Auteursarchief: admin

Een oud knipsel, Knip-Pers 2005-3

Een oud knipsel,of hoe een droomwens in vervulling ging

Vorige zomer ging ik op een maandagmiddag naar Haarlem om te winkelen. Op de Grote Markt staan dan veel kramen met stoffen, fournituren en kleding. Het is er heel gezellig. Toevallig kwam ik ook op de Botermarkt, achter V&D; daar was een kleine curiosa- en antiekmarkt, er waren ook een paar boekenstalletjes. In een van de kramen lag, tussen oude potjes, vaasjes en wat kralen, een oud, kapot knipsel in een kapot lijstje. lk nam het meteen heel voorzichtig in mijn handen en vroeg wat het kostte. De verkoopster zei, dat het voor een liefhebber was die het uit elkaar kon peuteren. Het hoefde niet veel op te brengen. Ze vertelde, dat ze het al eerder meegenomen had naar de markt, maar dat tot nog toe niemand er belangstelling voor getoond had. lk vertelde over mijn belangstelling voor knipsels, de knipvereniging en mijn contacten met mensen die mij wel konden helpen. Die mevrouw vroeg, hoe oud ik het knipsel schatte. Dat durfde ik haast niet te zeggen, dan zou de prijs vast omhoog gaan. “Ik denk, dat het misschien uit het einde van de achttiende eeuw is, maar ik ben geen expert, dus het kan ook jonger zijn.” Gelukkig mocht ik het voor een euro kopen, maar dan moest ik het wel restaureren. Daar hoefde ik niet over na te denken! lk had het gevoel, dat het knipsel er speciaal voor mij lag en heb nooit durven dromen, dat ik ooit nog eens zo’n oud knipsel zou hebben!

afb. 2, Knipsel in oude toestand

afb. 3, Knipsel na eigen herstel, 20 x 10 cm

De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag
De opdracht om het knipsel te restaureren, moest natuurlijk wel uitgevoerd worden en dat deed ik graag! Het was een erg leuke uitdaging. Allereerst ben ik er mee naar de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag gegaan. Daar is een papierexpert die ervaring heeft met het dateren van papier en soms kan uitzoeken waar het vandaan komt. Zo kwam ik terecht bij de heer Henk Porck. Hij werkt als conservator en onderzoeker op de K.B. Hij wilde graag helpen maar hij zei wel, dat zijn onderzoekingen niet altijd de gewenste informatie kunnen opleveren.

Hij ontving mij op de papierafdeling, in de studiezaal van de papiercollectie, een werkruimte met grote tafels in het midden. Aan de wanden planken met oude boeken over papier, en grote kasten met laden, vol met allerlei soorten papier. Deze vellen worden gebruikt als hulp bij het dateren van het papier en om de herkomst te bepalen. Op een van de tafels lagen een paar Knip-Persen.

Henk Porck vertelde, dat hij in 1996 op onze contactdag is geweest in Den Haag. Hij kent onze Knipvereniging dus. Hij vertelde, dat het dateren van papier een moeilijke klus is met veel valkuilen. Het oudste papier werd met de hand geschept en is gemaakt van witte lompen. Aan het eind van de achttiende, begin negentiende eeuw kwam er gebrek aan witte lompen en vanaf die tijd werden er ook gekleurde lompen gebruikt. Die werden eerst gewassen, ontkleurd en gebleekt. Maar af en toe zitten er toch nog gekleurde vezeltjes in het papier. Dit kan een aanwijzing zijn dat het papier na ca. 1800 geschept is. Met het blote oog zijn deze vezeltjes bijna niet te zien, maar leg je het papier onder een stereomicroscoop, dan ontdek je er soms een paar.
Bij het papierscheppen wordt een zeef gebruikt om de pulp uit het water te scheppen. De horizontale koperdraden van de zeef liggen dicht tegen elkaar aan om de pulp op te scheppen; het water zakt door de spleetjes naar beneden. Zo blijft er een vel papier over. De lijnen van het raster van de zeef zijn later nog zichtbaar. Dit heet de “vergeure” (spreek uit: verzjure). Soms is dat heel moeilijk te zien, maar met een lamp achter het papier is dit raster in doorlicht toch nog te ontdekken. De dikkere verticale lijnen in het raster zijn afkomstig van de zogenaamde kettingdraden, die liggen een paar centimeter uit elkaar. Zij geven de zeef stevigheid. (Denk aan een weefgetouw.) Onder deze dikke kettingdraden zijn voor extra stevigheid ook nog dunne latjes bevestigd. Ze zijn iets dikker dan de kettingdraden; er blijft hierdoor wat meer pulp liggen en het papier wordt op die plaats een heel klein beetje dikker. Als het papier opgedroogd is, lijkt het of er schaduwranden over liggen. Ook dit is een aanwijzing dat het om origineel met de hand geschept papier gaat, dat vóór 1800 gemaakt is.

Ook een lichte ronde vlek in het papier is een aanwijzing, dat het geschept is. Als na het scheppen de rand van de zeef afgehaald wordt, valt er soms een druppel water op het nieuwe, nog zeer kwetsbare geschepte papier. Dit geeft een dun plekje in het papier. Soms werd er op de zeef een bepaald motief van dun koperdraad bevestigd. Hierdoor ontstaat er een watermerk in het papier. Als er in een vel papier zo’n watermerk zit, kan dit ook een aanwijzing zijn om de leeftijd te bepalen. Van veel papiermakers en papiermolens is namelijk het watermerk bekend. Deze gegevens liggen ook opgeslagen in de Koninklijke Bibliotheek.

Toen het papier machinaal vervaardigd werd, wilde men toch ook papier maken dat er uit zag als geschept papier. Om dit effect te bereiken, liet men een rol met een zeefstructuur, eventueel met een watermerk, over het nog natte papier lopen. Men noemt dit machinaal-gevergeerd papier. Later in de negentiende eeuw werd er ook nog geschept papier gemaakt, maar dan is als grondstof voor de vezels steeds vaker hout, in plaats van lompen, gebruikt.

Vanaf het eind van de dertiger jaren van de twintigste eeuw worden er optische witmakers gebruikt om mooi wit papier te verkrijgen. Houd je dit papier onder een ultraviolette lamp, dan licht het papier lichtblauw op. Met ouder papier is dit niet het geval. Toch is het soms moeilijk om ondanks al deze aanwijzingen de leeftijd van het papier vast te stellen. Dan moet een lichtmicroscoop uitkomst bieden. Er worden van het papier heel voorzichtig een paar vezeltjes afgeschraapt. Hiervan wordt een vezelpreparaat gemaakt. Met behulp van het doorvallende licht is te zien, wat voor vezel het is, een lompenvezel of een houtvezel. Ook dit zegt natuurlijk heel veel over de leeftijd. Deze vezelanalyse is alleen verantwoord als er genoeg materiaal is om te gebruiken en het origineel niet verstoord wordt.

Maar nu terug naar het oude knipsel. Henk Porck noemde het knipsel een bijzondere vondst; het is origineel en het heeft een authentieke uitstraling. Het is zeker geen moderne vervalsing.

  1. Omdat het om een fijn knipsel gaat, is er geen duidelijk herkenbaar watermerk te ontdekken.
  2. Onder de stereomicroscoop zijn enkele gekleurde vezeltjes te zien die in het papier zitten; er liggen andere witte vezeltjes overheen.
  3. Met behulp van strijklicht is de vergeure te zien.
  4. Met behulp van ultraviolet licht is te zien, dat er geen optische witmakers in het papier aanwezig zijn.

