Auteursarchief: admin

Verknipt verder, Knip-Pers 2020-2

Een van de eerste stukjes die wij schreven in de Knip-Pers (1983, nr. 4) had als titel ‘De dokter is verknipt’. Het ging over de geneesheer Schroeder van der Kolk, die met zijn voorletters J.L.C. en titel Med. Doct. voorkomt in twee knipsels van dezelfde hand. We waren er toen van overtuigd dat hij die knipsels zelf gemaakt had, en ook nog een hele reeks van andere voorstellingen.

Maar we waren in die tijd nog niet erg bedreven in het vinden van namen en verbanden, en het internet met een schat aan genealogische gegevens bestond niet.

Laten we eens nagaan of er intussen meer over de knipper bekend is geworden. Eerst iets over de dokter zelf: hij werd geboren in 1797 te Leeuwarden als Jacobus Ludovicus Conradus van der Kolk. Hij kreeg de naam van zijn moeder erbij en ging in 1815 in Groningen studeren. Vijf jaar later studeerde hij af en werd arts in Amsterdam. In 1827 volgde zijn benoeming als professor in Utrecht. Een mooi knipwerk dat hij gemaakt zou hebben voor het echtpaar Blansjaar-Tragoo, met de titel ‘Koffywinkel’, uit 1817 meenden wij in Groningen te plaatsen. Daar studeerde immers candidaat Schroeder geneeskunde, maar later bleek dat het een Leids echtpaar betrof, met een winkel en een bouwbedrijf, alles heel levendig uitgebeeld. Schroeder had noch als student, noch als jonge dokter iets met Leiden.

Daarom terug naar een van de naamstukken met JLCSVDKOLK, dat is gedateerd 1823, dus toen hij in het Amsterdamse Buitengasthuis werkte. Onder zijn naam staat ‘Mr. Smit en Slootenmaker’ en is de smederij afgebeeld.

Dat is een vreemde combinatie! Zonder naam is het moeilijk zoeken, maar we vonden een Johannes Wilhelm Becker met die titel in Amsterdam; hij had in 1807 een prijs gewonnen met een boekje over ‘Het fabriceren van sigten, seissen en snymessen’.

Dat zegt natuurlijk niet dat die Becker ook papier knipte, want er is uit 1824 een dergelijk knipsel, alleen met de aanduiding ‘Mr. Timmerman’, en een ander met de titel ‘R. Koopmans, Mr. Schilder’, uit 1830. Dat laatste wordt in het Museum van Zutphen bewaard, maar die Koopmans konden we daar niet in de archieven vinden. En met een knipsel, nog steeds van dezelfde maker, ‘J. Krijgsman’ in een landelijk tafereel met een jager kunnen we zonder voornaam al helemaal niet uit de voeten.

De onbekende maker heeft diverse ambachten verbeeld, al of niet met een naam. Zou de ‘Smit en Slootenmaker’ een patiënt van dokter Schroeder van der Kolk zijn geweest en opdracht aan de onbekende knipper hebben gegeven, als dank voor de behandeling in het ziekenhuis? De knipper heeft vast ook voor eigen plezier geknipt, een trekschuit en een driemaster waren niet voor iemand bedoeld.

De afgebeelde mensen in hun Biedermeiermode en de figuren in de omlijsting zijn steeds herkenbaar (deze twee zijn overgenomen uit het Kerstnummer van de Haagsche Post van 1926, maar wit/zwart zijn omgekeerd; in hetzelfde blad van 1921 werden ze ook al gebruikt, daarin wel goed; vindplaats niet vermeld). Onlangs konden wij een nieuw knipsel aan onze verzameling toevoegen, herkenbaar als van dezelfde knipkunstenaar. Te zien zijn wandelaars en een sjees over een bruggetje, op weg naar een kerk.

De tekst luidt: “Diena Gerrets Heeft Haar Belijdenis Gedaan In De Nieuwen Kerk Bij Dhr. Dom. Calkoen Ao 1795”. Diena Gerrets was getrouwd met Hendrik Hantrock; ze kregen in 1786 een dochter Maria. Dominee Wilhelmus Jabes Calkoen was predikant in Amsterdam en preekte o.a. in de Nieuwe Kerk op de Dam. Hij werd een jaar later afgezet als “Orangist” en overleed in 1802. Met het jaar 1795 valt de dokter definitief af als knipper, want die was toen nog niet geboren. Na bijna 40 jaar zijn we voorzichtiger met het trekken van conclusies; en zo zitten we nog steeds met de vraag wie die aardige knipper was. Zou hij/zij toch een Amsterdammer zijn geweest? Veel raadsels rond anonieme knippers hebben we opgelost, in de 37 jaar van de Knip-Pers. Maar veel andere niet en daar schreven we zelfs een boekje over. Wij zijn niet uitgedokterd, maar we zouden het fijn vinden als iemand meehelpt om de knipgeschiedenis verder te ontdekken.

Meer te lezen in:
Joke en JP Verhave,
Onbekend en ontroerend erfgoed. Tijdsbeelden geknipt door anonieme kleinkunstenaars.
2017, 84-87

Door Joke en Jan Peter Verhave.
Dit artikel verscheen eerder in de Knip-Pers 2020-2

Geknipt om oud te worden, Knip-Pers 2020-1

Ze waren er, kunstenaars met schaar of mes, die tot op hoge leeftijd mooie dingen uit papier konden maken. Dominee Jan de Bleyker was zo iemand. Hij vermeldde met trots in een van zijn laatste werkstukken: “oud omtrent 70 jaar, 1777”. Hij zou nog zes jaar leven. Ook Arie Tergant bleef doorgaan en knipte in 1842 (tien jaar voor zijn dood): “dit stuk door A. Tergant vervaardigd met de schaar / schreef toen zijn ouderdom ruim agt en 60 jaar”.

