Auteursarchief: admin

Het plakboek van Geesken, Knip-Pers 1994-4

afb. 1, plakboek van Geesken ter Borch

Enkele jaren geleden (1988-1989) werd in het prentenkabinet van het Rijksmuseum een tentoonstelling gehouden van ‘Tekeningen van de familie Ter Borch’. Vader Gerard Ter Borcb ‘de Oude’ was schilder omstreeks 1600 in Zwolle. Zijn zonen Gerard ‘de Jonge’, Harmen en Moses namen aan hun vader een voorbeeld en deze stimuleerde dit zeer. Voor de kunsten van zijn dochters had hij minder waardering. De meisjes kon den goed ‘schoonschrijven’, zoals dat toen in de mode was, met een overdaad aan krullen. Maar Gesina of Geesken (1631-1690) had meer ambities en keek de tekenkunst af van haar broers. Ze legde allerlei schetsboeken aan, waarin ze met krijt, pen en waterverf allerlei figuren in karakteristieke houdingen weergaf. Meestal werkte ze naar voorbeelden, terwijl haar broers naar het leven tekenden en zij als model fungeerde. Later ging ze haar kunstboeken ook als plakboeken gebruiken voor werkstukken van anderen en van zichzelf Er komt onder andere een kopie van een schilderij in voor, dat door broer Gerard gemaakt was van hun zus Jenneken en haar man Sybrandt Schellinger. Twee zoontjes uit dat huwelijk (geboren 1671, resp. 1672) hebben voor hun Geesken-moei knipseltjes gemaakt, die ze in haar plakboek bewaarde. Het ene is een vlot, eenvoudig boompje-beestje knipsel met hert, haas en ganzen, vermoedelijk door Gerrit gemaakt. Haar naam staat eronder maar, anders dan we in ons boekje “schaarkunst” meenden, heeft zij het niet zelf gemaakt.

afb. 2, vermoedelijk Gerrit Schellinger

Het andere knipsel, van Cornelis Scheilinger voor Johannes van Achelom, stelt een geestig tafereel van twee brassende heren en een dansende plas voor. Johannes was een vriend van de broers Schellinger, later een beroemd knipper van schaduwbeelden. Toen de Groothertog van Toscane, Cosimo de Medici eind 1667 Amsterdam bezocht, mocht Johannes zijn kunde demonstreren. Hij knipte het portret van de Groothertog en toonde enkele van zijn andere werkstukken. Toen Cosimo hoorde dat ‘Signor Giovanni Achelom’ ook kon schaatsenrijden, liet hij hem op de gracht zijn bedrevenheid tonen en was even verbaasd over zijn schaatskunst als over zijn schaarkunst. Een knipsel van Johannes is bewaard in het album van Geesken Ter Borch, een ‘memento mori’ (gedenk te sterven). Het stelt een tombe voor met een dubbele adelaar en een spreuk uit Psalm 88. De gevleugelde Dood die zwaait met een zandloper, zit op de zerk. Het geheel is omgeven met een kleurrijk geschilderde bloemenkrans van Geesken zelf. Over de knipactiviteiten van de beide broers en hun vriend Johannes weten we verder niets, maar als Line Huizenga-Onnekes in de vijftiger jaren al niet het nodige speurwerk had verricht naar de knipsels uit de plakboeken van Geesken, dan was de oogst nu nóg magerder geweest. In de tentoonstellingscatalogus staat heel weinig over de knipsels en hun makers vermeld.

afb. 3, Cornelis Schellinger voor Johannes van Achelom

De boeken geven wel een boeiend kijkje in het familieleven van de schildersfamille Ter Borch en het gebruik in die tijd om allerlei schoonschrift, gedichten, tekeningen en knipsels in vriendenboeken te bewaren.

Joke en Jan Peter Verhave

literatuur.: Annemarie Vels Heijn (1988), ‘De ateliernalatenschap van de familie Ter Borch. SDU Uitgever Den Haag

Pinkstersnippers, Knip-Pers 1994-2

Het juninummer wordt samengesteld in mei, dit jaar omstreeks Pinksteren. Het Is 50 dagen na Pasen, en we zoeken naar inspiratie voor een verhaal dat geknipt is voor Pinksteren. Wat is dat eigenlijk voor een feest: vrij en zonnig, maar verder? Velen weten niet meer waar ze de vrije dag aan te danken hebben. het Vuur is er een beetje uit; ook knippers hebben blijkbaar weinig enthousiasme voor dit feest. Dat is jammer want de symboliek van Pinksteren is heel rijk. Een voorbeeld: midden in de examentijd, nerveuze leerlingen die hopen op een beetje licht in hun verwarde hoofd. De leraar is weg, die kunnen ze niets weer vragen. Ze moeten het alleen doen. En dan, opeens zien ze het: De woordenstroom wordt tot een prachtig opstel en de vreemde talen rollen over de tong. Ze herinneren zich de oude teksten en zien het verband met wat te bewijzen was.

afb. 1, anoniem, Huwelijksknipsel, 32 x 40 cm.

Dat beeld kan helpen het begrijpen van een knipsel van de nu hoogbejaarde Tola Steinhage, die de uitstorting van de Heilige Geest op de discipelen van Jezus afbeeldde (afb. 2). Uit het donker komen wind en vuur aangewaaid, troost voor een alleen gelaten groepje dat middenin een rouwproces zich heeft afgezonderd van de feestvierder (zie het Bijbelboek Handelingen, hoofdstuk 2).

afb. 2, Tola Steinhage, uitstorting van de Heilige Geest op de discipelen van Jezus

Het was toe Shavoe’ot, het wekenfeest: zeven weken na Pesach weder de eerstelingen van de graanoogst opgedragen in de Tempel en er was veel volk van heinde en ver komen feesten in de stad. Een ‘hoorn van overvloed’ was vroeger een heel bekend symbool van geluk en veel knippers hebben er gebruik van gemaakt, vooral in huwelijksknipsels, zoals dat uit de vorige eeuw, van een bakkersknecht uit Friesland (afb. 4). In de tijd van de apostelen was ‘Pentecost’ ook een feest van de Gods-openbaring aan de profeten en in het bijzonder Mozes, die ooit met tien leefregels voor de mensen van de berg was afgekomen. Mozes is in 1892 afgebeeld door Geert Jager uit Hellum bij Groningen (afb. 3, detail); Jan de Prentenknipper in Zeeland beeldde hem af met de afkorting XGB (!).

afb. 3, Geert Jager, detail

Het Pinksterfeest is ook onderwerp van een van de vele bijbelknipsels door Jannes Grootenhuis, omstreeks 1850 in Almelo (afb. 2). Het grote knipsel toont de apostelen tussen de pilaren, kroonluchters en draperieën van de Tempel. Ze vertellen met enthousiasme aan de aanwezige theologen wat er zojuist is gebeurd. Sommigen lijken van vervoering omhoog te springen en de gezapige deskundigen zitten op hun stoelen en zeggen: “ze hebben wat teveel op . . . Protest! Want het is nog vroeg op de dag. Wat Petrus dán zegt, staat in een veelheid van taal en teken afgebeeld in het knipsel: “Gij Joodsche mannen en gij allen die te Jeruzalem woond, dit zij u bekend en laat mijne woorden tot uwe ooren in gaan, maar dit is het wat gesproken is door den Profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen zegt GOD (hier niet leesbaar), Ik zal uitstorten van mijnen GEEST op alle vleesch”.

afb. 4, Jannes Grootenhuis. 56 x 44 cm

Geest is Spiritus in het Latijn en daar van komt het begrip inspiratie. Om een mooi knipsel te maken hebben we inspiratie nodig en het bekijken van oude knipsels kan inspiratie geven. Bij dit knipsel hebben wij nog altijd een gevoel van weemoed. We hadden het graag willen kopen op de veiling van de collectie Lever, omdat Pinksteren voor ons een bijzonder feest is. Helaas had het Nederlands Openluchtmuseum meer middelen dan wij… .Pinksteren is niet te grijpen en we troosten ons dat de Geest waait waarheen hij wil, ook in het betreffende museumdepot!

Tot besluit, in 1974 heeft ook Jantje III het Pinksterfeest tot onderwerp van een van haar knipsels gemaakt (afbeelding op de voorpagina). De duif en de doop zijn tekenen van leven. Pinksteren, een feest vol symbolen: wind en vuur, tong en taal, openbaring en jonge zelfstandigheid, belijdenis en vormsel. Neer dan Kerst en Pasen zijn wij ménsen bij Pinksteren betrokken en dat kan een bron van inspiratie zijn, ook voor ons knippers en andere kunstenaars.

Joke en Jan Peter Verhave

Knippende dominee Kees de Bruïne, Knip-Pers 1994-2

Het liefst zou ik mijn verhaal willen beginnen met mijn slotconclusie: “Ik zie dominee Kees de Bruïne als een soort schaakspeler, die zijn leven met wit ingezet heeft, om het zwart niet zozeer te willen overwinnen, maar het eerder zó wist en weet te spelen dat ook het zwart positief meedoet in dit totale gebeuren wat ‘Leven op aarde’ heet”.

afb. 1, Kees de Bruïne, Moeder en kind.

