Categoriearchief: publicatie

Knipwerk in het huishouden of voortborduren op klokkenkleedjes, Knip-Pers 2004-3

Onze inspiratie voor deze keer hebben we gehaald op IJsland. Niet dat we daar papierknipwerk hebben gezien. Wat we wel ontdekt hebben is het gebruik om pannenkoekjes te versieren op dezelfde manier als het insnijden en omvouwen van de klokkenkleedjes.

Deze pannenkoekjes, “Leafbread”, zijn extreem dun, ingegeven door de armoede op IJsland, toen geïmporteerd meel nog voorbehouden was voor hoogtijdagen. Voor het Kerstfeest werden de flensjes als familieactiviteit ingesneden en gedecoreerd met raderwieltje en mes. Door de versiering werd de goedkoopte, de eenvoudigheid van het pannenkoekje verhuld en tegelijk combineerde men de inventiviteit van de armoe, de volkskunst en de keukencultuur van IJsland. Tegenwoordig is het een vrolijke traditie geworden, voor arm en rijk.

afb.1, Museumbrochure IJsland

De papieren klokkenkleedjes uit noord Drente en Groningen werden met eendere technieken versierd: inknippen en omvouwen om zo mooie vormen te krijgen met materiaal dat weinig kostbaar was en vervangen kon worden. Ook hier was het een kwestie van roeien met de riemen die je hebt. Geen luxe van geborduurde kleedjes, wel een bescherming voor het uurwerk, dan maar uit papier. Wie heel handig was maakte ook nog “ballegies” en “emmerties” om eronder te hangen, en ieder voorjaar na de schoonmaak knipte de huisvrouw weer vliegensvlug een nieuw kleedje! Voor meer informatie hierover verwijzen we naar de vorige Knip-Persen.
Ook was het in de plaggenhutten en arbeiderswoningen in het noorden gebruik om, veelal uit krantenpapier, papieren gordijntjes te maken. En wat is er aardiger dan voor een kinderkamer leuke wegwerp gordijntjes te maken uit harmonica-gevouwen stroken kleurig papier.

afb. 2, LibeIle

Kastrandjes zijn natuurlijk ook altijd in gebruik geweest. Zowel uit zuinigheid, armoe of uit artistieke gedrevenheid werden ze door huisvrouwen gemaakt.

afb.3, Libelle

Wij kennen nog wel het gebruik om op koek of cake een uit papier geknipt sjabloontje te leggen en dat vervolgens met poedersuiker te bestuiven. Gebak met zulke sierlijke vormen toont heel feestelijk.

afb. 4a, Libelle

afb. 4b, Libelle

Misschien minder bekend zijn de papieren lampenkapkleedjes. Over de ouderwetse glazen kap van de petroleumlamp werd ter decoratie een dun vloeipapieren knipsel gehangen. Het licht speelde er zo doorheen.

afb. 5, Schaarkunst blz. 90

Vergeten we ook niet dat op het eiland Urk, omstreeks 1920 de knipsels van Jan Visscher direct op de witkalk geplakt werden ter versiering van het huisje. Vervolgens werd in het huisje ook de paling gerookt. leder voorjaar werd er schoongemaakt, opnieuw gewitkalkt en weer een nieuw knipsel opgeplakt. Zijn naïeve afbeeldingen en teksten waren kennelijk toch steeds gewaardeerd. Nu worden ze als kunststukjes bewaard in het Urker Museum “Het oude Raadhuis”.

afb. 6, Knipwerk Jan Visscher

Het zijn allemaal voorbeelden van heel eenvoudige versieringen. Als u zelf veel kunstiger knipsels maakt, en het stadium van de kastrandjes allang voorbij bent, probeer het dan toch nog weer eens. Misschien lukt het eenvoudige werk nog beter in een knipgroep of met kinderen. U kunt er goede sier mee maken, ook al is het nog geen Kerst of voorjaar!

En dit verhaaltje is zomaar een vakantie-niemendalletje, met een groet uit een prachtig, maar onherbergzaam IJsland, waar mensen in lange winters elkaar moeten vermaken met kleine aardigheden, die het leven opfleuren.

Joke en Jan Peter Verhave

Louise Blokhuis, geometrische vormen, Knip-Pers 2004-2

Toen ik eind 2003 van de Rijssense bibliotheek het aanbod kreeg om daar knipwerk te exposeren, pakte ik dat natuurlijk met beide handen aan. Papierknipkunst is hier een vrijwel onbekend fenomeen. Maar hoe kwam ik aan mooi knipwerk, waard om te exposeren?

afb 1, Louise Blokhuis, 21 x 19 cm

Via het museum van Markelo, waar het jaar ervoor een prachtige knipwerktentoonstelling was geweest, kreeg ik enkele namen door. Dit leverde veel prachtig knipwerk op van de dames Blokhuis en Merlijn uit Enschede en van Alied Pijlman uit Hengelo, een van onze eerste bestuursleden (Zij groet hierbij alle bekenden!).

afb, 2, Louise Blokhuis, 29 x 20 cm

 

Het knipwerk van Louise Blokhuis is zo anders dan wat wij ons van knipwerk voorstellen, dat het, hoewel zij al 10 jaar niet meer knipt, onzes inziens best nog eens mag worden vermeld. In 1990 heeft zij ook in Bergen (NH) geëxposeerd. Bij de aankondiging van die tentoonstelling stond: “Dit is snijwerk, ontstaan met behulp van liniaal, passer en geodriehoek”.

afb. 3, Louise blokhuis, 28 x 14 cm

Louise kreeg haar eerste lessen van Mevr. Merlijn toen zij de 50 al ruim was gepasseerd. Het knippen boeide haar enorm, maar al gauw kreeg haar voorliefde voor lijnenspel en geometrische vormen de overhand. Hierdoor ging zij ook over op snijden. Dit snijden heeft zij gedurende acht jaar gedaan en haar voorraad papiersnijdwerken is zo groot, dat ik het heel moeilijk vond om er een keus uit te maken.

afb 4, Louise Blokhuis, 29 x 20 cm

afb. 5, Louise Blokhuis, 10,5 x 11 cm

Haar voorliefde voor het bewerken van hout kreeg echter de overhand. Dat stelt haar in staat driedimensionaal te werken. Het is voor haar een enorme uitdaging om vormen te creëren die enigszins een zinsbegoocheling opleveren, zoals dat bij het werk van Escher het geval is.

afb. 6, Louise Blokhuis, 21 x 19 cm

Het is een genot om in de huiskamer van Louise rond te kijken. Er zijn daar zoveel kunstwerken te bewonderen, dat je tijd en ogen te kort komt.

Marga Stringer

afb 7, Louise blokhuis, 16 x 16 cm

 

 

 

 

 

 

 

 

Katernen met knipsels, Knip-Pers 2004-1

afb. 1, anoniem, 9 x 9 cm

Veel knippers hebben eigen knipwerk en soms ook samen met werk van anderen verzameld in een boekje of album. Het is een aardige manier om een overzicht te houden van de eigen ontwikkeling en het uitwisselen van werkstukjes met andere knippers. Net als een vriendenboek of poëzie-album houd je zo de herinneringen vast. Over zulke albumpjes van onbekende herkomst is al vaker iets geschreven in de Knip-Pers. Wij hebben er in de loop van de tijd een aantal gezien in privébezit. Ze komen vooral uit de 18de en 19de eeuw en zijn heel verschillend van inhoud, stijl en omvang.

