Auteursarchief: admin

Jan de Prentenknipper in Vlaanderen, Knip-Pers 2001-4

Over de Zeeuwse marskramer met zijn kleurige prenten weten we al een heel veel bijzonderheden. Zijn levensloop en zijn zwerftochten zijn in kaart gebracht. De verscheidenheid van onderwerpen van zijn knipsels is uitgebreid beschreven en te zien geweest in tentoonstellingen te Goes en IJsendijke en in het Bijbels Museum te Amsterdam. Een hedendaagse Zeeuwse troubadour heeft hem bezongen. Je zou zeggen, nou weten we het wel.

Maar dan ontdekken we opeens weer iets bijzonders. Onlangs dook er een prent van Jan op in Antwerpen, getiteld JESUS . LEYDEN. Een altaar van een Rooms Katholieke kerk is afgebeeld, met allerlei symbolen, zoals het Lam Gods, de tabernakel en de monstrans, waarin de hostie wordt bewaard en getoond. Daarboven het kruisigingtafereel met Jezus tussen de twee misdadigers en omgeven door de bekende lijdensattributen die vaak in de volkskunstige afbeeldingen werden verwerkt, zoals hamer, nijptang, ladder, spons op een stok, dobbelstenen, de doek van Veronica en de haan van Petrus. Helemaal boven zien we de geboorte van Jezus en de vlucht naar Egypte.

afb. 1, Jan de Prentenknipper, 23 x 18,5 cm

Met name in Zeeuws Vlaanderen is Jan veel geweest. Als we afgaan op de herkomst van de meeste prenten bij Zeeuwsvlamingen of bij mensen wier (voor-)ouders daar vandaan kwamen, zijn het vooral protestantse families geweest, die zijn prenten kochten. Een dergelijke r.k.-prent was al bekend uit Lapschure, vlak over de grens met België. Eerder meenden wij dat hij die voorstelling bij uitzondering eenmaal zou hebben gemaakt voor een katholieke familie. We moeten nu veronderstellen dat Jan wel degelijk ook onder katholieken zijn afzetgebied had. Wellicht minder in Zeeuws-Vlaanderen, en meer in Belgisch Vlaanderen. Verdere conclusies over de zwerftochten van Jan in België kunnen we niet trekken, omdat de oorspronkelijke herkomst van het Antwerpse knipsel niet is te achterhalen en dit pas de tweede Belgische prent is die we konden ontdekken.

Terug naar Zeeuws Vlaanderen, waar  veel meer sporen van Jan te vinden zijn. Van oorsprong een Bevelander, was hij als soldaat in Breskens gelegerd geweest. Later had hij werk gevonden bij de aanleg van het Kanaal Sas van Gent naar Terneuzen en vond daar zijn (katholieke) Constantia, die hij na 15 jaar rondzwerven weer verloor in Breskens. Sindsdien is hij vrijwel elke zomer naar Zeeuws-Vlaanderen teruggegaan, met of zonder kinderen. Dan sliep hij in de schuur bij gastvrije boeren en at mee uit de pot. Voor zover wij konden nagaan, waren het bijna allemaal protestantse families, vooral ten westen van de Braakman.

Een van de meest gastvrije was het gezin van Abraham Brevet en Johanna de Bruijne, met hun tien kinderen in de gemeente Cadzand. Jan heeft in 1844 hun hofstede meermalen afgebeeld en voor de kinderen knipseltjes gemaakt om in hun bijbels of psalmboeken te leggen. Hun nakomelingen bewaren die prenten zorgvuldig en met trots. Ze kennen het rijmpje op de grote prenten uit hun hoofd:

Het land te bouwen is mijn lust
Mijn hart en zinnen zijn gerust
Ik wei het rundervee
Gelijk als Job in Cana dee.

De gezusters Elisabeth en Sara Brevet kochten in 1856 elk een kerstprentje HET LIGT DER WERELD. Jan heeft die prentjes niet gekleurd en toen ze allebei op de tentoonstelling in IJsendijke lagen, konden wij constateren dat ze precies gelijk waren en dus had Jan ze in één keer gesneden uit twee laagjes papier.

afb. 2, Jan de Prentenknipper

Ook bij de nakomelingen van de broers en zusters van hun moeder Johanna Brevet-de Bruijne doken diverse prenten op. Johanna en haar man Abraham Brevet waren neef en nicht en zo waren veel protestantse families in West Zeeuws-Vlaanderen nauw aan elkaar verwant. Jan zal dus wel op recommandatie van hofstee naar hofstee zijn getrokken.

afb 3a, Jan de Prentenknipper, 1844

In diezelfde families worden ook kleine knipseltjes bewaard, die iets afwijken van zijn rechthoekige kerkboekprentjes. Ze zijn wat speelser en nooit ingekleurd. De vormen van dieren, bomen en symbolen lijken op die van Jan, maar we vermoeden dat zijn zoon, Jan junior, ook knipte (hij overleed op zijn 18e en in de acte staat dat hij net als zijn vader plaatsnijder was). Twee van zulke witjes waren in 1844 gemaakt voor de zusjes Brevet (19 en 17 jaar) en toen was Jan junior 15 jaar; hij lag dat jaar ziek in Hoofdplaat (wellicht op de boerderij van hun zuster Catharina Provoost-Brevet).

afb b3, Jan de Prentenknipper, E.B.V.

Een dergelijk pretje draagt echter het jaartal 1835 en wij vinden het niet zo voor de hand liggend dat een jongetje van 6, die zijn vader aardig kon imiteren, op zijn 15e nog precies zo te werk zou gaan. We houden het er toch maar op dat vader Jan die prentjes geknipt heeft.

Hoe dan ook, Jan de Prentenknipper blijft een boeiende figuur met steeds weer nieuwe knipsels en verhalen, die opduiken of uit de Zeeuwse geschiedenis op te delven zijn. Wij kregen het vertrouwen van bezitters van beschadigde prenten in Hoek en Axel, om die te restaureren. De prenten van Jan horen (letterlijk) thuis bij Zeeuws vlamingen en andere Zeeuwen; zij beheren dat papieren erfgoed, omdat ze er een band mee hebben en er trots op zijn. Wat ze gelijk hebben!

Joke en Jan Peter Verhave

Om verder te lezen:
J. en J.P. Verhave (1993), Jan de Prentenknipper (1798-1870). Zeeuwse Volkskunst langs ’s Heeren wegen. Uitg. De Koperen Tuin, Goes.
J. en J.P. Verhave (1994), Jan de Prentenknipper in Zeeuwsch-Vlaanderen. Zeeland (tijdschrift Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen), 3, 3, 101-108.

Spoorloos: opsporing verzocht, Knip-Pers 2003-1

Elke Knip‑Pers weer proberen we een knipper of een knipsel van vroeger in het licht te zetten. Dat vergt soms veel zoekwerk. Een goed voorbeeld was Jan de Prentenknipper. Zijn bijnaam maakte het eerst moeilijk om zijn gangen na te gaan. Aanvankelijk waren we op het verkeerde spoor. Maar met de vondst van zijn ware naam, Jan Huyszoon, konden we hem terugvinden in Zeeuwse archieven. Bovendien vroegen we alle bezitters van een prent, waar hun voorouders woonden. Zo konden we aan de hand van de jaartallen (omstreeks 1850) in de prenten zijn zwerftochten over de eilanden en Zeeuws‑Vlaanderen volgen. Het staat allemaal in ons boek over hem. En als er ergens in Zeeland weer zo’n kleurrijke knipprent opduikt, is het nu niet moeilijk meer om daarin de schaar van Jan te herkennen. De motieven, de kleuren en de letters zetten ons op zijn spoor.

afb. 1, Frederik Hendrik van Voorst, Goes

Eerder maakten we een studie van de kleurrijke snijwerken met familiewapens van voorname personen en stadsregeerders, door Frederik Hendrik van Voorst. In tegenstelling tot Jan de Prentenknipper heeft hij zijn naam in een aantal werkstukken uitgesneden, maar niet in allemaal. Soms ook een jaartal (omstreeks 1720). In de loop van de tijd hebben we door vergelijking van de stijI een flink aantal stukken aan Van Voorst toe kunnen schrijven, en door onderzoek in archieven konden we bewijzen dat hij in een bepaalde periode daar verbleef, waar hij een werkstuk achterliet. Bijvoorbeeld 1726‑27 in Goes: het wapenstuk voor de bestuurders van Goes is gedateerd 1726 en hangt in het stadhuis (afb.1). In het archief staat zijn werk omschreven als “seer kunstige met een pennemes gedaene snijdingen”.

afb. 2a, Frederik Hendrik van Voorst, ca. 1700

Heel verrassend was het dat een paar weken geleden een snijwerk opdook, voor de burgemeester van Tiel en diens echtgenote, met afbeeldingen van het Paradijsverhaal (afb.2). De eigenaar had het ongesigneerde werk herkend aan de hand van ons artikel. Een ander snijwerk van F.H. van Voorst voor het bestuurscollege van Tiel hangt in het gemeentehuis van die plaats (1722). Zo dragen nieuwe vondsten bij aan het verhaal van de maker en zijn opdrachtgevers.

afb 2, F.H. van Voorst, Paradijsverhaal

Zo voorspoedig gaat het niet altijd. We kunnen zelfs op verkeerd spoor gezet worden. Een voorbeeld is het wapenknipsel uit Franeker dat nog steeds wordt toegeschreven aan Anna Maria van Schurman. Er zijn er nog zeven ontdekt, allemaal in dezelfde stijl met familiewapens, omgeven door fijn uitgewerkte bloemetjes. Stuk voor stuk kunststukjes, maar zonder de naam van de maker. Door te zoeken naar de namen, leeftijden en woonplaatsen van degenen van wie die familiewapens zijn, hebben we moeten concluderen dat Anna Maria niet de maakster kan zijn geweest. Het afgebeelde wapenknipsel (afb. 2a) was voor de notabele Bonifacius Pous uit Zierikzee, die trouwde in 1705 (of zijn broer Pieter). Toen was Anna Maria al lang overleden.

