Categoriearchief: publicatie

Henk Scheepers, 1922-2002, Knip-Pers 2002-4

afb. 1, Henk Scheepens

Glück und Glas, wie leicht bricht das

‘Handen die helpen, zijn heiliger dan lippen die bidden’. Het is één van de spreuken waardoor Henk Scheepers zich zeer voelde aangesproken. Hij knipte de spreuk verschillende keren, omlijst door verschillende bloemen en symbolen en andere decoratieve elementen. Met lelies, bijvoorbeeld, als symbool van reinheid, voortkomend uit ‘hoornen van overvloed’.

Er waren nog vele andere spreuken die hij graag verwerkte in zijn knipsels. Vaak hadden die een wat filosofisch karakter. Stuk voor stuk zijn het doordenkertjes. ‘Het werkelijke vermag meer dan het mogelijke’, is er zo één. De knipkunst was voor Henk Scheepers kennelijk een manier om uitdrukking te geven aan gedachten die hij belangrijk genoeg vond om ze met anderen te delen.

afb. 2, Henk Scheepers, Glück und Glas, wie leicht bricht das

Ruth, de vrouw met wij hij tientallen jaren zijn leven deelde, totdat hij begin dit jaar op 79-jarige leeftijd overleed, leerde Henk kennen in Duitsland. Vandaar dat de Duitse taal nogal eens terugkomt in zijn knipsels: ‘Glück und Glas, wie leicht bricht das’ (‘geluk en glas, hoe gemakkelijk zijn die te breken’).
Voor Scheepers had die spreuk ongetwijfeld nog een extra dimensie. Hij was één van de weinigen in Nederland die zogenaamd ‘zilverglas’ (verzilverd glaswerk) verzamelde. Ook maakte Henk Scheepers ontwerpen voor zijn knipsels waarin hij teksten in zowel de Duitse als de Nederlandse taal uitwerkte, zoals: ‘Das grosste Stück vom Glück is verträglichheit’. In een vergelijkbaar knipsel is de boodschap in het Nederlands: ‘Het grootste deel van het geluk is verdraagzaamheid’.

afb. 3, Henk Scheepers

Het verwerken van langere teksten in knipsels is een precisiewerkje. Dat was Henk Scheepers wel toevertrouwd. Totdat hij in 1983 met de vut ging, werkte Scheepers namelijk als technisch tekenaar voor onder meer vliegtuigbouwer Fokker. Scheepers was een veelzijdig knipper en ook aan al het andere knipwerk – van silhouetten tot en met stambomen – werkte hij met een bijna ongelooflijke nauwkeurigheid. Dat is onder meer te zien in de knipsels die hij maakte van (land)huizen en andere gebouwen.

Zo waren het ‘slotje Huize Limburg’ en het bijbehorende koetshuis in zijn Brabantse woonplaats Oosterhout onderwerp van studie. Scheepers knipte de gebouwen diverse keren, iedere keer weer met evenveel aandacht voor bijvoorbeeld de talloze kleine ruitjes, die hij soms inkleurde om lichtval te suggereren.

afb 4, Henk Scheepers

Vooral in de jaren negentig oefende Scheepers zich in het knippen van bloemstukken, geschikt op prachtige bokalen. Vaker terugkomend is een margriet-achtige bloem, waarvan hij de harten accentueerde met talloze witte stipjes. Sommige ideeën knipte Scheepers vaker dan eens. Zo is er een bloemenknipsel uit 1997: een bokaal waaruit quasi-nonchalant één bloem is losgeraakt en ernaast ligt. In 1998 knipte hij hetzelfde ontwerp opnieuw, kennelijk om het resultaat te perfectioneren – als dat al mogelijk zou zijn.

 

 

afb. 5, Henk Scheepers

Soms kleurde hij knipsels met potlood in. Ook dat kon aanleiding zijn een ontwerp vaker te knippen, om het vervolgens met andere tinten in te kleuren.

Met veel fantasie verwerkte Scheepers subtiele details in knipsels voor bijzondere gelegenheden in zijn familie- en vriendenkring. Daarbij maakte hij gebruik van traditionele symbolen als rozen, harten, zwanen, engeltjes, rozebottels, korenbloemen, of een ooievaar bij geboorte, maar ook van eigen vondsten.

‘De tijd vliegt voorbij’ drukte hij bijvoorbeeld op originele manier uit door af en toe in gelegenheidsknipsels een ‘gevleugelde zandloper’ te verwerken.

Voor zijn levensgezel Ruth knipte Henk begin 1986 een zwaan, die een boeket rozen op de vleugels draagt. De zwaan staat symbool voor trouw, de rozen voor liefde. Aan het boeket rozen hangt een geknipt kaartje, waarop Henk met de hand schreef: ‘Lieve Ruth, was de weg zo kort of ging de tijd zo snel?’. Voor een geliefde bekende die de vijftigjarige leeftijd bereikte en dus Sara had gezien, knipte Henk een toepasselijk tafereeltje. In de linkerhelft kijkt een Hollandse vrouw (de jarige) naar de rechterhelft met een oudere dame in oosterse sferen (Sara).

afb. 6, Henk Scheepers, Handen die helpen, zijn heiliger dan lippen die bidden

De Algarve in het zuiden van Portugal was de geliefde plaats voor Henk en Ruth om te overwinteren. Ook daar vond Henk Scheepers een bron van inspiratie om kunstwerkjes te knippen, van typisch Portugese tafereeltjes die rust uitstralen, bijvoorbeeld, zoals de carroca Algarvia, waarbij een muildier een kar trekt met daarop een oudere man onder een parasol. Een zeldzaam geworden tafereeltje, merkte Scheepers met enige weemoed daarbij op.

afb. 7, Henk Scheepers, Groeten uit Oosterhout

In één van Scheepers ontwerpen overbrugt de steel van een tulp de afstand tussen Nederland en Portugal. De steel van de tulp is als het ware de ‘weg’, met aan het ene uiteinde thuisland Holland, gesymboliseerd door een oer-Hollandse tulpenbloem, en aan het andere eind de haan, symbool voor Portugal. Op de verbinding tussen die twee landen symboliseren soms koeien, soms onderweg-attributen, zoals een auto en koffers, de afstand tussen beide thuisfronten.

afb 8, Henk Scheepers, Ruth/Henk

Henk Scheepers was vanaf de beginjaren actief betrokken bij de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst. In de loop van de jaren leverde hij regelmatig een bijdrage aan de Knip-Pers. De laatste periode van zijn leven wist hij dat hij leed aan een ziekte waarvan genezing niet mogelijk was. In de maanden voordat hij stierf, maakte Henk Scheepers zelf de kaartjes klaar waarmee zijn overlijden bekend gemaakt zou worden aan familie, vrienden en bekenden. Op ieder kaartje prijkt een knipseltje.

 

 

afb. 9, Henk Scheepers, Dass glück ihre tage Folge

Zijn laatste nieuwjaarswens voor 2002 was een knipseltje begeleid door de tekst:

‘Dat geluk uw dagen volgt’.

Ruth bedankte voor het medeleven na het overlijden van Henk met een kaartje, waarop zij deze wens bij ieder in herinnering bracht.

Magda Helms

 

Anna Maria van Schurman, het wonder van Utrecht, Knip-Pers 2002-3

In de Gouden Eeuw kwamen wetenschap en kunst tot grote bloei, deze periode heeft schilders van grote naam voortgebracht. Beoefenaars van mes- en schaarkunst hebben dat niveau nooit bereikt en zijn in de vergetelheid geraakt. Toch zijn er enkele namen van knipkunstenaars uit die tijd bekend, van wie knipsels bewaard gebleven zijn. Eén daarvan is Anna Maria van Schurman. Zij was een zeer bijzondere vrouw, hoogbegaafd en zeer geleerd en ze mocht zich rekenen tot de intellectuele en culturele elite van de Republiek der Nederlanden van de 17de eeuw. Toch maakte zij een radicale keuze door haar leven in dienst van God te stellen, en zij sloot zich aan bij de hervormingsbeweging van Jean de Labadie. In haar autobiografisch werk ‘Eucleria, of de uitkiezing van het beste deel’, beschrijft zij hoe zij God tekort gedaan heeft door haar intellectuele en artistieke inspanningen. Er kwam voor haar gevoel een moment dat dit niet langer kon en zij koos ervoor om een levend offer voor God te zijn binnen de Labadistengemeenschap, waar men vol toewijding God diende met bidden en zingen.

