehore bracht. De uitgever van Catharina raakte geïnteresseerd in het werk van Manna en in 1914 verscheen haar eerste liedbundel, gevolgd door nog zeven bundels in de jaren daarna.

De vierde liedbundel droeg zij op aan haar zonen Jan en Marten-Arie de Wijs. Voor de zevende en achtste bundel schreef haar zus Anna de pianobegeleiding. De acht liedbundels bevatten samen 60 liedjes en zijn geïllustreerd met afbeeldingen van haar wassen beeldjes, tekeningen en papierknipsels.

afb. 5, Manna de Wijs-Mouton, 15 x 11 cm

Haar levensliedjes horen thuis in het genre Hollandse Kleinkunst. Zij gaf veel optredens in het land, maar altijd in kleine kring, waardoor de liederen beter tot hun recht kwamen. Zelf zegt zij ervan: “’t Zijn ook stille liedjes, ze staan op zichzelf”. Ook anderen zongen haar liedjes, zoals Pisuisse, die haar liedjes introduceerde in de cabaretwereld, en Wim Sonneveld, die jarenlang ’t Schooiertje met veel succes uitvoerde.

In latere tijden brachten Marie‑Cécile Moerdijk, Jasperina de Jong en anderen haar liedjes tot een frisse vertolking. Manna componeerde voor de Nederlandse Padvindersbeweging een padvindersmars Hoort! zegt het voort. Verder voor de meisjesgezellen een revue en een zangspel. Voor de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen schreef zij het Bondslied; de muziek is van haar zoon Jan.

De laatste jaren van haar leven bracht zij door in haar landhuis ‘Huize Sonnemaire’ te Eerbeek, waar zij samen met Mw. E. Gelderman, de dochter van Marie Boddaert, woonde. In 1947 stierf zij op 74‑jarige leeftijd.

Het knipwerk van Manna is gemaakt van wit perkamentachtig papier en bevindt zich op een donkerblauwe ondergrond. Het is versierd met prik- en snijwerk of er zijn versieringen met zwart potlood ingetekend.

afb 6, Manna de Wijs-Mouton, versierd met prik-en sijwerk, 28 x 21 cm

De knipsels bestaan uit fijne ornamenten met slingers en guirlandes en zijn zuiver decoratief, soms is er een middengedeelte in ovaal of vierkant uitgespaard. Eén knipsel heeft in het midden een geknipte voorstelling, de rand eromheen is versierd met prikwerk en is opgebold, zodat er reliëf ontstaat (afb. 5).

Zij maakte ook driedimensionale werkjes zoals een zeilschip, gemaakt van kleine stukjes wit papier, opgebold en ingetekend en in een kastje achter glas geplaatst. In haar nalatenschap bevinden zich ook twee bidprentjes, ingekleurd met waterverf, beiden in hetzelfde patroon geknipt. Het ene laat in het medaillon in het midden Jezus en het kruis zien en in de banier eronder de tekst ‘Ecce Homo’ (zie de mens). Het andere toont Maria met de tekst ‘Mater Dolorosa’ (Moeder der Smarten). Het is niet duidelijk of Manna deze zelf geknipt of ingekleurd heeft.

Rieny van Beek

Bronnen:
Pieter Vis: Biografie Manna de Wijs‑Mouton, van levenslied tot cabaret (windter 1987-1988).
Bekende luisterliedjes van Manna de Wijs‑Mouton, 25 liedjes uitgebracht op een LP in 1988 door Pieter Vis.

Met dank aan Greet en Hugo de Wijs voor het beschikbaar stellen van het materiaal.

afb. 7, Rieny van Beek, rozenrand geknipt rondom gedicht Rozen van Manna, 24 x 15 cm

Expositie ‘Geknipt te Amsterdam’, Nieuwsbrief  2000-2

Papierknipsels van Cornelis Moojen, Evert Root en Klaas Bakema

Van 27 juni t/m 27 augustus 2000 wordt in het Nederlands Museum van Papierknipkunst in Schoonhoven de tentoonstelling ‘Geknipt te Amsterdam’ gehouden. Aanleiding voor deze expositie is de schenking die het museum twee jaar geleden heeft ontvangen, bestaande uit 248 knipsels van de hand van knipper Cornelis Moojen, samen met het van hem, door zijn neef H. Rol (een van de illustratoren van de Verkade-albums) rond 1930 geschilderde portret in olieverf. De tentoonstelling in het Schoonhovense knipkunstmuseum toont werk van drie papierknippers (Moojen, Root en Bakema), die lange tijd in Amsterdam hebben gewoond en gewerkt.