Oud worden en blijven knippen, dat is niet iedere knipper gegeven. Misschien nog wel in jaren want we worden steeds ouder, maar vaak wordt het hanteren van de schaar bezwaarlijker.

Het is verdrietig om afscheid te moeten nemen van een hobby, waaraan je je zoveel jaren hebt gewijd. Soms is er dan toch nog de warmte van een knipkring; ooit was je een voortrekker, nu zit je er bij en kijkt naar wat anderen maken.

Ook onze noodlijdende Vereniging lijkt niet meer levensvatbaar te zijn. Hopelijk blijven jongeren de knipkunst ontdekken en mooie dingen maken, ieder op haar of zijn eentje, zonder de raad of inspiratie van andere knippers.
Ja, dan gaat het weer zoals vroeger: iedereen op eigen wijs, op het eigen ‘eiland’. Dan kan het gebeuren dat je in je omgeving bekend wordt en dat mensen je vragen om een knipsel voor een huwelijk of een geboorte. Via mond-op-mond-reclame word je dan een streekknipper met je eigen stijl, die men mooi vindt.
Noem het streekkunst, volkskunst, ambachtskunst, kunstnijverheid; een heel enkele knipkunstenaar stijgt daar bovenuit en krijgt de kans een tentoonstelling van eigen werk in te richten. Streekknippers van vroeger hoefden niet te rekenen op een tentoonstelling bij hun leven. De waardering kwam lang na hun dood.

In dit jaar 2020 is er aandacht voor twee streekknippers, de Zeeuwse Jan de Prentenknipper in de 19e eeuw, die 72 jaar werd en Jan de Knipper van Urk in de 20e eeuw, die de 83 jaar haalde. Hil Bottema van het Nederlands Openluchtmuseum heeft rond 1960 onderzoek gedaan naar beide Jannen; ze noemde de Zeeuw Jantje I (de gewiekste) en de Urker Jantje II (de vrome).

Hun werk werd volkskunst genoemd. Dat is altijd een lastig begrip, want in beide gevallen was het wel voor het volk, maar niet door het volk. Beide Jannen hadden noch voorgangers, noch navolgers.

Eerst nog maar even Jan I in de herinnering terugroepen. Hij heette Jan Huisson en werkte ´s winters in Goes aan zijn voorraad gesneden prenten, die hij met waterverf opvrolijkte. Zo gauw het weer het toeliet, ging hij op weg en ventte zijn waar uit over de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden en in Zeeuws-Vlaanderen, van huisje tot deurtje. Huwelijksprenten, gefantaseerde gebouwen, boerderijen tot in detail en religieuze prenten, waaronder heel veel bijbelleggertjes. En de mensen vonden ze zo mooi, dat ze bewaard werden en vererfden naar de volgende geslachten.
Wij schreven in 1993 ons boek: ‘Jan de Prentenknipper, Zeeuwse volkskunst langs ’s Heeren wegen.’

Sindsdien zijn er allerlei onbekende prenten van hem opgedoken, onder andere afb. 1, gemaakt in 1827 voor Joannis Drijdijk en Josina de Jong, een landbouwersechtpaar in Baarland. Een ander stuk dat we nog niet kenden, met een koren- en pelmolen, werd onlangs geveild, afb. 2. In pelmolens werd gerst tot gort gepeld, om het kaf van de graankorrel te scheiden. In Kouderkerke stond er zo een, maar of hij deze afbeeldde, weten we niet.

En vanaf eind mei presenteert het Zeeuws Museum in Middelburg een overzichtstentoonstelling, 150 jaar na zijn dood.

En dan Jan II, de Urker knipper die Jan Visscher heette. Aanvankelijk was hij ook visser en dat is goed te zien aan zijn prenten met zeilbotters en zijn teksten, zoals: “Ik vaar ter zee op mijn gewin” en “Ik gaan varen, goede rijs, koom gauw tuis”.

Jan gebruikte gekleurd sitspapier en stelde zijn werkstukken samen uit apart geknipte onderdelen, zeilboten, bomen, Bijbelse verhalen, zoals het “Paredys” en stroken tekst. Die laatste verraden duidelijke invloed van het Urker dialect en bestaan uit hoofd- en kleine letters door elkaar.

Naast de botters beeldde hij ook de oude kerk van het eiland vele malen uit: hij maakte die doorzichtig, zoals een kind dat zou doen, met het hele interieur, kansel, orgel, stoelen, een hangend scheepsmodel; buiten de kerk plaatste hij de dodenakker, met een hek, poort ‘Laaste rustplaas’ en boompjes, alles neergeklapt in het platte vlak.

De laatste kerkprent, bijna een meter lang, maakte hij kort voor zijn overlijden, voor de nieuwe dominee: ‘Geknipt door Jan Visser hout 83 jaar’.

Na zijn overlijden was er haast niets meer van zijn werk op het eiland te vinden, maar intussen heeft het plaatselijk museum weer een hele verzameling opgebouwd, mede dankzij de ijver van Henk Kapitein.

Dit voorjaar verschijnt een biografie van Jan de Knipper. Daarin hebben wij de verhalen over hem verzameld en zijn werk en vrome teksten een plaats proberen te geven. Publicatie ervan in de serie ‘Urcker Kronieken’ en ook in zijn geheel op internet te bekijken.

Twee oude mannen die met mes en schaar mooie prenten maakten en daar hun brood of iets extra’s mee verdienden. Beiden hoopten met hun beeld en boodschap de ontvangers te laten zien wat zij belangrijk vonden in het leven. Het zijn voorbeelden voor ons, zolang we nog kunnen.

