Auteursarchief: admin

Schaar-geschiedenis wordt geknipt, Knip-Pers 1993-3

Hans Postma
Nu we met de vereniging aan een nieuwe decade beginnen is het misschien een goed moment om een ‘nieuw’ aspect aandacht te geven. Een aantal van onze leden is gezegend in jaren en niet pas via de ijver en publiciteit van de vereniging in de afgelopen 10 jaar verknipt geworden.

Samen met het bestuur hadden wij het gevoel dat het interessant is om een aantal oudere leden te bevragen over hoe zij aan de knipperij zijn geraakt. Daaruit kunnen we leren hoe individuele knippers en de vereniging elkaar beïnvloed hebben. Voor sommigen van hen werd de vereniging een welkome stimulans, anderen werden een stimulans voor de vereniging!
Wij interviewden de nestrix van de Knipkring “kniprijk Nijmegen’, mevrouw Hans Postma. Na deze eerste aflevering willen we het stokje overdragen aan andere Knipkringen, in de afwachting dat ook zij hun senioren in het zonnetje zetten.
In hun huis aan de rand van het Brabantse dorp Heyen aan de Maas woont Hans Postma-Tideman samen met haar echtgenoot Boy, omringd door boeken, schilderijen, mooie dingen van alle tijden en een tuin vol bloemen.

afb. 1, Hans Postma-Tiedeman, ca 1988

De oudste knipherinnering van Hans is dat zij op 5-jarige leeftijd, wonende in Soerabaja, een poesje geknipt heeft dat vervolgens naar grootmoeder in Nederland gestuurd werd. De boot met deze post is getorpedeerd en dit eerste knipseltje is verloren. Hoewel haar moeder poppetjes aan elkaar knipte, heeft Hansje toen het knippen niet verder voortgezet. Maar haar schoolschriften werden van achter naar voor met tekeningen gevuld, waardoor ze vaak maar half voor werk beschikbaar bleven. Tekenen heeft ze haar leven lang graag gedaan.

Volwassen in Nederland heeft een lezing van W.Tj. Lever de aanzet gegeven tot een interesse voor de knipperij; er werd echter nog niet meteen geknipt.

Voor haar vijf kinderen heeft Hans een levensboek gemaakt. Eind veertiger jaren maakte ze voor elk van hen een knipsel; zelf noemt ze deze knipsels ‘uitgeknipte tekeningen’. (afb. 2 en 3) Kennelijk heeft Lever in die tijd ander werk van Hans onder ogen gehad, want hij noemde haar in een van zijn artikelen een veelbelovend talent; zij kan zich dat overigens niet herinneren.

afb. 2, Hans Postma, ca 1950

afb. 3, Hans Postma, ca 1950

Als domineesvrouw werd Hans belast met het leiden van de kerkelijke jeugd en ze werd ook leidster van de padvindsters. Om dit zo goed mogelijk te kunnen doen volgde zij in Arnhem, in het Openluchtmuseum, een ‘mooimakersweek’. Dit betekende contact met een tweede belangrijke knipper uit die tijd: Hil Bottema. Nadat zij aan Hil enthousiast had verteld een lezing van een meneer Lever gehoord te hebben en dat die zo mooi kon knippen, heeft Hil niets meer tegen haar gezegd! Hans vond er overigens niet veel aan om potten met bloemen  à la Hil te moeten maken.

Op een keer bleef een knipseltje, door Hans gemaakt en gebruikt als bladwijzer, in de trein liggen. Tegenover haar had een meneer gezeten, vermoedelijk Lever, want later tijdens een bezoek aan Lever’s museum zag Hans haar knipwerkje (een kruis en doornenkroon) terug in Westerbork. Jammer genoeg was Lever er toen niet om het hem te vragen en ze heeft het ook niet belangrijk genoeg gevonden om nadien nog contact te zoeken.
Behalve het werk van Lever heeft Hans de vroege knipsels van Jantje III bewonderd, op een tentoonstelling in Hoorn in 1974. Haar eigen knipsels van na die tijd zijn er duidelijk op geïnspireerd. Vanuit het boekje ‘Leer knippende zien’, van mevrouw I.G.L. Kerp, is het actieve knippen begonnen.

Door een ander toeval heeft ze ‘haar vorm’ in het knipwerk gekregen. Een groot warenhuis hield uitverkoop van zwarte, ovale lijstjes; Hans kocht er veel en heeft er goed gebruik van gemaakt. Er wordt niet zomaar geknipt. Er moet een uitgangspunt zijn. Liefst een spreuk, waarbij de favoriet voor Hans, die herhaaldelijk zegt slordig te zijn, is: “My home is clean enough te be healthy and dirty enough to be happy”.

De spreuk wordt in de rand geknipt, er komen spiegels aan te pas om de letters goed te krijgen; een enkele keer wil er nog wel eentje verkeerd-om staan. Heeft ze de spreuk eenmaal en is er een schets gemaakt met het ontwerp, dan wordt er meestal aan een stuk door geknipt, dat is het fijnste deel. Haar voorstellingen zijn levendig en de symmetrie wordt vaak doorbroken. Daarna komt het opplakken, wat ze nog steeds afschuwelijk vindt, maar een onbedoelde rimpel draagt bij aan haar stijl. (afb. 4)

afb. 4, Hans Postma

Hans is een bescheiden vrouw, volgens eigen zeggen schuchter ten opzichte van onbekenden. Wetende van een knippende mevrouw in het nabije Malden heeft Hans nooit de moed gehad zich bekend te maken. Wel is ze lid geworden van de vereniging en heeft de eerste lustrumbijeenkomst in Arnhem bijgewoond. Omdat wij binnen de Nijmeegse Knipkring iemand hebben die uitstekend contact kan leggen, kon Hans ons toen niet meer ontlopen. Hans zegt dat de kennismaking met de Nijmeegse knippers bij haar een minderwaardigheidsgevoel deed groeien. En dat voor iemand die zó een eigen weg heeft gevolgd. Het is voor ons allen herkenbaar om tegen een andere knipper te zeggen: “o, wat ik maak stelt niet zoveel voor”…. en het duurde even voor ze met haar eigen werk voor de dag durfde komen. Veel kon ze niet laten zien, omdat het weggegeven was. In de Kring leerde ze van elk nieuw knipsel een fotokopie te maken.

afb. 5, Hans Postma

Hans is een fijn lid van de Knipkring, leergierig en bescheiden. Zij heeft voor ons de mogelijkheid tot exposeren in het streekmuseum in Gennep geschapen in 1991 en daar hingen op een ereplaats haar Gennepse ponymarkt, het Gennepse stadhuis en het oude kerkje van haar man. (afb. 6)

Ter gelegenheid van haar gouden huwelijk wilde Hans voor ieder kind en kleinkind een cadeautje maken. Knippen duurde te lang, een cursus Hindeloper schilderwerk bood uitkomst. Heerlijk om te doen, volgens haar zeggen, zeker als je niet zo precies bent. Als het je niet zint, verf je er gewoon weer overheen.

Dit jaar mocht zij samen met haar man hun 60-jarig huwelijk vieren. Ter gelegenheid hiervan is er niet geschilderd, maar geknipt. Het vignet voor de kaart en de bladwijzer, die iedere gast mee naar huis kreeg.
Joke en Jan Peter Verhave

afb. 6, Hans Postma, Gennepse ponymarkt met kerkje.

Goed voorbeeld doet goed volgen, Knip-Pers 1993-2

Het onderwerp van de voordracht tijdens de Contactdag in Ede ging over voordoen en nadoen. Leerlingen doen het voorbeeld na en ze leren zo knipvaardigheid. Nadat enige behendigheid met de schaar is verkregen, komt het ontwerpen en vormgeven aan bod, iets wat nog moeilijker is. Geleidelijk aan ontwikkelt de knipper een eigen stijl. Toch blijft de mode bepalen wat mooi is; vele kunstenaars blijven steken in een succesformule of nemen ideeën van anderen over.Onder knippers is de drang naar het nieuwe, onverwachte, iets wat we mogen verwachten omdat knipkringen, de Knip-Pers en tentoonstellingen veel meer mogelijkheid tot experimenteren en inspiratie geven dan vroeger het geval was.

