Auteursarchief: admin

Koopman – knipper – kunstenaar, Knip-Pers 1986-4

afb. 1

Voorjaar 1984 werden we gebeld door iemand die vroeg om pagina 104 van “Schaarkunst”*) eens op te slaan. Afbeelding 111 stelt een grote, prachtig ver sierde Calvarieprent voor van een onbekende maker omstreeks 1840. De meneer die opbelde, vertelde met enthousiasme dat hij wist wie de maker was: zijn voorvader Jan Joseph Jöbsis uit Nijmegen.
Voortvarend werden nadere contacten gelegd en na korte tijd gleed er een levensbeschrijving van de knipper onze brievenbus in, gemaakt door achterkleinzoon, Ir. Gerrit Jöbsis uit Driebergen.
Zelf bezat hij drie knipsels van zijn voorvader en hij had bij zijn verre familie navraag gedaan. Dat leverde er nóg drie op. Het zijn deels bijbelse knipsels, deels tafereeltjes uit het gewone leven.

Intussen werd in het archief van het Openluchtmuseun een brief uit 1946 opgedoken, waaruit bleek dat een Rotterdamse dominee het bovengenoemde knipsel van een gemeentelid had gekregen, die er het volgende bij schreef: “Werk van mijn Moeders Vader, Jöbsis, Duitser, die met dit werk zijn brood verdiende, langs de huizen ging”. Kennelijk hebben de erven van de dominee het laten veilen bij Mak van Waay; het Nederlands Openluchtmuseum (NOM) werd in 1967 de bezitter.

afb. 2

Wie was deze Jöbsis? We vatten de levensbeschrijving samen.
Jan Joseph is in 1803 te Vaals geboren uit een lutherse moeder en een Katholieke vader, die in 1806 in Franse krijgsdienst vertrok en niet terugkeerde. Jan werd wever, maar toen de fabriek failliet ging in 1827, meldde hij zich in Maastricht bij de Infanterie. Hij maakte de Tiendaagse veldtocht mee en werd in Nijmegen in garnizoen geplaatst, onder sergeant-majoor van Tuyll.
In 1833 volgde eervol ontslag en een metalen kruis.

Intussen had Jan de dochter van de sergeant leren kennen. Ze werd zwanger en schonk hem in 1832 een dochter. Een zoon werd in 1935 geboren, maar de ouders waren nog steeds niet getrouwd wegens gebrek aan familiepapieren! Na de oorlogshandelingen trouwden ze in Vaals en van Rooms Katholiek werd Jan Hervormd. Terug in Nijmegen leden ze een armoedig en moeizaam bestaan met een winkeltje “Van Sinkel”. In 1838 werd nog een zoon geboren en in 1855 overleed Jan.

Alle tot nu toe bekende knipsels zijn in, of komen uit het bezit van de drie kinderen van Jan Joseph. Er is een serie van vier, met de Evangelisten als onderwerp. De knipsels lijken erg op elkaar en hebben in een centraal medaillon één van de schrijvende volgelingen van Jezus, elk met zijn symboolgestalte waarmee de geschiedenis ze heeft opgezadeld:

Bij Mattheus een mens of een engel, bij Marcus een leeuw, Lucas een stier en Johannes een adelaar. Zo zijn ze door de eeuwen heen afgebeeld, volgende de visioenen van Ezechiel (hoofdstuk 1:5)  en Johannes (Openbaring/Apokalys hoofdstuk 4:7).
En ook Jöbsis stond in die traditie.

De knipsels meten ongeveer 21 x 16 cm en bevatten elk een tekst uit het betreffende evangelie, met aanduiding van het aantal hoofdstukken. De tekst van Mattheus is heel wonderlijk afgebroken, alsof de knipper dacht: de rest ken je toch wel…

Helaas is het Johannes-knipsel in de oorlog verloren gegaan, maar uit de drie andere en het NOM-knipsel valt met zekerheid te besluiten dat Jöbsis protestants was. Toch heeft hij niet letterlijk uit de toen gangbare bijbelvertalingen geciteerd. Dit verraadt, samen met de meer katholieke symboliek van de “arma Christi”, de lijdenswerktuigen rond het kruis, een brede religieuze en culturele openheid. Het is leuk om die kerkelijke veelkleurigheid ook in de archieven terug te vinden!

afb. 3

De drie niet-religieuze knipsels stellen Biedemeier-achtige tafereeltjes voor met een houthakker en een hert, een tuin met theekoepeletje en schommel, een landelijke scène. Jöbsis heeft zich hier vooral uitgeleefd in de bomen, die hij prachtig stileerde. Hoewel ze op verschillende plaatsen in de knipsels staan, zijn sommige dubbel geknipt; andere zijn per stuk dubbelgevouwen geknipt. De mensen en dieren steken er wat stijfjes bij af.

Jöbsis moet een begaafd man geweest zijn, die in zijn tijd vooral in het ornamentale knipwerk tot de besten van ons land gerekend kan worden. Als hij inderdaad ook knipsels verkocht heeft, zoals een kleinkind schreef, hopen we er rond Nijmegen nog eens enkele te ontdekken!

Achterkleinzoon Gerrit Jöbsis heeft met gedrevenheid in korte tijd veel archiefgegevens verzameld en de familiestukken laten restaureren. Hij zou pas rust hebben, als het karwei af was. Veel meer vertelde hij niet maar we begrepen het, toen op 1 augustus 1984 zijn overlijdensbericht kwam…

Het was een stukje van zijn goed strijd om de bijzonderheden van zijn voorgeslacht door te geven aan zijn nageslacht en aan andere, die hij er ook bij mee kon maken.

Joke en Jan Peter Verhave

* “Schaarkunst”, door Joke en Jan Peter Verhave, is een  in 1983 verschenen uitgave van het Nederlands Openluchtmuseum.

Om de dis geschaard, Knip-Pers 1984-1

In het catalogusgedeelte van het boekje “Schaarkunst’ staan onder de nummers 64 en 69 twee bij elkaar horende knipsels afgebeeld. Zij zijn gemaakt voor Mejuffrouw Bruyd Elisabeth Storm en de Heer bruydegom Johannes Pijl, ter gelegenheid van hun huwelijk. De vermoedelijke maker David van Freney heeft ze tegelijk gesneden. Dit kunnen we zien aan het kerfwerk dat in het ene snijdsel duidelijker is dan in het andere.

afb. 1

Van dezelfde hand zijn de hierna afgebeelde snijdseltjes, voor én Bruid en Bruidegom gemaakt. Deze woorden zijn op een achtergeplakt strookje papier geschreven.
Zij zijn eenvoudiger van motief, een huwelijkskroon, geflankeerd door twee cupido’s, die trouwens bij David van Freney haast op leeuwen lijken. Dit alles op een versierd hart.
Ook deze snijdsels zijn tegelijk gemaakt, waarbij – gezien het kerfwerk – dat van de bruid bovenop heeft gelegen.