Zelfportret van Anna Maria van Schurman uit 1640, met de eik in het familiewapen. De houten lijst is van latere datum (Museum Martena, Franeker)

Anna Maria van Schurman wordt in 1607 in Keulen geboren in een streng calvinistisch gezin. Haar vader is uit Antwerpen gevIucht uit angst voor geloofsvervolging door de Spaanse overheersers. In Keulen ontmoet hij Eva Harf met wie hij trouwt. Hier worden behalve Anna Maria ook twee zonen geboren. Ook in Keulen beginnen de godsdienstvervolgingen en het gezin van Schurman vertrekt naar Utrecht. De familie is zeer welgesteld en behoort tot de hogere standen. Anna Maria is zeer begaafd en leergierig en krijgt les van de huisleraar die ook haar beide broers onderwijst. Zij krijgt les in geografie, dialectica, astronomie, botanica en metafysica. Reeds op jonge leeftijd beheerst zij verschillende talen zoals: Frans, Latijn, Grieks en Hebreeuws. Zij leest oude wijsgeren en verdiept zich in bijbelkennis en exegese. Ze is vooral geïnteresseerd in beeldende kunst, kunstnijverheid, dichtkunst en muziek. Ze maakt olieverfschilderijen, zilverstifttekeningen, houtgravures, papierknipsels en borduurwerk, uiterst fijn en kunstzinnig. Over het hanteren van schaar en papier schrijft zij in haar biografie Eucleria:
“Als ik maar een dochtertje van ses jaren was, kon ik zonder enig voorbeelt allerlei treksels en beeldjes uit papiertjes die mij in de hand vielen met een schaartje zo net uitsnijden, dat bijna geene van mijn speelnoten die haar wasdom hadden, zulks met spoet ter hand namen”.
Later wordt ze lid van het St. Lucasgilde als beeldhouwster en graveersters.

Als Johan Godschalk, de broer van Anna Maria, medicijnen wil studeren aan de Franeker Academie, verhuist de familie naar Friesland. Ook vader van Schurman wil daar theologiecolleges volgen bij professor Amesius, maar kort na aankomst in Franeker overlijdt hij. Op zijn sterfbed doet hij zijn enige dochter een verzoek, dat van grote invloed is geweest op haar levenswijze. Hij vraagt haar om nooit te zullen trouwen. Toch zullen er eerlijke motieven aan zijn verzoek ten grondslag liggen. In die tijd was het zo dat een vrouw na haar huwelijk niets meer te vertellen had in de maatschappij. Dan gold: “’t Betaemt de Mannen te spreken en te regelen, de Vrouwen te swijgen en te dienen”.

Vader van Schurman, die weet welke capaciteiten zijn dochter heeft, wil haar een kans geven zich verder te ontwikkelen. Anna Maria heeft naar de wens van haar vader geluisterd en is nooit getrouwd geweest. Zij heeft wel goede vrienden gehad en was bijzonder geliefd in wetenschappelijke kringen van mannen, verspreid over Europa. De eerste helft van haar leven heeft ze gewijd aan kunst en wetenschap. Zij had contact met de grote geesten van haar tijd zoals de filosoof Descartes, theoloog Voetius en de dichters Constantijn Huijgens en Jacob Cats. Met Cats onderhoudt zij een briefwisseling gedurende de tijd dat zij in Friesland woont; dit contact wordt door beiden zeer gewaardeerd.

Cats schrijft over haar in zijn dichtbundel ‘De trouringh’: …. “Die in de Nederlandsche, Hooghduytsehe, Fransche, Latijnsche Talen soo wel ervaren is geweest, dat sy daer in loffelyck spreken, brieven schrijven en dichten konde…… Die in ’t Teckenen en de Schilderkunste wel was ervaren. Die syde bloemen en diergelycke naer het leven konde borduren. Die Teyckenen konde net Potkol, de Penne, Crayon, etc. Die wist te schilderen in miniatuur of waterverwe…”

Wanneer Johan Godschalk zijn studie in Franeker heeft afgerond, vertrekt de familie weer naar Utrecht. Anna Maria wil zich verdiepen in de theologie en colleges volgen bij Voetius, die bevriend is met de familie van Schurman. Voetius is theoloog volgens de strenge traditie van het calvinisme en in 1634 benoemd tot hoogleraar aan de Illustre School te Utrecht, die in 1636 verheven wordt tot universiteit. In die tijd is het niet gebruikelijk dat een vrouw plaats neemt in de collegebanken, dit is het alleenrecht voor mannen. Professor Voetius wijst het verzoek van Anna Maria dan ook af.
Zij laat het hier niet bij zitten, maar stelt een tekst op waarin zij aantoont dat het ook een ‘christin’ past, zich te verdiepen in de theologie. Voetius bezwijkt voor haar argumenten en staat Anna Maria toe colleges te komen volgen, maar dan wel in een aparte ruimte achter de collegezaal gescheiden van de mannelijke studenten. Door een gaatje in de wand kan ze het gesprokene in de zaal volgen. Haar studie theologie en oude talen voltooit zij op voortreffelijke wijze en als blijk van erkenning krijgt zij de opdracht tot het schrijven van de ‘Latijnse feestzang’. Als reactie hierop ontvangt zij lofdichten en geschenken uit heel Europa. Geleerden uit het buitenland vragen haar mening; zij is bekend en beroemd.

afb. 2, Anna Maria van Schurman, knipsel met daarin tweemaal het monogram AM en in het midden een zespuntige ster, 8,5 x 11,5 cm

afb. 3: Otto van Voorst, Wapensnijdsel voor Johan Abraham van Schurman, dit is altijd toegeschreven aan zijn ‘oude moei’ Anna Maria van Schurman, maar het is na haar dood gemaakt door Otto van Voorst, 12 x 13 cm 

Na het overlijden van haar moeder verandert het leven radicaal voor Anna Maria. In de bloei van haar leven, zij is dan waarschijnlijk omstreeks 40 jaar, zegt zij alle intellectuele en artistieke bezigheden vaarwel en gaat zich wijden aan de zorg van twee hulpbehoevende tantes, zusters van haar moeder. Samen met broer Johan Godschalk verhuist zij naar Lexmond. Na twintig jaar overlijden de beide tantes kort na elkaar en krijgt Anna Maria weer tijd voor zichzelf. Zij komt in contact met Jean de Labadie, een jezuïet uit Zwitserland, die overgegaan is naar het protestantisme.

afb. 4: Wapensnijdsel van Otto van Voorst. Dit bevindt zich in het Zeeuws Museum te Middelburg en vertoont duidelijke overeenkomsten met het wapensnijdsel voor J.A. van Schuman, 22 x 19,4 cm

De Labadie krijgt als predikant in Middelburg veel aanhang, maar zijn ideeën brengen zoveel onrust, dat het in 1669 tot een breuk komt met de Hervormde Kerk. Jean de Labadie vormt met zijn volgelingen een afgescheiden kring en vestigt zich in Amsterdam. Zij vorrnen een mystieke geloofsgemeenschap die leven in gemeenschap van goederen naar het voorbeeld van de eerste christelijke gemeenten uit het Nieuwe Testament. Ook zijn zij tegen het burgerlijk huwelijk wat voor veel ophef zorgt, omdat zij als ongehuwde mannen en vrouwen in deze geloofsgemeenschap samenleven. Anna Maria sluit zich in 1670 bij de Labadisten aan en doet afstand van haar bezittingen. Zij vernietigt zelfs een aantal van haar werken omdat zij deze als tijdverspilling en beuzelarij ziet. De Labadisten zijn niet erg geliefd in Amsterdam en veroorzaken veel onrust, daarom moeten zij de stad verlaten.

Zij vertrekken naar Herford in Duitsland en krijgen onderdak op het landgoed van prinses Elizabeth van Bohemen, een vriendin van Anna Maria. Ook hier worden zij verdreven en zij vluchten naar Altona in Denemarken. Hier sterft Jean de Labadie in 1674 en Anna Maria wordt de moeder van de Labadistengemeenschap. Door de dreigende oorlog tussen Denemarken en Zweden vertrekt de groep naar Friesland. De Labadistengemeenschap, die inmiddels een paar honderd leden heeft, mag gebruik maken van het Waltaslot in Wieuwerd. Hier kunnen zij geheel in hun eigen onderhoud voorzien. Zij hebben een flinke veestapel, een kaasmakerij, een leerlooierij, een bakkerij en een weverij. Op zondag houden zij kerkdiensten en zingen de psalmen die Anna Maria uit het Frans vertaald heeft. Tot haar dood in 1678 is Anna Maria van Schurman moeder en raadgeefster van de Labadisten; enkele jaren later valt de groep uiteen.

In museum ’t Coopmanshûs in Franker wordt de herinnering aan Anna Maria van Schurman levend gehouden door haar portretten, boeken, publicaties, borduurwerk, knipwerk en kalligrafieën die daar tentoongesteld zijn. Het meeste daarvan is afkomstig uit een legaat dat Abraham Frederik van Schuman, een ver familielid, in 1783 naliet aan de Franeker universiteit, met daarbij de bepaling dat er op de vitrines in gouden letters een verwijzing naar het legaat moest worden aangebracht. Nog altijd hangt er een bord met gouden letters in het museum in Franeker met daarop de tekst: Keimèlia Annae Mariae Schürmanniae, ex legato cognati eius A. F. van Schürman (snuisterijen van Anna Maria van Schurman, uit de nalatenschap van haar verwant A. F. van Schurman).

