Auteursarchief: admin

Erfgoed behoed: pluizen, knippen, tegelen, Knip-Pers 2013-2

Afb. 1. Jan in zijn jonge jaren

Niet ver van Westerbork woont een echtpaar met een lange knipgeschiedenis. Het zijn Jan en Henny Pluis in Noord Sleen. Nooit van gehoord? Dat kan kloppen, want Jan heeft de schaar al jaren geleden aan de wilgen gehangen. In ons streven om de geschiedenis te beschrijven, zijn we bij hen op bezoek geweest (in de aanloop naar de lustrum festiviteiten). Jan (nu 76 jaar) heeft andere ambities ontwikkeld, die in plaats kwamen van het papierknippen.

Boven de kamerdeur hangt een negentiende-eeuwse kooi met een lachduif, die de binnenkomers koerend begroet. Jan heeft de geschiedenis van zulke duiven en hun behuizing bestudeerd. Maar belangijker is zijn interesse voor oudhollandse tegels: gekleurde, blauwe, paarse tableaus  met afbeeldingen zoals onze voorouders die op prijs stelden.  Tegels met  schepen, kinderspelen, ruiters, vogels, ambachten, bloemen en episoden uit de Bijbel en de antieke mythologie. Ze hebben zoveel kennis verzameld en gedocumenteerd, dat Jan de internationale deskundige is op dit gebied. Hij heeft een enorme fotocollectie opgebouwd en een reeks van dikke boeken over tegels op zijn naam staan. Hij is adviseur van het Nederlands Tegelmuseum in Otterlo, maar ook wordt zijn hulp ingeroepen bij restauraties van deftige huizen en kastelen, tot in Polen toe. Want zover reikte het afzetgebied van de Nederlandse tegelfabrieken in de achttiende eeuw. Het is zijn levenswerk en Jan kreeg er een paar jaar geleden een hoge Koninklijke onderscheiding voor. En nu zijn ze samen al weer druk met het nazien van de drukproeven voor een nieuw boek, over Nederlandse tegels in kleur. Jan en Henny zijn behoeders en bestudeerders van historisch erfgoed! Heel herkenbaar voor ons, om als echtpaar met één passie bezig te zijn en de geschiedenis en de betekenis van oude kunstnijverheid te beschrijven. Jan werpt meteen tegen, dat de fabricage eigenlijk geen kunstnijverheid was, maar massaproductie. In ieder geval zijn versierde wanden of schouwen vol tegels in oude boerderijen en deftige huizen een belangrijke culturele erfenis en zijn losse tegels een gewild verzamelobject.

Afb. 2. Groninger boer

Maar we kwamen natuurlijk niet voor de tegels of de lachduif. Want we wisten dat Jan begonnen was als papierknipper, in Stadskanaal. Zijn vader knipte beesten als speelgoed voor de kinderen, en eenmaal student op de Kweekschool knipte Jan om er wat bij te verdienen. Halverwege de vorige eeuw heeft Jan als onderwijzer ook met kinderen geknipt en later als leraar op een technische school gaf hij les in creatieve vakken.

Afb. 3. Negertje

 

 

 

 

 

 

 

Zelf maakte hij grappige dansertjes, boerentafereeltjes en bloemen op kaarten, die op beurzen en in de kunsthandel verkocht werden, maar ook huwelijksknipsels voor kennissen, en niet te vergeten, voor zijn eigen verloofde en voor hun huwelijk.

Afb. 4. Voor Henny

Afb. 5. Huwelijksknipsel

Jan kwam wel in contact met andere knippers, zoals Hil Bottema, Irma Kerp, Greta Zijl en Wiecher Lever, maar hij ging toch zijn eigen weg. Hij publiceerde een artikel over het maken van klokkenkleedjes, zoals dat in de streek ten zuiden van de stad Groningen werd beoefend. Over die tijd liet hij ons plakboeken zien, met voorbeelden van zijn eigen werk, foto’s van antieke knipsels die hij in ’t noorden tegenkwam, en veel artikelen over knippen in kranten en tijdschriften.

Maar op een gegeven moment vond hij oude aardewerk fragmenten op het terrein waar de Hunze Centrale zou komen.  Via bezoeken aan het Groninger Museum, de aardewerkfabrieken in Makkum en Harlingen, maar ook Noord-Duitsland en Denemarken groeide zijn interesse voor de tegels en het knippen werd minder.

Afb. 6a Henny’s nieuwjaarswensen

Afb 6b. Henny’s nieuwjaarswensen

Afb. 7. Het echtpaar Pluis

En toen dacht Henny, wat Jan kan, kan ik ook. Zij heeft het schaartje van Jan overgenomen, bescheiden en zonder veel publiciteit. Ze heeft alleen maar een paar hulplijntjes nodig en knipt heel evenwichtig. Natuurlijk elk jaar een mooie kerstkaart. En ze doet het nog steeds! Ze vindt het een heerlijk, rustgevende bezigheid.

Wij wensen Henny en Jan nog jaren van gezondheid en toewijding; met genoegen laten we een paar voorbeelden van hun beider werk zien.