 

afb. 2, anoniem, 8,5 x 14,5 cm

Een albumpje uit het einde van de 17de of begin 18de eeuw bevat zeer fijne knipseltjes / snijdseltjes van een vaardige kunstenaar. De bladzijden hebben een lichtpaarse kleur. In de tafereeltjes die er los in liggen, is allerlei menselijke activiteit afgebeeld: houthakkers, herders of een processie, maar ook dieren zoals geiten, herten, paarden en heel apart is de struisvogel. In die tijd waren exotische dieren in de schilderkunst en gravures populaire onderwerpen. De manier waarop de knipper / snijder zijn bomen heeft uitgewerkt met verschillende soorten bladeren, is heel bewonderenswaardig.

afb. 3, anoniem, 8 x 10,5 cm

Uit diezelfde periode stamt een ingebonden boekje met stevig blauw papier. De kaft is ook stevig en beplakt met gemarmerd papier. Het boekje kan met groene lintjes gesloten worden. Het bevat boeketjes of vazen met fijn uitgewerkte bloemen, maar ook andere in een veel stoerdere uitvoering door een andere papiersnijder gemaakt.

 

 

Het bevat ook een uit perkament gesneden werkje, van weer een geheel andere stijl. Het stelt een stadsgezicht voor met een groot aantal kerktorens. Op de voorgrond zijn scheepjes en rijtuigen uitgesneden die eendatering vroeg in de 16de eeuw waarschijnlijk maken. Het stadsgezichtlijkt ons niet typisch Nederlands,maar we houden ons aanbevolen voor suggesties. Het zou heel bijzonder zijn als we konden bewijzen dat er in die tijd al internationale uitwisselingen waren.

afb. 4, anoniem, 9 x 14 cm

Dan is er een 20ste‑eeuws schetsboekje, waarin iemand een verzameling 19de‑eeuwse tafereeltjes uit zwart sitspapier heeft geplakt. Het zijn huiselijke tafereeltjes en het papier is gearceerd aan de achterzijde met een scherp voorwerp, waardoor de voorstellingen enig relief hebben. Opvallend is de afbeelding van een heilige kluizenaar in een grot. De onbekende maker is dus waarschijnlijk van katholieke huize.

afb. 5, anoniem, 7,5 x 10,5 cm

Een klein eenvoudig gemaakt boekje met een kartonnen kaftje, waarin een grote variatie aan voorwerpen en dieren is geplakt, elke pagina in een andere, kleur. Er zijn inheemse en exotische dieren (olifanten, vogels, insecten), vruchten, gereedschappen, spelende kinderen en nog veel meer. De mode wijst op Noord-Nederlandse herkomst uit de 19de eeuw. We vermoeden dat de maker de vormen heeft overgenomen uit platenboeken of uitknipmodellen, zoals die in de handel waren. De menselijke figuurtjes zijn wat onbeholpen, maar toch heel charmant.

afb. 6, anoniem, 10,5 x 14,5 cm

Ten slotte een boekje dat een grote verzameling bewerkte stukjes papier bevat die allemaal een zelfde vorm hebben. De bovenkant van deze wigvormige stukjes papier is dubbelgevouwen uitgesneden in allertei versierende vormen. Geen is er gelijk. De knipper, liever snijder, heeft zich uitgeput in een grote variatie van ornamenten. Het lijkt erop dat alle mogelijkheden van versieren zijn uitgeprobeerd.

afb. 7, anoniem, 14,5 x 5 cm

Afgaand op het stevige witte papier met watermerk, stamt de verzameling uit de 18de eeuw. Wij hebben ons afgevraagd of die stukjes papier met hun bijzondere vorm een bepaald doel hadden. Simon Honig van het Openluchtmuseum in Arnhem opperde de mogelijkheid dat ze bedoeld waren als labels voor medicijnflesjes. In dat geval zou de knipper wel eens een geneesheer of apotheker kunnen zijn geweest.

Heel curieus is dat het tweede knipsel in het album een andere vorm heeft (wel van dezelfde maker) met een bijzondere tekst. Beste knipgenoten, doe met deze raadgeving van een oude collega wat je wilt.

afb. 8, anoniem, afm. 20 x 15 cm

Indien u Werk geen kenner goed wil keuren
dan is het niet te best gelukt
dog zo een zot daroover zig verrukt
dan moogt gij t vrey aan Stukken scheuren

Joke en Jan Peter Verhave

Een creatieve reis bij de Heer Verburg thuis, Knip-Pers 2004-3

Na onze kennismaking met de heer Verburg in de bibliotheek in Lisse, keken Tina en ik erg uit naar onze volgende ontmoeting met hem. Dus reden we vol verwachting richting Leiderdorp waar het echtpaar Verburg al 52 jaar woont. We werden heel vriendelijk verwelkomd, niet alleen door meneer en zijn vrouw, maar ook door de sfeer die de plek waar zij wonen, uitstraalt: een tuin vol bloemen, bijen en vogels, een huis met kunstzinnige voorwerpen, gemaakt door henzelf, hun kinderen en vrienden.

Zodra we binnen waren, begon de autodidactische knipper te vertellen, en niet alleen met zijn handen, maar ook verbaal blijkt de heer Verburg over grote gaven te beschikken. TerwijI zijn Poolse echtgenote druk in de weer is met koffie en lekkers, en de poes tussen ons in op de bank zit te spinnen, vertelt hij over het schilderij achter zich. Het is gemaakt door een vriend die in de jaren veertig op een bakfiets door de Alpen trok. Hij vertelt verder over de prachtige bronzen beeldjes, gemaakt door zijn eveneens getalenteerde dochter, over een schilderij uit China, prachtig houtsnijwerk van eigen hand, de geweven kleden van zijn vrouw. Zorgvuldig kiest hij zijn woorden, terwijI zijn vrouw hem aanvult waar dat nodig is. Er zijn veel eenden, die hij in het waterrijke landschap rond Leiderdorp bestudeert en vertaalt in prachtig houtsnijwerk, en de knipsels, die we al in Lisse hebben kunnen bewonderen. Er zijn quilts, en vele handgemaakte kussens. Het huis is omringd door bloemen, Verburgs originele inspiratiebron.

Hij vindt het prettig om een verwilderde tuin te hebben waar de natuur haar gang kan gaan. Hij ziet het wonder van iedere bloem, vertelt bijna lyrisch over de blaadjes van een roos, zijn favoriet, en beschrijft zijn gelukmakende ervaring toen hij ergens op vakantie twee mandarijneenden plots van dichtbij kon bewonderen. We drinken nogmaals koffie en zijn verhalen nemen ons mee door heel Europa, naar plekken van lang geleden, van drie generaties uitgestelde huwelijken, maar die uiteindelijk toch allemaal zijn voltrokken. Wat een levensdrift en energie voor iemand die geboren is in 1922!

Op weg naar de bovenverdieping kwamen we dan eindelijk de knipsels tegen, die mij zó inspireerden dat ik thuis ook een beetje op die manier ben gaan knippen.