En we zien met weemoed terug op onze Vereniging en de Knip-Pers, die ons 37 jaar lang hebben geïnspireerd en uitgedaagd. Wij zijn er oud mee geworden. Is er nog energie voor een doorstart van de traditie? Of zal er ooit iemand de waarde van het immaterieel knippers-erfgoed herontdekken? Geschiedenis, ook die van de knipperij, gaat in golven.

Evert Root sr. knipte Jantje II

Door Joke en Jan Peter Verhave.
Dit artikel verscheen eerder in de Knip-Pers 2020-1.

Adriaan Blok (1653-1726), KoertenKoerier 20

Adriaan Blok was een rijke lakenkoopman die op de Nieuwendijk in Amsterdam een winkel had. In 1691 trouwde hij met Joanna Koerten, dochter van een andere lakenhandelaar. Beiden waren doopsgezind. Joanna bedreef allerlei kunsten, maar blonk vooral uit in het kunstige papierknippen waarin zij een geheel eigen stijl ontwikkelde. Ook koos zij voor bijzondere onderwerpen, met name portretten van hoge heren en bekenden uit eigen kring.

Tot nu toe was er maar weinig bekend over Adriaan Blok. Zijn handtekening met kort gedicht is te vinden op een blad in het album amicorum van Nicolaas Chevallier, zijn portret was niet bekend. Hij moet een grote promotor zijn geweest van het knipwerk van Joanna, wat blijkt uit de vele opdrachten die bij verstrekte aan bekende en minder bekende kunstenaars om een portret of tekening voor haar Stamboek te maken, ook na haar overlijden. Zij brachten personen in beeld die door Koerten in papier waren geportretteerd of die een bijdrage hadden geleverd aan de Koertencollectie door middel van een handtekening, gedicht, tekening of schoonschrift.

Kort geleden hadden we de verwachting dat we wat meer te weten zouden komen over Adriaan, maar de podcast bij een tentoonstelling in het Westfries Museum bevatte slechts een verzonnen verhaal over de Amsterdamse koopman. Een gemiste kans en voor een museum naar onze mening zeer onverantwoord.

Maar onlangs deed zich een nieuwe ontwikkeling voor. We vonden in het Stadsarchief van Amsterdam de vermelding van de inventaris van de stichting Adriaan Blok. Behalve bekende informatie over het doorgeven van werk van Koerten in de familie, wat uiteindelijk leidde tot verkoop van kunstwerken en Stamboekbladen, zoals tekeningen. Daarvoor werd voor Pieter Testas een catalogus opgemaakt.

Uit de inventaris blijkt dat Adriaan zich al tijdens zijn leven door middel van uitkeringen arme familieleden ondersteunde, een praktijk die ook na zijn dood in 1726 door middel van legaten werd voortgezet. Het ging daarbij om “behoeftige vrienden uit den bloede” uit zijn eigen familie of die van Joanna, in brede zin. Ook aangetrouwden, broers of zwagers, neven en nichten werden hieronder gerekend. Daarom bleven de executeurs of bewindvoerders na het afwikkelen van legaten na 1750 in functie om de uitkeringen aan de armste familieleden te regelen. Dit is gebeurd tot het overlijden van de laatste rechthebbende in 1976. Na 1780 zijn vrijwel alleen leden van de familie Mijnssen tot bewindvoerder van de “Boedel Blok” benoemd. In 1959 werd de boedel omgevormd tot “Stichting Adriaan Blok”. Die werd in 1979 opgeheven.
Een van de laatste bestuursleden van de stichting liet ons desgevraagd weten dat in de zich in de inventaris geen portret van Adriaan Blok bevindt. We moeten dus verder zoeken.

Door Henk van Ark.
Dit artikel is eerder gepubliceerd in KoertenKoerier 20, najaar 2022.

Een persoonlijke keuze uit twintig KoertenKoeriers, KoertenKoerier 20

Een persoonlijke keuze uit twintig KoertenKoeriers van Henk van Ark:

  1. Het kabinet van Chevalier
    Joanna Koerten en Adriaan Blok hebben een bezoek gebracht aan het penningen- en muntenkabinet van Nicolaas Chevalier, de “Chambre de Raritez”. Dat blijkt uit een blad uit het bezoekersboek. Dat blad is voorzien van gedichtjes van Joanna en Adriaan en twee knipsels van Joanna. Op tekeningen, opgenomen bij het artikel van D.P. Snoep uit 1972, wordt duidelijk dat beelden van de twaalf keizers deel uitmaakten van de kabinetten van Chevalier. Mogelijk een inspiratie voor Joanna voor het maken van het populaire thema van de Romeinse keizers, samen met andere publicaties op dat gebied zoals een uitgave van Abraham Bogaert uit de vriendenkring van de Koertens.
  1. Tekening 12 keizers van Houbraken
    In deze Koerier ook aandacht voor een mooie tekening van Arnold Houbraken. Die werd vermeld in een voetnoot in het artikel van Plomp uit 1989. Joanna Koerten is daarop afgebeeld op een troon, te midden van pilasters met daarop de twaalf keizers. Tenminste zo zou het moeten zijn, maar door het afsnijden van het linkerdeel van de tekening zijn slechts zes keizers afgebeeld. Opvallend is de overeenkomst met een andere, veel bekendere tekening van Houbraken: “Joanna Koerten op de Kunsttroon”.
  1. Tombe Rademaker
    Rademaker is in verband met Koerten vooral bekend door de afbeelding van het buiten Aemstelhoek. Dat is afgebeeld in een van zijn serie gravures van buitenplaatsen: “Hollands Arcadia”. Dit verscheen echter lang van de dood van Joanna en Adriaan. Maar Rademaker maakte vele tekeningen voor de Koerten, waaronder een prachtige tekening met de tombe van Joanna in 1716. Die mooi ingekleurde tekening (“extra fraay”) toont een forse tombe met daarop een knipschaar in een arcadische binnenplaats omgeving. Een stemmig kunstwerk.
  1. vignet Goeree
    Jan Goeree heeft voor het Stamboek een mooie reeks tekeningen en vignetten gemaakt. Te Rijdt besteedde in zijn artikel in Delineavit et Sculspit de nodige aandacht aan. Aardige verrassing was daarom dat we in de documentatie van het RKD de afbeelding van een nieuwe aanwinst van de Fundation Custodia in Parijs een vignet, getekend in rood krijt, met het opschrift “Geen dag sonder trek” aantroffen, gemaakt door Goeree. De teksten bij de vignetten van deze kunstenaar zijn te zien als een indirecte verwijzing naar het werk van Koerten, met als aansprekend voorbeeld de tekening van een kabinet van studerende insectenverzamelaars met de tekst “Uit kleine arbeit, grote roem”. Ook de Parijse tekening van Goeree is uitgevoerd in zijn kenmerkende stijl met een op uiterlijke effecten gerichte techniek met een schilderachtig samenspel van wassingen. Een prachtig voorbeeld van zijn werk.
  1. Johan de Witt
    1989 Was voor het Koertenonderzoek een goed jaar. Er verschenen belangrijke publicaties over Koerten: Plomp, Bogaard en Kaldenbach. Daarvan is het artikel van Plomp in het Leids Kunsthistorisch Jaarboek veruit het belangrijkst. Plomp maakt daarin, gebaseerd op de Testascatalogus, een overzicht van de portretten in het Stamboek. In het notenapparaat van het artikel is veel te vinden voor een onderzoeker. Zo vermeldt hij dat het papieren portret van Johan de Witt te zien is geweest op een tentoonstelling in het Dordrechts Museum in 1926. Benadering van het museum leidde er toe dat bekend werd dat het museum kort geleden in bezit was gekomen van het knipsel. Op de toegestuurde foto’s werd duidelijk dat het knipsel inderdaad enigszins beschadigd is, zoals De la Rue in 1735 vermeldde. Het vermoeden dat het zou moeten gaan om een dubbelportret van Johan en Cornelis de Witt werd door deze “vondst” niet bevestigd, maar leidde wel tot veronderstellingen over het bezoek van familieleden van Cornelis en Koerten en het ontstaan van de beschadiging van het knipsel.
  1. portret Verkolje
    Het zelfportret van Verkolje zagen we op de prachtige expositie “De Fluwelen Hand” in Rijksmuseum Twente.Niet voor niets wordt bij de vermelding van deze tekening in de Testascatalogus vermeldt dat het kunstwerk “extra fraay” was uitgevoerd. De kunstenaar heeft zich afgebeeld met een map met tekeningen voor het Stamboek, met op de achtergrond een geschilderd portret van Koerten naar Houbraken. Het laat zien dat Verkolje voor de inhoud van het Stamboek van grote waarde is geweest.
  1. Adriaan Blok
    Van Adriaan Blok zijn tot nu toe slechts enige summiere gegevens bekend. Wel is duidelijk dat hij een enthousiaste promotor van het werk van zijn vrouw is geweest. Even dachten we meer te weten te komen door een podcast behorend bij een tentoonstelling in het Westfries Museum. Daarin werd besproken dat Blok behalve laken handelaar ook “admiraliteitsman” zou zijn geweest. Een verzonnen verhaal bleek uit onderzoek en contacten met het museum, helaas. Maar kort geleden vonden we in het Stadsarchief van Amsterdam de vermelding van het archief van de stichting Adriaan Blok. Deze rechtspersoon heeft tot 1979 bestaan. Mogelijk biedt dit archief verdere gegevens over het leven van deze, ietwat raadselachtige figuur.
  1. Illustratie 1821/22
    Van verschillende kanten kregen we een afbeelding van een boekillustratie uit het begin van de 19de eeuw toegestuurd. Het bleek te gaan om een pagina uit de “Galerij van beroemde mannen en vrouwen in Nederland” geschreven door Margaretha Jacoba de Neufville (1775-1856) uit 1821/22. De illustratie (tekening van Van Meurs, gravure van Veelwaard) toont het bezoek van Peter de Grote aan het kabinet van Joanna Koerten in 1697. Hoe beroemd je kunt worden wil de schrijfster aan kinderen die op hun manier met knipsels bezig zijn laten zien. Een fraai huiselijk en biedermeierachtig verhaal, dat aantoont dat de naam en faam van Koerten tot in de 19de eeuw stand heeft gehouden. Wat b lijkt ook uit haar levensbeschrijving in de almanak “Vrouwen voor Vrouwen” uit 1800.
  1. Geleerd gezelschap
    Nicolaas Verkolje heeft vele tekeningen voor het Stamboek gemaakt. Het zijn meestal portretten van lieden die een poëtische bijdrage voor het Stamboek hebben gemaakt. Sommige ervan (Cattenburg, Bekker, Brand, Vollenhoven en Van Hoogstraten). Het is een geleerd gezelschap dat te zien is staande in hun studeer-kunstkamer. Daarbij kan ook nog Jan Six worden gevoegd.
  1. Lofdichten 1736
    Deze uitgave kon worden aangekocht op de Leverveiling van 1988. Overigens samen met de lofdichtenuitgave van 1735, andere boeken en enige prenten. De uitgave uit 1736 wordt algemeen beschouwd als de echte uitgave van gedichten over Koerten wat onder andere af te leiden is door de interessante inleiding en de vermelding van het gedicht van De la Rue uit 1735. De inleiding vermeldt dat Adriaan Blok steeds een partij gedichten liet drukken en daarna opzij legde voor latere uitgave. Door zijn dood in 1626 is het daarvan niet gekomen. Dat verklaart de afwijkende afmeting van de verschillende bladen en nummering van bepaalde bladen in dit boek.