Restauratieatelier De Riemkap in Heemstede
De volgende stap was bij een papierrestaurateur advies in te winnen. Daarvoor ben ik naar Restauratieatelier De Riemkap in Heemstede gegaan. Men heeft hier vaker knipsels gerestaureerd. De heer Frits Hazenberg zei dat er veel zwakke punten in het knipsel zitten, maar dat het zeker niet ‘total loss’ is! Het is de vraag, hoe lang het knipsel al in deze slechte staat is. Voor een eventuele restauratie is de kwaliteit van het papier erg belangrijk, hoe diep de vouwen zijn en hoe lang het papier deze toestand uithoudt en dus niet breekt. Het beste is het om het knipsel helemaal te restaureren, de takken van de bomen weer goed te leggen en de zwakke en kapotte plaatsen te versterken met heel dunne reepjes papier. Daarna moet het knipsel met een heel klein beetje lijm opgeplakt worden en met een passe-partout in een lijstje gedaan worden. Het is beter voor het papier om het niet direct tegen een glasplaat aan te leggen.

Frits Hazenberg zei dat de waarde van het knipsel moeilijk te bepalen is. Wanneer het gerestaureerd wordt, is het waarschijnlijk een museumstuk. Zo niet, dan is het een archiefstuk met informatiewaarde. De totale restauratie van het knipsel zal niet goedkoop zijn.

Het gemeentemuseum in Den Haag
Op het knipsel zijn een deftige dame en een heer te zien en een jongen die met een zwierige buiging zijn hoed afneemt. Een tuinman is bezig een boom te snoeien. Onder de microscoop is te zien, dat de lijnen van de japon ingekerfd zijn. lk heb deze figuren onder het kopieerapparaat twee keer vergroot en opnieuw uitgeknipt van wit papier (afb. 5), zodat de contouren heel goed te zien zijn, evenals die van de getrimde hond (afb. 4).

afb. 5

afb. 4 en 5, Fragmenten vergroot en opnieuw uitgeknipt door Jeannet Pasterkamp‑Boerkoel

afb. 6

Mevrouw Hohe, Conservator Mode van het gemeentemuseum in Den Haag, heeft deze silhouetten bekeken. Zij kwam tot de volgende conclusies:

  • De datering van het modesilhouet is ca 1790‑1795;
  • De dame en de heer kan men ‘redelijk modieus’ gekleed noemen (dus ook ‘redelijk welgesteld’);
  • De heer draagt een modieuze frac (rok) die op de Engelse mode is geïnspireerd en waarschijnlijk gemaakt is van zijde of wol;
  • De kleding van de dame is mogelijk van katoen geweest of anders van zijde;
  • De werkman is niet modieus gekleed, hij komt uit een lager milieu;
  • De getrimde hond is niet verbonden met het modesilhouet;

Tussen Kunst en Kitsch
Uiteraard ben ik er mee naar ‘Tussen Kunst en Kitsch’ geweest. Er is een nieuwe papierexpert, de heer Bas Hesselink. De takken en blaadjes van de twee linker bomen had ik al onder een microscoop voorzichtig met twee spelden wat recht gelegd, zodat het knipsel er al veel mooier uit zag. Toch was de taxatie enigszins teleurstellend. Voor mijzelf was dat niet belangrijk, ik ben erg blij met het knipsel. Maar om heel veel geld uit te geven voor de restauratie van iets dat niet veel geld waard is, daar moest ik nog eens goed over nadenken.

Restauratie
Eerst dacht ik het knipsel maar te laten zoals het was, het zag er al heel goed uit en het rechter boompje was best spectaculair zoals het in elkaar gefrommeld was, met allerlei pluisjes er tussen. Maar op een vroege zonnige ochtend heb ik het knipsel toch weer onder de microscoop gelegd. Alleen maar even de stam recht gevouwen (afb. 1), hoe zou het er dan uit zien?

afb. 1, het verfrommelde rechter boompje

Daar zat een pluisje, dat kon er ook wel uit. Nog een takje rechtgebogen. Nog een blaadje omgedraaid. Twee pluisjes er uit… Toen moest ik stoppen, mijn handen begonnen te trillen. Snel een plaatje glas overgelegd, want als je even blies, was er een blaadje verdwenen. De volgende dag kon ik weer verder gaan.

Zo werkend, kwam het knipsel er steeds mooier uit te zien. Een paar takjes lagen los. Die heb ik zo goed mogelijk tegen de stam aangelegd. Alles in een lijstje en het vooral niet meer openmaken om eventjes nog wat te verbeteren. Voorlopig is het goed zo!

Toen waren er nog een paar losse blaadjes over, te klein om in het knipsel te leggen. Misschien zou Henk Porck er nog een vezelanalyse mee kunnen doen? Voordat ze verdwenen zouden zijn, heb ik ze gauw in een diaraampje tussen glas gestopt. 

De vezelanalyse
En inderdaad, met die piepkleine stukjes papier kon Henk Porck nog aan het werk. Hij maakte een preparaat en bekeek het onder de lichtmicroscoop. Hieruit bleek dat de grondstof voor de vezels van het papier voor 100 % uit lompen bestaat. Zijn conclusie is: Al de bovengenoemde gegevens over het papier tonen aan dat het zeker niet onwaarschijnlijk is dat het papier van het knipsel dateert uit het einde van de achttiende of het begin van de negentiende eeuw.

De knipper
Natuurlijk heb ik op de laatste contactdag aan Joke en Jan Peter Verhave een afbeelding laten zien. Er is verder helemaal niets over bekend. Misschien zouden zij kunnen vertellen wie het knipsel gemaakt heeft. “Het zal heel moeilijk zijn om dat uit te zoeken”, zeiden ze. Dan moet er net een (bijna) identiek knipsel zijn waarvan de maker bekend is. En die kans achtten zij niet erg groot. Maar mocht ooit bekend worden wie het knipsel gemaakt heeft, dan laat ik het u weten.

door Jeannet Pasterkamp‑Boerkoel

Dank
Voor de hulp bij de onderzoekingen wil ik graag Henk Porck en de Koninklijke Bibliotheek bedanken. Hun hulp is belangrijk geweest bij mijn speurtocht naar de achtergronden van het knipsel.

Maria Stevens-Pfabe, Knip-Pers 2005-3

Op een zonnige middag fiets ik naar Dieren-Zuid, waar papierknipster Maria sinds 1999 woont. Vorig jaar heeft Hanny Brinkhorst haar ontmoet op de eiertentoonstelling in Velp. Daarna is ze enkele keren bij ons op de knipkring gekomen; we waren erg onder de indruk van haar knipwerk. In november hebben we bij Maria les gehad in het knippen van 5-, 6- en 8‑puntige sterren. Dit was een openbaring voor ons. Het werd een gezellige en inspirerende middag. Met dit in gedachten kom ik bij Maria aan. Ze heeft foto’s en knipsels opgezocht en uitgestald op tafel. lk kom ogen tekort voor al dat moois, dat er ligt Bij een kopje thee komt haar verhaal.

Maria is in 1922 geboren in Dresden. Haar jeugd heeft zij doorgebracht in Bitterfeld. Op school werd ze gestimuleerd door een lerares in het knippen en tekenen. Het postpapier en kalenders van Plieschke (afb. 1) intrigeerden haar. Ze knipte in die tijd niet veel; alleen voor gelegenheden.

afb. 1 – Plieschke

Aanvankelijk wilde ze naar de kunstacademie, maar op aanraden van haar ouders heeft ze een beroep gekozen. Na het Lyceum is Maria medisch assistente geworden. In de oorlog, tijdens het bloedprikken sloeg de vonk over. Ze werd verliefd op een Groninger die daar te werk was gesteld. In 1944 verloofden ze zich. Voor haar verloofde heeft ze toen een knipsel gemaakt (afb. 2).

afb. 2, Maria Stevens-Pfabe, knipsel voor haar verloofde,18 x 14 cm

In 1945 zijn ze getrouwd en het paar vestigde zich in Ost Friesland, omdat Maria als Duitse niet meteen in Nederland mocht wonen. Haar man werkte als tolk bij de Engelsen. In 1947 is het gezin naar Groningen verhuisd. Na enkele omzwervingen zijn ze beland in Nieuwegein, waar Maria zich bezig heeft gehouden met haar gezin (3 kinderen).