Rieny van Beek

Gelezen:
Bep van der Linden-Nijdam, ‘Papierknipsels’, in: Kunst- en Antiekrevue, november 1977
Vera Gaikhorst, ‘Museumverhalen 7, Coopmanshûs Franeker’, in: Friesch Dagblad
Museum ’t Coopmanshûs, Anna Maria van Schurman, 1607–1678
Museum ’t Coopmanshûs, Alleen de faam is onsterfelijk!
Joke en Jan Peter Verhave, Schaar-Kunst
I.G.Kerp-Schlesinger, Leer knippende zien

Janny de Jong-Brouwer, Knip-Pers 2002-3

afb. 1, Jantje III, Levensboom met vogels

Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden enkele personen hun interesse voor de knipkunst. Zij probeerden ook anderen enthousiast te maken voor het papierknippen en de geschiedenis daarvan. In Bussum was het Irma Kerp‑Schlesinger die zich de knipkunst zelf eigen heeft gemaakt en lessen gaf. Een aantal leden van de vereniging van het eerste uur zal zich haar leskamertje in Bussum nog wel herinneren. Ook heeft zij het lesboekje ‘Leer knippende zien’ geschreven, waarin praktische aanwijzingen gecombineerd werden met voorbeelden uit het verleden.

afb. 2, Jantje III, Levensboom met vogels

In Groningen, later in Drente was Wiecher Lever actief in zijn eigen museum; hij gaf lezingen en demonstraties door het hele land, verzamelde origineel werk, en probeerde verhalen rond knippers van vroeger op te sporen. In Noord-Groningen was het Line Huizenga, deskundige op het gebied van volkskunst, die op pad ging en knippers bezocht, foto’s maakte en dit alles heeft uitgewerkt tot een manuscript voor een boek. In Arnhem werkte in het Openluchtmuseum Hil Bottema, die van vele volkskunstmarkten thuis was. Ook het papierknippen werd door haar beheerst. Zij organiseerde demonstraties en vormde een kring van knippers om zich heen. Deze ‘kernen’ hadden weinig contact met elkaar. Alleen Huizenga en Lever hebben samen getracht om een boek over de geschiedenis van de papierknipkunst te schrijven. Deze onderneming heeft helaas geen resultaat gehad.

afb. 3, Jantje III, Poolse levensboom

Hil Bottema heeft de knipster Janny de Jong‑Brouwer ontdekt in de jaren ’50 en werd zeer enthousiast over haar knipwerk. Zij heeft haar ook begeleid. Haar advies aan Janny was: “Kijk niet naar het knipwerk van anderen, ga door op jouw manier, want dit is echt en puur, dit is volkskunst.”

 Vervolgens publiceerde in 1969 S.J. van der Molen in ‘Neerlands Volksleven’ een artikel over Janny de Jong. In dit artikel wordt een definitie gegeven van de ware volkskunstenaar volgens Janny: “Een volkskunstenaar is iemand die zelf scheppend, onbeïnvloed door stijIperioden, decoratief-versierend datgene bereikt dat door zuiverheid van vorm en kleur zo weet te boeien, dat door de tijden heen de bekoring blijft en wel vooral wanneer hij gebruik maakt van oude symbolische of Bijbelse voorstellingen, bewust of onbewust een boodschap brengt aan do gene voor wie het werkstuk bestemd is.”

afb. 4, Jantje III, Knipsel met zwaantjes, 10 x 15 cm

De toenmalige directeur van het Westfries museum schreef ter gelegenheid van een tentoonstelling van het werk van Janny in 1974 het volgende: “Haar werk mist de ‘onbedorven argeloosheid’ van de echte volkskunst maar zij laat zich inspireren door de vitale ornamentiek en vormenrijkdom van diezelfde volkskunst.”

Zij haalde haar motieven uit volkskunstige vormen en symbolen in Nederland en daarbuiten; de stiepelstekens op boerderijen, de klederdrachten en de PooIse levensbomen geven haar een aanknopingspunt. Zelf vond ze haar werk volkskunstig. Mogelijk is dit bescheidenheid. lk geef deze definities voor wat u erin wil lezen. lk ben en blijf enthousiast over het knipwerk en de toewijding voor de papierknipkunst van Jantje III en voor mij heeft ze haar sporen verdiend. Wat dan echt volkskunst is, is ongetwijfeld ook een opvatting die in elke tijd een andere inhoud krijgt. Hoe dan ook, Janny heeft vele malen in Westfries kostuum (anno 1880) in het Nederlands Openluchtmuseum en elders gedemonstreerd en zij is een geweldige ambassadrice voor de papierknipkunst geweest. Zoals Magda Helms in de laatste Knip‑Pers schreef, heeft zij tot het laatste Pinksterfeest voor haar plotselinge dood met en voor een groep vrouwen duifjes geknipt.

afb. 5, Jantje III, Kerstmis in de regen, 44 x 50 cm

Mevrouw de Jong is van origine Westfries en heeft lange tijd in Friesland gewoond, waar zij leiding gaf aan een bejaardentehuis. Allerlei vormen van handvaardigheid werden door Janny de Jong uitgeoefend. Op circa 40‑jarige leeftijd heeft zij zich de techniek van papierknippen eigen gemaakt. Als kind heeft zij haar grootmoeder kastrandjes zien knippen. In 1930 is zij met haar vader naar de Zuiderzeevisserijtentoonstelling geweest. Daar knipte Jan Visscher uit Urk. Echt herinneren deed ze hem niet meer. Later heeft zij een lezing van Lever bijgewoond, toen zij een correspondent verving voor een regionaal dagblad in Noord Holland. Zij heeft daardoor het enthousiasme voor het papierknippen ontwikkeld. Het papierknipwerk van Janny de Jong kenmerkt zich in de heldere vormgeving. Zij is door haar dochter wel vergeleken met Dick Bruna omdat beiden de kunst van het ‘weglaten’ goed verstaan. De vormen zijn ‘stevig, eenvoudig en duidelijk’. Het zelf ontwerpen is de uitdaging, namaken wat een ander al bedacht heeft geeft geen bevrediging!

afb. 6, Jantje III, Sint-Thomasluiden, 31 x 41 cm

In haar ouderlijk gezin gold: “zelf bedenken en dan maken geeft meer voldoening dan kopen”. Zij werkte zowel symmetrisch als op onderdelen opengevouwen. Aanvankelijk gebruikte zij gekleurd sitspapier op een witte ondergrond. Doordat sitspapier verkleurt, is zij over gegaan op wit papier dat zij vervolgens op een gekleurde ondergrond van vilt of papier monteerde. Haar onderwerpen raakten het dagelijks leven, vaak met een grapje, een humoristische noot, of waren geënt op Westfriese folklore en kerkelijke feestdagen.

Hil Bottema die in de 50-er jaren de basis heeft gelegd voor de verzameling en documentatie van papierknipwerk van het Openluchtmuseum, heeft Mevrouw de Jong de eretitel Jantje III gegeven. Waarom? Hil heeft gespeurd naar Jan de Prentenknipper, werk van hem verzameld voor het Nederlands Openluchtmuseum en een grote tentoonstelling georganiseerd in Zeeland. Vervolgens heeft zij Urkers geïnterviewd die de knipper Jan Visscher nog hebben gekend en dit alles in een documentatie vast gelegd. Jan de Prentenknipper uit Zeeland noemde zij Jan I, Jan Visscher uit Urk werd Jan II. Omdat zij beide mannen pure volkskunstenaars achtte, vond ze dat Janny de Jong in het rijtje paste. Bovendien hadden ze dezelfde voornaam en Janny werd zo Jantje Ill. Mevrouw de Jong heeft dit kennelijk gewaardeerd, want zij heeft hierna altijd haar werk gesigneerd, geschreven of geknipt, met JIII.

afb. 7, Joke Verhave, Jacobien, geknipt naar Jantje III, 1975

Behalve de trits als volkskunstenaars heeft Hil hen nog een ondertitel op basis van hun leven en houding meegegeven en wel als volgt: Jantje I is de Gewiekste, vanwege de manier waarop hij zijn prenten aan de man bracht. Jantje II is de Vrome, omdat hij religieuze knipsels maakte, denk aan de prachtige kerken van Urk. Jantje III is de Humoristische, op grond van haar grapjes in de knipsels.
Wat ik zelf dan nog aardig vindt, is dat zij elkaar ongeveer aflosten in de tijd: Jantje I: 1800‑1870, Jantje II: 1870‑1930 en Jantje III: 1924‑2002, en dan denk ik, wie wordt mogelijk Jantje IV, of moet die nog geboren worden?

afb. 8, Jantje III, De Tientonen en Elfribben. Kinderen in Wesffriesland kregen ’s avonds de waarschuwing: “Binnen komen, anders wordt je gepakt door de Tientonen en Elfribben!” Hierbij werd gedoeld op een bedreiging door boze mannen. Curieus is dat voor mannen het beeld van Adam wordt gebruikt, die na de schepping van Eva uit zijn rib, nog slechts elf ribben bezat.