De laatste KoertenKoerier, KoertenKoerier 20

In nummer tien van de KoertenKoerier schreven we:

“Na een korte pauze na het uitkomen van het laatste nummer van “Welkom in Papyria”(nr. 10) is van af het voorjaar van 2017 door de stichting WTj.Lever de “KoertenKoerier” uitgegeven. Ondertitel van deze uitgave is “nieuwsblad over leven en werk van Joanna Koerten“. Deze “KoertenKoerier” zou onregelmatig moeten verschijnen, maar in de praktijk zijn steeds per halfjaar twee nummers verschenen. Eind 2019 konden de laatste twee nummers van de eerste reeks (nr.1-10) worden gepresenteerd. Inmiddels is begonnen met de voorbereidingen voor een nieuwe serie van waarschijnlijk weer tien nummers (nrs. 11-20). Of dat uiteindelijk kan worden gerealiseerd zal moeten blijken“.

We zijn inmiddels tien nummers van de Koerier verder en dit nummer 20 is echt het laatste nummer van de KoertenKoerier dat verschijnt. Bedoeling was dat het nieuwsblad over leven en werk van Koerten de aandacht voor het bijzondere werk van Joanna verder te belichten, maar ook om de religieuze en culturele omgeving waarin zij leefde en werkte verder te onderzoeken. Voor een deel is dat zeker gelukt, maar zoals bijna altijd leidden resultaten van onderzoek en uitgave van nieuwe publicaties tot nieuwe vragen en suggesties. En dat is alleen maar goed.

De kennis over Koerten, haar werk en haar omgeving is de laatste jaren spectaculair toegenomen. Zeker niet alleen door ons eigen onderzoek, vastgelegd in Koertennummers van Welkom in Papyria en de KoertenKoerier, maar ook door bijdragen van andere onderzoekers en publicisten. We noemen het artikel van Martha Moffit in het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek en de door Joke en Jan Peter Verhave in Museum Willet-Holthuyzen opgezette tentoonstelling samen met een publicatie. En verder diverse artikelen in de Doopsgezinde Bijdragen, de ontdekking van Koertens boekenbezit en het bestaan van de stichting Adriaan Blok. En er waren verschillende tentoonstellingen en andere publicaties waarin Koerten een zekere, vaak bescheiden rol speelde.

Al in de twintigste eeuw is het Koertenonderzoek bevorderd door enige belangrijke publicaties. We noemen het artikel van Van Dokkum uit 1915, de NNBW bijdrage van Wijnman uit 1938, de artikelen van Catharina Van de Graft in Historia (1946/1948), het artikel van Michiel Plomp in het LKJ (1989), de bijdrage over het Stamboek door Robert-Jan te Rijdt (1997).

Met de hierboven genoemde publicaties en onderzoeken is in de laatste jaren een stevige basis gevormd voor verder onderzoeken en publicaties.

Met de twintig KoertenKoeriers is door de stichting W.Tj.Lever daaraan een goede bijdrage geleverd, maar het onderzoekswerk gaat natuurlijk verder. We zijn benieuwd wat dat in de komende jaren gaat opleveren.

De onderzoeksprojekten van de Stichting W.T.Lever
De uitgave van de KoertenKoerier is vooralsnog het laatste onderzoeksproject van de stichting W.Tj.Lever. Dit project werd vanaf 2000 voorafgegaan door andere projecten.

2000-2005
In 1999 kon het knipsel De Twaalf Keizers op een veiling in Haarlem worden aangekocht. Naar aanleiding daarvan verscheen in december 2000 een Koerten themanummer van de stichtingsnieuwsbrief. Die uitgave paste uitstekend in het beleid geformuleerd in het beleidsplan “Kort & Goed” om zich meer als een volwaardig museum te presenteren. Zoals vastgelegd in de ICOM definitie van een museum zou het museum mede moeten functioneren als een wetenschappelijk instelling met eigen onderzoek en publicaties.

Medewerking op dat gebied werd gezocht binnen en buiten het museum, want alleen het openhouden van het museum, het organiseren van museumactiviteiten en een mooi tentoonstellingsprogramma kostten al de nodige tijd. Via de wetenschapswinkel van de Universiteit van Utrecht kwamen we in contact met dr. Els Kloek die bezig was met haar project 10001 vrouwen. Een van haar studenten, Barbara de Hoop was bereid zich bezig te gaan houden met Joanna Koerten en na haar onverwachte overlijden werd dit onderzoek overgenomen door Richard Stolzenberg. Het lemma over Koerten kwam terecht in Kloeks publicatie over 1001 vrouwen en het Digitaal Vrouwen Lexicon van het Huygens Instituut.

Inmiddels had ook Attie Broer zich gemeld als onderzoeksmedewerker. Zij deed voor het museum veel werk en maakte brochures over ds. Jan de Blijker en Reliefknipsels en bavelaars in het Dordrechts Museum. Verder verzamelde zij gegevens voor de serie “Zeeuwse knippers en hun werk” en het boerderijproject ten gevolge van het thema Boerderijen van de Monumentendag (“Enkele boerderijen in de Krimpenerwaard nader bekeken”) en het aangekochte werk van Marjolein Beukeboom. Ook maakte zij de serie “Portretten van Papierknippers” voor de Nieuwsbrief. Voor die Nieuwsbrief maakte Henk van Ark een reconstructie van de knipkunsttentoonstelling in Utrecht in 1946 en een bijdrage over Koerten in de serie “Portretten van knipkunstenaars”.
Museumvriend Willem Bax maakte voor het museum een interessante brochure over schimmenspel: “Notities over schimmenspel in Nederland”.