Voor het knippen was weinig tijd. Het beperkte zich tot het maken van knipsels op kaarten. Haar dochter woonde in Delft en vroeg haar mee te doen aan een kunstmarkt. Dit was het begin van ontmoetingen met mensen die ook knipten. Zo kwam ze in contact met mevrouw Van Dorp uit Amersfoort en met haar heeft ze veel geknipt.

In die tijd is Maria op les geweest bij mevr. Kerp. (Met de medecursisten onderhoudt ze nog steeds warme contacten). Hier maakte ze kennis met het vouwknipsel. Dat gaf haar weer veel nieuwe inspiratie (afb. 4).

afb. 4 , Maria Stevens-Pfabe, Familieboom

Met mevr. Kerp en medecursisten hielden ze een tentoonstelling in een bank in Bussum. Er volgden vele exposities. Van de kniptentoonstelling in ’t Spant in Bussum ‘Knipkunst 1982’ is een boekje verschenen: Het begon zo… Portrettenalbum door Elly Stroucken-de Jager (1982).

Vanaf de oprichting van de knipvereniging in 1983 is Maria lid. Via mevrouw van Dorp ging ze les geven. Ze gaf lezingen en zat op diverse markten. Nu nog gaat ze naar kerstmarkten en eiermarkten in Nederland en Duitsland. Na het overlijden van haar man gaat de dochter mee. In Zons (Düsseldorf) komt ze al 15 jaar op de markt in het museum. Maria heeft knipwerk geëxposeerd in Vreden, Duisburg, Heidelberg en Bern.

afb. 5, Maria Stevens-Pfabe, paaseieren

Nog elke dag knipt Maria, het ontspant haar enorm. Veel onderwerpen zijn in de loop der jaren aan bod gekomen. Van bomen, vlindermeisjes (afb. 3) …

afb. 3, Maria Stevens-Pfabe, 3x Vlindermeisjes

…en huizen tot heel veel kerstknipsels (afb. 7).

afb. 7, Maria Stevens-Pfabe, Kerststal

Maria is in de loop van de tijd steeds fijner gaan knippen. Ze plakt het knipwerk op kaarten en houten dozen (afb. 6).

afb. 6, Maria Stevens-Pfabe,,knipwerk op houten (spanen) doos

Het ziet er prachtig uit. Maria gebruikt naast zwart papier ook blauw, bruin en andere kleuren papier. Voor het opplakken heeft ze een prima methode ontwikkeld. Ze legt het knipsel op de doos, verzwaart de ene helft, waardoor het niet kan verschuiven, smeert de ondergrond in met behangersplaksel, dept het teveel aan lijm af en behandelt daarna de andere kant. Het zit heel glad. Zonodig wordt het afgelakt.

De middag vliegt om. Er komen steeds meer herinneringen boven: aan de contactdagen, de markt in Hoorn en de ontmoetingen met de vele knippers.

“Door het knippen heb ik veel goede vrienden gekregen en is mijn leven verrijkt”, aldus Maria.

Na een fijne middag neem ik afscheid met de belofte dat we volgend jaar eieren komen maken. Maria blijft gewoon doorgaan met knippen. Hopelijk kunnen wij er nog lang van genieten!

Baukje Koerts

Joke Verhave, bioloog gebiologeerd door de knipkunst, Knip-Pers 2005-3

De naam Verhave is bij alle leden van de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst bekend, want Joke en haar man Jan Peter publiceren namelijk al vanaf de oprichting van onze Vereniging in 1983 in iedere Knip‑Pers (op één na) zeer interessante en wetenschappelijk onderbouwde artikelen over alle facetten van het papierknippen. En ze doen niet alleen dat; in 1983 werd door hen het standaardwerk ‘Schaar‑Kunst’ gepubliceerd. Het prachtig uitgevoerde boek ‘Jan de Prentenknipper’, uitgegeven in 1993, is eveneens van hun hand. Kortom: beiden beijveren zich al vele jaren om de papierknipkunst bekendheid te geven en de ontwikkeling van deze kunst in Nederland in kaart te brengen.

Oplettende lezers onder u zullen trouwens weten dat in de Knip‑Pers van maart 1998 al een artikel geschreven is door Hanke Helms over het echtpaar Joke en Jan Peter Verhave. Maar zonder Jan Peter te kort te willen doen, willen wij deze keer de schijnwerpers eens alleen op Joke richten: zij speelt immers een zeer prominente rol in het knipgebeuren, maakt zelf mooi knipwerk en door haar toedoen is het immers allemaal begonnen!

Even een korte terugblik: In 1971 bezocht Joke met logeetjes het Openlucht Museum in Arnhem en zij troffen daar mevrouw Jannie de Jong‑Brouwer (1924‑2002) oftewel Jantje III, die een demonstratie papierknippen gaf. Het was slecht weer, de logeetjes moesten bezig gehouden worden, dus eenmaal thuis zocht Joke papier en schaartjes bij elkaar en er werd van alles en nog wat geknipt. Dat was het begin van een passie die tot op de dag van vandaag voortduurt.

Gedurende een tijdelijk verblijf in Amerika waar Jan Peter voor zijn werk een jaar moest zijn, hield Joke zich intensief met het onderwerp knippen bezig: ze maakte zelf knipsels, gaf demonstraties, begon zelfs een winkeltje op knipgebied en ging driftig op zoek naar (oud) knipwerk. Eenmaal terug in Nederland, zo rond 1978, toog ze weer naar het Openlucht Museum in Arnhem en met haar tomeloze energie stortte ze zich daar op de aanwezige knipkunstcollectie. De afspraak was dat Joke enerzijds zich voor haar eigen genoegen in de museumcollectie mocht oriënteren en onderzoek mocht doen, en anderzijds het resultaat van haar bevindingen aan het museum ter beschikking zou stellen.

In dat kader schreef zij haar eerste artikel, en wel over Evert Root Sr. (1896‑1978), een knipper die jarenlang een winkeltje in Amsterdam had. Toen Joke over hem hoorde en hem op wilde gaan zoeken, bleek hij spijtig genoeg kort daarvoor te zijn overleden.

Joke heeft wel contact gehad met twee van de drie Nederlandse coryfeeën van na de oorlog, die elk op hun eigen gebied een autoriteit waren: dhr. Wiecher Tjeert Lever (1917‑1981) met zijn museum dat eerst in Roden en later in Westerbork was gevestigd, en dan was er natuurlijk mevr. I.G. Kerp‑Schlesinger van wie in 1970 het informatieve boekje ‘Leer knippende zien’ verscheen. Hil Bottema (1913‑1968), die zich als medewerkster van het Openlucht Museum in Arnhem toelegde op de documentatie van Nederlands knipwerk, was al overleden toen Joke startte (HiIs opvolgsters Jantje III en To van Waning heeft Joke wel leren kennen). De onderlinge verstandhouding tussen de heer Lever en de dames Kerp en Bottema was van dien aard dat zij hun krachten niet hebben kunnen bundelen.

In 1978 kocht Joke in een opwelling de eerste drie antieke knipsels in een antiekzaak, en deze vormden het begin van een schitterende collectie

afb. 1, anoniem, Engeltje, 7 x 9 cm

In 1981 overleed onverwachts Wiecher Tjeert Lever. Zijn zeer omvangrijke collectie werd geveild bij Christies in Amsterdam en ook daar waren Joke en Jan Peter bij. Er kon gelukkig veel origineel snijd- en knipwerk voor Nederland behouden blijven: er werden o.a. aankopen gedaan door het Westfries Museum in Hoorn, het Openlucht Museum in Arnhem, door Tobia Lever (een van de dochters van W.Tj. Lever) en er kwamen ook enkele knipsels in het bezit van Joke en Jan Peter Verhave.