Joke en Jan Peter Verhave

Kunstkamers en knipkabinetten, Knip-Pers 2010-4

Mensen verzamelen wat af. Kunst die men mooi vindt (en kan betalen), veel van één soort (postzegels, vingerhoeden, heiligenbeeldjes, eerste drukken van bekende schrijvers). Dat was in de oude tijd al niet anders. Met de activiteiten van de VOC kwam men in aanraking met vreemde vormen uit de natuur: schelpen, vlinders en andere exotische dieren
en planten. Sommige kunstenaars gingen mee op reis: Maria Sibylla Merian schilderde zo de flora en fauna van Suriname. Voor al dit soort ‘rariteiten’ waren er verzamelaars en zij richtten thuis een kamer of een grote kast in voor hun bijzonderheden: kunstkamers en kunstkabinetten.

Van de laatsten waren er weer die zich toelegden op een bepaald gebied en zij bewaarden hun verzamelingen in prenten- of muntenkabinetten. Naarmate zo’n liefhebberij grotere
vormen aannam werden de verzamelaars ook deskundigen op hun gebied (dat is nog steeds zo!).

En om hun moois en hun kennis te etaleren, lieten ze bezoekers toe die de laden van het kabinet konden openschuiven en vol bewondering de collectie bekeken. Voor hen lag ook een boek klaar, waarin zij hun waardering tot uitdrukking mochten brengen.

Eén van die verzamelaars was de Hugenoot Nicolaas Chevalier in Utrecht. Hij leefde van 1661-1720 en was boekhandelaar, uitgever van een krant Journal d’Utrecht, handelaar in munten, ontwerper van gedenkpenningen en prenten, en verzamelaar van oudheden en rariteiten. In zijn ‘Chambre de Raretez’ kon men medailles, instrumenten, antieke beeldjes en vreemde insecten bewonderen. Zijn bezoekersboek wordt bewaard in de Koninklijke Bibliotheek. We kregen een tip van Maja Houtman (dochter van Suus Houtman-van der Meulen) dat er een knipsel in te vinden was.
Tot onze verrassing vonden we een klein knipwerk van de bekende knipster Johanna Koerten. Het is een spiegelmonogram met haar initialen, J.C B en twee lauwertakken, uitgevoerd in goudpapier (afbeelding 1).

afb 1

Zij en haar man Adriaan Blok hebben er een paar rijmpjes in geschreven:

Op de Konstkamer
van den Heer Nicolaas Chevalier
De Konstzaal daar uw Muntkas praald
Met zoo veel Keijzers, Vorsten, Heeren
In Vreemdigheën daar ’t oog verdwaald.
Heer Chevalier moet men waardererem
Adriaan Blok

Daloudheijds Munt en Konst is hier
In ’t Kabinet van Chevalier
Johanna Blok

Daaronder een tekening van een Romeinse munt met keizer Tiberius als beeldenaar, getekend door Johanna. Zij was geboeid door een boek van Abraham Bogaert over de Romeinse keizers, De Roomsche Monarchy en knipte ‘De Romeinse Vrijheid’ met twaalf keizersportretten in de vorm van munten (zie Geknipt!, blz. 21-22).

Johanna en Adriaan hadden in hun Amsterdamse huis zelf ook een kunstkamer ingericht met haar knipkunst en veel vooraanstaande Nederlanders en buitenlandse vorsten bezochten haar en schreven in haar bezoekersboek. Een van hen was Russische tsaar Peter, die zijn handtekening in het boek achterliet (afbeelding 2).

afb 2

Johanna maakte een portret van hem in een techniek waarbij ze de lijntjes van de tekening en de letters uitsneed. Met een kaars erachter kwam het kunstwerk goed tot zijn recht. ‘De Romeinse Vrijheid’ is ook in deze techniek uitgevoerd.
Van haar knipwerk zelf is niet zo veel overgebleven. Ze moet een grote verscheidenheid aan portretten en andere onderwerpen hebben geknipt. Het nu ontdekte monogram is maar een kleinigheidje, een vluggertje, zoals we dat allemaal wel eens maken om iemand anders een plezier te doen met iets eigens.

Het bezoekersboek van Joanna staat vol met lofdichten op de ‘Schaar-Minerve’, gedichten en spreuken, kunstig gekalligrafeerd. Uit de vele gedichten kiezen we er één, die van de stadssecretaris van Amsterdam, Joan Blaauw:

Toen ik de gunst had van uw kunstzaal te beschouwen
Dacht ik, wat brein zal it uw wonderschaar ontvouwen
En toonen wat uw geest en juistgevormde hant,
In kracht vermag, bestierd door oordeel en verstant,
Om zelf Natuur op ’t schoonste in al haar deftigheden
Zo stipt te volgen, dat aan d’allerminste leden,
En trekken van ’t gelaat niets mangelt in ’t papier
Waar alles voorkomt met een “ongemeenen zwier
Wie kan, Joanne, uw’geest naar eisch en waarde looven?
Uw schaarkunst gaat den roem van anderen te boven.

afb 3.