Hij beschouwt zijn leven als zijnde geplaatst in een groot geheel, waar hij als taak kreeg de Heilige Schrift uit te leggen. Hij ziet dit als een gemeenschappelijk zoeken; als een soort gesprek: “Wat vinden jullie er van?” Hij is blij met elk positief antwoord. Zo van “dat heb ik óók herkend in de zoektocht naar het Licht”. Als voorbeeld van dit samenspel van licht en donker, wit en zwart, laat ik hier graag twee werkstukken van hem zien: ‘Moeder en Kind’, portret van een van zijn drie schoondochters met een van zijn tien kleinkinderen, en ‘Vrouwelijk Schoon’, waar hij met een paar weggesneden lijnen het wezen letterlijk blootlegt (afb. 1 en 2).

afb. 2, Kees de Bruïne, Vrouwelijk schoon.

Kees de Bruïne heeft de hem toevertrouwde talenten op bijzondere wijze benut. Hij tekent en knipt en is zeer muzikaal. Bij speelt piano en viool, heeft vele musicals geschreven en gecomponeerd, die ook herhaaldelijk op gevoerd worden in en buiten de vele gemeenten waar Kees gewerkt heeft; eerst als jeugdwerker in Hengelo,daarna studenten-predikant in Utrecht en vlootpredikant in Rotterdam en later, zonder gezin, uitgezonden naar Nieuw Guinea. Daarna was hij nog wijkpredikant in Scheveningen in de Nederlands Hervormde Zorgvlietkerk en in aansluiting hierop dominee in Den Helder,waar hij ook op het KIM (Koninklijk Instituut van de Marine) Culturele Geschiedenis over vreemde godsdiensten doceerde. In 1973 promoveerde hij op een kerkhistorisch onderwerp en eindigde zijn werkzaamheden als ziekenhuispredikant in het Diaconessenhuis in Heemstede.

afb. 3, Kees de Bruïne, Meisje met de ‘gele ogen’ (over heersend type, dat de man ketent).

Zijn vrouw, Nelleke Laman Trip, waar mee hij in 1948 trouwde, heeft veel met hem samengewerkt. Zij regisseerde zijn musicals en deed verder veel aan sociaal cultureel werk.
Hoewel dit niet zozeer met knipwerk te maken heeft, vind ik het toch van belang om zijn muzikale activiteiten door te geven, als achtergrond informatie over de mens Kees de Bruine. Hij zelf noemt dit musicalwerk: “Spelen met het woord” en ik citeer hier het begin van de tekst in een folder over dit gebeuren:
“…Wie in de vormgeving van leven en werken van een gemeente, jeugdgroep, kinderkerk of vereniging naar nieuwe wegen zoekt, vindt in deze folder mogelijkheden voor spel en zang ten gebruike in, rondom en buiten de kerkdienst”. Ik doe hier een greep uit de vele titels die aan te vragen zijn: ‘Afscheid van Bethlehem’, ‘Anders dan de Nacht’ (over leven van Mozes, onlangs in ‘Vorden opgevoerd met 100 deelnemers, leden uit zowel rooms katholieke als protestants christelijke kerken en Kees de Bruïne als begeleider aan de piano), ‘De man die vuur ging halen’, ‘Witte Stenen’ en vele andere spel en zangverhalen. Bij elk spel staat precies wat het kost, variërend van 25 tot 60 gulden, hoelang het duurt en hoeveel volwassenen en kinderen er aan kunnen deelnemen. Met de tekst wordt de pianozetting meegeleverd.

afb. 4, Kees de Bruïne, ‘Rendez-ous’ of ‘De Afspraak’.

Kees en Nelleke de Bruïne wonen in een huis, genaamd ‘Witte Stenen’, Nieuwstad 31 in Vorden. En de naam is niet alleen gekozen omdat het huis van witgepleisterde baksteen is gebouwd, waar dit slaat bovendien op een Bijbeltekst uit Openbaringen II vers 17. In dit huis heb ik hen opgezocht, naar aanleiding van de tentoonstelling van zijn tekeningen en knipwerk in november 1993, in de bibliotheek in Vorden.

afb. 5, Kees de Bruïne, de Douche

Kees zit thans nog in een kamermuziekensemble en met zijn viool in het landelijk predikantenorkest, dat elke maand in Utrecht bijeenkomt. Sinds 1987 is Kees ‘Dominee in zoals dit dan zo mooi heet. Maar niets is minder waar. Hoewel hij vorig jaar 70 is geworden maakt hij nog steeds grote fietstochten, samen met zijn vrouw. En dan niet een rondje in Drenthe of de Achterhoek, welnee, zij stappen thuis op hun fietsen (met 12 versnellingen) en rijden – met de tent achterop! – naar Wenen of Biaritz in 4 tot 6 weken. De terugtocht gaat dan per fietsbus.

afb. 6, Kees de Bruïne, Drie Gratiën.

Van klein kind af heeft Kees reeds getekend. Zoals hij zelf zegt: “Ik ben met een potlood in de hand geboren”. Zwart-wit heeft hem altijd geboeid; in kleur schilderen minder. Op 12-jarige leeftijd verkocht hij tekeningen van Walt Disney figuren voor een dubbeltje en daarvan kocht hij dan weer pen, potlood en papier. Hij deed acht jaar over het gymnasium omdat hij meer poppetjes en leraren zat uit te tekenen dan te leren, maar van zijn jaarclub was hij per slot wel de eerste die afstudeerde. Hij kreeg vioolles, pianospelen leerde hij zichzelf. Zijn moeder tekende, componeerde en zong, dus was Kees de spreekwoordelijke appel die niet ver van de stam viel. Zijn allereerste knipseltjes waren een romantisch tafereeltje (zie Knip-Pers 1993-2, pagina 19) en een soort zelfportret, Kees als violist (afb.10). Naar aanleiding van de prachtige kinderpostzegels in 1961, die Hil Bottema met knipwerk ontwierp, kwam hij per brief met haar in contact. Hill heeft hem zeer gestimuleerd om met knippen door te gaan en heeft mij destijds op Kees geattendeerd. Een en ander leidde sindsdien tot het uitwisselen van geknipte kerstwensen en was ook de reden waarom hij mij een uitnodiging voor de tentoonstelling in Vorden zond.

afb. 8, Kees de Bruïne, Strekken naar het onbereikbare

Het inrichten van zo’n tentoonstelling doet zijn vrouw. Zij had ook de attributen die Kees bij zijn werk gebruikt uitgestald, namelijk de schaartjes, zijn bril en loupe en het scherpe chirurgische mesje.

afb. 7, Kees de Bruïne, Serie over Abraham, uit Genesis 12:4, 14:19, 18:14 en 22:11.

Kees maakt vooraf een schets, maar zegt hier zelf van: een potloodlijn doet heel wat anders dan een schaar. Hij gebruikt zo’n schets als richtlijn. Een merkwaardig experiment vond ik het geëxposeerde portet van de beroemde pianist Vladimir Horowitz, eerst door hem getekend en daarna datzelfde portret gedeeltelijk geknipt en gedeeltelijk gescheurd, in zwart, wit en grijs Heel suggestief, alleen de licht- en schaduwpartijen van de kop aangevend. “Hij kijkt naar wat je niet ziet en alleen maar hoort …“, zegt Kees van dit portret.

afb. 9, Kees de Bruïne, Verloochening van Petrus, Luk. 22.

Vroeger heeft hij veel model getekend, wat in zijn knipwerk weer te zien is, bijvoorbeeld bij de drie afgebeelde knipsels ‘Rendez-vous’, ‘Drie Gratiën’ en ‘De Douche’. Natuurlijk heeft hij ook veel Bijbelse verhalen met knipwerk uitgebeeld, zie de serie over Abraham uit het boek Genesis en ‘De verloochening van Petrus, tot driemaal toe’, uit het Lukas evangelie.

afb. 10, Kees de Bruïne, zelfportret?

Ik zelf vond ‘Het Meisje en de nachtegaal’ erg mooi. Het hoofd van het meisje doemt daar met enkele weggesneden lijntjes uit ‘t zwart op, kijkend naar het geopende raam met het silhouet van een nachtegaal op een tak en daarachter een volle maan, die op een speciale manier wordt uitgebeeld (Kees wil in een volgende Knip-Pers zelf uitleggen hoe hij dit effect heeft bereikt).
Kortom: Interessant knipwerk en een interessant en zeer blijmoedig stel mensen.

To van Waning-Mijnlieff

afb. 11, Kees de Bruïne, Meisje en de nachtegaal.