Cornelis Moojen (1877-1970), geboren in Edam, was oorspronkelijk timmerman en later leraar in het timmervak aan een Ambachtsschool in Amsterdam, waar hij vanaf 1902 woonde.

afb. 1, Cornelis Moojen

In Elseviers Weekblad van 1955 lezen we over hem: “(…) Tot het knippen is hij gekomen, toen de kinderen kwamen. Hij knipte poppetjes en andere dingen voor hen uit oude speelkaarten. Wanneer het gezin op reis ging, in de winter, als de ruiten van de trein beslagen zijn, knipte vader dingetjes uit papier en plakte ze op de ruiten, wat een groot plezier voor de kinderen bleek. Zo verwierf de heer Moojen allengs een zekere vaardigheid, en toen hij dan ook in 1943 gepensioneerd werd, besloot hij met nog meer aandacht dan vroeger te gaan knippen.
Zo ontstonden dan met vele figuren versierde taferelen, die hij ons liet zien. Verkopen wilde hij ze niet, later zullen ze misschien voor de kinderen van zijn kinderen iets betekenen; dat is de enige hoop die de oude vader heeft. Hij tekent nooit van te voren één lijn; alles wordt direct geknipt. Het begint met een knipje zus, een knipje zo, dan ontdekt hij een mogelijkheid tot een figuurtje, en van daaruit ontstaat dan het hele knipsel…”

afb. 2, Cornelis Moojen

Het werk van Moojen bestaat vooral uit landelijke taferelen, die aan zijn Noord‑Hollandse afkomst doen denken, en sprookjesfiguren, waaronder veel kabouters. Opvallend zijn z’n lange knipwerken die bestaan uit samengevoegde, afzonderlijk geknipte onderdelen met veel figuren.

Ook van knipper Evert Root (1898-1978), geboren en getogen in Amsterdam, heeft het museum veel werk in bezit. Het betreft ongeveer 350 knipsels, waaronder een belangrijk familie-bruikleen.

afb. 3, Evert Root Sr.

In 1975 gaat het Algemeen Dagblad bij deze kleurrijke knipper op bezoek en meldt:
“… De heer Evert Root zou werkelijk niet weten hoe ‘die dame van de christelijke bewaarschool’ heeft geheten, maar ze heeft wel een stempel gedrukt op zijn verdere leven. Hem, Evert Root, noemde zij in ieder geval altijd ‘Doddy’, omdat hij een van de weinige jongetjes was, zo rond de eeuwwisseling die belangstelling had voor de schaar van de juffrouw.”

“Ja, want ze knipte uit zwart papier altijd van die mooie blaadjes en bloemetjes. En wie wilde, mocht óók leren van haar”, zegt Evert Root nu 79 jaar oud in zijn winkeltje in de Amsterdamse Korte Leidsedwarsstraat. Hij doet nog steeds wat hij op de bewaarschool leerde: knippen uit zwart papier, de prachtigste dingen, van paarden tot complete bijbelse voorstellingen, op verzoek en tegen betaling, dat laatste.

“Sinds die tijd is geen schaar veilig voor mij geweest”, zegt hij. “Ja zeg, daar ging ik dan iedere dag met een blikje met boterhammen om mijn nek naar die dame met haar schaartje. Het zal wel komen doordat ze in die tijd nog geen King Corn hadden, daarom ben ik zo klein en kinderlijk gebleven. Vooral mannen vinden mijn knipwerk soms een kinderachtig gedoe, maar dat kan me niet schelen. Ik zeg altijd maar dat ik net ben als de sprookjesschrijver Andersen, die stelde ook dat het kind in hem levend was gebleven.”

afb. 4, Evert Root Sr.

De heer Evert Root heeft dan zijn hele leven lang wel geknipt, maar lang niet altijd ‘beroeps’, zeg maar. Dit is zo’n beetje pas gekomen na zijn 65ste, toen hij stopte met het vak van reclameschilder en ook stopte met zijn winkel “in verfwaren en alle mogelijke andere artikelen, alles waar mensen vaak naar vroegen”. Nu de verfwaren aan de kant zijn gezet, heeft hij in zijn pand een doorlopende tentoonstelling van zijn knipwerk, de briefkaarten die hij daarvan laat maken en ook van zijn schilderijen, want schilderen in olieverf doet hij ook. “Ook iets uit mijn vroege jeugd”, zegt hij. “Met een jaar of 10 zat ik al te tekenen in het Rijksmuseum, met een briefje van de bovenmeester. Want gewone dingen leren, daar had ik nooit zo’n zin in, maar ze moesten toch iets met me.”