Meer dan een eeuw geleden is iemand in Zeeland de naam Otto van Voorst op het spoor gekomen als maker van deze knipwerkjes. Helaas blijkt de aanwijzing heel zwak en we hebben geen spoor van hem kunnen vinden in de plaatsen waar de families woonden voor wie die juweeltjes gemaakt zijn (Den Haag, Delft en Zierikzee). Als we hem (of haar) konden identificeren, zou blijken welk beroep hij had en of hij met dit fijne knipwerk voor deftige families wat bijverdiende. Vooralsnog zijn we het spoor bijster.

Ook al zijn knipsels nog zo kunstig, als er niets over de maker bekend is, blijft er een geheim. En dat kan ons soms behoorlijk dwars gaan zitten.

Voor knipsels die een bekend verhaal vertellen, bijvoorbeeld uit de Bijbel, vond de maker het misschien niet nodig zijn eigen naam te vermelden.

afb 3, anoniem

Het Is een stripverhaal van Jezus’ laatste dagen, met bijgeschreven teksten in 19e‑eeuws handschrift. We konden ook de achterkant bekijken: schetsmatig heeft de maker het hele verhaal uitgetekend, op een, naar ons gevoel cartoonachtige manier. Was hij katholiek? De stralenkrans rond het hoofd van Jezus kan daarop wijzen, maar in de bijschriften is de protestantse Statenbijbel gebruikt. (afb. 3)

afb. 3, Pieter van Haaren

Anderen waren minder bescheiden. Zo maakte ene Pieter van Haaren in 1805 vier afbeeldingen van de geboorte van Jezus (afb. 4) en vier van diens lijdensweg (afb.6) en hij combineerde ze in twee lijsten. Zelfbewust noemde hij het “Schaarkunst” (zie details). Inderdaad zijn het prachtige stukken, die getuigen van vakmanschap. Ongetwijfeld heeft hij veel meer gemaakt. Zouden er nog ergens zijn? En zouden we daardoor een spoor van die Pieter kunnen ontdekken? We weten niets van hem. Daarom hebben we een beroep gedaan op de leden van de Nederlandse Genealogische Vereniging: misschien zijn er wel mensen geïnteresseerd in de familie Van Haaren. Opsporing verzocht!

afb. 4, Pieter van Haaren

afb 5, Peter van Haaren, details van afb. 3, linksboven

Al eerder schreven we over de bakker van Deersum. Hij heeft omstreeks 1845 voor vele echtparen in ’t midden van Friesland een knipwerk gemaakt. (afb. 6) We weten uit de overlevering waar hij werkte en dat hij met zijn brood langs de boerderijen trok. We hebben gezocht en gezocht in de gemeentearchieven. Welke bakker of bakkersknecht was het? De een was te jong, de ander te oud. Wat zou het mooi zijn als we een dagboekje zouden vinden van een Frysk femke, waarin staat te lezen:
“Vandaag kwam Jan de Bakker weer langs. Hij had het knipsel voor onze ouders bij zich. Hun letters staan in een hart. ’t Ziet er mooi uit met die twee hoorns van overvloed en de tafereeltjes van het boerenwerk van heit en mem. Ik zou het niet zo kunnen, wat een gepriegel. Hij houdt zijn vingers vast soepel met al dat kneden van het deeg! Ik zal het in laten lijsten, dan kan het naast ’t kabinet komen te hangen. Jammer dat Jan er zijn eigen letters niet in heeft geknipt. Nou ja, hij heeft zijn rijksdaalder verdiend.”

afb. 6, Adam de Boer

Een vrome wens… maar we vonden wel iets anders: een beschrijving van de bevolking van het dorp door de schoolmeester. Er waren twee timmerlieden in Deersum, waarvan er een tevens bakker was. En toen konden we wel iemand vinden: Adam de Boer, timmermansknecht en 24 jaar oud. Zijn moeder was broodverkoopster geweest. Hij moest het wel zijn. We voelden ons echte spoorzoekers!

Ten slotte, we hebben al eens verteld over onze Jeruzalemse vrienden Jehudit en Joe Shadur, die opnieuw een prachtig boek maakten over de geschiedenis van de joodse knipsels in Europa. Wij hebben ons met elkaar afgevraagd: is er vroeger in de joodse gemeenschap in ons land ooit geknipt? In Duitsland en verder naar Polen en Rusland toe was dat veelvuldig het geval. Het Joods Historisch museum en vooraanstaande mensen in de joodse gemeenschap verklaren ons nooit iets dergelijks gezien te hebben in Nederland. We moeten het accepteren, maar begrijpen doen we het niet.

afb. 7, anoniem

En nu, opeens, na het verschijnen van hun boek, hebben de Shadurs in een Amerikaans museum een knipsel opgespoord dat afkomstig is van een joodse familie, die van Curaçao stamt. De wetstafels van Mozes zijn afgebeeld, met de Tien Leefregels in Hebreeuwse letters. Aan weerszijden staan Mozes en zijn broer Aaron. Het is onmiskenbaar Nederlands, want bazuinengelen, typisch voor de Nederlandse volkskunst, komen verder nooit in joodse knipsels voor. Ook de koperen kroonluchter en de siervazen met levensbomen zijn duidelijk Nederlands.

Wij vonden dat de mogelijke bezitter, David Cardozo, vanuit Amsterdam geëmigreerd was naar Willemstad, waar hij voorlezer was in de sefardische synagoge. Zo valt er wel wat te ontdekken over de geschiedenis van het knipwerk, maar ook hier weer hult de maker zich in de anonimiteit. (afb.7)

Met een aantal deskundigen hebben we het plan opgevat om een nieuw boek over de geschiedenis van de Nederlandse papierknipkunst samen te stellen. We gaan een landelijke actie ontketenen om zoveel mogelijk knipsels en knippers op te sporen. Waarschijnlijk betekent dat ook weer meer raadsels. Maar één ding blijft: knipkunst heeft ook haar eigen uitstraling, mooi, fijn, groots, knap, kinderlijk, kunst of volks. Steeds is het weer boeiend, of de maker nu een naam en verhaal heeft of niet. Ze zijn een plezier om te bekijken en om erdoor geïnspireerd te raken!

Joke en Jan Peter Verhave

Familiewapens, Knip-Pers 2003-2

Het gebruik van familiewapens ontstond in de Europese Middeleeuwen en was voorbehouden aan adellijke families. Ze dienden als een merk- en herkenningsteken voor de naam van het geslacht op banieren, toegangen van kastelen en deftige huizen en op schilderijen. Wapens liet men verder aanbrengen op grafstenen, rouwborden, gebrandschilderde ramen en op serviezen. Naast families voerden ook de steden en provincies een wapen.

afb. 2, Hessel van Ostheim, 1589. Het oudste Nederlandse knipsel, 9 x 9 cm

Gesneden of geknipt uit papier of perkament dienden ze hetzelfde doel van herkenning, ongeveer zoals we nu een logo gebruiken. Het vroegste voorbeeld van een familiewapen uit papier dateert van 1589 en het is daarmee het oudst bekende knipsel in Nederland. Het werd gemaakt voor of door de Friese jonker Hessel van Ostheim en maakt deel uit van een vriendenboek (album amicorum). Het is een evenwichtig snijwerk met guirlandes en geometrische figuren in schijnsymmetrie. Het wapen en helmteken zijn met een paar zachte kleuren geaccentueerd. Onderin is een hertenjacht afgebeeld, waarbij het hert door een ruiter naar een gespannen net wordt gedreven. In een gedicht verzucht de jager dat het hert (de jonkvrouw) hem is ontgaan ondanks de hulp van zijn drie honden en dat hij nu maar het leger in gaat…

afb. 2, Otto van Voorst: het wapen van Andries van der Goes, die trouwde in 1705 en in 1710 vroedschap werd van Delft. Het wapen draagt een hartschild, heraldisch rechts 3 bokkenkoppen (van der Goes) en links een combinatie van 3 zwemmende spieringen en 3 zwemmende merletten (“meerltjes”, heraldische term voor eendjes zonder poten; van zijn moeder Dulcia Spierings), 8 x 10 cm

Om duidelijk te maken dat men uit voorname families stamde, werden ook de wapens van ouders, groot- en overgrootouders afgebeeld: de kwartierwapens. Dat principe heeft Otto van Voorst rond 1700 voor meerdere families in Zeeland en Holland toegepast. Zeer vakkundig uitgesneden in wit papier, op klein en fijn formaat en omgeven door een weelde van ranken en bloemen. De wapens zijn bekroond, maar het feit dat hij knipsels maakte voor twee niet‑adellijke broers en in het ene de wapens met gravenkronen versierde en in het andere met baronnenkronen, geeft aan dat de rang van die kronen toen geen betekenis meer had. Over Otto, die met recht een kleinkunstenaar te noemen is, zijn tot nu toe geen persoonlijke gegevens gevonden.

Een andere, zeer begaafde Zeeuw kennen we niet eens bij naam. Van hem zijn een tiental heraldische knipsels uit wit papier bekend, die dateren uit de periode 1721 tot 1749. Daaronder is een fraai werkstuk uit 1727 voor Nicolaas Ockert, wiens Zeeuwse vader met een meisje uit het voorname geslacht Van Bredehoff uit Hoorn trouwde. Hij liet zijn wapen met schildhouders (een leeuw en een griffioen) uitbeelden te midden van rijke versiering, een kroon, baldakijnen een bloemenmand en hoorns van overvloed. Het bestaat uit een combinatie van zijn ouderlijke wapens. Aan weerszijden staan rijen van 16 kwartierwapens van zijn voorouders afgebeeld.