Tineke Kroes geïnspireerd door de heer Verburg, 17 x 11 cm

leder beschikbaar plekje langs de trap is gebruikt om prachtige knipwerken tentoon te stellen. We bewonderden nog een werk van zijn hand. Het hield het midden tussen werk van Leonardo Da Vinci en werk van Escher. We vroegen ons af of er een eind aan de mans talenten kwam. De uitnodiging om nog eens terug te komen namen we graag aan. “Maar eerst gaan we een paar weken naar Rusland”, zei hij opgewekt.

We zijn erg benieuwd naar de inspiratie hij daar weer zal opdoen!

door Tineke Kroes

Ontdekking van een “groot” knipper, Knip-Pers 2004-2

Hard werkend aan een gezamenlijk klokkenkleedje, vertelt Tineke Kroes dat een vriendin haar geattendeerd heeft op een kniptentoonstelling in de bibliotheek in Lisse.

Nieuwsgierig geworden besloten wij er direct heen te gaan. In de bieb aangekomen, zagen wij een aantal knipsels hangen. Een oudere heer was in gesprek met een bibliothecaresse. Tineke stootte  mij aan en zei: “Zou dat hem zijn?” We besloten een gokje te wagen en spraken hem aan. Ons vermoeden bleek juist, hij was de Leiderdorper A.M. Verburg, de knipper die al dat moois geknipt had. Hij heeft ons rondgeleid en een aantal van zijn 25 tentoongestelde knipsels nader toegelicht. Zijn liefde voor de natuur komt in zijn knipwerk duidelijk naar voren. Hij observeert en vertaalt dit al knippende tot prachtige composities, waarin eenden, zwanen, bloemen, egels en natuurlandschappen worden weergegeven. Vaak verbergen zijn knipsels ook een boodschap of grap. In één woord: fantastisch!
Tina Doets

afb. 1, A.M. Verburg, Bloemenbal, 1990, 30 x 22 cm

Een Leiderdorpse knipkunstenaar, door Marian Castenmiller (courant van Lissa, 22-4-2004)

Als constructeur en ontwerper werkte Verburg twee-en-dertig jaar lang in de staalbouw, en toen hij gepensioneerd was, wilde hij met dat materiaal niets meer doen. Maar dat hij iets anders wilde doen, op een andere manier met zijn handen wilde werken, stond voor hem vast. Verburg begon met houtsnedenwerk en maakte fraaie werken. Hij trok de natuur in en tekende de wisselwerking van de seizoenen, het komen en gaan van eenden en zwanen. “Ik heb aan aquarelleren gedacht, maar dat doen heel veel mensen. Olieverf misschien? lk kon er niet warm voor lopen. En net toen ik dacht dat ik alles wel gezien of geprobeerd had, trok het knippen mijn aandacht. Dat is ontzettend moeilijk, zeker in het begin, maar dat zag ik als een aantrekkelijke uitdaging. lk ben ermee begonnen en nu, zeventien jaar later, doe ik het nog altijd.” Wanneer Verburg in zijn tuin, in het park of buiten de dorpsgrenzen een mooi stukje natuur ziet, legt hij dat vast. Meestal in een tekening, ook wel eens met een foto. Daarvan maakt hij een ontwerp en dan gaat hij knippen. Met een minuscuul schaartje zet hij knipje voor knipje.

afb. 2, A.M. Verburg, Waterlelie met zweefvlieg, 1990, 30 x 22 cm

“Dat moet wel zo voorzichtig gedaan worden, want iets wat je te veel weg knipt, kun je niet meer terugzetten. Het is een vermoeiend werkje, voor je ogen en je vingers. Na een tijdje leg ik het dan ook weg, later pak ik het weer op, totdat het helemaal klaar is. Het werk wordt uit één stuk papier geknipt en er wordt niets geplakt. Over een enkel knipwerkje doe ik toch wel snel een uur of achtenveertig. Maar dat is geen probleem, ik heb genoeg tijd.”

afb. 3, A.M. Verburg, Helianthus en Varen, 1992, 22 x 21 cm

In de knipselwerken van Verburg zijn eenden een steeds terugkerende verschijning. Gewone stads- of dorpseenden, of heel bijzondere Chinese eenden die Verburg ooit in een dierenpark zag. Rupsen die zich tot vlinder verpoppen, egels in de tuin en nestelende zwanen zijn ook vele malen uitgebeeld. “Die liefde voor de natuur heb ik van mijn vader. Vroeger ging ik op zondag vaak met hem het weiland in en dan maar kijken naar wat je zag. Daar heb ik veel van geleerd.

En die artistieke inslag? In 1600 was er wel een schilder met de naam Verburg, maar of dat familie is, weet ik eigenlijk niet.” Naast de natuur vindt Verburg ook wel eens in heel andere onderwerpen zijn inspiratie. Zo knipte hij bijvoorbeeld een mooi oud huis in het centrum van Leiderdorp, of koos hij voor een symbolische weergave van de apartheid In Zuid-Afrika.

afb. 4, A.M. Verburg, Watersnip en Zwanebloemen, 1997, 22 x 30 cm

Verburg werkt nagenoeg uitsluitend met papier dat aan één kant wit, aan de andere kant zwart is. Door nu eens die ene, dan weer de andere kant te gebruiken, ontstaan bijzondere effecten. “Het wordt wel steeds moeilijker om aan het juiste materiaal te komen”, vertelt hij, “en die schaartjes zijn voor mannenvingers eigenlijk veel te klein. Maar ja, ik doe het er toch maar mee.”

afb 5, A.M. Verburg, Bloem havikskruid onder de loep, 1990, 30 x 22 cm

Veel van zijn knipselwerk heeft Verburg in zijn huis hangen, een enkel werkstuk werd weggegeven. Kopieën van ieder werk bewaart hij in een grote map. Zelf is hij er heel bescheiden over. Ieder werk is hem dierbaar en bevat herinneringen aan een mooie lenteavond of een zomerse dag. Een tentoonstelling van zijn werk heeft hij nooit geambieerd, maar de uitnodiging van de bibliotheek uit Lisse nam hij graag aan. En dus kon men in Lisse met eigen ogen zien, hoe bijzonder dit werk is, hoe precies en hoe verfijnd, hoe knap gemaakt.

Jan de Prentenknipper in Vlaanderen, Knip-Pers 2001-4

Over de Zeeuwse marskramer met zijn kleurige prenten weten we al een heel veel bijzonderheden. Zijn levensloop en zijn zwerftochten zijn in kaart gebracht. De verscheidenheid van onderwerpen van zijn knipsels is uitgebreid beschreven en te zien geweest in tentoonstellingen te Goes en IJsendijke en in het Bijbels Museum te Amsterdam. Een hedendaagse Zeeuwse troubadour heeft hem bezongen. Je zou zeggen, nou weten we het wel.