Haar ‘Overheerlyk Konstkabinet van papieren Snykonst’ en het ‘Stamboek’ werden door Adriaan onderhouden tot lang na haar dood in 1715. Hij gaf allerlei kunstenaars opdrachten om met tekeningen en gravures haar nagedachtenis in ere te houden (afbeelding 3). Bijna 150 gedichten op haar kunst zijn twintig jaar na haar dood uitgegeven als Lofdichten.
Het Stamboek is na de dood van Blok’s tweede echtgenote geveild en de delen en bladen zijn verspreid geraakt. In de loop der tijd is toch weer veel daarvan teruggevonden in allerlei verzamelingen, onder anderen in het Teyler’s Museum te Haarlem. Zou het niet een goed idee zijn om in 2015, driehonderd jaar na Johanna’s dood, een overzicht van haar werk en van alle loftuitingen door dat museum te laten verzorgen? We zullen een balletje opgooien.

Intussen staat onze eigen kunstkamer van oud Nederlands knipwerk ook open voor bezoek, en ons boek Geknipt! is tijdelijk in de boekhandel te koop voor slechts € 12,50…
De afmetingen van het spiegelmonogram (afbeelding 1) zijn onbekend.

Joke en Jan Peter Verhave

Röemelé, schaarkunstenaar, Knip-Pers 2009-2

Onlangs kwamen we in het bezit van een knipwerk met twee mannen en een paard, zonder naam en aanduiding van plaats en tijd. Kennelijk vond een journaliste het zo aardig dat ze er voor de veiling een artikeltje aan wijdde [1]. We kregen die pagina van verschillende knipliefhebsters toegestuurd. Het knipsel had altijd gehangen in café-bakkerij Jacob Nijenhuis uit Gees.

We herkenden de maker als W.P.A. Röemelé, die in Peize overleed in 1833. We hebben onze aanwinst meteen uit de lijst gehaald, want het blauwe achtergrondpapier was verdacht verkleurd en de lijst had houtworm. Wat bleek, het knipsel was al eens eerder opengemaakt en toen verstevigd met het deksel van een kartonnen doos KING pepermunt. Dat soort karton uit de vijftiger jaren is natuurlijk niet zuurvrij en dus ongeschikt als achtergrond voor papier. Het knipsel zelf was vochtig geweest en beschimmeld. Alles is nu weer schoon en voorzien van zuurvrij achtergrondkarton.

afb. 1, 16 x 20,5 cm

afb. 2

Het was meteen voor ons een aanleiding om nog wat meer over deze knipper te weten te komen [2]. Tot onze verrassing blijkt uit de documentatie van het Nederlands Openluchtmuseum dat er in het café in Gees nog een tweede knipsel heeft gehangen, ook met mannen en een paard, dat nu in het Drents Museum te Assen wordt bewaard! Twee pendanten dus (afb. 2).
Museum ‘Het Hoogeland’ te Warffum heeft een groter knipsel, dit keer met naam: W.P.A. Röemelé. Het stelt ook een paardenkeuring voor; de knipper zal de paardenmarkt van Zuidlaren goed gekend hebben. Bij nader inzien blijkt dat ons knipsel vrijwel identiek is aan de linkerkant van het Warffumse stuk en de tegenhanger uit Gees/Assen gelijk aan de rechterkant!
Dit knipwerk (afb. 3) was eerder in bezit van F.H. Jansenius de Vries († 1960), bewoner van de villa Welgelegen in Warffum, die voor het maatschappelijk leven in die plaats veel heeft betekend.

afb 3, 27,5 x 39,5 cm

Wie was deze knipkunstenaar?

Willem Philip August Röemelé is in Den Haag geboren op 20 maart 1791 (en niet in Paterswolde, zoals we eerder schreven, en dus al helemaal niet in Zeeland, zoals in het krantenstukje staat). Zijn grootvader kwam uit Duitsland en de familie was Luthers. De naam is door diens nakomelingen op allerlei manieren gespeld. Willem trouwde met Antoinette Snijders (1788 Leiden – 1825 Norg) en het echtpaar kreeg vier kinderen, waarvan de eerste twee in Den Haag werden geboren. Waarom het echtpaar van het westen naar noord-Drenthe (vermoedelijk Paterswolde, toen gem. Eelde) verhuisde, is vooralsnog niet duidelijk.
Nadat Antoinette was overleden, trouwde hij in datzelfde jaar opnieuw, met Alagonda Christina Ahlburg in Vries; maar zij scheidden in 1832. Het zat hem niet mee! Van de levensstijl van zijn dochter moet hij ook verdriet gehad hebben: zij kreeg in 1830 van een onbekende Hagenaar (volgens het archief) een buitenechtelijk kind, dat na een jaar overleed; opnieuw kreeg ze een kind, dit keer van Haagse jonkheer (nu met naam en toenaam; dezelfde man?), in maart 1833.