Wat ons intrigeert is, welke functie dergelijke knipsels hadden. Welk onderdeel van de bruiloftsversiering waren ze? Hingen ze aan de wand, misschien boven de stoel van Bruid en Bruidegom? Of gaven ze de plaats van het bruidspaar aan gedurende de huwelijksmaaltijd?

Ook uit de verzameling van het Leeuwarder Museum “Princessehof” kennen we dergelijke snijdsels. Het betreft hier zeven werkstukjes (10 x 15 cm); vier daarvan dragen de naam Abraham Heems, bij de overige drie hoort een knipsel met de naam Johanna van Dalen, zowel knipsel als lettertype zijn overeenkomstig. De vierde Johanna van Dalen is kennelijk verloren.

Eén paar duidt op een verbintenis tussen Abraham en Johanna: er komen ineengeslagen handen, brandende harten en een huwelijkskroon op voor. Mogelijk is dat gemaakt ter gelegenheid van hun huwelijksfeest.

afb. 2, Abraham Heems, 10 x 15 cm

Maar ook de andere cartouches zijn rijk geornamenteerd met bloemen en ranken. Als we ze goed bekijken zijn ze van de hand van Hendrik van Winter (zie Schaarkunst blz 59), die óf van het echtpaar verscheidene opdrachten heeft gehad óf verschillende op proef heeft gemaakt. Waarvoor deze knipsels hebben gediend blijft gissen. Wij houden het voorlopig op “naambordjes” als plaatsaanwijzing tijdens diners.

Het vermoeden dat er bij particulier en museum in verloren hoekjes nog knipwerk moet zijn, werd onlangs weer bevestigd.

De vereniging Oud Gorinchem bereidt een tentoonstelling voor over de geschiedenis van de Papierknipkunst in Nederland en hun eigen collectie bleek ook knipwerk te bevatten. Onder andere een grote serie fragiele knipseltjes (± 6 x 4 cm). Eenvoudig, ornamenteel met een open ruimte, waarachter een wit papiertje is geplakt met een naam erop geschreven. De meeste zijn uit goudpapier, vermoedelijk gemaakt in de tweede helft van de 18e eeuw en kennelijk voor een Gorkumse familie. Bij welke gelegenheid en wanneer precies, zou genealogisch onderzoek kunnen uitwijzen.

Maar opnieuw de vraag: hoe functioneerden ze? Lagen ze naast het bord bij een diner? Waarom dan niet uitgedeeld aan de gasten? Heeft een enthousiaste knipper op deze manier een “album amicorum” of receptiealbum aangelegd?

We vragen de lezers van de “Knip-Pers”: Bent u iets dergelijks wel eens tegen gekomen? Weet u iets van het gebruik?

Wij zijn benieuwd,
Jan Peter en Joke Verhave

Kerstknipsels van vroeger en heel vroeger, Knip-Pers 1985-4

Het Kerstverhaal is in het westerse christendom een populair gegeven om af te beelden. Ook knippers zijn geinspireerd geweest door de verschillende details, die Mattheus en Lucas hebben opgeschreven in hun Evangeliën: de aankondiging aan Maria door de Engel, de geboorte in de stal, de boodschap van de engelen aan de herders, de drie wijze koningen en de vlucht voor Herodes naar Egypte. Ieder deed dat naar de mode van de tijd, eigen kunstzinnigheid en godsdienstige achtergrond.

Tot de oudst bekende horen de devotieprenten die Frederik Hendrik van Voorst maakte, toen hij nog katholiek was, omstreeks 1700. Gesneden of geschilderde afbeeldingen van de stalscène worden omgeven door een overvloed aan versieringslijsten met bloemen, vruchten en beesten in Lodewijk XIVstijl. Hij gebruikte bijna uitsluitend velijn of kalfsperkament, geen papier. Zijn stukken passen in de golf van “santjes” en kantknipsels die in Duitsland en in de Zuidelijke Nederlanden gemaakt werden tijdens de Contra-Reformatie.

De protestanten in het noorden hadden meer aandacht voor de verhalen uit het oude testament en de apocriefe boeken van de bijbel en daarom zijn er in ons land ook niet zo veel kerstafbeeldingen. Die tendens zal wel mede veroorzaakt zijn door de overvloed aan katholieke afbeeldingen van Maria.

afb 4

Toch is het kerstverhaal inspirerend genoeg geweest. Pieter Reijnders beeldde de vlucht naar Egypte af, geheel in (katholieke?) traditie met ezel en stralenkransen (fig. 4). Hij werkte altijd met nat gemaakt papier waarin hij reliëf aanbracht ter verlevendiging.

 

 

 

afb 1

Primitiever van afbeelding is het Groningse knipsel uit de 19e eeuw met hetzelfde onderwerp (fig. 1). De aureolen missen hier.

 

 

 

 

 

afb 3

Nog veel primitiever drukte zich in dezelfde tijd een onbekende (Noordhollandse?) knipper uit. Vader Jozef heeft hier geen stok, terwijl het kind een gigantisch aureool draagt. Ook in zijn stalscène is die enorm, het hele kind trouwens. Ook de herders zijn woeste knapen. Maria is kennelijk niet heilig genoeg voor een stralenkrans (fig. 2).

 

 

afb. 4

Dat was ze voor Jan de Prentenknipper uit Zeeland ook niet (fig. 3), hoewel die, zelf hervormd, hele nauwe relaties met katholieken had (daarover in een volgend bericht). Het is het enige prentje met kerst als onderwerp, dat van Jan bewaard is met de titel “Het Ligt der Wereld toonde hij te weten wie centraal staat in het verhaal en waar de geboorte toe diende.

 

 

 

 

Schuiven we nog eens een eeuw op, dan is een “Hoeder met Kind” door Evert Root de moeite van het afbeelden waard. Hoewel Root, net als zijn voorgangers een selfmade kunstenaar was, valt zijn stijl en symboliek op. Geen romantiek maar in de schaduw een verwijzing naar het lot van de jonggeborene (fig. 5).

afb 5

Het opvallende is, dat al die “kerstprenten’ geen relatie hadden met onze knusse kerstsfeer. Ze werden ook niet speciaal voor die gelegenheid gemaakt, maar bepaalden de bezitters HET HELE JAAR door bij de verlossende komst van de Heer bij de eenvoudigen en bij Zijn vlucht voor de machtigen.
Zal onze boodschap aan vrienden en magen dit jaar geknipt zijn voor Kerst, óf  … zo opvallend uitvallen, dat die ook het hele jaar blijft hangen?