Behalve in Arnhem heeft Jantje III op vele plaatsen in het land gedemonstreerd en haar werk tentoongesteld, o.a. in het Westfries Museum in Hoorn 1978, 1984 en later. Betreffende de techniek van knippen legde ze voortdurend uit, dat het niet de schaar is die tovert, maar je linkerhand. Daarmee draai je het papier alsmaar in de rondte, terwijl de schaar op dezelfde plaats blijft. Met haar grote kennis van oude gebruiken en volksverhalen en haar talent is zij tot een knipster van hoog niveau geworden. Behalve onderwerpen die uit haar eigen fantasie en geloof kwamen ging Jantje III ook steeds meer in opdracht knippen voor jubilea, geboorten en huwelijken. In principe knipte Jantje III voor eigen genoegen, maar ze was geheel niet wars van publiciteit. In het interview in de Knip‑Pers zegt Jantje III: “Ik knip om te knippen”. Voor koningin Beatrix te knippen was een hele eer, maar de prenten te knippen voor haar dochters huwelijk en de geboorte van haar kleindochter was belangrijker.

Al haar mondelinge uitleg legde ze vast in een reeks publicaties in de Friesland Post (1982) met praktische aanwijzingen voor wie eens de schaar in het papier wilde zetten. Ook radio- en televisieïnterviews ging zij niet uit de weg, integendeel. En ze vond het een prettig idee dat haar werk ook in verschillende musea en verzamelingen wordt bewaard. “Als ik dood ben, dan weten ze tenminste nog hoe Jantje III knipte”. En òf wij dat weten.

afb. 9, Jantje III, Kerststal

In 1971 heb ik Jantje III zien demonstreren in het Nederlands Openluchtmuseum. lk was er met twee jonge kinderen van mijn broer die bij mij logeerden. Omdat het een echt Nederlandse regenlogeerpartij was, heeft die mevrouw die zo mooi knippen kon, ons goede uurtjes bezorgd, doordat wij het ook zijn gaan proberen! Vervolgens kwam ik haar werk weer tegen tijdens een watersportvakantie in Friesland in 1972. We legden aan in Allingawier. Daar was in de museumboerderij ‘De Izeren Kou’ een tentoonstelling van haar werk. Dit overzicht van een productieve kunstenares gaf een flinke impuls aan mijn eerste probeersels.

afb 10, Jantje III, De Bullebak. Dit was een legendarisch figuur uit de Westfriese folklore die in de sloten huisde. Wesffriese kinderen kregen de waarschuwing mee: “Kom niet te dicht bij de sloot, anders pakt de Bullebak je!” Thans bij de herverkaveling verdwenen.

Het geboorteknipsel dat ik maakte voor onze tweede dochter verraadt nog heel duidelijk de invloed van Jantje III. Het is niet erg als een beginneling naar voorbeelden werkt om handig te worden in de techniek, een enkeling is van nature zo begaafd als J III, maar geleidelijk aan moet men wel een eigen stijl ontwikkelen. lk prijs mij gelukkig dat ik Jannie de Jong heb mogen leren kennen.

Joke en Jan Peter Verhave

Bronnen:
Knip‑Pers 1983-3
Knip‑Pers 1996-1
De prentknipkunst van Jannie de Jong-Brouwer, door A.K. Wesseldijk- de Jong, Tijdschrift over tradities en tijdsverschijnselen,Volkscultuur nummer 4, 1988
Diverse kleine artikeltjes.

Knippen en vasten, Knip-Pers 2002-1

Kunstenaars hebben zich al eeuwen laten inspireren door gebeurtenissen in de Bijbel. Verhalen over Jezus in de evangeliën die goed waren voor onze gedenk- en feestdagen, zijn zeer vaak uitgebeeld. Ook met de schaar zijn die verhalen doorgegeven.

Nu we dit artikel schrijven wordt het Carnaval gevierd en daarna begint een tijd van eenvoud en bezinning. Om jezelf daartoe te zetten, ontzeg je je overdaad, 40 dagen lang. Die periode loopt uit op de executie van Jezus aan het kruis: de aanleiding van ons vorige stukje over ‘Jesus Leyden’ van Jan de Prentenknipper. Aan die dramatische gebeurtenissen gaan enkele episoden vooraf: de intocht van Jezus in Jeruzalem en het Paasfeest dat hij met zijn vrienden vierde. Die verhalen kunnen we beleven aan de hand van een aantal knipsels uit verschillende tijden.

afb 1, Tola Steinhage, 1952

De eerste ‘schaarsnede’ is in 1952 gemaakt door de katholieke kunstenares Tola Steinhage. Het knipsel staat afgedrukt in een ‘Noveen’ voor de Eerste Heilige Communie: een serie van negen gebedsintenties, in dit geval voor kinderen en hun ouders [1]. Het verbeeldt de intocht van Jezus op een jonge ezel in Jeruzalem, waarbij de mensen spontaan hun mantels op de weg spreidden en wuifden met palmtakken, alsof Jezus een koning was. Ze riepen “Hosanna, zegen rust op hem, die komt in de naam van de Heer!” In de kerken wordt deze intocht herdacht op Palmpasen, de zondag voor het Paasfeest.

Al lezend in de evangeliën betrappen wij onszelf en de knipster op iets dat er niet staat: er wordt helemaal niet gezwaaid met palmtakken. Er worden alleen takken of groen van de bomen op de weg gelegd waar Jezus langs zou komen… Niet alleen een kunstenaarsvrijheid, maar een oude traditie.

afb. 2, anoniem, 19de eeuw

In een klein werkstukje van een onbekende knipper uit de 19e eeuw staan de omstanders ook al met palmtakken te wuiven. Het maakt deel uit van een hele serie over het lijden en de opstanding van de Heer, alles heel sober weergegeven, behalve de enorme stralenkrans.

Omstreeks 1860 heeft Jannes Grootenhuis meermalen Palmpasen knipsels gemaakt. Hij was kleermaker in Almelo en maakte knipsels zo groot als een krantenpagina. Hij vouwde de vellen dubbel en naaide ze vast. Als de symmetrische versiering uitgeknipt of gesneden was, maakte hij de draden los en werkte verder. In sommige van zijn werkstukken zijn de draadjes nog aanwezig!

afb. 3, Jannes Grootenhuis

Het afgebeelde knipsel van Grootenhuis heeft het verhaal van de voetwassing tijdens het Paasmaal tot onderwerp, zoals alleen beschreven door Johannes. Jezus geeft een voorbeeld van nederigheid aan zijn discipelen en vooral aan Petrus, de man van alles of  niets. Het tafereel is gezet in een zaal met klassieke kroonluchters, pilaren en siergordijnen van een voornaam huis; het geheel is omlijst door vazen met ‘levensbomen’ en ornamenten.

afb. 4, anoniem

Een veel ouder knipsel combineert drie verhalen: de intocht, Jezus die de kooplui van het tempelplein verdrijft en het Paasmaal. Het is door de primitieve, maar levendige weergave van de personen een aardig voorbeeld van (protestantse) volkskunst. De maker heeft de verhalen goed gelezen: geen gezwaai van palmtakken, het paaslam op tafel en behalve de stralenkrans rond het hoofd van Jezus, zijn er geen traditionele voorstellingen te ontdekken, zoals Judas met de geldbuidel (de knip).

afb 5, Jan de Prentenknipper alias Jantje II

Uiteindelijk belandt Jezus aan het kruis, in die tijd de gebruikelijke straf van de Romeinen voor (vermeende) oproerkraaiers. Op een aandoenlijk kinderlijke manier heeft Jan Visscher, de knipper van Urk de kruisiging uitgebeeld met alles erop en eraan. Op zijn manier, primitief, helder en duidelijk in woord en beeld (omstreeks 1935). Jan heeft in de knipperswereld de bijnaam Jantje II gekregen. Ook van Jantje III (Janny de Jong‑Brouwer) kozen we een passend knipsel: het symbolische Paaslam, het Agnus Dei, met de overwinningsbanier en staande op de tekens van brood en wijn (1971).

afb 6, Janny de Jong-Brouwer alias Jantje III, 1971

Een blij Pasen, met aandacht geknipt!

Joke en Jan Peter Verhave

 

[1] We schreven in de Knip-Pers van maart 1989 een artikel ‘Psaligrafie van Pasen’, waarin enkele andere knipsels van Tola Steinhage zijn afgebeeld (psalis = schaar, dus tekenen met de schaar).