Er zijn diverse knippers geweest die hun brood of hun beleg met de schaar moesten verdienen. Bij zulke broodknippers was herhaling onvermijdelijk. Ook Wiecher Lever moest in de stille wintermaanden een grote productie maken, om met de verkoop aan de duizenden bezoekers van zijn museum, in Muntendam, Roden en uiteindelijk Westerbork, van een bestaan verzekerd te zijn. In 1953 schreef een knipper, Gert Evers uit Almelo: “Hij knipt fantastisch goed. Alleen is het jammer dat hij nooit verder komt dan altijd maar weer zijn duivenhok, zijn watervogels en herten. Al het andere is kopiewerk naar de stukken uit de oude salons, zelfs, wanneer hij zich eens aan een eigen compositie waagt”.

afb 1, Ot en Sien

Lever heeft zich op allerlei manieren verder ontwikkeld, zoals wij 25 jaar later hij onze bezoeken aan hem konden vaststellen. Maar ook toen nog lag op rustige dagen zijn werktafel vol met allerlei geïllustreerde boekjes, vooral leesboekjes uit de oude doos, zoals die over Ot en Sien. Hij haalde daar zijn voorbeelden uit, trok ze over en verwerkte ze in zijn eigen knipsels (afb. 1). Soms heeft hij afbeeldingen bijna letterlijk overgenomen, zoals uit het vroeger al eens in de Knip-Pers besproken boekje ‘Buiten bij Kaatje’ (afb. 2), en ze kwamen zonder bronvermelding terug in zijn instructieboekje ‘Silhouetten knippen’ uit 1974 (fig. 3).

afb. 2, Lever naar Enderlein, uit: “buiten bij Kaatje”

afb. 3, Lever naar Enderlein, Uit: ‘Silhouetten knippen’ uit 1974

Gelukkig heeft Lever de voorbeelden meestal zo verwerkt in zijn eigen knipsels, dat het tot zijn eigen stijl werd. Lever heeft veel oude knipsels nagemaakt om er zijn museum mee te versieren en zijn verzameling aan te vullen: knipsels uit alle tijdperken, onder andere een van Arie Tergant, waarvan het origineel verloren was gegaan en slechts een afdruk op het verkleurde achtergrondpapier had achtergelaten (fig. 4).

afb. 4, Lever, naar een knipsel van Arie Tergant.

Het leverde hem een vaardige hand op, maar alleen met de verwijzing naar het origineel is zoiets acceptabel. En dat heeft hij vooral in zijn vroegere jaren nog wel eens nagelaten. Later gaf dat in het archief van het Nederlands Openluchtmuseum problemen met de herkomst van een aantal kopieën (Schaarkunst blz. 102-3).

Sommige namaaksels waren zeer groot, als een krant, zoals het huwelijksgedenkstuk door Grootenhuis uit het Overijsselse (afb. 5). Andere waren zeer klein en fijn, handgroot, zoals het bekende Schurman-snijdsel dat rond 1700 werd gemaakt door Otto van Voorst.

afb. 5, Lever naar een huwelijksgedenkstuk door Grotenhuis.

Volkskunst
Waar hebben onze knippers hun inspiratie vandaan? Waren het de oude, overgeleverde vormen, het hart, het wiel, de levensboom, vormen die de tijd hebben doorstaan in allerlei kunstnijverheid op het platteland? De volkseigen, streekgebonden motieven, zonder interesse voor individuele gelijkenis of emotie; zinnebeelden en symbolen, Bijbelse verhalen en wijze spreuken, daar hielden de mensen zich aan vast. Eigenaardig is, dat de naam van de maker niet belangrijk gevonden werd; de kunstnijveraar stelde geen prijs op persoonlijke eer.

Volkskunst is moeilijk te omschrijven, maar wel te gebruiken: Hil Bottema, wier vak het was om te gaan met volkskunst in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, schreef in 1940 een boekje ‘Nederlandsche Handenarbeid, naar oude Vaderlandsche volkskunstmotieven’.

Harten en levensbomen en symmetrische dieren, het waren voor haar van die voor zichzelf sprekende symbolen en ze leerde haar leerlingen voor die symboliek open te staan. In 1952 stelde ze dat knipwerk net zoveel en net zo weinig volkskunst is als naaldwerk, schilderwerk, snijwerk enz. Er is volkskunst en er is uiterst bedreven ambachtswerk in papierknip- en snijwerk te vinden. In 1955 schreef ze een wegwijzer door de Nederlandse volkskunst, waarin het knipwerk ruime aandacht kreeg.

Geleide huisnijverheid, noemde zij het gebruik van oude motieven die nieuw leven worden ingeblazen ‘ter meerder versterking van het gevoel voor vaderlandsche tradities … ‘ In haar vooroorlogse boekje schreef Hil: “Met de goede volkskunstvormen als uitgangspunt, niet klakkeloos een voorbeeld navolgend maar met verstand, zal men al werkend ervaren dat een waardevoller en mooier geheel verkregen wordt”.

Zwart-wit
Hil heeft Wiecher Lever naar het Nederlands Openluchtmuseum uitgenodigd om zijn knipkunst te demonstreren. Maar erg thuis tussen al die volkskunst voelde hij zich niet. Met name de ideeën van Hil veroorzaakten een ernstige aanvaring tussen die twee. De politiek van het Nationaal Socialisme had de volkskunst ingelijfd als de erfenis van het arische ras, en de zogenaamde eerlijke, Germaanse volkskunst stond na de oorlog in een kwade reuk. Zowel Bottema als Lever hadden zich in de oorlog voorbeeldig gedragen, maar op Lever werkte al dat volkskunst gedoe als een rode lap op een stier. Hij vond dat het papierknippen niet zomaar onder volkskunst gerekend kon worden: er was hoogstaande artisticiteit onder, vakkundige kunstnijverheid en aandoenlijke eenvoud. Hij formuleerde volkskunst als ‘de schoonheidsuiting der ongeschoolde massa of enkeling, in overeenstemming met zijn omgeving of overtuiging’. In sterke bewoordingen veroordeelde hij de lessen van Hil als onnatuurlijk en verwerpelijk. Het nadoen, van geslacht op geslacht noemde hij ‘dode’ volkskunst, omdat het steeds meer van het oorspronkelijke verwijdert. Zogenaamde levensbomen zijn gewoon planten in bloempotten; spontane volkskunst kent zulke vormen niet. Het omgaan met ornamentele symbolen, zoals onder andere Hil Bottema deed, was kunstmatig en zelfs politiek verwerpelijk. De mensen van nu hebben geen banden met het verre voorgeslacht en alle schijn van volkskunstige overlevering staat sinds het nazisme in valse schijn.

Lever was omstreeks 1950 van mening dat de motieven, door het nationaal-socialisme zo bewonderd, nog slechts ten gevolge van een traditie-uit-sleur in ons land aanwezig waren en verdienden te verdwijnen. De ‘levensboom’ zegt niemand meer wat, maar kruis en hart zijn symbolen die elk verstaat. “Volkskunst is die kunst, die door overlevering of uit innerlijke drang ontstaat, zonder enige leermeester en uitsluitend uit behoefte iets te maken of te scheppen. Wil iemand oude symbolische voorstellingen of oude historische gegevens knippen, dan zal hij dat alleen met hart en ziel kunnen doen als hij in deze dingen ook inderdaad thuis is. Dus geen doodse vormgeving, dat is imitatie-volkskunst. Echte volkskunst moet groeien uit iemands innerlijk, spontaan opborrelen uit een innerlijke schoonheidsdrang. Dat brengt al mee, dat ze zich naar de natuur richt en dat de overlevering vaak oorzaak is van verstarring.”

Tussen Wiecher en Hil ontstond in 1951 een jammerlijke breuk, die niet meer is overbrugd. In 1953 schreef Gert Evers aan Line Huizenga over deze kwestie: “Ik heb Lever er wel op gewezen dat hij met zijn beschuldiging als zou Hil tijdens de oorlog Nationaal Socialistische ideeën hebben gekoesterd, alleen al vanwege het feit dat zij met haar leerlingen wel eens symbolen gebruikte welke van Germaanse oorsprong waren, er volkomen naast was. Immers die symbolen zijn al veel en veel ouder dan de ‘edelgermanen’ welke wij hier in de oorlog hadden. Veeleer moeten we het betreuren dat de bezetters en hun satelieten die symbolen misbruikten voor hun afschuwelijke politiek. Met de rampspoedige gevolgen zitten we nu nog te kampen want wie zou die, vaak prachtige symbolen thans nog kunnen gebruiken, zonder gevaar te lopen dezelfde beschuldigingen toegeworpen te krijgen als hij jegens Hil Bottema doet? Haar houding tijdens de bezettingstijd was prachtig, vooral ook tegenover haar toenmalige wel Nationaal Socialistische directeur”.