Maar dan ontdekken we opeens weer iets bijzonders. Onlangs dook er een prent van Jan op in Antwerpen, getiteld JESUS . LEYDEN. Een altaar van een Rooms Katholieke kerk is afgebeeld, met allerlei symbolen, zoals het Lam Gods, de tabernakel en de monstrans, waarin de hostie wordt bewaard en getoond. Daarboven het kruisigingtafereel met Jezus tussen de twee misdadigers en omgeven door de bekende lijdensattributen die vaak in de volkskunstige afbeeldingen werden verwerkt, zoals hamer, nijptang, ladder, spons op een stok, dobbelstenen, de doek van Veronica en de haan van Petrus. Helemaal boven zien we de geboorte van Jezus en de vlucht naar Egypte.

afb. 1, Jan de Prentenknipper, 23 x 18,5 cm

Met name in Zeeuws Vlaanderen is Jan veel geweest. Als we afgaan op de herkomst van de meeste prenten bij Zeeuwsvlamingen of bij mensen wier (voor-)ouders daar vandaan kwamen, zijn het vooral protestantse families geweest, die zijn prenten kochten. Een dergelijke r.k.-prent was al bekend uit Lapschure, vlak over de grens met België. Eerder meenden wij dat hij die voorstelling bij uitzondering eenmaal zou hebben gemaakt voor een katholieke familie. We moeten nu veronderstellen dat Jan wel degelijk ook onder katholieken zijn afzetgebied had. Wellicht minder in Zeeuws-Vlaanderen, en meer in Belgisch Vlaanderen. Verdere conclusies over de zwerftochten van Jan in België kunnen we niet trekken, omdat de oorspronkelijke herkomst van het Antwerpse knipsel niet is te achterhalen en dit pas de tweede Belgische prent is die we konden ontdekken.

Terug naar Zeeuws Vlaanderen, waar  veel meer sporen van Jan te vinden zijn. Van oorsprong een Bevelander, was hij als soldaat in Breskens gelegerd geweest. Later had hij werk gevonden bij de aanleg van het Kanaal Sas van Gent naar Terneuzen en vond daar zijn (katholieke) Constantia, die hij na 15 jaar rondzwerven weer verloor in Breskens. Sindsdien is hij vrijwel elke zomer naar Zeeuws-Vlaanderen teruggegaan, met of zonder kinderen. Dan sliep hij in de schuur bij gastvrije boeren en at mee uit de pot. Voor zover wij konden nagaan, waren het bijna allemaal protestantse families, vooral ten westen van de Braakman.

Een van de meest gastvrije was het gezin van Abraham Brevet en Johanna de Bruijne, met hun tien kinderen in de gemeente Cadzand. Jan heeft in 1844 hun hofstede meermalen afgebeeld en voor de kinderen knipseltjes gemaakt om in hun bijbels of psalmboeken te leggen. Hun nakomelingen bewaren die prenten zorgvuldig en met trots. Ze kennen het rijmpje op de grote prenten uit hun hoofd:

Het land te bouwen is mijn lust
Mijn hart en zinnen zijn gerust
Ik wei het rundervee
Gelijk als Job in Cana dee.

De gezusters Elisabeth en Sara Brevet kochten in 1856 elk een kerstprentje HET LIGT DER WERELD. Jan heeft die prentjes niet gekleurd en toen ze allebei op de tentoonstelling in IJsendijke lagen, konden wij constateren dat ze precies gelijk waren en dus had Jan ze in één keer gesneden uit twee laagjes papier.

afb. 2, Jan de Prentenknipper

Ook bij de nakomelingen van de broers en zusters van hun moeder Johanna Brevet-de Bruijne doken diverse prenten op. Johanna en haar man Abraham Brevet waren neef en nicht en zo waren veel protestantse families in West Zeeuws-Vlaanderen nauw aan elkaar verwant. Jan zal dus wel op recommandatie van hofstee naar hofstee zijn getrokken.

afb 3a, Jan de Prentenknipper, 1844

In diezelfde families worden ook kleine knipseltjes bewaard, die iets afwijken van zijn rechthoekige kerkboekprentjes. Ze zijn wat speelser en nooit ingekleurd. De vormen van dieren, bomen en symbolen lijken op die van Jan, maar we vermoeden dat zijn zoon, Jan junior, ook knipte (hij overleed op zijn 18e en in de acte staat dat hij net als zijn vader plaatsnijder was). Twee van zulke witjes waren in 1844 gemaakt voor de zusjes Brevet (19 en 17 jaar) en toen was Jan junior 15 jaar; hij lag dat jaar ziek in Hoofdplaat (wellicht op de boerderij van hun zuster Catharina Provoost-Brevet).

afb b3, Jan de Prentenknipper, E.B.V.

Een dergelijk pretje draagt echter het jaartal 1835 en wij vinden het niet zo voor de hand liggend dat een jongetje van 6, die zijn vader aardig kon imiteren, op zijn 15e nog precies zo te werk zou gaan. We houden het er toch maar op dat vader Jan die prentjes geknipt heeft.

Hoe dan ook, Jan de Prentenknipper blijft een boeiende figuur met steeds weer nieuwe knipsels en verhalen, die opduiken of uit de Zeeuwse geschiedenis op te delven zijn. Wij kregen het vertrouwen van bezitters van beschadigde prenten in Hoek en Axel, om die te restaureren. De prenten van Jan horen (letterlijk) thuis bij Zeeuws vlamingen en andere Zeeuwen; zij beheren dat papieren erfgoed, omdat ze er een band mee hebben en er trots op zijn. Wat ze gelijk hebben!

Joke en Jan Peter Verhave

Om verder te lezen:
J. en J.P. Verhave (1993), Jan de Prentenknipper (1798-1870). Zeeuwse Volkskunst langs ’s Heeren wegen. Uitg. De Koperen Tuin, Goes.
J. en J.P. Verhave (1994), Jan de Prentenknipper in Zeeuwsch-Vlaanderen. Zeeland (tijdschrift Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen), 3, 3, 101-108.

Spoorloos: opsporing verzocht, Knip-Pers 2003-1

Elke Knip‑Pers weer proberen we een knipper of een knipsel van vroeger in het licht te zetten. Dat vergt soms veel zoekwerk. Een goed voorbeeld was Jan de Prentenknipper. Zijn bijnaam maakte het eerst moeilijk om zijn gangen na te gaan. Aanvankelijk waren we op het verkeerde spoor. Maar met de vondst van zijn ware naam, Jan Huyszoon, konden we hem terugvinden in Zeeuwse archieven. Bovendien vroegen we alle bezitters van een prent, waar hun voorouders woonden. Zo konden we aan de hand van de jaartallen (omstreeks 1850) in de prenten zijn zwerftochten over de eilanden en Zeeuws‑Vlaanderen volgen. Het staat allemaal in ons boek over hem. En als er ergens in Zeeland weer zo’n kleurrijke knipprent opduikt, is het nu niet moeilijk meer om daarin de schaar van Jan te herkennen. De motieven, de kleuren en de letters zetten ons op zijn spoor.

afb. 1, Frederik Hendrik van Voorst, Goes

Eerder maakten we een studie van de kleurrijke snijwerken met familiewapens van voorname personen en stadsregeerders, door Frederik Hendrik van Voorst. In tegenstelling tot Jan de Prentenknipper heeft hij zijn naam in een aantal werkstukken uitgesneden, maar niet in allemaal. Soms ook een jaartal (omstreeks 1720). In de loop van de tijd hebben we door vergelijking van de stijI een flink aantal stukken aan Van Voorst toe kunnen schrijven, en door onderzoek in archieven konden we bewijzen dat hij in een bepaalde periode daar verbleef, waar hij een werkstuk achterliet. Bijvoorbeeld 1726‑27 in Goes: het wapenstuk voor de bestuurders van Goes is gedateerd 1726 en hangt in het stadhuis (afb.1). In het archief staat zijn werk omschreven als “seer kunstige met een pennemes gedaene snijdingen”.

