Categoriearchief: publicatie

Welgesteld en wel geknipt -1, Knip-Pers 2018-2

Oud knipwerk in particulier bezit onttrekt zich meestal aan onze waarneming. Maar zo nu en dan duikt er iets op, bijvoorbeeld op een veiling, of omdat iemand benieuwd is naar de betekenis of de waarde van zijn bezit. Soms blijkt het een onbekende schatkamer. Onlangs lazen wij het boek van Geert Mak, De levens van Jan Six. Een familiegeschiedenis (2016). Daarin trof ons de passage, waarin Mak een blik gegund wordt in het familiearchief:
‘Eén omslag bestaat uit enkel ragfijn knipwerk, vol bloemenmanden, engeltjes en hoornen des overvloeds.Vermoedelijk heeft geen mens er ooit meer naar omgekeken. Ik opende ze voorzichtig, de toenmalige feestvreugde kun je nog bijna ruiken’.

We herinnerden ons dat we tien jaar  geleden een artikeltje hadden geschreven over kleine knipsels van ene Lucretia van Winter en haar ouders; daarin hadden we terloops vermeld dat ze was getrouwd met een Six in 1822.
Aan deze Lucretia, een bijzondere vrouw, had Mak nu een heel hoofdstuk in zijn boek gewijd. Dus hebben we, vol verwachting, contact gezocht met de Collectie Six en een afspraak gemaakt.

En zo stonden we voor het deftige huis aan de Amstel. Jonkheer Six had alles uitgestald en daar ontvouwde zich een prachtige verzameling knipwerk, deels met namen, en voor het grootste deel zonder. De namen verwijzen naar de familie van Winter in de 18e eeuw. Wie waren dat en waarom hadden ze aardigheid in het maken van mooie dingen met schaar en papier?

Lucretia Johanna van Winter (1785-1845) was een dochter van de industrieel en kunstverzamelaar Pieter van Winter en Anna Louise van der Poorten (afb. 1). Lucretia werd in de familie ‘Creejans’ genoemd en haar jongere zusje Anna Louisa Agatha ‘Annewies’.

afb. 1, Lucretia Johanna van Winter

Zij erfden elk de helft van de kostbare verzameling schilderijen van hun vader. Annewies trouwde met een Van Loon, en haar deel werd verkocht aan baron De Rothschild in Parijs (inclusief Marten en Oopjen door Rembrandt, nu te zien in het Rijksmuseum). Van het andere deel werden diverse schilderijen, waaronder het Melkmeisje van Vermeer, door nakomelingen van Creejans en Hendrik Six verkocht aan het Rijksmuseum.

De moeder van Creejans en Annewies was eerder getrouwd met Christiaan van Orsoy en hertrouwde met Pieter van Winter; hun twee dochters en een zoon van Orsoy groeiden op met de jongere kinderen in het gezin van Winter. Cornelia Christina van Orsoy (‘Ceetje’, 1778-1816) werd later de grootmoeder van de schrijver Jacob van Lennep.

afb. 2, Hillegonda Josina van Orsoy – van Winter

Voor ons is haar zus Hillegonda Josina (‘Gonne’, 1775-1830) belangrijk, want er bestaan (buiten de collectie Six) twee knipseltjes van haar, met haar naam H.J. van Orsoy (van Winter). Eén daarvan toont een getekend huis met een zittend meisje. Dat tafereeltje is uitgeknipt en verbeeldt waarschijnlijk het buiten van de familie van Winter, Huis Voorland in de Watergraafsmeer (afb. 2 en 3).

afb. 3, Hillegonda Josina van Orsoy-van Winter

In de Collectie Six bevinden zich dertien knipwerken van dezelfde hand en met dezelfde techniek van voortekenen op de voorkant. Daaronder een bemande heteluchtballon en toeschouwers, mogelijk de eerste boven Nederland in 1787, toen Gonne 12 jaar oud was (zie Geknipt! afb. 126).
De meeste knipsels stellen landschapjes voor, met groepjes deftige mensen die zich vermaken (afb. 4). Gonne zorgde voor haar halfzusjes van Winter en is ongehuwd gebleven, maar haar knipwerk is door Creejans zorgvuldig bewaard, samen met bloemenvazen, boeketten en naamknipsels voor en door andere leden van de familie van Winter (o.a. een Knipselboek van een nichtje Maria Elisabeth van Winter). Het geeft aan hoe geregeld het papierknippen in de familie van Winter beoefend werd en niet alleen door vrouwen.

afb. 4, Hillegonda Josina (Gonne) van Orsoy-van Winter

Het was een creatieve bezigheid en men had er plezier in om elkaar iets persoonlijks te geven, hoe eenvoudig ook. Hoewel knipkunst in het algemeen met een kleine k geschreven wordt, verdroeg zich dat goed in deze familie die de grootste K in bezit had, die de Republiek kon bieden.

Joke en Jan Peter Verhave

Welgesteld en wel geknipt-2, Knip-Pers 2018-3

Andere knipwerken in de collectie Six Als eerste noemen we een stuk dat is gemaakt voor Jan Six, die in 1728 trouwde met Anna Elisabeth van den Bempden uit een katholiek geslacht, overgrootouders van Hendrik Six, die met Lucretia van Winter getrouwd was. Het is een prachtig uitgevoerd snijwerk, met in het midden een medaillon met beider familiewapens (alliantiewapens) in kleur (afb. 1).

afb. 1

De katholieke kunstenaar heeft ook diverse religieuze voorstellingen gemaakt en we meenden aanvankelijk in zijn werk de hand van de eveneens katholieke Frederik Hendrik van Voorst te herkennen. De tijd komt overeen en de stijl is in ieder geval verwant.

En dan zijn er nog twee snijwerken (afb. 2 en 3), die door een andere kunstenaar zijn gemaakt van wie we de naam ook nog steeds niet hebben kunnen achterhalen.

afb. 2

Zijn werk is helemaal vol gezet met bloemen en ranken, hoorns van overvloed en putti (blote kindjes met vleugels). De snijwerken horen bij elkaar; het ene draagt de alliantiewapens van een Rotterdams echtpaar, getrouwd in 1753: Michiel Jansz. Viruly x Clara Verburgh, het andere heeft in een medaillon een zogenaamd spiegelmonogram met letters (initialen), waarin we de M, J, V, V, B herkennen.

afb. 3

Beide stukken zijn in de volgende drie generaties Viruly bewaard, totdat een achterkleinzoon met een nicht van de familie Six trouwde. Zo zullen die twee knipsels in het familiearchief van de Sixfamilie terecht zijn gekomen. De maker had een grote klantenkring, vooral onder welgestelden in Amsterdam en Haarlem.