Het was haar vak en in die tijd was het nog niet een besmet begrip. Na de oorlog lag dat totaal anders, en iedereen voelt nu nog het taboe van het hakenkruis. Maar Hils leerlingen hebben zich heus niet geschaamd om een harteknipsel te maken en zeker de knippers van nu denken daarbij zeker niet aan de politieke beladenheid! De discussie is verleden tijd, maar toch leerzaam om eens op te halen in het kader van de vraag hoe we ons laten inspireren bij ons eigen knipwerk. Over een ding waren Hil Bottema en Wiecher Lever het eens: voorbeelden zijn er niet om klakkeloos na te volgen; ook volkskunst vraagt om een gevoel van schoonheid!

Joke en Jan Peter Verhave

Knipsels als Kant, Knip-Pers 1992-4

afb.1, anoniem, De maker verwerkte veel symbolen: Een rijk en vruchtbaar leven wordt het echtpaar toegewenst, afgaande op de symboliek van de hoorn des overvloeds, de vogel met jongen en de jonge vogeltjes in een mandje. Terwijl in de 17de eeuw ‘vogelen’ ook voor vrijen stond. De musicerende engeltjes geven het geheel een feestelijk tintje en onderstrepen nog eens de symboliek van de pijl door de twee harten (een huwelijk uit liefde) en de ineengeslagen handen van het echtpaar (een levenslange verbintenis). (Collectie: M. Douma, Amsterdam)

Werden Johanna Koerten, Gilles van Vliet, Agnes Black en Anna Maria van Schuurman geroemd om hun knipwerken zo fijn als kant, de vele anonieme 18de en 19de eeuwse kantknippers zullen wel altijd in de anonimiteit blijven. Zij signeerden en dateerden hun werk niet, waardoor alleen door vergelijking met andere knipwerken eventueel een toeschrijving kan plaatsvinden. Het dateren kan ook problemen opleveren omdat het de kenmerken van verschillende stijlperioden heeft, maar ook omdat sommige gelegenheidsknipwerken soms jaren na de gebeurtenis gemaakt werden. Een grove tijdsaanduiding is af te lezen aan het papier waarvan het knipwerk gemaakt is. Naar om nu tot een betere tijdsaanduiding te komen kan men verschillende onderdelen van het knipwerk met andere technieken vergelijken.

Een huwelijksknipsel (afb. 1), gedateerd 1811 en gemaakt voor het echtpaar Kwant-Driescher door een niet bekende 19de eeuwse knipper, heeft sierranden en opgewerkte bloemen die met het blote oog bijna niet van echt kant te onderscheiden zijn.

afb.2, Gemaakt door M. Fond, Blaadje uit een album amicorum met een papierknipsel, 1835-1890. Collectie: Zaanlandse Oudheidkamer

Dit is ook het geval met een blaadje uit een album amicorum (afb. 2), dat zich in de collectie van de Zaanse Oudheidkamer bevindt. Dit blaadje bevat een klein en ragfijn fantasie knipwerkje. Het werd in de 19de eeuw door M. Fonds gemaakt. Naar ondanks dat ook dit knipwerkje op kant lijkt is het niet door de maker van het huwelijksknipsel vervaardigd.

Vergelijken wij nu de twee knipsels met echte kantwerken uit verschillende perioden dan valt het volgende op. De in de knipsels verwerkte kantmotieven vinden we ook terug in het echte kant uit die perioden.
Verschillende bloempatronen in het huwelijksknipsel zijn ook in het echte kant rond 1810 terug te vinden, terwijl de ruitvormige ondergrond in het knipsel uit het album amicorum in de echte kantverwerking na 1830 (door mechanisatie veranderde na 1830 de ondergrond) gebruikt wordt.
Het huwelijksknipsel zal, gezien de kleding waarin het echtpaar is afgebeeld, gemaakt zijn in het jaar waarin het huwelijk heeft plaatsgevonden. De vrouw draagt de empiredracht, tot 1810 in de mode en de man heeft een 18de eeuws kostuum aan. Volgens textielkenners duidt dat erop dat het echtpaar niet uit een stad afkomstig was, maar waarschijnlijk uit een dorp of kleine plattelands gemeente, waar de mode altijd wat later werd gevolgd. Natuurlijk is het ook zo, dat in bepaalde perioden gebruik werd gemaakt van voorbeelden uit de tijd daarvoor.

Een mooi voorbeeld daarvan is een 18de eeuws ‘kantknipsel’ met het portret van Willem IV (1711-1741), dat wordt omgeven door een geknipte sierrand gelijk aan 17de eeuws kant. De knipper van dit werk is Willem Roels. (afb. 3)

afb. 3, Roels, Onderschrift: 18de eeuws portret van Willem IV, Collectie: Van Hoevell Teding van Berkhout

Niet alleen bewerkte men het papier om het op kant te laten lijken, men gebruikte ook wel echt kant in knipwerken. Zo bevindt zich tussen de vele geknipte en met de hand ingekleurde bidprentjes uit de collectie van het Westfries Museum een bidprentje (afb. 4), waarbij van echt kant gebruik gemaakt is. Het fijne en ook dit met de hand ingekleurde knipwerk is bij dit bidprentje op echt kant geplakt.

afb. 4, Anoniem, 1830-1899. Bidprentje met een handgeschilderd miniatuur van de Heilige Sint Petrus. Geplakt op kant, Collectie: Westfries Museum te Hoorn

afb. 5, Kloskant, 1810

afb. 6,17de eeuws kant

Tonny Jurriaans

Corrie van der Baan, Knip-Pers 1992-3

Een vrouw om bij in de schaduw te staan.

afb. 1, Corrie van der Baan

We hebben u beloofd om in deze Knip-Pers te schrijven over Corrie van der Baan. Een opmerkelijke vrouw, die geboren is in wat wij zouden noemen een creatief nest, meer dan driekwart eeuw geleden. Door Elly Stroucken zijn we op haar spoor gezet.

Corrie zocht contact met knippers omdat zij voor de schimmenspelen die ze gemaakt had, een bestemming zocht. Op veel plaatsen is zij er mee opgetreden, aanvankelijk met een assistent en vanaf 1982 alleen. Maar reuma verhindert haar nu om in het flitsende tijdsbestek dat het spel geeft, de vereiste handelingen te verrichten.

Wij hebben Corrie thuis in Kortenhoef opgezocht en op de zolder van haar huis temidden van schildersattributen en reissouvenirs een heel boeiend gesprek gehad. De visie van haar vader bepaalde haar beroep: ‘Niet dat wat je in je leven meekrijgt of ervaart bepaalt jouw leven, maar wat je er met Gods hulp mee doet!’ Jarenlang heeft ze kinderboeken geïllustreerd, zich actief inlevend in het verhaal en in de mensen voor wie het geschreven was. Anne de Vries had leesboekjes voor Surinaamse kinderen geschreven tijdens een studietijd in Suriname. Voor de illustraties is Corrie ook naar Suriname gegaan om het verhaal voor de kinderen ‘echt’ te maken.

Het motto voor haar illustratieve werk past op de beginletters van haar naam: Creativiteit voor dagelijks Brood. Op grond van een uitgebreide correspondentie met geëmigreerde familieleden schrijft ze nu zelf een boek, dat gaat heten ‘Wel heb je ooit …‘
Corrie heeft drie schimmenspelen geschreven en gemaakt, compleet met silhouetten, teksten, dia’s voor de achtergrond en een cassettebandje met de tekst en passende geluiden.

Het idee om een schimmenspel te combineren met dia’s is ontstaan in 1968 toen Corrie met padvinders schimmenspelfiguren bij het Sint Joris verhaal had gemaakt. Omdat Joris met de draak in de woestijn vocht en de lamp van de diaprojector voor de schaduwbeelden zorgde, werd de idee geboren om dia’s van een woestijn (gemaakt tijdens een reis naar Israël) te projecteren als achtergrond. Daardoor kwamen de schimmen in een lichtgekleurd decor te staan.

afb.2 Corrie van der Baan

In 1976 heeft Corrie het Bijbelverhaal Ruth gemaakt voor een Kerstbijeenkomst. Ook hier gaven dia’s uit Israël diepte aan het schimmenspel. Nauwgezet heeft Corrie genoteerd waar en wanneer zij het spel heeft getoond, meer dan 20 keer! Steeds was het volgende motto haar uitgangspunt: ‘In de Bijbelverhalen wordt Gods omgang met de mensen aan het licht gebracht. Al ons doen en laten speelt zich af in Zijn wereld en in Zijn licht krijgen wij gestalte. Zo is onze gang door het leven als een schimmenspel waarbij God als een lichtbron achter ons staat.’