Album Amicorum, Knip-Pers 1994-1

Album amicorum, de voorloper van onze huidige poëziealbums, is ontstaan uit een 16de eeuws gebruik van Duitse en Zwitserse studenten. Deze adellijke universiteitsstudenten legden album amicorum aan. Verzamelingen van losse vellen papier of perkament, soms gebonden, waarop vrienden en kennissen wapens schetsten, handtekeningen zetten, landschapjes aquarelleerden en/of opdrachten of goede raad schreven.

De studenten hadden het idee voor album amicorum overgenomen van hun voorvaderen die in de middeleeuwen wapen- of adelsboeken aanlegden, die de edele afkomst van de eigenaar moesten bevestigen.

In de 17de eeuw veranderde het karakter van de album amicorum. Veelal werden het verzamelingen van handgeschreven of gedrukte teksten of studies die aan geleerden of schrijvers bij een jubileum werden aangeboden. Deze 17de eeuwse album amicorum zijn te vergelijken met de tegenwoordige feestbundels en worden dan ook wel liber amicorum genoemd. Toch zijn de album amicorum nooit helemaal weggeweest en werden in de loop van de 19de eeuw zelfs vrij populair. Men kon in die periode voor de losse velletjes papier vaak schitterend bewerkte doosjes kopen. Doosjes met een lintje, dat onderin was vastgeplakt. Daar lagen de velletjes papier bovenop. Door aan het lintje te trekken kon men de velletjes papier eruit wippen. Vrienden, vriendinnen en kennissen maakten kleine gedichtjes of wensen en illustreerden deze met kleine tekeningetjes of aquarellen.

afb. 1, door A. C. de Wit geboren de Jongh, 1837

In de collectie van het Westfries Museum bevinden zich vele van dergelijke album amicorum uit de 19de eeuw. Met één uitzondering: een album amicorum waarin drie velletjes papier met papierknipkunst.

De drie knipwerkjes, waarin twee met een handgeschreven wens, werden door vriendinnen van de eigenaar gemaakt. Josina Langerhuizen, één van de vriendinnen, maakte naast de wens een heel klein boeketje in herfsttinten met kleine witte bloempjes. Alle onderdelen zijn uit verschillende kleuren papier geknipt, waarna het boeket werd samengesteld en vastgeplakt.

Zo ook werd het boeketje rozen gemaakt. De takjes en blaadjes werden uit een stuk groen papier geknipt en de roosjes geknipt uit rood papier en prachtig opgewerkt. Het werd gemaakt in 1837 door A. C. de Wit geboren de Jongh uit Enkhuizen.

Het derde blaadje (zie afbeelding hiernaast) heeft ook een boeketje rozen, maar werd helemaal geprikt. Aan de achterzijde werd het papier bewerkt met een heel dun naaldje en een stomp voorwerpje, waardoor bloemen, takjes en blaadjes op het papier lijken te liggen. De omlijning van het bloemengeheel werd met een dikke naald gedaan. Dit stukje papierknipkunst, of eigenlijk papierprikkunst, werd gemaakt door N. C. Bay uit Rotterdam in 1833.

afb. 2, door N. C. Bay uit Rotterdam, 1833

Tonny Jurriaans

Westfries museum
Achterom 2-4
HOORN

Elise van Calcar-Schiotling, Knip-Pers 1994-1

In onze jubileumlezing hebben we verschillende aspecten van voordoen en namaken behandeld. In ambachtelijke volkskunst en kunstnijverheid herkennen we het Hindelooper schilderwerk, tegels, koekplanken en merklappen, allemaal voorbeelden van vrijheid in gebondenheid.

afb. 1, Elise Schiotling-Calcar, naar de litho van A.J. Ebate

Velen van ons hebben les gehad van een knipper, maar heel vroeger hebben de ouderen onder ons op de Fröbelschool gezeten en daar fröbelen geleerd. Dat woord klinkt ons nu een beetje denigrerend in de oren, maar omstreeks 1860 was meneer Fröbel een onderwijsvernieuwer en in ons land was er een schrijfster en onderwijzeres die zijn ideeën uitdroeg, mevrouw Elise van Calcar. Ze was redacteur van ‘De Hoop der Toekomst’, maandblad aan de opvoeding der jeugd gewijd. Als meisje raakte ze onder de indruk van de grote joods-christelijke dichter Isaac da Costa en zelf begon ze boeken te schrijven over de verschillende protestantse milieus, waar ze als gouvernante in had verkeerd. Ze was een heel zelfstandig type en zocht haar eigen weg. Daardoor kwam ze ook met het spiritisme in aanraking. Als opvoedster en.strijdster voor de belangen en rechten van de vrouw is ze op haar best geweest.

afb. 2, De ‘kleedjes’ zijn losse knipsels in een plakboek, maker onbekend, afmetingen ongeveer 7 à 8 cm, Privé bezit.

Zij schreef een handleiding (‘leergang’) voor het maken van geknipte kleedjes: ‘De Kleine Papierwerkers’ en daarin trainde ze de kinderen in orde en netheid. In haar verhaal vervelen twee kinderen, Ida en Henri, zich omdat het regent. Ida zegt: “Kon ik maar knippen en plakken, maar mama heeft me de schaar af genomen, omdat ik de kamer vol snippers had gemaakt.” En haar broertje Henri: “Dat wil ik wel gelooven, wij hebben met die schaar ook zooveel kwaad gedaan…”. Toen waren die twee nog zo onhandig, “als vreesde men, dat zij zich neus en ooren zouden afknippen”. Nu zegt Ida: “Kom, dat is al lang geleden; wij zouden nu toch niet meer in het tafelkleed of in de gordijnen knippen.” “Neen, zeker niet, maar het plakboek heeft ons toch ook al veel knorren gekost, want omdat ik zoo scheef plakte en gij te slordig knipte, heeft papa alles voor ons gedaan: allemaal moeijelijke fijne prentjes en wij stonden ons erbij te vervelen ”.

afb. 3, De pagina’s losse knipseltjes zitten in twee verschillende, kleine albums van ongeveer 11 x 15 cm per pagina. Maker onbekend. Privé bezit.

Neef Frans, ‘een flinke jongen van tien of elf jaren, vlug en wakker in de school en op de speelplaats’ redt de situatie, want hij bedenkt knipsels zelf, door een stukje wit papier op te vouwen,”er voorzichtig en netjes een paar knipjes in te geven en eenige snippers uit te laten vallen. Die bewaart hij zorgvuldig, want al die snippers plakt hij op blaauw papier en maakt er de fraaiste figuren van.”
De kinderen moesten een “blaauw boekje” maken van een paar vellen blauw papier en plakten daarin hun kleedjes van wit papier. “Hoe meer de handen zich repten, zoo te levendiger straalden ook de oogen en te blijder klonken de stemmen en sloegen de harten”.

afb. 4, De ‘kleedjes’ zijn losse knipsels in een plakboek, maker onbekend, afmetingen ongeveer 7 à 8 cm, Privé bezit.

Enfin, het kleedjesknippen redde de regendag! En op de Fröbelscholen moesten de kinderen een ‘Fröbels plakboek’ maken; het doel was niet een fraai plakboek maar de vorming van het werkende kind. Het knippen werd een vak, waarmee de kinderen “de schaar beter leerden regeren” en ze geleidelijk aan “moeijelijker werk” maakten. Daarmee werd hen ook netheid bijgebracht (snippers opruimen!)

afb. 5, De pagina’s losse knipseltjes zitten in twee verschillende, kleine albums van ongeveer 11 x 15 cm per pagina. Maker onbekend. Privé bezit.

Wij bezitten een paar van zulke blauwe boekjes, met uitgeknipte vormen van het dagelijks leven. Enkele stammen uit de 18de eeuw, maar die uit de 19de eeuw zijn ongetwijfeld produkten van de Fröbelse teken- en knipmethode.

Joke en Jan Peter Verhave

 

 

 

 

Bronnen:
De Kleine Papierwerkers (1865), uitgever K.H. Schadd.
I .Wat men uit stukjes papier (door het vouwen) al maken kan.
II. Wat men uit strookjes papier al vlechten kan.
III.Het prikken.
IV. Het knippen en plakken.

J.H. Sikemeier (1921), Elise van Calcar-Schiotling, haar leven en omgeving, haar arbeid, haar geestesrichting. Uitgever Tjeenk Willink Haarlem.

Succes-sievelijk, Knip-Pers 1993-3

Vele tientallen jaren vóór de oprichting van de Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst, kocht ik eens in een boekwinkel in Groningen een boekwerkje van Daan Hoeksema, met zwart papier waarop aan de achterzijde sportfiguren stonden afgebeeld om uit te knippen. Nadat deze waren uitgeknipt kreeg ik behoefte om zelf vorm te geven, omdat ik graag afbeeldingen wilde zien die ikzelf mooi vond. Na enige mislukkingen ontstond er tenslotte een voedingsbodem voor mijn knipkunst en ontplooide zich uiteindelijk een eigen stijl, een ontwikkeling die nu nog in mijn werkstukken te vinden is.
Om dit doel te bereiken teken ik eerst een ontwerp, dat met papierklemmen op de zwarte zijde van het silhouetpapier wordt vastgezet, zodat het niet kan verschuiven. Dit geheel leg ik op een glasplaat, waarop al een velletje carbonpapier ligt, en met de scherpe punt van een hard potlood trek ik het ontwerp over zodat dit in spiegelschrift op de witte achterkant van het papier zichtbaar wordt. (Na het uitknippen is het beeld dus goed aan de zwarte kant – een tip, belangrijk vooral bij het uitknippen van letters, cijfers, maar ook bij dorpsgezichten en dergelijke) Bij deze werkwijze is het belangrijk goed te letten op de aanknopingspunten, zodat het knipsel later niet in losse delen uit elkaar valt.