Een zalig en gelukkig Kerstfeest gewenst.
Joke en Jan Peter Verhave

De dokter is verknipt, Knip-Pers 1983-4

Dit artikel is ingehaald door nieuw onderzoek. In 2008 staat in Geknipt! op pag. 202: ‘Er is geen aanwijzing gevonden dat het dokter Schroeder van der Kolk was die de knipsels gemaakt heeft, waarin zijn naam verwerkt is’. Meer informatie in Onbekend en Ontroerend Erfgoed, 2017 pag. 85-87 en Knip-Pers 2020-2.

In het Utrechts Universiteitsmuseum houdt men de gedachtenis in ere van de bekende Rector magnificus, hoogleraar in anatomie en fysiologie en pleitbezorger voor een betere krankzinnigenzorg, J.L.C. Schroeder van der Kolk (1797-1862). Toen men in 1961 enkele papierknipsels van zijn hand kon verwerven, bleek dat hij een tot dan toe onbekende hobby had gehad. Maar zijn kleindochter zocht tevergeefs in de familiepapieren naar andere sporen van zijn knipwerk en sindsdien heeft niemand aandacht aan zijn knipsels geschonken.

afb. 1

Op 14 maart 1797 werd hij geboren als Jacobus Ludovikus Conradus van der Kolk te Leeuwarden. Daar was zijn vader arts, maar die werd in 1802 benoemd tot gemeentesecretaris van de “grietenij” Hennaarderadeel, in diens geboortedorp Wommels. Zijn moeders familie had in Duitsland o.a. de beroemde dichter en silhouetknipper Goethe voortgebracht en in Groningen waren ze zó voornaam, dat – toen de familienaam dreigde uit te sterven- hij in 1805 de naam Schroeder voor zijn eigen naam gezet kreeg. Zijn ouders scheidden echter en J.L.C. werd opgevoed door zijn vader, die hem ook leerde lezen, schrijven, rekenen en frans spreken. De jongeheer Schroeder van der Kolk woonde in de jaren 1810-1812 bij dominee Koning te Dronrijp in buis, die hem latijn en grieks leerde. Favoriet was voor hem het in die tijd beroemde boek “Katechismus der Natuur” van ds J.P. Martinet en hij vatte daardoor liefde op voor alles wat leeft
Uit die tijd stamt een wat onbeholpen knipsel met een hart, zijn naam J.L.C.S. van der Kolk out 15 jaar, een altaar met twee brandende harten en de toen zo traditionele bazuinengelen of famen (afb. 1). In 1815 vertrok hij naar Groningen om te studeren, aanvankelijk in de natuur-, schei-, plant- en dierkunde en vanaf 1817 in de geneeskunde. In 1820 studeerde hij af met een examen voor praktisch geneesheer en een promotie tot medieinae doctor.

In 1817 maakte hij een knipsel “Koffywinkel”, dat een kijkje geeft in de winkel, een in aanbouw zijnd huis en een koffiedrinkend heer met twee tollende kinderen. Er omheen overdadig versierde randen met famen, namen, herten, jagers, vogels en tulpachtige bloemen.

afb. 2, de Koffywinkel

De jonge doctor vestigde zich in Hoorn, maar bleef daar slechts één jaar, want in 1821 volgde zijn benoeming als geneesheer aan het Buitengasthuis te Amsterdam. Dit “Pesthuis” lag buiten de veste aan de Overtoomse weg, had een krankzinnigenafdeling en kreeg het uitschot en de besmettelijke zieken van binnen de stad ter verpleging.
Het was er goor en ongezond, maar Schroeder van der Kolk slaagde erin als “inwonend geneesheer” veel veranderingen aan te brengen en de verzorging van ongelukkige patiënten te verbeteren. In 1824 kreeg hij er een uit gebreide burgerpraktijk bij in de stad en hij verliet in 1826 het Buitengasthuis. De vrijgezelle dokter is na zijn studententijd blijven knippen.

afb. 3, Mr. Smit en Slootenmaker

In 1823 maakte hij een afbeelding van het bedrijf van de “Mr.Smit en Slootemaker’ (afb. 3) en in het jaar erop een “Mr Timmerman”. Beide Amsterdamse knipsels, waarvan het eerste hierbij is afgedrukt, zijn zeer ver want aan zijn Groningse “Koffywinkel” en geven een kijkje in de ambachtelijke bedrijvigheid. Vermoedelijk in dezelfde periode heeft hij drie ongedateerde knipsels gemaakt; één daarvan beeldt een landelijk tafereel uit, draagt zijn initialen en “Md. doct.” (afb. 4)

afb. 4, Med. Doct.

Een ander geeft een kade en een zeeschip onder zeil weer en een derde een binnenwater met een trekschuit.

Behalve het knipsel uit zijn kinderjaren, hebben de andere van Schroeder van der Kolk’s bekende werkstukken allemaal eenzelfde Biedermeier stijl en traditioneel Nederlandse wijze van randversiering met tulpen, langstaartige vogels, een vaas waar het siergewas uitkomt en jagertjes en famen. Zijn manier van knippen verraadt geen lokale invloed, maar we weten dat het knippen in de noordelijke provincies en in West-Friesland veel werd beoefend door mensen van aller stand. Ook in zijn aandacht voor de handwerksman en het gewone leven was hij iemand van zijn tijd.

afb. 4, schip met tuigage

Intussen had Schroeder van der Kolk door zijn publicaties over de verpleging van krankzinnigen en over zijn studies van secties op overledenen bekendheid gekregen en werd op 29-jarige leeftijd benoemd als hoogleraar in de anatomie te Utrecht. In de periode die volgde, bevorderde hij het microscopisch en het dierexperimenteel onderzoek in de geneeskunde en schreef psychische stoornissen toe aan hersenafwijkingen. Hij bracht verbetering aan in de verpleging van krankzinnigen en door zijn toedoen kwam in 1841 de krankzinnigenwet tot stand. Hij wordt beschouwd als de eerste grote psychiater in ons land.

afb. 6, trekschuit

In 1830 trouwde hij en in 1835 voor de tweede maal. Uit die twee huwelijken kreeg hij zeven kinderen. Hij had een gelukkig huiselijk leven, was gemoedelijk en optimistisch, had veel vrienden en een kinderlijk gevoel voor het goede in de natuur. Ook de muziek, dicht- en schilderkunst konden hem enthousiast maken. Op 1 mei 1862 overleed hij.

Uit zijn Utrechtse professorale periode zijn geen knipsels bekend, maar wie weet heeft hij zijn kinderen, klein kinderen of patiënten kunnen boeien met papier en zijn beeldende schaar.

Joke en Jan Peter Verhave

Literatuur:
van der Esch, “J.L.C.Schroeder van der Kolk, 1797—1362 Leven en Werken”, Proefschrift Universiteit Amsterdam 1954.
J.& J.P.Verhave, “Schaarkunst”, Uitg. Nederlands Openluchtmuseum Arnhem en Terra Zutphen, 1983.