Een tweede op de Bijbel geënt schimmenspel is geschreven in 1985 na een reis naar Egypte (u begrijpt het al, voor de dia’s) en gaat over de vrouwen rond de geboorte van Mozes. Het derde spel speelt zich af in de theekoepel van het huis Gunterstein, een landgoed aan de Vecht hij Breukelen. Om dit spel te beschrijven doen we er het beste aan om een deel van de inleiding die Corrie er zelf voor schreef te citeren:

“Het is ontstaan toen ik mij in 1982 aan het verdiepen was in bijzonderheden over de theekoepels aan de Vecht. Bij het jubileum van een vrouwenvereniging (de Soroptimisten) zou er een boottocht langs de Vecht gemaakt worden, waar ook gasten uit het buitenland aan deelnamen. Aansluitend werd er ‘s avonds een programma aangeboden met de schimmen van Gunterstein en diaklankbeeld. Er is niet alleen veel te zien, maar ook via de band van alles te horen. Tijdens de voorbereidingen was mij een boekje onder ogen gekomen over Gunterstein, waar indertijd een van de mooiste theekoepels bij hoorde. Ik werd vooral getroffen door de woorden op het titelblad: ‘Opgedragen aan de rij van Vrouwen, die sinds 1681 de huishouding op Gunterstein bestieren’. Al lezend bleek mij dat die vrouwen nog wel meer deden dan de huishouding bestieren en dat de geschiedenis van de vrouwen van Gunterstein terug ging tot 1386, toen Petronella Guntersdochter de Ridderhofstad beheerde. Steeds waren het hoofdzakelijk vrouwen, waarover de auteur Jhr. Quarles van Ufford vertelde. Zijn tantes, de dames Willink van Collen, die in het begin van deze eeuw jarenlang op Gunterstein woonden, waren in Breukelen en verre omtrek bekend om hun milddadigheid en hulp pp velerlei gebied. Ook hadden zij een grote liefde voor de Zending zoals dat toen in zijn werk ging.”

Het schimmenspel begint met de theekoepel, waarin de dames Jo en Betsy Willink van Cohen in het voorjaar van 1922 thee zitten te drinken. Het silhouet van de theekoepel tekent zich af tegen een dia van de Vecht. Er komt een onverwachte gast en aan haar vertellen de dames de geschiedenis van Gunterstein (in twee versies zijn dat een Amerikaanse Soroptimiste en een Indische vrouw). Behalve dia’s van de Vecht en omgeving worden ook historische afbeeldingen geprojecteerd (die Corrie zelf direct op dia geschilderd had!). Verder ziet u in een soort ‘modeshow door de eeuwen’ belangrijke vrouwen in schaduwbeelden passeren. Daarbij zijn ook heel bekende namen uit onze geschiedenisboekjes. Via de band hoort u de geluiden die bij de omgeving passen. Het fluiten van de vogels en het koeren van de duiven, zoals dit door de eeuwen geklonken heeft. Maar ook de verontrustende geluiden van strijd en ondergang zijn aan Gunterstein niet voorbijgegaan.

Het opbouwende element dat steeds weer de boventoon kreeg door de inbreng van de vrouwen, is ook te horen in een brief, die een vrouwe van Gunterstein aan haar dochter schreef. “Wees eenvoudig, opregt en waarheidslievend, altijd rechtvaardig. Doet wel aan de arme natuurgenoten, die onze hulp behoeven.” En verder ook iets waarvan Corrie zegt dat wij ter harte kunnen nemen als wij kijken naar het schimmenspel: “Houdt u altijd recht – nooit leunen – let op een goede gang.” (Johanna Maria Elisabeth van Collen, 3 februari 1847).

afb. 3, Corrie van der Baan, Jacoba van Beieren

In alle spelen zijn de vrouwen sterk en bepalend voor de loop van de geschiedenis. Wij ervoeren Corrie tijdens ons bezoek ook als een sterke, inspirerende en gelovige vrouw. Uiterst creatief en vol fantasie, bijvoorbeeld ook rond de op gaaf ‘hoe maak ik mijn eigen theater’. Ze nam gewoon een stuk van een oud tentframe, maakte een opening in het doek en kon het geheel zo overal gemakkelijk mee naar toe nemen.

Van het stuk over Ruth zijn de schimmen niet bewaard. De vrouwen rond de geboorte van Mozes (inclusief ‘de tent’) heeft Corrie bij het vormingsinstituut Kerk en Wereld te Driebergen in bewaring gegeven; dit wordt nu gebruikt tijdens conferenties. Schimmen, dia’s, cassette en draaiboek van Gunterstein zijn bij ons; voor Knipkringen is het ter beschikking om op te voeren en om te zien wat er allemaal komt kijken bij het maken van een schimmenspel. Corrie wil desgewenst ook zelf wel wat instructies geven. Wij leggen graag het contact. Zo kunnen we als kring ons laten inspireren door deze bijzondere vrouw en een verhaal uit de Bijbelse of vaderlandse geschiedenis, of een plaatselijke legende met elkaar tot leven wekken!

De figuren uit ‘De vrouwen van Gunterstein’ zijn in werkelijkheid ongeveer 25 cm lang en aan de voorkant zwart.

Joke en Jan Peter Verhave

Snijwerk van H.H. Steffens, Knip-Pers 1992-1

afb.1, H.H. Steffens, 1977

Het Snijwerk op de voor- en achterpagina (af. 1 en 6) van deze Knip-Pers  is gemaakt door de heer H.H. Steffens uit Oldenzaal. Bij zijn inzending sloot hij een korte brief in met de mededeling:

“Veel schrijfwerk moet u van mij niet verwachten, daar ben ik geen held in”. Toch kunnen wij uit zijn aantekeningen onder het snijwerk het een en ander opmaken. Hij kwam eens in aanraking met knipwerk van W.Tj.Lever en thuis gekomen ging hij deze vaardigheid ook proberen. Het lukt niet direct maar door bloemen te knippen, veel bloemen, heeft hij het zichzelf aangeleerd. En over de ruggen van de insecten die daarbij hoorden, begon zijn werk uit te groeien tot miniatuurtjes als het jachttafereel (afb. 2). Ook knipte hij graag interieurs van kerken en boerderijen. In de jaren zeventig lijkt zijn voorkeur een wending te nemen. In die tijd zijn de snijdsels ontstaan omdat ‘het zien niet meer is als vroeger’ en hij bij deze techniek een vergrootglas kan gebruiken. Deze symmetrische snijdsels zijn gedeeltelijk nog geknipt en soms eerst gevouwen. Van de grotere vlakken zijn de details later apart uitgewerkt. Een enkele keer heeft hij de snijdsels daarna ingekleurd met waterverf of verschillende kleuren balpennen.

afb. 2, H.H. Steffens, Natuur 1973, 34 x 14.5 cm

Het figuratieve begint hij nu wat los te laten. Waarschijnlijk geven de vele patronen en structuren waarmee hij als wever werkt, richting aan zijn schaar en mes (afb. 3). Wel houdt hij de neiging iets ‘bloemigs’ of ‘persoonlijks’ aan het ontwerp toe te voegen, maar dan in een ondergeschikte rol (achterzijde). De vier figuurtjes, twee mannetjes en twee vrouwtjes in het midden links en rechts, zijn er min of meer toevallig in gekomen en hebben geen specifieke betekenis (1973). Uit het herdenkingssnijdsel van 1986 (afb. 4) blijkt enige beïnvloeding door vroegere knippers. Misschien om, vasthoudend aan zijn eigen gedetailleerde manier van snijden, toch te kunnen voldoen aan een opdracht om gegevens te verwerken. Echt verdiept heeft hij zich in de oude papierknipkunst niet. Voordat de heer Steffens gaat snijden tekent hij meestal slechts een gedeelte voor; soms heeft hij geen beeld voor ogen en werkt hij op het gevoel.

afb. 3, H.H. Steffens, Juni 1974, 33 x 26 cm

“Ik zie wel waar ik uitkom”. Als het werk vordert ontstaat er iets en weet hij hoe hij het resultaat wil zien. De heer Steffens heeft vroeger tekenles gehad en direct na de oorlog kunstnijverheidsonderwijs gevolgd, met de bedoeling om glas-in-loodzetter te worden. Omdat hij bij de sollicitaties met zijn dertig jaar al te oud was, is daarvan niets terecht gekomen en keer de hij terug in zijn oude weversberoep. In beide beroepen speelde het versierende element een rol, niet verwonderlijk dat dit doorwerkte in zijn hobby, zijn manier van knippen en snijden. Een hobby die veel geduld vraagt, een ongekend geduld.