Knippen, schilderen, tekenen, hij heeft zichzelf na school alles verder aangeleerd, zegt hij. “En ik ben nog steeds bezig met leren; je bent in het leven nooit uitgestudeerd, zeg ik altijd maar. Ja, ik heb ook wel anderen geleerd met een schaartje om te gaan, want ik word nogal eens gevraagd op een damesclubje…”.

afb. 5, Evert Root Sr., Driekoningen

Root heeft een zeer gevarieerd oeuvre. Hij knipte stukken voor verschillende gelegenheden, portretten (meestal van foto’s), bijbelse voorstellingen, sprookjes, sterrenbeelden en zo meer. Ook gebeurtenissen uit eigen leven en omgeving werden door hem, vaak op humorvolle wijze, vastgelegd. Vaak voorzag hij het knipwerk van tekst en noemt dit ‘knip en dicht’.

afb. 6, Klaas Bakema

Klaas Bakema (1882-1958) is in Rotterdam geboren, maar verhuisde in de jaren dertig, in verband met zijn werk voor Kramers Handelsvereniging, naar Amsterdam. Aanvankelijk was hij iemand van 12 ambachten en 13 ongelukken. Hij vertelde het Rotterdams Nieuwsblad in 1953:

“…Politieagent ben ik ook nog geweest, in Rotterdam. Hier hebt u de foto: nummer 236. En gedachtelezer, buikspreker, goochelaar, schilder. En ook monteur bij Ruys Handelsvereniging. In 1920 ging ik als monteur naar Indië, maar ik moest voor mijn gezondheid terug. Met silhouetknippen verdiende ik mijn terugreis en toen ik in december op de wal stond, zonder kleding, zonder geld, zonder huis, ben ik dadelijk weer begonnen. In twee jaar knipte ik me erbovenop. Dat knippen leerde ik van een Franse kermisgast, die ik dat ééns zag doen.

afb 7, Klaas Bakema

Ik had altijd veel aanleg voor tekenen. Mijn onderwijzer gaf me apart les. (…) De silhouettenknipperij is eigenlijk een hobby van me. Honderdduizend heb ik er al uitgeknipt van m’n leven. In een halve minuut maak ik de mensen zwart; sommigen kunnen de mensen nog gauwer zwart maken, als u me begrijpt. Filosoof ben ik ook een beetje; je doet wat mensenkennis op bij dit werk. De mensen kijken wel eens neer op de standwerkers. Dat is dom. De goede standwerker is een vakman als alle anderen, al moet-ie er wat harder bij praten…”.

afb 8, Klaas Bakema

Een, op kladblokpapiertjes uitgetypte, levensbeschrijving van Bakema bevindt zich in het museumarchief. Het is onderdeel van zijn correspondentie met knipper en verzamelaar Wiecher Lever (1917-1981) uit de periode 1950-1952. Klaas Bakema was vooral silhouettist.

 

 

afb. 9, Klaas Bakema

In de collectie bevinden zich 9 portretten, waaronder een zelfportret en een profiel van Lever, maar hij maakte ook andere voorstellingen uit papier, zoals de bekende kiezentrekker. Interessant zijn ook de foto’s van Bakema als portretknipper uit ca. 1916. Nog maar kort geleden ontving het museum als schenking een foto van Klaas Bakema, staand naast zijn zelfgemaakte, opklapbare silhouettentafel, knippend op de kermis in Laren in 1950.

 

 

Henk van Ark

Het Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven bestond tot 2006. Volgens Wikipedia is de collectie overgenomen door het Westfries Museum in Hoorn.

Drie papierknippers met hun eigen geschiedenis en werk. U kunt de tentoonstelling bekijken in het Nederlands Museum van Knipkunst, Stadhuisstraat 7, 2871 BR Schoonhoven, tel. 0182-38700. Het museum is geopend van dinsdag t/m zondag van 12:00 tot 17:00 uur.

Oproep:
Het Nederlands Museum van Knipkunst wil graag nog meer weten over deze drie knippers. Herinneringen aan hen (graag schriftelijk), afbeeldingen van werk, bewaarde foto’s of krantenartikelen, alles is welkom. Reacties kunnen worden gestuurd naar:
Stadhuisstraat 7, 2871 BR Schoonhoven.

Op bezoek bij de heer Henny Vermeulen in Eerbeek, Knip-Pers 1998-4

Maandagmorgen half 10. Ring, ring, de telefoon. “Goedemorgen. U spreekt met Vermeulen. Spreek ik met de papierknipster?”
“Jazeker “.
“Ik zag zaterdag een artikel over u in de krant. Wat leuk! Ik knip zelf ook “. Het wordt een prettig gesprek. Ik ben nieuwsgierig geworden naar het knipwerk van deze meneer en naar de verhalen over kniplessen door Zwitsers, kort na de oorlog. Aan het eind van het gesprek volgt een uitnodiging om bij hem langs te komen, aangezien de heer Vermeulen met z’n 87 jaar niet zo makkelijk meer reist.