afb. 2a, Frederik Hendrik van Voorst, ca. 1700

Heel verrassend was het dat een paar weken geleden een snijwerk opdook, voor de burgemeester van Tiel en diens echtgenote, met afbeeldingen van het Paradijsverhaal (afb.2). De eigenaar had het ongesigneerde werk herkend aan de hand van ons artikel. Een ander snijwerk van F.H. van Voorst voor het bestuurscollege van Tiel hangt in het gemeentehuis van die plaats (1722). Zo dragen nieuwe vondsten bij aan het verhaal van de maker en zijn opdrachtgevers.

afb 2, F.H. van Voorst, Paradijsverhaal

Zo voorspoedig gaat het niet altijd. We kunnen zelfs op verkeerd spoor gezet worden. Een voorbeeld is het wapenknipsel uit Franeker dat nog steeds wordt toegeschreven aan Anna Maria van Schurman. Er zijn er nog zeven ontdekt, allemaal in dezelfde stijl met familiewapens, omgeven door fijn uitgewerkte bloemetjes. Stuk voor stuk kunststukjes, maar zonder de naam van de maker. Door te zoeken naar de namen, leeftijden en woonplaatsen van degenen van wie die familiewapens zijn, hebben we moeten concluderen dat Anna Maria niet de maakster kan zijn geweest. Het afgebeelde wapenknipsel (afb. 2a) was voor de notabele Bonifacius Pous uit Zierikzee, die trouwde in 1705 (of zijn broer Pieter). Toen was Anna Maria al lang overleden.

Meer dan een eeuw geleden is iemand in Zeeland de naam Otto van Voorst op het spoor gekomen als maker van deze knipwerkjes. Helaas blijkt de aanwijzing heel zwak en we hebben geen spoor van hem kunnen vinden in de plaatsen waar de families woonden voor wie die juweeltjes gemaakt zijn (Den Haag, Delft en Zierikzee). Als we hem (of haar) konden identificeren, zou blijken welk beroep hij had en of hij met dit fijne knipwerk voor deftige families wat bijverdiende. Vooralsnog zijn we het spoor bijster.

Ook al zijn knipsels nog zo kunstig, als er niets over de maker bekend is, blijft er een geheim. En dat kan ons soms behoorlijk dwars gaan zitten.

Voor knipsels die een bekend verhaal vertellen, bijvoorbeeld uit de Bijbel, vond de maker het misschien niet nodig zijn eigen naam te vermelden.

afb 3, anoniem

Het Is een stripverhaal van Jezus’ laatste dagen, met bijgeschreven teksten in 19e‑eeuws handschrift. We konden ook de achterkant bekijken: schetsmatig heeft de maker het hele verhaal uitgetekend, op een, naar ons gevoel cartoonachtige manier. Was hij katholiek? De stralenkrans rond het hoofd van Jezus kan daarop wijzen, maar in de bijschriften is de protestantse Statenbijbel gebruikt. (afb. 3)

afb. 3, Pieter van Haaren

Anderen waren minder bescheiden. Zo maakte ene Pieter van Haaren in 1805 vier afbeeldingen van de geboorte van Jezus (afb. 4) en vier van diens lijdensweg (afb.6) en hij combineerde ze in twee lijsten. Zelfbewust noemde hij het “Schaarkunst” (zie details). Inderdaad zijn het prachtige stukken, die getuigen van vakmanschap. Ongetwijfeld heeft hij veel meer gemaakt. Zouden er nog ergens zijn? En zouden we daardoor een spoor van die Pieter kunnen ontdekken? We weten niets van hem. Daarom hebben we een beroep gedaan op de leden van de Nederlandse Genealogische Vereniging: misschien zijn er wel mensen geïnteresseerd in de familie Van Haaren. Opsporing verzocht!

afb. 4, Pieter van Haaren

afb 5, Peter van Haaren, details van afb. 3, linksboven

Al eerder schreven we over de bakker van Deersum. Hij heeft omstreeks 1845 voor vele echtparen in ’t midden van Friesland een knipwerk gemaakt. (afb. 6) We weten uit de overlevering waar hij werkte en dat hij met zijn brood langs de boerderijen trok. We hebben gezocht en gezocht in de gemeentearchieven. Welke bakker of bakkersknecht was het? De een was te jong, de ander te oud. Wat zou het mooi zijn als we een dagboekje zouden vinden van een Frysk femke, waarin staat te lezen:
“Vandaag kwam Jan de Bakker weer langs. Hij had het knipsel voor onze ouders bij zich. Hun letters staan in een hart. ’t Ziet er mooi uit met die twee hoorns van overvloed en de tafereeltjes van het boerenwerk van heit en mem. Ik zou het niet zo kunnen, wat een gepriegel. Hij houdt zijn vingers vast soepel met al dat kneden van het deeg! Ik zal het in laten lijsten, dan kan het naast ’t kabinet komen te hangen. Jammer dat Jan er zijn eigen letters niet in heeft geknipt. Nou ja, hij heeft zijn rijksdaalder verdiend.”

afb. 6, Adam de Boer

Een vrome wens… maar we vonden wel iets anders: een beschrijving van de bevolking van het dorp door de schoolmeester. Er waren twee timmerlieden in Deersum, waarvan er een tevens bakker was. En toen konden we wel iemand vinden: Adam de Boer, timmermansknecht en 24 jaar oud. Zijn moeder was broodverkoopster geweest. Hij moest het wel zijn. We voelden ons echte spoorzoekers!

Ten slotte, we hebben al eens verteld over onze Jeruzalemse vrienden Jehudit en Joe Shadur, die opnieuw een prachtig boek maakten over de geschiedenis van de joodse knipsels in Europa. Wij hebben ons met elkaar afgevraagd: is er vroeger in de joodse gemeenschap in ons land ooit geknipt? In Duitsland en verder naar Polen en Rusland toe was dat veelvuldig het geval. Het Joods Historisch museum en vooraanstaande mensen in de joodse gemeenschap verklaren ons nooit iets dergelijks gezien te hebben in Nederland. We moeten het accepteren, maar begrijpen doen we het niet.

afb. 7, anoniem

En nu, opeens, na het verschijnen van hun boek, hebben de Shadurs in een Amerikaans museum een knipsel opgespoord dat afkomstig is van een joodse familie, die van Curaçao stamt. De wetstafels van Mozes zijn afgebeeld, met de Tien Leefregels in Hebreeuwse letters. Aan weerszijden staan Mozes en zijn broer Aaron. Het is onmiskenbaar Nederlands, want bazuinengelen, typisch voor de Nederlandse volkskunst, komen verder nooit in joodse knipsels voor. Ook de koperen kroonluchter en de siervazen met levensbomen zijn duidelijk Nederlands.

Wij vonden dat de mogelijke bezitter, David Cardozo, vanuit Amsterdam geëmigreerd was naar Willemstad, waar hij voorlezer was in de sefardische synagoge. Zo valt er wel wat te ontdekken over de geschiedenis van het knipwerk, maar ook hier weer hult de maker zich in de anonimiteit. (afb.7)

Met een aantal deskundigen hebben we het plan opgevat om een nieuw boek over de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst samen te stellen. We gaan een landelijke actie ontketenen om zoveel mogelijk knipsels en knippers op te sporen. Waarschijnlijk betekent dat ook weer meer raadsels. Maar één ding blijft: knipkunst heeft ook haar eigen uitstraling, mooi, fijn, groots, knap, kinderlijk, kunst of volks. Steeds is het weer boeiend, of de maker nu een naam en verhaal heeft of niet. Ze zijn een plezier om te bekijken en om erdoor geïnspireerd te raken!