Zo groeide hun verzameling. Gelukkig is het huis van de Verhaves behoorlijk ruim en overal waar maar muren zijn, hangt knipwerk, zelfs tot in het toilet! En verder zijn er gelukkig altijd nog laden en mappen waar veel in opgeborgen kan worden. Het gaat het echtpaar Verhave speciaal om Nederlands antiek snijd- en knipwerk, en dan het liefst met de naam van de maker of de maakster. Omdat die naam natuurlijk lang niet altijd bekend is, is er al heel wat speurwerk door beiden verricht en dat heeft in de loop der tijden tot bijzondere resultaten geleid. Door hun boeken en de publicaties in de Knip‑Pers werd er steeds ruime bekendheid gegeven aan hun onderzoekingen en resultaten.

Joke is bioloog, dus het moet haar aanspreken dat ik vind dat zij duidelijke kenmerken bezit van een getalenteerde duizendpoot: zij heeft vier dochters opgevoed, altijd een verantwoordelijke baan gehad, een druk huishouden, een grote tuin die bijgehouden moet worden.

afb. 2, Joke Verhave, Pake en Beppe 50 jaar getrouwd, 40 x 30 cm

En dan op knipgebied: zij maakt zelf heel mooi knipwerk met een eigen stijl, heeft haar knipkring in Nijmegen opgericht, verzamelt, geeft lezingen, verricht restauraties en heeft steeds kans gezien om naast haar werk samen met haar man allerlei artikelen te schrijven, kortom: haar inzet en enthousiasme is ongeëvenaard!

afb. 3, anoniem, St. Franciscus, 9 x 12 cm

Joke kan heel boeiend vertellen en tijdens mijn bezoek heb ik weer het nodige geleerd. Zo wees zij me bijvoorbeeld op de schijnsymmetrie van sommige religieuze snijdsels; op het eerste gezicht lijkt het of de rechter- en linkerkant identiek zijn. Ook hoorde ik dat er van perkament veel fijner werk gemaakt kon worden dan van papier. Het perkament werd daartoe eerst nat gemaakt en gespannen op een lindehouten plankje en vervolgens gesneden.

Verschillende knipsels heeft Joke moeten restaureren, daar is ze uiterst handig in geworden. Hoewel geen van de 4 dochters hun moeder heeft opgevolgd op het knipperspad, volgt wel een ervan momenteel de restaurateursopleiding en het is natuurlijk heel plezierig en praktisch om nog een expert in de familie te hebben.

Joke en Jan Peter stopten deze zomer beiden met werken en er breken nu gouden tijden aan: er is meer tijd voor alles wat hen zo bezig houdt. Het is de bedoeling dat de collectie knipsels uitgebreid gecatalogiseerd wordt; alle gegevens worden in de computer gestopt. Bovendien zal er een nieuw boek gaan verschijnen ter vervanging van het oude ‘Schaarkunst’ uit 1983.

De liefde van Joke en Jan Peter voor de edele papierknipkunst kent geen grenzen en dankzij veel speurwerk, doorzettingsvermogen en hun niet aflatend enthousiasme hebben zij in de loop der tijd een prachtige collectie antiek Nederlands snij- en knipwerk bij elkaar kunnen brengen. Maar er is nog meer in hun huis te bewonderen. Ook een collectie oude scharen en schaartjes is de moeite waard om te bekijken. Er zijn bijzondere exemplaren bij, maar het leukste schaartje is een exemplaar met 2 fraai gevormde beentjes

afb. 4, Benenschaartje, 9 cm hoog

Het bijbehorende moralistische gedichtje luidt:
Meisjes,
Gedraag je als een schaar
Houd de oogjes open
En de beentjes bij elkaar!

En met deze wijze woorden in het hoofd stapte ik weer in de trein naar huis. Het was een geweldig leuke dag in Malden en ik heb genoten van het horen van alle boeiende verhalen en van het bekijken van zoveel schitterend snij- en knipwerk. Mochten er knippers of knipsters onder de lezers zijn die de collectie ook graag eens willen bewonderen, neem dan gerust contact met Jan Peter op, de gastvrijheid in Malden is groots!

Ieke Boosman

Geveild en in veiligheid, Knip-Pers 2005-3

Al jaren zijn wij in ’t bezit van een ‘albumpje’ met werk van een onbekende knipper. Het is een eenvoudig ingenaaid schriftje met een papieren omslag. Het oorspronkelijk blauwe papier is paars verschoten. Tussen de bladzijden liggen losse knipsels uit wit geschept papier met watermerk. Allerlei onderwerpen zijn geknipt of uitgesneden: het boerenleven, appels plukken, een herder met geiten

afb. 1, anoniem, 11 x 7,5 cm

houthakkers, een processie, paarden en andere dieren. Vrijwel op elk knipsel komen bomen voor met verschillende typen van blad. Die bomen vormen het herkenningspunt. Ze zijn zo fijn uitgewerkt, dat ze de aandacht van de menselijke of dierlijke bedrijvigheid afleiden

afb. 2, anoniem, zoek de kikker en de eekhoorn, 14,5 x 6,5 cm

Zoveel geduld zullen knippers van tegenwoordig haast niet meer willen opbrengen. Intrigerend is, dat er twee bladen uit het schriftje zijn uitgesneden. Het zou goed kunnen dat hij twee knipsels heeft weggegeven. Mensen die er vriendenboekjes op na hielden, deden dat wel vaker: het uitwisselen van knip-, dicht- of tekenwerk. Dat is eigenlijk niet zoveel anders dan het ruilen van knipwerk op onze knipdagen!

Verder heeft de knipper zich ook gewaagd aan het afbeelden van vreemde dieren, zoals een struisvogel, een neushoorn en een kameel. We vroegen ons af of hij (of zij) rond 1780 zulke dieren wel eens in het echt had gezien. Het antwoord kwam onlangs: in een catalogus van een veilinghuis van boeken en prenten vonden we een afbeelding van twee kleine knipsels op blauw papier. Zonder twijfel waren ze van dezelfde knipper als die van ons schriftje. De bomen met hun blaadjes waren onze gids. Zo’n herkenning is voor ons een van de leuke gebeurtenissen bij het bestuderen van de knipgeschiedenis, maar natuurlijk wilden we graag meer weten: wie was het, in welke plaats en tijd?

We zijn naar de kijkdag geweest en vonden ze, los liggend in een echt album dat in leer gebonden was, met blauw papier en goud op snee. De bladen van de binnenkaft waren van kleurrijk gemarmerd papier en we meenden dat het boekje misschien minder oud kon zijn dan de knipsels, maar in de catalogus stond dat het album ‘contemporary’ was, dus uit dezelfde tijd als de knipsels  (eind 18de begin 19de eeuw).

We besloten er een bod op te doen, en inderdaad, het lukte. Toen konden we het boekje en zijn inhoud op ons gemak bekijken. Weer dezelfde bomen, de geiten en paarden, zelfs een eenhoorn (een mythologisch paard met een rechte hoorn op zijn kop; die heeft hij in ieder geval nooit in ’t echt kunnen zien!). Grappig zijn een jongen die met een molentje loopt

afb. 3, wat zou daar achter zitten?, 16 x 10,5 cm

en een varken, waaraan hij nog werkte. Het lijkt alsof hij zijn schaartje of pennenmes heeft neergelegd, om het morgen weer op te pakken

afb. 4, anoniem, varken, 8,5 x 7 cm

Maar er liggen ook andere knipsels in het album. Er zijn diverse voorbeelden van gedrukte en uitgeknipte, 18de‑eeuwse prentjes van bloemen en dieren. Zulke prenten met verzamelingen van bloemen of dieren (ook exotische dieren en andere onderwerpen) werden in de 18de eeuw uitgegeven, juist om ze uit te knippen en in poëziealbums te plakken. Wellicht heeft onze knipper zo zijn knipervaring opgebouwd en geleerd om de vormen van dieren zelf te tekenen en te knippen.