afb. 4, H.H. Steffens, Herdenkinqsknipsel 1986, 33 x 26 cm

Behalve de schaar en het mes hanteert de heer Steffens ook zelfgemaakte gutsjes. Deze apparaatjes maakt hij van lege, schoongemaakte balpennen, waaraan hij een scherpe punt slijpt. Daarmee snijdt en ‘ponst’ hij heel fijne onderdeeltjes, zoals bloemen en ranken uit – liefst wit – papier, dat hij op een harde ondergrond legt: op een plaat die in de confectie-industrie gebruikt wordt om stof te stansen. Op deze ondergrond worden zijn mesjes niet zo gauw bot. Daarna plakt hij alle losse onderdeeltjes op een dik papier of dun karton en voegt het tot een geheel. De heer Steffens is een solist: hij werkt het liefst alleen en wordt niet graag op zijn vingers gekeken. Hoewel het hem veel waardering opleverde, heeft hij weinig geëxposeerd. Ook zoekt hij geen contact met andere knippers. Hij heeft wel bewondering voor het hedendaagse knipwerk en geniet van de grote verscheidenheid – de moderne, gestyleerde stijl uitgezonderd. Hij blijft trouw aan zijn eigen stijl en werkwijze, is er graag voor zichzelf mee bezig. Zelf versieren, ontwerpen, zelf de gebruiksvoorwerpen maken, zoals hij ook eens zelf een weefgetouw maakte en daarmee de krant haalde: ‘H.H. Steffens, de Knutselkoning van Oldenzaal’.

Magda Helms

Afb. 6, H.H. Steffens, 1973, 38 x 25 cm.

Jantje de Prentenknipper te boek gesteld, Knip-Pers 1992-1

Bladwijzers voor veel gebruikte boeken zijn er in allerlei soorten. In Bijbelse en kerkboeken vind je pauwenveren en kalenderblaadjes, foto’s en enveloppen uit de oude doos, borduursels en knipsels. Wie legde ze in zo’n eerbiedwaardige bijbel met zilverbeslag? En wie knipte die eenvoudige, maar vrolijk gekleurde knipprentjes, die bij nog zoveel mensen in Zeeland te vinden zijn?

afb. 1, Jan Huyszoon, Herinneringsknipsel aan de Engelse invasie op Walcheren in 1809, 29,5 x 39 cm, Verzameling Museum “Schotse Huizen”, Veere.

Vertel eens iets over iemand van wie je bijna niets weet. Die opdracht stelde Hil Bottema zichzelf omstreeks 1965, omdat zij gecharmeerd was geraakt van de kleurrijke knipprenten van Jan de Prentenknipper. Ze was Volkskunstdeskundige in het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem en interesseerde zich voor volkscultuur. Die Jan leefde in de vorige eeuw en verschool zich achter zijn bijnaam; daardoor was de enige mogelijkheid iets meer van hem te weten te komen, om Zeeuwen te vragen naar overgeleverde verhalen van vroeger. Op grond daarvan schreef ze een boeiend artikel in het tijdschrift Antiek en ze werkte mee aan een tentoonstelling van zijn prenten in Wemeldinge. Daar hingen ze te pronk, onder andere voor Koningin Juliana, de huwelijksprenten, hofstedeprenten en kerkboekprentjes in de meest heldere kleuren. Wat boeiend toch, dat van die man niets bekend was dan zijn werk en een paar flarden van overlevering. Het zou vast interessant zijn om zijn werk en zijn leven te kunnen vergelijken.

Hil Bottema overleed vrij plotseling in 1968 en niemand had meer de moed om verder te zoeken. Toen wij ons boekje Schaarkunst schreven, konden we gebruik maken van haar aantekeningen en we deden opnieuw een poging om de achternaam van Jan te achterhalen. Zo kwamen we bij de naam J.G. den Boer, maar het was fout, dus weer een dood spoor.
In 1985 deed iemand de gouden vondst: in een weekblaadje uit Goes stond in 1870 een artikeltje, waarin de redacteur even stil stond bij het overlijden van Jan de Prentenknipper, die toen al bijna niemand kende als Jan Huiszoon.

Daarna was het hek van de dam: koortsachtig werd er gezocht in het gemeentearchief van Goes naar sporen van Jan. Wij schreven in de Knip-Pers van 1986 een stukje daarover.

afb. 3, Jan de Prentenknipper, Moolzigt, eigendom van een lid van onze vereniging. 18 x 24 cm.

In de Burgerlijke stand moest te vinden zijn of hij getrouwd was en kinderen had gekregen. Hadden die kinderen weer kinderen en bestaan er nog nakomelingen? In het Bevolkingsregister staat precies wie waar woonde en hoe lang; zo moest boven water komen of hij op zijn oude dag in het Oudelieden huis had gewoond, zoals een overlevering zei. Was hij misschien een gesjeesde dominee geweest, omdat hij zoveel Bijbelprentjes heeft gemaakt? Bij welke kerk hoorde hij en kon hij leven van zijn prenten, of moest hij zijn hand ophouden?

afb. 4, Jan Huyszoon, “Zoekt het goede 1851. Afm. 10 x 7 cm.

Maar we werden pas echt enthousiast tijdens de veiling van de Levercollectie: toen het laatste stuk van Jan was geveild stond er plotseling iemand op en verliet de zaal. Die man móest wel een speciale interesse voor Jan hebben en dat bleek inderdaad: hij was ook een Huiszoon, die familieonderzoek deed en heel veel over Jan in de archieven gevonden had. We hebben toen onze gegevens uitgewisseld en daar kwam het hele leven van Jan naar voren. Een leven van moeite en zorgen, van geboorte en dood, van zwerven over landwegen en dijken als negotiant of marskramer, van boerderij naar boerderij, hopend op een maal en een slaapplaats in het hooi in ruil voor een prentje. Een leven van schuld en boete, maar ook van hoop en vertrouwen, van kleuren en mooie dromen En we zijn opnieuw op zoek gegaan naar zijn prenten, die nog bij de mensen in Zeeland bewaard worden, tientallen, honderden en het moeten er duizenden zijn geweest! Ruim 150 mensen hebben ons bericht dat ze prenten hadden en ze beantwoordden onze vragen over hun voorouders, die de prenten ooit gekocht hadden. We zijn bij zo’n 80 bezitters op bezoek geweest, en elke keer was het weer boeiend om met ze te praten, de familie aantekeningen in de oude bijbels na te lezen en te vertellen over hun bezit. Wat een verrassingen leverde dat op; prachtstukken hebben we mogen zien, maar ook hoopjes ellende. Enkele prenten hebben we mogen restaureren en dan werden ze weer trots op de schouw gehangen. Driehonderd dia’s hebben we intussen gemaakt.

afb. 5, “Straf der Zonde”, de verdrijviug uit het Paradijs. ± 1840, 21 X 25.5 cm, Collectie Nederlands Openluchtmuseum.

Het moest een boek worden, een prentenboek van Jan en we hebben een uitgever gevonden, die ermee in zee wil. Natuurlijk is een boek vol kleurenplaten niet zo goedkoop en we zijn een actie begonnen om sponsors te werven. Het bestuur van onze vereniging was een van de eerste donoren: dat was voor ons een stimulans om door te zetten en nu het lijkt te lukken, is het spannend om te ervaren of we er veel mensen een plezier mee zullen doen. Volgens planning zal het boek deze zomer uit komen, tegelijkertijd met twee tentoonstellingen, één in het Museum voor Zuid- en Noord-Beveland te Goes en een andere in het streekmuseum De Meestoof te Sint-Annaland op Tholen. Volgend jaar zal het Bijbels Museum in Amsterdam aandacht aan de Bijbelse prenten van Jan wijden.Het Is wel een beetje vreemd om op deze manier een vooraankondiging van ons eigen werk te doen; waar het hart vol van is, daar loopt de pen van over! We willen hierdoor graag het bestuur bedanken voor haar vertrouwen en steun.

Joke en Jan Peter Verhave

Wie weet?!, Knip-Pers 1991-3

OPSPORING VERZOCHT

afb. 1, anoniem, Jan DeDys, Anno 1791

Deze huwelijksknipsels zijn gemaakt voor mijn verre voorouders in Boskoop. Zij trouwden te Boskoop op 23 augustus 1761.

afb. 2, anoniem, Ariejaantie Van Klaaver

De afmetingen van elk der knipsels zijn 24 x 39 cm, zonder lijst. Door de tand des tijds zijn er stukjes papier verschoven of afgebroken. Bij restauratie leek het dat de datum ANNO 1791 zou moeten zijn. Misschien geknipt voor Jan en Ariejaantie toen ze 30 jaar getrouwd waren?