Kort daarna, op 15 juli overleed Willem (wellicht door alle familieverdriet), zonder beroep, en de dochter trouwde toch maar met haar jonkheer. Röemelé presenteerde zichzelf als kunstknipper en silhouetteur of silhouetteerder, onder andere in advertenties in dagbladen. Hij heeft een redelijk grote productie gehad, maar of hij alleen van zijn kunst kon leven, is ons niet bekend. Hij maakte voor het Amsterdamse echtpaar Benjamin Donker Curtius en Christophora
Josina van Harn een groot knipsel ter gelegenheid van hun twintigste huwelijksfeest in 1829. Daarin staan de silhouetten van het echtpaar en elf kinderen, terwijl de (hoogdravende) tekst met fraai geknipte letters is uitgewerkt. Benjamin Donker Curtius was inspecteur-generaal van de Dienst de Posterijen in Den Haag en directeur van het Postkantoor in Amsterdam.
Röemelé maakte het in opdracht van het personeel van het Postkantoor en hij zal om al die profielen te knippen wel naar Amsterdam zijn gereisd. Kennelijk wist men hem ver weg in het hoge noorden te vinden en dat getuigt van enige bekendheid. Het is niet verwonderlijk dat dit stuk (100 x 80 cm) nu wordt bewaard in het Haagse Museum voor Communicatie [3].

Een eenvoudiger knipwerk maakte Röemelé voor een bruidspaar Dirk Tjeerds Visser en Tanneke van der Gouwe, getrouwd 18 januari 1805 te Nieuwendam. Dirk was zeekapitein en afkomstig van Hollum (Ameland). Hun zoon Job werd herbergier in herberg ‘De Zwaan’ te Hollum en daar heeft het knipsel gehangen, tot het in 1990 door achterkleinkinderen geschonken werd aan het Sorgdragermuseum op Ameland (geen afbeelding, 31 x 38 cm).

Ook het Openluchtmuseum bezit een knipsel met paarden van Roemele, een gezin, waarvan de man en de zoon (?) aan ’t vissen zijn voor hun huis; drie paarden vlakbij in de wei. Het is gemerkt ‘Met de Schaar door Röemelé 1830’ (afb. 4).

afb. 4, wit op blauw papier, 22,4 x 32,8 cm

van ‘W.A. Rummelé’ uit 1827, met paarden en koeien in een wei met bomen. Rondom de afbeelding zijn weelderige bladertakken met bloemen en vogels verwerkt en bovenin een cartouche met ‘Schaar Kunst’ in fraai versierde letters (52 x 64 cm). Een ander knipwerk van dezelfde maker is een geschenk van de Doetinchemse familie Vinkenborg aan het Stadsmuseum in die plaats. Het stelt een herder voor met koeien en schapen onder een boom, in een ovaal. In de hoeken versieringen met eikentakken (afb. 5). Het was danig beschadigd en is vakkundig gerestaureerd [4]. Hoe dit knipsel in de familie is gekomen weten we niet.

afb 5,wit op textiel, 63 x 50,5 cm

afb. 6, met als voorbeeld een gravure door M. de Sallieth, Roëmelé, 34 x 42 cm, 1832, Fries Museum Leeuwarden

En tenslotte is er een aantal zee- en kustgezichten, een ‘Gezigt op de Kust van Friesland’ (afb. 6) en twee stukken die Röemelé opdroeg “Uit byzondere hoogachting aan de Weled.e Gest. Heer J.A. Franse.” Wie die heer is, hebben we nog niet kunnen ontdekken; mogelijk kwam hij uit Zeeland. Beide zijn gesigneerd en gedateerd 1832, het ene, eenzelfde afbeelding van de Friese kunst en het andere een ‘Gezigt op Walcheren’ (beide 45 x 51,5 cm, op blauwe zijde en blauw papier en gedeeltelijk ingekleurd, zie Schaar-Kunst, pag. 65, 66, 67). Bovenin cartouches met zeewezens en de teksten ‘Met de Schaar’ en ‘SchaarKunst’. Deze twee fraaie stukken werden bewaard in het Nederlands Openluchtuseum, maar zijn nu terug bij de eigenaar, het Legermuseum te Delft.

Willem Röemelé was een vakman, kunstenaar en waarschijnlijk ook broodknipper, die vooral in de laatste jaren van zijn leven veel knipwerk gemaakt heeft. Hij gaf de mensen en de dieren heel natuurlijk weer en aan de kleding van zijn figuren is de Biedermeiertijd te herkennen (steken en hoge hoeden). De voorbeelden van zijn “zeeën” stammen uit het eind van de achttiende eeuw en geven dus niet het type schepen uit 1830 weer.

De knipper maakte diepte in zijn figuren, door het papier nat te maken en te laten drogen op een ongelijke ondergrond. Hij leefde zich verder uit in zijn randversieringen, die wat stijl betreft ook een herkenningspunt zijn. Ongetwijfeld zal er nog wel meer knipwerk van hem opduiken, met name in de provincies Groningen en Drenthe.