Maar er zijn ook eenvoudige probeersels zoals een beginner of een kind die zou maken.

afb. 5, anoniem, 12,5 x 8 cm

 

 

 

 

Mogelijk zijn het zijn eerste probeersels, maar het kan ook zijn dat een latere bezitter (kleinkinderen?) zijn voorbeeld hebben proberen te volgen. Daar kom je natuurlijk niet achter, maar er zijn wel andere aanwijzingen om het werk en het boekje te dateren. Zo is een van de knipsels gemaakt uit bedrukt papier van een inboedelbeschrijving: onder nr. 459 staat een ‘Fournuis’ en nr. 460 is een Doofpot

afb. 6, anoniem, 11,5 x 8,5 cm

De ouderwetse schrijfwijze was in gebruik tot in de Franse tijd en de Bataafse Republiek (omstreeks 1800; fourneau = oven).

Bleef over onze gedachte dat het albumpje zelf wat jonger was. Daarvoor moesten we te rade gaan bij de geschiedenis van het gemarmerde papier in Nederland. Blijkbaar hadden we het mis: marmeren is in ons land al toegepast in de 17de eeuw, dus het album en de knipsels zullen inderdaad ‘contemporary’ zijn, en wel eind 18de eeuw, zoals we ook uit de aankleding van de figuurtjes al wel konden opmaken. Schriftje en albumpje liggen nu weer veilig bij elkaar, maar al met al weten we nog niets over de knipper zelf…

Joke en Jan Peter Verhave

Literatuur:

JF Heijbroeck & IC Greven, Sierpapier, marmer-, brocaat- en sitspapier in Nederland. Uitg. De Buitenkant Amsterdam, 1994.

Verslag lezing over Arie Tergant, Knip-Pers 2005-2

Verslag van de lezing over de Noord‑Hollandse papierknipper Arie Tergant (1773-1852), gehouden op zaterdag 9 april 2009 in het Horizon College te Heerhugowaard door dhr. C. de Jong, conservator van het Westfries museum te Hoorn.

afb. 1 afb. 1, Arie Tergant, knipsel van wit op blauw papier. 1847, 32 x 39,5 cm (lijst 40 x 48 cm). Tekst: ‘Geduld Overwint Alles’, ‘Gelukkig Hij Die Zich In Ramp Of Tegenspoed Altijd Geduldig Zegt Gods Doen is Wijs en Goed’, ‘Zelden Tijd Zonder Strij’, ‘God is Liefde’

De heer De Jong gaf een verklaring voor het feit dat er in West‑Friesland in de tijd waarin Arie Tergant leefde, een uitgesproken kniptraditie kon ontstaan: In het midden van de 19de eeuw ontstond er in ons land een enorme economische crisis. Het was overal armoe troef, behalve bij de boeren, want juist toen bleef door verbeteringen in de veehouderij de prijs van de kaas hoog, zodat er welvaart onder de boerenbevolking ontstond.

Deze welvaart wilde men natuurlijk graag tonen en van de gemaakte winst kocht men goud en sieraden. De mannen hadden gouden horloges en speciaal gemaakte messen en de vrouwen droegen sieraden, gouden kappen, een beugeltas en een chatelaine (een korte hangketting waaraan een horloge kon worden gehangen en een kokertje met naaigerei en/of schrijfgerei, dus ook een schaartje).

In deze tijd werkte de boerenvrouw 16 uur per dag op het bedrijf. De man zorgde voor het vee, en de vrouw deed de rest. Maar door de stijgende welvaart van de boerenstand kon de boerin zich dienstmeiden veroorloven die veel werk uit handen namen en op deze manier kreeg zij vrije tijd. In West‑Friesland is een bekend spreekwoord ‘Een vrouwenhand en een paardentand staan nooit stil’, dus ging men de vrije tijd invullen met bijvoorbeeld papierknippen.

De kunst van het papierknippen was in de 17de en 18de eeuw tot ons gekomen door de zogenaamde stadse juffers, en al snel knipte men als tijdverdrijf in alle lagen van de bevolking, want papier en schaar zijn altijd wel in huis voorhanden.

In het midden van de 19de eeuw werd het een gewoonte om bij bijzondere gelegenheden een knipsel cadeau te doen. Wanneer men zelf niet zo handig was met schaar en papier, dan kon men een zogenaamde broodknipper opdracht geven om een fraai knipwerk te maken. Arie Tergant nu was zo’n broodknipper.

Arie stamde uit de onderste laag van de bevolking. Hij werd in Alkmaar geboren als vijfde kind van het echtpaar Cornelis Dirkz. Tergant en Jannetje Booi. Aries vader verdiende 3 gulden per week maar toen hij in 1776 overleed, kwam de familie in behoeftige omstandigheden. De weduwe zag zich genoodzaakt steun te vragen bij de Diaconie van de Gereformeerde Gemeente en de kinderen moesten gaan werken. De Diaconie zag daar nauwlettend op toe en rond 1785 waren inderdaad alle kinderen aan het werk. Arie was toen 12 jaar oud. Bij het volwassen worden van de kinderen viel het gezin uiteen. De economische toestand in de jaren 1792‑1812 was in Alkmaar zo slecht, dat het niet alleen de laagst betaalden waren die niet genoeg verdienden om in hun dagelijks brood te voorzien. Dit was waarschijnlijk de reden van het vertrek van de familie uit Alkmaar.

afb. 2, Arie Tergant, Zwart papier op creme ondergrond. 1841. Kerkboekprentje, ca. 12 x 8 cm

Arie woonde en werkte vanaf 1805 in Winkel (nu Gemeente Niedorp) als beeldsnijder en deed daar samen met o.a. Jacob. Bobeldijk belijdenis in de Nederlands Hervormde kerk te Winkel. Voor deze Jacob maakte Arie in 1811 een van zijn eerst bekende knipwerken. In datzelfde jaar kreeg het gemeentebestuur van Winkel de opdracht een lijst samen te stellen van alle mannelijke inwoners die tussen de 25 en 45 jaar oud waren.

Uit deze lijst zouden dan mannen worden aangewezen die moesten helpen bij het aanleggen van de verdedigingswerken in Den Helder. Arie staat ook op deze lijst: ca. 38 jaar oud, timmerman en scheef van leden. Maar waarschijnlijk viel het met Aries handicap wel mee, want hij was behalve timmerman ook beeldsnijder, behanger, klusjesman, leidekker, beeldhouwer en wagenmakersknecht. En hij maakte bovendien papierknipsels.

 

Arie Tergant knipte geboorte-, naam-, huwelijks- en spreukenknipsels, maar ook kleine kerkboekprentjes. Al deze knipsels van groot tot klein maken ondanks de veelheid van de bewerkte motieven een evenwichtige indruk. Er is bijna altijd een rechthoek met in het midden een ovaal. Het knipwerk is symmetrisch en de teksten knipte hij nadat hij het papier weer had opengevouwen. Verder zijn heel herkenbaar de zwevende engeltjes met bazuin op spreukband, de duifachtige vogels met fladderende vleugels steevast omkijkend. De door hem gemaakte knipwerken hebben alle hetzelfde formaat. Ze zijn uit wit papier geknipt en geplakt op een zwart sitspapieren fond.

Ondanks het feit dat zijn in de beginjaren ontwikkelde stijl nauwelijks veranderde in zijn latere knipwerken, is het opvallend dat hij later zijn knipsels niet meer uit één stuk knipte. Het medaillon in het midden en het randschrift zijn nu los van elkaar, zo ook de teksten in de spreukbanden. Dit is waarschijnlijk bedacht om sneller te kunnen werken en om zijn klanten een grotere en aantrekkelijker keus te bieden. Hij is tenslotte een broodknipper!