Wie heeft in de wijde omgeving van Boskoop of elders in het land hij een familie, die voorheen afkomstig is/was uit die omgeving, dergelijke knipsels gezien? Van welke kniphand?

afb. 3, anoniem, Text en Psalm

De knipsels Text en Psalm, afmetingen 6 x 9,5 en 7 x 13 cm werden onlangs gevonden in een ± 9 cm dik Psalmboek en Oude Testament, gedrukt in 1780. Woorden en ornamenten zijn op de voorkant met potlood aangegeven. Helaas stond in deze Bijbel niet geschreven wie de bezitter ervan was. Het is mogelijk dat de bijbeleigenaar woonde in de omgeving van Genemuiden of op het platteland van Noord-Groningen.

Herkent iemand deze knipsels uit 1786 of de knipstijl?

Enie Wesseldijk-Bedijs

Schaduwtheaters en schimmenschuivers, Knip-Pers 1992-2

In verenigingsverband hebben wij op de Contactdag in Opmeer kennis kunnen maken met een schaduwtheater. Het is een onderdeel van de knipkunst waar meer bij komt kijken dan knippen. Het is het schaduwbeeld dat het voor het zeggen heeft, hetzij voor, hetzij achter het scherm. Verrijkend is dat de schaduw kan bewegen; ook is het verhaal belangrijk en tot een verdere mogelijkheid behoort de muziek.

afb. 1, Chinese schimmen

Het Chinese schaduwtheater is het oudste wat bekend is; al in de Han periode tijdens de regering van Keizer Wu (140-86 v. Chr.). Deze oudste schimmen zijn gemaakt uit hoorn en leer, later ook uit goudgeel, geolied papier. Onlangs verraste iemand ons met een dik boek over Chinese schimmen, dat hij in Peking gekocht had. Het Is onleesbaar, maar de kleurenplaten (afb. 1) spreken boekdelen! Vervolgens kennen we de schimmen uit Japan, die eenvoudiger zijn. De Javaanse theaters kennen een lange traditie, met aanvankelijk een religieuze aard en sinds de 11de eeuw bekend als het Wajangspel. Ook komt het schimmenspel (afb. 2) voor bij Arabieren, Perzen, Turken en Egyptenaren.

afb. 2, Reusachtig groot tableau, ondoorschijnend, huid, 2e helft 19e eeuw.

Tussen haakjes, op de Contactdag kregen we twee foto’s van Turks knipwerk uit de 15e en 16e eeuw, genomen in een museum te Istanbul door kinderen van een knipster, wier naam ik niet heb genoteerd! Het Is echt bemoedigend, om elkaar aan informatie en afbeeldingen te helpen!

Verder met de schimmen in Europa; ze doken op in Parijs, waar Rodolphe Salis in 1881 zijn theater Le Chat Noir stichtte. Hier werden episoden uit de geschiedenis van het Franse leger gespeeld. Deze schimmenspelen begonnen heel rustig, vervolgens werd het publiek opgezweept met krijgshaftige muziek en tenslotte verscheen Napoleon ten midden van zijn vazallen en paarden, alles vol leven en beweging. Het schimmentheater werd een publiekstrekker onder Henri Rivière.

In Nederland is vermoedelijk Ko Doncker door Le Chat Noir (afb. 3) geïnspireerd. Hij werd in 1875 in Haarlem geboren, heeft de kunstnijverheidsschool bezocht en zich op de illustratiekunst toegelegd. Doncker noemde zich “volbloed-schimmen-schuiver”. Hij had een theatertje in zijn atelier op de eerste verdieping in de Heulstraat, met twee helpers voor de schimmen en een orkest, dat in de toptijd bestond uit piano, guitaar, fluit, viool, trom en bekkens.

In 1926 is in de Koninklijke Bazar in Den Haag een tentoonstelling gehouden van maskers, marionetten en schimmen, geen grote expositie maar wel van belang als we de opgetogen citaten in Het Vaderland mogen geloven: “Dit is het belangrijkste van deze tentoonstelling: zij heeft iets losgewrongen!” Van de volgende Nederlanders was werk aanwezig: Dr. J.R.B. de Roos (met een verbluffende weelde aan oosterse praal in zijn schimmen) en Frans ter Gast (treffend en pittig).

Het werk van Frans ter Gast wordt een hoogtepunt uit het Nederlandsche schimmenspel genoemd; in de Knip-Pers (1991-4) hebben we al over hem geschreven. Conclusie van de schrijver is: “Dit is een hartverheugende tentoonstelling! Want het brengt ons iets nieuws, iets goeds, iets wat de verbeelding aan het werk zet”. Ook Cornelis Veth van de Haagsche Post pikte het belang van de tentoonstelling op en wijdde er een “uitnemende en kwistige beschouwing” aan in het Kerstnummer van 1926.

In zijn boek Portretten in Silhouetten (Europese Bibliotheek, Zaltbommel, 1966) zet Johan Schwencke een paar kanttekeningen bij de schimmen. Er zijn schimmenspelmakers die het zwart/wit verlaten; gekleurde “glas in lood” ramen maken, de schimmen gekleurde doorzichtige vlakken geven, mechaniekjes aanbrengen, zodat door middel van toetsen en aan de figuren gebonden snaren, bewegingen konden worden gemaakt. Schwencke vraagt zich af of er niet teveel inbreuk wordt gemaakt op het beginsel van de tegenstelling zwart/wit. Hij zegt dat dán de schim het sterkst is, het mooist en het diepzinnigst. Ook moet hij erkennen dat in zijn ogen de “grote” Frans ter Gast later gekleurd cellofaan aan zijn schimmen toevoegt, waarna hij dan het compromis sluit en zegt “deze zijwegen zijn gevaarlijk en kunnen alleen betreden worden door meesters in het vak”. Voor de oorlog was er dan ook nog de uitgever met zijn passende schuilnaam “Onbramaan”, die schimmen ontwierp bij bekende volksliedjes en sprookjes. Hij gaf mappen met voorgedrukte schimmen uit, waarmee kinderen hun eigen “Theater Plezier” konden maken. Ter inleiding werd op de wijs van Piet Hein gezongen:

Heb je wel gehoord van de heer Ombramaan,
Die vertoont ons de mooiste dingen!
De schimmen die hij voor ons optreden laat
Daar kunnen wij mooi bij zingent
Hoezee! Hoezee! Wij zingen allen mee.
Wij zien hem daar al staan
Die zwarte meester Ombramaan!

afb. 4, Obramaan

Natuurlijk is de creativiteit van het knippen hier op de achtergrond geraakt, maar het ontwerpen van schimmen voor (eigen) verhalen bleef een kunstzinnige bezigheid. Eigenlijk jammer, dat we vrijwel alleen nog maar kunnen lezen over deze vorm van vermaak, zoals in het aanstekelijke hoofdstuk “Schimmen”, uit het boek Poppen, Schimmen, Marionetten door Rico Bulthuis (uitgever Leiter-Nypels, Maastricht 1954), dat we op een boekenmarkt kochten. Het schimmenspel lijkt verdrongen door televisie en andere media, die een meer realistisch beeld geven. Aan onze fantasie wordt weinig meer overgelaten. Toch is ook deze liefhebberij levensvatbaar en tot een boeiende liefhebberij te maken.

Knipster Liesbeth Veldhuysen te Baarn stuurde ons wat copieën uit het boekje Schimmenspel van Joop Coenen (uitgever Sint Joris, ‘s Gravenhage 1957/58); zij raakte zo enthousiast dat ze zelf op Koninginnedag in Soest een schimmenspel “Straatfeest” opvoerde.

Een volgende keer vertellen we het verhaal van Corrie van der Baan, een veelzijdig begaafde vrouw en haar schimmentheaters met wie Elly Stroucken ons in contact heeft gebracht.

Joke en Jan Peter Verhave

Hendrik van der Wal, Knip-Pers 1992-1

Met de schep gemakkelijker dan met de schaar

Zijn vrienden in het grondwerk konden het zich nauwelijks voorstellen. Zij vonden dat Hendrik van der Wal zijn schep beter in het vet kon zetten om de kost te gaan verdienen met de schaar. Maar niets, helemaal niets, kon papierknipper Van der Wal daar ooit toe bewegen. Zelfs voor twee vaste aanstellingen die hem als knipper werden aangeboden, bedankte hij.

“Papierknippen is heel inspannend werk, want het is een scheppingsproces. Het hoofd heeft er veel van te lijden. Je maakt iets wat je ziet, maar wat er niet is: het moet nog door de schaar.”