2005-2010
De sluiting van het museum in Schoonhoven betekende een einde aan het museumwerk en daaraan verbonden onderzoek. In deze periode werden artikelen en korte bijdragen gemaakt voor het boek “Geknipt” dat in 2008 uitkwam, Ook werden gegevens verzameld voor de monografie over Wiecher Lever en de brochures “Atelier-Stichting-Museum 1986-2005” en Silhouetten, Silhouettisten Schimmenspel.

2010-2015
Hierna werd besloten te beginnen met de brochurereeks “Welkom in Papyria”, waarvan 10 nummers zijn verschenen. Was deze uitgave eerst bedoeld om aandacht te besteden aan onderwerpen die nog op de plank lagen, al snel zorgde nieuwe tentoonstelling en publicaties voor nieuwe onderwerpen die de moeite waard werden geacht om uit te zoeken. Ook verschenen themanummers over Wiecher Lever, Joanna Koerten (2x), de Jaren Tien van de 20ste eeuw. Ook verschenen in deze periode bijzondere brochures, te weten: “Uit het wonderrijk der schimmen”, naar aanleiding van het 20-jarig bestaan van schimmentheater “Licht in het Donker” uit Zeist en “De knippende schipper” uit Rotterdam 1865-1943. Dat was nu Bram Bosch”, geschreven door Dick de Jong, een familielid van de creatieve schipper.

2015-2022
Door de themanummers over Joanna Koerten en de tentoonstelling “Ode aan de knipkunst” in museum Willet Holthuysen in Amsterdam ter gelegenheid van de 300 sterfdag van Joanna werd duidelijk dat het de moeite waard was meer over Koerten te weten te komen. Hoe zat het precies met haar werk en werkwijze en haar contacten in religieuze en culturele kringen en belangstelling van (buitenlandse) bezoekers aan haar atelier. Een serie van 20 KoertenKoeriers was het gevolg. 

Twintig KoertenKoeriers overzicht van de inhoud
# 1
– Maria Sybilla Merian
– Een bijzonder kunstkabinet
– Stephanus- der medicynen docter- Blankaart
# 2
– Op bezoek bij Chevalier
# 3
– Een stamboektekening van Lubienietzki
– Veiling in Rotterdam 1766
# 4
– Abraham Rademaker
– Gerard de Lairesse
# 5
– Gezine Brit en haar Koridon
– Koerten in de Groote Schouburgh
– Joanna en Anna Maria Schurman
# 6
– Creatieve Vrouwen
– Von Uffenbach in Amsterdam: verslag van een reiziger
– Vorstelyke en Aanzienlyke Personaadjen
# 7
– Geleerde heren: Galenus, Bogaert en Van Hoogstraten
– Ander knipwerk van Koerten
– Drie dichters: Van Peterson, Smids en Bruin
# 8
-De Herderszangen
– Koerten op de tentoonstelling van 1946
– Het geknipte portret van Balthasar Bekker
# 9
– Koerten in Nederlandse kunstenaarslexica: Houbraken, Weyerman en Van Gooi
– Koerten in Nederlandse kunstenaarslexica: Immerzeel, Van der Aa en Kramm
# 10
– Koertens portret van Johan de Witt (en dat van Cornelis?)
– Koerten en onze historische sensatie
– Koertenonderzoek vanaf 1900
– Koertenpublicaties van de stichting W.Tj.Lever vanaf 1999
# 11
– Vignetten van Goeree
– Grafmonumenten van Koerten
– Het portret en gedicht van Poot
# 12
– Cosimo. Johanna en Joanna
– Een mooie mezzotint
– Jan Luyken
# 13
– Geleerd Gezelschap
– Adriaan van Cattenburg
– Caspar Brandt
– Jan Vollenhove
– Balthasar Bekker
– David van Hoogstraten
# 14
– Arnold Boonen (1)
– De gebroeders Bidloo
– Het knipsel de Liereman
– Ut Flos Vita Nostra
#15
-Koerten in Hoorn
– Jan Six
– Koerten in het Rijksmuseum
– Koertens Borduurkunst
– De Hollandse Schaarminerve Johanna Koerten
# 16
– Koerten als voorbeeld
– Vrouwen voor Vrouwen
– Arnold Boonen (2)
– Arnold Houbraken en Joanna Koerten
# 17
– Rijberg en Koerten
– De Portretten van Nicolaas Verkolje (1)
– Kunstvenster op Koerten
– Over het geknipte portret van Johann de Witt
# 18
– Het boekenbezit van Joanna Koerten
– Vrome Lieden
– De Twaalf Keizers
# 19
– De Portretten van Nicolaas Verkolje (2)
– Johann Wilhelm, Keurvorst van de Palts
– Bronckhorst en Henstenburgh
– Adriaan Spinniker
# 20
– De laatste KoertenKoerier
– Twintig KoertenKoeriers. Overzicht van de inhoud
– Hoogtepunten: een persoonlijke keuze uit twintig Koeriers
– De stichting Adriaan Blok

Sybrand Feitama, KoertenKoerier 19

Naar aanleiding van het overlijden van Joanna Koerten in 1715 schreven enige dichters en bekenden van de papierkunstenares een gedicht. Deze gedichten zijn te vinden in de Lofdichten uitgaven, we gebruikten delen ervan in de tiende uitgave van “Welkom in Papyria”.
Een van die dichters was Sybrand Feitama, hij schreef: “GRAFSCHRIFT/Voor Mejuffouwe /JOANNA KOERTEN,/Huisvrouwe van den Heere/ADRIAAN BLOK.” In twee gedeelten. Een ander gedicht van hem is ook opgenomen en in het algemeen opgedragen aan Joanna: Aan/JOANNA KOERTEN/ Huisvrou van/ADRIAAN BLOK”.