Joke en Jan Peter Verhave

[1] Janine Hoekstein, Papierknipkunst eeuwen oud. Dagblad van het Noorden, 24 januari 2009.
[2] J & JP Verhave, Geknipt! Walburg Pers Zutphen 2008, pag. 192, afb. 40.
[3] Henk van Ark, Over de papierknippers Cockart en Roemele. Nieuwsbrief Ned. Museum Knipkunst en Stichting W.Tj. Lever 2002, 1.
[4] A.K. Kisman, Van oud naar nieuw, het ‘Gelders erfgoed’ verrijkt. Gelders Erfgoed 1992, 16-18.

Schaarse winters, Knip-Pers 2008-4

Het lijkt of echte winters in Nederland niet meer mogelijk zijn. We kijken met nostalgie naar tv-programma’s over de Elfstedentochten van jaren her, of naar grappige filmpjes van voor de oorlog of kort daarna. Onze kinderen leren niet meer schaatsen achter een stoel en een koek-en-zopie tent is een ouderwets begrip. Zwieren op rondrijders of met een heel stel schaatsers aan een lange stok is uit de tijd; het is hoge noren wat de klok slaat, rechttoe rechtaan en zo snel mogelijk.

afb 1. Anoniem, 18de eeuw, afmetingen onbekend

Hoe het er vroeger aan toe ging op het ijs, kunnen we zien op oude schilderijen. Een schilder die zich in wintergezichten specialiseerde was Hendrick Avercamp, begin zeventiende eeuw. Net als voor schilders is ijspret ook een geliefd onderwerp om met de schaar of het mes uit te beelden. Knipsels over dit onderwerp beginnen wat later, maar ook daar zien we wat er zoal kwam kijken op het ijs.
Op verschillende van deze werkstukken zijn kinderen met priksleetjes in de weer en grote mensen achter duwsleden of op/in bespannen arrensleden. Die krijgen we in ’t echt nog maar heel zelden te zien. Een eenvoudig knipsel uit de achttiende eeuw laat een prikslee en diverse sleden zien (afb. 1).

Pieter Reijnders maakte een wintergezicht omstreeks 1800 in zijn karakteristieke reliëftechniek (afb. 2).

afb 2. Pieter Reynders, ± 1800, 29 x 24 cm

We zien links een koek-en-zopie tent waar je warme chocolademelk kon drinken. Een paar is aan ’t zwieren en kinderen binden hun schaatsen om of glijden uit. Een vader op de schaats duwt zijn kind in een sleetje en rechts komt een deftige heer op een bespannen arrenslee het beeld binnenglijden.

In dezelfde techniek, maar door een ander gemaakt is een ijsgezicht uit omstreeks 1820 (Geknipt! afbeelding 167). Een plat ‘ijspretje’ uit Purmerend (afb. 3), met koek-en-zopie tent in ’t midden, stamt uit diezelfde tijd (in de vlag is een W geprikt).

afb 3. Anomiem, 1818, 6.5 x 10.5 cm. ‘Op het ijs te Purmerend’, in de vlag een W

De meeste arren staan in musea te verlangen naar een koude winter. Ze hebben beslagen glijders die in een boog omhoog naar elkaar toelopen. De boog is meestal bekroond met een versiering (Geknipt! afbeelding 225). De beschilderde bak geeft plaats aan één of meer passagiers en de koetsier zit of staat achterop. Dit type heet ook wel een arrentikker. Soms werden traditionele harddraverijen met arren georganiseerd of men maakte lange pleziertochten over de bevroren vaarten en meren. De paarden stonden ‘op scherp’ en waren fraai opgetuigd met pluimen en rinkelbellen. Denk maar aan het liedje ‘Jingle bells’ over een ritje op een slee met een paard ervoor.

Een heel bijzonder ijsvermaak is geknipt door Neeltje Prijs uit Purmerend. Het stelt een feestelijk versierde Amsterdamse gracht voor, waarop honderden schaatsers rondzwieren en een optocht van arrensleden met paarden langs komt (helaas is de kwaliteit van de oude prent niet geschikt voor afbeelding). Het was een groot stuk van 2 m x 21 cm. Dit ongetwijfeld kleurrijke stuk kennen we alleen van een afbeelding uit het geïllustreerde tijdschrift De Prins van 1911, uiteraard in zwart-wit. De eigenaar, S.E. Hamburger, had het uitgeleend voor een internationale tentoonstelling van ijssport in Dresden, maar of het van daar ooit weer in ons land is teruggekeerd weten we niet. Neeltje Prijs maakte ook nog een wintergezicht langs de Beemster Beurs te Purmerend in 1851 (afb. 4, detail). Dit stuk meet 121 x 88 cm. We zien een gracht met ophaalbrug en op ’t ijs veel schaatsers en arrensleden, een opengehakt wak (voor water in de huishoudens) en een ingevroren trekschuit.

afb 4. Neeltje Prijs, 1921, Detail uit ‘Winter gezigt langs de Beemster Beurs, 79 x 111,5 cm (gehele knipsel)

Ene J.J.V. heeft in aparte knipsels de vier jaargetijden geknipt, waarvan het ijsprettafereel te vinden is in Geknipt! (afbeelding 249). De verschillende soorten ijspret kunt u intussen wel herkennen.