Joke en Jan Peter Verhave

Familiewapens, Knip-Pers 2003-2

Het gebruik van familiewapens ontstond in de Europese Middeleeuwen en was voorbehouden aan adellijke families. Ze dienden als een merk- en herkenningsteken voor de naam van het geslacht op banieren, toegangen van kastelen en deftige huizen en op schilderijen. Wapens liet men verder aanbrengen op grafstenen, rouwborden, gebrandschilderde ramen en op serviezen. Naast families voerden ook de steden en provincies een wapen.

afb. 2, Hessel van Ostheim, 1589. Het oudste Nederlandse knipsel, 9 x 9 cm

Gesneden of geknipt uit papier of perkament dienden ze hetzelfde doel van herkenning, ongeveer zoals we nu een logo gebruiken. Het vroegste voorbeeld van een familiewapen uit papier dateert van 1589 en het is daarmee het oudst bekende knipsel in Nederland. Het werd gemaakt voor of door de Friese jonker Hessel van Ostheim en maakt deel uit van een vriendenboek (album amicorum). Het is een evenwichtig snijwerk met guirlandes en geometrische figuren in schijnsymmetrie. Het wapen en helmteken zijn met een paar zachte kleuren geaccentueerd. Onderin is een hertenjacht afgebeeld, waarbij het hert door een ruiter naar een gespannen net wordt gedreven. In een gedicht verzucht de jager dat het hert (de jonkvrouw) hem is ontgaan ondanks de hulp van zijn drie honden en dat hij nu maar het leger in gaat…

afb. 2, Otto van Voorst: het wapen van Andries van der Goes, die trouwde in 1705 en in 1710 vroedschap werd van Delft. Het wapen draagt een hartschild, heraldisch rechts 3 bokkenkoppen (van der Goes) en links een combinatie van 3 zwemmende spieringen en 3 zwemmende merletten (“meerltjes”, heraldische term voor eendjes zonder poten; van zijn moeder Dulcia Spierings), 8 x 10 cm

Om duidelijk te maken dat men uit voorname families stamde, werden ook de wapens van ouders, groot- en overgrootouders afgebeeld: de kwartierwapens. Dat principe heeft Otto van Voorst rond 1700 voor meerdere families in Zeeland en Holland toegepast. Zeer vakkundig uitgesneden in wit papier, op klein en fijn formaat en omgeven door een weelde van ranken en bloemen. De wapens zijn bekroond, maar het feit dat hij knipsels maakte voor twee niet‑adellijke broers en in het ene de wapens met gravenkronen versierde en in het andere met baronnenkronen, geeft aan dat de rang van die kronen toen geen betekenis meer had. Over Otto, die met recht een kleinkunstenaar te noemen is, zijn tot nu toe geen persoonlijke gegevens gevonden.

Een andere, zeer begaafde Zeeuw kennen we niet eens bij naam. Van hem zijn een tiental heraldische knipsels uit wit papier bekend, die dateren uit de periode 1721 tot 1749. Daaronder is een fraai werkstuk uit 1727 voor Nicolaas Ockert, wiens Zeeuwse vader met een meisje uit het voorname geslacht Van Bredehoff uit Hoorn trouwde. Hij liet zijn wapen met schildhouders (een leeuw en een griffioen) uitbeelden te midden van rijke versiering, een kroon, baldakijnen een bloemenmand en hoorns van overvloed. Het bestaat uit een combinatie van zijn ouderlijke wapens. Aan weerszijden staan rijen van 16 kwartierwapens van zijn voorouders afgebeeld.

In zijn andere knipsels beperkte de knipper zich tot de gekroonde wapens van echtparen,gezet in een weelderige versiering van bladeren, bloemen en granaatappels (teken van vruchtbaarheid). In een van zijn knipsels staat een gedicht geschreven door Jacobus Jansen, opgedragen aan de Middelburgse domineesdochter Elisabeth Plevier, bij haar eerste verjaardag in 1722. Voorlopig beschouwen we deze Jansen ook maar als de knipper.

afb. 3, Jacobus Jansen (?)-inmiddels toegekend aan Winter-, Middelburg omstreeks 1725. Een alliantiewapen voor een tot nu toe onbekend Zeeuws echtpaar. Het vrouwswapen is samengesteld uit vier onderdelen, die haar voorgeslacht verbeelden (19 x 30 cm).

De schakering van kleuren in wapens ging natuurlijk verloren bij het gebruik van wit papier of perkament, maar als men niet zo talentvol was, kon men geknipte of gesneden wapens inkleuren of er stukjes gekleurd papier op plakken.

In 1686 probeerde de Amsterdamse uitgever en boekverkoper Johannes ten Hoorn aan de Hollandse Jufferen het wapensnijden te leren. Als voorbeelden beloofde hij 300 modellen van “alle waapenen en schilden… en allerhande Loofwerk in ’t groot en in ’t klein, verguld, gekoleurd en anders verciert…” uit te geven. Van zijn “Onderricht der Papiere Sny-konst” zijn twee exemplaren bewaard, maar zonder het modellenboek…

Deze techniek is veel toegepast door jonkheer en militair Frederik Hendrik van Voorst omstreeks 1720, die overigens heel wat kunstzinniger was dan de Hollandse Jufferen. Hij sneed perkament en bracht de gewenste kleur alleen aan in de familiewapens, door stukjes gekleurd perkament en bladgoud daarop te plakken.

afb. 4, Frederik Hendrik van Voorst, snijwerk uit perkament, gemaakt voor Christoffel van Voorst uit Overijssel en diens echtgenote Elisabeth van Doorninck, 1732. Alleen de wapens en de teksten zijn gekleurd. Versierd met mythologische afbeeldingen en taferelen van de jacht, 68 x 51 cm

Zoals blijkt uit zijn snijdsels voor notabelen in verschillende plaatsen en zijn grote wapenkaarten voor de magistraten van Nijmegen, Tiel en Goes hadden ook niet‑adellijke personen zich familiewapens aangemeten. In Nijmegen kreeg hij 175 gulden voor werkstukken van 71 x 54 cm, in Tiel slechts 50 gulden voor een stuk van dezelfde afmeting en in Goes luidt het archief van 1727:
“den heer Otto [!] van Voorst aen haer Edele Agtb. hebbende vereerd eenige seer kunstige met een pennemes gedaene snijdingen, alle te samen in eene lijst gevoegd, ten einde om op de vertrekkamer van het Stadhuis alhier te worden gehangen ende als een fraeij stuk bewaerd, is goedgevonden en verstaen aen hem, soo tot belooning van sijne moeijen ende vacatiën in het doen van voorn. snijdingen, als ettelijke onkosten gehad ende geleden, te assigneren ende toeteleggen eene somme van een honderd Zeeuwse rijksdaelders”.

Dit imposante stuk (75 x 59 cm) hangt daar nog steeds. Kennelijk heeft er een verschrijving plaats gehad, want de maker signeerde met “Fred. Henr. van Voorst Inventor fecit, Ao 1726” en zijn eigen familiewapen.