       

Sybrand Isaacsz. Feitama jr. (1694-1758) was doopsgezind en opgeleid tot predikant, maar kwam wegens een zwak gestel in de handel terecht. Dat beviel hem slecht, zodat hij zich vooral ging richten op de dicht- en tekenkunst. Een groot deel van zijn leven wijdde hij aan het “beschaven” van zijn techniek.
Behalve enige lofdichten, waaronder die twee over Koerten, bestaan er een behoorlijk aantal verzamelbundels van zijn hand met vertalingen en “eigene vindingen”. Zijn belangstelling voor schilderkunst blijkt uit zijn gedicht op de kunstverzameling van Jacob van Hoek. Vrijwel al zijn uitgaven zijn in Amsterdam verschenen. Ook maakte hij onderschriften bij verschillende tekeningen (zie Bronckhorst en Henstenburgh).

Literatuur
C.H.Ebbinge Wubbe, NNBW 1911, p.849.

Door Henk van Ark.
Dit artikel is eerder gepubliceerd in de KoertenKoerier 19, najaar 2022.
Afbeeldingen Wikicommons.

Adriaan Spinniker, KoertenKoerier 19

Vijf gedichten over Koerten en haar werk van Adriaan Spinniker (1676-1754) zijn te vinden in de Lofdichtenboeken uit 1735 en 1736. Spinniker was de schrijver van vele gedichten en publicaties, maar merkwaardig genoeg is tot nu toe geen portret van hem bekend.

Spinniker komt uit een doopsgezind gezin en is geboren in Groningen. Hij bezocht in Schiedam, waar zijn vader toen predikant was, de Latijnse school en studeerde verder aan het Atheneum in Amsterdam, waar hij lessen volgde bij Van Limborch en Galenus Abrahamsz. Als afgestudeerd theoloog werd hij in 1700 predikant bij de doopsgezinde gemeente “Het Lam en bij de Tooren”, waartoe ook Joanna en haar man Adriaan behoorden. In 1706 nam hij daar ontslag en verhuisde naar Haarlem waar hij boekhouder werd Van jongsaf aan beoefende hij al de dichtkunst en in Haarlem werd hij opgenomen in een kring van dichters, waaronder G.W. van Oosten de Bruyn die ook “t’ Leeven van Wylen Adriaan Spinniker” samenstelde, waarin een lijst van geschriften van Adriaan Spinniker tot 1743 wordt gegeven.

Adriaan Spinniker maakte vooral naam als dichter, met als bijnaam de “Deugdlievende Dichter” die werk maakte dat ook voor kinderen geschikt werd geacht en om hun zedelijke strekking veel werden gelezen. Zijn bekendste werk is wel “Leerzame Zinnebeelden”, voor jonge mensen geschreven dat zelfs als prijs voor jonge mensen is uitgedeeld (1e druk, Haarlem, 1714) met plaatwerk van Vincent van der Vinne. Reeds vroeg verschenen verzen in druk: bruiloftsliederen, grafgedichten en bijschriften. Verder heeft Spinniker meegewerkt aan de verbetering van de psalmen door middel van de nieuwe psalmenbundel “Davids Psalmen, In ‘t Nederduitsch berijmd” (Haarlem, 1713) uitgegeven door de Haarlemse doopsgezinde predikanten.

Spinniker maakte korte gedichten, hertalingen van Latijnse bijschriften van Petrus Francius, bij de door Koerten geknipte portretten van Cosimo III, Lodewijk IV en Frederik III. Verder een vertaling van het Latijnse lofdicht van Hilarius Laurentii Hirklow en Benedictus Benzon. Maar het meeste interessante gedicht is:

“Joanna Koerten
DE SNYKUNST
van
JOANNA KOERTEN
Egtgenoote van
ADRIAAN BLOK
Non illud Pallas, non capere livor
possit opus
”.

Spinniker schrijft in het begin van zijn gedicht:

“Wat zal ik eerst, wat lest, zyn ‘lof
Een dubbelwaardige eerkrans geeven?
Hier weiden d’oogen door een hof
En schoone bloemen, naar het leven,
In ‘t wit papier vol kunst gezet
”.

In deze eerkrans zien de ogen van de dichter een overzicht van het werk van Joanna Koerten.

  

Door Henk van Ark.
Dit artikel verscheen eerder in KoertenKoerier 19, najaar 2022
afbeeldingen Wikicommons

Bronckhorst en Henstenburgh, KoertenKoerier 19

Het portret van Johannes Bronckhorst (1648-1727) is in Konst-Boek, Letter A te vinden onder nummer 42: “Een dito (=portrait), Bronkhorst met veel bywerk door denzelven (=Verkolje), met een geschreeve portret daaronder”.
Van deze kunstenaar wordt in de Testascatalogus een kunstwerk vermeld, onder nummer 7 van Konst-Boek, Letter B”:
“Een Tuyn-gezicht, met Pauwen, Calkoenen en diverse andere Gevogelte, en verder bywerk, door Bronckhorst”. Afb.2 is een vogeltekening van Bronckhorst.

Johannes Bronckhorst was een Hoornse pasteibakker en amateurtekenaar van vooral vogels. Zijn portret is kunsthistorisch gezien niet zozeer belangrijk, schrijft Robert-Jan te Rijdt in zijn tekeningen bijdrage aan de Verkolje tentoonstelling van 2011 , maar wel interessant omdat het de enige bewaarde schets van Verkolje is. Het blad moet bij het selecteren van de nalatenschap zijn gewaardeerd als kunstenaarsportret en daarom niet zijn weggegooid met het andere werkmateriaal van de kunstenaar. Die schets werd uiteindelijk uitgewerkt tot een verzamelaarstekening. Die portretten (geschilderd en getekend) waren populair in de eerste decennia van de 18de eeuw, vooral in Haarlem en Amsterdam. Het was niet ongebruikelijk geschilderde portretten weer te geven temidden van diverse attributen. Het vervangen van die attributen door putti – in de 18de eeuw wel “zinrijke kindertjes” genoemd- was een vernieuwing die te danken was aan Arnold Houbraken en Nicolaas Verkolje.
Hoe belangrijk de opdracht voor het maken van portretten van Koertens Stamboek was blijkt uit het gegeven dat hij van de portretten van de meeste kunstenaarsportrretten en van enkele dichters hij tweede en soms ook derde exemplaren gemaakt. Die konden dan uiteraard naar familie van de afgebeelde kunstenaar of lokale bewonderaars van hem gaan, of naar verzamelaars die veel werk van hem bezaten.
De putti in schets en tekening tonen drie putti die de Schilderkunst, de Inspiratie en de Faam verbeelden. De datering die Te Rijdt voor de tekening gebruikt is “Zonder jaartal (circa 1720- 1725)”, maar opvallend is dat geboorte en sterfdatum in de tekening worden vermeld als 1748 en 1727.