Twee weken later verwelkomt Henny Vermeulen mij in zijn huis. Hij attendeert mij op de vele fraaie, door zijn vrouw gemaakte borduurwerkjes, die de hal sieren. Helaas is zij vorig jaar overleden. In de woonkamer is een grote halfhoge kast geheel gevuld met zelf samengestelde reisboeken. Van elke buitenlandse reis maakte deze onderwijzer een prachtig reisverslag. Al lezend en kijkend beland ik in Florence, Assisi, in het Lake District en op diverse plaatsen in Zwitserland. De handgeschreven tekst is verluchtigd met foto’s, plaatjes, tekeningen, kleine schilderstukjes en …. knipsels! Soms letters, soms bloemen, maar ook stadssilhouetten zijn uit kleurig sitspapier geknipt. Het heeft de maker veel zorg en aandacht gekost en veel plezier gegeven!

Na de thee komt het eigenlijke knipboek op tafel. Het is een verzameling van eigen knipwerk, Zwitsers knipwerk van Gertrud Wyss en knipkaarten van diverse andere knipsters. Op een foto staat Frau Wyss samen met haar man gebogen over een met potlood geschetst ontwerp voor een knipsel.

Henny Vermeulen vertelt: “In 1949 volgde ik een cursus papierknippen van een Zwitserse familie. Man, vrouw, zoon Bernhard en dochter Elsbeth trokken toen door Nederland en gaven overal les, zo ook – op verzoek van Hil Bottema – aan de Volkshogesehool in Eerbeek. Paul Wyss, zelf tekenleraar aan liet gymnasium in Bern, gaf een cursus houtsnijden, terwijl Gertrud met cursisten knipte. Prachtige knipwerken maakten ze. Onder lestijd leerden ze ons vele liederen. Om de reiskosten te betalen verkocht men het boek ‘Lueginsland, Ein Bilderbuch mit Scherenschnitten von Bernard Wyss. Mit begleitender Erzählung von Elisabeth Müller’. Op alle 23 rechterbladzijden van dit boek is een knipwerk, liggend A4 formaat, afgedrukt en op het naastliggende linkerblad staat bijpassende tekst. Op de papieren beschermflap om het kaft is ook aan de binnenkant een knipsel te zien, over de totale breedte. De knipsels, traditioneel Zwitsers (opgang naar de alm, leven op de boerderij) zijn gemaakt door de toen 14-jaringe Bernhard!

Onder de medecursisten bevond zich een, in de knipperswereld later zeer bekend geworden, dame: mevrouw I. Kerp. Zij deed enthousiast aan de cursus mee maar had een hekel aan het door de Zwitsers veel gebruikte dubbelknippen. Later kocht ik dit lesboekje van haar hand ‘Leer knippende zien’. Mijn vrouw en ik hielden na de cursus contact met de familie Wyss en in latere jaren hebben we hen ook regelmatig in Zwitserland opgezocht. In de brief van winter 1996 schreef Gertud dat zoon Bernard inmiddels met pensioen is”.

Frau Gertrud Wyss is inmiddels 90 jaar, knipt niet meer maar schrijft naar Eerbeek: “ik bekijk de boeken waarin mijn knipwerk is afgedrukt en geniet van alle mooie herinneringen”.

Bernhard Wyss, Driekoningen, Zwitserland

Het papierknippen is voor Henny Vermeulen z’n leven lang een mogelijkheid tot creatief uiten gebleven. Naast de knipsels voor zijn reisboeken maakt hij ook bloemenknipsels. De afdrukjes daarvan worden, keurig voorzien van enveloppen en stempel, verkocht voor Amnesty International. Henny Vermeulen heeft een zeer warm hart voor organisaties die opkomen voor en hulp bieden aan mensen in moeilijkheden, want zijn grootste wens is: VREDE VOOR ALLEN.

Maruscha Gaasenbeek

Henny Vermeulen, A4-formaat

De bloemenknipsels zijn van Henny Vermeulen, ongeveer 10×15 cm

Joke en Jan Peter Verhave, Knip-Pers 1998-1

De artikelen van Joke en Jan Peter Verhave – al vijftien jaar lang waren ze de ‘binnenkomer’ van de Knip-Pers: het eerste artikel, dat begint op pagina drie. In alle zestig tot nu toe verschenen nummers ontbreekt maar heel zelden een artikel van dit duo. In deze speciale editie daarom nu eens geen artikel van, maar óver de Verhave’s.

afb 1, Joke Verhave, 1982, ‘Ik snijd met vlijt’ slaat niet op knipster Joke, maar op de ‘chirurg-heer’ in Nijmegen voor wie het werd geknipt. De man studeerde in Utrecht en werkte in Nijmegen; van beide steden knipte Joke de torens die het stadsbeeld bepalen.