In zijn andere knipsels beperkte de knipper zich tot de gekroonde wapens van echtparen,gezet in een weelderige versiering van bladeren, bloemen en granaatappels (teken van vruchtbaarheid). In een van zijn knipsels staat een gedicht geschreven door Jacobus Jansen, opgedragen aan de Middelburgse domineesdochter Elisabeth Plevier, bij haar eerste verjaardag in 1722. Voorlopig beschouwen we deze Jansen ook maar als de knipper.

afb. 3, Jacobus Jansen (?)-inmiddels toegekend aan Winter-, Middelburg omstreeks 1725. Een alliantiewapen voor een tot nu toe onbekend Zeeuws echtpaar. Het vrouwswapen is samengesteld uit vier onderdelen, die haar voorgeslacht verbeelden (19 x 30 cm).

De schakering van kleuren in wapens ging natuurlijk verloren bij het gebruik van wit papier of perkament, maar als men niet zo talentvol was, kon men geknipte of gesneden wapens inkleuren of er stukjes gekleurd papier op plakken.

In 1686 probeerde de Amsterdamse uitgever en boekverkoper Johannes ten Hoorn aan de Hollandse Jufferen het wapensnijden te leren. Als voorbeelden beloofde hij 300 modellen van “alle waapenen en schilden… en allerhande Loofwerk in ’t groot en in ’t klein, verguld, gekoleurd en anders verciert…” uit te geven. Van zijn “Onderricht der Papiere Sny-konst” zijn twee exemplaren bewaard, maar zonder het modellenboek…

Deze techniek is veel toegepast door jonkheer en militair Frederik Hendrik van Voorst omstreeks 1720, die overigens heel wat kunstzinniger was dan de Hollandse Jufferen. Hij sneed perkament en bracht de gewenste kleur alleen aan in de familiewapens, door stukjes gekleurd perkament en bladgoud daarop te plakken.

afb. 4, Frederik Hendrik van Voorst, snijwerk uit perkament, gemaakt voor Christoffel van Voorst uit Overijssel en diens echtgenote Elisabeth van Doorninck, 1732. Alleen de wapens en de teksten zijn gekleurd. Versierd met mythologische afbeeldingen en taferelen van de jacht, 68 x 51 cm

Zoals blijkt uit zijn snijdsels voor notabelen in verschillende plaatsen en zijn grote wapenkaarten voor de magistraten van Nijmegen, Tiel en Goes hadden ook niet‑adellijke personen zich familiewapens aangemeten. In Nijmegen kreeg hij 175 gulden voor werkstukken van 71 x 54 cm, in Tiel slechts 50 gulden voor een stuk van dezelfde afmeting en in Goes luidt het archief van 1727:
“den heer Otto [!] van Voorst aen haer Edele Agtb. hebbende vereerd eenige seer kunstige met een pennemes gedaene snijdingen, alle te samen in eene lijst gevoegd, ten einde om op de vertrekkamer van het Stadhuis alhier te worden gehangen ende als een fraeij stuk bewaerd, is goedgevonden en verstaen aen hem, soo tot belooning van sijne moeijen ende vacatiën in het doen van voorn. snijdingen, als ettelijke onkosten gehad ende geleden, te assigneren ende toeteleggen eene somme van een honderd Zeeuwse rijksdaelders”.

Dit imposante stuk (75 x 59 cm) hangt daar nog steeds. Kennelijk heeft er een verschrijving plaats gehad, want de maker signeerde met “Fred. Henr. van Voorst Inventor fecit, Ao 1726” en zijn eigen familiewapen.

In die tijd werd men minder precies in het toepassen van de heraldische regels. F.H. maakte zo familiewapens die in spiegelbeeld waren weergegeven, tot een stadswapen toe! Zijn laatste bekende werk dateert van 1732, is gemaakt in opdracht van een ver familielid en geeft een voorvader van de opdrachtgever en diens echtgenote weer. Het bevat 2 x 16 kwartierwapens, die reiken tot in de 15de eeuw.

Naast deze zeer productieve en begaafde kunstenaars zijn er meer wapenknipsels bekend uit de 18de eeuw; die vertonen geen  overeenkomst met andere stukken en de makers zijn onbekend. Te noemen zijn de twee knipsels voor het Amsterdamse bruidspaar May‑van Schermbeek (1779) en dat van hun zoontje (1781), gemaakt uit opgewerkt papier, door een zeer vaardig kunstenaar.

Van een minder begaafde, maar zeer productieve knipper zijn twee stukken bewaard: één voor het Westfriese bruidspaar jonkheer Jan Lodewijk van Teijlingen en Maria van Foreest (1752) met in het centrum de wapens van de Zeven Provinciën; het andere is voor een (Maria?) van Foreest, via veel bloemen en ranken en een grote hoorn van overvloed gecombineerd met het wapen van Oranje Nassau.

Politieke knipsels geven ook regelmatig de wapens van de stadhouderlijke familie en de Provinciën.

Geleidelijk aan raakte het gebruik en goede sier maken met familiewapens uit de mode, tot eindelijk in navolging van de Franse Revolutie ook in de Republiek de publieke opinie een grondige afkeer kreeg van de adel en de regenten, en wapens op grafzerken in kerken werden weggehakt. Gewone burgers waren intussen begonnen om knipsels te maken voor feestelijke gebeurtenissen en in plaats van familiewapens werden de namen en de beroepsattributen meer of minder kunstzinnig weergegeven.

Joke en Jan Peter Verhave

Zie ook het in kleur afgebeelde snijwerk van F.H. in Knip-Pers 2003-1 (aangekocht door Museum het Valkhof, Nijmegen).

Zomaar geknipt, Knip-Pers 2003-3

De Duitse en Zwitserse knipsels zijn overwegend uit zwart papier zijn gemaakt. De PooIse uit alle kleuren sitspapier, ook op elkaar. De Mexicaanse en Chinese knipsels uit heel dun vloeipapier. Het papier waaruit geknipt werd (en wordt) in Nederland kan van alles zijn. Oude knipsels bevatten soms een gedeelte van een tekst van een brief of een rekening; dunner of dikker wit papier werd gebruikt. De knipsels die opgebold werden, zijn meestal van een goede kwaliteit geschept lompenpapier. Soms is ook perkament gebruikt. Dan is het duidelijk geen knipsel maar een snijdsel, het materiaal werd opgespannen en gesneden. Het dierlijk materiaal is elastisch en glipt onder de schaar weg.
In Indonesië is leer gebruikt om de onderdelen van het Wajangspel uit te beelden. Waarmee we maar willen zeggen: Zie knippen / snijden in een breed perspectief zowel wat materiaal betreft als ‘kunst’-gehalte van het resultaat. Waar het, wat ons betreft, het meest omgaat, is: Het ‘doe’-plezier van de maker.

Jan Visscher uit Urk gebruikte ook alle kleuren sitspapier. Recentelijk kregen we een knalrood knipsel te zien met de tekst

afb. 1, Jan de Prentenknipper

De Derde
Die niet te grond wil gaan
Dient hand aan t werk te slaan
Daar lachen zy
Woont weenen bij

Dat gold vast ook voor Jan toen hij niet meer varen kon!

Een oproep in een tijdschrift naar oude knipsels in privé-bezit heeft ons informatie over knipseltjes opgeleverd die niet uit ‘gewoon papier’ gemaakt zijn.

Drie speelkaarten die verknipt zijn tot tafereeltjes. Speelkaarten zijn van stevig papier! Uit een klaver 2, ruiten 7 en 8, zijn een clowntje dat balanceert op een evenwichtsbalk, en tweemaal een mannetje met een hondje geknipt. De gleuven aan de basis van de knipseltjes doen vermoeden dat ze rechtop neer gezet konden worden, zodat je er een verhaaltje mee kon maken

afb 2, Berghuis, uit speelkaarten

afb 3, Berghuis, uit speelkaarten

Zo zijn er ook kleine theatertjes van papier gemaakt en coptografische voorstellingen gegeven. Misschien kunnen deskundigen aan de hand van de motieven op de achterkant van de kaarten achterhalen uit welke tijd ze komen.

Uit een speelkaart klaver 3 is een deftig huis, met stal en een watermolen gesneden. De raampjes en de deuren zijn opengevouwen

afb. 4, anoniem, uit speelkaarten

 

afb 5, anoniem, 1790, uit speelkaarten

Een harten 3 laat de naam van Gerrit Saks zien, vermoedelijk afkomstig uit Marken met het jaartal 1790 (afb. 5). Hiermee zouden we in de archieven kunnen pluizen om dit te bevestigen.

Verder kennen we een ansichtkaart van de kraamafdeling van het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam uit 1912. Deze is tot een prachtige boom verknipt. Een kraamvrouw die zich verveelde??

 

 

 

 

Een andere reactie kwam van een echtpaar uit Spakenburg. In zijn moeders familie is Jogchem Jacobus Riemens geboren op 12 april 1888 in Zaamslag, Zeeuws Vlaanderen. De jongen altijd zwak en ziekelijk, leed aan TBC en is hieraan ook op 25‑jarige leeftijd overleden. Zijn werkzaamheden op de boerderij waren daarom licht werk zoals paard- en wagenmennen en op de ploeg zitten. Daarnaast vermaakte hij zich kennelijk met papierknippen. Zijn schaar zal grof geweest zijn, want de meeste knipseltjes zijn uit vrij stevig papier gemaakt, een soort pakpapier en een oude rekening.

afb. 6, Jogchem Jacobus Riemens

Van de 28 overgeleverde knipsels zijn er 9 eenvoudig, vrij grof lofwerk (afb. 6), er zijn een aantal hekken (afb. 7).

afb. 7, Jogchem Jacobus Riemens

Ook heeft hij een eenvoudige toren geknipt (afb. 8). We hebben deze vergeleken met oude ansichtkaarten van het dorp Zaamslag. De overeenkomst met de kerk is duidelijk (afb. 9). Deze kerk is echter in 1897 afgebroken, daarom moet hij dit knipseltje gemaakt hebben rond zijn 10de jaar.

afb, 8, Jogchem Jacobus Riemens

afb 9, Jogchem Jacobus Riemens

Andere, zoals de boerenwagen/paarden/koe heeft hij waarschijnlijk later gemaakt (afb. 10, 11).