Een Schaar van Engelen, Knip-Pers 1984-2

fragment, 22 x 28 cm

Engelen zijn geen wezens, die we dagelijks om ons heen zien zweven. Met Kerst duiken ze op in het verhaal en de versiering; door het jaar heen zien we ze hoogstens in een poëziealbum. Verder zijn ze schaars; voor hemelse boodschappers hebben wij oog en oor verloren. Maar ik heb nu ervaren, dat in het . Gorkumse museum “Dit is in Bethlehem” toch een “engelenschaar” aanwezig is: de beschermengelen van het museum. Zo noemen ze zichzelf niet – geef ze eens ongelijk, het is té zweverig – ze noemen zich Beheerscommissie, maar het zijn Engelbewaarders die de Arnhemse knipsels enkele maanden op een voortreffelijke manier hebben geëxposeerd.

afb. 1, Joke Verhave, 42 x 26 cm

Twee engelen staan er op het knipsel dat ik voor het museum gemaakt heb. Toch is het een hele schaar en waar verwacht je die anders dan in Bethlehem. De oude gevel gaf mogelijkheid om er een symmetrisch hemelgewelf boven te maken en zo is het geheel toch typisch Nederlands. Overigens zal een kritische kijker opmerken dat de afgebeelde bovenaardse wezens geen engelen zijn, maar FANEN. Engelen zijn altijd als mannen afgebeeld, famen zijn de godinnen van het gerucht, zij bazuinen de naam en faam van helden uit. (afb 1)

In de 18e eeuw zien we een herleving van de belangstelling voor de Grieken en de Romeinen. Dit wordt ook tot uiting gebracht in de keuze van de onderwerpen in prent- en schilderkunst, de klassieke vazen en figuren in alle mogelijke ornamenten en ook in de knipsels. Er treedt bovendien een vermenging op van Bijbelse en klassieke onderwerpen en zo zien we cherubjes (vliegende hoofdjes) en putti (vliegende kindertjes). Als ik de Nederlandse knipprenten inschat, dan komen engelen het meest voor op liefdes- en huwelijksprenten. Vaak dragen ze de huwelijkskroon of houden ze de liefdeskoorden vast, hebben ze als Amor een bos pijlen en wel of geen vleugels [1]. Meestal zweven ze, wat verwachten we anders van engelen. Behalve in het knipsel van Jongejan [2], de Ladder Jacobs, zijn vijf engelen geknipt die op een ladder naar de hemel klimmen. Of engelen niet zouden kunnen vliegen!

Een eigenschap van engelen zou zijn GEDULD,we spreken immers van “engelengeduld”. Deze eigenschap is zeker van toepassing op papierknippers. Overigens wordt ook wel gezegd “het papier is geduldig”. Ik laat een paar knippers de revue passeren: Aan het eind van de l7de eeuw wordt Janneke Koerten beschreven als godin of schaarminerve – engelachtiger kan haast niet.

Arie ter Gant, de timmermansknecht uit Nieuwe Niedorp, een beroepsknipper, knipt heel de gelijke famen. Vrouwen, echte vrouwen met knotten in de nek. Ik denk dat hij zulke vrouwen om zich heen zag. Voor Arie, die vrijgezel was, waren dat misschien zijn prototypen van engelen (zie afbeelding bovenaan dit artikel).

afb. 2, fragment 19 x 36 cm

Jan van Zeeland daarentegen maakte van de famen stoere mannen. Volgens de verhalen was Jan van Zeeland mank of kreupel, “; vandaar misschien die potige engelen? Ook het recht beeldde hij als engel af. [6]

Uit de 18e eeuw wijs ik op H. van Winter ( afb 2) van Voorst, omdat zij veel motieven uitbeeldden uit de Klassieken, ook famen en putti. In de huwelijksstukken van David van Freney lijken de engelen wel op gevleugelde leeuwen. Het engelenhaar lijkt op leeuwemanen. [3]

afb. 3, afmetingen niet bekend

Dr. Schroeder van de Kolk – en dan zijn we al in de 19e eeuw – laat ons echte famen zien [4] Je vraagt je echter af wat ze eigenlijk uitbazuinen, ze staan er haast alleen als ornament in de rand. (afb 3)

In het algemeen gaat in de 19e eeuw de gewone man de schaar hanteren of om rond mijn thema te blijven het worden AARDSengelen.

In onze eeuw lijken de famen bijna uit gestorven en blijven de Bijbelse engelen over. Jan Visscher uit Urk beeldde onder andere de wrekende engel af, die Adam en Eva uit het Paradijs dreef. [6]

Echte voorbeelden van engelenknippers zou ik verder niet weten in de twintigste eeuw, behalve dat menigeen zich rond Kerst een engeltje knipt!

Wel vind ik het heel verheugend, dat in deze tijd een aantal mensen zich inspant of ingespannen heeft om de waarde van de papierknipkunst uit te bazuinen. Dát zijn onze Famen of reddende engelen. Elk van hen verzamelde rond zich een rei van leerlingengelen, die zich nu bijeengeschaard hebben tot onze vereniging. Allemaal met een knip voor de neus. ln heel Europa een unieke situatie en ook een vruchtbare ontwikkeling. Tussen haakjes, ik geloot nu dat mijn biologische opleiding tekort is geschoten: zouden engelen echt vruchtbaar kunnen zijn? (afb. 4)

afb. 4

Mocht het engelen knippen weer in zwang (!) komen, stellig zullen het dan engelinnen worden, gezien het grote aantal vrouwelijke knippers dat er nu in Nederland is. ‘t Zij vrouwelijk of mannelijk, ik hoop dat we met het knippen ook een boodschap kunnen overbrengen aan andere mensen, die het fijn vinden om iets van onze schaar te bezitten en er met plezier naar kijken.
Zo kijk ik ook nog steeds naar de oude knipsels en vang er een blijde boodschap uit op die mij steeds weer inspireert. Dat bazuin ik graag uit!

Joke. Verhave.

[1] ‘schaarkunst”, blz 24, 34, 107, 109 e.a.
[2] “Schaarkunst’, blz 105, afb. 112
[3] “Schaarkunst”, blz 89, afb. 69
[4] “Schaarkunst”, blz 15, afb. 9
[5] “Schaarkunst”, blz 108, afb. 119 en 121
[6] “Schaarkunst”, blz 21, afb 15 en ook blz 27, afb. 20

Wie is Jantje III, Knip-Pers 1983-3

Om hier wat beter achter te komen zocht ik haar op.

Geen kleinigheid overigens, want de weg in de Tinga Molenbuurt in Sneek is moeilijk te vinden. Het uithangbord, met de vergulde schaar, bracht uitkomst en wees me de weg naar het knipdomein. Voor ik aanbelde kon ik nog even een blik werpen op het kruidentuintje met een volkskunstmotief van oud Friese gele steentjes rond een oud pompje. Was er geen uithangbord geweest, dan had ik hierin ook een bewijs van de goede weg gezien.