Tenslotte is er ook nog een klein knipsel, een schaatsenrijder, van Pieter Reijnders, dat een van de Sixen rond 1800 als presentje gekregen zal hebben (afb. 4).

afb. 4, Pieter Reijnders

De verzameling knipwerk in de Collectie Six is dus gegroeid en samengevoegd op verschillende tijden en door verschillende mensen.

Het meest verbazend was, dat wij veel van de knipwerken in de Six-collectie al kenden! Afbeeldingen daarvan waren opgenomen in de oudste publicatie over  Nederlandse papierknipkunst, door de bibliothecaris en cultuurhistoricus J.D.C. (Jaap) van Dokkum uit 1915. Bij elk daarvan staat vermeld: “Eigendom G.W.P. van Dokkum”. Dat bleek zijn broer Gerrit te zijn, de kunstschilder Gerard van Dokkum in Utrecht. In de vorige eeuw hebben verschillende kunsthistorici en ook wij geprobeerd om die kennelijk interessante collectie op te sporen. In 1987 bleek ons dat beide zoons van de schilder die afbeeldingen niet kenden, evenmin als de dochter van Jaap.

Welk geheim kan daarachter zitten?
Wij hebben uit de tekst van het artikel uit 1915 geconstateerd dat Jaap wel degelijk op de hoogte was van de herkomst van die knipsels uit de familie Van Winter en dat de vele foto’s gemaakt zijn door een professioneel fotograaf. Heeft misschien de toenmalige jonkheer, professor Six, bezwaar gemaakt tegen verwijzing naar het familiearchief en heeft toen de auteur de afbeeldingen maar vermeld onder de naam van zijn broer?
Is misschien de publicatie in 1915 een sleutel? Want in dat jaar is Huize Six verhuisd van de Herengracht (dat pand hoek Vijzelstraat moest worden afgebroken) naar de Amstel. Professor Six was over die gedwongen verhuizing nogal ontstemd en enige tijd was het familiebezit niet te bezichtigen (Amstelodamum 3, 1916, 16-17). Heeft Gerrit van Dokkum toen tijdelijk de knipsels in beheer gekregen? De heer Six wist het niet en wij evenmin. Eén ding is zeker: de knipwerken zijn (weer?) op hun plaats en in veilige handen. Jonkheer Six is bereid om mee te werken aan een tentoonstelling. Dus wie weet…..

Joke en Jan Peter Verhave

Verder lezen:
J.D.C. van Dokkum: ‘Hanna de Knipster en haar concurrenten; een studie over oud-Hollandsche schaarkunst’. Het Huis Oud en Nieuw, 13 oktober 1915, 334-358

Joke en Jan Peter Verhave: ‘Konststucken van snijden. Snij en knipkunst van Frederik Hendrik van Voorst’. Antiek 20, 1986, nr. 8, 449-463;

J-JPV, ‘Knipsels uit een kunstzinnige familie’, Knip-Pers 2007-2
J-JPV, Geknipt! Geschiedenis van de papierknipkunst in Nederland. Zutphen, Walburg Pers, 2008
J-JPV, Onbekend en ontroerend erfgoed. Tijdsbeelden geknipt door anonieme kleinkunstenaars. Nijmegen, Fotografica 2017

Justus van Maurik, portrettist, Knip-Pers 2018-1

Twee geknipte of gesneden portretten van een Justus van Maurik werden onlangs geveild en ze gingen onze neus voorbij. Het ene was uit 1726 en stelde een onbekend persoon voor, met gedeeltelijk onleesbare teksten in het Latijn en omgeven door boeken en geschriften. Het andere is veel beter bewaard en daarvan kregen we een afbeelding: een portret van erfstadhouder Prins Willem (IV) Karel Hendrik Friso, een jaar na diens dood, in 1752 (afb. 1)

afb. 1, Justus van Maurik, erfstadhouder Prins Willem (IV) Karel Hendrik Friso, 1752

Hij is tamelijk mager afgebeeld, maar in werkelijkheid was hij in de loop van zijn leven (hij werd 40 jaar) nogal in omvang toegenomen. Het portret is geflankeerd door de Heilige Schrift en De vrije Hoed (vrijheidshoed op een speer) en boven hem de (verfrommelde) pijlen van de Zeven Verenigde Nederlanden. Het is duidelijk dat Justus een Oranjeklant was, te oordelen naar alle functies van de Prins, geschreven in de cirkel en het gedicht.
Er zijn veel personen met de naam Justus in de familie Van Maurik (het is o.a. een sigarenmerk), maar de knipper had in dit portret verwerkt dat hij toen 70 jaar was (linksboven “Justus A Mourik AET. 70”).

Daarom konden we hem identificeren als Utrechtse koopman in ijzerwerk, die leefde van 1682-1759. Door het gebruik van het Latijn liet hij zien een ontwikkeld persoon te zijn en zijn vrome teksten passen bij zijn kerkelijke gezindte, hij was doopsgezind.

afb. 2, Justus van Maurik, David van Mollem, 1755

Justus heeft ook een portret geknipt van de eveneens doopsgezinde, Utrechtse industrieel David van Mollem (afb. 2). Hij was eigenaar van een zijdefabriek en Van Mourik zal hem ongetwijfeld het nodige ijzerwerk hebben geleverd. De fabriek werd aangedreven door een moderne watermolen, die veel bezoekers trok.Tsaar Peter was er en de Duitse kunstkenner Zacharias von Uffenbach, die allebei ook de knipster Joanna Koerten hadden bezocht. In de fabriek werkten honderden vrouwen en kinderen(!) Van Mollem was goed voor zijn personeel. Verder bezat hij de buitenplaats ‘Zijdebalen’ in Utrecht, met een bloemrijke tuin van bijzondere architectuur.

In 1739 ging Van Maurik failliet (‘desolate boedel’) en had hij schuld bij zijn zakenpartner en geloofsgenoot Van Mollem. Mogelijk heeft deze hem ruimhartig behandeld. Want nadat David in 1746 overleed, heeft Justus het portret in 1755, negen jaar later, uit dankbaarheid gemaakt voor de familie. Waarschijnlijk gebruikte hij als  voorbeeld een geschilderd of getekend portret, dat verloren is gegaan.
Maar daar bleef het niet bij. Hij maakte ook een postuum portret van Davids dochter Lavina (afb. 3), die getrouwd was met de Amsterdamse schepen Hendrik Nicolaas Sautijn (in het knipwerk staat Satijn geschreven).

afb 3,. Justus van Maurik, Lavina Sautijn-van Mollem

Lavina was al in 1743 overleden. In de inventaris van de kleinzoon van David van Mollem (1796) staat genoteerd dat zich ‘Op het Groene kamertje van huize De Zijdebalen drie snijsels van Justus van Maurik met hun lijsten bevonden’.