De knipsels zijn nu in handen van familieleden van Jogchem Jacobus, die duidelijk belangstelling hebben voor hun Zeeuws-Vlaamse afkomst. Zo wordt ook het meest eenvoudige knipwerk tot een verhaal dat waard is om doorverteld te worden.

afb. 10, Jogchem Jacobus Riemens

Deze voorbeelden brengen ons op de volgende gedachten: Er is van meer knippers bekend dat zij in een periode van ziek zijn of andere beperkingen, de tijd hebben laten passeren door zich met knippen bezig te (gaan) houden. Zoals mevrouw Kerp‑Schlesinger en mevrouw de Jong‑Brouwer.

afb. 11, Jogchem Jacobus Riemens

Een dame antwoordde op onze oproep in het tijdschrift naar oude knipsels, dat zij geen oud knipwerk had of kende, maar dat knippen het enige is dat zij een klein poosje van de dag nog kan doen!! En zij was zo vriendelijk om wat werk op te sturen.

Ook binnen de vereniging zie ik dat allerlei soorten papier worden gebruikt. Zoals door een naaister een mooi lapje zuinig wordt bewaard, door een borduurster mooi garen, zo bewaren knippers alle mooie papiertjes. Je weet maar nooit wat voor moois je ermee kunt maken.

Joke en Jan Peter Verhave

Simson geknipt, Knip-Pers 2002-4

Kent u het verhaal van Simson, die macho Israeliet die de opdringerige Palestijnen wel eens een lesje zou leren? Het staat in de Bijbel, in het boek Rechters of Richteren. Hoe ging het ook weer?
De angst voor de Palestijnse soldaten zat er goed in; iemand moest Israel toch redden? Hij zou het doen, want hij had een roeping en als teken daarvan moest hij zijn haar laten groeien. ’t Mocht niet geknipt worden. Sterk als een leeuw was hij. Simson irriteerde vriend en vijand door met een Palestijnse te trouwen en ging met de bruiloftsgasten een weddenschap aan met een onoplosbaar raadsel.

afb. 1, anoniem, 1787, 58 x 54 cm

De Palestijnen draaiden hem een loer met zijn bruid. En Simson ging in zijn eentje de strijd aan. Hij ving 300 vossen, bond ze twee aan twee met de staarten aan elkaar, en zette een brandende fakkel in de knoop. Zo stuurde hij ze de rijpe graanvelden van de Palestijnen in. Hij sloeg met een ezelskaak 1000 Palestijnen dood en lichtte de stadspoorten van Gaza uit hun hengsels en sjouwde die een berg op. De Palestijnen werden die guerilla moe en zetten een Mata Hari in. Deze Delila moest hem het geheim van zijn kracht ontfutselen. Steeds, als hij haar een tipje van de sluier oplichtte, riep ze “Simson, daar heb je de Palestijnen!”. Maar steeds was hij sterker. Totdat hij zwichtte voor haar verleidingen en bekende dat zijn kracht weg zou zijn als zijn lange haar afgeknipt zou worden. Ze knipte, terwijI hij sliep zijn haar af en ja, toen was het met hem gedaan. Hij werd gevangen en ze staken hem de ogen uit.
In de tempel van de Palestijnse god Dagon werd hij tussen twee pilaren tentoongesteld om bespot te worden. De tempel was barstens vol mensen in overwinningsroes en nog eens 3000 op het dak. Toen toonde Simson berouw over zijn ontrouw en hij kreeg nog een keer zijn oude kracht terug. Hij trok de beide pilaren om en de tempel stortte ineen…

Een verhaal waarin we de huidige situatie van bloedige aanvallen en wraakacties heel goed herkennen. Simson was niet zo’n lieverdje, maar het verhaal draait om het breken van de afspraak, het berouw en het herkrijgen van inspiratie.

De episoden uit het verhaal van Simson zijn talloze malen terug te vinden in gevelstenen, koekplanken, tot aan bandenplak en shag toe!

afb, 2, anoniem, detail

Ook knippers hebben zich aangesproken gevoeld. We willen hier een groot knipsel voorstellen, dat gemaakt is in Middelburg, voor een Monsieur Jan Jacob Simson in 1787. Het is groot (58 x 54 cm), ingekleurd en het bevat alle taferelen uit het leven van zijn bijbelse naamgenoot Simson. De knipper is geen groot kunstenaar geweest: de figuren zijn wat onbeholpen van vorm, maar het geheel geeft een levendige en evenwichtige indruk. In het midden is onder de feestelijke kroon een zoetsappig gedicht geschreven voor de protestantse jongeman Simson, die het kroonjaar 30 heeft bereikt. De vrind J.M.B.W. wenst hem Gods zegen, een bruid en kinderen toe, en nog veel meer.

“Zegenwensch
opgedragen aan
Monsr. Joh. Jacob Simon
Tredende
In Zijn 31ste Jaar,
den 12 van Junij
ANNO 1787″.

afb. 3, anoniem, detail

Tussen haakjes, de vorige eigenaar had grote moeite met het woord Tredende, dat zij las als een achternaam en uitsprak als Tredènde. Maar uit het gedicht blijkt heel duidelijk dat Simson de achternaam was en “Nu, wijI gij zijt getreden in ’t derde kroon-jaar…” Onze J.J. Simson moet het knipsel dus op zijn 30e verjaardag gekregen hebben.

Of zijn “vrind” ook de knipper was, weten we niet en in het Middelburgse archief, dat in de oorlog verbrand is, valt ook niet veel te ontdekken. Toch vonden we een Jacob Simson te Middelburg, die in 1796 een huis bezat en daarvoor belasting betaalde. In 1797 was hij van beroep “garbuleur” (??)* [kruydlezer] en 43 jaar oud. Dat brengt ons op een geboortejaar 1754. Ten slotte woonde hij in 1812 nog steeds in Middelburg, maar dan zonder beroep. Als geboortedatum staat vermeld 12 juli 1757. Dat lijkt erg veel op de datum van het knipsel en het zou dus als geboortejaar 1757 geven. We nemen maar aan dat deze bronnen niet zo nauwkeurig zijn als de doop-, trouw- en begraafboeken die helaas niet meer bestaan…

afb 4, anoniem, ca 1700, 11,5 x 8 cm

Van heel andere orde is een klein snijwerkje van omstreeks 1700, dat tweemaal Simson voorstelt, die de stadspoorten wegdraagt. Daartussen twee vosjes, waarmee hij de korenvelden in brand gezet had. De onbekende maker heeft het uitgesneden zonder het papier dubbel te vouwen (schijnsymmetrie) en met veel prikwerk de figuurtjes verlevendigd.

afb 5, anoniem, bijbellegger, 1825, 8 x 5 cm

En ten slotte beelden we twee bijbelleggertjes af uit 1825 en 1826, met verhalen van Semson: de vossen en de deuren (8 x 5 cm). De bezitter van deze eenvoudige knipseltjes werd er steeds aan herinnerd wat het verhaal betekende: je kunt wel sterk en slim zijn, maar als je alleen maar op eigen kracht vertrouwt, dan delf je het onderspit.

afb 6, anoniem, bijbellegger, 1826, 8 x 5 cm

Verhalen zijn er om doorverteld te worden. Maar in plaats van vertellen kunnen we ze ook uitbeelden. Een kennis van ons doet dat door het uitsnijden van been. Prachtige series bijbelfiguren in miniatuurtjes maakt hij, die je dwingen om het verhaal zelf nog eens goed te lezen en erover na te denken. We raden u aan om het ook eens te proberen met schaar en papier, en wat leent zich in deze wintertijd beter dan de verhalen van de Kerstgeschiedenis.

Veel inspiratie gewenst!

Joke en Jan Peter Verhave

afb 7, anoniem, bijbellegger, 8 x 5 cm

Henk Scheepers, 1922-2002, Knip-Pers 2002-4

afb. 1, Henk Scheepens

Glück und Glas, wie leicht bricht das

‘Handen die helpen, zijn heiliger dan lippen die bidden’. Het is één van de spreuken waardoor Henk Scheepers zich zeer voelde aangesproken. Hij knipte de spreuk verschillende keren, omlijst door verschillende bloemen en symbolen en andere decoratieve elementen. Met lelies, bijvoorbeeld, als symbool van reinheid, voortkomend uit ‘hoornen van overvloed’.

Er waren nog vele andere spreuken die hij graag verwerkte in zijn knipsels. Vaak hadden die een wat filosofisch karakter. Stuk voor stuk zijn het doordenkertjes. ‘Het werkelijke vermag meer dan het mogelijke’, is er zo één. De knipkunst was voor Henk Scheepers kennelijk een manier om uitdrukking te geven aan gedachten die hij belangrijk genoeg vond om ze met anderen te delen.

afb. 2, Henk Scheepers, Glück und Glas, wie leicht bricht das

Ruth, de vrouw met wij hij tientallen jaren zijn leven deelde, totdat hij begin dit jaar op 79-jarige leeftijd overleed, leerde Henk kennen in Duitsland. Vandaar dat de Duitse taal nogal eens terugkomt in zijn knipsels: ‘Glück und Glas, wie leicht bricht das’ (‘geluk en glas, hoe gemakkelijk zijn die te breken’).
Voor Scheepers had die spreuk ongetwijfeld nog een extra dimensie. Hij was één van de weinigen in Nederland die zogenaamd ‘zilverglas’ (verzilverd glaswerk) verzamelde. Ook maakte Henk Scheepers ontwerpen voor zijn knipsels waarin hij teksten in zowel de Duitse als de Nederlandse taal uitwerkte, zoals: ‘Das grosste Stück vom Glück is verträglichheit’. In een vergelijkbaar knipsel is de boodschap in het Nederlands: ‘Het grootste deel van het geluk is verdraagzaamheid’.

afb. 3, Henk Scheepers

Het verwerken van langere teksten in knipsels is een precisiewerkje. Dat was Henk Scheepers wel toevertrouwd. Totdat hij in 1983 met de vut ging, werkte Scheepers namelijk als technisch tekenaar voor onder meer vliegtuigbouwer Fokker. Scheepers was een veelzijdig knipper en ook aan al het andere knipwerk – van silhouetten tot en met stambomen – werkte hij met een bijna ongelooflijke nauwkeurigheid. Dat is onder meer te zien in de knipsels die hij maakte van (land)huizen en andere gebouwen.