Als men na deze uiteenzetting van mijn werkwijze, die de meesten van u ongetwijfeld wel zullen kennen, niet vergeet het schaartje open en dicht te doen en het in de goede richting door het papier beweegt, zal uiteindelijk een geheel samenhangend knipsel (en niet te vergeten naar eigen ontwerp) verkregen worden. VEEL SUCCES!
N.G. Terpstra

afb. 1, N.G. Terpstra

  1. In TEN BOER, de bakermat van mevrouw Huizenga-Onnekes, steekt een koppel ganzen uit de vijver, op zoek naar voedsel in de tuinen van de omwonenenden, dagelijks de rijweg over, waarvoor auto’s stoppen. Op de achtergrond de Hervormde Kerk uit de 13de eeuw.

    afb. 2, N.G. Terpstra

    2. Een kijkje op JAVEA (Spanje), waar in een van de huizen aan de voet van de berg mevrouw Derksen Staats-van Spaandonk woont. Een spanjaard op een ezelwagen wijst met breed handgebaar naar de wuivende palmen en het grandioze uitzicht op het schilderachtige berglandschap van de achtergrond.

    afb. 3, N.G. Terpstra

  2. ARNHEM. Een bekende plek in het Openluchtmuseum, waar men over de klapbrug het straatje met Zaanse huisjes bereikt. De eigenaar van een handje bij de brug steekt waarschuwend zijn vinger op om het tegen een al te opdringerige gans te beschermen.

    afb. 4, N.G. Terpstra

  3. NIEUWESCHANS. Het voormalige graanpakhuis ‘De Dageraad’ (bouwjaar 1873), dat eens op de monumentenlijst werd geplaatst, is met afbraak bedreigd in verband met de betreurenswaardige toestand waarin het verkeert door ouderdom en zeer langdurige leegstand. Na een handtekening actie onder de bevolking werd besloten dit karakteristieke gebouw te restaureren en om te bouwen tot museum. Zo bleef dit unieke gebouw dat bij Nieuweschans hoort als eb en vloed, voor de toekomst behouden. Het hondje kijkt meewarig naar zijn baas die niets vangt, maar over zijn schouder naar zijn hengelpartner kijkt, die op haar knieën bezig is de vissen met wormen te voeren.

Uit de boeken van dominee Matthias Geuns, Knip-Pers 1993-3

Over silhouetteur Matthias van Geuns.
In 1992 kreeg het Westfries Museum in langdurig bruikleen twee boeken. In deze boeken bevinden zich meer dan 400 silhouetten. De silhouetten werden uit lichtgrijs papier geknipt. De grijze vellen waaruit de silhouetten zijn geknipt werden op de zwarte pagina’s geplakt, waardoor het effect van zwarte silhouetten ontstond. Of de maker de silhouetten zo uitknipte dat het silhouet zelf aan de geportretteerde kon worden gegeven, is niet bekend.
Aan de achterzijde van bijna iedere pagina staan gegevens over de geportretteerde vermeld en uit die gegevens blijkt dat de maker ene Matthias van Geuns moet zijn geweest. Matthias van Geuns, een tot nu toe onbekende in de papierknipkunstgeschiedenis, wie was hij en waar kwam hij vandaan? Doordat de boeken onder andere twee silhouetjes van Betje Wolff en Aagje Deken bevatte, werd contact gezocht met prof. dr. Buijnsters, de Betje Wolff en Aagje Deken-kenner bij uitstek. Hij verwees mij naar een in 1969 verschenen boek met de titel Meniste Vrijage van de hand van dr. I.H. van Eeghen, dat handelt over prof. Matthias van Geuns en zijn familie.

afb. 1, Trijntje Cornelis Sijtses (1789), echtgenote van ds Matthias van Geuns, draagt een zogenaamde ‘zonnehoed’. Vele dames die door Matthias werden geknipt hebben zo’n zonhoed op. De hoed behoorde tot de ‘zondagse dracht van de boerenstand en was in de jaren 1780-1799 in Friesland in de mode. De zonhoed beschermde tegen de zon, want bruin werden alleen de landarbeiders en niet de dames uit de betere kringen. Op de silhouetten uit de jaren 1794 en 1810 draagt Trijntje, die toen in Haarlem woonde, ‘stadse’ mutsen.

Bij doorlezen van het boek vol wetenswaardigheden over de familie werd al snel duidelijk dat het niet de in het boek genoemde prof. Matthias betrof die de silhouetten had gemaakt, maar hoogstwaarschijnlijk zijn neef, dominee Matthias van Geuns. Een uittreksel uit het trouwregister van het Rijksarchief te Friesland bracht uitkomst. Ds. Matthias van Geuns was de maker van de silhouetten.

afb. 2, Trijntje Cornelis Sijtses (1795), echtgenote van ds Matthias van Geuns.Hier Trijntje, die toen in Haarlem woonde, ‘een stadse’ muts.

Matthias van Geuns, zoon van Jan Stevens van Geuns (ijzerkoper) en Hilje Bartels, werd geboren te Groningen op 15 september 1758. Zijn vader was de oudere broer van prof. Matthias van Geuns. Op 27 december 1775 laat deze Matthias van Geuns zich aan de universiteit van Groningen inschrijven voor de studierichting filosofie. Deze studierichting werd vaak gecombineerd met een studie theologie. Zowel in Groningen als in Harderwijk, alwaar zijn oom hoogleraar was, komt Matthias niet voor als student. De doopsgezinden hadden een eigen theologieopleiding, onder andere in Amsterdam. Het is dus zeer aannemelijk dat Matthias aldaar zijn opleiding theologie heeft gevolgd. In 1781 toen Matthias 23 jaar oud was en nog studeerde knipte hij vele silhouetten. Het zijn portretten van zijn professoren en zijn studiegenoten, waarmee hij, gezien de gemaakte aantekeningen ook op latere leeftijd contact is blijven houden. Hij werd in 1783 tot predikant benoemd te Makkum. En het is in dat jaar dat hij vele inwoners van Makkum en omgeving in silhouet vereeuwigd heeft. Hetzelfde deed hij in 1787 toen hij als predikant te Harlingen werd benoemd. Hij portretteerde onder anderen drie leden van de Harlingse familie Hanekuik, een van de rijkste Friese families aan het eind van de 18de eeuw.

afb. 3, Trijntje Cornelis Sijtses (1810), echtgenote van ds Matthias van Geuns met een ‘stadse’ muts

Op 23 juli 1790 ging ‘Mattheus van Geuns Doopsgezinde Leeraar te Harlingen met Trijntje Cornelis Sijtses (1756-1844) van Leeuwarden in ondertrouw. Het huwelijk werd op 15 augustus 1790 te Marssum gesloten. Het eerste  silhouetportret van ‘Trijntje Comelisz Oudste dogter van Corns. Sytsesz’ maakte hij in 1789, het tweede silhouet knipte hij in 1794 en in 1810 maakte hij nog een silhouetportret van zijn echtgenote. Matthias en Trijntje kregen zeven kinderen. Van dochter Hillegonda van Geuns knipte vader Matthias twee silhouetportretten, als jong meisje in 1795 en als vrouw in 1810.

afb. 4, Matthias van Geuns knipt zijn dochter Hillegonda van Geuns

Twee zoons, Bartel Sytse van Geuns en Cornelis Sytse van Geuns volgden hun vaders voetsporen en werden ook meniste predikanten.

Uit de aantekeningen in de boeken valt op te maken dat hij waarschijnlijk veel reisde. Zo treffen we silhouetten aan van personen uit Enschede, Deventer, Huizen, Middelburg, Goes, Vlissingen, Rotterdam, Leeuwarden, Groningen, Amsterdam (waar zijn tante Josina van Geuns woonde en waar hij als gastdominee in de Singelkerk heeft gesproken) en Haarlem, de stad waar hij in 1792 als meniste dominee benoemd werd. In Haarlem maakte hij onder andere silhouetten van Thomas Langerhuizen, binnenvader van het doopsgezind Weeshuis, zijn echtgenote Petronella Bavink en hun dochter Titia.

afb. 5, Matthias van Geuns, Hillegonda van Geuns in 1810?