En dan is er nog dat strenge winterseizoen geweest van 1929, toen de Zuiderzee lag dichtgevroren. Jan Visscher van Urk knipte toen ‘Dit is de Winterzaksoen van 1929’ met auto’s, (rokende) schaatsers, fietsers (vliegende hollanders?) en sleeën op het ijs. Het is grappig om te zien hoe Jantje op zijn eenvoudige manier vorm gaf aan al die middelen van vervoer (Geknipt! afbeelding 53).

Vaak werden alle vier jaargetijden afgebeeld, in één knipsel gecombineerd. Ook daarvan zijn voorbeelden te vinden in Geknipt! (afbeelding 132 uit de zeventiende eeuw; afbeelding 133 door Hendrik Vockestaert uit1809 en afbeelding 134 uit 1846). Jan de Prentenknipper beeldde het levensverhaal van een Bevelander boer uit (afb. 5).

afb 5. Jan de Prentenknipper, afmetingen onbekend

Onderaan is een ijstafereel, dat overigens met het verhaal geen verband heeft. Een bladvulling noem je zoiets. Van arren hebben we niet veel verstand en over het verschil tussen arren en andere sleden uit Friesland en Zeeland moet een deskundige zich maar eens uitspreken. Tenslotte is daar het aardige verhaal over prins Cosimo de’Medici uit Florence, die in de winter van 1667-1668 de Republiek der Verenigde Nederlanden bezocht. Hij was geïnteresseerd in kunsten en wetenschappen. Hij logeerde in Amsterdam bij een Italiaanse koopman op de Keizersgracht die helemaal dichtgevroren was. Er werd toen een jongeman aan de prins voorgesteld die heel goed kon knippen.

Johannes van Achelom demonstreerde zijn kunst en toen bleek dat hij ook kon schaatsen, moest hij dat ook maar eens laten zien. Nog interessanter vond prins Cosimo van Toscane, die in Amsterdam op bezoek was, het feit dat er ook een vrouw aan ’t schaatsen was!
De prins verbaasde zich zowel over de schaarkunst als over de schaatskunst van Johannes. Dat leidde ertoe dat ‘Giovanni’ mee mocht naar Florence. Hij werd kamerheer van Cosimo, die zijn vader opvolgde als Groothertog van Toscane. Van ijspret zal er daar wel niet veel meer gekomen zijn. Van schaarkunst des te meer, maar daarover een volgende keer.

Joke en Jan Peter Verhave

Knippers knippen knippers, Knip-Pers 2008-1

Bij het verzamelen van afbeeldingen voor ons boek komt er ook materiaal mee dat niet direct toepasbaar is in een boek over de geschiedenis. Stelselmatig hebben we apart gelegd de silhouetten van knippers en knipsters door een knipper geknipt.

Het maken van een profiel portret of silhouet is opgekomen in de 18e eeuw en het werd de mode van die tijd. Ze werden uit de hand of naar een schaduwbeeld geknipt of geschilderd. De Zwitserse geestelijke Lavater maakte het zelfs tot een wetenschap om aan de hand van een profiel iets te zeggen over het karakter van de afgebeelde persoon.
Ook in ons land werd de mode gevolgd, maar dat kwam mede door enkele ‘gastarbeiders’ uit Duitsland, o.a. Schmetterling en Köhler.

afb 1, door Matthias van Geuns, Betje Wolff, 11 x 7,5 cm

De eerste knipster die door een Nederlandse knipper werd geknipt was Betje Wolff (afb 1). Matthias van Geuns (die het knipsel maakte) was doopsgezind predikant en heeft meer dan 400 silhouetten geknipt van meest doopsgezinde mensen uit Makkum, Harlingen en Haarlem. Betje was weliswaar niet doopsgezind (getrouwd met de hervormde dominee Adrianus Wolff te Middenbeemster), maar haar schrijfgenote Aagje Deken was dat wel. Betje Bekker had als jong meisje in Vlissingen een knipsel gemaakt voor het zoontje van de burgemeester; voor zover we weten is het daarbij gebleven, hoewel ze in haar boeken meermalen het knippen of silhouetteren noemt.

 

In de negentiende eeuw werd men geboeid door de nieuwe techniek van de fotografie, maar in het begin van de vorige eeuw kwam het silhouetteren toch weer op. Het werd gedaan op grote manifestaties, weer door buitenlanders, zoals Leon Bourg.

Maar al snel waren er ook enkele Nederlanders die hun voorbeeld volgden en er brood in zagen. Een van hen was Klaas Bakema.

afb 2, door Kees Bakema, Bram Bosch, afmetingen onbekend

Klaas Bakema noemde zich de ‘eerste Nederlands beroeps kunst- en portretknipper’ en kon als hij ‘in trance’ was goed knippen. Hij heeft de Bram Bosch geknipt met snor en petje (afb 2), die op de schippersbeurs in Rotterdam de wachttijd doodde met knippen van allerlei grappige tafereeltjes.