Zo waren het ‘slotje Huize Limburg’ en het bijbehorende koetshuis in zijn Brabantse woonplaats Oosterhout onderwerp van studie. Scheepers knipte de gebouwen diverse keren, iedere keer weer met evenveel aandacht voor bijvoorbeeld de talloze kleine ruitjes, die hij soms inkleurde om lichtval te suggereren.

afb 4, Henk Scheepers

Vooral in de jaren negentig oefende Scheepers zich in het knippen van bloemstukken, geschikt op prachtige bokalen. Vaker terugkomend is een margriet-achtige bloem, waarvan hij de harten accentueerde met talloze witte stipjes. Sommige ideeën knipte Scheepers vaker dan eens. Zo is er een bloemenknipsel uit 1997: een bokaal waaruit quasi-nonchalant één bloem is losgeraakt en ernaast ligt. In 1998 knipte hij hetzelfde ontwerp opnieuw, kennelijk om het resultaat te perfectioneren – als dat al mogelijk zou zijn.

 

 

afb. 5, Henk Scheepers

Soms kleurde hij knipsels met potlood in. Ook dat kon aanleiding zijn een ontwerp vaker te knippen, om het vervolgens met andere tinten in te kleuren.

Met veel fantasie verwerkte Scheepers subtiele details in knipsels voor bijzondere gelegenheden in zijn familie- en vriendenkring. Daarbij maakte hij gebruik van traditionele symbolen als rozen, harten, zwanen, engeltjes, rozebottels, korenbloemen, of een ooievaar bij geboorte, maar ook van eigen vondsten.

‘De tijd vliegt voorbij’ drukte hij bijvoorbeeld op originele manier uit door af en toe in gelegenheidsknipsels een ‘gevleugelde zandloper’ te verwerken.

Voor zijn levensgezel Ruth knipte Henk begin 1986 een zwaan, die een boeket rozen op de vleugels draagt. De zwaan staat symbool voor trouw, de rozen voor liefde. Aan het boeket rozen hangt een geknipt kaartje, waarop Henk met de hand schreef: ‘Lieve Ruth, was de weg zo kort of ging de tijd zo snel?’. Voor een geliefde bekende die de vijftigjarige leeftijd bereikte en dus Sara had gezien, knipte Henk een toepasselijk tafereeltje. In de linkerhelft kijkt een Hollandse vrouw (de jarige) naar de rechterhelft met een oudere dame in oosterse sferen (Sara).

afb. 6, Henk Scheepers, Handen die helpen, zijn heiliger dan lippen die bidden

De Algarve in het zuiden van Portugal was de geliefde plaats voor Henk en Ruth om te overwinteren. Ook daar vond Henk Scheepers een bron van inspiratie om kunstwerkjes te knippen, van typisch Portugese tafereeltjes die rust uitstralen, bijvoorbeeld, zoals de carroca Algarvia, waarbij een muildier een kar trekt met daarop een oudere man onder een parasol. Een zeldzaam geworden tafereeltje, merkte Scheepers met enige weemoed daarbij op.

afb. 7, Henk Scheepers, Groeten uit Oosterhout

In één van Scheepers ontwerpen overbrugt de steel van een tulp de afstand tussen Nederland en Portugal. De steel van de tulp is als het ware de ‘weg’, met aan het ene uiteinde thuisland Holland, gesymboliseerd door een oer-Hollandse tulpenbloem, en aan het andere eind de haan, symbool voor Portugal. Op de verbinding tussen die twee landen symboliseren soms koeien, soms onderweg-attributen, zoals een auto en koffers, de afstand tussen beide thuisfronten.

afb 8, Henk Scheepers, Ruth/Henk

Henk Scheepers was vanaf de beginjaren actief betrokken bij de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst. In de loop van de jaren leverde hij regelmatig een bijdrage aan de Knip-Pers. De laatste periode van zijn leven wist hij dat hij leed aan een ziekte waarvan genezing niet mogelijk was. In de maanden voordat hij stierf, maakte Henk Scheepers zelf de kaartjes klaar waarmee zijn overlijden bekend gemaakt zou worden aan familie, vrienden en bekenden. Op ieder kaartje prijkt een knipseltje.

 

 

afb. 9, Henk Scheepers, Dass glück ihre tage Folge

Zijn laatste nieuwjaarswens voor 2002 was een knipseltje begeleid door de tekst:

‘Dat geluk uw dagen volgt’.

Ruth bedankte voor het medeleven na het overlijden van Henk met een kaartje, waarop zij deze wens bij ieder in herinnering bracht.

Magda Helms

 

Anna Maria van Schurman, het wonder van Utrecht, Knip-Pers 2002-3

In de Gouden Eeuw kwamen wetenschap en kunst tot grote bloei, deze periode heeft schilders van grote naam voortgebracht. Beoefenaars van mes- en schaarkunst hebben dat niveau nooit bereikt en zijn in de vergetelheid geraakt. Toch zijn er enkele namen van knipkunstenaars uit die tijd bekend, van wie knipsels bewaard gebleven zijn. Eén daarvan is Anna Maria van Schurman. Zij was een zeer bijzondere vrouw, hoogbegaafd en zeer geleerd en ze mocht zich rekenen tot de intellectuele en culturele elite van de Republiek der Nederlanden van de 17de eeuw. Toch maakte zij een radicale keuze door haar leven in dienst van God te stellen, en zij sloot zich aan bij de hervormingsbeweging van Jean de Labadie. In haar autobiografisch werk ‘Eucleria, of de uitkiezing van het beste deel’, beschrijft zij hoe zij God tekort gedaan heeft door haar intellectuele en artistieke inspanningen. Er kwam voor haar gevoel een moment dat dit niet langer kon en zij koos ervoor om een levend offer voor God te zijn binnen de Labadistengemeenschap, waar men vol toewijding God diende met bidden en zingen.

Zelfportret van Anna Maria van Schurman uit 1640, met de eik in het familiewapen. De houten lijst is van latere datum (Museum Martena, Franeker)

Anna Maria van Schurman wordt in 1607 in Keulen geboren in een streng calvinistisch gezin. Haar vader is uit Antwerpen gevIucht uit angst voor geloofsvervolging door de Spaanse overheersers. In Keulen ontmoet hij Eva Harf met wie hij trouwt. Hier worden behalve Anna Maria ook twee zonen geboren. Ook in Keulen beginnen de godsdienstvervolgingen en het gezin van Schurman vertrekt naar Utrecht. De familie is zeer welgesteld en behoort tot de hogere standen. Anna Maria is zeer begaafd en leergierig en krijgt les van de huisleraar die ook haar beide broers onderwijst. Zij krijgt les in geografie, dialectica, astronomie, botanica en metafysica. Reeds op jonge leeftijd beheerst zij verschillende talen zoals: Frans, Latijn, Grieks en Hebreeuws. Zij leest oude wijsgeren en verdiept zich in bijbelkennis en exegese. Ze is vooral geïnteresseerd in beeldende kunst, kunstnijverheid, dichtkunst en muziek. Ze maakt olieverfschilderijen, zilverstifttekeningen, houtgravures, papierknipsels en borduurwerk, uiterst fijn en kunstzinnig. Over het hanteren van schaar en papier schrijft zij in haar biografie Eucleria:
“Als ik maar een dochtertje van ses jaren was, kon ik zonder enig voorbeelt allerlei treksels en beeldjes uit papiertjes die mij in de hand vielen met een schaartje zo net uitsnijden, dat bijna geene van mijn speelnoten die haar wasdom hadden, zulks met spoet ter hand namen”.
Later wordt ze lid van het St. Lucasgilde als beeldhouwster en graveersters.

Als Johan Godschalk, de broer van Anna Maria, medicijnen wil studeren aan de Franeker Academie, verhuist de familie naar Friesland. Ook vader van Schurman wil daar theologiecolleges volgen bij professor Amesius, maar kort na aankomst in Franeker overlijdt hij. Op zijn sterfbed doet hij zijn enige dochter een verzoek, dat van grote invloed is geweest op haar levenswijze. Hij vraagt haar om nooit te zullen trouwen. Toch zullen er eerlijke motieven aan zijn verzoek ten grondslag liggen. In die tijd was het zo dat een vrouw na haar huwelijk niets meer te vertellen had in de maatschappij. Dan gold: “’t Betaemt de Mannen te spreken en te regelen, de Vrouwen te swijgen en te dienen”.

Vader van Schurman, die weet welke capaciteiten zijn dochter heeft, wil haar een kans geven zich verder te ontwikkelen. Anna Maria heeft naar de wens van haar vader geluisterd en is nooit getrouwd geweest. Zij heeft wel goede vrienden gehad en was bijzonder geliefd in wetenschappelijke kringen van mannen, verspreid over Europa. De eerste helft van haar leven heeft ze gewijd aan kunst en wetenschap. Zij had contact met de grote geesten van haar tijd zoals de filosoof Descartes, theoloog Voetius en de dichters Constantijn Huijgens en Jacob Cats. Met Cats onderhoudt zij een briefwisseling gedurende de tijd dat zij in Friesland woont; dit contact wordt door beiden zeer gewaardeerd.