In die tijd werd men minder precies in het toepassen van de heraldische regels. F.H. maakte zo familiewapens die in spiegelbeeld waren weergegeven, tot een stadswapen toe! Zijn laatste bekende werk dateert van 1732, is gemaakt in opdracht van een ver familielid en geeft een voorvader van de opdrachtgever en diens echtgenote weer. Het bevat 2 x 16 kwartierwapens, die reiken tot in de 15de eeuw.

Naast deze zeer productieve en begaafde kunstenaars zijn er meer wapenknipsels bekend uit de 18de eeuw; die vertonen geen  overeenkomst met andere stukken en de makers zijn onbekend. Te noemen zijn de twee knipsels voor het Amsterdamse bruidspaar May‑van Schermbeek (1779) en dat van hun zoontje (1781), gemaakt uit opgewerkt papier, door een zeer vaardig kunstenaar.

Van een minder begaafde, maar zeer productieve knipper zijn twee stukken bewaard: één voor het Westfriese bruidspaar jonkheer Jan Lodewijk van Teijlingen en Maria van Foreest (1752) met in het centrum de wapens van de Zeven Provinciën; het andere is voor een (Maria?) van Foreest, via veel bloemen en ranken en een grote hoorn van overvloed gecombineerd met het wapen van Oranje Nassau.

Politieke knipsels geven ook regelmatig de wapens van de stadhouderlijke familie en de Provinciën.

Geleidelijk aan raakte het gebruik en goede sier maken met familiewapens uit de mode, tot eindelijk in navolging van de Franse Revolutie ook in de Republiek de publieke opinie een grondige afkeer kreeg van de adel en de regenten, en wapens op grafzerken in kerken werden weggehakt. Gewone burgers waren intussen begonnen om knipsels te maken voor feestelijke gebeurtenissen en in plaats van familiewapens werden de namen en de beroepsattributen meer of minder kunstzinnig weergegeven.

Joke en Jan Peter Verhave

Zie ook het in kleur afgebeelde snijwerk van F.H. in Knip-Pers 2003-1 (aangekocht door Museum het Valkhof, Nijmegen).

Zomaar geknipt, Knip-Pers 2003-3

De Duitse en Zwitserse knipsels zijn overwegend uit zwart papier zijn gemaakt. De PooIse uit alle kleuren sitspapier, ook op elkaar. De Mexicaanse en Chinese knipsels uit heel dun vloeipapier. Het papier waaruit geknipt werd (en wordt) in Nederland kan van alles zijn. Oude knipsels bevatten soms een gedeelte van een tekst van een brief of een rekening; dunner of dikker wit papier werd gebruikt. De knipsels die opgebold werden, zijn meestal van een goede kwaliteit geschept lompenpapier. Soms is ook perkament gebruikt. Dan is het duidelijk geen knipsel maar een snijdsel, het materiaal werd opgespannen en gesneden. Het dierlijk materiaal is elastisch en glipt onder de schaar weg.
In Indonesië is leer gebruikt om de onderdelen van het Wajangspel uit te beelden. Waarmee we maar willen zeggen: Zie knippen / snijden in een breed perspectief zowel wat materiaal betreft als ‘kunst’-gehalte van het resultaat. Waar het, wat ons betreft, het meest omgaat, is: Het ‘doe’-plezier van de maker.

Jan Visscher uit Urk gebruikte ook alle kleuren sitspapier. Recentelijk kregen we een knalrood knipsel te zien met de tekst

afb. 1, Jan de Prentenknipper

De Derde
Die niet te grond wil gaan
Dient hand aan t werk te slaan
Daar lachen zy
Woont weenen bij

Dat gold vast ook voor Jan toen hij niet meer varen kon!

Een oproep in een tijdschrift naar oude knipsels in privé-bezit heeft ons informatie over knipseltjes opgeleverd die niet uit ‘gewoon papier’ gemaakt zijn.

Drie speelkaarten die verknipt zijn tot tafereeltjes. Speelkaarten zijn van stevig papier! Uit een klaver 2, ruiten 7 en 8, zijn een clowntje dat balanceert op een evenwichtsbalk, en tweemaal een mannetje met een hondje geknipt. De gleuven aan de basis van de knipseltjes doen vermoeden dat ze rechtop neer gezet konden worden, zodat je er een verhaaltje mee kon maken

afb 2, Berghuis, uit speelkaarten

afb 3, Berghuis, uit speelkaarten

Zo zijn er ook kleine theatertjes van papier gemaakt en coptografische voorstellingen gegeven. Misschien kunnen deskundigen aan de hand van de motieven op de achterkant van de kaarten achterhalen uit welke tijd ze komen.

Uit een speelkaart klaver 3 is een deftig huis, met stal en een watermolen gesneden. De raampjes en de deuren zijn opengevouwen

afb. 4, anoniem, uit speelkaarten

 

afb 5, anoniem, 1790, uit speelkaarten

Een harten 3 laat de naam van Gerrit Saks zien, vermoedelijk afkomstig uit Marken met het jaartal 1790 (afb. 5). Hiermee zouden we in de archieven kunnen pluizen om dit te bevestigen.

Verder kennen we een ansichtkaart van de kraamafdeling van het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam uit 1912. Deze is tot een prachtige boom verknipt. Een kraamvrouw die zich verveelde??

 

 

 

 

Een andere reactie kwam van een echtpaar uit Spakenburg. In zijn moeders familie is Jogchem Jacobus Riemens geboren op 12 april 1888 in Zaamslag, Zeeuws Vlaanderen. De jongen altijd zwak en ziekelijk, leed aan TBC en is hieraan ook op 25‑jarige leeftijd overleden. Zijn werkzaamheden op de boerderij waren daarom licht werk zoals paard- en wagenmennen en op de ploeg zitten. Daarnaast vermaakte hij zich kennelijk met papierknippen. Zijn schaar zal grof geweest zijn, want de meeste knipseltjes zijn uit vrij stevig papier gemaakt, een soort pakpapier en een oude rekening.

afb. 6, Jogchem Jacobus Riemens

Van de 28 overgeleverde knipsels zijn er 9 eenvoudig, vrij grof lofwerk (afb. 6), er zijn een aantal hekken (afb. 7).

afb. 7, Jogchem Jacobus Riemens

Ook heeft hij een eenvoudige toren geknipt (afb. 8). We hebben deze vergeleken met oude ansichtkaarten van het dorp Zaamslag. De overeenkomst met de kerk is duidelijk (afb. 9). Deze kerk is echter in 1897 afgebroken, daarom moet hij dit knipseltje gemaakt hebben rond zijn 10de jaar.

afb, 8, Jogchem Jacobus Riemens

afb 9, Jogchem Jacobus Riemens

Andere, zoals de boerenwagen/paarden/koe heeft hij waarschijnlijk later gemaakt (afb. 10, 11).