Na een hartelijke begroeting zag ik dat de gangdeuren, die toegang geven tot verschillende vertrekken, van knipsels waren voorzien die uitbeelden wat men er achter zou aantreffen. Bij het toilet mocht ik even om het hoekje kijken en zag daar tot mijn verbazing mooie knipsels hangen. “Waarom hangen die hier? Ruimtegebrek, of vind je dat men juist hier de tijd heeft alles rustig te bekijken?” Haar antwoord was: “Beide!”.

Onder het genot van een kopje koffie en (hoe kan het ook anders) echte Friese kruidkoek kon ik mij verlustigen in verschillende ontwerpen voor een kersttentoonstelling in het volgend jaar, ‘regeren is vooruitzien’ zou hier van toepassing kunnen zijn. Ook knipsels voor een dichterbij liggende tentoonstelling mocht ik zien. Knipsels en prenten die je vrolijk maken als je ernaar kijkt. Naast forse werken zag ik ook kleine, meerkleurige, fijn geknipte prentjes, geïnspireerd op oude devotiekunst. Bladerend in haar fotoboeken ontdekte ik dat er veel geknipt is in die twintig jaren en dat veel knipsels hun weg over onze grenzen hebben gevonden.

Zeer humoristisch vond ik de verschillende Huiszegens die in Vlaamse huizen hun thuis hebben gekregen. Op mijn vraag waarom we deze Huiszegens en de kleine devotieprentjes niet op tentoonstelling en zien was haar antwoord: “Ik houd ze graag voor mezelf, er wordt in de knipwereld al zoveel nagemaakt”.

Commercieel kunnen we mevrouw Janny de Jong niet noemen. Minstens vijf prenten waarvan ik de foto’s zag bleken weggegeven te zijn. “Ik heb ze aan mensen gegeven die ze mooi vonden. Ze hebben nu aan hun doel beantwoord”. Ook prenten waarvan afdrukken worden gemaakt voor een goed doel worden spontaan weggegeven. “Er is altijd wel een commissielid die er veel werk voor heeft verzet en het leuk vindt de originele prent te hebben”. Gelukkig houden familieleden een wakend oogje in het zeil, zodat ontwerpen die niet alleen specifiek Jantje III, maar ook ‘kunst’ zijn bewaard blijven.

Op mijn vraag of ze nog les geeft kreeg ik een bevestigend antwoord. Door het overlijden van een collega-medewerkster van het maandblad ‘Friesland Post’ heeft ze de open gevallen pagina in het jaar 1982 gevuld met een schriftelijke knipcursus (jaargang nog verkrijgbaar, tel. 05150-15611). Nu geeft ze weer mondeling les.

Natuurlijk wilde ik ook graag weten wat ze in al die jaren het fijnst heeft gevonden. Er volgde een ogenblik van stilte: “Om voor koningin Beatrix te mogen knippen vond ik een hele eer. Het fijnst was toch wel de prent en de menukaarten voor het trouwen van mijn dochter”. Het huis van mevrouw De Jong is ingericht met spullen die een volkskunstminnend mens bekoren: letterlappen, bakvormen, Fries aardewerk, enz. Knipprenten vormen daarvan een zeer klein onderdeel. Op mijn vraag “Vind je het niet jammer dat als een prent af is die de deur uitgaat? Je zou er best nog wat meer kunnen plaatsen” kreeg ik als antwoord: “Nee! Ik heb er reuze plezier in om bepaalde situaties waarin mensen kunnen verkeren, bepaalde gebeurtenissen, gevoelens of soms zomaar mooie vormen om te zetten in een knipprent. Kijken of me dat lukt. Als het af is, is het doel bereikt. Ik knip om te knippen, daarin heb ik plezier. Ik hoop dat ik dat mag behouden”. Hier kon ik alleen maar op antwoorden dat wij dat allemaal hopen en dat wij op tentoonstellingen wat meer van haar werk mogen zien. Want juist door het te zien kun je genieten van de schoonheid en delen in de humor. En je kunt kennismaken met een stukje volkskunst dat echt is. Terug in de auto reed ik over een hobbelig gedeelte, precies in de cadans van ‘Ik knip om te knippen, ik knip om te knippen”. Die zin bleef in mijn hoofd hangen, ook toen ik alweer op de snelweg was. Zou dat het misschien kunnen zijn, dat haar werk zo bekoorlijk maakt, de vreugde van het werken op zicht Een rijk mens die zo’n kunsthobby heeft, een rijk mens dus onze Jantje III.

G. Felkers van Meekeren

 

 

 

Knipwerk in albums, Knip-Pers 1983-3

Wat boeit mensen in papierknippen? Waarschijnlijk dat het zo fascinerend is, om door stukjes papier wég te halen een voorstelling, een ornament, een tekst te maken. Een bezigheid door velen wel beoefend in de kinderjaren; een rij poppetjes, een kleedje of een kerstkaart. Sommigen pakken de schaar op latere leeftijd op en maken een wenskaart of een cadeautje.

Vroeger, ik denk dan aan de 17de en 18de eeuw was papierknippen of -snijden een bezigheid voor de “gegoede burgerij”. Zij beschikten over papier! In 1686 geeft Johannes ten Hoorn, Boekverkoper, zelf “Lief-hebber der Sny-konst” een instructieboek uit voor de “Hollandsche Jufferen”. Anna Maria van Schurman en Johanna Koerten zijn de eerste ons bekende “Jufferen” die dit “Konstig en Vermaakelijk Tyd-verdrijf” bedreven hebben. En hoe! In het tweede hoofdstuk van dit boekje raadt de schrijver aan; “Eyndelijk men moet ook een blaau Boekje hebben gemaakt van Suyker Bakkers blaauw Papier, om daar in eenige gesneeden dingen te bewaaren: of eenige modellen in te leggen”

afb 1.De oudste Nederlandse knipwerkjes zijn van wit papier gemaakt. Dat was het papier dat voorhanden was. Gekleurd papier, zoals nu in alle soorten verkrijgbaar, was er niet. Het blauwe papier, dat gebruikt werd om linnengoed voor vergelen te behoeden, of om suikerkonen in te pakken, wordt bedoeld in boven genoemd “blaau boekje”. Ik weet haast zeker dat ook de huidige knippers een doos, een album met hun frutseltjes hebben. Op gezette tijden nemen ze het met plezier door en denken bij zichzelf: deze is beter gelukt dan die, dat bloemetje heb ik geknipt toen ik zo’n mooi boeketje had gekregen. . . “t Worden dierbare herinneringen aan de goede uren die je met de schaar en een stukje papier hebt kunnen doorbrengen.