Cats schrijft over haar in zijn dichtbundel ‘De trouringh’: …. “Die in de Nederlandsche, Hooghduytsehe, Fransche, Latijnsche Talen soo wel ervaren is geweest, dat sy daer in loffelyck spreken, brieven schrijven en dichten konde…… Die in ’t Teckenen en de Schilderkunste wel was ervaren. Die syde bloemen en diergelycke naer het leven konde borduren. Die Teyckenen konde net Potkol, de Penne, Crayon, etc. Die wist te schilderen in miniatuur of waterverwe…”

Wanneer Johan Godschalk zijn studie in Franeker heeft afgerond, vertrekt de familie weer naar Utrecht. Anna Maria wil zich verdiepen in de theologie en colleges volgen bij Voetius, die bevriend is met de familie van Schurman. Voetius is theoloog volgens de strenge traditie van het calvinisme en in 1634 benoemd tot hoogleraar aan de Illustre School te Utrecht, die in 1636 verheven wordt tot universiteit. In die tijd is het niet gebruikelijk dat een vrouw plaats neemt in de collegebanken, dit is het alleenrecht voor mannen. Professor Voetius wijst het verzoek van Anna Maria dan ook af.
Zij laat het hier niet bij zitten, maar stelt een tekst op waarin zij aantoont dat het ook een ‘christin’ past, zich te verdiepen in de theologie. Voetius bezwijkt voor haar argumenten en staat Anna Maria toe colleges te komen volgen, maar dan wel in een aparte ruimte achter de collegezaal gescheiden van de mannelijke studenten. Door een gaatje in de wand kan ze het gesprokene in de zaal volgen. Haar studie theologie en oude talen voltooit zij op voortreffelijke wijze en als blijk van erkenning krijgt zij de opdracht tot het schrijven van de ‘Latijnse feestzang’. Als reactie hierop ontvangt zij lofdichten en geschenken uit heel Europa. Geleerden uit het buitenland vragen haar mening; zij is bekend en beroemd.

afb. 2, Anna Maria van Schurman, knipsel met daarin tweemaal het monogram AM en in het midden een zespuntige ster, 8,5 x 11,5 cm

afb. 3: Otto van Voorst, Wapensnijdsel voor Johan Abraham van Schurman, dit is altijd toegeschreven aan zijn ‘oude moei’ Anna Maria van Schurman, maar het is na haar dood gemaakt door Otto van Voorst, 12 x 13 cm 

Na het overlijden van haar moeder verandert het leven radicaal voor Anna Maria. In de bloei van haar leven, zij is dan waarschijnlijk omstreeks 40 jaar, zegt zij alle intellectuele en artistieke bezigheden vaarwel en gaat zich wijden aan de zorg van twee hulpbehoevende tantes, zusters van haar moeder. Samen met broer Johan Godschalk verhuist zij naar Lexmond. Na twintig jaar overlijden de beide tantes kort na elkaar en krijgt Anna Maria weer tijd voor zichzelf. Zij komt in contact met Jean de Labadie, een jezuïet uit Zwitserland, die overgegaan is naar het protestantisme.

afb. 4: Wapensnijdsel van Otto van Voorst. Dit bevindt zich in het Zeeuws Museum te Middelburg en vertoont duidelijke overeenkomsten met het wapensnijdsel voor J.A. van Schuman, 22 x 19,4 cm

De Labadie krijgt als predikant in Middelburg veel aanhang, maar zijn ideeën brengen zoveel onrust, dat het in 1669 tot een breuk komt met de Hervormde Kerk. Jean de Labadie vormt met zijn volgelingen een afgescheiden kring en vestigt zich in Amsterdam. Zij vorrnen een mystieke geloofsgemeenschap die leven in gemeenschap van goederen naar het voorbeeld van de eerste christelijke gemeenten uit het Nieuwe Testament. Ook zijn zij tegen het burgerlijk huwelijk wat voor veel ophef zorgt, omdat zij als ongehuwde mannen en vrouwen in deze geloofsgemeenschap samenleven. Anna Maria sluit zich in 1670 bij de Labadisten aan en doet afstand van haar bezittingen. Zij vernietigt zelfs een aantal van haar werken omdat zij deze als tijdverspilling en beuzelarij ziet. De Labadisten zijn niet erg geliefd in Amsterdam en veroorzaken veel onrust, daarom moeten zij de stad verlaten.

Zij vertrekken naar Herford in Duitsland en krijgen onderdak op het landgoed van prinses Elizabeth van Bohemen, een vriendin van Anna Maria. Ook hier worden zij verdreven en zij vluchten naar Altona in Denemarken. Hier sterft Jean de Labadie in 1674 en Anna Maria wordt de moeder van de Labadistengemeenschap. Door de dreigende oorlog tussen Denemarken en Zweden vertrekt de groep naar Friesland. De Labadistengemeenschap, die inmiddels een paar honderd leden heeft, mag gebruik maken van het Waltaslot in Wieuwerd. Hier kunnen zij geheel in hun eigen onderhoud voorzien. Zij hebben een flinke veestapel, een kaasmakerij, een leerlooierij, een bakkerij en een weverij. Op zondag houden zij kerkdiensten en zingen de psalmen die Anna Maria uit het Frans vertaald heeft. Tot haar dood in 1678 is Anna Maria van Schurman moeder en raadgeefster van de Labadisten; enkele jaren later valt de groep uiteen.

In museum ’t Coopmanshûs in Franker wordt de herinnering aan Anna Maria van Schurman levend gehouden door haar portretten, boeken, publicaties, borduurwerk, knipwerk en kalligrafieën die daar tentoongesteld zijn. Het meeste daarvan is afkomstig uit een legaat dat Abraham Frederik van Schuman, een ver familielid, in 1783 naliet aan de Franeker universiteit, met daarbij de bepaling dat er op de vitrines in gouden letters een verwijzing naar het legaat moest worden aangebracht. Nog altijd hangt er een bord met gouden letters in het museum in Franeker met daarop de tekst: Keimèlia Annae Mariae Schürmanniae, ex legato cognati eius A. F. van Schürman (snuisterijen van Anna Maria van Schurman, uit de nalatenschap van haar verwant A. F. van Schurman).

Rieny van Beek

Gelezen:
Bep van der Linden-Nijdam, ‘Papierknipsels’, in: Kunst- en Antiekrevue, november 1977
Vera Gaikhorst, ‘Museumverhalen 7, Coopmanshûs Franeker’, in: Friesch Dagblad
Museum ’t Coopmanshûs, Anna Maria van Schurman, 1607–1678
Museum ’t Coopmanshûs, Alleen de faam is onsterfelijk!
Joke en Jan Peter Verhave, Schaar-Kunst
I.G.Kerp-Schlesinger, Leer knippende zien

Janny de Jong-Brouwer, Knip-Pers 2002-3

afb. 1, Jantje III, Levensboom met vogels

Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelden enkele personen hun interesse voor de knipkunst. Zij probeerden ook anderen enthousiast te maken voor het papierknippen en de geschiedenis daarvan. In Bussum was het Irma Kerp‑Schlesinger die zich de knipkunst zelf eigen heeft gemaakt en lessen gaf. Een aantal leden van de vereniging van het eerste uur zal zich haar leskamertje in Bussum nog wel herinneren. Ook heeft zij het lesboekje ‘Leer knippende zien’ geschreven, waarin praktische aanwijzingen gecombineerd werden met voorbeelden uit het verleden.

afb. 2, Jantje III, Levensboom met vogels

In Groningen, later in Drente was Wiecher Lever actief in zijn eigen museum; hij gaf lezingen en demonstraties door het hele land, verzamelde origineel werk, en probeerde verhalen rond knippers van vroeger op te sporen. In Noord-Groningen was het Line Huizenga, deskundige op het gebied van volkskunst, die op pad ging en knippers bezocht, foto’s maakte en dit alles heeft uitgewerkt tot een manuscript voor een boek. In Arnhem werkte in het Openluchtmuseum Hil Bottema, die van vele volkskunstmarkten thuis was. Ook het papierknippen werd door haar beheerst. Zij organiseerde demonstraties en vormde een kring van knippers om zich heen. Deze ‘kernen’ hadden weinig contact met elkaar. Alleen Huizenga en Lever hebben samen getracht om een boek over de geschiedenis van de papierknipkunst te schrijven. Deze onderneming heeft helaas geen resultaat gehad.

afb. 3, Jantje III, Poolse levensboom

Hil Bottema heeft de knipster Janny de Jong‑Brouwer ontdekt in de jaren ’50 en werd zeer enthousiast over haar knipwerk. Zij heeft haar ook begeleid. Haar advies aan Janny was: “Kijk niet naar het knipwerk van anderen, ga door op jouw manier, want dit is echt en puur, dit is volkskunst.”

 Vervolgens publiceerde in 1969 S.J. van der Molen in ‘Neerlands Volksleven’ een artikel over Janny de Jong. In dit artikel wordt een definitie gegeven van de ware volkskunstenaar volgens Janny: “Een volkskunstenaar is iemand die zelf scheppend, onbeïnvloed door stijIperioden, decoratief-versierend datgene bereikt dat door zuiverheid van vorm en kleur zo weet te boeien, dat door de tijden heen de bekoring blijft en wel vooral wanneer hij gebruik maakt van oude symbolische of Bijbelse voorstellingen, bewust of onbewust een boodschap brengt aan do gene voor wie het werkstuk bestemd is.”

afb. 4, Jantje III, Knipsel met zwaantjes, 10 x 15 cm

De toenmalige directeur van het Westfries museum schreef ter gelegenheid van een tentoonstelling van het werk van Janny in 1974 het volgende: “Haar werk mist de ‘onbedorven argeloosheid’ van de echte volkskunst maar zij laat zich inspireren door de vitale ornamentiek en vormenrijkdom van diezelfde volkskunst.”