Vroomheid op velijn als kant zo fijn, Knip-Pers 2001-3

Een vakantie wordt voor ons pas echt goed als we iets over papierknippen kunnen ontdekken. Dit jaar bekeken we een tentoonstelling over ‘Spitzenbilder’ in het Oostenrijkse Linz. Het Landesmuseum had uit haar grote verzameling een mooi overzicht gemaakt en we geven graag iets door van wat we er zagen en leerden.

De naam ‘Spitzenbilder’ komt van de manier waarop deze prentjes gemaakt zijn: zeer fijn uitgewerkte versieringen, die doen denken aan kanten kleedjes. Je zou het kunnen vertalen met ‘kantknipsels’, maar ze zijn uitgesneden met pennenmesjes, meestal uit perkament. Dit materiaal is gemaakt van de huid van ongeboren lammetjes (velijn). Het werd met 4 spijkers op een plankje gespannen. De gaatjes zijn vaak nog zichtbaar en werden soms wel in een bloemetje opgenomen. De symmetrie in de motieven is dus niet door dubbelvouwen verkregen. De prentjes zijn van klein formaat, zoals nu nog wel de bidprentjes voor katholieke overledenen, die worden uitgereikt bij de begrafenis. Ze zijn in de loop van de 18de eeuw in grote aantallen gemaakt, vooral in Zuid-Duitsland en Oostenrijk. Ze zijn met kleuren beschilderd en dragen een apart geschilderd miniatuurtje van een katholieke heilige of een bijbels tafereeltje. Deze heiligenprentjes of ‘santjes’ werden bewaard in kerkboeken en dienden voor de persoonlijke vroomheid en verering: daarom worden ze ook wel devotieprentjes of ‘Andachtsbilder’ genoemd.

In de tentoonstelling was een poging gedaan om in de grote verscheidenheid orde te brengen. Aandacht werd gegeven aan de ontwikkeling in de tijd, waarbij een overgang duidelijk werd van eenvoudige, schijnbaar symmetrische, naar meer krullerige uitvoering en weer terug. Tegen het eind van de 18de eeuw werd perkament te duur en ging men over op papier.
Nog later werden machinale prentjes gemaakt, maar die vielen buiten het bestek van de tentoonstelling.

Goed te zien was, dat de kunstzinnige mode ook haar invloed had op deze religieuze volkskunst. Zoals gebruikelijk liep de volkskunst een tijd achter op de officiële kunst. Pas nadat vele kerken omstreeks 1750 versierd waren met barokke rococokrullen, zie je die niet-symmetrische vormen ook terug in de prentjes en tientallen jaren nadat rococo weer uit de mode was, bleven handwerkslieden ze nog gebruiken.

Wie maakten die prentjes? In de eerste plaats waren er de snijders en de schilders. Waarschijnlijk werkten die in ateliers en het ligt voor de hand om aan kloosterarbeid te denken. Daarvoor zijn wel een paar aanwijzingen, maar het zou heel goed kunnen dat in pelgrimsplaatsen ook leken hun ateliers hadden, waarbij hele gezinnen bezig waren met dit priegelwerk. Door de opbouw van de prentjes te vergelijken kon met in de tentoonstelling een aantal ‘Werkstätten’ aannemelijk maken, maar dat helpt ons niet veel verder, omdat men in eenzelfde atelier immers best verschillende motieven kon toepassen.
Er is eigenlijk heel weinig bekend over de plaatsen waar ze gemaakt zijn. Nog steeds is het bijna onmogelijk om die ateliers te lokaliseren. Wel probeerde men de prentjes te groeperen naar de snijmotieven. Veel prentjes zijn met heel fijne takje uitgewerkt, die men aspergetakjes noemt. Ook komt regelmatig een kunstige knoop voor in de vorm van een liggende 8  (symbool voor de eeuwigheid) met een hart erin. (Dit motief komt ook veel voor in de knipsels van de Zwitserse knipper Hauswirt.) De pelikaan verwijst naar opofferende liefde, terwijl de gekroonde tweekoppige adelaar wijst op Oostenrijkse herkomst.

Wat de geschilderde heiligen betreft, zijn er al evenmin veel aanknopingspunten. Natuurlijk komt Maria veel voor, met het kindje Jezus, of met de gestorven Jezus (Piëta). Jezus als blozend jongetje was in die tijd favoriet in de nonnenkloosters, maar natuurlijk ook de gekruisigde Jezus. Vader Jozef en de traditionele grootouders Joachim en Anna, en ook Johannes de Doper waren populair. (Zie het Lam Gods, Agnus Dei.) En dan die eindeloze reeksen van martelaren, zoals Catharina, Agnes, Magdalena, Barbara en de latere heiligen, zoals Ignatius, Franciscus, Johannes Nepomuk, Elisabeth. De laatste twee leefden in midden-Europa, en zo komen ook St. Wenzeslaus en St. Stanislaus voor, die in de Nederlanden nauwelijks als voorspraak aangeroepen worden. (Of onderschatten we de volkse vroomheid?)

Waarschijnlijk werden de prentjes over grote afstanden verhandeld, bijvoorbeeld langs de Rijn, want ook in Nederland zijn ze wel te vinden. De musea voor religieuze kunst in Breda en Uden hebben grote collecties devotieprentjes, met veel ‘Spitzenbilder’ uit het Duitse taalgebied. In een oude Knip‑Pers staat een artikel over dit onderwerp. Geknipte of gesneden devotieprentjes van perkament met een geschilderd heiligenportret zijn ook wel in de Nederlanden gemaakt, maar die zijn toch heel anders dan de Duitse. Naar ons idee zijn ze meer verwant aan de vroeg-barokke versieringen die de Nederlandse perkamentsnijder Frederik Hendrik van Voorst gebruikte.

Frederik H. van Voorst, 1716

Opmerkelijk was dat de tentoonstelling nu juist begon met een groot perkament snijdsel van deze Van Voorst, die in 1716 een wapenstuk had gemaakt voor de Nijmeegse magistraat. Het was ooit door een Oostenrijkse gezant in Nederland gekocht en hangt nu te pronk in Linz. Dit snijdsel heeft vooral vanwege de techniek en het materiaal verwantschap met de ‘Spitzenbilder’. Het was voor ons, die een studie van Van Voorst gemaakt hebben, heel leuk om dit stuk nu in het echt te zien.

Ten slotte, uit het feit dat wij in Zeeland veel 18de‑eeuwse Duitse devotieprentjes vonden, hebben wij verondersteld dat Jan de Prentenknipper ze ook gekend heeft en zo het idee kreeg voor zijn eigen bijbelleggertjes, die ongeveer dezelfde afmeting hebben.

Joke en Jan Peter Verhave

Bronnen:
Spitzenbilder, Pergamentschnittbilder aus den Beständen des OÖ. Landesmuseum Linz 2001.
Verspaandonk, Kant- en Knipselprentjes DI II, Knip-Pers 1988-1.
J.P. Verhave, Konststucken van snijden, Antiek 20, maart 1986 (ook als catalogus expositie Museum Commanderie van St. Jan, Nijmegen, over F.H. van Voorst).

N.B. Grootte knipwerkjes: “klein formaat, zoals nu nog wel de bidprentjes voor katholieke overledenen”.

Drie generaties knipsters, Knip-Pers 1999-4

De aanleiding voor dit artikeltje Is de contactdag 1999 in Enkhuizen. De leden van de vereniging die in Enkhuizen geweest zijn, zullen beamen dat het een fantastische contactdag was. De knipkring die er de schouders onder gezet heeft was Enkhuizen, ondersteund door Texel. U hebt de lof over deze dag kunnen lezen in een vorige Knip-Pers. Echter het bestuur heeft haar gebruikelijke bloemenhulde niet kwijt gekund want… Enkhuizen wilde niet bedankt worden!!…
Uit de zaal kwam de suggestie dat de grote motor achter de contactdag, Annie Langedijk het beste bedankt zou kunnen worden door een artikeltje in de Knippers over haar tante An Posthuma. Wij hebben met veel plezier deze vraag opgepakt.

afb. 1, mogelijk Geertje van Leur, 7,5 x  10,5 cm

Jan Peter en ik bezochten An Posthuma-Zult in Enkhuizen. We werden opgevangen door nicht An Langedijk, die ons loodste naar de Nieuwstraat, waar we hartelijk ontvangen werden door Annie’s tante An. De staaltjes van haar bezig en kunstzinnig leven waren heel zichtbaar.

An bleek een gezellige tante, 85 jaar jong, met een werkend leven in de drukkerij van haar man achter zich en moeder van drie dochters. De Noord-Hollandse uitspraken rollen al snel over de tafel, een paar voorbeelden:
– we zijn altijd doenig,
– een gat in je hemd wordt een bloemetje,
– we kennen niet stil zitten,
– snippers maakte niet uit – Pa was toch te werk en als hij thuis kwam was de boel weer glad.