Buiten de silhouetportretten van de beroemde Betje Wolff en Aagje Deken knipte Matthias ook zijn beroemd geworden oom, de professor en amateurschilder Hendrik Waardenburg, de oprichter van Tichelaars aardewerkfabrieken te Makkum; de Makkumse dichter Dirk Lenige, vele predikanten en natuurlijk zijn familieleden. Verder blijkt dat hij ook vele familierelaties portretteerde. Zo zullen ook de silhouetten van Aagje Deken en Betje Wolff tot stand gekomen zijn. Aagje Deken groeide op in het Amsterdamse weeshuis De Oranjeappel, alwaar Jakob Bezoet, de oom van Matthias van Geuns, toen regent was en na diens overlijden zijn vrouw Josina van Geuns (tante van Matthias) regentes werd. Uit aantekeningen uit 1810 blijkt dat Matthias van Geuns ook tekende: “Jaren voor zijn dood geteekend doch verkleind” of “Vroeger geteekend doch verkleind” en ”Kort voor zijn dood 1790 geteekend en nu in ‘t klein gebragt”. Ook van Trijntje, zijn vrouw, heeft hij in 1810 een geteekend portret tot silhouet verkleind. Het kan zijn dat Matthias voor het tekenen van zijn silhouetten gebruik heeft gemaakt van een zo genaamde ‘silhouetteerstoel en voor het verkleinen van de getekende silhouetten een zogenaamde ‘pantograaf’ (een tekenaap).

afb. 6,Matthias van Geuns portretteert de medicus proffessor Matthias van Geuns (1737-1817) in 1782, de oom van de silhouetteur

Een silhouet valt op door de aantekening waarbij iets gezegd wordt over de lichamelijke gesteldheid van de geportretteerde: “Wijtske Schoonegevel, vrouw van Fedde Hesselinga (te Bolsward).”Dit zou gerust gezet kunnen worden Hoofdgezwel.” Vergelijking met andere silhouetten van bijvoorbeeld Aagje Deken, Betje Wolff en Dirk Lenige laat zien dat de silhouetten van Matthias goed gelijkend geweest moeten zijn. In 1828 ontving ds Matthias van Geuns zijn emeritaat. Hij overleed op 21 november 1839 te Haarlem.

afb. 7, Hendrik (Hendricus) Waardenburg (Franeker 1760-Haarlem 1812), rector te Franeker 1782, was in dezelfde periode als Matthias van Geuns inwoner van Haarlem alwaar hij van 1802 tot 1812 rector aan de Latijnse school was. Tevens beoefende hij als amateur de schilderkunst, het silhouet werd geknipt in de periode dat Matthias van Geuns nog studeerde.

De door hem nagelaten silhouetboeken geven, afgaande op de door hem geknipte kleding, mutsen en hoeden, een prachtig tijdsbeeld waarbij er een duidelijk verschil te zien is tussen de kleding van de dames en heren van de betere stand, de stadse dracht en de kleding zoals gedragen werd op het platteland.

Maar ook blijken de boeken enige portretten te bevatten van personen die geschilderde behangsels hebben laten maken bij de Vaderlandsche Maatschappij te Hoorn.

De Vaderlandsche Maatschappij werd in 1777, een economisch slechte tijd, op gericht door doopsgezinde predikant Cornelis Ris uit Hoorn, die zich het lot van de armen in de stad erg aan trok. De Vaderlandsche Maatschappij bestond uit een armenschool, een werkhuis, een rederij en fabrieken. De ‘schilderfabriek’ was een onderdeel van deze maatschappij en men kon daar gedrukte en geschilderde behangsels bestellen. Vele gedrukte en geschilderde behangsels werden geleverd aan de gegoede inwoners van Friesland. Zo komen we silhouetten tegen van Pieter Mastenbroek uit Sneek en P. Tjallingii uit Harlingen. Zij lieten geschilderde schoorsteenstukken vervaardigen. De familie Hanekuik en de familie Persijn lieten gedrukte behangsels van de Vaderlandsche Maatschappij in hun huizen aanbrengen. En ook van verschillende personen uit die families knipte de Meniste dominee Matthias van Geuns silhouetportretten. Bij verdere bestudering zullen de boeken ongetwijfeld nog veel meer leuke cultuurhistorische gegevens blijken te bevatten.

Tonny Jurriaans

afb. 8, Silhouetteerstoel

Snijdsels van een schimmenspeler, Knip-Pers 1991-4

Een silhouet roept een beeld op dat we herkennen aan de omtrek van een voorwerp met ruimtelijke afmetingen, bijvoorbeeld ons eigen gezicht. Maar als onze eigen schaduw op een scheef vlak valt, lijkt het een misvorming van wat we echt zijn. Door knip- en snijwerk, dat op zichzelf een profiel is van de werkelijkheid, te beschijnen, kunnen we opnieuw een schaduw afbeelden op een vlak. Zulke schaduwbeelden of schimmen kun je laten bewegen en dan heb je de mogelijkheid om een verhaal te maken. Zo werkt in Indonesië de wajang en onlangs trad in Amsterdam en Utrecht een groep schaduwspelers uit Cambodja op met manshoge, uit leer gesneden poppen. Ook in India en Turkije leeft deze traditie van schaduwtheater en in ons land speelde men in de vorige eeuw met de “Chinese schimmen”.

We werden bij schaduwbeelden bepaald door een boekje dat Marie Thérèse Bruning ons leende, met gesneden platen door Frans ter Gast.

afb. 1, Frans ter Gast

In de Knip-Pers is over het werk van ter Gast nog niet zoveel geschreven en wij zijn te rade gegaan bij wat Line Huizenga-Onnekes in 1956 had geschreven over haar tijdgenoot, de schimmenspeler Frans ter Gast: “Misschien is hij op het ogenblik de enige in ons land, die zich met de edele kunst van het maken en vertonen van schimmen ophoudt. Hij snijdt zijn schimmen, knipt ze niet, omdat zijn vingers te dik zijn voor de kleine schaarogen. Zelf vindt hij dat hij daardoor scherper en pittiger lijnen krijgt, wat het werk een persoonlijk cachet geeft.

afb. 2, Frans ter Gast

Hij bezocht de Kunstnijverheidschool te Amsterdam en Haarlem, werkte drie jaar in het buitenland en vestigde zich in Den Haag als decorateur, afficheontwerper en sierkunstenaar. Hij illustreerde boeken, gebruikte silhouetten voor reclamedoeleinden en maakte een silhouetfilm. Ruim 25 jaar is het ontwerpen van schimmenspelen zijn grote “hobby”, waarvan een dertigtal spelen het resultaat zijn. Ze duren ongeveer anderhalf uur en er zijn er bij waarin ruim 500 figuren voor komen. Tot zijn repertoire behoren “De Legende van Beatrijs”, “Zwerftochten van Odysseus”, “Blauwbaard” en “De Moord van Raamsdonk”. En zo zien we dat de knipper en snijder van silhouetten nog heden ten dage vele mogelijkheden heeft”.

afb. 3, Frans ter Gast

Met bewegende schimmen kon men dus hele verhalen samenstellen en het publiek boeien door een combinatie van schaduwen, vertellingen en liedjes. Soms werkte men met een heel team van spelers, sprekers en aangevers “achter het scherm”. Het is inderdaad een kunst, waaraan wij, knippers, ons best wel eens mogen wagen, als vermaak voor het gezin of een partijtje in kleine kring!

afb. 4, Frans ter Gast

In het boek “Schimmenspel en het spelen met schaduwen”, door Hetty Paërl (Wereldbibliotheek 1979) lezen we verder over Frans ter Gast en zijn beweegbare schimfiguren vol scharnieren en touwtjes. Soms verwerkte hij dun gekleurd papier in zijn figuren en projecteerde ze met een felle lamp. “Erik van Godfried Bomans maakte hij zo tot een kleurig schimmenspel; andere stukken waren de “Baron van Münchhausen” en “Meneer Prikkebeen”. Ter Gast heeft zich ervoor beijverd dat de schimtraditie werd voortgezet en inspireerde jonge spelers.
In 1970 is hij overleden.

afb. 5, Frans ter Gast

Al eerder hebben we enkele afbeeldingen uit het boekje “Appeltjes van Oranje” geplaatst, waarvoor ter Gast in 1948 de silhouetten maakte. Hij hield veel van de vaderlandse geschiedenis en het Oranjehuis. Het bovengenoemde boekje, “Sage en Feit uit Oorlogstyd” uit 1946, behandelt het leven in de oorlog en gedichtjes van Jan Ubink begeleiden de platen van ter Gast. In de inleiding lezen we: “Frans ter Gast, de snijder van bekoorlijke schimmenspelen sneed in de winter van 1944-45 een paar platen naar aanleiding van de brandstoffennood. De reeks werd groot genoeg om een boek te vormen … Het gesneden zwart-wit beeld heeft, ook wanneer het niet op het witte doek wordt geprojecteerd, een eigen bekoring. De strakke scherpte van de lijnen en de beperkingen, waartoe de techniek onmiddellijk voert, geven het een karakter, die het van ieder andere kunstuiting onderscheidt”.