Zou de familie ze mooi hebben gevonden? De portretten zijn curieus, maar naar onze smaak was Justus geen groot portrettist. Maar misschien was hij wel een pionier, want behalve Joanna Koerten, die een halve eeuw eerder leefde, waren portretknippers zeldzaam.

Er is één geknipt dubbelportret van Willem IV en zijn gemalin Anna bekend (afb. 4). Veel later is ook prins Willem V geknipt, maar toen was de mode van de zwarte silhouetten in profiel al in volle bloei.

afb. 4 dubbelportret van Willem IV en zijn gemalin Anna [niet langer toegeschreven aan van Maurik (juli 2021)]

Joke en Jan Peter Verhave

Kees Bakema, Knip-Pers 1986-1

Herinneringen, opgetekend uit de mond van mevrouw I.G. Kerp-Schiesinger.

“Het was in 1949, op de markt in Bussum, dat ik Kees Bakema voor het eerst ontmoette. Zelf had ik kort daarvoor, na een onderbreking van 30 jaar, mijn schaartjes weer tevoorschijn gehaald en het was in die tijd, dat er een reeks knipsels ontstond die ik nú nog steeds tot mijn beste reken.

Het was dus logisch, dat ik met grote belangstelling naar de toen 75 jarige man stond te kijken, die met grote vaardigheid het profiel van een jongen van een jaar of twaalf naknipte.
Met het portret van deze knaap wilde Bakema aan het publiek zijn vaardigheid tonen; het was ook verbazingwekkend goed geslaagd. Toch was geen van de omstanders bereid om als volgende klant naar voren te komen. Zij dromden wel samen om een liedjeszanger die ook op de markt aanwezig was. In die tijd kostten twee portretten een kwartje, maar portretknippen werd niet gewaardeerd, evenmin als sierknippen. De mensen wilden liever met wat vrolijkheid geamuseerd worden en de “Kunst” met een grote K keek neer op alles wat figuratief was.
Tot mijn schande moet ik bekennen, dat ook ik de moed niet opbracht naar voren te gaan om model te staan!
Pas toen Kees Bakema zijn biezen pakte om te vertrekken, durfde ik naar hem toe te gaan om te vertellen dat ik ook knipte. In die tijd was ik vreselijk verlegen, niet wetende dat Bakema minstens even verlegen was. Het moet dus een wonder heten dat ik hem durfde te vragen mee naar huis te gaan om een kopje thee te drinken en een even groot wonder, dat hij daarin toestemde.

Later volgden veel van deze thee-uurtjes, waarbij hij na een poosje altijd op zijn stoel begon te draaien: als rechtgeaarde Amsterdammer vond hij het te “stil” in Bussum. “De stilte maakt ook lawaai”, placht hij te zeggen.

Op de vraag of hij melk in zijn thee wilde, antwoordde hij verontwaardigd: “Maar mevrouw, melk geeft de koe voor het kalf, niet voor ons!”
Zoals uit één van zijn knipsels blijkt, ging zijn vegetarisme gelukkig niet zo ver dat hij de mensen niet kon laten genieten van een haring!

In zijn jonge jaren was Bakema circusartiest geweest, acrobaat en slangenmens. Later maakte hij van het knippen zijn beroep. ‘s Zomers knipte hij portretten aan het strand, ‘s winters deed hij dat staande voor de Bijenkorf. Hij heeft zelfs een reis naar Indonesië kunnen bekostigen door op de boot portretten van de passagiers te knippen.
Nooit echter heeft hij de waardering gekregen die hij verdiende. Vooral na de oorlog slaagde hij er niet meer in voorbijgangers op de markt of op straat voor zijn kunnen te interesseren.

We hadden, behalve onze verlegenheid en liefde voor de knipkunst, neer dingen gemeen. Per week schreef hij me 3 à 4 brieven over wat er allemaal met de wereld mis was.
Hij was revolutionair en vol zorgen over de maatschappelijke problemen – en dat was de gemeenschappelijke deler die we hadden.
Bovendien was hij doodeerlijk maar even realiteitsblind als ik.

Hij bracht me veel van zijn knipsels, waarvan de helft naar Israël is gezonden.

Op een dag nodigde hij me uit naar zijn huis in Amsterdam te komen, waar ik een leerling van hem zou ontmoeten. Die leerling kwam uit het noorden des lands en was van beroep kolensjouwer, zijn naam: Tjeerd Lever!

In 1950 werd er een knipkunsttentoonstelling in Franeker gehouden. Hiervoor was toen slechts een zestal knippers te vinden; Kees Bakema werd uitgenodigd om er portretten te komen knippen.

Dat betekende heel veel voor hem. Afgezien van de reiskosten die hij zich moest getroosten, kocht hij speciaal voor deze gelegenheid een nieuwe hoed van f 50.-. Een kapitaal in die tijd, zeker voor een man die onder zeer bescheiden omstandigheden moest leven! Uit angst niet op tijd te zijn – hij zou van te voren nog worden geïnterviewd – kwam hij drie uur te vroeg in Franeker aan.
Wat er toen gebeurde is niet minder dan tragisch te noemen. Hij ging naar een kroegje en nam een slokje om zich moed in te drinken. Viel het verkeerd? In ieder geval is drie uur erg lang en hij kwam volkomen onbekwaam hij het museum aan.
De directrice belde mij op, diep verontwaardigd over de man die ik haar had durven aanbevelen.
Er zijn toen heel wat telefoontjes van Bussum naar Franeker gegaan — maar het was 1950 en de mensen waren minder soepel dan vandaag. De directrice bleef onbarmhartig. Ongelukkigerwijze had ik haar tijdens haar bezoek in Bussum eens verteld van die leerling van Bakema. Tot mijn schande moet ik bekennen, dat ik de laatste avond v66r de opening van de tentoonstelling – toen ik inzag dat er totaal geen kans meer was voor mijn oude vriend -mij toch liet vermurwen haar het adres van Lever te geven.

Nog schaam ik mij ervoor want het moet Bakema erg pijn gedaan hebben te weten dat een beginneling op zijn plaats zat.

Enkele jaren geleden heb ik getracht via het bevolkingsregister van Amsterdam contact te vinden met de kinderen van Kees Bakema. Ik had hen gaarne de knipsels van hun vader gegeven. Het is mij niet gelukt en het zou mij verheugen indien dit interview hen op de hoogte zou kunnen brengen van mijn wens.”