Maar hoe is ‘tante An’ tot het knippen gekomen? Waren er meer knippers in de familie? En van wie heeft Annie Langedijk het knippen? Ik zal proberen deze vragen te beantwoorden.
Tante An is altijd dol geweest op bloemen. Enkhuizen is een bloemen(zaad)stad en zij strooide als klein meisje overjarig zaad uit. Later is zij de bloemen gaan drogen en, let op, dan begint het knippen want: onder die opgeplakte gedroogde bloemen moet een vaasje! En zo is het gekomen.

Papier was voor haar bekend en voldoende voor handen, want haar echtgenoot had een drukkerij. Toen An de smaak van het knippen te pakken had, ging haar man het knipwerk drukken en in het Zuiderzee Museum werden de kaarten verkocht. Twintig verschillende met een verkoop van zo’n duizend per jaar! De meest verkochte kaart droeg de spreuk: ‘Na regen komt … weer een bui’.

afb. 2, An Posthuma, Na regen komt…weer een bui

Wenskaarten zijn iets persoonlijks en daardoor werken ze beter dan een gewoon kaartje. Toen eens alle Nieuwjaarskaarten verstuurd waren bleef er één over. Op advies van haar man heeft An deze kaart naar de koningin gestuurd en tot haar verrassing kreeg ze een reactie terug!

Omdat zij zelf grootmoeder is van een tweeling stuurde An aan prinses Irene bij de geboorte van haar tweeling een knipsel en opnieuw kreeg ze een reactie. Hoewel An zeer bescheiden is en liever niet in het zonnetje staat, geniet zij hier toch zichtbaar van.

Een geliefd onderwerp van knippen was de lievelingscomponist van haar man: Mozart (afb 3), met daarbij sierlijke dames. Gelukkig droegen deze dames lange jurken want ‘benen knippen is akelig’.

Het echtpaar Posthuma heeft drie dochters gekregen en voor alle drie heeft An een levensboek gemaakt. Met het eerste boek is zij begonnen in 1966: ‘Beelden uit mijn herinnering’. Onderwerp is haar eigen levensverhaal, ouderlijk gezin en jeugd, het overzetten van een scheepje, bloemen plukken in de wei, matrozenpakjes, krabbetjes vissen… daarna haar huwelijk en liet krijgen van de drie dochters.

De illustraties in deze boeken bestaan uit teksten en knipwerk, tekeningen en borduursels. En zoals al opgemerkt, gedroogde bloemen en natuurlijk onder de bloemen een geknipt vaasje of een bloemenkarretje. Heel Noord-Hollands zijn ook de zwaantjes in haar knipwerk.

Tante An noemt haar knippen ‘nep knippen’. Ze legt dit zelf als volgt uit: ik leg altijd een wit velletje papier op een zwart velletje. Op het witte velletje maak ik een tekening, dan ga ik knippen en geef ik het zwarte velletje weg.

Tekenen kan ze, en schilderen ook: op haar hoge leeftijd is ze actief in de Enkhuizer schildersclub ‘Paulus Potter’ en de kleuren spetteren van het doek. An is een veelzijdig kunstenares en met haar gezondheid en helderheid van geest is ze een voorbeeld van een mooi leven. Door een operatie aan haar ogen ziet ze nu gelukkig alles weer duidelijk.

Bestaat er een kniptraditie in de familie? Nee en ja.
De familiestamboom bevat een pagina met knipwerk van Geertje de Leur (1813-1895), zuster van de overgrootvader van An Posthuma. Zij maakte decoratieve werkstukjes, met een overvloed aan ranken en bloemen. Voor tante An is dit nooit aanleiding geweest om te gaan knippen, ze was er indertijd niet eens van op de hoogte! Maar nu vermoedt ze dat op een kaart uit de Westfriese museumwinkel knipwerk van Geertje de Leur is afgebeeld, groen, fragiel en anoniem (afb 1).
En hoe is Annie Langedijk tot knippen gekomen? ‘Nou gewoon een vriendin van me ging op cursus hij Nel van Wezel, ik vond het altijd wel mooi en ging daarom mee’ (afb 4).

afb. 4, Annie Langedijk, 7 x 9 cm

Bijzonder dat de drie dames onafhankelijk van elkaar zijn gaan knippen en dat dit als drieluik nu bij elkaar ligt. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat zo’n soort combinatie in meer Noord-Hollandse families te vinden moet zijn.

Joke en Jan Peter Verhave

Geknipt en geveild, Knip-Pers 1999-3

afb. 1, anoniem, Abrahams’offer

Van verschillende kanten werden we dit voorjaar attent gemaakt op een veiling van boeken en prenten in Haarlem. We kochten de catalogus van het veilinghuis Bubb Kuyper, een dik boek van bijna 400 bladzijden, omdat daar enkele oude knipsels in vermeld stonden, waarvan vier met foto afgebeeld. Reden voor ons om naar de kijkdag te gaan. Omdat oude knipsels niet zo vaak op de markt komen en zeker niet als een groep van negen, willen we er wat over vertellen.

In een oud pand aan de Jansweg stonden boekenkasten vol, tot aan het plafond. En in een vitrine stonden de knipsels opgesteld, allemaal uit één verzameling. Wij waren natuurlijk wel benieuwd, maar het veilinghuis houdt die gegevens geheim.

afb. 2, anoniem, Simson

In de eerste plaats was er een snijdsel van de bekende Joanna Koerten uit 1697. Zij maakte afbeeldingen alsof het gravures waren: arceringen en letters met heel dunne lijntjes, die ze wegsneed. Dit stuk stelde de Romeinse vrijhieidsmaagd voor, op haar troon die geflankeerd was met pilaren. Daartussen de portretten van de twaalf eerste Romeinse keizers (30 x 25 cm).
Joanna was in haar tijd een beroemdheid en kreeg bezoekers uit binnen- en buitenland die naar haar werk kwamen kijken. Er zijn veel brallende gedichten op haar geschreven, die verzameld zijn in een boek uit 1735. Dat boek vormde samen met het knipsel een kavel. Veel van haar “Papiere Snykonst” is niet bewaard gebleven en daarom is het heel bijzonder dat er opeens zo’n stuk opduikt en dat we het even in onze handen konden houden.

Dan was er een portret van een deftige dame, Mevrouw Satijn, geboren Lavina van Mollem, die leefde van 1705-1743. Het is gemaakt door Justus van Maurik en 28 x 23 cm groot. De techniek die hij hanteerde, is verwant aan die van Koerten: gezicht en japon zijn met kleine sneetjes gearceerd. Helaas hebben we het stuk niet in het echt gezien, want het was van de veiling teruggetrokken door de eigenaar.

Een knipsel van Pieter Reijnders, met als voorstelling Abraham die zijn zoon lsaäc offert, was ons wel bekend (26 x 33 cm). Reijnders heeft zeer veel geknipt omstreeks 1800 kennelijk heeft hij deze voorstelling meerdere malen uitgebeeld.

Het derde knipsel was heel interessant voor ons: uit perkament gesneden door Frederik Hendrik van Voorst. Het stelt de legende van Leda en de zwaan voor, en is, zoals we dat zo goed kenden, rijkelijk versierd met bloemen, vogels en vazen (35 x 22 cm). In 1986 hebben wij eens een groot artikel over deze Nijmeegse kunstenaar geschreven, en daarna ook nog in de Knip-Pers. De twee grote stukken in het bezit van het Nijmeegs Museum heeft Joke gerestaureerd en daarna heeft dat museum een overzichtstentoonstelling gehouden van het werk van Van Voorst.

afb. 3, anoniem, Jacob

Tenslotte waren er nog een vijftal kleinere knipsels uit de achttiende eeuw, twee voor een echtpaar Jan Weers en Diederieka ten Brinke uit 1773 met huwelijkssymboliek (hanen en een kloek met kuikens, 18 x 14 cm) en drie met Bijbelse afbeeldingen van Simson, Jacob en Abraham (8 x I2 cm en  7 x 9 cm). Zoals meestal zijn de makers van deze knipsels onbekend.

Van elk nummer staan in de catalogus een geschatte opbrengst en een minimumbedrag vermeld. Maar we moeten ook rekening houden met de veilingkosten van 23%. En dan begint een wikken en wegen: zouden we die of die kunnen kopen? Wat is ons budget en hoever gaan we? Papier heeft geen restwaarde, zoals zilver, het is wat de verzamelaar er voor over heeft en we zijn vast niet de enigen. Dat maakt het spannend om op een veilig te bieden. Natuurlijk kun je een maximaal bod opgeven en thuisblijven, maar dan mis je de sfeer en de kunst van het zelf bieden.

afb. 3, anoniem, 18 x 14 cm

Ik (JP) ben naar de veilingdag geweest, een volle zaal met handelaars in boeken en prenten, antiquairs en verzamelaars. Voorin op het podium de veilingmeester die onverstoorbaar nummer na nummer afslaat. Je moet goed opletten, want het gaat hard, ongeveer 300 kavels per uur. Ongeveer drie kwartier kan ik aanzien hoe het allemaal in z’n werk gaat. Naarmate de nummers van de knipsels dichterbij komen, word ik wat zenuwachtig en krijg klamme handen. Koerten is geschat op f 3000-4000. Ik bied niet, hebben we samen afgesproken. Kennelijk zijn er wel twee andere gegadigden, want het bedrag loopt snel op, voorbij het dubbele van de schatting. Het wordt doodstil in de zaal. Nou, nou, mompelt mijn buurman, een boeken antiquair, zo mooi was het nou ook weer niet!