Van dit tweetal raakte Joke als eerste aan de ‘knipperij’. De aanleiding was – zoals bij zoveel knippen – nogal toevallig: ze moest een geblesseerd logeetje op een rustige manier vermaken. Nadat de logé allang weer was vertrokken, bleef Joke knippen. Een beetje heimelijk, want echt ervan overtuigd dat haar knipsels de moeite waard zijn, was ze aanvankelijk nog niet, Toen Jan Peter voor zijn werk enige jaren naar de Verenigde Staten vertrok, ging Joke met hem mee. Ver van huis speelde gêne niet zon rol. Joke gaf demonstraties papierknippen in een museum en begon zelfs een eigen knipwinkeltje. Schaarkunst bleef haar boeien, ook na 1976, toen zij terugkeerden in Nederland. Ze gaf les en borduurde vanaf 1978 verder op het werk van Hil Bottema met een grondig onderzoek naar de collectie knipsels van het Openluchtmuseum in Arnhem. Zoals bekend, is het boek Schaar-Kunst (1983) het resultaat van al dit speurwerk.

afb. 2, Joke Verhave, Joke en Jan Peter waren intensief betrokken bij het samenstellen van een tentoonstelling in museum ‘Dit is in Bethlehem te Gorinchem rond het thema ‘engelen’. Aan Joke viel ook de eer te beurt de tentoonstelling te openen. De engelen in dit knipsel stellen de vele vrijwilligers (de engelenschaar) voor, zonder wie bijvoorbeeld deze tentoonstelling niet tot stand kon komen. Het knipsel is ook een afbeelding van de voorgevel van het museum.

Om de manier waarop Jan Peter in de schaarkunst inhaakte, kan Joke nóg in de lach schieten. Jan Peter moest zich in 1981 maanden lang rustig houden na besmetting met Hepatitis-B, opgelopen bij zijn onderzoek naar malaria. ,,Geef me eens iets te lezen over die knipperij”, vroeg hij uit verveling aan Joke. Hij kon allang geen boek of krant meer zien, vandaar. Het zou onvoorziene gevolgen krijgen. Het allereerste artikel in de allereerste Knip-Pers (maart 1983) is een aankondiging van Schaar-Kunst – de papierknipkunst in Nederland, Joke èn Jan Peter Verhave.

afb. 3, Joke Verhave, 1983, Dit knipsel werd geschonken door het Nederlands Openlucht Museum aan het Zuiderzee Museum, hij de opening van het laatstgenoemde museum.

Beiden zijn bioloog van professie. Zij beoefent haar vak als conrector van een scholengemeenschap voor volwassenen; hij als wetenschappelijk onderzoeker naar de overdracht van malaria. Ze delen dus de liefde voor de schaarkunst, vooral voor de oud-Hollandse. Joke heeft zich daarnaast laten scholen in het restaureren van onder meer oude knipsels, en Jan Peter duikt als amateur-historicus graag in bepaalde terreinen van de Nederlandse geschiedenis. Voor al het werk dat ze gedaan hebben om de ontwikkeling van de papierknipkunst in Nederland in kaart te brengen, kwamen die interesses goed van pas. Samen kregen ze vier dochters, die het – eerlijk gezegd – niet altijd even leuk vonden altijd maar weer door pa en ma op sleeptouw genomen te worden naar musea en exposities als ze ‘toch in de buurt’ waren. Maar de gedrevenheid van Joke en Jan Peter tot ontdekken en onderzoeken is bijna onuitputtelijk. Lezers van de Knip-Pers profiteren ervan mee.

afb. 4, Joke Verhave, Bij hun afscheid van de feministenkring van de hervormde gemeente Ie Heumen kregen deze leden dit knipsel mee. Het is een voorstelling van het vrouwenteken (het ‘spiegeltje’), waarbij het handvat geknipt is naar een figuur dat op de kerktoren staat. In de ‘kring’ van vrouwen werden allerlei verschillende vrouwen opgenomen; jonge, oude, nonnetjes etc. Allemaal dragen ze een eigen kaarsje, symbool van licht.

De schaarkunstkenners hebben in al die jaren heel wat raadsels opgelost en een heleboel nieuwe raadsels opgedoken. Soms konden ze achterhalen wie de maker van een knipsel geweest moet zijn: ‘maker onbekend’ wordt ‘maker bekend’. Dat was bijvoorbeeld het geval bij Jan Joseph Jöbsis. Aan hem bleken veel meer knipsels toegeschreven te mogen worden dan aanvankelijk werd aangenomen. (vergelijk eens de Knip-Pers van december 1986 en die van september 1996). Of ze schreven over knipwerk dat tot dan toe juist aan een verkeerde persoon werd toegeschreven: ‘maker bekend’ wordt ‘maker onbekend’. Zo schreven beiden al in Schaar-Kunst dat het knipwerk van de beroemde Anna Maria van Schurman niet geknipt kon zijn door Anna Maria van Schurman. Sinds hun boek verscheen, kwamen Joke en Jan Peter nog andere knipsels van dezelfde spookknipper op het spoor (Knip-Pers 1995-2). De grote vraag is nog steeds wie de knipsels dan wel maakte. Het wachten is op de resultaten van het voortdurende onderzoek van Joke en Jan Peter.

afb. 5, Joke Verhave, 1988, Ooit geknipt naar aanleiding van een afscheid van de Haagse Reveil-kring. Later is het knipsel het officiële logo van de kring geworden. Elke twee jaar wordt ter gelegenheid van de studiedag de datum aangepast.