Ook de herinneringen die de heer Kerp aan Kees Bakema heeft, wil ik u niet onthouden. Met respect vertelt hij:
“Bakema was een zeer eenvoudig en bescheiden man, Vrij van elke opschepperij. Van hem straalde goedheid en begrip voor andere mensen uit. Hij was een denker en uitermate geestig. Als hij in een andere wieg had gelegen, had hij het als filosoof ver geschopt.
Al deze eigenschappen hadden tot gevolg dat hij zulke uitstekende knipsels van het Amsterdamse volksleven kon maken. Dit geldt ook voor zijn stadgenoot Evert Root. Mijns inziens waren beiden een halve eeuw te vroeg geboren: later zouden zij een studiebeurs voor de kunstacademie hebben gekregen om hun gaven verder te ontwikkelen.”

Aldus de herinneringen van twee mensen aan Kees Bakema. In zijn tijd een miskend kunstenaar. Laten wij zijn werk in ere houden!

Elly Stroucken—de Jager.

Evert Root Sr., een kunstenaar met de schaar, Knip-Pers 1983-2 en 3

De prentenverzameling van het Openluchtmuseum verwierf het afgelopen jaar een deel van de nalatenschap van de Amtserdamse papierknipper Evert Root (1896 -1978). Hij was een veelzijdig mens, die ik u wil proberen te schetsen aan de hand van een aantal van zijn knipsels uit de verzameling en de teksten die van het bewaard zijn.

In zijn jonge jaren knipte Evert graag dieren, waarmee zijn broers speelden. Hij vertelde in zijn levensbeschrijving (geschreven In 1973) dat hij, druk met het knippen, zelf niet aan spelen toekwam.
Het tekentalent zit de familie Root in het bloed. De vader in grootvader van Evert konden het ook. Het liefst had hij een opleiding in deze richting gevolgd, maar die weelde was niet voor hem weggelegd. Hij moest aan de slag in het sohildersbedrijfje van zijn vader. De aanleg voor tekenen heeft hij kunnen gebruiken bij het schilderen na reclames en opschriften op uithangborden en op etalageruiten. Zodra het op de spelling aankomt heeft zijn slechte beheersing van de taal hem nogal eens parten gespeeld; het kwam zelfs voor dat hij een tekst opnieuw moest schilderen.
In die jaren werd door de schilders gebruik gemaakt van sjablonen om decoraties aan te brengen op behang, muren en plafonds. Evert sneed zijn eigen “slabonen” en vervaardigde ze ook wel voor andere schilders.

afb. 1, de heilige Familie, 28,5 x 17 cm, collectie Nederlands Openluchtmuseum

 

Evert Root toefde graag in het Rijksmuseum om te genieten van de schilderijen om “innergie” op te doen. Hij gebruikte soms het werk dat hij zag als onderwerp voor zijn knipsels (afb. 1).
Vaak voegde hij er een eigen detail aan toe: “De hond en de kat zijn van mijn”. Evert Root knipte meestal uit dubbelgevouwen silhouettepapier (dit papier is aan de voorkant dofzwart, aan de achterkant wit). “DIn dublo” noemde hij het zelf. Blijkbaar waren de spiegelbeelden voor de opdrachtgevers.

 

In opdracht vervaardigde knipsels hadden als onderwerp huwelijk, geboorte, portretten, Bijbelse voorstellingen; verder knipte hij sprookjes, sterrenbeelden, rozen, wensen waar je zelf de tekst of naam kon invullen, voorvallen uit zijn eigen leven of uit zijn omgeving.

Ondanks zijn voorliefde voor het knippen van rozen is het leven van Evert Root niet over rozen gegaan. Hij moest in de crisistijd voor vrouw en vier kinderen het brood bij elkaar schilderen. Zijn zoon en naamgenoot overleed op jeugdige leeftijd , toch is Root zich steeds als Root Sr. blijven betitelen onder zijn knip- en schrijfwerk. Hij is na de oorlog twee maal gehuwd geweest. Evert Root dreef sinds 1936 in de Korte Leidsedwarsstraat te Amsterdam een winkeltje: “De Leidse Toko”. Hij verkocht schoonmaakartikelen, borstelwerk, olie, schildersbenodigdheden, etc. Ten behoeve van toeristen schilderde hij flessen en verkocht souveniers.

afb. 2, Foto knippen van af 7,50 per prent

Hoewel de laatste vrouw van Evert hem heeft gestimuleerd om meer te gaan knippen, duldde ze de snippers niet in huis. Evert heeft zijn stoel toen in de winkel gezet en heeft na zijn 65ste jaar daar zeer intensief geknipt omdat nu de zorg voor het onderhoud van het gezin was weggevallen. In de winkel lag zijn plakboek met o.a. duplo’s van portretten, getekend (vaak van de televisie) en geknipt. Vaak had hij een exemplaar naar de betreffende personen gestuurd: Wim Ibo, Mireille Matthieu, Godfried Bomans …op zijn winkeldeur hing het affiche “Foto Knippen”. “

 

 

Hij had geen schroom om de mensen te benaderen, Prins Bernard vroeg hij om een huisje buiten de stad. Bij de gemeente Amsterdam protesteerde hij in knipwerk en tekst om te wijzen op misstanden ten aanzien van huisvesting of parkeerproblemen. Een ingezonden stukje, direct reageren op situaties was kenmerkend voor het karakter van Evert Root. Het Parool heeft een aantal artikeltjes aan hem gewijd. Ter ere van zijn 75ste verjaardag werd onder meer uit zijn mond opgetekend: “Met mijn werk zal het wel net gaan als met dat van Jan de Knipper uit Urk. Na zijn dood ging het naar het Openluchtmuseum in Arnhem. Ik wil trouwens als ik dood ga een schaar mee in mijn kist, dan kan ik als ik boven kom direct op Petrus afgaan en zeggen: ”Hé, Petrus, kom es effies hier. Dat wordt dan meteen het mooiste portret.”

afb. 3, begraven met de schaar

Ondanks zijn christelijke opvoeding en voorkeur om Bijbelse verhalen uit te beelden, was zijn manier van geloven ongebonden. Evert Root vond op het eind van zijn leven vriendschap uit de kring van het Leger des Heils. Hij heeft ook illustraties voor de Strijdkreet geknipt. Kort na de dood van zijn derde vrouw is Evert Root overleden op 81-jarige leeftijd. Een deel van zijn werk bevindt zich in het Nederlands Museum van Knipkunst te Westerbork, een ander deel is in de collectie van het Openluchtmuseum opgenomen.

Evert Root, een harde werker, een man uit het volk, een volkskunstenaar, een echte Amsterdammer, bekend Leidsebuurter, leeft voort onder zijn vrienden. Hij gaf zichzelf en uitte zich in zijn knipwerk. Hiervan getuigt de handgeschreven tekst die hij in zijn winkel had opgehangen:

De knipkunst heeft waarden
voor hem die het mind.
Maar voor de maakster
een met veel zorg gebaard kind

Ontleend aan het artikel van Joke Verhave in B&M 43, 1980 van het Openluchtmuseum in Arnhem.