Knipsels en zeker spreukenknipsels, die Arie Tergant in groten getale heeft gemaakt, waren geliefd bij onze voorouders. Die spreuken bedacht hij overigens niet zelf. Ook rebussen waren zeer in trek. Van Arie is maar één rebus bekend: ‘Vat Den Tyd En Leer Den Wereld Kenne’.

afb. 3, Arie Tergant, Rebus, met tekst: ‘Vat Den Tyd En Leer Den Wereld Kenne’, afm. onbekend

Hij kan er niet echt van leven en besluit in 1840 om meer naamsbekendheid te krijgen en stuurt twee knipwerken naar het Kabinet van de Koning. Hij ontvangt hiervoor 25 gulden en de dringende boodschap zo iets nóóit meer te doen! Zijn financiële situatie verbeterde niet echt.

Arie Tergant maakte in zijn laatste levensjaar een hartknipsel met dezelfde tekst als die van zijn eerste spreukenknipsel: ‘Gedenk te sterven’.

Hij overleed in 1852.

afb 4, Arie Tergant, Uit Achting en Vriendschap

door Marijke Barten

Nog meer onbekend knipwerk in Middenbeemster, Knip-Pers 2004-4

afb. 1, schriftje Neeltje Prijs, Museum Betje Wolff

 

 

In de vorige Knip‑Pers nam ik u mee naar het Museum Betje Wolff in Middenbeemster en liet u afbeeldingen zien van onbekend knipwerk dat daar bewaard wordt. Tijdens mijn bezoek mocht ik nog veel meer bekijken en verrassend genoeg bleek er ook een schriftje (afb. 1) vol kleine, losliggende knipsels ( ± 5 x 5 cm) bewaard te zijn.

 

 

afb. 3

afb. 2

afb. 4

Op de kaft staat de naam geschreven van de vermoedelijke knipster van enkele van deze knipseltjes: Neeltje Prijs. (afb. 3 is duidelijk van een andere knipper/ster). Neeltje Prijs is natuurlijk niet een geheel onbekende naam in knippersland. In het boek “Schaar‑Kunst” van Joke en Jan Peter Verhave staat vermeld dat Neeltje door haarzelf beleefde gebeurtenissen met de schaar uitbeeldde. Als ze niet soms jaren na dato waren gemaakt, zou men haast van journalistiek werk kunnen spreken.

 

 

Neeltje Prijs was een boerendochter uit Wijdewormer. Zij werd geboren in 1804 en stierf in 1863. Haar ouders waren Cornelis en Antje de Jong, Bekend is dat ze haar schaar aan een zilveren ketting had en dat ze reusachtige taferelen maakte (2 meter lang en 60‑80 cm hoog), papierapplicaties van gekleurd, uitgeknipt sitspapier, uitgewerkt tot in de kleinste details. Mogelijk heeft ze enige tijd als bedlegerige patiënte aan zo’n knipwerk gewerkt.

afb. 5

Werk van haar is te bezichtigen in:

  • Edam – Edams Museum
  • Zaandijk – Zaanlandse Oudheidskamer
  • Purmerend – Purmerends Museum

Er zijn 5 werken van haar bekend:

  • De doortocht van Z.M. Willem den Tweede, Koning der Nederlanden door de gemeente Wijde‑Wormer den 6 Augustus in het jaar 1842 (zij maakte dit in 1845).
  • De doortocht van Z.M. Willem den Tweede, Koning der Nederlanden, door de Stad Purmerende, langs een gedeelte der koemarkt, op den 6 Augustus, in den jare 1842 (gemaakt in 1848).
  • Kanaalgezigt tusschen Buiksloot en Purmerend (ca. 1850).
  • Wintergezigt langs de Beemster Beurs te Purmerende (1851).
  • IJsvermaak op een Amsterdamse gracht.

Het is niet bekend of zij haar geknipte collages voor een opdrachtgever maakte.

Ieke Boosman

Om de Oranjes geschaard, Knip-Pers 2005-2

Dit jaar is koningin Beatrix 25 jaar aan de regering. Het Huis van Oranje is altijd in ere geweest, zowel in tijden van voorspoed als in tegenspoed. En knippers hebben daar het hunne aan bijgdragen.
Joke Verhave knipte in 1983 het profiel van Beatrix, in een groot stuk voor het Zuiderzee Museum, omdat toen de koningin het nieuwe openluchtmuseum opende. Het werd in opdracht van de directeur van het Arnhemse Openluchtmuseum gemaakt, als geschenk voor het Enkhuizer museum.

afb. 1, Joke Verhave, 1983

Ter gelegenheid van het 50‑jarig jubileum van koningin Wilhelmina maakte Frans ter Gast in 1948 een boekje ‘Appeltjes van Oranje’. Door alle TV‑beelden rond prins Bernhard kozen we het verloofde stel Juliana en Bernhard in een snelle automobiel. Wat niet op TV te zien was, maar wat we met de knipper wel vermoedden, was de aanwezigheid van Amor op de achterbank.

afb. 2, Frans ter Gast, 1948

Grappig is ook de jonge Willemientje, die aardrijkskundeles kreeg van Miss Winter.

afb 3, Frans ter Gast

En van haar moeder, koningin Emma, knipte Ter Gast een mooi portret, met haar mutsje van kant.

afb 4, Frans ter Gast

Toen haar voorgangster, koningin Sophie, in 1877 overleed, knipte J.L. Hilzer een ‘Bewijs van Rouwbeklag’ uit geel sitspapier, ‘eerbiedig aangeboden aan zijne Majesteit Willem III Koning der Nederlanden van Hoogst derzelfs Doorluchtige Gemalin op den 3. Junij 1877 door Zijne Majesteits getrouwe onderdaan’. Deze en andere, wat hoogdravende Oranje-gezinde teksten zijn bewaard in spiegelbeeld, waarbij op de achterzijde alles netjes is voorgetekend.

afb 5, J.H Hilzer, Rouwbeklag, 1877

Kennelijk heeft de knipper de teksten dubbel geknipt en het ‘goede’ deel vanuit zijn woonplaats Terneuzen aan koning Willem III gestuurd.

Neeltje Prijs in het Noord‑Hollandse Wijde‑Wormer maakte enorme stukken met knip-appliqué, waaronder de Doortocht van Koning Willem II door Wijde-Wormer en door Purmerend in 1842. Ze maakte ze jaren later, in 1845 en 1848. Een feest om naar te kijken!

afb 6, Neeltje Prijs, 1845-1848

De domineeszoon Hendrik Wilhelm Kuyper uit Noordwolde knipte voor koning Willem II en koningin Anna Paulowna eenvoudige stukjes met bloemen en plantmotieven, met hun geboortedata.

afb. 7, H.W. Kuyper

Een eenvoudig hartje, met ‘Viva Oranje 1815’ herinnert aan de nieuwe koning Willem de Eerste, na het vertrek van de Fransen

afb. 8, anoniem, 1815

Later verstoutte Ary ter Gant uit het Noord‑Hollandse Winkel zich om een van zijn tekstprenten ‘Liefde en Eendragt’ in 1840 aan de oude koning Willem I te sturen. Waarschijnlijk hoopte hij op een beloning. Die kreeg hij ook: 25 gulden, een vorstelijk gebaar, maar wel met de opmerking:
‘…als wordende soortgelijke voortbrengselen niet meer aangenomen…’

Stadhouder Willem V en zijn echtgenote en nicht, prinses Wilhelmina van Pruisen met hun gezin zijn afgebeeld door de Duitse silhouetteur Carl Theodor Köhler in 1787. Eigenlijk is dit geen knipsel maar een achterglas schildering.

afb. 9, C.Th. Köhler, 1787

Het Oranjegezin verbleef toen enige tijd te Nijmegen, weg van de Patriottisch gezinde Staten in Den Haag.