In het Museum voor Knipkunst W.T. Lever te Westerbork wordt een verzameling “kleedjes” bewaard, die geknipt zijn door een patiënt uit de papiertjes die om zijn dagelijkse poeder zaten. Keurig bewaard in een sigarenkistje.

In het Openluchtmuseum in Arnhem zijn verscheidene “knipselalbums” of knipselverzamelingen. Ik noem er enkele:
Het album “Vockestaert”, 125 losliggende knipsels uit wit papier: harten, genrestukjes, kleine tafereeltjes. Alle knipsels door hem zelf genummerd. Hendrik Meichior Vockestaert, zoon van een bestuur der van de stad Delft, heeft in verscheidene knipsels een jaartal geknipt: 1807, 1809, 1810, 1811 en 1812. Dit blijkt zijn Gymnasiumperiode te zijn. Op latere leeftijd is mij geen knipwerk van hem bekend, wel gedichten!

afb 2.

Tachtig jaar later (1883) knipte de stads hortulanus van Rotterdam, Jacobus Verhoeve, een verzameling kleedjes, ca. 20 x 20 cm groot, en bewaarde ze (afb 2). Hij vouwde zijn papier meerdere malen, zijn knipsels zijn ornamenteel of bevatten natuurlijke motieven, vooral vogels en bladeren. Hij knipte uit dun gekleurd papier. Dat knippers zuinig zijn met papier laat ook Verhoeve zien, hij plakte zijn kleedjes namelijk op de achterkant van overtollig briefpapier. Ook heeft hij nog een speeltuin geknipt uit rouw-, trouw- en speelkaarten. Door de betreffende onderdelen in elkaar te schuiven is hier een ruimtelijke voorstelling gemaakt.

afb 3.

 

Naast boekjes met alleen knip- en snijwerk bevindt zich in het Nederlands Openluchtmuseum ook een boek dat knipwerk, découpage en tekeningen in een geknipte lijst bevat (afb 3).

 

Uit Noord-Holland afkomstig zijn nog een aantal kleinere boekjes in de Arnhemse collectie. Met eenvoudige kleedjes, harten, bloempotten en vlechtwerkjes uit gekleurd papier. Het afgebeelde hart is afkomstig uit een schildersrekeningenboek van Oudejans uit Alkmaar (afb 4).

afb 4.

Uit privébezit weet ik een klein “blauw boekje” met wit papieren knipsels uit de 18de eeuw. Ze stellen allerlei tafereeltjes voor: een kerk met processie, appelplukkers, jagers, herten, konijnen en vogels, alles heel fijn uitgesneden. Soms ook voorstellingen van exotische dieren zoals struisvogel en neushoorn. Kenmerkend zijn de fijn uitgewerkte bladeren van de bomen en je vraagt je af, waarom spaarde de maker zoveel knipwerkjes op? Was het voor eigen plezier of als voorraad om weg te geven of te verkopen?

afb 5.

In het Fries Museum te leeuwarden wordt een losbladig album bewaard met 130 knipseltjes, op iedere bladzijde één. Het zijn kleedjesachtige knipsels, ca. 10 x 15 cm groot, gemaakt uit wit papier (afb 5.) . De maker is Henrikus Wilhelmus Kuyper, geboren 4 april 1803 te Noordwolde, zoon van een predikant. Soms knipte hij de namen van de familieleden in een randje, een bloempot of een kleedje. De jaartallen die voorkomen liggen rond 1820.

afb 5., 10 x 15 cm

Waarom heeft een jongen van 17 jaar een knipvlaag? Verleidelijk is het om te denken aan een periode van ziekte of iets dergelijks. Het album geeft geen verklaring, ook bij het museum is niets over deze jongen bekend. We zullen in de archieven moeten duiken om meer te weten te komen! Maar dat geldt eigenlijk voor alle knippers.

Joke Verhave

Geknipte visitekaartjes, Knip-Pers 2017-4

In Nederland duiken zo nu en dan knipwerkjes op van Duitse herkomst. Vaak zijn dat zogenaamde stansen uit de jaren twintig van de vorige eeuw, machinaal uit papier gedrukte voorstellingen die oorspronkelijk geknipt waren.

Maar ook uit de negentiende eeuw komen we Duits (echt!) knipwerk tegen, o.a. van Karl Fröhlich en Wilhelm Müller. Die moeten wel uit Duitsland zijn meegenomen door reizigers.

afb 1.

Al eerder schreven we over Wilhelm Müller in de Knip-Pers van december 1990, maar de voorzitter van de Duitse Knippersvereniging, Antje Buchwald, heeft nog wat bijzonderheden over zijn leven kunnen vinden en daar ontlenen we graag een paar gegevens aan. De andere aanleiding voor dit artikel is dat wij een zelfportret van Müller konden kopen van een Nederlandse eigenaar, die het nota bene op de website van onze Vereniging had aangeboden (afb. 1).
De handtekening en de plaats Düsseldorf staan er onder, maar ook erin. Dat deed Müller veel vaker. Het was waarschijnlijk zijn manier om reclame te maken. Het brengt het aantal zelfportretten dat bekend is op zes; drie daarvan zijn in Nederlands bezit. Meestal zit hij op een stoel, het ene been over het andere en bezig met knippen van herten, soldaten, of boeren met een koe. Voor zijn voeten een bergje, of een vierkant blok, waarin zijn naam, woonplaats en meestal zijn adres zijn uitgesneden.

Wilhelm Müller was een tijdgenoot van Jan de Prentenknipper, maar had een heel andere stijl. Hij werd geboren in 1804 als zoon van een schoenmaker. Op school bleek de jongen goed te kunnen tekenen en thuis knipte hij met een leerschaar figuren uit allerlei papier. Hij verloor zijn ouders al vroeg en Willy moest hard werken in de schoenlapperswerkplaats aan de Krämerstrasse. Müller trok er ’s avonds op uit om zijn knipsels voor 5 of 10 Pfennig te verkopen in de kroegen van Düsseldorf. Soms kreeg hij een bord eten of een borrel voor een knipwerk. Een paar maanden heeft hij ook nog in een drukkerij gewerkt. Toen hij voldoende bekendheid had als ‘silhouetteur’, kon hij de schoenmakerij eraan geven.

afb 2.