 

afb 3, door Kees Bakema, Irma Kerp, 9.5 x 6.5 cm

Ook heeft Bakema het profiel van Irma Kerp geknipt (afb 3) en in 1950 dat van Lever toen die nog in Muntendam woonde (Afb 4).

afb 4, door Kees Bakema, Wiecher Lever, 7 x 6.5 cm

Bakema onderhield briefwisselingen met Line Huizenga-Onnekes, Irma Kerp en Wiecher Lever. Daarin staat veel over zijn leven en over zijn silhouetteerkunst, die hij niet wilde vergelijken met ‘echte’ kunst.

afb 5, door Wiecher Lever, Cornelis Moojen, 1952, 10 x 7,5 cm

Op zijn beurt heeft Lever in 1952 Cornelis Moojen (72 jaar oud) geknipt (afb 5) en vervolgens de zeventigjarige Evert Root (afb 6).

afb 6, door Wiecher Lever, Evert Root, 6 x 6 cm

Beide knippers hadden geregeld contact met elkaar, Lever kocht knipwerk van Root – met eeuwigdurende rechten – om aanzichtkaarten van te laten drukken en te verkopen in zijn museum. In 1975 heeft Lever onze hele familie geknipt (toen nog maar twee dochters) ter gelegenheid van het 45-jarig huwelijk van mijn ouders. (afb 7)

afb 7, Wiecher Lever, dochetr Verhave, 6 x 4 cm

afb 8, Evert Root, 20 x 30 cm, Westfries Museum

Evert Root heeft twee knipsels gemaakt, naar foto’s van Jan Visscher (Jan II). Eentje waar hij aan de haven staat, op het hoofd het traditionele Urker vissershoedje, met een rol knipwerk onder zijn arm.

 

 

 

 

 

Op het andere knipsel is hij ouder en zit hij op een stoel te knippen. Er onder heeft Root geschreven: Jan de Knipper geb: 14 januari 1885 te Urk. Overleden 4 maart 1938 aldaar. Dit knipsel bevindt zich in het Openluchtmuseum te Arnhem.

afb 9, Jan Visscher door Evert Root, 20 x 30 cm, Nederlands Openluchtmuseum

In 1982 is door Irma Kerp samen met Lies Markus in het Spant te Bussum een tentoonstelling gehouden van Nederlands knipwerk. Dit is de opmaat geworden voor het oprichten van de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst.

afb 12, door Elly Stroucken, Irma Kerp, afmetingen onbekend

afb 13, door Elly Stroucken, Lies Markus

afb 14, door Elly Stroucken, Jo van Velsen, afmetingen onbekend

Elly Stroucken heeft tijdens de opening van verschillende knippers een portret geknipt. Zoals Irma Kerp (afb 12), Lies Markus (afb 13), Jo van Velsen (afb 14) en Magda Helms (afb15).

afb 15, door Elly Stroucken, Magda Helms, afmetingen onbekend

In 1993 heeft Elly er een mooi boekje overgemaakt: Het begon zo…. Dit boekje is nog te verkrijgen op de Contactdag.

Teun Terpstra heeft twee knipsels over Lever gemaakt. Geen silhouetten, maar in de duidelijk herkenbare stijl van Terpstra zien we op een knipsel Lever met schaar aan de waterkant met vrolijke kikkers en een bootje.

afb 16, Lever door Teun Terpstra

Op het andere fietst Lever met de schaar in de aanslag .

afb. 17, Lever door Teun Terpstra

Joke en Jan Peter Verhave

Geletterd en geknipt, Knip-Pers 2007-4

Vroeger borduurden meisjes versierde gotische en Romeinse letters in hun merklappen [1] en schoolgaande kinderen leerden een regelmatig handschrift. De letters moesten met dikke, dunne lijnen en ophalen worden schoon geschreven. Dus moesten de schoolmeesters er ook wat van kunnen.

De knipper Simon Verhoeff moest in 1771 een proeve van zijn schrijfkunst overleggen
om als schoolmeester te worden aangenomen in Hilligersberg en dat zal toen voor andere schoolmeesters in het land niet anders geweest zijn.
Sommige papierknippers maakten stukken waarin een middendeel werd vrijgelaten, zodat kopers daarin een eigen verjarings- of nieuwjaarswens of een gedicht konden schrijven (afb. 1).

afb 1

Jan de Prentenknipper liet meestal een groot hartvormig stuk onbewerkt (afb. 2).

afb 2

Aan de handschriften is te zien hoe vloeiend men in de negentiende eeuw kon schrijven, maar misschien ging iemand met niet zo’n mooi handschrift wel naar de schoolmeester of de dominee om de wens er in te pennen. Al in de zeventiende eeuw had zich het schoonschrijven tot een kunstvorm ontwikkeld. Dat kwam vooral doordat verschillende schrijfmeesters uit Frankrijk en de Zuidelijke Nederlanden hun heil zochten in de Republiek. De schrijfmeester Jan van den Velde was de meest virtuoze kalligraaf in die tijd. Hij liet in 1605 de Spieghel der schrijfkonste verschijnen en oogstte internationale roem met zijn bewonderenswaardige staaltjes van kalligrafie in verschillende lettertypen [2].