Koopman – knipper – kunstenaar, Knip-Pers 1986-4

afb. 1

Voorjaar 1984 werden we gebeld door iemand die vroeg om pagina 104 van “Schaarkunst”*) eens op te slaan. Afbeelding 111 stelt een grote, prachtig ver sierde Calvarieprent voor van een onbekende maker omstreeks 1840. De meneer die opbelde, vertelde met enthousiasme dat hij wist wie de maker was: zijn voorvader Jan Joseph Jöbsis uit Nijmegen.
Voortvarend werden nadere contacten gelegd en na korte tijd gleed er een levensbeschrijving van de knipper onze brievenbus in, gemaakt door achterkleinzoon, Ir. Gerrit Jöbsis uit Driebergen.
Zelf bezat hij drie knipsels van zijn voorvader en hij had bij zijn verre familie navraag gedaan. Dat leverde er nóg drie op. Het zijn deels bijbelse knipsels, deels tafereeltjes uit het gewone leven.

Intussen werd in het archief van het Openluchtmuseun een brief uit 1946 opgedoken, waaruit bleek dat een Rotterdamse dominee het bovengenoemde knipsel van een gemeentelid had gekregen, die er het volgende bij schreef: “Werk van mijn Moeders Vader, Jöbsis, Duitser, die met dit werk zijn brood verdiende, langs de huizen ging”. Kennelijk hebben de erven van de dominee het laten veilen bij Mak van Waay; het Nederlands Openluchtmuseum (NOM) werd in 1967 de bezitter.

afb. 2

Wie was deze Jöbsis? We vatten de levensbeschrijving samen.
Jan Joseph is in 1803 te Vaals geboren uit een lutherse moeder en een Katholieke vader, die in 1806 in Franse krijgsdienst vertrok en niet terugkeerde. Jan werd wever, maar toen de fabriek failliet ging in 1827, meldde hij zich in Maastricht bij de Infanterie. Hij maakte de Tiendaagse veldtocht mee en werd in Nijmegen in garnizoen geplaatst, onder sergeant-majoor van Tuyll.
In 1833 volgde eervol ontslag en een metalen kruis.

Intussen had Jan de dochter van de sergeant leren kennen. Ze werd zwanger en schonk hem in 1832 een dochter. Een zoon werd in 1935 geboren, maar de ouders waren nog steeds niet getrouwd wegens gebrek aan familiepapieren! Na de oorlogshandelingen trouwden ze in Vaals en van Rooms Katholiek werd Jan Hervormd. Terug in Nijmegen leden ze een armoedig en moeizaam bestaan met een winkeltje “Van Sinkel”. In 1838 werd nog een zoon geboren en in 1855 overleed Jan.

Alle tot nu toe bekende knipsels zijn in, of komen uit het bezit van de drie kinderen van Jan Joseph. Er is een serie van vier, met de Evangelisten als onderwerp. De knipsels lijken erg op elkaar en hebben in een centraal medaillon één van de schrijvende volgelingen van Jezus, elk met zijn symboolgestalte waarmee de geschiedenis ze heeft opgezadeld:

Bij Mattheus een mens of een engel, bij Marcus een leeuw, Lucas een stier en Johannes een adelaar. Zo zijn ze door de eeuwen heen afgebeeld, volgende de visioenen van Ezechiel (hoofdstuk 1:5)  en Johannes (Openbaring/Apokalys hoofdstuk 4:7).
En ook Jöbsis stond in die traditie.

De knipsels meten ongeveer 21 x 16 cm en bevatten elk een tekst uit het betreffende evangelie, met aanduiding van het aantal hoofdstukken. De tekst van Mattheus is heel wonderlijk afgebroken, alsof de knipper dacht: de rest ken je toch wel…

Helaas is het Johannes-knipsel in de oorlog verloren gegaan, maar uit de drie andere en het NOM-knipsel valt met zekerheid te besluiten dat Jöbsis protestants was. Toch heeft hij niet letterlijk uit de toen gangbare bijbelvertalingen geciteerd. Dit verraadt, samen met de meer katholieke symboliek van de “arma Christi”, de lijdenswerktuigen rond het kruis, een brede religieuze en culturele openheid. Het is leuk om die kerkelijke veelkleurigheid ook in de archieven terug te vinden!

afb. 3

De drie niet-religieuze knipsels stellen Biedemeier-achtige tafereeltjes voor met een houthakker en een hert, een tuin met theekoepeletje en schommel, een landelijke scène. Jöbsis heeft zich hier vooral uitgeleefd in de bomen, die hij prachtig stileerde. Hoewel ze op verschillende plaatsen in de knipsels staan, zijn sommige dubbel geknipt; andere zijn per stuk dubbelgevouwen geknipt. De mensen en dieren steken er wat stijfjes bij af.

Jöbsis moet een begaafd man geweest zijn, die in zijn tijd vooral in het ornamentale knipwerk tot de besten van ons land gerekend kan worden. Als hij inderdaad ook knipsels verkocht heeft, zoals een kleinkind schreef, hopen we er rond Nijmegen nog eens enkele te ontdekken!

Achterkleinzoon Gerrit Jöbsis heeft met gedrevenheid in korte tijd veel archiefgegevens verzameld en de familiestukken laten restaureren. Hij zou pas rust hebben, als het karwei af was. Veel meer vertelde hij niet maar we begrepen het, toen op 1 augustus 1984 zijn overlijdensbericht kwam…

Het was een stukje van zijn goed strijd om de bijzonderheden van zijn voorgeslacht door te geven aan zijn nageslacht en aan andere, die hij er ook bij mee kon maken.

Joke en Jan Peter Verhave

* “Schaarkunst”, door Joke en Jan Peter Verhave, is een  in 1983 verschenen uitgave van het Nederlands Openluchtmuseum.

Om de dis geschaard, Knip-Pers 1984-1

In het catalogusgedeelte van het boekje “Schaarkunst’ staan onder de nummers 64 en 69 twee bij elkaar horende knipsels afgebeeld. Zij zijn gemaakt voor Mejuffrouw Bruyd Elisabeth Storm en de Heer bruydegom Johannes Pijl, ter gelegenheid van hun huwelijk. De vermoedelijke maker David van Freney heeft ze tegelijk gesneden. Dit kunnen we zien aan het kerfwerk dat in het ene snijdsel duidelijker is dan in het andere.

afb. 1

Van dezelfde hand zijn de hierna afgebeelde snijdseltjes, voor én Bruid en Bruidegom gemaakt. Deze woorden zijn op een achtergeplakt strookje papier geschreven.
Zij zijn eenvoudiger van motief, een huwelijkskroon, geflankeerd door twee cupido’s, die trouwens bij David van Freney haast op leeuwen lijken. Dit alles op een versierd hart.
Ook deze snijdsels zijn tegelijk gemaakt, waarbij – gezien het kerfwerk – dat van de bruid bovenop heeft gelegen.