Een leerling van Bronckhorst was Herman Henstenburgh (1667-1726).Hij kwam in de leer bij Bronckhorst in 1683 en werd ook pasteibakker. Zijn portret is in de Testascatalogus te vinden in het Konst-Boek, Letter A onder nummer 44:
“Een dito (=portrait), Herman Henstenburg, door denzelven (=Verkolje), met dito (=een geschreeven Vaars)”. De verblijfplaats van dit portret is onbekend. Van Gool vermeldt in zijn lexicon uit 1750 een portret van Henstenburgh door Verkolje met een gedicht van S. Feitama uit 1720. Dezelfde Feitama maakte ook een gedicht bij een zelfportret van Verkolje uit 1725.
In Konst-Boek, Letter B komen tekeningen van Henstenburg voor:
Nr.3: “Een Tafel met diverse Vrugten, uitmuntend in Miniatuur geschildert, door Henstenburg
Nr.4: “Een Fles met diverse Bloemen, door denzelven“.
Nr.5: “Een vogeltje en enige Vlindertjes en Bloemen door denzelven“.
Nr.6: “Twee Vogeltjes mede uitvoerig door denzelven“.
Van Verkolje zijn drie tekeningen van Henstenburgh bekend, maar de verbljfplaats van het portret uit het Stamboek is nog niet achterhaald. Wel nam Van Gooi in zijn lexicon van 1750 een vermelding van dit portret op dat van een vers van Feitama was voorzien.
Tijdens zijn bezoek aan Henstenburgh heeft Verkolje obk twee kleine olieverf van de schilder en zijn echtgenote Weijntje de Kneu gemaakt. Ook hiervan is de huidige verblijf onbekend. [afb. 3,4]

Literatuur
– Jim van der Meer Mohr, De Schilders van Westfriesland, Zwolle/Hoorn 2022.

Afbeeldingen
[2] Vogeltekening van Bronckhorst (p. 116).
[8.9.10] Tekeningen van Henstenburgh (p. 17-119).
[3,4] Portretten van Henstenburgh en zijn vrouw. In: J.R.Brozius, Nicolaas Verkolje en de “beminders der konst”, Hoorn 2001, p.8-10

– Vermelding van het portret van Henstenburgh door Verkolje in Van Gool (1750) met een gedicht van S.Feitama.

Door Henk van Ark.
Dit artikel is eerder gepubliceerd in de KoertenKoerier 19, najaar 2022.
Afbeeldingen Wikicommons en RIjksmuseum.

Johann Wilhelm, keurvorst van de Palts, KoertenKoerier 19

Het portret van deze Duitse vorst is onder nr.18 te vinden in Konst-Boek, Letter A van de Testascatalogus: “Het Portrait van Johan Wilhelm, Keurvorst van den Palts, door denzelven (=Verkolje) met een geschreeven Vaars daaronder”. Dit getekende portret bevindt zich in de collectie van het Teylers Museum in Haarlem. En er zijn vermeldingen van twee portretten van zijn echtgenote Anna Maria de’ Medici, nrs. 19 en 16.[1,2]
Nr. 16 “Het Portrait van Anna Maria, Keurvorstin van den Palts, zittende aan een Tafel in haar Kamer, en verder Bywerk, door denzelven (= Verkolje) en
Nr.19: “Een dito (=een Portrait), Anna Maria, Keurvorstin, en dito Vaars”.
Van beide portretten vond Plomp geen verblijfplaats, bovendien twijfelde hij (?) of nr.19 wel door Verkolje gemaakt kan zijn.

Johann Wilhelm bezocht niet alleen Koerten maar ook Elisabet Rijberg in Rotterdam. Gerard van Spaan vermeldt in zijn stadsbeschrijving van 1698 dat hij haar vereerde met een schenking zilverwerk. Johann Wilhelm bezocht Rotterdam in verband met het werk van Adriaen van der Werff (1659-1722), die schilderijen voor hem maakte en in 1697 door hem tot hofschilder voor negen maanden per jaar werd benoemd. Van der Werff bleef overigens wel in de Maasstad wonen.
Johann Wilhelm bezocht enige jaren er voor de kabinetten van De Wilde (1693) en Chevalier (1695), in die periode zal hij ook een bezoek hebben gebracht aan Joanna om haar werk te bekijken. Hij was in gezelschap van zijn vrouw Anna Maria [3] en zijn moeder Elisabeth Amalie van Hessen Darmstad.
Johann Wilhelm was gul geweest voor Elisabeth Rijberg, in het werk van Joanna was hij ook geïnteresseerd. Hij heeft, volgens Houbraken, “haar zelf voor drie stukjes van ’t snywerk duizend guldens gebooden“. Maar “zy was niet genegen dezelve te missen, omdat zy daar zoo veel werk aan had gedaan“.

Door Henk van Ark.
Dit artikel is eerder gepubliceerd in KoertenKoerier 19, najaar 2022
Afbeeldingen Wikicommons.