We vinden beide boekjes de moeite waard om door onze vereniging heruitgegeven te worden!

Joke en Jan Peter Verhave

Doorsneden verleden, Knip-Pers 1994-1

Voor veel mensen in Zeeland is het welbekend: in de tijd van hun (bet-) overgrootouders was er een kunstenaar die prenten knipte. Er zijn nog honderden families die een kleurig werkstuk van Jan de Prentenknipper bewaren. Kleine prentjes met een wijze spreuk of een paar figuren uit de bijbel, bewaard in het kerkboek met zilverbeslag. Grotere prenten met het huwelijk als onderwerp: ‘trouwverbond’ of ‘stuk des verbonds’ vol symboliek, de ‘tempel van Jeruzalem’ als een afspiegeling van Gods woning onder de mensen. En ook wonderlijk precies uitgewerkte hofsteden, met daarin alle kanten van het boerenbedrijf. De maker moest een rondreizend koopman zijn geweest, een kramer met prenten in zijn mars. Maar zijn naam had hij nooit in de knipsels verwerkt en niemand wist meer iets van hem, dan dat hij zijn werk gaf voor een bord aardappels, een plekje in het hooi of een paar centen. Wie was toch die bekende onbekende knipper? Dat zou men in Zeeland graag weten; ook volkskundigen en papierknippers zijn nieuwsgierig geworden. Overgeleverde verhalen zijn er haast niet meer. Het is te begrijpen dat er over zo’n eenvoudige man ook weinig bewaard is gebleven aan geschreven bronnen en als er al zoiets zou zijn, dan was het moeilijk te vinden, omdat we aanvankelijk zijn achternaam niet kenden. Die moeilijkheden maken het snuffelen in de geschiedenis tot een boeiende activiteit. Over het onderzoek dat wij hebben gedaan, schreven we in het maartnummer van 1992 al iets; nu willen we graag nóg een paar anekdotes vertellen.

afb. 1, Prentje van ‘Piet de Knipper’ die ten tijde van Jan (rond 1835) ook overal in Zeeland actief was

Al in de vijftiger jaren had Wiecher Lever het Zeeuwse werk van Jan de Prentenknipper ontdekt en uit zijn bewaarde brieven weten we dat hij geloofde dat er meerdere Jannen in Zeeland waren geweest, die knipten. Het zou dus een streek- gebonden activititeit zijn en ieder op zijne wijs. Lever heeft geen verder onderzoek naar die Jannen gedaan. Wat betreft de leefwijze van Jan de Prentenknipper had Wiecher Lever wel wat weg van zijn voorganger: hij reisde rond en verdiende zijn brood met schaar en papjer.

afb. 2, Jan Huyszoon, Stuk des Verbonds, huwelijksprent die Jan in vele variaties heeft gemaakt, 22 x 28 cm.

Tien jaar later groef een medewerkster van het Openluchtmuseum, Hil Bottema, dieper in de geschiedenis: de vier laatste jaren van haar leven is zij druk bezig geweest met die Zeeuwse knipper. Het was er één, volgens haar en niet meerderen. Ze beschikte omstreeks 1965 niet over geschreven bronnen, noch over zijn ware naam. Daarom is ze maar gaan vragen naar overleveringen. Hil meende hem te herkennen in de ondertekening van een hartenknipsel: “Met liefde gedaan, Joseph de Laat”. De hulp van de gemeente-archivaris van Goes werd in geroepen, maar die vergiste zich en gaf de gegevens van een oom van Joseph door. Zo zijn er verkeerde jaartallen in het artikel van Hil terecht gekomen, dat ze in 1967 schreef voor het toen jonge tijdschrift Antiek: 1803-1883. Er was ook geen zekerheid of Jan protestant of katholiek was; Hil meende “streng calvinistisch”, maar ze zag over het hoofd dat Jan juist in deze prent de martelwerktuigen van Christus had getekend, echt iets uit het katholieke volksbeleven. Jans godsdienstige achtergronden en de keuze van onderwerpen voor zijn prentjes hebben ons intens bezig gehouden: hij had een katholieke vrouw, bleef zelf hervormd en vroom, maar streng, nee.

afb. 3, Jan Huyszoon, Straf der Zonde, paradijsprentje, ca 10 x 7 cm

Of Hil kort voor haar overlijden een vermoeden heeft gehad wat de ware naam van Jan was, weten we niet precies, maar één ding is zeker, ze heeft die naam onder ogen gehad in een ander knipsel, dat was ondertekend: “Met liefde gedaan, uw vader en moeder Jan Huijszoon en Dingena Potvliet’. Het speurwerk liet ze toen over aan een collega, maar het spoor werd niet verder gevolgd. Als die medewerker nog even had doorgezet, had hij toen al ontdekt dat de Prentenknipper Huijszoon heette en een prent voor zijn huwende stiefdochter had gemaakt.

Helaas maakt de dood altijd een eind aan het gedachtegoed van elk mens; gelukkig had Hil bijna alles wat ze wist opgeschreven en waren haar aantekeningen en correspondentie over Jan de P. in het Openluchtmuseum bewaard gebleven. Wij hebben daarvan gebruik mogen maken hij de voorbereiding van de tentoonstellingen, die vorig jaar in Goes en St. Annaland aan hem gewijd zijn, en bij ons boekje ‘Schaar-Kunst’ in 1983.

afb. 4, Jan Huyszoon,  (Profeet) Elias en Nebukadnezar (koning van Babylon,), ± 10 x 7 cm

Toen wij in het jaar daarvoor vakantie hielden in Zeeland, namen we de kans onze nieuwsgierigheid te bevredigen en doken we enkele dagen in het archief. We vonden een mededeling van iemand, dat achterop de prent van Jan, die hij in bezit had, de naam van de maker stond: Johan G. den Boer. Het resultaat van die speurtocht is te lezen in ons boekje en … we hadden de plank volkomen misgeslagen. Dat bleek pas goed, toen we afgelopen zomer in Den Haag (het manuscript voor het boek over Jan was al klaar!) die betreffende prent zelf onder ogen kregen. Toen zagen we dat het helemaal geen Jan de Prentenknipper was, maar werk van een imitator, Het leerde ons, dat je bij geschiedenis nooit moet vertrouwen op wat anderen schreven, maar zoveel mogelijk zelf de bronnen moet controleren!

De eer van de ontdekking van de achternaam van Jan komt toe aan iemand die niets met de knipperij heeft. Met is meneer Rooze uit Middelburg, die in een oud krantje van 1870 uit de gemeente Goes het overlijdensbericht van de Prentenknipper vond. Hij wist dat er al jaren naar gezocht werd en gaf zijn vondst door aan de Rijksarchivaris van Middelburg. Zo is het balletje gaan rollen en zo alleen konden wij proberen om de burgerlijke stand gegevens van Jan Huijszoon in verband te brengen met de verhalen over Jan de Prentenknipper en de plaatsen waar hij zijn knipsels verkocht heeft.

afb. 5, Jan Huyszoon, Psalm 7, de onbekende lievelingspsalm van Jan. die hij talloze malen heeft verbeeld, 10 x 7 cm.

We hebben honderden vragenformulieren rondgestuurd en teruggekregen, de meeste uit Zeeland, maar ook uit alle hoeken van het land, uit Spanje en Amerika. We zijn hij een kleine honderd mensen thuis geweest en hebben gevraagd naar hun voorouders. De mensen stellen prijs op hun bezit dat van generatie op generatie is doorgegeven en men geeft het niet zomaar meer uit handen. Het blijft dus in Zeeland en dat is goed.

In diverse Zeeuwse verzamelingen kwamen naast de gekleurde kerkboekprentjes van Jan ook witjes voor, die door iemand anders gemaakt waren. Dat zette ons aan het denken, te meer. toen we de overlijdensakte van de achttienjarige zoon van Jan te zien kregen in het actief van Goes: “overleden Chrisoffel Johannes, van beroep plaatsnijder, onechte zoon van Jan Huijszoon, plaatsnijder”. Dus junior had het beroep van senior overgenomen meenden we en omdat ze altijd samen rond zwierven, zou junior de witte prentjes wet gemaakt hebben. Totdat we onlangs een dergelijk prentje zagen, voorzien van het jaartal 1835. Toen was junior nog maar zes jaar oud en hij kan die prentjes dus onmogelijk gemaakt hebben. Misschien heeft de ambtenaar wel een fout gemaakt, Fantasie bij dit werk kan te vervoeren, maar het is toch ook nodig!