Wat ons intrigeert is, welke functie dergelijke knipsels hadden. Welk onderdeel van de bruiloftsversiering waren ze? Hingen ze aan de wand, misschien boven de stoel van Bruid en Bruidegom? Of gaven ze de plaats van het bruidspaar aan gedurende de huwelijksmaaltijd?

Ook uit de verzameling van het Leeuwarder Museum “Princessehof” kennen we dergelijke snijdsels. Het betreft hier zeven werkstukjes (10 x 15 cm); vier daarvan dragen de naam Abraham Heems, bij de overige drie hoort een knipsel met de naam Johanna van Dalen, zowel knipsel als lettertype zijn overeenkomstig. De vierde Johanna van Dalen is kennelijk verloren.

Eén paar duidt op een verbintenis tussen Abraham en Johanna: er komen ineengeslagen handen, brandende harten en een huwelijkskroon op voor. Mogelijk is dat gemaakt ter gelegenheid van hun huwelijksfeest.

afb. 2, Abraham Heems, 10 x 15 cm

Maar ook de andere cartouches zijn rijk geornamenteerd met bloemen en ranken. Als we ze goed bekijken zijn ze van de hand van Hendrik van Winter (zie Schaarkunst blz 59), die óf van het echtpaar verscheidene opdrachten heeft gehad óf verschillende op proef heeft gemaakt. Waarvoor deze knipsels hebben gediend blijft gissen. Wij houden het voorlopig op “naambordjes” als plaatsaanwijzing tijdens diners.

Het vermoeden dat er bij particulier en museum in verloren hoekjes nog knipwerk moet zijn, werd onlangs weer bevestigd.

De vereniging Oud Gorinchem bereidt een tentoonstelling voor over de geschiedenis van de Papierknipkunst in Nederland en hun eigen collectie bleek ook knipwerk te bevatten. Onder andere een grote serie fragiele knipseltjes (± 6 x 4 cm). Eenvoudig, ornamenteel met een open ruimte, waarachter een wit papiertje is geplakt met een naam erop geschreven. De meeste zijn uit goudpapier, vermoedelijk gemaakt in de tweede helft van de 18e eeuw en kennelijk voor een Gorkumse familie. Bij welke gelegenheid en wanneer precies, zou genealogisch onderzoek kunnen uitwijzen.

Maar opnieuw de vraag: hoe functioneerden ze? Lagen ze naast het bord bij een diner? Waarom dan niet uitgedeeld aan de gasten? Heeft een enthousiaste knipper op deze manier een “album amicorum” of receptiealbum aangelegd?

We vragen de lezers van de “Knip-Pers”: Bent u iets dergelijks wel eens tegen gekomen? Weet u iets van het gebruik?

Wij zijn benieuwd,
Jan Peter en Joke Verhave

Kerstknipsels van vroeger en heel vroeger, Knip-Pers 1985-4

Het Kerstverhaal is in het westerse christendom een populair gegeven om af te beelden. Ook knippers zijn geinspireerd geweest door de verschillende details, die Mattheus en Lucas hebben opgeschreven in hun Evangeliën: de aankondiging aan Maria door de Engel, de geboorte in de stal, de boodschap van de engelen aan de herders, de drie wijze koningen en de vlucht voor Herodes naar Egypte. Ieder deed dat naar de mode van de tijd, eigen kunstzinnigheid en godsdienstige achtergrond.

Tot de oudst bekende horen de devotieprenten die Frederik Hendrik van Voorst maakte, toen hij nog katholiek was, omstreeks 1700. Gesneden of geschilderde afbeeldingen van de stalscène worden omgeven door een overvloed aan versieringslijsten met bloemen, vruchten en beesten in Lodewijk XIVstijl. Hij gebruikte bijna uitsluitend velijn of kalfsperkament, geen papier. Zijn stukken passen in de golf van “santjes” en kantknipsels die in Duitsland en in de Zuidelijke Nederlanden gemaakt werden tijdens de Contra-Reformatie.

De protestanten in het noorden hadden meer aandacht voor de verhalen uit het oude testament en de apocriefe boeken van de bijbel en daarom zijn er in ons land ook niet zo veel kerstafbeeldingen. Die tendens zal wel mede veroorzaakt zijn door de overvloed aan katholieke afbeeldingen van Maria.

afb 4

Toch is het kerstverhaal inspirerend genoeg geweest. Pieter Reijnders beeldde de vlucht naar Egypte af, geheel in (katholieke?) traditie met ezel en stralenkransen (fig. 4). Hij werkte altijd met nat gemaakt papier waarin hij reliëf aanbracht ter verlevendiging.

 

 

 

afb 1

Primitiever van afbeelding is het Groningse knipsel uit de 19e eeuw met hetzelfde onderwerp (fig. 1). De aureolen missen hier.

 

 

 

 

 

afb 3

Nog veel primitiever drukte zich in dezelfde tijd een onbekende (Noordhollandse?) knipper uit. Vader Jozef heeft hier geen stok, terwijl het kind een gigantisch aureool draagt. Ook in zijn stalscène is die enorm, het hele kind trouwens. Ook de herders zijn woeste knapen. Maria is kennelijk niet heilig genoeg voor een stralenkrans (fig. 2).

 

 

afb. 4

Dat was ze voor Jan de Prentenknipper uit Zeeland ook niet (fig. 3), hoewel die, zelf hervormd, hele nauwe relaties met katholieken had (daarover in een volgend bericht). Het is het enige prentje met kerst als onderwerp, dat van Jan bewaard is met de titel “Het Ligt der Wereld toonde hij te weten wie centraal staat in het verhaal en waar de geboorte toe diende.

 

 

 

 

Schuiven we nog eens een eeuw op, dan is een “Hoeder met Kind” door Evert Root de moeite van het afbeelden waard. Hoewel Root, net als zijn voorgangers een selfmade kunstenaar was, valt zijn stijl en symboliek op. Geen romantiek maar in de schaduw een verwijzing naar het lot van de jonggeborene (fig. 5).

afb 5

Het opvallende is, dat al die “kerstprenten’ geen relatie hadden met onze knusse kerstsfeer. Ze werden ook niet speciaal voor die gelegenheid gemaakt, maar bepaalden de bezitters HET HELE JAAR door bij de verlossende komst van de Heer bij de eenvoudigen en bij Zijn vlucht voor de machtigen.
Zal onze boodschap aan vrienden en magen dit jaar geknipt zijn voor Kerst, óf  … zo opvallend uitvallen, dat die ook het hele jaar blijft hangen?