Omdat zij de leden van de vereniging via de Knip-Pers op de hoogte hielden, vormen hun artikelen in al die vijftien jaargangen samen een mooie spiegel van hun vorderingen. In het boekje Schaar-Kunst schrijven ze bijvoorbeeld nog dat Jan de Prentenknipper uit Zeeland volgens hen een schuilnaam was voor ene Johan George den Boer. Drie jaar later, in de Knip-Pers van maart 1986, komen ze daarop terug met een ‘mispoes’ voor zichzelf. Twee alerte amateur-historici vonden in een Goes weekblaadje, van eind vorige eeuw, een artikel waarin de redacteur stilstaat bij het overlijden van Jan de Prentenknipper. Toen al, kende bijna niemand hem meer onder zijn echte naam: Jan Huyszoon. Met de ontdekking van de ‘ware Jan, kwamen een heleboel nieuwe gegevens boven tafel die natuurlijk erom schreeuwden nagetrokken te worden. Joke en Jan Peter hoorden de roep. In de Knip-Pers lasten Joke en Jan Peter zes jaar lang een bijna totale radiostilte in rond Jan de Prentenknipper. Ondertussen gingen ze koortsachtig op zoek naar sporen van Jan in het gemeentearchief en bezochten ze meer dan honderd mensen in Zeeland, van wie de voorouders ooit een prent kochten en bewaarden. Het werkelijk schitterend uitgevoerde boek, Jan de Prentenknipper, Zeeuwse Volkskunst langs ’s Heeren wegen (1798-1879), is het resultaat van dit hele project.

afb. 6, Joke Verhave, Een huwelijksknipsel voor een nichtje van de Verhave’s (familienaam ‘Visser’), dat trouwde binnen de joodse traditie (stenen tafelen met de wet, menorah, zuilen van de tempel) met een zekere heer Elephant.

Al dat gesnuffel in archieven en bibliotheken is erg leuk om te doen, vindt Jan Peter. ,,Zeker als het lukt steeds meer over de levens van knippers te achterhalen: hoe verliep hun leven, onder welke omstandigheden leefden zij, met wie hadden ze contact, waarom maakten ze een knipsel, wie was de opdrachtgever. Knipsels zijn vaak gemaakt door iemand voor iemand. Soms zitten daar ontroerende verhalen achter. En je krijgt op deze manier een goed beeld van het dagelijkse leven van toen.”

afb. 7, Joke Verhave, Geschenk voor een goede bekende van de Verhave’s, hij diens promotie. De man is een ‘vogelaar’ (vogels, rietkragen) en is zeer muzikaal; vandaar de ‘nootjes’ naar de samenstelling van zijn gezin (vier dames en een heer) in een notenbalk.

De interesse van beiden, niet alleen voor tastbare schaarkunst, maar vooral ook voor de persoon van de knipper, blijkt in bijna ieder artikel dat Joke en Jan Peter schreven. Over dezelfde Jan de Prentenknipper, die talloze paradijzen met Adam, Eva en de slang knipte, inkleurde en verkocht als kerkboekprentjes, schrijven de Verhave’s: ,,En hij wist van zonde, want hij leefde als protestant ongehuwd samen met een rooms-katholieke vrouw. Hij voelde zich verantwoordelijk om schoolkinderen door zijn prentjes iets te vertellen, wat hij zijn eigen kinderen niet wijs kon maken, Kleurige tragiek…”

De verhalen zijn bovendien rijk voorzien van aardige ‘weetjes’. Over Elizabeth Koning (geboren in 1816) bijvoorbeeld, geboren met een rechterarm zonder hand. Bij haar thuis in Haarlem kwam stadsgenoot Nicolaas Beets wel over de vloer. Toen Beets als ‘Hildebrand’ de Camera Obscura schreef, knipte ‘Betsie’ afbeeldingen van figuren uit dit boek. Eén knipsel kreeg de schrijver cadeau, dat hij altijd als een dierbaar aandenken bewaarde. Een plakboek dat ze maakte, werd later zelfs gebruikt als voorbeeld voor de kostuums in een toneelstuk over de familie Kegge uit Hildebrand’s Camera. Dezelfde Hilde brand schrijft in dezelfde Camera dat moeders hun zonen niet van die ‘nuffige knipsels’ moeten laten maken…

En over Arie Tergant uit West-Friesland, als één van de knippers die met zijn knipwerk zijn trouw aan het koningshuis bewees: In 1840 mocht koning Willem I een knipsel van hem ontvangen. Tergant kreeg het met vijfentwintig gulden teruggestuurd ‘als wordende soortgelijke voortbrengselen niet meer aangenomen’. “Tegenwoordig zou dat ongeveer honderd maal zoveel zijn”, schrijven de Verhave’s erbij; ,,een koninklijke prijs!” (maart 1990).

afb. 8. Een huwelijksknipsel, waar in elke kamer en in elk onderdeel van het huis iets werd uitgebeeld dat kenmerkend is voor het bruidspaar en hun kinderen.