Fantasie, ook over hoe Jan eruit gezien kan hebben. Was hij mismaakt met een bochel (zoals de overlevering zegt), had hij een dikke buik (in de Zeeuwse spraak: ‘n buuk as ‘n prentevent) of was hij gewoon maar klein van stuk (ongeveer 1,58 m zoals uit zijn Militie- rapport blijkt)? We weten het niet, maar zeker is dat hij meerdere jaren in militaire dienst geweest is en later dijkwerker is geworden. Daarvoor moet je toch gezond van lijf en leden zijn! Aan dat zware werk is vrij plotseling een eind gekomen in 1834, toen hij rondreizend ‘negociant’ werd en ging knippen voor het brood van hem en zijn meezwervende gezin. Heeft hij de tering gehad, waardoor je een rugvergroeiing kon krijgen, of een hernia? En wat voor kleren had hij aan? Was hij in burger of op z’n boers? Fraai zal het niet zijn geweest, dag aan dag hij de weg, in verweerde, versleten plunje en op klompen, ‘s nachts in ‘t hooi, wij zouden onze 20e-eeuwse neuzen voor hem opgetrokken hebben!

Vreemd volk, met van die godsdienstige prentjes… zo fantaseerden wij verder. (Gastvrije boerenvrouwen hebben hem toch binnen genood en hij zal zijn ogen hebben laten dwalen langs al die tegels in de schouw en langs de muur van de oude hofsteden. ‘Tegels met verhalen uit de bijbel, allemaal door elkaar heen, uit oude en nieuwe testament en soms was het niet makkelijk het verhaal te herkennen. Jan heeft vele bijbelprentjes gemaakt, wel duizenden (dat moet haast wel want wij zagen er honderden). en vroegen ons af: koos hij lukraak, zoals die tegels gerangschikt zijn, populaire geschiedenissen die de mensen graag kochten, of was het een eigen keuze? Wij hebben In enkele Zeeuwse hofsteden murenvol bijbel-tegels gezien en moesten vaststellen dat Jans keuze uitdrukkelijk anders was; hij maakte wel prentjes met populaire verhalen, zoals .Adam en Eva, het Offer van Abraham, Salomo’s oordeel, Elia en de raven, Jona en de vis, maar andere missen of zijn schaars: de Twee verspieders met de druiventros, Jozef en Potifars vrouw, Tobias, en ook de verhalen over Jezus en zijn gelijkenissen.

Daarvoor in de plaats heeft Jan tientallen keren minder bekende figuren gekozen zoals Bileam, Nebukadnezar, Manasse en de Psalm 7, die ook in Zeeland bijna niemand meer kent. Waarom? We hebben onze gedachten daarover te boek gesteld.

afb.65, Johan Georg den Boer, stadsgenoot van Jan uit Goes, die zijn stijl nabootste, 35 x 35 cm

Over tegels gesproken, in het Tegelmuseum te Otterlo ontdekten we tot onze verrassing een spreuk, die Jan diverse keren had verwerkt in zijn hofstedenprenten: “Het land te bouwen is myn lust myn hart en zinnen zyn gerust, ik wei het rundervee, gelijk als vader Jacob dee.” Dat rijm waren we nooit ergens in Zeeland te tegenkomen en nu blijkt opeens dat het overal in het land op grote tegeltableaus voorkomt. Steeds weer iets nieuws!

Van de week kwam er weer een prentje boven water, dat we nog nooit gezien hadden (Samsons kragt). Het zal nog wel vaker gebeuren, ook als het boek in april verschenen is…

Jan is dus in 1870 overleden, maar wie schetst onze schrik toen er tijdens de tentoonstelling in Goes een prentje met het jaartal 1877 opdook. Zaten we er weer eens naast? We hebben het prentje niet in het echt gezien en daarom houden we het maar op een product van een naknipper. Daarvan zijn er meerderen geweest, die in de trant van Jan werkten. Eerlijk gezegd, wij vonden het soms ook moeilijk om Jan te herkennen! Maar geen van hen heeft zo’n productie gehad dat hij er brood in zag.

afb. 7, Prentje van ‘Piet de Knipper’

H

eel anders is dat in Zwitserland gelopen, waar Johann-Jakob Hauswirth in dezelfde tijd als Jan gekleurde prenten maakte van rijen koeien die de berg op en af klimmen. Hij had een opvolger, en die had er ook weer een; tenslotte werden de rijen koeien, kleurige harten en toverknopen een soort handelsmerk voor de Zwitserse knippers van tegenwoordig. Je ziet het daar overal. Zouden wij in Nederland ook moeten beginnen om ons geknipte cultuurgoed af te beelden op blikjes Zeeuwse boterbabbelaars, placemats, Unicefkaarten en VVV-folders? Of toch maar liever een standbeeldje In de tuin van het Oude-Manhuis te Goes?

Joke en Jan Peter Verhave

Derde Jantje is Jantje III, Knip-Pers 1993-1

Het Westfriese Hoogkarspel, een dorp tussen Hoorn en Enkhuizen. is niet moeilijk te vinden. De huizen in de nieuwbouwwijk, waar Jannie de Jong-Brouwer woont, zijn evenwel geschaard als de kartelrandjes in haar knipwerk. Dat zou wél eens een probleem kunnen geven. Maar voor een fan die op bezoek komt steekt ze de vlag uit. Een opvallende oplossing, typerend voor de vrouw die ons laat kennismaken met de originaliteit in haar werk. En daarmee vallen we met de deur in huis. Ook letterlijk, want je kunt zo via het tuintje de kamer binnenstappen. Het huis van Jannie de Jong, beter bekend als Jantje III, heeft iets museumachtigs. Maar dan van een volkskunstmuseum, met Nederlandse producten waarvan haar eigen knipwerk de hoofdmoot vormt.

afb. 1, Jantje III, 1 rijtje blijft staan voor moeder de vrouwZe is hartelijk en welbespraakt, deze niet meer zo jonge knipster, die het grootste deel van haar leven doorbracht in Friesland voordat zij enkele jaren geleden terugkeerde naar Hoogkarspel.  En deelzaam ook met het Westfriese gebak bij de gebruikelijke thee, voordat we samen het huiss doorgaan. Op haar werkkamer lift een bijna af prent voor een onthaalmoeder (kleuteropvangmoeders). Een pracht prent van een kleuter, die met laarsjes en een paraplu heel vrolijk door de regen stapt.

afb. 2, Jantje III, de kleinere knipsels zijn op biefkaartformaat, in verschillende kleuren geknipt, met kleine toevoegsels in een of andere kleur of in “goud”

Ik vraag me af waarom elke prent van Jantje III een verhaaltje heeft. Jannie vertelt dat volkskunst altijd een versierende boodschap is. Zowel de voorstelling als de motieven kunnen een symbolische betekenis hebben. Zij heeft er geen moeite mee er wat uitvoeriger op in te gaan en vertelt dat de interesse voor de volkskunst haar met de paplepel werd ingegoten. Haar vader was houtsnijder en maakte prachtige koekplanken. Hij gaf haar de stelregel mee dat ‘zelf bedenken en het dan maken meer voldoening geeft dan zelf kopen’, Als zesjarig meisje werd zij al meegenomen naar de Zuiderzee Visserijtentoonstelling in Enkhuizen in 1930. Daar zat Jantje II van Urk te knippen. Omdat ze haar grootmoeder altijd al kastrandjes had zien knippen was ze meer onder de indruk van de klederdracht en de vriendelijkheid voor kinderen van deze simpele Urker visser, dan van zijn knipwerk.

afb. 3, Jantje III, bij ons komen de kindertjes uit de kool

Van jongs af aan geeft Jannie de Jong op allerlei manieren en herhaaldelijk blijk van originaliteit en het vermogen tot scheppend bezig zijn. Of zij zich nu bekwaamde in kantklossen, breien, naaien, borduren, tekenen, toneelspelen of activiteiten organiseerde zoals bazaars en tentoonstellingen: altijd wist zij ergens een succes van te maken. Met name het zelf ontwerpen vormde de grootste uitdaging voor haar. De latere knipwerken dragen dan ook een uitgesproken origineel en persoonlijk karakter, waarin zij onderwerpen en motieven verwerkte die zij ontleende aan vooral Westfriese gebruiken en folklore.