Een zalig en gelukkig Kerstfeest gewenst.
Joke en Jan Peter Verhave

De dokter is verknipt, Knip-Pers 1983-4

Dit artikel is ingehaald door nieuw onderzoek. In 2008 staat in Geknipt! op pag. 202: ‘Er is geen aanwijzing gevonden dat het dokter Schroeder van der Kolk was die de knipsels gemaakt heeft, waarin zijn naam verwerkt is’. Meer informatie in Onbekend en Ontroerend Erfgoed, 2017 pag. 85-87 en Knip-Pers 2020-2.

In het Utrechts Universiteitsmuseum houdt men de gedachtenis in ere van de bekende Rector magnificus, hoogleraar in anatomie en fysiologie en pleitbezorger voor een betere krankzinnigenzorg, J.L.C. Schroeder van der Kolk (1797-1862). Toen men in 1961 enkele papierknipsels van zijn hand kon verwerven, bleek dat hij een tot dan toe onbekende hobby had gehad. Maar zijn kleindochter zocht tevergeefs in de familiepapieren naar andere sporen van zijn knipwerk en sindsdien heeft niemand aandacht aan zijn knipsels geschonken.

afb. 1

Op 14 maart 1797 werd hij geboren als Jacobus Ludovikus Conradus van der Kolk te Leeuwarden. Daar was zijn vader arts, maar die werd in 1802 benoemd tot gemeentesecretaris van de “grietenij” Hennaarderadeel, in diens geboortedorp Wommels. Zijn moeders familie had in Duitsland o.a. de beroemde dichter en silhouetknipper Goethe voortgebracht en in Groningen waren ze zó voornaam, dat – toen de familienaam dreigde uit te sterven- hij in 1805 de naam Schroeder voor zijn eigen naam gezet kreeg. Zijn ouders scheidden echter en J.L.C. werd opgevoed door zijn vader, die hem ook leerde lezen, schrijven, rekenen en frans spreken. De jongeheer Schroeder van der Kolk woonde in de jaren 1810-1812 bij dominee Koning te Dronrijp in buis, die hem latijn en grieks leerde. Favoriet was voor hem het in die tijd beroemde boek “Katechismus der Natuur” van ds J.P. Martinet en hij vatte daardoor liefde op voor alles wat leeft
Uit die tijd stamt een wat onbeholpen knipsel met een hart, zijn naam J.L.C.S. van der Kolk out 15 jaar, een altaar met twee brandende harten en de toen zo traditionele bazuinengelen of famen (afb. 1). In 1815 vertrok hij naar Groningen om te studeren, aanvankelijk in de natuur-, schei-, plant- en dierkunde en vanaf 1817 in de geneeskunde. In 1820 studeerde hij af met een examen voor praktisch geneesheer en een promotie tot medieinae doctor.

In 1817 maakte hij een knipsel “Koffywinkel”, dat een kijkje geeft in de winkel, een in aanbouw zijnd huis en een koffiedrinkend heer met twee tollende kinderen. Er omheen overdadig versierde randen met famen, namen, herten, jagers, vogels en tulpachtige bloemen.

afb. 2, de Koffywinkel

De jonge doctor vestigde zich in Hoorn, maar bleef daar slechts één jaar, want in 1821 volgde zijn benoeming als geneesheer aan het Buitengasthuis te Amsterdam. Dit “Pesthuis” lag buiten de veste aan de Overtoomse weg, had een krankzinnigenafdeling en kreeg het uitschot en de besmettelijke zieken van binnen de stad ter verpleging.
Het was er goor en ongezond, maar Schroeder van der Kolk slaagde erin als “inwonend geneesheer” veel veranderingen aan te brengen en de verzorging van ongelukkige patiënten te verbeteren. In 1824 kreeg hij er een uit gebreide burgerpraktijk bij in de stad en hij verliet in 1826 het Buitengasthuis. De vrijgezelle dokter is na zijn studententijd blijven knippen.

afb. 3, Mr. Smit en Slootenmaker

In 1823 maakte hij een afbeelding van het bedrijf van de “Mr.Smit en Slootemaker’ (afb. 3) en in het jaar erop een “Mr Timmerman”. Beide Amsterdamse knipsels, waarvan het eerste hierbij is afgedrukt, zijn zeer ver want aan zijn Groningse “Koffywinkel” en geven een kijkje in de ambachtelijke bedrijvigheid. Vermoedelijk in dezelfde periode heeft hij drie ongedateerde knipsels gemaakt; één daarvan beeldt een landelijk tafereel uit, draagt zijn initialen en “Md. doct.” (afb. 4)

afb. 4, Med. Doct.

Een ander geeft een kade en een zeeschip onder zeil weer en een derde een binnenwater met een trekschuit.

Behalve het knipsel uit zijn kinderjaren, hebben de andere van Schroeder van der Kolk’s bekende werkstukken allemaal eenzelfde Biedermeier stijl en traditioneel Nederlandse wijze van randversiering met tulpen, langstaartige vogels, een vaas waar het siergewas uitkomt en jagertjes en famen. Zijn manier van knippen verraadt geen lokale invloed, maar we weten dat het knippen in de noordelijke provincies en in West-Friesland veel werd beoefend door mensen van aller stand. Ook in zijn aandacht voor de handwerksman en het gewone leven was hij iemand van zijn tijd.

afb. 4, schip met tuigage

Intussen had Schroeder van der Kolk door zijn publicaties over de verpleging van krankzinnigen en over zijn studies van secties op overledenen bekendheid gekregen en werd op 29-jarige leeftijd benoemd als hoogleraar in de anatomie te Utrecht. In de periode die volgde, bevorderde hij het microscopisch en het dierexperimenteel onderzoek in de geneeskunde en schreef psychische stoornissen toe aan hersenafwijkingen. Hij bracht verbetering aan in de verpleging van krankzinnigen en door zijn toedoen kwam in 1841 de krankzinnigenwet tot stand. Hij wordt beschouwd als de eerste grote psychiater in ons land.

afb. 6, trekschuit

In 1830 trouwde hij en in 1835 voor de tweede maal. Uit die twee huwelijken kreeg hij zeven kinderen. Hij had een gelukkig huiselijk leven, was gemoedelijk en optimistisch, had veel vrienden en een kinderlijk gevoel voor het goede in de natuur. Ook de muziek, dicht- en schilderkunst konden hem enthousiast maken. Op 1 mei 1862 overleed hij.

Uit zijn Utrechtse professorale periode zijn geen knipsels bekend, maar wie weet heeft hij zijn kinderen, klein kinderen of patiënten kunnen boeien met papier en zijn beeldende schaar.