Tijdens ons bezoek grabbelt de nu bijna 80-jarige knipper al pratend een schaar uit de naaimand. Hij was tenslotte in gemeenschap van goederen getrouwd! Nu nog een stukje papier: een adresbandje van de krant, een gebruikte envelop of een kaart Het knippen kan beginnen. “Wat moet het worden?” Hij vouwt het papier dubbel, zet de schaar erin en … vertelt.

“Er was eens een kapper die nogal pruimde. Wat er van de tabak over bleef, kwam in de hoek van de kapperszaak terecht. Dat ging al een tijdje zo en er lag dus al mooi wat. Een klant, die onder het scheermes zat, vroeg ‘Gaat dat niet wat te ver, Jacob?’ ‘Och, wat kan mij dat schelen’, zei Jacob, ‘Ik ga er met mei toch uit.’ De klant was klaar, kwam overeind, liep naar de andere hoek van de zaak en deed daar wat honden altijd in ‘t zin komt als ze een boompje zien staan. ‘Wat zullen we nu hebben’, zei Jacob. Klant: ‘Ik ga er zo meteen toch uit`.

afb. 1, Hendrik van der Wal

Kunstknipper Van der Wal heeft het knippen nooit hoeven te leren; hij kón het gewoon. Nog maar zes jaar jong, begon hij al te knippen. “Een van mijn broers was een nogal teer mannetje en vroeg daarom wat meer aandacht dan de anderen”, vertelt Van der Wal. “Op een dag kreeg hij een paardenkopje van een koopman, gemaakt van een stukje tuigleer. Dat was het eerste dier, dat ik naknipte.” Het ging zo goed dat hij zich al gauw aan andere werkstukken waagde, later ook naar eigen ontwerp. Het bleek dat er meer in zijn gevoelige vingers zat dan ‘zo maar wat’. Hij kreeg er zoveel aardigheid in dat hij binnen een jaar alle dieren knipte, liefst in een hart. Je moet hart voor de dieren hebben. Die spraken hem het meest aan en dat doen ze nog: Hendrik van der Wal is een echte ‘veldman!. “Als ik in de natuur ben, heb ik daar meer oog voor dan de meesten. Ik let goed op hoe dieren er uit zien en hoe ze zich gedragen. Een koopman uit Wartena had soms alle soorten en rassen koeien op het land lopen. Zwartbonte, Lakenvelders, Blaarkoppen en Witruggen. Daar had ik veel belangstelling voor. Soms ging ik ‘s morgens eerder van huis, of kwam ik ‘s avonds wat later thuis om het spul eens goed op te nemen. Dan zette ik de brommer aan de kant en stapte langs de slootkant om de beesten goed te bekijken”.

De dominee, de burgemeester en de school hebben er destijds op aangedrongen dat Hendrik naar een school zou gaan, waar hij zijn artistieke talenten kon ontwikkelen. Maar Hendrik is niet in de kunst terecht gekomen. In die tijd was kunst weliswaar geen doodzonde; helemaal ‘normaal’ was het toch niet en de gewone man waagde zich er niet aan. Trouwens, Hendriks ouders beschikten niet over de middelen om Hendrik naar de kunstacademie in Utrecht te sturen. En Hendrik had ook helemaal geen tijd om te studeren, hij moest thuis op de boerderij helpen alle elf monden van de familie Van der Wal te voeden. Geld voor een knecht was er namelijk ook niet. Maar ‘Hindrik Printsjesknipper’, zoals hij tot in de verre omtrek van Nijega (en vroeger van Oudega) bekend was, is er altijd laconiek onder gebleven. “Kijk me maar gerust op de handen, hoor. Daar geef ik niks om”, zegt Hendrik terwijl hij knipt en vertelt. Het blijkt dat hij er zich inderdaad niets van aantrekt wanneer wij toekijken hoe de prachtige vormen van een rank, galopperend Fries paard onder tussen tevoorschijn zijn gekomen. Alleen reumatiek en stramheid in de vingers kunnen soms iets aan de soepele lijnen van Hendriks knipsels af doen. Dan is het knipsel klaar. Een van zijn geliefde paarden heeft hij van stal gehaald, uit het papier gelokt. “Zo, neem maar mee.” En terwijl Hendrik nog een stuk papier dubbelvouwt vraagt hij: “Nou, zal ik nog wat voor je knippen?”

afb. 2, Hendrik van der Wal

Jaren geleden werd Hendrik een baan aangeboden als papierknipkunstenaar bij het Openluchtmuseum in Arnhem. Dat kwam zo. Van der Wal was eens in zijn jonge jaren in een café in Wageningen. Daar lag een schaar op tafel en het duurde niet lang of hij begon er lustig op los te knippen terwijl tientallen medegasten gespannen naar zijn ‘priegelknipselarij’ toekeken. Het ene stukje was nog niet klaar of Hendrik begon al weer aan een ander en de voorraad op de cafétafel werd steeds groter. ‘Even een aandenken aan Oudega achterlaten’, noemde hij het, als hij onderweg was en zomaar wat knipte. De gasten, in een groep om hem heen, waren stomverbaasd dat een boer uit het Noorden zulk kunstig werk af leverde. Met die bewondering was het echter niet af gelopen. Van der Wal nam de knipwerkjes die hij zo voor de vuist weg knipte, nooit mee. Hij wist niet dat één van die knipsels uiteindelijk aan het Openluchtmuseum in Arnhem geschonken zou worden. De rondleiders van het museum waren erg trots op het knipsel, en vroegen steevast aan de bezoekers of ze ook knipkunstenaars kenden van wie dit werkstukje wellicht zou kunnen zijn. “Dat moet van Hendrik van der Wal zijn”, zei een bevriend echtpaar en gaf zijn adres aan het museum. Enige tijd later kreeg de knipper bezoek van Hil Bottema, conservator van het Openluchtmuseum, gevolgd door een brief met het verzoek naar Arnhem te verhuizen en in het 0penluchtmuseum de bezoekers te laten genieten van zijn knipkunst. Met andere woorden: hij kreeg een vaste aanstelling als papierknipkunstenaar aangeboden.

afb. 3, Hendrik van der Wal

 

Van een vaste aanstelling moest Hendrik echter niets weten want hij vond het knippen maar zwaar werk. Op bruiloften en feestjes amuseerde hij de gasten soms als portretknipper en knipkunstenaar. Hij ging dan te werk als een goochelaar: onder het vertellen van een sterk verhaal, maakte hij een kunstwerk. En als hij dan een koppeltje hazen in een keurig lijstje geknipt had, zei hij: “Nou wil ik eerst even bijkomen en een sigaretje roken”. Eigenlijk kon hij het niet langer dan een half uur achter elkaar volhouden. “Ik kon er wel hoofdpijn van krijgen. Dan was het plezier in het knippen helemaal weg, om eerlijk te zijn: dan kon ik er wel van spugen … bah!” Daarom deed Van der Wal het eigenlijk alleen als hij er zelf zin in had.

Ondertussen knipt Hendrik voor ons de laatste lijnen van een duivenpaar. “Zie je wel, daar komt het aan. Nog een paar takjes erbij, zo. Een heel mooi dingetje.”

Toch heeft deze hobby hem tot in Amerika toe beroemd gemaakt. Toen de Amerikaanse stad Holland City haar 100-jarig bestaan vierde, was een tentoonstelling onderdeel van de feestelijkheden. Omdat Holland City oorspronkelijk een Nederlandse nederzetting was, kwam er als onderdeel van de expositie Nederlands knipwerk te hangen. Bij het speuren naar vaderlandse knipprenten werd ook het werk van Van der Wal gevonden, en uiteindelijk uitgekozen voor de expositie.

Maar Hendrik is er de man niet naar om veel ophef over zichzelf te maken. Eens kreeg hij een brief van de burgemeester van Naarden, waarin Hendrik verzocht werd, deel te nemen aan een expositie in het stadhuis. Voor zijn werk was anderhalve meter ruimte gereserveerd. Hendrik bedankte voor de eer: “Veels te veel gedonder”. Op een dag reed er een dure slee rond in zijn toenmalige woonplaats Oudega. Nu reden die er wel meer, maar dit keer was het toch een bijzonder geval. Er zat een zeer aanzienlijk Rotterdams vrouwspersoon in. Vooral de hoed zal Hendrik niet gemakkelijk vergeten: “een soort bovengrondse Maastunnel. Van der Wal was aan de kant van de weg bezig met een karwei, toen de auto vlak bij hem stil hield. De dame liet zich uit de wagen glijden en vroeg Hendrik of hij wist waar hier de knipkunstenaar Van der Wal woonde. “Ik deed net als ‘Grote Pier’ en antwoordde: “Daar woont hij en hier staat hij”. De dame bleek aan het hoofd te staan van de afdeling kunst en reklame van de Bijenkorf in Rotterdam. Zij had wat van zijn knipperij gezien en dacht ‘Van der Wal moest maar bij ons aan ‘t werk!’ Maar Van der Wal vond dus van niet. Voor de tweede keer bedankte hij voor een baan als kunstknipper.

afb. 4, Hendrik van der Wal

Toch vindt Hendrik, dat hij zijn carrière niet is misgelopen. “Ik was veehouder van beroep en dat lag me wel. Het knippen is een gave als je met de schaar iets uit papier weet te halen. Het is echt heel mooi werk en eigenlijk mislukt het nooit. Naar natuurlijk is het ene werkstuk beter dan het andere.