Op ongeveer 40-jarige leeftijd volgt er per toeval een hernieuwde kennismaking met het papierknippen. Voor de Plattelandsvrouwen houdt mevrouw I. Kerp-Schlesinger een lezing over papierknippen als volkskunst. Jannie de Jong wordt gevraagd een correspondent van een regionaal dagblad in Noord-Holland te vervangen om deze lezing te verslaan. Naar aanleiding hiervan neemt ze zelf papier en schaar ter hand. Op zoek naar ‘regels’ voor de volkskunst kwam wij omstreeks 1966 in contact met Hil Bottema, volkskundlg medewerkster aan het ‘Rijksmuseum voor Volkskunde’, nu het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem, Hil Bottema was voorstander van het decoratieve, gestyleerde, symmetrische knippen; kenmerken die men in de volkskunst en bij oud- Hollandse knipprenten aantreft. Zij vond dit hij uitstek passend voor de schaarkunst, Dit geeft, volgens haar, een gebondenheid, maar tevens een zekere rust, evenwicht en harmonie aan het werk, mits de vlakverdeling goed is. Bij volksmotieven komt de symmetrie veel voor, vooral de links-rechts symmetrle. Hil Bottema bleek zich verdiept te hebben in het papierknippen in de negentiende en twintigste eeuw, met name over Jantje I uit Zeeland (1803-1870) en Jantje II uit Urk (1855-1938). Jantje I kreeg van Hil Bottema de bijnaam ‘de gewiekste’ omdat, naarmate hij als marskramer rondtrok door Zeeland en onderdak vond, het hooi warm was en de kost goed, het langer duurde voor de prent af was die hij als dank achterliet. Jantje II kreeg de bijnaam ‘de vrome’ omdat zijn knipprenten vooral uit Bijbelse motieven bestaan.

afb. 4, Kenmerkend voor het knipwerk van Jantje III is baar eigen visie op gebeurtenissen en feesten. De vrolijke taferelen weet zij met ongebreidelde fantasie uit het gekleurde papier te knippen, in grootte variërend van  luciferformaat tot afmetingen van ± 60 cm. Graag gebruikt zij toevoegingen in een andere kleur; op de latere, witte knipsels kleine gekleurde toevoegsels of ‘goud’

‘Vanuit haar grote belangstelling voor de volkskunst en haar kennis daarover, noemde zij Jantje I en II volkskunstenaars. En ook Jannie de Jong voldeed aan Bottema’s criteria. Zij had zichzelf het knippen geleerd, tekende niet voor, gebruikte veelal gekleurd papier en verwerkte motieven uit de vormenschat der volkskunst in haar knipprenten. Bovendien liet zij zich niet beïnvloeden door denkbeelden van anderen of door heersende opvattingen. ‘toen zij ook nog eens als Jantje bleek gedoopt, was er een Jantje III geboren! Jantje ‘de humoristische’. Als je de humor ervan inziet weten haar knipsels je vrolijk te maken, hetgeen genoeg zegt over wat zij met een naïef aandoende eerlijkheid in haar knipwerk weet te leggen.

Hil Bottema raadde haar aan het knipwerk voortaan met J III te signeren en uit waardering voor Hil is Jantje de Jong zich Jantje III blijven noemen. Van enige styistische overeenkomst in het werk van de drie Jantjes is evenwel geen sprake Met Jantje I heeft ze wel gemeen dat zij beiden van kleur In de knipsels houden. Hij kleurde zijn werk in en zij voegt kleur toe door hij onderdelen van het knipwerk gekleurd papier te gebruiken. De overeenkomst met Jantje II is dat beiden van kinderen houden. Hij had graag kinderen om zich heen als hij zat te knippen en Jannie knipt samen met kinderen of geeft hun les. Ook kreeg zij het advies van Hil Bottema: ‘Ga nooit naar tentoonstellingen en volg geen kniplessen, maar blijf trouw aan je eigen stijl”. Het was inderdaad de wens van Jannie de Jong om echte volksknipper te zijn en daarom verdiepte zij zich in de volkskunst.

Haar stijl en decoratieve knippen sluiten daar bij aan, als je aan de koekplanksnijders denkt. Gebeurtenissen plaatst zij graag in een eigen omgeving en ze brengt de dingen zoals zij die ziet. Jantje III laat zich daarbij niet leiden door de smaak van het publiek; een beoordeling daarover laat ze graag aan deskundigen oven Ze probeert de knipperswetten na te streven en al doende leert ze zelf van elke prent die ze maakt.

afb. 5, Jantje III, Vastenavond: zes weken voor Pasen

S.J. van der Molen omschrijft haar in een artikel in ‘Neerlands Volks’ als volgt: ‘Iemand, in wie Nederland weer een bijzonder vaardige knipster bezit met een stijl, die even decoratief als charmant is en die oude motieven tot nieuwe vormen weet te herscheppen terwijl haar werk als het ware de geur van het vertrouwde verleden ademt”, En naar aanleiding van een expositie van haar werk in het Westfries Museum in Hoorn (1973) schreef W.A. Braasem in zijn persbericht: “Behoort het werk van de beide voorgaande Jantjes tot de zuivere volkskunst, de knipsels van Jantje III dragen daarentegen een uitgesproken individueel en persoonlijk karakter. Hoewel haar werk dus de ‘onbedorven’ argeloosheid van de volkskunst mist, laat zij zich in de door haar aangewende motieven vaak inspireren door de plastische en vitale ornamentiek en vormenrijkdom van deze zelfde volkskunst”, Jantje III, van beroep godsdienstlerares, is zich steeds meer met de kniptechniek gaan bezig houden. Ze experimenteert graag met papiersoorten en de meest uiteenlopende materialen, zoals eieren, linten en doosjes. Plakte zij aanvankelijk de uit gekleurd sitspapier geknipte motieven op een wit karton; later is zij over gegaan tot het knippen van de motieven uit wit papier voor een gekleurd vilten ondergrond.

afb. 6, Jantje III, Inleveren voor de FLoor

Ook de stijl van het knippen maakt veranderingen door. Vanuit de wat primitieve koekplankstijl, die zeker zijn eigen charme had (en misschien beïnvloed was door de Westfriese bakkers met hun Abrahams, die met zilverpillen en gekleurde suiker het geheel zo mooi en aantrekkelijk mogelijk willen maken), ontwikkelt ze een vloeiende, uitgesproken decoratieve lijn, waarin haar gevoel voor evenwicht en ornament duidelijk naar voren komt.

Omdat haar inspiratiebron ligt op het terrein van folklore en volkskunde, beeldt zij graag de rijke geschiedenis van haar streek uit. Ook bevat haar werk Bijbelse motieven, gelegenheids- en actualiteitsknipsels, legendes en sagen of volksgebruiken en jaarfeesten. Waarbij ze niet kan nalaten er een eigen interpretatie aan te geven, zodat haar knipprenten een eigen leven gaan leiden en op hun beurt legendes worden. Ze noemt haar producten nadrukkelijk knipPRENTEN en verslaat daaronder een knipsel-met-rand. Ze zijn moeilijker te maken omdat je minder bewegingsvrijheid hebt met de schaar.

afb. 7, Jantje III, Kerstmis in de regen, 44 x 50 cm wit papier mei goudkleurige toevoegsels op rood vilt.

Tot op de dag van vandaag is Jantje III actief bezig. In culturele werkgroepen met demonstraties In papierknippen, een activiteit waarmee ze in 1967 begon. Ze bereidt themavoorstellingen voor, geeft les in papierknippen aan kinderen én aan ouderen. Liefst streekgericht, waardoor een functioneel knipwerk ontstaat. De herinneringen die ze van al die jaren aan het knippen heeft overgehouden zijn teveel om op te noemen. Bij sommige tentoonstellingen was er aan de hand van een thema of prent een boekje met een verhaal, dat door de kinderen zelf met knipseltjes kon worden geïllustreerd. Nu werkt zij bij de kinderlessen met het verhaal van Vincent Vlug en Lotje Langzaam. Een gegeven, dat het prima doet.

afb. 8, Jantje III, s Avonds in huis voor de tientonen en elf ribben

Maar of zij altijd tevreden is over haar werk? “Nee, vaak denk ik: Een volgende keer doe ik dat iets anders; maar wat de deur uit gaat, daar sta ik wel achter! Ze vindt het dan ook niet jammer als er een prent weg gaat, want haar grootste plezier ligt nog steeds in het maken zelf. “Ik heb er reuze plezier in om bepaalde situaties waarin mensen verkeren, bepaalde gebeurtenissen, gevoelens of soms zomaar mooie vormen om te zetten in een knipprent. Kijken of me dat lukt. Als het af is, is het doel bereikt. Ik knip om te knippen. daarin heb ik plezier. Ik hoop dat ik dat mag houden.’’ Een paar uitschieters die ze noemt zijn een knipsel voor Koningin Beatrix en een knipprent voor het huwelijk van haar eigen dochter.

afb. 9, Jantje III, Naar de lappedag

Sommige prenten houdt ze evenwel zelf; die hebben een toekomstige bestemming en hangen ook niet aan de wand,

Gevraagd naar het eigenlijke doel van al haar knippen, omdat ze er nog dagelijks mee bezig is, staat de echte Jantje III op: “Op mijn tentoonstellingen wil ik de mensen graag blij zien rondgaan en vrolijk kijken. Misschien komt dat wel door de humor, die al knippend ontstaat”

Door de regen op weg naar huis, gaat de vrolijk in de regen slappende kleuter op die prent voor de onthaalmoeder zijn werk doen. Volks- kunst werkt!

Magda Helms-Timmer

Gelezen:
Volkscultuur 1988-4: “De Prentknipkunst van Jannie de Jong-Brouwer’, A. K Wesseldijk-de Jong
Knip-Pers 1983-3: ‘jantje III”, G. Felders van Meekeren
Brochure Nederlandse Vereniging voor Papierknipkunst: “Line Huizenga en Hil Bottema” Joke Verhave en To van Waning