Jan Peter heeft zich nooit zelf aan het papierknippen gewaagd. Maar als lezers van de Knip-Pers zich afvragen wie van de twee de artikelen uiteindelijk schrijft: dat is Jan Peter. Joke knipt zelf nog wel, maar is bijvoorbeeld niet meer actief lid van een Knipkring. ,,Doet zich een gelegenheid voor, dan besteed ik die tijd liever aan knippen, restaureren of achterhalen van de geschiedenis van knipwerk.” Joke en Jan Peter verzamelden in de loop van de tijd een prachtige collectie oud-Hollandse knipsels, onder meer met stukken van Jan de Prentenknipper. Die zijn ook voor de lezers te bewonderen, want ze tekenden in voor de atelierroute. Zo kunt u ook persoonlijk kennismaken met dit echtpaar.

De Knip-Pers heeft ondertussen een fantastische rol gespeeld in de recente ontwikkeling van de papierknipkunst, vinden Joke en Jan Peter. Joke: ,,Het blad is uiterst toegankelijk en tegelijk scholend. Het heeft een opvoedende waarde omdat het de leden laat zien hoe anderen met papierknippen bezig zijn. Het is ook een bindend element geweest onder de knippers.” Wel vinden ze het jammer dat er in Nederland zo weinig knippers met een kunstzinnige vorming zijn. ,,Als je op het vliegveld van Genève aankomt, zie je een levensgroot knipsel hangen, geknipt naar de Zwitserse traditie. Het percentage academisch geschoolde knippers in Zwitserland is naar verhouding veel hoger dan hij ons. In Nederland uit het papierknippen zich vooral in volkskunst. Niet veel knippers komen toe aan het knippen van Kunst met een Grote K.”

afb. 9, Joke Verhave, 1990, Dit is het allermooiste knipsel dat ze ooit gemaakt heeft, vindt Joke zelf: ,,Het is gewoon het best gelukt.” De namen van de vijf verschillende bloemen in het medaillon zijn synoniemen voor de namen van de vijf kinderen van de jubilerende Pake en Beppe, die vijftig jaren deelden in geloof, hoop en liefde. Binnen de prachtig uitgewerkte bloemenrand beeldt Joke links de interesses van de mannelijke helft, rechts de interesses van de vrouwelijke helft van het echtpaar uit.

De Verhave’s zijn bekend van hun artikelen over knipwerk van anderen. Dit artikel over de Verhave’s is natuurlijk niet compleet zonder knipwerk van het ‘knippende’ deel van de Verhave’s: van Joke.

Hanke Helms

Stichting W. Tj. Lever 10 jaar, Knip-Pers 1998-2

Het afgelopen Nationaal Museumweekend van 18 en 19 april 1998 heeft voor het Nederlands Museum van Knipkunst in Schoonhoven volledig in het teken gestaan van het 10-jarig bestaan van de Stichting W.Tj. Lever. Deze stichting is op 21 april 1988 opgericht en kent sindsdien drie bestuursleden: Henk van Ark, Tobia Lever en Narda Wilken. Belangrijkste doel van de stichting in het voorjaar van 1988 was te trachten de verkoop van de door knipper en verzamelaar Wiecher Lever (1917-1981) opgebouwde collectie papierknipkunst te voorkomen. Zijn verzameling was ondergebracht in het Nederlands Museum van Knipkunst, dat vanaf 1960 in Reden en later in Westerbork gevestigd was. Toen dit, om diverse redenen, niet lukte werd besloten een nieuwe verzameling op te zetten die de herinnering aan Lever levend zou moeten houden. Dankzij een forse subsidie van het Prins Bernhard Fonds kon de stichting op de veiling van Levers Westerborkcollectie een zeer belangrijke slag slaan (Knip-Pers 1988-4). Er kon een basisverzameling worden gevormd, bestaande uit ca. 2.000 knipsels (groot en klein), diverse prenten, 80% van Levers museumbibliotheek en een grote hoeveelheid documentatie.

J. Walrecht, Knipsel voor Lammeraal Schotto Rengers, 1764

In de periode 1988 tot 1991 heeft de Stichting W.Tj. Lever vele tentoonstellingen en presentaties georganiseerd in musea, bibliotheken, enzovoort. Dit alles met het doel het werk van de stichting meer bekendheid te geven en te zoeken naar een goed onderkomen voor de verzameling, die zich steeds verder uitbreidde met nieuwe aankopen, schenkingen en bruiklenen.