Zijn adres in de zelfportretten was twee keer de Kurzestrasse 346 (bij het bovengenoemde zelfportret staat in oud-Duits schrijfschrift Kurzestrass; zelfs voor onze Duitse knipvrienden Haio en Gundel Zimmermann niet te ontcijferen, maar het stadsarchief Düsseldorf had de oplossing) en twee keer, op oudere leeftijd, de Ratingerstrass no. 20 (afb. 2). In die straat was zijn buurman een kleermaker, die Zimmermann heette (niet Haio!).
Toen die nog een jongetje was, mocht hij elke dag de warme maaltijd voor Müller halen en kreeg daar zo nu en dan een knipseltje voor. Veel later vertelde deze Zimmermann over de armelijke omstandigheden waaronder de knipper leefde.
In zijn visitekaartjes knipte Müller zichzelf met een gebogen rug. Hij had op zijn oude dag een beschermheer en weldoener, Th. Löbbecke. Deze was apotheker, zoöloog, reiziger en verzamelaar (er is nog steeds het Aquazoo-Löbbecke Museum in Düsseldorf). Hij gaf de Scherenschneider zelfs een kamer in zijn huis. In 1865 werd Müller ernstig ziek en stierf in het stadsziekenhuis. Wilhelm Müller heeft veel werk nagelaten (kleine stukjes, maar ook grote) en daaruit komt naar voren dat hij de personen en dieren in zijn omgeving goed in zich opnam en ze later uitknipte. Hij had een aantal favoriete figuren.

afb 3.

Die zien we ook bij zijn zelfportretten: tafereeltjes met episoden van een jaarmarkt of kermis (afb. 3). Daarbij een opvallende figuur, de ‘Figuri-Mann’. Dat waren rondtrekkende, vaak Italiaanse koopplieden, die een lange plank op het hoofd droegen met beschilderde gipsen beeldjes. Ze riepen steeds “Figuri Figuri”.

De Calvarieberg en Napoleon waren heel gewild bij het publiek (afb. 4).

afb 4.

De 17 jaar jongere knipper Karl Fröhlich uit Berlijn heeft Müller bezocht in 1842 en sindsdien stimuleerden ze elkaar. Karl volgde in 1851 in Düsseldorf een cursus aan de kunstacademie. Bijzonder is, dat het ongesigneerde werk van beide schaarkunstenaars moeilijk uit elkaar te houden is; zelfs deskundigen hebben er moeite mee en daardoor is er veel van hun knipwerk verwisseld.

afb 5.

Een voorbeeld is het portret van de staand knippende Fröhlich, dat als zelfportret te boek staat (afb. 5). Ons inziens is het gemaakt door Müller, want deze gebruikte hetzelfde lettertype en het ‘bergje’ naast hem. Fröhlich vestigde zich kort daarna weer in Berlijn. Misschien was het een afscheidsprentje van Müller aan Fröhlich. De laatste heeft een heel wat gelukkiger leven gehad en liet veel van zijn werk drukken, samen met rijmpjes en versjes. Die zijn ook in het Nederlands vertaald en uitgegeven.

 

 

 

Joke en Jan Peter Verhave

Gebruikte artikelen:
Joke en JP Verhave, ‘Vrolijke gezichten’, Knip-Pers, december 1990
Antje Buchwald, ‘Wilhelm Müller’, Schwarz Auf Weiß, November 2009
Jörg Paczkowski, ‘Karl Fröhlich (1821-1898) Scherenschnitte’. Wertheimer Museumschriften, Heft 6, 1983 (exemplaar van Lies Markus!)

Deventer sprokkelingen, Knip-Pers 2017-3

Onlangs konden wij een prachtig knipwerk aan onze verzameling toevoegen (afb. 1). Het was voor een meisje uit Deventer, Catharina Hendrika Schutte, die leefde van 1798 tot 1880. Het is gemaakt toen ze achttien was door O.J. van Zutphen. Zij trouwde twee jaar later met Gerrit Jan Bömer Keijzer en bleef haar lange leven in Deventer wonen.

De knipper O.J. blijkt Otto Johannes van Zutphen te zijn, luitenant in de Bataafse Infanterie. Maar veel belangrijker: hij was getrouwd met Sophia Cecilia Schutte in 1803 te Deventer. De precieze familierelatie hebben we nog niet gevonden, maar de vader van Catharina heette Jan Wessel Schutte te Deventer en Otto en Sophie hadden een zoon Jan Wessel van Zutphen, geboren te Deventer. Het is duidelijk dat dit knipsel niet Otto’s eerste werkstuk was.

Een vaste hand, mooie letters en karakteristieke versieringen zouden kunnen leiden naar andere werkstukken van Van Zutphen. Maar tot nu toe hebben we die nergens aangetroffen. Het knipsel is een schenking van een echtpaar uit Zwolle; zij meenden dat het meer op z’n plaats is in onze collectie dan bij hen op zolder. In dank aanvaard en het bekijken waard!

afb 1.

In ons nieuwe boekje Onbekend en Ontroerend Erfgoed staan twee knipsels uit Deventer, voor Jan Weers (blz. 52) en Diederieka ten Brinke (blz. 53). Jan heette eigenlijk Johan Weerts (1741-1788) en is in zijn knipsel (hier niet afgebeeld) als ‘Juneor’ aangemerkt: vader mr. Johan Weerts was burgemeester van Deventer. Jan trouwde te Deventer op 12 april 1773 met Diderica ten Brink (1753-1805), dochter van mr. Sylvester Aemilius ten Brink, advocaat te Deventer.
Johan Weerts jr. was gemeenschapsman of gemeensman, ‘lid der gezworen gemeente’ te Deventer. Dit was een college dat in Gelderland en Overijssel de burgerij bij het stadsbestuur vertegenwoordigde. Het zijn dus vooraanstaande families.

In het stuk voor Jan staat het familiewapen Weerts met drie ankers. Het knipsel voor de bruid (afb. 2) bevat haar familiewapen, een menselijk hoofd, en huwelijkssymboliek (hanen en een kloek met kuikens). Het echtpaar kreeg acht kinderen van wie er vijf volwassen werden (had de knipper met de vijf kuikens een vooruitziende blik?). Diderica hertrouwde na het overlijden van Johan met de weduwnaar mr. Johan J. Schmauss, vrederechter kanton Deventer, in 1801. De knipsels zijn vast door een stadsgenoot gemaakt, maar de naam is onbekend; ook kennen we geen andere knipsels van die hand. (afb 2.)

afb 2., 17 x 14 cm

Tenslotte noemen we Gesina ter Borch, dochter van Gerard de schilder en halfzus van Gerard junior, de nòg beroemder schilder. Gesina is waarschijnlijk in Deventer geboren in 1631; haar moeder kwam er vandaan. Gesina was ook getalenteerd en van haar zijn veel tekeningen met waterverf bewaard. Zij is zelf nooit getrouwd geweest. Haar zus Jenneken trouwde met Sybrand Schellinger en kreeg drie kinderen, Gerrit, Cornelis en Hillegonda. Toen Jenneken overleed op Curaçao (1675), kwamen de kinderen terug en tante Gesina ontfermde zich over hen.

afb 3., 24 x 36 cm, knipseltjes door Cornelis Schellinger, 1685 (2x), Johannes van Achelom en Gesina ter Borch