Zij haalde haar motieven uit volkskunstige vormen en symbolen in Nederland en daarbuiten; de stiepelstekens op boerderijen, de klederdrachten en de PooIse levensbomen geven haar een aanknopingspunt. Zelf vond ze haar werk volkskunstig. Mogelijk is dit bescheidenheid. lk geef deze definities voor wat u erin wil lezen. lk ben en blijf enthousiast over het knipwerk en de toewijding voor de papierknipkunst van Jantje III en voor mij heeft ze haar sporen verdiend. Wat dan echt volkskunst is, is ongetwijfeld ook een opvatting die in elke tijd een andere inhoud krijgt. Hoe dan ook, Janny heeft vele malen in Westfries kostuum (anno 1880) in het Nederlands Openluchtmuseum en elders gedemonstreerd en zij is een geweldige ambassadrice voor de papierknipkunst geweest. Zoals Magda Helms in de laatste Knip‑Pers schreef, heeft zij tot het laatste Pinksterfeest voor haar plotselinge dood met en voor een groep vrouwen duifjes geknipt.

afb. 5, Jantje III, Kerstmis in de regen, 44 x 50 cm

Mevrouw de Jong is van origine Westfries en heeft lange tijd in Friesland gewoond, waar zij leiding gaf aan een bejaardentehuis. Allerlei vormen van handvaardigheid werden door Janny de Jong uitgeoefend. Op circa 40‑jarige leeftijd heeft zij zich de techniek van papierknippen eigen gemaakt. Als kind heeft zij haar grootmoeder kastrandjes zien knippen. In 1930 is zij met haar vader naar de Zuiderzeevisserijtentoonstelling geweest. Daar knipte Jan Visscher uit Urk. Echt herinneren deed ze hem niet meer. Later heeft zij een lezing van Lever bijgewoond, toen zij een correspondent verving voor een regionaal dagblad in Noord Holland. Zij heeft daardoor het enthousiasme voor het papierknippen ontwikkeld. Het papierknipwerk van Janny de Jong kenmerkt zich in de heldere vormgeving. Zij is door haar dochter wel vergeleken met Dick Bruna omdat beiden de kunst van het ‘weglaten’ goed verstaan. De vormen zijn ‘stevig, eenvoudig en duidelijk’. Het zelf ontwerpen is de uitdaging, namaken wat een ander al bedacht heeft geeft geen bevrediging!

afb. 6, Jantje III, Sint-Thomasluiden, 31 x 41 cm

In haar ouderlijk gezin gold: “zelf bedenken en dan maken geeft meer voldoening dan kopen”. Zij werkte zowel symmetrisch als op onderdelen opengevouwen. Aanvankelijk gebruikte zij gekleurd sitspapier op een witte ondergrond. Doordat sitspapier verkleurt, is zij over gegaan op wit papier dat zij vervolgens op een gekleurde ondergrond van vilt of papier monteerde. Haar onderwerpen raakten het dagelijks leven, vaak met een grapje, een humoristische noot, of waren geënt op Westfriese folklore en kerkelijke feestdagen.

Hil Bottema die in de 50-er jaren de basis heeft gelegd voor de verzameling en documentatie van papierknipwerk van het Openluchtmuseum, heeft Mevrouw de Jong de eretitel Jantje III gegeven. Waarom? Hil heeft gespeurd naar Jan de Prentenknipper, werk van hem verzameld voor het Nederlands Openluchtmuseum en een grote tentoonstelling georganiseerd in Zeeland. Vervolgens heeft zij Urkers geïnterviewd die de knipper Jan Visscher nog hebben gekend en dit alles in een documentatie vast gelegd. Jan de Prentenknipper uit Zeeland noemde zij Jan I, Jan Visscher uit Urk werd Jan II. Omdat zij beide mannen pure volkskunstenaars achtte, vond ze dat Janny de Jong in het rijtje paste. Bovendien hadden ze dezelfde voornaam en Janny werd zo Jantje Ill. Mevrouw de Jong heeft dit kennelijk gewaardeerd, want zij heeft hierna altijd haar werk gesigneerd, geschreven of geknipt, met JIII.

afb. 7, Joke Verhave, Jacobien, geknipt naar Jantje III, 1975

Behalve de trits als volkskunstenaars heeft Hil hen nog een ondertitel op basis van hun leven en houding meegegeven en wel als volgt: Jantje I is de Gewiekste, vanwege de manier waarop hij zijn prenten aan de man bracht. Jantje II is de Vrome, omdat hij religieuze knipsels maakte, denk aan de prachtige kerken van Urk. Jantje III is de Humoristische, op grond van haar grapjes in de knipsels.
Wat ik zelf dan nog aardig vindt, is dat zij elkaar ongeveer aflosten in de tijd: Jantje I: 1800‑1870, Jantje II: 1870‑1930 en Jantje III: 1924‑2002, en dan denk ik, wie wordt mogelijk Jantje IV, of moet die nog geboren worden?

afb. 8, Jantje III, De Tientonen en Elfribben. Kinderen in Wesffriesland kregen ’s avonds de waarschuwing: “Binnen komen, anders wordt je gepakt door de Tientonen en Elfribben!” Hierbij werd gedoeld op een bedreiging door boze mannen. Curieus is dat voor mannen het beeld van Adam wordt gebruikt, die na de schepping van Eva uit zijn rib, nog slechts elf ribben bezat.

Behalve in Arnhem heeft Jantje III op vele plaatsen in het land gedemonstreerd en haar werk tentoongesteld, o.a. in het Westfries Museum in Hoorn 1978, 1984 en later. Betreffende de techniek van knippen legde ze voortdurend uit, dat het niet de schaar is die tovert, maar je linkerhand. Daarmee draai je het papier alsmaar in de rondte, terwijl de schaar op dezelfde plaats blijft. Met haar grote kennis van oude gebruiken en volksverhalen en haar talent is zij tot een knipster van hoog niveau geworden. Behalve onderwerpen die uit haar eigen fantasie en geloof kwamen ging Jantje III ook steeds meer in opdracht knippen voor jubilea, geboorten en huwelijken. In principe knipte Jantje III voor eigen genoegen, maar ze was geheel niet wars van publiciteit. In het interview in de Knip‑Pers zegt Jantje III: “Ik knip om te knippen”. Voor koningin Beatrix te knippen was een hele eer, maar de prenten te knippen voor haar dochters huwelijk en de geboorte van haar kleindochter was belangrijker.

Al haar mondelinge uitleg legde ze vast in een reeks publicaties in de Friesland Post (1982) met praktische aanwijzingen voor wie eens de schaar in het papier wilde zetten. Ook radio- en televisieïnterviews ging zij niet uit de weg, integendeel. En ze vond het een prettig idee dat haar werk ook in verschillende musea en verzamelingen wordt bewaard. “Als ik dood ben, dan weten ze tenminste nog hoe Jantje III knipte”. En òf wij dat weten.

afb. 9, Jantje III, Kerststal

In 1971 heb ik Jantje III zien demonstreren in het Nederlands Openluchtmuseum. lk was er met twee jonge kinderen van mijn broer die bij mij logeerden. Omdat het een echt Nederlandse regenlogeerpartij was, heeft die mevrouw die zo mooi knippen kon, ons goede uurtjes bezorgd, doordat wij het ook zijn gaan proberen! Vervolgens kwam ik haar werk weer tegen tijdens een watersportvakantie in Friesland in 1972. We legden aan in Allingawier. Daar was in de museumboerderij ‘De Izeren Kou’ een tentoonstelling van haar werk. Dit overzicht van een productieve kunstenares gaf een flinke impuls aan mijn eerste probeersels.

afb 10, Jantje III, De Bullebak. Dit was een legendarisch figuur uit de Westfriese folklore die in de sloten huisde. Wesffriese kinderen kregen de waarschuwing mee: “Kom niet te dicht bij de sloot, anders pakt de Bullebak je!” Thans bij de herverkaveling verdwenen.

Het geboorteknipsel dat ik maakte voor onze tweede dochter verraadt nog heel duidelijk de invloed van Jantje III. Het is niet erg als een beginneling naar voorbeelden werkt om handig te worden in de techniek, een enkeling is van nature zo begaafd als J III, maar geleidelijk aan moet men wel een eigen stijl ontwikkelen. lk prijs mij gelukkig dat ik Jannie de Jong heb mogen leren kennen.

Joke en Jan Peter Verhave

Bronnen:
Knip‑Pers 1983-3
Knip‑Pers 1996-1
De prentknipkunst van Jannie de Jong-Brouwer, door A.K. Wesseldijk- de Jong, Tijdschrift over tradities en tijdsverschijnselen,Volkscultuur nummer 4, 1988
Diverse kleine artikeltjes.

Knippen en vasten, Knip-Pers 2002-1

Kunstenaars hebben zich al eeuwen laten inspireren door gebeurtenissen in de Bijbel. Verhalen over Jezus in de evangeliën die goed waren voor onze gedenk- en feestdagen, zijn zeer vaak uitgebeeld. Ook met de schaar zijn die verhalen doorgegeven.

Nu we dit artikel schrijven wordt het Carnaval gevierd en daarna begint een tijd van eenvoud en bezinning. Om jezelf daartoe te zetten, ontzeg je je overdaad, 40 dagen lang. Die periode loopt uit op de executie van Jezus aan het kruis: de aanleiding van ons vorige stukje over ‘Jesus Leyden’ van Jan de Prentenknipper. Aan die dramatische gebeurtenissen gaan enkele episoden vooraf: de intocht van Jezus in Jeruzalem en het Paasfeest dat hij met zijn vrienden vierde. Die verhalen kunnen we beleven aan de hand van een aantal knipsels uit verschillende tijden.

afb 1, Tola Steinhage, 1952

De eerste ‘schaarsnede’ is in 1952 gemaakt door de katholieke kunstenares Tola Steinhage. Het knipsel staat afgedrukt in een ‘Noveen’ voor de Eerste Heilige Communie: een serie van negen gebedsintenties, in dit geval voor kinderen en hun ouders [1]. Het verbeeldt de intocht van Jezus op een jonge ezel in Jeruzalem, waarbij de mensen spontaan hun mantels op de weg spreidden en wuifden met palmtakken, alsof Jezus een koning was. Ze riepen “Hosanna, zegen rust op hem, die komt in de naam van de Heer!” In de kerken wordt deze intocht herdacht op Palmpasen, de zondag voor het Paasfeest.

Al lezend in de evangeliën betrappen wij onszelf en de knipster op iets dat er niet staat: er wordt helemaal niet gezwaaid met palmtakken. Er worden alleen takken of groen van de bomen op de weg gelegd waar Jezus langs zou komen… Niet alleen een kunstenaarsvrijheid, maar een oude traditie.

afb. 2, anoniem, 19de eeuw

In een klein werkstukje van een onbekende knipper uit de 19e eeuw staan de omstanders ook al met palmtakken te wuiven. Het maakt deel uit van een hele serie over het lijden en de opstanding van de Heer, alles heel sober weergegeven, behalve de enorme stralenkrans.