Schoonschrijvers als Jacob Gadelle lieten voorbeelden van hun kunst achter in het Stamboek van Joanna Koerten en zijzelf kon heel mooi teksten uitsnijden. Zoals alle lijnen in haar portretten, werden ook de letters weggeknipt uit het papier, negatief knippen. Andere kunstenaars gebruikten de omgekeerde werkwijze, waarbij de letters en teksten in het papier of velijn achterbleven en de rest werd weggeknipt of -gesneden.
Al eerder had Anna Maria van Schurman teksten en spreuken geschreven in fraaie letters, soms versierd met knip- of snijwerk (afb. 3).

afb. 3, Anna Maria van Schurman

Johannes Gerrit Walrecht (± 1769) schilder in Groningen, maakte fraaie letterknipsels (afb. 4).

afb. 4, Johannes Gerrit Walrecht

De geknipte pennekunst liep door tot ver in de negentiende eeuw.

Op de Tiendaagse Veldtocht tegen de Belgen knipte H. de Heide een krullerige tekst: ‘Hollands Eer en Roem Gehandhaafd te Hasselt en Leuven door den Prins van Oranje & VeldMaarschalk en Opper-bevelhebber van het Nederlandsche Leger op den 8 en 12 Augustus 1831’ (afb. 5). De overdadige krullen en de opschepperige tekst moesten kennelijk het mislukken van die campagne verbloemen.

afb. 5, H. de Heide, 1831

Arie ter Gant knipte prachtige spreuken en namen van bruidsparen aanvankelijk
in een krullerig type en later in een heel evenwichtig schoonschrift. Hij heeft het schoonschrijven geleerd van zijn schoolmeester. In de randschriften verwerkte hij spreuken of wensen in een regelmatig type van blokletters. Grappig is dat hij soms niet helemaal uitkwam en voor de laatste woorden overging in schrijfschrift (afb. 6).

afb. 6, Arie Tergant

In Noord-Holland legden zich meerdere knippers toe op schrijfletters. J.K. Sanders gebruikte zelf ontworpen schrijfletters en ook rijk versierde gotische letters voor huwelijksstukken en spreuken (afb. 7).

afb. 7, J.K. Sanders

De Fries Adels knipte in 1831 ‘het Onze Vader’ met een grote variatie in lettertypen omringd met een bloemenrand (afb. 8).

afb. 8, Adels, 1831

afb 9

Een speciale manier om initialen van personen of bruidsparen weer te geven was het maken van een spiegelmonogram. De letters werden met elkaar verstrengeld en in een echte of schijnsymmetrie weergegeven. Het is soms niet eenvoudig om de afzonderlijke letters te herkennen, laat staan de volgorde van de initialen (afb. 9). Het was een ver doorgevoerde vorm van sierkunst in de achttiende-eeuwse barokke decoraties.

Niet alleen knippers gebruikten het schoonschrift, maar bijvoorbeeld ook makers van pentekeningen, zilversmeden en glasgraveurs die met een diamantpen bokalen versierden. Geleidelijk aan verdween het schoonschrift uit de aandacht, maar de teksten bleven.

afb. 10, Jan Visscher

Van Jan Visscher op Urk bestaat het verhaal dat hij niet eens goed kon schrijven en dat zijn vrouw voor hem de letters schreef (afb. 10). Bovendien werkte hij met een grote schaar en om bijvoorbeeld een O te knippen kon hij niet inprikken en vouwde hij papier op die plaats dubbel.

Ook onze generatie knippers knipt letters, een datum, een naam, een spreuk.
In de Knip-Pers van juni 2007 heeft Maruscha Gaasenbeek ons nog gestimuleerd om tekstmatjes te knippen.

afb 11, 170 x 80 cm

Op de Papier Biennale 2006 waren hele ‘schrijfsels’ van Miriam Londoňo uit Colombia tentoongesteld. Zij is geen knipster, wel een papierkunstenares: “ik werk met katoenpulp, pigmenten en veel lijm. Ik giet de pulp met plastic knijpflessen uit op een groot stuk stof, alsof ik met de pulp schrijf. Wanneer de pulp is opgedroogd, pel ik het van de stof af.” Vervolgens wordt het platgeperst (afb. 11).  Het is nu te zien in het Weverijmuseum in Geldrop tot en met 15 december 2007.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Door Joke en Jan Peter Verhave

Noten
[1] Gieneke Arnolli en Rosalie Sloof, Letter voor letter, merklappen in de opvoeding van friese meisjes. Fries Museum en Waanders 2006
[2] Ton Croiset van Uchelen, Vive la plume: schrijfmeesters en pennekunst in de Republiek.
Uitg. De Buitenkant 2005