De bieder met de langste adem is het Knipselmuseum Schoonhoven. We zullen er in hun volgende Nieuwsbrief wel wat over kunnen lezen. Het Reijnders knipsel staat voor fl 2500 – fl 3500 Niet iets voor ons. Een antiquair wordt de bezitter voor iets meer dan het geschatte bedrag.

afb. 5, anoniem, 18 x 14 cm

De Van Voorst is geschat op fl 3000 – fl 3500. Veel geld, maar we wagen het erop. Even maar, want anderen in de zaal bieden door en afspraak is afspraak. Voor ruim fl 5000 gaat het naar het Nijmeegs Museum. Het Is ze van harte gegund en we hopen het binnenkort te kunnen bewonderen in het nieuwe gebouw aan het Valkhof, waar het zal hangen, geflankeerd door de beide stukken die ze al hebben.

Wat rest zijn de kleinere huwelijksknipsels (elk fl 300-500) en de Bijbelse knipseltjes (samen fl 250-450). Ik wacht met bieden tot anderen aarzelen en het lukt: binnen de schatting! Daarna is er geen reden om nog te blijven zitten. Buiten wens ik Henk van Ark uit Schoonhoven geluk met zijn Koerten.

Eenmaal thuis hebben we de knipsels uit de lijsten gehaald, wat gefatsoeneerd en er een zuurvrij karton achter aangebracht. Ze hebben een ereplaats.

De atelierroute is voorbij, maar wie onze verzamelingen de nieuwe aanwinsten wil komen bekijken, is na een telefoontje hartelijk welkom.

Joke en Jan Peter Verhave

Illusionaire illustraties, Knip-Pers 1999-2

Gescheurd en geknipt door Marianna van Tuinen

Schatgravers zijn wij. Gouddelvers…
Je gaat naar de supermarkt en ontdekt een ‘vriendin’. Je moet naar Enkhuizen en ziet hoe kleurrijk Nederland er bijligt met zijn bollenvelden. Je bent soms uren onderweg en juist dan kun je van de prachtige, steeds wisselende luchten genieten, de weidevogels… Je loopt ‘s morgens je tuin in en die is anders dan gisteren. Knop en bloem hebben elkaar afgewisseld, die ene struik gaat toch bloeien. Het regent nu, de balsempopulier geurt…

afb. 1, Marianna van Tuinen, De schat van Bwem-de-Leeuw

Een paar jaar geleden is het een drukte bij de boekentafel op de Contactdag in Den Haag. Lastig om erbij te komen en rustig te kunnen kijken. Reikhalzend probeer ik nieuwe uitgaven te ontdekken, als ik op mijn schouder getikt word. “Mag ik me even voorstellen: Marianna van Tuinen en u bent van de redactie?” Op de grote, volle boekentafel liggen inderdaad nieuwe boeken; kinderboeken, geïllustreerd met knipwerk van Marianna van Tuinen. Je doet, kijkt, en weet niet dat je aan het schatgraven bent. Gouddeeltjes duiken op!

 

 

afb. 2, Marianna van Tuinen, Ka-het-schubdier, Zoé-de-civekat en de witte rupsen

Het is voor het eerst dat Marianna de Contactdag bezoekt, zij is ook geen lid van onze vereniging en noemt zichzelf geen knipster maar illustrator. Na de middelbare school volgde zij de opleiding Publiciteitsvormgeving aan de Academie voor Beeldende Kunsten ‘Minerva’ in Groningen. Voor haar eindexamen maakte zij een prentenhoek in de collagetechniek. Dit is haar specialiteit gebleven. Zij bekeek in München in de Internationale Jugend Bibliotheek twee maanden lang kinderboeken uit de hele wereld en besloot in het vervolg prentenboeken te maken.

 

 

afb. 3, Marianna van Tuinen, Ongko-de-giraf en Djakas-de-kameel

Voor de collages gebruikt zij alle mogelijke soorten papier en karton: sitspapier, papier uit tijdschriften, Japans papier, kado- en pakpapier, papier dat zij betekent of beschildert. Ook een boek van haar briefpapier was prachtig door haar geaquarelleerd.

Soms scheurt zij, soms knipt zij, afhankelijk van wat bij het onderwerp past. In het boek ‘De Kleine Giraf’ heeft zij alles wat met dieren en het bos te maken heeft gescheurd, en alles wat met de stad te maken heeft, geknipt. Zo heeft zij de keuze voor scheuren of knippen functioneel gemaakt.

Het boek ‘Koeloe Schildpad’ is alleen geknipt omdat zij zó beter het ‘Afrikaanse’ effect er uit kon laten komen.

afb. 4, Marianna van Tuinen, Alapega-het-konijn en het witte pak

Rond haar boeken richt zij ook exposities in, zoals bijvoorbeeld bij Koeloe Schildpad. Daar laat zij vrij werk zien, geïnspireerd door de boekillustraties. Daarnaast probeert zij van haar boeken, ook van ongepubliceerd werk, in samenwerking met een uitgeverij en twee audiovisuele bedrijven, films voor jonge kinderen tot stand te brengen.

Haar ondernemingen gaan steeds door en de resultaten variëren in positieve vooruitzichten en negatieve mededelingen. Hoewel dat veel inspanning vraagt is het tegelijk ook zeer fascinerend. Een grote Japanse uitgever heeft belangstelling voor haar werk en zij probeert rechten te verkopen aan Engeland en Amerika. Zij is benieuwd wat, en óf er iets uitkomt. Wie niet waagt, wie niet wint.

afb. 5, Marianna van Tuinen, De kracht van Openg-de-haas

Behalve wat er nog in de steigers staat, heeft Marianna nu, wat de illustraties betreft, een respectabele lijst van gepubliceerde boeken op haar naam staan. Ook exposeert zij regelmatig en is bezig een geknipt boek te maken zónder tekst, zodat zij zoveel mogelijk de emoties in de knipsels kan leggen; universeel, zodat het internationaal verkoopbaar is.

Zonder voorop gezet plan is zij begonnen met portretten te maken van gescheurd en geknipt papier. Hiervoor is wel interesse in de galeriewereld maar tot nu toe heeft zij daarover geen zekerheid. Het blijft aftasten. Ze verrassen de kijker, dat is wél zeker. Zoals haar nieuwjaarswens mij verraste: Een ‘geknipt’ doorkijkje op het jaar 1999, al was ook dat gescheurd! Je kijkt, dóór een gescheurd rond gat van een paar centimeter in een dubbelgevouwen kaart, én een veelkleurig dubbel-’portret’ met in elkaar verstrengelde weelderige haardossen gedrapeerd om het jaartal 1999. Als de kaart dicht is zie je alleen 1999 staan en boven het gat puntjes dus, in de betekenis van: “vul zelf maar in”.

afb. 6, Marianna van Tuinen, Bruiloft van Openg-de-haas met schubdier-Ka

Behalve al het bovenstaande maakt Marianna van Tuinen ook ex-librissen. Niet zo verwonderlijk in het verlengde van haar kinderboeken en de andere activiteiten.

Zij leest met belangstelling de Knip-Pers, die er volgens haar “overdonderend” uitziet. Zij noemt zich zelf een ‘vreemdganger’ onder ons: “Het is zo anders wat ik doe, maar aan de andere kant: het blijft papier en ik bewonder de verscheidenheid aan knipwerk in de Knip-Pers”.

 

 

afb. 7, Marianna van Tuinen, Het lievelingskind van Gana-de-krokodil

Marianna illustreert veel in kleur, vaak ook in zwart- wit met grijstinten. De afbeeldingen zijn fantasierijk, illusionair. Omdat liet perspectief een ondergeschikte rol speelt doen ze soms naïef aan. Op de Contactdag dit jaar waren enkele originele werken te zien, van behoorlijk formaat.