In kasteel Sypesteyn, Nieuw Loosdrecht, hangt een groot portretknipsel van de erfstadhouder prins Willem IV Carel Hendrik Friso en zijn echtgenote prinses Anna van Hannover, omringd door de wapens van de Zeven Verenigde Nederlanden door Justus van Maurik.

afb 10, anoniem, (tot juli 2021 toegeschreven aan van Maurik)

Stadhouder prins Willem III, koning van Engeland werd door Johanna Koerten uitgebeeld, in vol ornaat, met de voor haar zo karakteristieke techniek van de gravure-imitatie, waar het licht doorheen kon spelen.

afb 11, Joanna Koerten

De allereerste Oranje, Willem de Zwijger, de Vader des Vaderlands, werd vermoord in 1584. Waarschijnlijk is dit anonieme knipsel in de 19de eeuw ontstaan toen er, net als nu, een periode was dat men opnieuw interesse kreeg in de vaderlandse geschiedenis.

afb. 12, anoniem

In elke tijd was er wel een reden om de regerende Oranjevorst met of zonder echtgenoot, een Oranjetekst of een Oranjeboom af te beelden. De knippers en silhouetteurs waren heel divers van kunstzinnigheid, maar ook de Oranjes waren heel verschillend en niet allemaal even krachtige leidersfiguren. Toch is de Oranjefamilie steeds een punt van herkenning in onze geschiedenis geweest. Per slot van rekening zijn zij ook goede knippers, van linten!

Joke en Jan Peter Verhave

Ditjes en datjes, Hollandse zwartjes, Knip-Pers 2005-1

In november heeft het bestuur van de vereniging met de redactie van de Knip‑Pers ons met een bezoek vereerd om onze collectie te komen bekijken; ook zijn we in het Valkhof museum te Nijmegen de 4 snijdsels van Frederik Hendrik van Voorst gaan zien. De bestuursleden verrasten mij met knipsels van ieder, samengevoegd in een mooie doos tot een album amicorum.

Bovendien kregen we een origineel mapje met ‘Hollandsche Zwartjes’ van Daan Hoeksema. Aan deze kunstenaar was twee jaar geleden een tentoonstelling gewijd in het Veluws Museum Nairac te Barneveld. Die zagen we, en daarom nu een nadere kennismaking met Daan Hoeksema.

Hij werd geboren in 1879 in Oldekerk, Groningen. Vlak na zijn geboorte verhuisde het gezin naar Rolde, waar vader een eigen bakkerij begon. De moeder van Daan stierf toen hij 14 jaar was. Zijn vader hertrouwde en Daan kreeg er 9 halfbroers en -zusters bij!

Daan ging in de leer bij bakker Benus in Groningen. Behalve het deegkneden tekende Daan graag in de overgebleven uurtjes. De oudere knechten waren zijn model. Bakker Benus zag dat Daans talent voor tekenen groter was dan voor taartjes garneren en raadde hem aan om naar de ‘Taikenschoule’ te gaan. Deze raad werd opgevolgd en Daan volgde in de avond lessen aan de Academie Minerva in Groningen en bakte overdag brood en banket.
In 1899 volgde hij de tweejarige dagopleiding aan de Academie en vervolgens vertrok hij naar Amsterdam, waar hij zich inschreef voor een driejarige cursus aan de Kunstnijverheidsschool. Tegelijkertijd volgde hij ’s avonds lessen aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam.
Op de dagcursus vermaakte hij zijn medeleerlingen door met een puntzakje van qualqueerpapier gevuld met zachte zeep, in ruime mate voorhanden bij de ‘waschkraan’, allerlei vormen te maken zoals een banketbakker doet.

Aanvankelijk hield hij zich in leven door reclametekenwerk en aanplakbiljetten te maken. Hij liet zich soms ‘in natura’ betalen: na een reclameplaat voor een rijwielfabriek kreeg hij een fiets!

In 1909 kwam zijn werk in een stroomversnelling. Hij werd een van de eerste reclametekenaars van ons land: Blookers cacao, De Nederlandse Spaarkas, Simplex rijwielen, Bessenflipje Tiel, Douwe Egberts en nog veel meer. Daan kon zich meten met silhouettekenaars als Nelly Bodenheim en Jan Wiegman. Hij had een enorme productie en zijn illustraties vonden veel aftrek.

De uitgeverij Gebr. Koster drukte zijn kleurplaten, tekenvoorbeelden, borduurmappen en, daar gaat het ons om, zijn knip- en plakvoorbeelden. In 1922 kwam zijn boekje ‘Silhouetten-Knipkunst’ uit, met allerlei voorbeelden op flink formaat, en in 1929 ‘Schaduwbeelden, knippen en plakken’. De firma Koster heeft geen slechte zaken gedaan met deze uitgaven. Ook na de dood van Daan Hoeksema in 1935 zijn de mapjes nog uitgegeven, tot in de 60‑er jaren.

Het mapje dat wij kregen, kwam uit in 1940: ‘Hollandsche Zwartjes, om uit te knippen’.

afb. 1, Daan Hoeksema

Het bevat kleinere voorbeelden en witte papiertjes om de uitgeknipte afbeelding op te plakken.

In ons mapje zit één zo’n uitgeknipte voorstelling, kennelijk gemaakt door een kind.

afb. 2, anoniem

afb. 3, anoniem

 

In een andere methode was het voorbeeld in dunne lijntjes afgedrukt op papier dat aan de andere zijde zwart was.

Er werden meer van dit soort methoden en voorbeelden uitgegeven. Uit dezelfde tijd kennen we nog een boekje ‘Aesthetische vorming, papierarbeid, knippen-scheuren’ door Atze de Leeuw, leraar tekenen aan het Amsterdams Lyceum. Hij benadrukt de kracht van het schuiven met silhouetten/knipsels tot de gewenste compositie.

afb. 4

In 1935 verscheen een geïllustreerd ontspanningsboek door André Vlaanderen: ‘Van alles en nog wat. Een Sint Nicolaas geschenk voor de jonge A.V.R.0.-luistervinken’. Het bevat een hoofdstuk getiteld ‘In het rijk van de schaduwen en schimmen’, waarin de geschiedenis van de papierknipkunst goed beschreven wordt. Daarnaast geeft hij een handleiding voor het beoefenen van het papierknippen met symmetrische voorbeelden die op dubbelgevouwen papier nagetekend en uitgeknipt konden worden. Eén daarvan lijkt sprekend op een illustratie in het veel oudere boekje ‘Buiten bij Kaatje! Een Vertelseltje met Versjes en Knipsels’ door Jacqueline Enderlein (omstreeks 1910).

In 1974 hebben ook Wiecher Lever en Geertje Gort dezelfde voorbeelden gebruikt in het boekje ‘Silhouetten knippen’.

afb. 5

Daan Hoeksema was als geoefend illustrator origineel in zijn talloze knip- en tekenvoorbeelden, maar ook weer niet zo didactisch dat hij aanwijzingen gaf voor het ontwerpen van eigen knipsels. Voor kinderen thuis en op school was het een goede manier om de schaar te leren hanteren en de fijne motoriek te oefenen, maar daar bleef het bij.

Bekende knipkunstenaars zijn er uit de generaties die met de ‘Hollandsche Zwartjes’ opgroeiden, niet voortgekomen.

Joke en Jan Peter Verhave

Bron: “Daan Hoeksema, tekenaar en kindervriend” van S.J. Stevan (2003), een begeleidend boekje bij de expositie ‘Daan Hoeksema en het televisieloze tijdperk’ te Barneveld.

Er zit muziek in Hans Borstlap èn in zijn knipsels!, Knip-Pers 2009-1

Begin januari stapte ik op een echt winterse dag al vroeg in Heerhugowaard in de trein om naar Zutphen af te reizen. Hoewel het onderweg steeds witter en bovendien mistiger werd, kwam ik na een lange reis toch mooi op tijd aan, leve de NS!