De knipsels zijn nu in handen van familieleden van Jogchem Jacobus, die duidelijk belangstelling hebben voor hun Zeeuws-Vlaamse afkomst. Zo wordt ook het meest eenvoudige knipwerk tot een verhaal dat waard is om doorverteld te worden.

afb. 10, Jogchem Jacobus Riemens

Deze voorbeelden brengen ons op de volgende gedachten: Er is van meer knippers bekend dat zij in een periode van ziek zijn of andere beperkingen, de tijd hebben laten passeren door zich met knippen bezig te (gaan) houden. Zoals mevrouw Kerp‑Schlesinger en mevrouw de Jong‑Brouwer.

afb. 11, Jogchem Jacobus Riemens

Een dame antwoordde op onze oproep in het tijdschrift naar oude knipsels, dat zij geen oud knipwerk had of kende, maar dat knippen het enige is dat zij een klein poosje van de dag nog kan doen!! En zij was zo vriendelijk om wat werk op te sturen.

Ook binnen de vereniging zie ik dat allerlei soorten papier worden gebruikt. Zoals door een naaister een mooi lapje zuinig wordt bewaard, door een borduurster mooi garen, zo bewaren knippers alle mooie papiertjes. Je weet maar nooit wat voor moois je ermee kunt maken.

Joke en Jan Peter Verhave

Simson geknipt, Knip-Pers 2002-4

Kent u het verhaal van Simson, die macho Israeliet die de opdringerige Palestijnen wel eens een lesje zou leren? Het staat in de Bijbel, in het boek Rechters of Richteren. Hoe ging het ook weer?
De angst voor de Palestijnse soldaten zat er goed in; iemand moest Israel toch redden? Hij zou het doen, want hij had een roeping en als teken daarvan moest hij zijn haar laten groeien. ’t Mocht niet geknipt worden. Sterk als een leeuw was hij. Simson irriteerde vriend en vijand door met een Palestijnse te trouwen en ging met de bruiloftsgasten een weddenschap aan met een onoplosbaar raadsel.

afb. 1, anoniem, 1787, 58 x 54 cm

De Palestijnen draaiden hem een loer met zijn bruid. En Simson ging in zijn eentje de strijd aan. Hij ving 300 vossen, bond ze twee aan twee met de staarten aan elkaar, en zette een brandende fakkel in de knoop. Zo stuurde hij ze de rijpe graanvelden van de Palestijnen in. Hij sloeg met een ezelskaak 1000 Palestijnen dood en lichtte de stadspoorten van Gaza uit hun hengsels en sjouwde die een berg op. De Palestijnen werden die guerilla moe en zetten een Mata Hari in. Deze Delila moest hem het geheim van zijn kracht ontfutselen. Steeds, als hij haar een tipje van de sluier oplichtte, riep ze “Simson, daar heb je de Palestijnen!”. Maar steeds was hij sterker. Totdat hij zwichtte voor haar verleidingen en bekende dat zijn kracht weg zou zijn als zijn lange haar afgeknipt zou worden. Ze knipte, terwijI hij sliep zijn haar af en ja, toen was het met hem gedaan. Hij werd gevangen en ze staken hem de ogen uit.
In de tempel van de Palestijnse god Dagon werd hij tussen twee pilaren tentoongesteld om bespot te worden. De tempel was barstens vol mensen in overwinningsroes en nog eens 3000 op het dak. Toen toonde Simson berouw over zijn ontrouw en hij kreeg nog een keer zijn oude kracht terug. Hij trok de beide pilaren om en de tempel stortte ineen…

Een verhaal waarin we de huidige situatie van bloedige aanvallen en wraakacties heel goed herkennen. Simson was niet zo’n lieverdje, maar het verhaal draait om het breken van de afspraak, het berouw en het herkrijgen van inspiratie.

De episoden uit het verhaal van Simson zijn talloze malen terug te vinden in gevelstenen, koekplanken, tot aan bandenplak en shag toe!

afb, 2, anoniem, detail

Ook knippers hebben zich aangesproken gevoeld. We willen hier een groot knipsel voorstellen, dat gemaakt is in Middelburg, voor een Monsieur Jan Jacob Simson in 1787. Het is groot (58 x 54 cm), ingekleurd en het bevat alle taferelen uit het leven van zijn bijbelse naamgenoot Simson. De knipper is geen groot kunstenaar geweest: de figuren zijn wat onbeholpen van vorm, maar het geheel geeft een levendige en evenwichtige indruk. In het midden is onder de feestelijke kroon een zoetsappig gedicht geschreven voor de protestantse jongeman Simson, die het kroonjaar 30 heeft bereikt. De vrind J.M.B.W. wenst hem Gods zegen, een bruid en kinderen toe, en nog veel meer.

“Zegenwensch
opgedragen aan
Monsr. Joh. Jacob Simon
Tredende
In Zijn 31ste Jaar,
den 12 van Junij
ANNO 1787″.

afb. 3, anoniem, detail

Tussen haakjes, de vorige eigenaar had grote moeite met het woord Tredende, dat zij las als een achternaam en uitsprak als Tredènde. Maar uit het gedicht blijkt heel duidelijk dat Simson de achternaam was en “Nu, wijI gij zijt getreden in ’t derde kroon-jaar…” Onze J.J. Simson moet het knipsel dus op zijn 30e verjaardag gekregen hebben.

Of zijn “vrind” ook de knipper was, weten we niet en in het Middelburgse archief, dat in de oorlog verbrand is, valt ook niet veel te ontdekken. Toch vonden we een Jacob Simson te Middelburg, die in 1796 een huis bezat en daarvoor belasting betaalde. In 1797 was hij van beroep “garbuleur” (??)* [kruydlezer] en 43 jaar oud. Dat brengt ons op een geboortejaar 1754. Ten slotte woonde hij in 1812 nog steeds in Middelburg, maar dan zonder beroep. Als geboortedatum staat vermeld 12 juli 1757. Dat lijkt erg veel op de datum van het knipsel en het zou dus als geboortejaar 1757 geven. We nemen maar aan dat deze bronnen niet zo nauwkeurig zijn als de doop-, trouw- en begraafboeken die helaas niet meer bestaan…

afb 4, anoniem, ca 1700, 11,5 x 8 cm

Van heel andere orde is een klein snijwerkje van omstreeks 1700, dat tweemaal Simson voorstelt, die de stadspoorten wegdraagt. Daartussen twee vosjes, waarmee hij de korenvelden in brand gezet had. De onbekende maker heeft het uitgesneden zonder het papier dubbel te vouwen (schijnsymmetrie) en met veel prikwerk de figuurtjes verlevendigd.

afb 5, anoniem, bijbellegger, 1825, 8 x 5 cm

En ten slotte beelden we twee bijbelleggertjes af uit 1825 en 1826, met verhalen van Semson: de vossen en de deuren (8 x 5 cm). De bezitter van deze eenvoudige knipseltjes werd er steeds aan herinnerd wat het verhaal betekende: je kunt wel sterk en slim zijn, maar als je alleen maar op eigen kracht vertrouwt, dan delf je het onderspit.

afb 6, anoniem, bijbellegger, 1826, 8 x 5 cm

Verhalen zijn er om doorverteld te worden. Maar in plaats van vertellen kunnen we ze ook uitbeelden. Een kennis van ons doet dat door het uitsnijden van been. Prachtige series bijbelfiguren in miniatuurtjes maakt hij, die je dwingen om het verhaal zelf nog eens goed te lezen en erover na te denken. We raden u aan om het ook eens te proberen met schaar en papier, en wat leent zich in deze wintertijd beter dan de verhalen van de Kerstgeschiedenis.

Veel inspiratie gewenst!

Joke en Jan Peter Verhave

afb 7, anoniem, bijbellegger, 8 x 5 cm