Omstreeks 1860 heeft Jannes Grootenhuis meermalen Palmpasen knipsels gemaakt. Hij was kleermaker in Almelo en maakte knipsels zo groot als een krantenpagina. Hij vouwde de vellen dubbel en naaide ze vast. Als de symmetrische versiering uitgeknipt of gesneden was, maakte hij de draden los en werkte verder. In sommige van zijn werkstukken zijn de draadjes nog aanwezig!

afb. 3, Jannes Grootenhuis

Het afgebeelde knipsel van Grootenhuis heeft het verhaal van de voetwassing tijdens het Paasmaal tot onderwerp, zoals alleen beschreven door Johannes. Jezus geeft een voorbeeld van nederigheid aan zijn discipelen en vooral aan Petrus, de man van alles of  niets. Het tafereel is gezet in een zaal met klassieke kroonluchters, pilaren en siergordijnen van een voornaam huis; het geheel is omlijst door vazen met ‘levensbomen’ en ornamenten.

afb. 4, anoniem

Een veel ouder knipsel combineert drie verhalen: de intocht, Jezus die de kooplui van het tempelplein verdrijft en het Paasmaal. Het is door de primitieve, maar levendige weergave van de personen een aardig voorbeeld van (protestantse) volkskunst. De maker heeft de verhalen goed gelezen: geen gezwaai van palmtakken, het paaslam op tafel en behalve de stralenkrans rond het hoofd van Jezus, zijn er geen traditionele voorstellingen te ontdekken, zoals Judas met de geldbuidel (de knip).

afb 5, Jan de Prentenknipper alias Jantje II

Uiteindelijk belandt Jezus aan het kruis, in die tijd de gebruikelijke straf van de Romeinen voor (vermeende) oproerkraaiers. Op een aandoenlijk kinderlijke manier heeft Jan Visscher, de knipper van Urk de kruisiging uitgebeeld met alles erop en eraan. Op zijn manier, primitief, helder en duidelijk in woord en beeld (omstreeks 1935). Jan heeft in de knipperswereld de bijnaam Jantje II gekregen. Ook van Jantje III (Janny de Jong‑Brouwer) kozen we een passend knipsel: het symbolische Paaslam, het Agnus Dei, met de overwinningsbanier en staande op de tekens van brood en wijn (1971).

afb 6, Janny de Jong-Brouwer alias Jantje III, 1971

Een blij Pasen, met aandacht geknipt!

Joke en Jan Peter Verhave

 

[1] We schreven in de Knip-Pers van maart 1989 een artikel ‘Psaligrafie van Pasen’, waarin enkele andere knipsels van Tola Steinhage zijn afgebeeld (psalis = schaar, dus tekenen met de schaar).

Vroomheid op velijn als kant zo fijn, Knip-Pers 2001-3

Een vakantie wordt voor ons pas echt goed als we iets over papierknippen kunnen ontdekken. Dit jaar bekeken we een tentoonstelling over ‘Spitzenbilder’ in het Oostenrijkse Linz. Het Landesmuseum had uit haar grote verzameling een mooi overzicht gemaakt en we geven graag iets door van wat we er zagen en leerden.

De naam ‘Spitzenbilder’ komt van de manier waarop deze prentjes gemaakt zijn: zeer fijn uitgewerkte versieringen, die doen denken aan kanten kleedjes. Je zou het kunnen vertalen met ‘kantknipsels’, maar ze zijn uitgesneden met pennenmesjes, meestal uit perkament. Dit materiaal is gemaakt van de huid van ongeboren lammetjes (velijn). Het werd met 4 spijkers op een plankje gespannen. De gaatjes zijn vaak nog zichtbaar en werden soms wel in een bloemetje opgenomen. De symmetrie in de motieven is dus niet door dubbelvouwen verkregen. De prentjes zijn van klein formaat, zoals nu nog wel de bidprentjes voor katholieke overledenen, die worden uitgereikt bij de begrafenis. Ze zijn in de loop van de 18de eeuw in grote aantallen gemaakt, vooral in Zuid-Duitsland en Oostenrijk. Ze zijn met kleuren beschilderd en dragen een apart geschilderd miniatuurtje van een katholieke heilige of een bijbels tafereeltje. Deze heiligenprentjes of ‘santjes’ werden bewaard in kerkboeken en dienden voor de persoonlijke vroomheid en verering: daarom worden ze ook wel devotieprentjes of ‘Andachtsbilder’ genoemd.

In de tentoonstelling was een poging gedaan om in de grote verscheidenheid orde te brengen. Aandacht werd gegeven aan de ontwikkeling in de tijd, waarbij een overgang duidelijk werd van eenvoudige, schijnbaar symmetrische, naar meer krullerige uitvoering en weer terug. Tegen het eind van de 18de eeuw werd perkament te duur en ging men over op papier.
Nog later werden machinale prentjes gemaakt, maar die vielen buiten het bestek van de tentoonstelling.

Goed te zien was, dat de kunstzinnige mode ook haar invloed had op deze religieuze volkskunst. Zoals gebruikelijk liep de volkskunst een tijd achter op de officiële kunst. Pas nadat vele kerken omstreeks 1750 versierd waren met barokke rococokrullen, zie je die niet-symmetrische vormen ook terug in de prentjes en tientallen jaren nadat rococo weer uit de mode was, bleven handwerkslieden ze nog gebruiken.

Wie maakten die prentjes? In de eerste plaats waren er de snijders en de schilders. Waarschijnlijk werkten die in ateliers en het ligt voor de hand om aan kloosterarbeid te denken. Daarvoor zijn wel een paar aanwijzingen, maar het zou heel goed kunnen dat in pelgrimsplaatsen ook leken hun ateliers hadden, waarbij hele gezinnen bezig waren met dit priegelwerk. Door de opbouw van de prentjes te vergelijken kon met in de tentoonstelling een aantal ‘Werkstätten’ aannemelijk maken, maar dat helpt ons niet veel verder, omdat men in eenzelfde atelier immers best verschillende motieven kon toepassen.
Er is eigenlijk heel weinig bekend over de plaatsen waar ze gemaakt zijn. Nog steeds is het bijna onmogelijk om die ateliers te lokaliseren. Wel probeerde men de prentjes te groeperen naar de snijmotieven. Veel prentjes zijn met heel fijne takje uitgewerkt, die men aspergetakjes noemt. Ook komt regelmatig een kunstige knoop voor in de vorm van een liggende 8  (symbool voor de eeuwigheid) met een hart erin. (Dit motief komt ook veel voor in de knipsels van de Zwitserse knipper Hauswirt.) De pelikaan verwijst naar opofferende liefde, terwijl de gekroonde tweekoppige adelaar wijst op Oostenrijkse herkomst.

Wat de geschilderde heiligen betreft, zijn er al evenmin veel aanknopingspunten. Natuurlijk komt Maria veel voor, met het kindje Jezus, of met de gestorven Jezus (Piëta). Jezus als blozend jongetje was in die tijd favoriet in de nonnenkloosters, maar natuurlijk ook de gekruisigde Jezus. Vader Jozef en de traditionele grootouders Joachim en Anna, en ook Johannes de Doper waren populair. (Zie het Lam Gods, Agnus Dei.) En dan die eindeloze reeksen van martelaren, zoals Catharina, Agnes, Magdalena, Barbara en de latere heiligen, zoals Ignatius, Franciscus, Johannes Nepomuk, Elisabeth. De laatste twee leefden in midden-Europa, en zo komen ook St. Wenzeslaus en St. Stanislaus voor, die in de Nederlanden nauwelijks als voorspraak aangeroepen worden. (Of onderschatten we de volkse vroomheid?)

Waarschijnlijk werden de prentjes over grote afstanden verhandeld, bijvoorbeeld langs de Rijn, want ook in Nederland zijn ze wel te vinden. De musea voor religieuze kunst in Breda en Uden hebben grote collecties devotieprentjes, met veel ‘Spitzenbilder’ uit het Duitse taalgebied. In een oude Knip‑Pers staat een artikel over dit onderwerp. Geknipte of gesneden devotieprentjes van perkament met een geschilderd heiligenportret zijn ook wel in de Nederlanden gemaakt, maar die zijn toch heel anders dan de Duitse. Naar ons idee zijn ze meer verwant aan de vroeg-barokke versieringen die de Nederlandse perkamentsnijder Frederik Hendrik van Voorst gebruikte.

Frederik H. van Voorst, 1716

Opmerkelijk was dat de tentoonstelling nu juist begon met een groot perkament snijdsel van deze Van Voorst, die in 1716 een wapenstuk had gemaakt voor de Nijmeegse magistraat. Het was ooit door een Oostenrijkse gezant in Nederland gekocht en hangt nu te pronk in Linz. Dit snijdsel heeft vooral vanwege de techniek en het materiaal verwantschap met de ‘Spitzenbilder’. Het was voor ons, die een studie van Van Voorst gemaakt hebben, heel leuk om dit stuk nu in het echt te zien.

Ten slotte, uit het feit dat wij in Zeeland veel 18de‑eeuwse Duitse devotieprentjes vonden, hebben wij verondersteld dat Jan de Prentenknipper ze ook gekend heeft en zo het idee kreeg voor zijn eigen bijbelleggertjes, die ongeveer dezelfde afmeting hebben.

Joke en Jan Peter Verhave

Bronnen:
Spitzenbilder, Pergamentschnittbilder aus den Beständen des OÖ. Landesmuseum Linz 2001.
Verspaandonk, Kant- en Knipselprentjes DI II, Knip-Pers 1988-1.
J.P. Verhave, Konststucken van snijden, Antiek 20, maart 1986 (ook als catalogus expositie Museum Commanderie van St. Jan, Nijmegen, over F.H. van Voorst).

N.B. Grootte knipwerkjes: “klein formaat, zoals nu nog wel de bidprentjes voor katholieke overledenen”.