Zutphen is een prachtige oude stad met wei 1000 monumenten, maar ik zal beslist nog eens terug moeten komen om dat alles te bekijken, want daar was nu geen tijd voor: ik ging op bezoek bij Hans Borstlap, de maker van het fraaie boekwerkje: ‘Tussen Keulen en Parijs’. Het werd voor het eerst uitgegeven in 1971 en heeft sindsdien 9 drukken mogen beleven. Hans Borst voorzag oude kinderrijmpjes op muziek van toepasselijke knipsels en het leek me leuk eens wat meer te weten te komen over deze fantasierijke en kennelijk muzikale knipper.

Hans Borstlap werd in 1943 geboren en in zijn jeugd werden zijn creatieve mogelijkheden al ontdekt en gestimuleerd, want hij bezocht 10 jaar lang de Vrije School in Den Haag. Omdat zijn interesse altijd al uitging naar dieren en planten, volgde hij daarna de Middelbare Land- en Tuinbouwschool in Warmond, met het plan tuinarchitect te gaan worden.

Als leuke bezigheid tijdens de (saaie?) lessen knipte hij van zijn leraren goed lijkende silhouetten, tot groot enthousiasme van zijn medeleerlingen. Om wat bij te verdienen ging hij dus silhouetten knippen in “Het Gouden Hoofd”, een etablissement in Den Haag. Na zijn studie werkte hij 2 jaar als hovenier in Zwitserland, moest vervolgens in militaire dienst, bedacht toen dat hij toch maar geen tuinarchitect wilde worden en sloeg een totaal andere weg in.

Hans komt uit een kunstzinnig milieu en groeide op met muziek. Al heel jong kreeg hij blokfluitles, maar ruilde na een tijd de fluit in voor een cello. Op zijn 22ste meldde hij zich bij het conservatorium in Den Haag en werd aangenomen. Als muziekstudent verdiende hij op de Pier in Scheveningen een leuke knipcent bij, want van de directeur ervan mocht hij in een (gratis) winkeltje zijn silhouetten knippen en verkopen, dat leverde vooral bij mooi weer aardig wat op…

Bij slecht weer waren er natuurlijk weinig bezoekers en viel er weinig te knippen, maar dan gebruikte hij de tijd om te componeren en zijn partituren te schrijven. Jammer genoeg is er ooit maar één werk van hem uitgevoerd: een koorwerk ‘Exultate Jubilate’, uit gevoerd door studenten tijdens een ontgroeningfeest.

afb 2, HAns Borstlap, geboorteknipsel voor een adoptiekindje

Na zijn studie kwam Hans in dienst bij Het Gelders Orkest in Arnhem. Hij was intussen getrouwd en er waren drie Borstlapjes geboren. Zutphen leek een prima plek om te gaan wonen voor het jonge gezin, niet te ver van Arnhem en bovendien was er een Vrije School voor de drie zonen. En … er was ook een grote tuin, zodat behalve de muziek, nog een andere passie zijn leven ging beheersen: wijn maken!

Gelukkig nam het knippen ook nog een heel grote plaats in zijn leven in. Voor zijn kinderen knipte Hans van alles en nog wat en zo successievelijk werd het plan bedacht om een boek samen te stellen met oude kinderrijmpjes op muziek en daarbij toepasselijke knipsels te maken. Dat staat er zo makkelijk, maar het bleek drie jaar te kosten voordat alles naar zijn zin was. In 1971 kwam zijn mooie ‘boek ‘Tussen Keulen en Parijs’ uit en het was direct succesvol.

Naast zijn werk in het orkest vertoonde hij ook overal zijn papierknipkunsten en tijdens de ‘Papierage”, een manifestatie bij V&D, eind jaren ‘70, werd hij door Suus Houtman ‘ontdekt’. Zij vroeg hem te komen demonstreren in het Openluchtmuseum in Arnhem en een groot aantal jaren zat Hans in de keuken van de Westfriese Stolpboerderij aldaar silhouetten te knippen.

Vanaf 1981 maakte hij ook 26 jaar lang deel uit van een groep ambachtslieden die in Doesburg een 4-daags evenement opluisterden. Speciaal daarvoor had hij een tent laten maken waarin hij gerieflijk zijn silhouetten knipte en zijn werk kon ophangen en uitstallen.

In de loop der jaren vervaardigde Hans van alles op knipgebied: geboortekaartjes, gelegenheidsknipsels, metamorfoses (in vijf stappen een portret van mens naar dier), advertenties enz. enz. en ik mocht alles uitgebreid bekijken. Chico, de papegaai, mengde zich ook geregeld in de conversatie en als hij te weinig respons kreeg, ging hij op de muzikale toer en floot een al of niet bekende melodie, allemaal heel vrolijk.

Hans gebruikt altijd 140 grams zwart papier, tekent met 2B potloden zijn ontwerpen, knipt een en ander uit en vervolgens wordt het knipwerk geplakt met …. Bisonkit. Een niet zo gebruikelijke lijm voor knippers. Ook in zijn schaar-keus is hij bijzonder. Omdat hij de ogen van zijn favoriete schaar te klein vond, heeft hij die vervangen door grotere van een ander exemplaar: gewoon erop laten lassen. Daar had de Zwitserse knipper Hauswirth vast niet aan gedacht; die maakte ijzerdraadjes aan de ogen van zijn schaar waar zijn grote vingers goed in pasten.

Hans Borstlap is een uiterst enthousiaste man die zijn talenten goed kan combineren: Voor een expositie ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van Het Gelders Orkest knipte hij verschillende dirigenten in karakteristieke poses ten voeten uit. Voor zijn wijnflessen ontwerpt hij prachtige etiketten, drukt ze af op etikettenfolie en knipt ze vervolgens een voor een uit. Voor de etiketten alleen zou je zijn wijn kopen!

In 2005 kreeg hij jammer genoeg een herseninfarct, maar daar laat hij zich niet door belemmeren in zijn bezigheden. Zijn dagen zijn erg gevuld, want naast wijn maken, muziek luisteren, koken, papierknippen en kletsen met zijn papegaai, heeft Hans nog meer hobby’s: hij is bij voorbeeld dol op bloemschikken.

Het door mij meegebrachte bosje tulpen werd zeer vakkundig in een vaas gezet En verder bleek hij een enthousiaste goochelaar, ik kreeg zelfs een privévoorstelling! Jammer genoeg werden de briefjes van 50 euro niet vermenigvuldigd, zoals eigenlijk zijn bedoeling was.

Omdat ik door de weersomstandigheden weer op tijd naar huis wilde, kwam er eigenlijk te vroeg een eind aan de gezellige middag. Met een fles wijn, allerlei mooi knipwerk en een hoofd vol enthousiaste verhalen, nam ik afscheid van Hans Borst en van Zutphen, in de hoop die bijzondere kniptent van hem hier of daar nog eens aan te treffen. Misschien een keer een leuk idee voor één van onze Contactdagen?

leke Boosman

afmeting van de knipsels van het boek: 30 x 50 cm

Oud knipsel, Knip-Pers 2010-1

afb. 1, Joke van Dijken, naar het knipsel uit 1859

Dit knipsel heb ik in 2006 nageknipt, het oude knipsel hing altijd bij mijn ouders thuis. Het oude knipsel is waarschijnlijk gemaakt naar aanleiding van het huwelijk van Maaike Karskarel en Gerardus Stefanus Bruining in 1859 in Sneek.

ab. 2, anoniem, 1859

afb. 3, Marijke Karskarel

Maaike Karskarel is een voorouder van mijn vaders kant. Nu ik zelf al een aantal jaren zo nu en dan wat knip, leek het me leuk om dat te doen. Ik vind het vooral aardig omdat ik van die Maaike Karskarel ook nog een foto in originele staat heb.

Joke van Dijken