Ongetwijfeld heeft ze hen leren knippen, want onder één knipseltje staat haar naam; ze heeft diverse stukjes van de broertjes in haar familie plakboek geplakt. Die dateren van 1685 en 1687. Vooral de laatste zijn heel kunstig, met uitbeeldingen van mythologische verhalen. Het zou best kunnen dat ze het boekje Konstig en Vermaakelijk Tydverdryf der Hollandsche Jufferen of Onderricht in de Papiere Sny-konst uit 1686 hebben gebruikt. Een van de knipsels draagt de naam Johannes van Achelom. In de informatie van het Rijksmuseum staat dat hij de jongens het knippen leerde, maar dat kan niet, want hij vertrok in 1668 naar Florence, om nooit meer terug te komen. Het boekje was bedoeld voor meisjes, maar van Hillegonda zijn geen knipsels bewaard.

afb 4., 24 x 36 cm, knipsels van Cornelis en Gerrit Schellinger, 1687

De schilder Gerard ter Borch junior woonde in Deventer en Gesina is vaak model voor hem geweest. Zij is vanuit Zwolle veel in haar geboortestad te logeren geweest, ongetwijfeld met de kinderen Schellinger. Ze overleed in 1690. Neef Cornelis heeft aan het Deventer Athenaeum gestudeerd en promoveerde in Utrecht. In 1698 bezweek hij na een ongeluk door een messteek van een vriend in Deventer. Gelukkig is het werk van Gesina, inclusief de knipsels van haarzelf,
haar neefjes en Van Achelom bewaard gebleven.

afb 5., 24 x 36 cm, de twee neefjes van tante Gesina ter Borch, Gerrit (rechts) en Cornelis Schellinger (links), getekend door Gesina, van wie zij knipsels in haar familieplakboek heeft bewaard

Joke en Jan Peter Verhave

Afm. Familieplakboek: 24 x 36 cm (afb. 3, 4 en 5).
Literatuur
Atty Broer, ‘Portretten van Knipkunstenaars’ Gesina ter Borch.
Nieuwsbrief St. W.Tj. Lever 20 (2007)
Marjan Brouwer, De Gouden Eeuw van Gesina ter Borch. Waanders, Zwolle, 2010
Joke en Jan Peter Verhave, ‘De Nederlands-Italiaanse knipkunstenaar Joannes van Achelom omstreeks 1700’. Oud Holland 128 (2015), 147-162
Idem, ‘Onbekend en ontroerend erfgoed. Tijdsbeelden geknipt door anonieme kleinkunstenaars’. Uitgave eigen beheer, 2017

3D Knippen, Knip-Pers 2017-2

In de Knip-Pers 2017-1 presenteerden we een ruimtelijk knipwerk, gemaakt door Gillis van Vliet  in 1681.

Een eeuw later waren het vader en zoon Bavelaar die kleine kijkkastjes knutselden met huiselijke taferelen en stadsgezichtjes, uit hout of been.

In Rotterdam maakte Johannes Kopper ruimtelijke zeegezichten met zeilschepen en Hendrik Berck boetseerde Amsterdamse stadsgezichten uit papier-maché. Tot halverwege de 19e eeuw waren, naast het platte knipwerk, zulke diorama’s populair.

Eén van de papierkunstenaars die knipwerken met diepte maakte, was Johannes Hubertus Reijgers (1767- 1846), geboren in Gorkum. Hij kwam in Middelburg terecht als huisleraar en trouwde daar met Catharina van der Krap in 1796. Hij volgde er de tekenschool en werd een verdienstelijk tekenaar, schilder, o.a. van schepen en zeegezichten in waterverf, maar ook van silhouetten en portretten. Ook maakte hij gravures en als inspecteur der Landsgebouwen tekende hij Zeeuwse buitenplaatsen en kastelen. In 1814 werd Reijgers benoemd als leraar (‘lesgevende meester’) aan de Middelburgse Tekenacademie en hij vernieuwde het tekenonderwijs. Hij zette altijd zijn naam onder zijn werkstukken!
Heel gewild werd zijn ruimtelijk werk, diorama’s of maquettes van papier, die voornamelijk door Middelburgers werden besteld, ter herinnering aan familiegebeurtenissen. Soms verwerkte hij
het silhouet van het overleden familielid Onlangs dook een stuk op, gemaakt bij het overlijden van de Middelburgse koopman H. ten Broecke in 1822. Al veel eerder maakte hij een stuk in opdracht van de kinderen van Jan Meusel te Middelburg, voor diens 60e verjaardag in 1804 (hoe het in het Museum van Zwolle terecht is gekomen, weten we niet). Een ander stuk, eveneens voor een jarige Middelburger, J.P. Serlé, wordt bewaard in het Haags Gemeentemuseum.

Die stukken plaatste hij in een houten kastje, met glas ervoor. Zulk werk werd door zijn biografen geprezen om ‘de hoge trap van volkomenheid’ en omschreven als ‘kunstig snij- en boetseerwerk in papier, als Bas-reliëf opgewerkt, waarvan te Middelburg en andere Zeeuwse plaatsen, fraaije Proeven te zien zijn’ (een bas-reliëf is een ruimtelijke afbeelding, in steen of houtsnijwerk en in dit geval in papier, met een platte achterkant). We laten er twee zien. Het ene (afb. 1) is voor een onbekende predikant en zijn vrouw.

afb 1., 48 x 38,5 x 8,2 cm, Nederlands Uitvaart Museum Tot Zover, Amsterdam

Een heel mooi diorama maakte hij voor koning Lodewijk Napoleon en koningin Eugénie. In het midden een sierlijke vaas met allerlei koninklijke symbolen, in Empire stijl. Aan weerszijden de vrijheidsmaagd en een anker; daarnaast de wapens van de Hollandse gewesten of provincies.
Er staat: “Aan Zijne Majesteit! Den KONING van HOLLAND! Word dit Gedenkstuk met alle Hoogachting door desselvs Onderdanige en Gehoorzame dienaar J.H. Reijgers Eerbiedig Aangeboden”. Het werd door de koning in 1807 aangekocht voor 400 gulden en bewaard in het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden in Den Haag, om uiteindelijk in het Rijksmuseum te belanden.
Later was Reijgers overigens een al even gedienstige onderdaan van koning Willem.

afb 2, 63,5 x 54,5 x 13 cm, Rijksmuseum

Bekijk de afbeeldingen eens goed en vraag je af wat de techniek van Reijgers was. Hoe kreeg hij dat allemaal voor elkaar, uit papier? Neem eens een detail en probeer dat na te doen. Natuurlijk zijn de vormen van begin 19e eeuw anders dan de onze, maar het is een uitdaging om met eigentijdse vormen en een oude techniek kunnen proberen om iets driedimensionaals te maken. We zijn benieuwd.

Joke en Jan Peter Verhave

Zie: Atty Broer, ‘Zeeuwse knippers en hun werk (2)’, Nieuwsbrief St. W.Tj. Lever 2004, nr. 4.