In 1991 viel het besluit te gaan streven naar de heroprichting van het Nederlands Museum van Knipkunst. Voor dat nieuwe museum is in 1992 een plaats gevonden in het stadje aan de Lek: Schoonhoven. Gestart werd in een leegstaande expositieruimte, die als tijdelijk onderkomen was bedoeld. In 1995 is het museum, dat wordt gezien als de voortzetting van Wiecher Levers activiteiten op museaal gebied, verhuisd naar een groter pand in de Stadhuisstraat. Daar beschikt het museum nu over een museumwinkel, drie expositieruimten en een klein depot. De collectie van de Stichting W.Tj. Lever, die als langdurig bruikleen in het museum is ondergebracht, bestaat inmiddels uit ca. 4.500 papierknipsels, verschillende voorwerpen en prenten, het Leverarchief en een goede bibliotheek. Aan de hand van die verzameling en het gedeelte dat daarvan semipermanent wordt geëxposeerd kan het museum bezoekers een goede indruk bieden van de ontwikkeling van de Nederlandse papierknipkunst.

Maatje Kuijper, geschreven en geknipte verjaardagswens, 1822

Door een uitgekiend aankoopbeleid en niet te vergeten vele schenkingen is het onderdeel oude knipsels (gemaakt voor 1900) aanzienlijk uitgebreid. Naast veel anonieme stukken zijn er bijvoorbeeld knipsels te bekijken van Pieter Reijnders, ds Jan de Bleyker, Arie Tergant, Jan Huiszoon (Jantje I), Jan Schot, Anna Strenge, enzovoort. De periode 1930-1950 is goed vertegenwoordigd met knipwerk van onder meer Tola Steinhage, Hettie van Langen, Marie Thérése Bruning, Theun Broekstra, Lily Eisendorn en Hans Postma.

Frans ter Gast, pinguïnknipsel, ca. 1935

Het werk van Wiecher Lever, die zich in de jaren veertig ontwikkelde tot professioneel knipper, neemt in de museumpresentatie natuurlijk een bijzondere plaats in. Zonder overdrijving kan worden gesteld dat de stichting in 1988 95% van zijn belangrijkste en interessantste werk heeft weten te verwerven. Er wordt verder knipwerk geëxposeerd van knippers als Evert Root, Cornelis Moojen en Johan Bennik en vooral de laatste twee jaar is er ook meer aandacht voor recenter werk, zoals knipsels van Irma Kerp-Schlesinger, Jo van Velsen, Jannie de Jong-Brouwer, Jeanet Willems, Joke Kooi (Varkevisser) en Elly Stroucken. Zeer opvallend in de presentatie is het werk van Tobia Lever, dat steeds het papierknippen als basis heeft. Naast de vaste opstelling werkt het museum met zes tot acht wisseltentoonstellingen per jaar, waardoor er ruime aandacht is voor thema’s in de knipkunst (bv. gedenkstukken), bepaalde collectieonderdelen (bv. silhouetten en schimmen) en werk van individuele, vaak hedendaagse, papierknippers en -knipsters.

De Stichting W.Tj. Lever heeft in tien jaar tijd haar doel, het oprichten van een levend monument voor Wiecher Lever, bereikt. In het beleidsplan ‘Kort & Goed’ voor de periode 1997-2002 is daarom aangekondigd dat de Leverstichting het in de komende jaren kalmer aan kan gaan doen, al staat nog steeds het doen uitgeven van een waardige publicatie over Lever op de wensenlijst. Het Nederlands Museum van Knipkunst, nu nog feitelijk onderdeel van de stichting, zal binnenkort worden verzelfstandigd in een eigen stichtingsvorm. Zo kunnen op den duur ook andere, en liefst meer medewerkers bij het museum betrokken worden en maakt het museum zich onafhankelijker van de initiatiefnemers van het eerste uur.

Waarschijnlijk lan Patijn, voor Alberta J. Du Bois, 1814

Wie op de hoogte wil blijven van deze, en andere interessante  museumontwikkelingen kan museumvriend worden door zich op te geven als donateur van de Stichting W.Tj. Lever (minimaal fl 20.- per jaar). Donateurs ontvangen viermaal per jaar een Nieuwsbrief. Een informatiepakket, bestaande uit een Nieuwsbrief, de mooie museumfolder en een artikel over Lever, wordt toegestuurd na overmaking van fl 3.- op gironummer 3710361 tnv. Stichting W.Tj. Lever te Rotterdam.

Henk van Ark, voorzitter van de Stichting W.Tj.Lever.

Het museum in Schoonhoven is gesloten in 2006.