Bij dit artikel beperken we ons tot plaatsing van knipsels uit het boek: ‘Koeloe Schildpad’. Die zijn contrastrijk en gemakkelijker te reproduceren. Het sterke van deze afbeeldingen is juist dat niets door een kleur is beïnvloed of eraan toegevoegd, het plaatje zélf moet het doen. Als je haar boeken achter elkaar doorbladert is de totale variatie in al haar illustraties veel groter dan uit dit artikel blijkt.

afb. 8, Marianna van Tuinen, De list van Koi-de-aap

In ‘Koeloe Schildpad’ staan dertig verhalen, afkomstig uit Kameroen. Het zijn verhalen die van ouder op kind werden doorverteld en nu zijn opgetekend door Yvonne Djah Bélinga. Ieder verhaal vertelt hoe volgens de traditie de wereld in elkaar zit: Hoe komt de haas aan zijn lange oren en korte poten? Waarom verstopt de schildpad zich in zijn schild? Waarom is Bwem-de-Leeuw de koning van het woud? En wat betekenen deze verhalen voor de mensen? Verhalen voor kinderen van 8 jaar en ouder, waarbij Marianna de aansprekende knipsels maakte.

 

 

 

afb. 8, Marianna van Tuinen, Mvep-de-egel en het pindaveld

“Ik heb heel veel plaatjes geslapen”, zei Yannick van zes eens, toen hij wakker werd. Het maakt niet uit of de illustraties van Marianna dromen zijn, zij ziet die plaatjes tóch wel?

Ik neem de kleinkinderen mee en ga wandelen, door de boeken van Marianna van Tuinen. Voorlezen wordt schatgraven!

 

Magda Helms

 

 

afb. 9, arianna van Tuinen, Abena, de geitendief

Koeloe Schildpad (1994) – Yvonne Djah Bélinga, uitg. La Rivière & Voorhoeve, ISBN 90-38406517

In de Maneschijn (1993)- diverse schrijvers en illustrators, Verzamelbundel voor baby’s en peuters, uitg. Van Holkema & Warendorf, met illustraties van de vier seizoenen door Marianna van Tuinen, ISBN 90- 26902336, prijs fl 39,90

Grutte Giele & Lytse Loer (Friese taal), Riemkje Pitstra, 1995, uitg. Afúk, ISBN 90-62735096, Fries Kinderboekenweekgeschenk 1995, fl 16,50

Gele Gijs & Lange Loeres, Riemkje Pitstra, uitg. Van H.& W., ISBN 90-26987986, fl 19,90

afb. 10, Marianna van Tuinen, Waarom Kabat-het-schaap bij de mensen woont.

De Kleine Giraf, (1993), tekst en illustraties Marianna van Tuinen, uitg. La R.& V., ISBN 90- 38405138, fl 27,50

Zo gewoon (1992), Els van Delden, uitg. La R.& V., ISBN 90-38403593, fl 22,-

Het Kleurenfeest (1998), Emma Havander, Middernacht Pers, ISBN 90-72259475.

De overige door haar geïllustreerde (en soms ook geschreven) boeken zijn uitverkocht.

 

 

Illustraties uit ‘Koeloe Schildpad’

Jantje de Prentenknipper, Knip-Pers 1999-3

Zeg luister, er is volk aan de deur
Een man met een bultje en een paar kinderen.
Met wat zou hij toch komen venten?
Hebben we wat nodig, mag hij in huis?

Het is Jantje de Prentenknipper,
Die aan de deur staat.
Zeg vrouw, mag ik wat knippen?
Een boerderij of een plaatje als dit?

Knippen voor een paar cent en wat brood
Voor mijn vrouw en voor een ziek kind
Ze wachten in de regen daar buiten.
Kom maar binnen: Hoe heb je ‘t verzonnen.

En dan pakt hij z‘n mes en z‘n schaar,
Z‘n papier wit, blauw en goud
Voor een plaatje om goed te bewaren
In je kerkboek of voor als er één trouwt.

Het is Jantje de Prentenknipper,
Die aan de deur staat.
Zeg vrouw laat me wat knippen!
Ik knip de boerderij of een prentje als dit:
De tempel van Salomo gesneden,
De straf van de zonde of Job,
Die was arm en al z’n kinderen overleden.
(Daar leek hij zelf het meeste nog op)

Want Jantje de Prentenknipper,
Het geluk zat hem niet mee,
Die heeft een zwaar kruis moeten dragen;
Zijn groten Baas viel niet zo mee.

Zijn kinderen overleefd en drie vrouwen,
Van de armen begraven, miskend
Toch knipte hij vol liefde en vertrouwen:
“0, maak mij Uw wegen bekend”

Kwam het voorjaar dan hield je hem niet tegen.
Altjjd lokte de verte en zijn kunst
Zwierf het liefste langs ‘s Heeren wegen;
De vrijheid als lot en zelden als gunst.

‘t Is Jantje de Prentenknipper;
Een schaar, een mes, wat papier
Als hij komt om een plaatje te knippen,
Stuur Jantje dan door naar hier, naar hier,
Stuur Jantje dan door naar hier.

Bij de opening van de expositie van Jan de Prentenknipper (1996) werd dit lied voorgedragen door de maker, Engel Reinhoudt, een Zeeuwse Iiedjeszanger. De Zeeuwse tekst werd voor de Knip-Pers vertaald door mevr. Mien Geldof uit Goes. Jan de Prentenknipper is eind september het onderwerp van de dialezing door Joke Verhave op de regiomiddag voor knipkringen in het zuiden van het land.

‘Trouwverbond’ (31×39 cm), atb. uit het boek ‘Jan de Prentenknipper’ van Joke en Jan Peter Verhave.

Koerten in Schoonhoven, Knip-Pers 1999-3

Een rondleiding in het Nederlands Museum van Knipkunst begint altijd met het verhaal van knipper en verzamelaar Wiecher Lever. Aan de hand van zjjn jeugdwerk, familieknipsels en sterke staaltjes van zijn papierknipkunst uit zijn begintijd als professioneel knipkunstenaar, wordt zijn passie voor het papierknippen belicht en komt de geschiedenis van zijn museum aan de orde. Bezoekers krijgen daarna de gelegenheid kennis te maken met de diverse mogelijkheden van het papierknippen, waarbij werk wordt getoond van Narda Wilken, Frans ter Gast, Theun Broekstra, Elly Stroucken, Liesbeth Veldhuysen, Pieternel de Zwart en Tobia Lever.

afb. 1, Joanna Koerten

De geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland beginnen we bij de portretten van Joanna Koerten Blok (afb. 1, ), Nederlands befaamste knipster uit de 17de, begin 18de eeuw en Jan Kopper, een 18de eeuwse bakker uit Rotterdam, die op een prent uit 1789 echt als papierknipper is afgebeeld. Daarna gaan we prachtige oude stukken (gemaakt vóór 1900) uit onze verzameling langs en wijzen dan op werk van bekende knippers, zoals Arie Tergant, Pieter Reijnders, Jan de Bleyker, maar ook op schitterende knip-, prik- en snijwerken van anonieme kunstenaars. De rondleiding wordt vrijwel altijd afgesloten bij de silhouettenhoek, waar zich profielportretten van 1780 tot heden bevinden.

Tot voor kort ontbrak er in onze verzameling, die de laatste jaren toch fors is uitgebreid met nieuwe schenkingen en aankopen, knipwerk uit de 17de eeuw. Daarin is met de aankoop van een knipsel van Joanna Koerten (1650-1715) uit 1697 verandering gekomen. We beschikten in onze collectie al wel over enige mooie portretprenten van deze knipster, zoals de mezzo tint van D.v.d. PIas uit 1701 en de gravure van Jacob Houbraken. Ook kochten we al op de veiling van Levers Westerborkverzameling de twee gedrukte versies van Lofdichten op het knipwerk van Koerten uit 1735 en 1736. Nu hebben we dus als waardevolle aanvulling het knipsel ‘De Romeinse Vrijheid, geflankeerd door portretmedaillons van de eerste twaalf keizers’ ( afb. 3).

afb. 2

In de lofdichten wordt dit kunstwerk diverse malen bezongen en het stuk wordt vermeld in de achterhaalde veilingcatalogi De Leth (1750) en Oudaen (1766). ‘De Romeinse Vrijheid’ moet in het werk van Koerten een bijzondere plaats hebben ingenomen, want het knipsel staat afgebeeld op de tekening van het titelblad voor Koertens Stamboek, die Jan Goeree (1670-1731) in 1708 maakte (afb. 2).

Aan deze opmerkelijke aanwinst voor ons museum besteden we de komende tijd natuurlijk de nodige aandacht. Vanaf het derde Schoonhovens Knipkunstweekend (4 en 5 september 1999) bevindt zich in de vaste museumopstelling een Koertenvitrine met het knipsel, de portretten en lofdichten en documentatie. In de septembernieuwsbrief (jaargang 12, nr. 3) bespreken we de nieuwe aanwinst, maar we werken aan een speciaal Koertennummer voor het jaar 2000. Over deze ‘Schaarminerve’ uit de 17de eeuw is namelijk inmiddels veel meer te vertellen.

afb. 3, Joanna Koerten, De Romeinse Vrijheid, geflankeerd door portretmedaillons van de eerste twaalf keizers

Henk van Ark