Mijn absolute hoogtepunt was een ‘stukje plantsoen’. Ik zie het nog voor me. De stengeltjes van de rietsigaren hadden de dikte van een naald. Zo mooi heb ik het nooit weer gemaakt. Ik nam me voor, dat stukje van mijn leven niet uit handen te geven. En toch is er iemand in geslaagd het van me los te praten. Zo zie je maar weer: Wat je niet kwijt wil, moet je niet laten zien” en verder moet je het leven niet te zwaar opnemen.”

Humor, een kruimeltje zelfspot, een fleurige lach en een sappig verhaal, dat is Hendrik van der Wal.

Magda Helms

afb. 4, Hendrik van der Wal

Dit verslag van ons bezoek aan Hendrik van der Wal in 1990 is aangevuld met gegevens en fragmenten uit artikelen in ‘Frysk en Fry’ (1984), De Leeuwarder Courant (Fries Mozaiek 1971), de Drachtster Courant (1960) en een artikel van J. Kroes in ‘De Strikel’ (1960).

Met dank aan Duri Mantel, die deze artikelen voor ons uit het Fries vertaalde.

Marie Thérèse Bruning, Knip-Pers 1991-3

afb. 1, Marie Thérèse Bruning, Maria en kind

We vervolgen onze verhaaltjes over “na-oorlogse” knippers en we hebben nu aan den lijve de betekenis ervaren van de spreuk: “Zoek toch in den vreemde niet, wat de eigen stad u biedt”.
We willen u deze keer laten kennis maken met Marie Thérèse Bruning te Nijmegen, nu een ruim zeventigjarige dame. Haar naam en werk doken op in het tijdschrift “Hobby”, van oktober 1947. De redacteur schreef lovend over haar zoeken naar nieuwe vormen en hoopte dat ze zich verder zou ontwikkelen, zodat haar knipsels wat minder op houtsneden zouden gaan lijken.

Marie Thérèse heeft knipwerk uitgewisseld met Wiecher Tjeert Lever, die haar vanuit zijn museum “De Meeuw” te Muntendam in Nijmegen heeft bezocht. Aan Line Huizenga-Onnekes schreef hij in 1952: “Marie Thérèse is een goed werkster, uit het tekenen tot knipster gegroeid. Kunt u aan haar werk zien.” Zij is daarop door Line benaderd en die beiden hebben een aantal brieven gewisseld. Marie Thérèse schreef over zichzelf: “Ik heb getekend vanaf dat ik in de kinderstoel zat … Pas toen ik 27 jaar was, nam ik geregeld les. Mijn grootvader schilderde niet onverdienstelijk landschappen, terwijl ik het liefst illustreer.”

In 1946 vroeg een huisvriend, die een drukkerij had: Waarom knip je het niet? Zo gezegd, zo gedaan; kort na de oorlog was er nog verduisteringspapier genoeg, een nagelschaartje werd opgezocht en ze ging aan de slag. Het ging zo goed dat al snel een kerstkaart, geboortekaartjes voor vrienden en, in opdracht van de Nijmeegse drukker, een serie van twaalf geboortekaartjes geknipt werden.
Verder schreef ze: “Knippen is een kwestie van steeds veel doen om de techniek te vervolmaken, aan fantasie ontbreekt het mij nooit”. Over haar keuze van motieven: Mijn werk is een uiting van godsdienst, in de ALGEMENE zin van het woord, GODS DIENST, dit is het dienen van God, in mijn geval met zwart papier en ‘n schaartje”. Ze gebruikte motieven met een Rooms Katholiek of sprookjesachtig karakter (fig.1), net als Gertrud Januszewski, die bij haar thuis is geweest.

Marie Thérèse heeft Line Huizenga in het hoge noorden van Groningen bezocht, in november 1953. Er werd ook een bezoek gebracht aan de stad Groningen; toevalligerwijs was het Sint Maarten, een feest dat in het noorden van het land intensief gevierd wordt en dat in Nijmegen niet bekend was. Het zien van de kinderen langs de huizen was aanleiding om een knipsel te maken als kado voor Line (afb. 2).

afb. 2, Marie Thérèse Bruning, Sint Maartenviering

Toen wij al deze verhalen in de verzameling brieven van Line Huizenga gelezen had den, zochten we in het telefoonboek van Nijmegen haar naam. We vonden geen M. T. Bruning, maar toen we op goed geluk een andere Bruning probeerden, vertelde een aardige, jonge stem: “0 ja, dat is mijn tante!”

Onlangs hebben enkele leden van het Kniprijk Nijmegen contact met haar gezocht en het werd een ontmoeting die wederzijds hartverwarmend was. Het nagelschaartje blijkt nog steeds favoriet, het verduisteringspapier was intussen op en wachtte op een goed alternatief. Maar haar verhalen waren overvloedig en boeiend.

Zo vertelde ze ons dat in 1948 Godfried Bomans in het Elseviers Weekblad een artikeltje over “Een verdwenen kunst” geschreven had. Hij bedoelde hiermee de silhouetteerkunst en beloofde de lezers ook te schrijven over kantknipsels, gewone knipsels en de allereerste fotografieën. Mevrouw Bruning haalde die oude krant tevoorschijn en we lazen er: “Over elk dezer vier onderwerpen bezit ik enige boeken, te weinig om mij tot een kenner te verheffen, doch genoeg om u deelgenoot te maken van het plezier dat ik er aan beleefd heb”. Ze knipte voor Godfried Bomans taferelen uit diens “Erik, of het klein insectenboek”, stuurde deze naar hem op met de opmerking: “U denkt dat het een verdwenen kunst is, maar nee . . .“

Bomans stuurde een leuke brief terug: “Ik heb uw knipsels in n werkkamer gehangen en wil u graag als ik weer eens in Nijmegen ben bezoeken”. Dat dit laatste zou gebeuren, daar had Marie Thérèse niet op gerekend, maar jawel, op een avond werd er aangebeld en daar stond zowaar Godfried Bomans met een vriend op de stoep. Zij herinnert zich dit bezoek nog steeds als een aangename verrassing.

Ook later heeft zij nog een knipsel aan Bomans gestuurd, naar aanleiding van een avond in “Dickens-stijl in de Nijmeegse schouwburg De Vereeniging (Bomans was een groot liefhebber van deze Engelse schrijver) (afb.3).

afb. 3, Marie Thérèse Bruning

Op een gegeven moment heeft ze een keus moeten maken tussen haar maatschappelijk werk, haar kunstzinnige capaciteiten en andere hobbies, zoals padvinderijleidster van een groep invalide verkenners en welpen). De keus is gevallen op het werk en het knippen is op een zeer laag pitje komen te staan; ze kreeg te weinig opdrachten om ervan te leven en met haar talent te koop lopen wilde ze niet. Het bleef in sommige jaren bij een kerstknipsel.

 

 

In ons gesprek bleek, dat we een gevoelige snaar getroffen hadden; ze voelde zich aangesproken op een vaardigheid die ze zo’n dertig jaar nauwelijks had beoefend, maar die nog altijd een warm plekje in haar hart had. En wij zijn zielsblij dat zij, hoewel nog steeds vrijwillig actief in haar werk (maatschappelijke betrokkenheid bij buitenlandse mensen in Nijmegen), zich wilde aansluiten bij onze knipkring.

Het is fantastisch om een knipster te leren kennen, die begonnen is direct na de oorlog, een periode waarvan Bomans – al noemde hij zichzelf geen kenner – opmerkte: het is een verdwenen kunst.Het was inderdaad een zijden draad, maar Marie Bruning heeft als jonge vrouw dat draadje opgepakt en er mede voor gezorgd dat knippers en schrijvers als Ter Gast, Huizenga, van der Graft, Bottema, Lever en Kerp een heel netwerk konden spinnen, waaruit tenslotte onze vereniging is ontstaan.
Mevrouw Bruning, welkom in de knipkring en in de vereniging!!

Joke en Jan Peter Verhave