Joke en Jan Peter Verhave

Literatuur:
van der Esch, “J.L.C.Schroeder van der Kolk, 1797—1362 Leven en Werken”, Proefschrift Universiteit Amsterdam 1954.
J.& J.P.Verhave, “Schaarkunst”, Uitg. Nederlands Openluchtmuseum Arnhem en Terra Zutphen, 1983.

Een Schaar van Engelen, Knip-Pers 1984-2

fragment, 22 x 28 cm

Engelen zijn geen wezens, die we dagelijks om ons heen zien zweven. Met Kerst duiken ze op in het verhaal en de versiering; door het jaar heen zien we ze hoogstens in een poëziealbum. Verder zijn ze schaars; voor hemelse boodschappers hebben wij oog en oor verloren. Maar ik heb nu ervaren, dat in het . Gorkumse museum “Dit is in Bethlehem” toch een “engelenschaar” aanwezig is: de beschermengelen van het museum. Zo noemen ze zichzelf niet – geef ze eens ongelijk, het is té zweverig – ze noemen zich Beheerscommissie, maar het zijn Engelbewaarders die de Arnhemse knipsels enkele maanden op een voortreffelijke manier hebben geëxposeerd.

afb. 1, Joke Verhave, 42 x 26 cm

Twee engelen staan er op het knipsel dat ik voor het museum gemaakt heb. Toch is het een hele schaar en waar verwacht je die anders dan in Bethlehem. De oude gevel gaf mogelijkheid om er een symmetrisch hemelgewelf boven te maken en zo is het geheel toch typisch Nederlands. Overigens zal een kritische kijker opmerken dat de afgebeelde bovenaardse wezens geen engelen zijn, maar FANEN. Engelen zijn altijd als mannen afgebeeld, famen zijn de godinnen van het gerucht, zij bazuinen de naam en faam van helden uit. (afb 1)

In de 18e eeuw zien we een herleving van de belangstelling voor de Grieken en de Romeinen. Dit wordt ook tot uiting gebracht in de keuze van de onderwerpen in prent- en schilderkunst, de klassieke vazen en figuren in alle mogelijke ornamenten en ook in de knipsels. Er treedt bovendien een vermenging op van Bijbelse en klassieke onderwerpen en zo zien we cherubjes (vliegende hoofdjes) en putti (vliegende kindertjes). Als ik de Nederlandse knipprenten inschat, dan komen engelen het meest voor op liefdes- en huwelijksprenten. Vaak dragen ze de huwelijkskroon of houden ze de liefdeskoorden vast, hebben ze als Amor een bos pijlen en wel of geen vleugels [1]. Meestal zweven ze, wat verwachten we anders van engelen. Behalve in het knipsel van Jongejan [2], de Ladder Jacobs, zijn vijf engelen geknipt die op een ladder naar de hemel klimmen. Of engelen niet zouden kunnen vliegen!

Een eigenschap van engelen zou zijn GEDULD,we spreken immers van “engelengeduld”. Deze eigenschap is zeker van toepassing op papierknippers. Overigens wordt ook wel gezegd “het papier is geduldig”. Ik laat een paar knippers de revue passeren: Aan het eind van de l7de eeuw wordt Janneke Koerten beschreven als godin of schaarminerve – engelachtiger kan haast niet.

Arie ter Gant, de timmermansknecht uit Nieuwe Niedorp, een beroepsknipper, knipt heel de gelijke famen. Vrouwen, echte vrouwen met knotten in de nek. Ik denk dat hij zulke vrouwen om zich heen zag. Voor Arie, die vrijgezel was, waren dat misschien zijn prototypen van engelen (zie afbeelding bovenaan dit artikel).

afb. 2, fragment 19 x 36 cm

Jan van Zeeland daarentegen maakte van de famen stoere mannen. Volgens de verhalen was Jan van Zeeland mank of kreupel, “; vandaar misschien die potige engelen? Ook het recht beeldde hij als engel af. [6]

Uit de 18e eeuw wijs ik op H. van Winter ( afb 2) van Voorst, omdat zij veel motieven uitbeeldden uit de Klassieken, ook famen en putti. In de huwelijksstukken van David van Freney lijken de engelen wel op gevleugelde leeuwen. Het engelenhaar lijkt op leeuwemanen. [3]

afb. 3, afmetingen niet bekend

Dr. Schroeder van de Kolk – en dan zijn we al in de 19e eeuw – laat ons echte famen zien [4] Je vraagt je echter af wat ze eigenlijk uitbazuinen, ze staan er haast alleen als ornament in de rand. (afb 3)

In het algemeen gaat in de 19e eeuw de gewone man de schaar hanteren of om rond mijn thema te blijven het worden AARDSengelen.

In onze eeuw lijken de famen bijna uit gestorven en blijven de Bijbelse engelen over. Jan Visscher uit Urk beeldde onder andere de wrekende engel af, die Adam en Eva uit het Paradijs dreef. [6]

Echte voorbeelden van engelenknippers zou ik verder niet weten in de twintigste eeuw, behalve dat menigeen zich rond Kerst een engeltje knipt!

Wel vind ik het heel verheugend, dat in deze tijd een aantal mensen zich inspant of ingespannen heeft om de waarde van de papierknipkunst uit te bazuinen. Dát zijn onze Famen of reddende engelen. Elk van hen verzamelde rond zich een rei van leerlingengelen, die zich nu bijeengeschaard hebben tot onze vereniging. Allemaal met een knip voor de neus. ln heel Europa een unieke situatie en ook een vruchtbare ontwikkeling. Tussen haakjes, ik geloot nu dat mijn biologische opleiding tekort is geschoten: zouden engelen echt vruchtbaar kunnen zijn? (afb. 4)

afb. 4

Mocht het engelen knippen weer in zwang (!) komen, stellig zullen het dan engelinnen worden, gezien het grote aantal vrouwelijke knippers dat er nu in Nederland is. ‘t Zij vrouwelijk of mannelijk, ik hoop dat we met het knippen ook een boodschap kunnen overbrengen aan andere mensen, die het fijn vinden om iets van onze schaar te bezitten en er met plezier naar kijken.
Zo kijk ik ook nog steeds naar de oude knipsels en vang er een blijde boodschap uit op die mij steeds weer inspireert. Dat bazuin ik graag uit!

Joke. Verhave.

[1] ‘schaarkunst”, blz 24, 34, 107, 109 e.a.
[2] “Schaarkunst’, blz 105, afb. 112
[3] “Schaarkunst”, blz 89, afb. 69
[4] “Schaarkunst”, blz 15, afb. 9
[5] “Schaarkunst”, blz 108, afb. 119 en 121
[6] “Schaarkunst”, blz 21, afb 15 en ook blz 27, afb. 20